Acht brieven (1588-1591) van Sabinus Odulphi BAERDT
aan zijn neef Johannes Suffridi Saeckma

>> HOMEpage
Transcriptie: M.H.H. Engels, november 2004
Einde van regel (niet van alinea) weergegeven door onderstreept teken
* 1. Franeker 1588 01 19 * 2. Dokkum 1590 02 26 * 3. Marburg 1590 04 19 * 4. Marburg 1590 06 10
* 5. Marburg [1590] 09 21 * 6. Marburg 1591 03 17 * 7. Marburg 1591 08 17 * 8. Marburg 1591 09 21

1. Franeker, 1588 01 19

Naar de uitgave Leeuwarden 1989: EEN LUIT VOOR MUZIEKLES IN FRANEKER, 1588, VAN OPBRENGST SCHOOLBOEKEN

De brief is op 19 januari 1588 geschreven door de toen 16 jaar oude Sabinus Odulphi Baerdt, die sedert 3.6.1587 rechten studeerde aan de universiteit te Franeker. De brief is gericht aan diens 15-jarige neef Johannes Suffridi Saeckma (Kollum 7.11.1572 - Leeuwarden 22.12.1636). Saeckma was toen leerling van de hoogste klas van de Latijnse school te Leeuwarden. Hij zou zich op 8 augustus van dat jaar (1588) als rechtenstudent te Franeker laten inschrijven. Over de Friese rechtenstudent Johannes Saeckma en zijn drie neven en over hun academische reis naar Duitsland zie Peregrinatio academica in Germaniam.

Hieronder volgt de Latijnse brief met Nederlandse vertaling en toelichting.
Sabinus Odulphi Baerdt, Franeker 19 januari 1588, aan Johannes Suffridi Saeckma te Leeuwarden. - Rijksarchief in Friesland, Collectie Van Breughel, 16A fol. 1.

Ego profecto vix credo te meas literas perlegere quas mitto, nam nuper tibi scripseram quod reliquos libros venderes quanti posses, et iam mihi rescribis, scribe mihi pretium singulorum, etc. Anne putas me pecuniam ex puteo quodam haurire, nam cum tibi dant nautae literas meas, ego solvo et cum tu mihi scribis ego etiam solvo; qua propter oro te per amorem nostram ut diligentius perlegas meas literas ut non tam saepe de una et eadem re scribere - hoc enim taediosium est - opus sit. Haec ita generaliter accipi nolim ut putes me omnino taedio tuarum literarum affici, sed quod toties unam et eandem rem non libenter iterem; nam ut est in proverbio Crambe bis posita mors est. Sed quoniam iam oportuna mihi sit oblata occasio pretium illorum librorum paucis hic annotavi.

Si tamen hos pluris possis vendere facias. Si quoque tanti non potes minoris vende.
Tu scribis te empturum chelijn Sirici Dominici illa pecunia quam accipis pro libris. Ego scripsi quod primam chelijn debeas emere et pretium ab avunculo mutuare et secundam - petii enim ut duas emeres - scripsi te empturum illa pecunia quam accipis pro libris. Iam prima erit Sirici, ergo illius pretium ab avunculo afferre debes, alioqui in primis emisses organistae et secundo emisses Sirici atque sic solvisses pretio librorum. Sed quoniam organista non vult suam vendere et Sirici sis empturus igitur pete pretium ab avunculo quo illam solvas et interim vide num possis adhuc unam consequi illamque solves pretio librorum meorum et hoc ipsum quo citius eo melius et quo citius duas possis consequi eo mihi magis gratum facies. Sed unam tamen iam quamprimum mihi mitte. Nam tempus labitur et nos uno eodemque pretio possumus discere tangere chelijn et donec ego non habeo non possum discere nisi solam musicam.
His vale et diligenter queso meas literas perlege, et rogo te per nostram amicitiam ut si quid liberius scripseram aequi bonique consulas, et ut diligenter haec cures; si quid iterum possim non deero.
Scies me heri die Mercurii sustinuisse theses et foeliciter Deo gratia successit.
Iterum vale et Deo sis commendatus. Omnes nostros meo nomine saluta et Antonium tuum.
Datae Franekerae 19 die Ianuarii anno 1588
Tuus Sabinus Odulphi [Baerdt]
1588.

[Adres:] Ioanni Suffrido hae dentur literae
Leowerdiae
1588.

Vertaling

Ik geloof in feite nauwelijks dat je mijn brieven die ik zend, goed leest, want onlangs had ik je geschreven dat je de achtergelaten boeken zou verkopen voor een zo hoog mogelijke prijs, en nu heb je me teruggeschreven: Schrijf me de prijs van de afzonderlijke boeken, enz. Of denk je dat ik het geld uit een put schep, want als de schippers jou mijn brieven overhandigen, betaal ik, en als jij mij schrijft, betaal ik ook; daarom bid ik je omwille van onze vriendschap, dat je mijn brieven nauwkeuriger leest, opdat ik niet zo vaak over een en dezelfde zaak moet schrijven - dat is immers nogal vervelend. Ik zou niet willen dat dit zo algemeen wordt opgevat, dat je denkt dat ik een algehele tegenzin in je brieven krijg, maar dat ik een en dezelfde zaak niet graag zo dikwijls herhaal; immers tweemaal opgediende kool is dood, zo luidt het spreekwoord. Maar omdat me nu een gunstige gelegenheid is geboden, schrijf ik de (vraag)prijs van de boeken in het kort hier op.
- [Cicero,] Epist[olae ad] fam[iliares] 12 st[uiver]
- Ovid[ius], Metam[orphoses] 8
- Joannes Fong[ers] werk [Sylva carminum] 8
- Pol[ydorus] Verg[ilius, Proverbiorum et adagiorum veterum libellus] 6
- [Aelius Aristides], Dialog[i] sacri 4 of 6
- Val[erius] Max[imus] 4
- Laur[entius] Valla, [Elegantiae de lingua latina] 6
- Ovid[ius], De tristib[us] 2
- [Cicero], Tusculan[a]e qu[a]estiones [= disputationes] 6
- Ovid[ius, Ars] amator[ia] 8
- Horat[ius, Poemata] 6
- Phil[ipp] Mel[anchthon], Erot[emata] dialect[ices, ita scripta ut iuventuti utiliter proponi possint] 8.
Als je deze echter voor meer kunt verkopen, moet je het doen. Maar als je ze ook voor zoveel niet van de hand kunt doen, verkoop ze dan voor minder.
Je schrijft dat je de luit van Sierk Douwes zult kopen van het geld dat je voor de boeken krijgt. Ik heb geschreven dat je de eerste luit moet kopen en het geld daarvoor van oom lenen en dat je de tweede - ik heb immers gevraagd dat je er twee zou kopen - zult kopen, heb ik geschreven, van het geld dat je voor de boeken ontvangt. Nu zal de eerste van Sierk zijn, dus moet je het geld daarvoor door oom opbrengen, anders had je eerst van de organist gekocht en in de tweede plaats van Sierk en dus betaald met de opbrengst van de boeken. Maar vraag, omdat de organist zijn luit niet wil verkopen en je derhalve die van Sierk zult moeten kopen, het bedrag van oom, waarmee je die luit betaalt, en kijk intussen of je er nog een kunt verwerven en moge je die betalen met de opbrengst van mijn boeken en hoe sneller dit hoe beter en hoe sneller je er twee kunt verwerven des te dankbaarder zul je me maken. Maar stuur me er toch in elk geval een zo spoedig mogelijk. Want de tijd verstrijkt en wij kunnen voor een en dezelfde prijs leren de luit te tokkelen en zolang ik er geen heb kan ik het niet leren tenzij alleen de muziek.
Hiermee vaarwel en ik verzoek je vriendelijk: lees mijn brief goed, en ik vraag je omwille van onze vriendschap als ik wat al te vrij geschreven mocht hebben, het goed op te nemen, en nauwlettend hiervoor te zorgen. Als ik iets terug kan doen, zal ik het niet nalaten.
Je moge weten dat ik gisteren, woensdag, stellingen heb verdedigd en dat is God zij dank goed gelukt.
Wederom vaarwel en moge je God bevolen zijn. Groet al de onzen in mijn naam, ook jouw Antonius.
Gegeven te Franeker 19 januari 1588,
Jouw Sabinus Odulphi [Baerdt], 1588

[Adres:] Aan Johan Sjoerds te Leeuwarden is deze brief te overhandigen, 1588.

Toelichting

De stijl van deze brief is natuurlijk niet de fraaiste. De talrijke voegwoorden "et" kunnen wij een 16-jarige echter niet kwalijk nemen.
Het door Baerdt geciteerde spreekwoord vinden we bij Erasmus, Adagia, I v 38: zie bijv. Collected works vol. 31.
De titels en auteurs van de te verkopen schoolboeken hebben we in de vertaling tussen haakjes aangevuld. De edities zijn we niet nagegaan. Hier slechts enkele verwijzingen en opmerkingen. Visscher, Catalogus 122, geeft een verzamelband met werk van Fongers. Voor Vergilius (overleden 1555) zie Buisson 660. Dank zij de online-catalogus konden we de auteur van de Dialogi sacri achterhalen: de Buma-bibliotheek bezit een Italiaanse vertaling van de autobiografische Gewijde redevoeringen van de Griekse sofist en redenaar (Publius) Aelius Aristides (117-189 na Chr.); de redevoeringen zijn het relaas van zijn heilige ziekte (d.w.z. epilepsie) en de genezing daarvan na 17 jaar, in de tempel van Asclepius te Pergamum. De dictis factisque memorabilibus is het enige overgeleverde werk van de Romeinse historicus Valerius Maximus (zie bijv. Biographie universelle). Voor de Griekse spraakkunst van Melanchthon zie Buisson 436.
Het Griekse vrouwelijke woord chelus (Latijn: chelys; acc. chelym of chelyn) betekent schildpad. Van haar schild maakte Hermes de eerste lier; vandaar de tweede betekenis lier. Het Oudgriekse snaarinstrument werd met een plektrum bespeeld (getokkeld). De lier die uit de 10de tot 18de eeuw dateert, is een instrument dat op een viool lijkt; het bestaat in drie grootten: lira da braccio, lira da gamba en archiviola da lira. Omdat in de brief het bespelen van het instrument tokkelen (Latijn: tangere) genoemd wordt, denken we dat hier een luit bedoeld wordt; de luit was het populairste muziekinstrument van de 16de en 17de eeuw. Raadpleging van het Nederlands/Latijnse woordenboek van Cornelis Kilian bevestigde onze vertaling. Kilian is een rijke bron voor de kennis van het 16de-eeuwse Nederlands en van het humanistisch Latijn. Op bladzijde 296 lezen we: luyte/luydte - chelis, testudo, lyra, fides, cithara, cithara halieutica.
Welke oom van Baerdt (en Saeckma) beoogd wordt als geldschieter voor de aankoop van de (eerste) luit, is niet duidelijk. Saeckma had een oom van vaderszijde en drie ooms van moederszijde: zie Winsemius' lijkrede op Saeckma in uittreksel vertaald en toegelicht. Ritske van Rinia (= Regnerus van Ringhe), grietman van Westdongeradeel, aan wie Baerdt een disputatie heeft opgedragen (zie hieronder), komt wel het eerst in aanmerking.
Sierk Douwes is misschien een broer van Hayo Douwes geweest en evenals deze orgelbouwer in Leeuwarden; vgl. Komter-Kuipers 29. De organist in de brief is wellicht Peter Christianus geweest, die in 1580 als zodanig vermeld wordt met betrekking tot de Grote of Jacobijner kerk te Leeuwarden; Komter-Kuipers 26.
Baerdts juridische disputatie van 18-1-1588 komt niet voor bij Ahsmann. De oudste door haar getraceerde juridische disputatie dateert van 1589. In haar lijsten vindt men daarentegen wel de disputatie "de iniuriis" van Sabinus Odulphi (Baerdt) onder voorzitterschap van Henricus Schotanus d.d. 31-1-1590 (impressum 1589), opgedragen aan oom Regnerus a Ringhe.
De Antonius aan wie Saeckma van Baerdt de groeten moet doen, is Marcus Lycklama. Deze boezemvriend van Saeckma was geboren op Antoniusdag, 17 januari, 1573, en had blijkbaar voor intimi deze bijnaam. Als jurist publiceerde hij onder pseudoniem Antonii Mercatoris pro Jacobo Cuiacio Operae gratuitae de condictione furtiva ... adversus operas Antonii Fabro ... subsidiarias, Lugd. Batav. 1616, een scherp antwoord op Casp. Schieferdeckers Disputationes forenses.

Literatuur

* M. Ahsmann, De juridische faculteit te Franeker 1585-1635. Een studie over de professoren en hun onderwijs met lijsten van verdedigde disputaties. In: Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis LIV(1986), 3-72.
* D.J. Balfoort, Het muziekleven in Nederland in de 17de en 18de eeuw. Tweede, herziene druk.'s-Gravenhage 1981.
* Ferdinand Edouard Buisson, Repertoire des ouvrages pedagogiques du XVIe siècle. Paris 1886. Second reprint, Nieuwkoop 1968.
* Encyclopedie van muziekinstrumenten. Helmond 1977.
* M.H.H. Engels, Saeckma. I: Van student (8.8.1588) tot advocaat (5.11.1595). Leeuwarden 8.8.1988; II: Winsemius' lijkrede op Saeckma in uittreksel vertaald en toegelicht. Leeuwarden 1988.
* Erasmus, Collected works, volume 31, Adages Ii1 to Iv100, translated by Margaret Mann Phillips, annotated by R.A.B. Mynors. Toronto 1982.
* Cornelius Kilianus, Etymologicum Teutonicae linguae sive Dictionarium Teutonico-Latinum. Editio tertia. Antverpiae, ex officina Plantiniana, 1599. (PB sign. 2199 TL)
* A. Komter-Kuipers, Muzyk yn Fryslân oant 1800. Boalsert 1935. De Fryske Librije XVIII-XIX. (1360 fr)
* R. Visscher, Iets over het muziekleven te Leeuwarden in het begin der 17e eeuw. In: De Vrije Fries XXVIII (1928), 17-33.
* R. Visscher, Catalogus der stedelijke bibliotheek van Leeuwarden. 's-Gravenhage 1932.


2. Dokkum, 1590 02 26

>> begin

Si valeas, mi cognate, bene est, nos, Deo gratia, omnes incolumi valetudine fruimur. Novi quod ad te scribam, nihil habeo, sed tantum quod mirer vestram aut negligentiam aut labilem memoriam. Cum enim nuper Franeckera discederem, mihi tam sancte fuit premissa missio clavicymbali et testitudinis; sed non male profecto promissis statis. Ego cum essem Leoverdiae, cum matertera vos missuros putaveram, postea hic quotidie expectabam, cogitans vos non destituros, quin mihi missuri sitis, cum toties dixerim me petere ut quam primum possitis, mittatis, atque vos illud mihi promiseritis. Peto itaque ne diutius expectetis sed statim mihi mittatis. His te Deo omnipotenti commendatum volo. Saluta mea nomine omnes.
De discessu meo adhuc nihil certi habeo, quando sit futurus, sed cum certus sim, vos etiam meo adventu certiores reddam. Si Pibo Gerritsma ibi sit, dic adhuc minimum bene praeterlapsuras esse tres aut 4 septimanas antequam discedamus. Quod ipsi de comite Francisco Meinsma dixeram, hoc illi die nihil esse, ille enim alio quam nos, et citius quam nos itineri se accinget. Salutant vos omnes. Docceti 26 Febr. Anno 1590.

Tuus ex animo Sabinus Odulphi [Baerdt]

Audive hic quoddam nescio murmur de abolenda Academia, si vos ea de re quid certi habeatis, mihi scribe.

[Adres:] Optimae spei adolescenti Ioanni Suffrido cognato suo dilectiss. Franeckerae


3. Marburg, 1590 04 19

>> begin

Cum nuper a vobis discederem, promisi me interdum tibi scripturum. Et cum sciam numquam magis quemquam solicitum amici causa quam cum sit in itinere vel illud primum absolverit, iam promissa servo. Et scies me, Deo gratia, satis foelix iter habuisse, nisi quod, eo quod pedes proficissebar, dolorem pedis mihi contraxerim, ita ut in civitate Cassell, quod 9 miliaribus distat a Marpurgo, 8 aut 10 dies cogerer manere et chirurgum accedere, sed tamen intra mensem totum iter absolvi.
Libros meos nondum accepi, nec credo me adhuc intra mensem accepturum. Mynsingerum, Vesenbecium in Inst. et Paratitla eiusdem in D. et C. mihi comparavi 7 aureos Carol. et ½. Sed illud ita forte fortuito accidit, alioqui si a bibliopola emissem vix infra 14 aur. illud potuisset fieri. Sed mea non est ultima editio. Est tamen bona. His paucis te Deo omnipote[nti] commendo, qui tibi et mihi et nobis omnibus longam et incolumem valetudinem largiatur. Saluta meo nomine omnes commilitones et collegas musicos. Vale. Marpurg. 19 April. 1590.

Tuus tantus quantus Sabinus Odulphi [Baerdt]

[Adres:] Optimae spei adolescenti Ioanni Suffrido, consobrino suo dilect. Franekerae


4. Marburg, 1590 06 10

>> begin

Si vales, mi Ioannes, bene est; ego Deo gratia bene valeo. Scripsi tibi nuper, et non dubito quin literas illas acceperis, mihi autem nihil respondisti, quod quidem omnino tibi vitio vertere non possum, cum sciam te, si quando avunculus noster scribendi occasionem habeat, eam ignorare. Sed tamen peto, ut si non fecisti i.e. meis literis non respondisti - fortasse enim literas misistis, quas nondum accepi, nullas enim adhuc accepi - cum aliqua tibi fuerit occasio facias. Nunc enim demum incipio intelligere quam grave sit nullas ab amicis literas accipere.
Ego de studiis meis privatis nihil scribere possum, nisi quod sim hic in collegio Digestorum, in quo per vices theses ipsi componere easque sine praeside defendere cogimur; sin autem defendere non possumus nobis dedecori non est, cum illud publice saepe contingat ut ipse praeses defendere non possit. Audio lectiones D. Sixtini et D. Vulteii, quorum ille Codicis hic Inst. est professor.
His paucis te Deo omnipotenti commendatum volo, et saluta omnes meos condiscipulos, inprimis vero Nicolaum Liemburch, Suffr. Suffr., Henricum Othonis et alios; et dic me familiariter ab iis petere ut principium scribendi faciant, ut quondam coram, sic etiam absentes familiaritate possimus uti. Ego enim cum scribendi occasio est, tam multas cogor scribere literas ut c... potissimum avunculo scribam ignorem. Vale iterum, et saluta - quod exciderat - avunculum, materteram, cognatos et reliquos. Marpurg. 10 Iunii 1590.

Tuus ut scis Sabinus Odulphi [Baerdt]

Dic quaeso avunculo nostro ut me hoc tempore excusatum habeat; tam cito enim has literas exarare coactus sum, ut vix relegendi tempus concessum fuerit, cum etiam nocte scripserim. Tacitus enim ab Aylva huc vesperi sero veniebat, et altero die summo mane pergere volebat; tempus itaque non fuit. Ideoque, ut petii, fac. Non enim desinam si mihi scribat suis literis respondere: alioqui autem si nunquam rescribat, materia mihi cito deficiet. Dic etiam materterae ut mea causa tam solicita non sit, sed curam si posset fieri deponat. Ego enim, quamdiu pecunia et valetudo supersunt, - neutrum autem Deo gratia, mihi adhuc deficit - commodiorem habitandi locum non optarem. Vale.

Tuus ut supra.

[Adres:] Optimae spei adolescenti Ioanni Suffrido cognato suo S.P. Franekerae


5. Marburg, [1590] 09 21

>> begin

Scripsi, mi cognate, nuper non tibi sed avunculo nostro Elardo Reynalda. Num vero ad vos illae literae sunt perlatae, dubito cum Embdensi cuidam nuntio tradiderem, qui ad vos perferendas curaret. Tibi non scripsi propter literarum multitudinem, scripseram enim etiam tuae matri. Ubi autem intellexero vos illis frustratos damnum recompensabo. Materterae nostrae literis Suffridi Suffridi, et tuis eodem tempore respondi, nec dubito quin ad manus vestras illae pervenerint. Longo tempore nullas a te literas accepi, causam ignoro; fortasse difficultas temporis. Scripseram tibi nuper quaedam de statu huius Academiae etc. Quibus utpote inter nos privatis unicum hoc nunc superaddo, me esse in quodam collegio Digest., cuius praeses est Petrus Ioannis [Runia], qui ita respondet, ut sciam certo Leovardiae multos esse Dd. qui tantum praestare non valeant.
De publicis hoc habeto, quod etiam nuper avunculo scripsi, sed on praedictam causam repeto, Pontificem Roman. mortuum esse, non ut quidam dicunt morte naturali, sed violento, utpote veneno, remedio Italis crebro. Causam hanc adiungunt regem Hispaniae misisse legatos Romam, qui peterent ipsum ab Pontifice declarari regem Galliarum, quod ille facere recusabat. Praeterea quia quidam Romae clamassent Vive le Roy du France i.e. Vivat rex Franciae quos ille puniri prohibuisset. Adeo ut quidam hoc scommate uterentur Sixtus Quintus factus est Calvinista. Ob haec et alia Cardinalibus invisus factus praedicto modo, ut quidem dicunt, extinctus est. Additus ab hominibus Romae esse discordiam in electione alterius, regem nostram Hispaniae velle alium, alium item Cardinales, alii dicunt regem Hispaniarum vicisse, et quem ille voluerit, esse. Quid sit brevi audiemus. Literae dicuntur missae Constantinopoli Turcarum cum Polonis inducias fecisse, et sese parare magno exercitu contra Ungaros. Faxit Deus ne illi hostes ad optatum finem veniant.
Valebis ubi unicum hoc adhuc cognoveris Severinum fortasse brevi in patriam reversurum. Hinc Francofurt. reversurum Basilea, quod tamen vix enim profectus est 9 August. stil. vet. putabatque se his Nundinis fieri posse et ipse tum dicebat, sed tamen sperabat. His vale salutaque omnes, avunculum, materteram, totamque familiam, simul et Ioannem Ioach., Franc. Camminga et alios et praecipue Laelium, cui dic me sinistram de nostra amicitia opinionem concepisse ut petere igitur ut se purget, ego propter multitudinem literarum quas scribere cogor, principium scribendi facere non valeo: se tamen scribat respondebo, quo modo possim. Marpurg. 21 Septembr. [1590] stil. vet.

Tuus ut ante Sabinus Odulphi [Baerdt]

[Adres:] Optimae spei adolescenti Ioanni Suffrido S., SS. LL. studioso Franekerae, & cognato suo charissimo. S. Franekerae


6. Marburg, 1591 03 17

>> begin

Valere te, mi cognate, ex tuis literis intelligo; de me ex meis iudicare poteris. De concessione privilegiorum Academicorum gratum est mihi audire, gratius futurum, si unum deesset. Baccalaurei isti utrum iuris, an phylosophiae futuri, certo intelligere nequeo, illud tamen coniicio. Procuratores isti quid cogitent, satis scio; sufficere enim putant, si rusticum - ut ita dicam - a pecunia separare, tria Latina verba aut potius Germanicolatina in medium proferre, et magistri salutari possint. Quidam etiam uxores ducunt, qui saepe pane, si haberent, soli vesci possint. Sed trahit sua quenque voluptas. Quid hic tibi liberius scripsi, scripsi tacituro, et commissum ne relevato. Et si quis Deus volet, aliquando ipsis scribam.
Quod ad nuptias cognatae nostrae attinet, eventus praedictionem meam veram fuisse ostendit: et vellem festivitati ipsius mihi interesse licuisset. Brevi Deo volente ipsi scribam et gratulabor; hoc autem tempore non potui. Expectaveramus hic quosdam conterraneos, sed quoniam nullius a te facta mentio, nullum te sciente venturum coniicio; et etiam credo, cum Academiam iam habeatis. Et peto ut proximis literis plenius de hac re me instruas, utrum omnes et singuli publice disputaverint, et de qua materia etc.
Et hoc peto a te ut et tu infimum istum gradum assumas, persuaderi tibi non patiaris. Sed prout tibi et amicorum consilio melius visum est. Hactenus breviter de tuis. De meis quod scribam nihil habeo, igitur vale, et festinanten calamum aeque consule. Marpurgi Cattorum 17 Martii 1591.

Tuus idem qui semper Sabinus Baerdt

[Adres:] Optimo spei adolescenti Ioanni Suffrido S. consobrino suo carissimo. S. Franekerae


7. [Marburg], 1591 08 17

>> begin

Bis tibi post Polmanni adventum scripsi, si non bis literas accepisti, forte adhuc accipies: tutis enim nuntiis tradidi. Quod tum tibi scripsi, ex iis cognosces; quodque posterioribus scriptis petii, te meo nomine curaturum mihi certo persuadeo. Num hoc peto, ut Ioanni Sutori Germano isti qui apud vos nunc est, tuam operam praestes, ut pecuniam, quam avunculus noster Regnerus a Ringhia ispi meo nomine - tradidit enim pater ipsius mihi hic aliquantulum, petens ut filio transscriberem, quod feci - debet, recipiat. Cohabitavit ille mihi hic aliquamdiu gratis et quasi famuli - licet non egerem, sed quod Deo me gratum opus facturum arbitrarer - vices obiit, illeque et pius et modestus hic apud me satis fuit. Quomodo ad vos pervenerit, mihi non dubium quin ex ipso cognoveris; itaque a te peto ut ipsum sui officii interdum admoneas, ipsique, quid praesens saepe occinuerim, renoves. Quod si feceris et mihi gratum, illique utile opus facies.
Privati hic nihil, nam quod semper fecimus adhuc facimus h.e. exercitium nostrarum disputationum praeside Petro Ioannis ad finem nondum perduximus. Polmannus est etiam collega cuiusdam Iuris Doctoris qui Digest. collegium iam inchoatus est. Placet autem ispi hic progressus studiorum valde prae Franekerensi. Ac si tuae facultates ferrent, amicisque nostris ita placeret - non enim meum consilium cum ipsorum semper convenire video - author tibi essem ut et tu huc accederes; sed meliori, et quod e re tua est, consilio utere. Vale, omnesque meo nomine saluta. Marp. Cattor. XVI KAL. SEPTEMBR. 1591.

Tuus idem qui semper Sabinus Baerdt

[Adres:] Pietate, virtute atque eruditione praestanti iuveni Ioanni Suffrido S. I.U.B. consobrino suo dilectissimo. S. Franekerae


8. Marburg, 1591 09 21

>> begin

Nuper tuis cum Polmanno missis literis respondi, responsionem accepisse te vix dubito; accepisse te aequo animo certo scio. Confessus enim meam sum culpam quod durius aliquanto te impetu quodam ac calore iuvenili accusaverim: illum autem ratum non esse, docuerunt te I.Cti nostri. Infectum itaque vellem, sed frustra. Privatorum, publicorum et mixtorum me participem fecisti, et recte ex promisso, alioqui mihi adeo ex stipulatu competeret. Et ago gratias. Mixta voco solemnitatem vestrae promotionis. Si literas meas legisti, partem huius etiam nosti, si non, nihilominus ex D. Hania forte didicisti: si nec hoc, videbis Deo volente, cum huc semel accedere tibi contigerit. Quid agatis - de studiis intelligo - non significasti, sed cum honoribus iam novis insigniti sitis, in collegio vos amplius non esse coniicere mihi videor, si non vere, saltem verisimiliter. Nos disputationum exercitium nondum absolvimus, impediti praesidis itinere ad fontes acidos valetudinis curanda gratia, finem autem brevi, Deo volente, videbimus.
Privati fere aliud quod scribam nunc nihil habeo, nisi hoc etiam scire velis, me certis gravibusque de causis sententiam mutasse et hic Marpurgi hyemare constituisse. Quonam futura aestate profecturus sim Deus novit, et tempus docebit. Respondi etiam nuper Laelio nostro. Geldorpium te accedere iussi, ipsique indicare studiosum illum ad quem literas miserat, non amplius hic esse. Publice enim valvis templi schedulum affixi, nihilominus tamen reperire illum non potui. Salutabis igitur eum meo nomine, neque ipsi nunc prae multitudine literarum scribere potui. Alias forte melior dabitur occasio. D. Schotano aliquoties scripsi, non tamen respondit, quid causae ignoro, valetudo forte, forte studium continuum, forte quod literas meas non acceperit. Peto itaque, ut me apud ipsum excuses, meque ipsi commendes. Resalutabis etiam meo nomine omnes, qui me salutarunt. Ioannem Sutorem quaeso in iis quae te rogaturus est adiuves: pauper enim est, et modestus, deque modestia ipsum tibi de meliori nota commendo. Frequentia ut vides te vinco, tu me prolixitate; meum forte tibi, et tuum mihi gratum. Vale. Marpurgi 21 Septembr. XCI.

Tuus ut ante Sabinus Baerdt

[Adres:] Optimae spei atque eruditionis adolescenti Ioanni Suffrido S. I.U.B. SSque LL in Academia Franequerensi studioso, cognato suo charissimo Franekerae

>> begin