II: PEREGRINATIO ACADEMICA
IN GERMANIAM

>> HOMEpage

Friese rechtenstudenten in Duitsland: Johannes Saeckma en zijn drie neven

Internetbewerking (juni 2003) van de publicatie 'Peregrinatio academica in Germaniam. Friesische Jurastudenten in den deutschen Landen: Johann Saeckma und seine drei Vettern.' In: Grenzgänge. Literatur und Kultur im Kontext. Hrsg. von Guillaume van Gemert und Hans Ester. Amsterdam 1990, blz. 379-397.

Berichten uit Marburg - Saeckma baccalaureus - Brief van Saeckma - Saeckma's peregrinatio - Saeckma in Heidelberg - Opdracht promotiestellingen - De Franse taal - Via Bazel naar Genève - Carrière - Samenvatting - Overzicht correspondentie 1588-1595


Inleiding

De klassieke peregrinatio academica van gereformeerde Noord-Nederlandse studenten ging via Heidelberg, Bazel en Genève, de centra van de calvinistische theologie.(1) Een schoolvoorbeeld daarvan is Johannes Saeckma (Kollum 1572 - Leeuwarden 1636), een van de eerste studenten van de in 1585 opgerichte universiteit van Franeker: hij is op 8.8.1588 (de bewust gekozen geluksdatum?) ingeschreven door zijn oom Elardus Reinalda, hoogleraar Latijn en Romeinse geschiedenis (1588-1591), toen (1588/1589) rector magnificus. Reinalda was als lid van Gedeputeerde Staten van Friesland (1584-1588) een van de hoofdpersonen geweest die zich voor de stichting van de universiteit(2) hadden ingezet.


1. H.R. Guggisberg, Die niederländischen Studenten an der Universität Basel von 1532 bis zum Ende des 17. Jahrhunderts. In: Basler Zeitschrift für Geschichte und Altertumskunde 58/59 (1959), blz. 231-288.
2. Universiteit te Franeker 1585-1811. Bijdragen tot de geschiedenis van de Friese hogeschool. Leeuwarden 1985.

Een vijfentwintigtal Latijnse brieven uit de jaren 1590-1595(3) geven een indruk van de sfeer rond de toenmalige buitenlandse studiereis. Veel hieruit geven we weer in letterlijke vertaling of in parafrase. Twee brieven stammen van Saeckma zelf, de meeste andere zijn aan hem gericht door zijn drie neven van moederszijde (Rinia (4)): Sabinus Odulphi Baerdt (1590-1591), Severinus Hanja (1591-1595), Georgius Wiarda (1595).


3. Een overzicht van de brieven volgt op de noten.
4. H. Rynja, De Friese geslachten Rynghe-Rinia-Rynja. Tilburg 1982.

Hanja keert in 1590 van zijn studiereis terug; hij heeft in Leiden gestudeerd (1581), daarna Marburg bezocht (1587), en is in Bazel gepromoveerd (1590). Baerdt, die een jaar ouder dan Saeckma was, is in 1587 als rechtenstudent te Franeker ingeschreven, in 1590 te Marburg en in 1592 te Heidelberg; in 1593 of 1594 schijnt hij te Rome overleden te zijn. Wiarda studeerde sedert 1592 rechten te Franeker; in 1594 ging hij samen met Saeckma op studiereis: beiden werden op 3 april 1594 aan de universiteit van Heidelberg ingeschreven. (5)


5. J. de Wal, Nederlanders, studenten te Heidelberg en Genève, sedert het begin der Kerkhervorming. Leiden 1865 (overdruk uit: Verslagen en mededeelingen der Maatschappij van Nederlandsche letterkunde); Dezelfde, Nederlanders, studenten te Heidelberg. In: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden, 1885-1886.
Saeckma's thesesSaeckma promoveerde op 29 maart 1595 aan de universiteit van Bazel tot doctor in de rechten.(6) Daarna bezocht hij Genève.(7) Op 5 november 1595 liet hij zich als advocaat inschrijven bij het Hof van Friesland te Leeuwarden. Wiarda bevond zich in mei 1596 in Genève, maar werd daar pas op 20 of 21 mei 1597 student aan de universiteit; in augustus was hij er nog. Hij promoveerde op 20 december 1597 te Bazel en werd in 1600 advocaat bij het Hof van Friesland te Leeuwarden.
6. K. Mommsen, Katalog der Basler juristischen Disputationen 1558-1818. Frankfurt am Main 1978, blz. 182, nr. 534.
7. H. de Vries de Heekelingen, Genève pepinière du calvinisme hollandais. I. Les etudiants des Pays-Bas a Genève au temps de Theodore de Bèze. Fribourg (Suisse) 1918; II. Correspondance des elèves de Theodore de Bèze après leurs départ de Genève. La Haye 1924.

>> begin

Berichten uit Marburg

Sabinus Baerdt bevindt zich op 26 februari 1590 in Dokkum, als hij aan zijn neef Johannes Saeckma te Franeker bericht, nog niet zeker te weten wanneer hij op reis (naar Marburg) zal gaan: hij denkt dat er nog wel vier weken voorbij zullen gaan voor het zover is. Het blijkbaar geplande gezelschap van Frans Meinsma gaat niet door: die wil naar Heidelberg en vertrekt bovendien eerder.(8)


8. Vgl. brief nr. 2. In het naschrift vraagt Baerdt aan Saeckma, of hij meer weet over het gerucht, dat de universiteit zou worden opgeheven.

Marburg bezat de oudste protestantse universiteit van Europa (1527), Heidelberg was na de invoering van het Calvinisme van 1559 tot 1619 het middelpunt van gereformeerde geleerdheid.

Op 19 april 1590 schrijft Baerdt vanuit Marburg: Ik heb God zij dank een tamelijk voorspoedige reis gehad, hoewel ik, omdat ik te voet reisde, zo'n pijn aan mijn voeten heb gekregen, dat ik in Kassel, negen mijl van Marburg, acht tot tien dagen moest blijven en een chirurg raadplegen; toch heb ik de hele reis binnen een maand voltooid. (9) Te voet reisde men slechts gedwongen door de natuur of bij een lege beurs. In de regel werd te paard gereisd, bij gelegenheid, vooral in vlakke gebieden, per koets of in een open boerenkar. In Duitsland vond men gemakkelijk koetsen in de grote steden; deze vertrokken wanneer er voldoende reizigers waren; men hoefde er hoogstens enkele dagen op te wachten. Scheepspassage vond in Duitsland hoofdzakelijk via de Rijn plaats.(10)


9. Vgl. brief nr. 3.
10. A. Frank van Westrienen, De Groote Tour. Tekening van de educatiereis der Nederlanders in de zeventiende eeuw. Amsterdam 1983; J.M. Fuchs, Beurt- en wagenveren. Den Haag 1946. Bij de laatste iets over het personenvervoer met beurt- en marktschepen en (op blz. 205) over het brieftransport door beurtschippers.

Geldgebrek lijkt niet de reden voor Baerdts voetreis, eerder individualisme. Dit kan ook verband houden met het feit dat hij wees was. Zijn ouders waren voor 1590 overleden.(11) De gebruikelijke Franeker afscheidsdisputatie, gehouden 31 januari 1590, had hij opgedragen aan zijn oom Regnerus van Rinia, die hem als een vader had aangespoord bij zijn studie; in dezelfde opdracht dankte hij zijn oom Reinalda (12) en tante (Reinalda-)Rinia, bij wie hij in Franeker gewoond had en die zoals ouders voor hem gezorgd hadden.(13)

Zijn boeken heeft Baerdt nog niet ontvangen. Blijkbaar zouden die nagezonden worden. Omdat hij ze niet binnen een maand verwacht, heeft hij enkele juridische studieboeken voordelig gekocht, waarschijnlijk tweedehands, in elk geval niet bij een boekhandelaar. Hij laat al zijn Franeker medestudenten en muziekvrienden (14) groeten.(15)

Baerdt is ingeschreven in het studentenregister van Marburg op 30 april 1590. Hij neemt deel aan dispuutcolleges over de Digesten en volgt de hoorcolleges van Regnerus Sixtinus (uit Leeuwarden) en Hermannus Vultejus, zo schrijft hij op 10 juni aan Saeckma.(16) Hij verlangt naar brieven van zijn Franeker medestudenten. Geld en gezondheid ontbreken hem niet; hij voelt zich op zijn gemak in Marburg. Zijn tante hoeft zich geen zorgen om hem te maken. Omdat Taecke van Aylva(17) op doorreis naar Friesland haast heeft, kan hij niet uitvoeriger schrijven.


11. A.L. Heerma van Voss / D.D. Osinga, Genealogie van het geslacht Baerdt of Baarda. In: Maandblad van het Genealogisch-Heraldisch Genootschap "De Nederlandsche Leeuw" 1930.
12. P. Reenalda, Het oud Friese geslacht Reynalda. 's-Gravenhage 1959. - Toen Reinalda in Leiden studeerde (1581-1583), hadden hij en zijn vrouw naast hun kinderen 13 studenten als kostgangers in huis.
13. Sabinus Odulphi Frisius, Disputatio [...] De iniuriis [...] praeside Clarissimo viro, Domino Henrico Scotano I.U.D. & apud Franekerenses in nova Frisiorum Academia ordinario Iuris Professore [...] in Auditorio Iuridico 31 Ianuarii hora nona, ante meridiem, Anno 1590. Franekerae, excudebat Aegidius Radaeus, Ordinum Frisiae Typographus in Aacdemia Franekerana, 1589 [!]. Nr. xvii in Prov. Bibl. v. Frl. sign. 54 R, dl. I. Deze verzamelband met disputaties bevat aantekeningen van de hand van Henricus Schotanus.
14. In brief nr. 1 (Franeker, 19 januari 1588) had Sabinus Baerdt aan Johannes Saeckma gevraagd, voor hem een luit te kopen van de opbrengst van de boeken, die Baerdt had gebruikt aan de Latijnse school te Leeuwarden. Saeckma was toen leerling van de laatste klas.
15. Brief nr. 3.
16. Brief nr. 4.
17. Taecke Douwes Aylva, na het overlijden in 1588 van zijn eerste vrouw Kinsk Bottesd. Mockema in 1591 gehuwd met Barber Laesd. Douma; in 1592 grietman van Ferwerderadeel.

Studenten in den vreemde schreven brieven naar het vaderland, als er zich een gelegenheid voor transport van brieven voordeed, liefst door een vriend of kennis, zoals in dit geval Taecke van Aylva. Dan had men zekerheid dat brieven ook aankwamen.

Een brief aan oom Reynalda heeft Baerdt aan een bode van Emden meegegeven; daarom twijfelt hij er aan of die is aangekomen! Dat schrijft hij onder meer in zijn brief van 21 september 1590 aan Saeckma.(18) Daarin beklaagt hij zich ook dat hij al lang geen brief van Saeckma heeft gekregen. Hij volgt nu een Digesten-college waarvan de Leeuwarder Petrus Johannis Runia de uitstekende praeses is. Verder schrijft hij: Severinus Hanja zal misschien binnenkort in het vaderland terugkeren. Hij is hier immers op 9 augustus vertrokken en meende dat hij ten tijde van de Frankfortse boekenbeurs uit Bazel zou terugkeren ...


18. Brief nr. 5. Het jaartal is o.a. af te leiden uit de opmerkingen over Severinus Hanja.

Hanja is op 24 augustus aan de universiteit van Bazel ingeschreven en daar op 26 september 1590(19) gepromoveerd tot doctor in de rechten. Op 9 december van dat jaar heeft hij zich te Leeuwarden als advocaat laten inschrijven bij het Hof van Friesland. In 1591 werd hij secretaris van Dokkum.(20)


19. Mommsen, Katalog, blz. 167, nr. 376.
20. H.T. Obreen, Dokkum. Naamlijsten. Dokkum 1959, blz. 20.

De voorjaars- en de najaarsbeurs van Frankfort waren belangrijke evenementen, niet alleen voor boekhandelaars, maar ook voor geleerden en studenten. Lente en herfst, de jaargetijden zonder extreme temperaturen, waren de ideale perioden om te reizen. De boekenmarkt van Frankfort was ook de gelegenheid om brieven naar of uit het vaderland aan vrienden of bekenden mee te geven. De mogelijkheden om (mee) te reizen zullen ten tijde van de beurs ook ruimer dan gewoonlijk geweest zijn.

>> begin

Saeckma baccalaureus

De volgende, bewaard gebleven brief van Sabinus Baerdt aan Johannes Saeckma dateert van 17 maart 1591.(21) Hij reageert daarin op mededelingen van Saeckma over academische privileges te Franeker - waaronder het baccalaureaat in de rechten en in de filosofie; Baerdt heeft daarvan geen hoge dunk - en over een eventueel huwelijk van neef Hanja. Hij had in Marburg landgenoten verwacht, maar vermoedt dat er niemand zal komen; anders had Saeckma er wel melding van gemaakt. Bovendien is er nu een universiteit te Franeker. Hij hoopt dat ook Saeckma de laagste graad, die van baccalaureus in de rechten, zal halen.


21. Brief nr. 6.

Eind mei of begin juni 1591 heeft Saeckma die graad behaald bij professor Henricus Schotanus;(22) het baccalaureaat gaf bevoegdheid om dispuutcolleges te leiden. Neef Hanja heeft op 19 mei en op 10 juni vanuit Leeuwarden aan Saeckma geschreven: de eerste brief addresseert hij nog aan Joannes Suffridi, de tweede aan Joannes Suffridus' zoon Sakema I.C. Baccalaureus te Franeker. Geen toeval lijkt het dat in de tweede brief bij het patronymicum een familienaam is gekomen. Rond 1600 werd een achternaam in de steden een statussymbool.(23)


22. Niet in M. Ahsmann, De juridische faculteit te Franeker 1585-1635. Een studie over de professoren en hun onderwijs met lijsten van verdedigde disputaties. In: Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis 54 (1986), blz. 3-72.
23. P. Nieuwland, De Friese familienamen voor, in en na 1811. In: De Vrije Fries 60 (1980), blz. 66-78.

In de brief van 19 mei (24) meldt Hanja dat Augustinus Polman over een dag of veertien op het stadhouderlijk schip van Leeuwarden naar Bremen zal meevaren. De Leeuwarder Polman had sedert 9 mei 1589 te Franeker rechten gestudeerd en zou naar Marburg gaan; daar heeft hij zich op 6 april 1592 (!) laten inschrijven. Het belangrijkste van deze vermelding is de mogelijkheid om mee te reizen op een bijzonder schip.


24. Brief nr. 7. Het jaartal 1591 blijkt uit de vermelding van de dood van de oud-Gedeputeerde Sjoerd Fockens.

Van een in het vaderland teruggekeerde student is sprake in de brief van 10 juni.(25) Het gaat om Ausonius Aysma. Die had eerst te Franeker (1586) en daarna in Marburg (1587) rechten gestudeerd. Hanja heeft hem nog niet gesproken. De bedoeling was Saeckma op de hoogte te stellen van ervaringen van andere Friese peregrinanten. Saeckma wilde immmers ook zelf een buitenlandse studiereis maken om tot doctor te promoveren.


25. Brief nr. 8. De datering is gebaseerd op Hanja's mededeling, dat Hobbe van Baerdt de vorige dag (9 juni 1591) is gestorven. Hobbe was Sabinus' oom en griffier van het Hof van Friesland.

De student Polman is voor 17 augustus 1591 in Marburg aangekomen. Op deze datum schrijft Baerdt aan Saeckma: Sedert de aankomst van Polman heb ik je tweemaal geschreven; als je niet tweemaal een brief hebt ontvangen, ontvang je ze misschien alsnog: ik heb ze immers allemaal aan boden overhandigd. (26)


26. Brief nr. 9.

De genoemde twee brieven hebben Saeckma niet bereikt, zijn in ieder geval niet bewaard gebleven. Hieruit blijkt weer waarom men brieven het liefst aan vrienden of bekenden meegaf. Overbrenging door boden was lang niet altijd zeker.

Polman, zo schrijft Baerdt, bevalt de voortgang van de studien te Marburg zeer, meer dan die te Franeker. Baerdt raadt Saeckma aan om ook naar Marburg te komen.

Tot 1596 was er in Franeker slechts een hoogleraar rechten. Henricus Schotanus kon alleen niet even uitgebreid onderwijs geven als drie hoogleraren in Leiden. Veel studenten voltooiden hun rechtenstudie dan ook liever elders. Zeer waarschijnlijk hielp Saeckma als baccalaureus van najaar 1591 tot eind 1593 bij het juridische onderwijs te Franeker. Uit die tijd is een handschrift over het Romeinse recht bewaard gebleven, getekend Joannes Suffridi Saeckma, Franekerae Frisiorum, Anno (15)92 & 93. (27)


27. R. Visscher, Catalogus der stedelijke bibliotheek van Leeuwarden. 's-Gravenhage 1932, blz. 26, A 292.

Verder vraagt Baerdt in zijn brief van 17 augustus 1591 aan Saeckma om er voor te zorgen dat de Duitser Joannes Sutor het geld dat Baerdt hem verschuldigd is, van oom Regnerus van Rinia ontvangt. Sutor uit Neukirchen in Hessen was op 30 juni 1591 te Franeker als student ingeschreven.(28) In Marburg had hij een tijdlang bij Baerdt gewoond en hem als knecht gediend. Zeer waarschijnlijk heeft Sutor deze brief uit Marburg naar Franeker meegenomen.


28. Album Studiosorum Academiae Franekerensis (1585-1811, 1816-1844). Franeker 1968, nr. 133.

Baerdt volgt nog steeds dispuutcolleges onder het voorzitterschap van Petrus Joannis. Deze Pieter Jansen Runia was op 21 juni 1587 ingeschreven aan de universiteit van Marburg. Eind 1592 studeerde hij te Genève. Op 17 mei 1593 is hij in Bazel gepromoveerd. Advocaat werd hij te Leeuwarden op 3 juli 1593. In Franeker heeft hij nooit gestudeerd! De beginjaren van Franeker waren onzeker: in 1589 werd er al aan gedacht de universiteit op te heffen. Sommigen zoals Runia kozen toen nog voor Marburg, de oudste protestantse universiteit, ofschoon Friesland al een eigen universiteit bezat. Voor de oprichting van de universiteit van Franeker studeerden daar immers ook al vele Friezen.

De laatste overgeleverde brief van Baerdt aan Saeckma dateert van 21 september 1591. Gemengde gevoelens koestert Baerdt over Saeckma's promotie tot baccalaureus: maar dat zal Saeckma in elk geval via Hanja vernomen hebben. Het lijkt hem niet waarschijnlijk dat Saeckma met deze eretitel verder colleges te Franeker volgt. De disputeercolleges te Marburg zijn onderbroken, omdat praeses Runia voor herstel van zijn gezondheid naar de zure bronnen is gereisd.(29) Wellicht is hiermee een van de koolzuurbronnen in het Nederrijnse leisteengebergte bedoeld, bij voorbeeld die van Selters, of de rheumabadplaats Aken.


29. Brief nr. 10.

Baerdt heeft zijn mening gewijzigd en besloten in Marburg te overwinteren. Hij weet nog niet waarheen hij de komende zomer zal vertrekken.
Tekenend voor de relatie Baerdt-Saeckma is de laatste zin van deze brief: In aantal brieven win ik zoals je ziet van jou, jij van mij in uitgebreidheid.

>> begin

Brief van Saeckma

De brief van Baerdt heeft duidelijk gemaakt dat het vaderland wat van zich moet laten horen. Dat er gereageerd wordt, kunnen we opmaken uit een brief van 5 oktober 1591.(30) Daarin schrijft Hanja uit Dokkum aan Saeckma over een brief van professor Lydius(31) aan Baerdt. Die kan Saeckma het beste naar Dokkum sturen; vandaar is hij immers gemakkelijk naar Bremen (en verder) te verzenden.(32) Als Saeckma intussen een brief aan neef Baerdt wil schrijven en die ook naar Dokkum sturen, dan kan die mee verzonden worden, voordat de gelegenheid daarvoor voorbij is. Onzeker is echter waar Sabinus Baerdt op dat moment verblijft.


30. Brief nr. 11.
31. De brief is niet bewaard gebleven. Martinus Lydius (1540-1601) was een van de drie hoogleraren in de theologie te Franeker.
32. Dokkum had toen nog een open verbinding met de Noordzee.

Een lange brief van Saeckma aan Baerdt is inderdaad bewaard gebleven, zij het niet volledig.(33) Die is echter te dateren in de tweede helft van 1592. Saeckma verontschuldigt zich dat hij zo lang niets van zich heeft laten horen; dat kwam omdat er niemand was aan wie de brief had kunnen worden meegegeven. Blijkbaar heeft Baerdt vanuit Frankfort geschreven. Uit die brief(34) kon Saeckma echter niet opmaken waarheen Baerdt zou vertrekken en of hem de brief van Lydius welkom was geweest. Een maand of twee geleden echter heeft een in het vaderland terugkerende peregrinant Saeckma verteld, dat Baerdt in Heidelberg is. - Wij vinden hem in het album studiosorum ingeschreven op 5 april 1592. - Saeckma weerlegt het verwijt van Baerdt, als zou hij hem in de steek gelaten hebben.


33. Brief nr. 13. Het slot en het adres ontbreken. De datering is mogelijk op grond van de mededeling over het beleg van Coevorden.
34. De brief is niet bewaard gebleven.

In de eerste plaats heeft Saeckma wat familieberichten. Neef Hanja is nog ongehuwd. Een nicht van Saeckma heeft een zoontje gekregen, maar niet veel later is het uit deze peregrinatio naar het hemelse vaderland vertrokken. Deze metafoor voor geboorte en overlijden geeft aan welk een belangrijke rol de begrippen peregrinatio en vaderland speelden in het leven van de mens in de vroege nieuwe tijd.

Heel wat van mijn medestudenten zijn met een doctorsbul naar huis teruggekeerd. Onder hen is ook Henricus Alopecius, gepromoveerd te Bazel. Kort geleden teruggekeerd heeft hij mij enkele dagen geleden bezocht. Van hem ben ik veel te weten gekomen. Ik ga hier echter nog niet weg, hoewel de meesten van de studenten, die er nu zijn, pas zijn aangekomen. Bijna alle ouderejaars zijn weggegaan, zodat als je hier zou zijn, jij weinigen en weinigen jou zouden kennen. Ik heb ooit gehoord dat Gothofredus door de Staten beroepen zal worden - zo immers zegt men hebben zij beloofd - , maar wat er gebeurd is, weet ik niet.

De Geldersman Henricus Alopecius of Vos(sius) was zijn studie op 14 april 1586 in Franeker begonnen. In Bazel promoveerde hij tot doctor in de medicijnen op 4 juli l592.

Veel Friezen promoveerden in die tijd te Bazel tot doctor in de rechten of in de medicijnen. De medische hoogleraren Caspar Bauhin en Felix Platter bekommerden zich daar om de Nederlandse studenten.(35)


35. Guggisberg, Studenten, blz. 241, noot.

De eerste contacten van Friesland met de Straatsburgse hoogleraar rechten Dionysius Gothofredus liepen via Sibrandus Lubbertus, de meest prominente hoogleraar van de universiteit van Franeker. Op 10 december 1592 verzochten burgemeester en schepenen van de stad, die in het begin invloed hadden op het bestuur van de Franeker universiteit, Gothofredus om het hem aangeboden professoraat aan te nemen; begin 1593 kwam de afzegging. Lubbertus liet de zaak echter niet rusten: op 24 mei antwoordde Gothofredus opnieuw negatief.(36)


36. C. van der Woude, Sibrandus Lubbertus. Leven en werken, in het bijzonder naar zijn correspondentie. Kampen 1963, blz. 380.

Na de mededelingen over familieleden en zichzelf schrijft Saeckma aan Baerdt over hun gemeenschappelijke studievrienden. Henricus Otho is dominee geworden in het dorp Wijnaldum - Saeckma gebruikt de Friese spelling Winaem - en Suffridus Suffridi in Schingen en Slappeterp. Laelius Lycklama heeft zich wegens een langdurige ziekte, waardoor hij bijna de hele winter en zomer bevangen is geweest, op 1 mei voor herstel naar Leeuwarden begeven. Nu is hij goddank beter en zal hij volgens Saeckma tegen de winter ook weggaan op studiereis. Dat laatste vond niet plaats. Lycklama promoveerde namelijk op 30 oktober 1592 te Franeker tot doctor in de rechten.(37) Verder bericht Saeckma in zijn brief nog twee-en- een-halve bladzijde lang over de veldtocht van Maurits tegen Steenwijk en Coevorden.


37. Theses inaugurales [...] praeside V. Cl. D. Henr. Schot. I.U. D. & Professore, pro gradu Doct. in Iure consequendo [...] Trigesimo Octob. Hora octava ante meridiem, in templo Academico. Franekerae, excudebat Aegidius Radaeus, 1592. Bevat ook een Grieks gedicht van Johannes Suffridi Saeckma. Nr. ix in Prov. Bibl. v. Friesl. sign. 54 R dl. 1.

Of deze brief Baerdt bereikt heeft, is twijfelachtig. Hetzelfde geldt voor een brief die een zekere R. Sixtus(38) op 7 januari 1593 uit Frankfort aan Sabinus Baerdt te Heidelberg heeft gericht.(39) Wegens afwezigheid heeft Sixtus een brief van Baerdt niet eerder kunnen beantwoorden. Hij heeft zich verwonderd over het gedrag van de student Aernsma. - Albert Aernsma was zijn rechtenstudie op 30 april 1587 te Franeker begonnen en had vervolgens Marburg (18-5-1588) en Heidelberg (15-1-1592) bezocht. - Aernsma heeft in Heidelberg schulden gemaakt en wilde vanuit Frankfort naar (de Zuidelijke?) Nederlanden reizen, hoewel hij zelfs niet over reisgeld beschikte. Sixtus heeft hem aangeraden naar Heidelberg terug te keren en zijn landgenoot tegoedertrouw wat geld gegeven. Als Fries betreurt hij het dat niet alleen Aernsma maar ook Andries Hiddema zozeer misbruik hebben gemaakt van geld van Pacius. Aan Pacius zal hij schrijven om vanwege deze geldkwestie geen bode naar Friesland te sturen.


38. Sixtus Ripperti was sedert 1579 predikant te Franeker; op 29 juli 1585 hield hij in de Martinikerk de feestpreek bij de opening van de universiteit; hij stierf in 1597. Zijn zoon Rippertus Sixtus, geboren in 1583, was van 1628 tot 1651 predikant in Leeuwarden. Vgl. T.A. Romein, Naamlijst der predikanten, sedert de Hervorming tot nu toe, in de hervormde gemeenten van Friesland. Leeuwarden 1886, blz. 228 resp. 18-19.
39. Brief nr. 15.

Hiddema studeerde vanaf 28 september 1586 aan de universiteit van Heidelberg; op 16 juli 1591 had hij daar zijn inschrijving hernieuwd. Te Heidelberg ontfermde de hoogleraar rechten Julius Pacius zich blijkbaar over buitenlandse studenten.

>> begin

Saeckma's peregrinatio

Saeckma is najaar 1593 nog steeds in Franeker. De universiteit houdt hem vast en de hoop dat Gothofredus toch nog zal komen. Hij is er niet gelukkig mee dat hij zijn buitenlandse studiereis moet verdagen, zoals blijkt uit de brief die neef Hanja hem op 19 september geschreven heeft.(40)


40. Brief nr. 16.

Uit genoemde brief maken we op dat professor Schotanus en de rechtenstudenten hem niet wilden laten gaan zolang er geen tweede hoogleraar rechten in Franeker was. Ook zijn ooms, invloedrijke bestuurders, vonden het blijkbaar beter dat hij nog bleef.

Hanja raadt hem aan niet neerslachtig te worden en zich niet te laten kwellen door de misschien wel overijlde terugkeer van kameraden. Saeckma moet maar denken dat op rijpere leeftijd en na voltooide studie met meer vrucht de peregrinatio wordt ondernomen om universiteiten te bezoeken omwille van de beroemdheid van hun professoren. Hij kan van de nood een deugd maken door contact met Gothofredus.

Niet lang nadien moet definitief duidelijk geworden zijn dat Gothofredus toch niet naar Franeker zou komen. De peregrinatio van Saeckma samen met zijn neef Georgius Wiarda wordt voorbereid. Daarvan vernemen we iets uit een brief van Wiarda aan Saeckma van 16 januari 1594.(41) Wiarda is nog in Franeker, Saeckma bevindt zich in Dokkum, waarschijnlijk bij Hanja.


41. Brief nr. 17.

Georgius Wiarda heeft de toestemming van zijn oom (Jacobus Bouricius) nodig voor de peregrinatio. Dat Wiarda samen met Saeckma op reis gaat, bevalt die oom wel, maar het reisdoel Duitsland staat hem juist tegen, omdat dat land naar zijn zeggen geen beschaving heeft en geheel en al is overgegeven aan het ledigen van drinkbekers. Wiarda denkt echter dat dat land zijn oom niet zozeer mishaagt vanwege die Duitse gewoonten als wel om de godsdienst(42) die de Duitsers aanhangen. Oom wil de zaak met Georgius' zwager (Jochem Hoppers) bespreken. Omdat Georgius zijn zwager al per brief gevraagd heeft een goed woordje voor hem te doen, heeft hij goede hoop dat hij met Saeckma op reis mag.


42. Bedoeld wordt het Lutheranisme, dat de calvinisten in de zestiende eeuw vaak met ketterij identificeerden.

De voorbereiding van een reis bestond in die tijd vooral uit het regelen van machtigingen tot het wisselen van geld en kredietbrieven. Relaties in den vreemde, die in staat waren het geld uit te betalen dat de reiziger nodig had, moesten gewaarschuwd worden. Zo was het mogelijk om zonder veel geld op reis te gaan. Gezien het risico van beroving reisde men bij voorkeur ook niet alleen.

In een brief(43) die Marcus Lycklama op 13 januari 1594 van zijn beste vriend Saeckma heeft ontvangen, heeft Saeckma waarschijnlijk zijn vertrek aangekondigd. Dat maken we op uit het antwoord van Marcus d.d. 19 januari, dat hij met een naschrift op 23 januari naar Dokkum verzendt. Op 22 februari, vermoedelijk kort voor de vertrekdatum, laat Lycklama door een vriend (Wiarda?) een afscheidsgedicht aan Saeckma toekomen.(44) In de brief bericht Marcus over de afgelopen examens en prijsuitreikingen die aan de universiteit hebben plaatsgevonden. Gedeputeerde Abel Frankena, een van de leden van de examencommissie, zal een tijdlang aan de universiteit blijven en onderwijs geven in de Instituten of een ander onderdeel van het recht, in overleg met de studenten. Professor Schotanus laat groeten en meedelen, dat de Gedeputeerden Saeckma's afwezigheid goed hebben opgenomen.


43. De brief is niet bewaard gebleven.
44. Brief nr. 18. Waarschijnlijk verbleef Saeckma bij Hanja, die toen (1591-1597) immers secretaris van Dokkum was.

Saeckma kan gerust op reis, nu er een assistent voor Schotanus is gevonden. Zoals gedeputeerde Reinalda in 1588 hoogleraar Latijn werd, zo assisteert gedeputeerde Frankena nu in de juridische faculteit. Het was immers niet gelukt om Gothofredus aan te trekken en Saeckma had recht op zijn peregrinatio. Uit het gebruik van het woord afwezigheid blijkt dat het bestuur van Friesland en professor Henricus Schotanus er op rekenden dat Saeckma na promotie in het buitenland naar Franeker terug zou keren en de gewenste tweede hoogleraar rechten zou worden. Dat bewijst ook latere correspondentie van Schotanus met Saeckma.(45)


45. M.H.H. Engels, Viermaal Schotanus aan Saeckma. In: Gens Schotana 12 (1985), blz. 360-377.

Saeckma heeft carrière gemaakt in het Hof van Friesland. Pogingen van professor Schotanus in 1597/1598 om hem als collega in Franeker benoemd te krijgen zijn niet geslaagd: daarover t.z.t. meer. Wat Saeckma zelf dacht, kunnen we praktisch alleen afleiden uit de aan hem gerichte brieven. Zoveel brieven aan Saeckma er door zijn eigen toedoen bewaard gebleven zijn, zo weinig - nog geen tien - zijn er helaas van hem overgeleverd. Bovendien was hij een voorzichtig en ingetogen iemand. Als hij zich al eens vrijmoedig uitte, dan wilde hij dat zijn brief na lezing verbrand werd. Dit laatste blijkt bij voorbeeld uit bovengenoemde brief van Wiarda.

>> begin

Saeckma in Heidelberg

Na zijn inschrijving op 10 april 1594 aan de universiteit van Heidelberg schreef Johannes Saeckma twee brieven(46) aan zijn oudere neef Sjoerd (Latijn: Severinus) Hanja. In de eerste heeft Saeckma een overzicht van zijn studien gegeven, in de tweede van 23 mei vraagt hij Hanja's oordeel daarover. De eerste brief heeft Hanja nog niet ontvangen, als hij op 30 juni reageert op de tweede: als jij je studien slecht kunt indelen, hoe zou ik die dan kunnen sturen die zelf geen regel heb kunnen vinden in een goede voortgang van de studie? Echter voor de klippen waarop mijn studie bijna schipbreuk heeft geleden - zeker de gewenste haven heb ik niet kunnen bereiken -, zou ik je kunnen waarschuwen, al zou ik vrezen je daardoor te drijven. Dit vraag ik je, mijn beste neef, verwaarloos je talen niet, maar besteed daaraan een gedeelte van de tijd gereserveerd voor zwaardere studie, en gebruik in gesprekken liever Frans of Duits dan je moederstaal of Latijn; het is gewenst daarin vastberaden, ja zelfs vermetel te zijn en die landelijke schaamte af te schudden. (47)


46. Deze twee brieven van Saeckma zijn niet bewaard gebleven.
47. Brief nr. 19.

De herovering van de stad Groningen op de Spanjaarden door Maurits en Willem Lodewijk in de zomer van 1594 was van groot belang voor Frieslands veiligheid. Saeckma vernam dit goede nieuws in Heidelberg door een brief uit Franeker van zijn vriend Rodolphus Wicheringe.(48) Deze Groninger studeerde sedert 11 januari 1591 rechten te Franeker en was daar in 1593 gepromoveerd tot baccalaureus.(49) Diens brief was mede ondertekend door vele medestudenten, zoals we lezen in Saeckma's antwoord van 7 oktober.(50)


48. Deze brief is niet bewaard gebleven.
49. Niet bij Ahsmann, Juridische faculteit.
50. Brief nr. 21.

Aan het overwinningslied - Triumphus Groninganus, geschreven door de student Patroclus Bokelmannus, gedrukt door Aegidius Radaeus "Ordinum Frisiae Typographus in Academia Franekerana" - had ook Saeckma een gelukwensgedicht toegevoegd, als de muzen niet al lang vertoornd op hem waren, omdat hij niet alleen aan Justinianus toegedaan was, maar er zelfs gewoonweg aan verkocht.

Saeckma bericht vervolgens over de Heidelbergse universiteit. Julius Pacius, de oogappel van de juridische faculteit, is naar Sedan in Frankrijk vertrokken waar een nieuwe universiteit wordt opgericht. Openbare dispuutcolleges zijn daardoor zeldzaam. Des te meer private dispuutcolleges (voor beginnende rechtenstudenten) worden er gehouden. Een daarvan geeft Saeckma over de Codex; hij is reeds bij boek 5. Bij het begin van het negende boek wil hij zich uit de voeten maken voor de Heidelberg naderende oorlog, als zijn studenten (alumnen) dat tenminste toestaan.


Voor het genoemde private college heeft Saeckma waarschijnlijk zijn eerder genoemde in 1592 en 1593 te Franeker gemaakte aantekeningen gebruikt: die betreffen o.a. de Codex en wel de boeken 1 tot en met 9!(51)


51. Ahsmann, Juridische faculteit, noot 105.

Tijdens zijn verblijf te Heidelberg heeft Saeckma voor eigen studie aantekeningen gemaakt in een 523 bladen tellend handschrift in quarto met de rugtitel Liber quaestionum controversiarum(52), vermoedelijk met het oog op zijn promotie.


52. Visscher, Catalogus, blz. 29, A 293.

De theses voor zijn promotie heeft Saeckma in Heidelberg geformuleerd en ter beoordeling naar zijn neef Hanja gestuurd. In een wat langere brief van 24 december 1594 geeft Hanja daarover zijn mening en die van oom Ritske (Latijn: Regnerus) van Rinia.(53) De gevarieerde en over het gehele recht verspreide stof van de stellingen mishaagt niet, zo formuleert hij in een typisch Fries understatement. - Saeckma's Theses Miscellaneae bevatten 58 stellingen over het Romeins recht, vier over het kanonieke recht en vijf over het feodale recht.


53. Brief nr. 22.

>> begin

Opdracht promotiestellingen

opdracht thesesOver de opdracht van deze stellingen heeft Saeckma ingezeten. Ritske van Rinia was er zeer veel aan gelegen dat neef Saeckma zijn stellingen zou opdragen aan zowel zijn oom van vaderszijde (Lucas Jarges) als aan zijn drie ooms van moederszijde (Feycke Tetmans, Eylert Reynalda en Ritske van Rinia). Saeckma's vrees dat het hem ooit tot nadeel zou kunnen zijn, dat oom Lucas Jarges van een andere partij (Rooms-katholiek) was geweest, wordt door Rinia niet gedeeld: Jarges is immers uit ballingschap(54) teruggekeerd. Bovendien komen de theses als Saeckma dat niet wil, niet in handen van vele vaderlanders en wordt in de opdracht slechts de natuurlijk verschuldigde reverentie betoond in een zaak die niet het vaderland betreft.
54. Zijn naam komt voor in de Conscriptio exulum, een lijst van personen, die bij de invoering van de Reformatie in 1580 wegens hun trouw aan de katholieke kerk en aan Filips II uit Friesland naar Groningen en Oost-Friesland vluchtten. Er bestaan meerdere afschriften van dit wapenboek. Een afschrift uit 1719 wordt in de Prov. Bibl. van Friesland bewaard onder signatuur 447 Hs. Daarin wordt op blad 84 onder het alliantiewapen Jarghes-Saeckma als vluchteling uit Dantumadeel genoemd: Lucas Lucasz. Jarges cum uxore et familia. Bij de vluchtelingen uit Kollumerland wordt onder het alliantiewapen Saeckma-Rinia vermeld: Mr. Sjurdts Saekema, substituant van den grietman Dekema. Ipse obiit An. 1581. Sjoerd (Latijn: Suffridus) Saeckma, de vader van onze Johan, was notaris in Kollum en plaatsvervangend grietman van Kollumerland. Hij stierf 1581 in ballingschap te Oldenzaal (stad onder Spaanse heerschappij van 1580 tot 1597). Johans moeder, Fedt van Rinia, stierf op 12 september 1624 in Holwerd en werd in de kerk aldaar bijgezet in het graf van haar broer Ritske van Rinia (overleden 26.2.1618).

Ook het blijkbaar door Saeckma geopperde voorstel om de stellingen aan professor Schotanus op te dragen, zou Rinia geen vergrijp vinden. Evenzo behaagde het hem echter niet als Saeckma ze aan Gedeputeerde Staten als beschermheren van studie in het algemeen zou opdragen. Hanja raadt Saeckma aan ze in elk geval niet aan hen als beschermheren van zijn studien op te dragen, want dat stond oom Rinia helemaal niet aan vanwege de meningsvorming bij buitenlanders en opdat niemand zou denken dat de opdracht bepaalde personen gold, wat veeleer nadelig zou kunnen uitpakken.

Johannes Saeckma heeft zijn theses uiteindelijk alleen opgedragen aan zijn oom Regnerus van Rinia, grietman van Westdongeradeel in Friesland, de grootste beschermheer van zijn studien, niet opdat zijn eigen waardigheid en naam met betrekking tot de stellingen meer luister krijgt, maar om daarmee zijn dankbaarheid te bewijzen. (55)


55. De opdracht staat op de keerzijde van het titelblad van de gedrukte theses.

Oom Rinia, wiens eigen drie kinderen jong waren gestorven, heeft als een vader voor Saeckma gegolden. Saeckma's moeder woonde als weduwe bij hem, haar broer, te Holwerd in.

>> begin

De Franse taal

Na zijn promotie (in Bazel) wil Saeckma naar Genève gaan om de (Franse) taal beter te leren. Hanja schrijft: dat zul je niet op mijn instigatie doen. Als je daarheen een excursie wilde maken om de stad als moeder van het ware geloof te bezoeken, had ik het je niet afgeraden. Maar daar blijven en wel zo lang totdat je je kennis van de Franse taal hebt vervolmaakt, dat zou ik niet raadzaam achten, niet alleen omdat daar bij de grens met Savoie naar ik meen bij het gewone volk het idioom niet al te zuiver is en derhalve niet zo snel aangeleerd kan worden. Maar meer beweegt me het feit dat het jouw moeder, (die) mijn tante (is), evenals oom (Rinia) en andere vrienden raadzaam lijkt, je terugkeer naar het vaderland niet langer uit te stellen dan uiterlijk tot de herfstboekenbeurs (van Frankfort). Omdat je terugkerend van Genève door paapse en onveilige plaatsen moet reizen, zou je een hindernis kunnen tegenkomen, die je terugkeer zou vertragen. Daarom zou ik het beter vinden dat je, ofwel zonder Genève gezien te hebben ofwel onmiddelijk vandaar omkerend, een of andere Duitse stad zou uitkiezen waar veel Fransen zijn, daar zou blijven totdat je wilt terugkeren en ondertussen een of andere Franse feestgenoot zou zoeken, met wie je je oefent in de Franse taal, ook door te praten met meisjes, van wie naar ze zeggen die taal het beste geleerd kan worden. (56)


56. Brief nr. 22.

Saeckma's moeder heeft aan de overbrenger van deze brief van Hanja ook een brief(57) en geld meegegeven. Zij raadt haar zoon aan bij de betreffende - waarschijnlijk een geldbode - 100 gulden op te nemen. Met de 100 gulden die oom aan Sabinus Baerdt had gestuurd en waarvan deze geen gebruik meer zou maken, omdat hij helaas naar men zei te Rome overleden was, zou Saeckma dat bedrag voldoende moeten zijn; eventueel zou hij nog 20 of 30 gulden extra kunnen opnemen. Als de overbrenger het geld niet wilde uitbetalen of als Saeckma niet tevreden was, moest hij maar zo spoedig mogelijk schrijven, opdat hem bij de eerstvolgende Frankforter boekenbeurs geld gestuurd kon worden waarheen hij maar wilde. Waarvoor dit geld diende, ligt voor de hand: betaling van promotie-, reis- en verblijfkosten.


57. De brief is niet bewaard gebleven.

Samen met bovengenoemde gedateerde brief van Hanja is mogelijk een andere, ongedateerde(58) naar Heidelberg verzonden. Daarin schrijft Hanja dat bij hem twee brieven van Saeckma uit Heidelberg bezorgd zijn, de een geschreven in het Frans op 20 september, de ander in het Latijn op 8 oktober 1594. Uit de Franse, die hij het laatst heeft ontvangen, heeft Hanja tot zijn grote vreugde begrepen, dat Saeckma goede vorderingen maakt in de Franse taal. Hij antwoordt in dezelfde taal, maar omdat de oefening hem ontbreekt, gaat hij weer over op het Latijn. Zijn tante (Saeckma's moeder) heeft gevraagd ook te melden, dat het misschien ongemakkelijk kan zijn Saeckma geld te sturen, omdat hij van plan is 1 maart (naar Bazel) te vertrekken.


58. Brief nr. 23. Dat hij voor 1 maart (1595) moet zijn geschreven, blijkt uit de datum die in de brief genoemd wordt voor Saeckma's vertrek naar Bazel.

Nederlanders, vooral uit Friesland, wilden juist in Bazel promoveren, omdat de daar aan de hogeschool verworven graden overal werden erkend. De universiteit van Bazel had immers ook na de Reformatie nog steeds een katholieke vorst als kanselier, namelijk de bisschop.(59)


59. Guggisberg, Studenten, blz. 240.

>> begin

Via Bazel naar Genève

Saeckma is nog eerder afgereisd naar Bazel, waarschijnlijk in gezelschap van de Amsterdammer Dominicus van Heemskerck, die sedert 20.9.1594 te Heidelberg rechten studeerde. Aan de universiteit van Bazel zijn beiden in februari 1595 ingeschreven. Saeckma's promotie vond plaats op 29 maart, drie dagen na die van Van Heemskerck.(60) Op 10 april werden hun namen in het promotieregister ingeschreven. Kort daarna moet Saeckma naar Genève gereisd zijn. Of hij toen ook gezelschap had, is mij niet gebleken. Aan de universiteit aldaar heeft hij zich in de tweede helft van april, in elk geval voor 23 mei, ingeschreven.(61)


60. Mommsen, Katalog, blz. 182, nr. 533. In de Codex Saeckma bevindt zich onder nr. 17: Dominicus ab Heemskerck, Theses de usuris. Basiliae 1595.
61. Dit is op te maken uit de datering van de beide brieven (nr. 24 en 25) aan Saeckma te Genève. Op 23 mei werd Jean Baronnat als rechtenstudent ingeschreven; zijn naam staat in het studentenregister onder die van Saeckma. Vgl. Le livre du recteur de l'academie de Genève (1559-1878). I: Le texte. Genève 1959, blz. 122.

Tacitus (Taco) Aysma, die zijn rechtenstudie op 13 mei 1593 in Franeker begonnen was en op 27 september 1594 aan de universiteit van Heidelberg voortgezet had, maakte op 22 april 1595 gebruik van de gelegenheid om Saeckma per brief(62) te feliciteren, die hem geboden werd door de van Lyon geboortige Jean Antoine Sarasin (1547-1598). Deze bekende arts en hoogleraar uit Genève was blijkbaar op bezoek in Heidelberg; hij had aan de universiteit aldaar gestudeerd. Van Wiarda had Aysma vernomen dat Saeckma aan de zeer oude universiteit van Bazel met grote lof(63) gepromoveerd was. Saeckma had aan neef Wiarda zijn diploma en exemplaren van zijn gedrukte stellingen opgestuurd.


62. Brief nr. 24.
63. Brief nr. 24: magna cum laude.

Door dezelfde Sarasin is waarschijnlijk ook de brief voor Saeckma mee naar Genève genomen, die Wiarda op 26 april 1595 heeft geschreven.(64) Een brief van Saeckma uit Bazel, geschreven op 7 april(65), heeft Wiarda pas de 25ste ontvangen, zo luidt de eerste zin. Saeckma heeft blijkbaar gevraagd naar geld dat hij te goed heeft van een Friese overbrenger. Wiarda heeft dat nog niet ontvangen.


64. Brief nr. 25. Dat de brief van 1595 dateert, volgt uit de vermelding van het overlijden van de twee raadsheren in het Hof van Friesland.
65. De brief is niet bewaard gebleven.

Ook (Aegidius) Radaeus, de Franeker academiedrukker, kon niet eerder geld sturen, omdat hij en de zijnen nauwelijks genoeg hadden om hun reis te betalen. - Radaeus bezocht regelmatig de Frankfortse boekenmarkt en werkte samen met de Heidelbergse drukker Hieronymus Commelin. - Wiarda heeft er voor gezorgd dat Saeckma van drukker Jacques Chouet te Genève zoveel geld kan krijgen als hij nodig heeft; dat heeft Chouet tenminste beloofd. Anders moet Saeckma maar zo snel mogelijk schrijven. Wiarda zal dan met professor Janus Gruter of met Commelin overleggen, hoe Saeckma zo veilig mogelijk geld gestuurd kan worden.

Een bundeltje brieven van Saeckma(66) heeft Wiarda aan landgenoot Joannes Bernardi, predikant te Dokkum(67), gegeven. Die heeft op zijn beurt drie brieven, gericht aan Saeckma,(68) aan Wiarda overhandigd. Wiarda zal ze met zijn eigen brief sturen, misschien door middel van Sarasin.


66. Vermoedelijk ging het om brieven aan verwanten en kennissen. Ze zijn niet bewaard gebleven.
67. R. de Beer, Geschiedenis van Dokkum 1580-1600. Dokkum 1971, blz. 64. Romein, Naamlijst, blz. 450. Bij de openbare verkoping van de bibliotheek van deze predikant in 1599 te Dokkum was doctor Saeckma, toentertijd daar woonachtig als secretaris van de Admiraliteit, een van de kopers.
68. Vermoedelijk van verwanten en vrienden; ze zijn echter niet bewaard gebleven.

Saeckma's stellingen heeft Wiarda na een bezoek aan Frankfort in Heidelberg bij een bevriende Spaanse student gevonden. Een andere vriend heeft het diploma van Saeckma voor Wiarda bewaard. Wiarda wenst Saeckma van harte geluk met zijn doctorstitel. Daar moet hij echter droevige berichten aan toevoegen: twee raadsheren in het Hof van Friesland zijn overleden, Syds van Mockema (11-2) en Georg Godephridi (18-2). Doctor Frans Meinsma is gedood, toen hij, Johannes Burmania(69), Gellius(70) en twee anderen, die Wiarda niet kende, tijdens een voettocht door vijf ruiters uit de stad Lingen gevangen genomen werden.


69. Rechtenstudent te Franeker sedert 16 mei 1593.
70. Misschien Gellius Snecanus, de vermaarde predikant, die zich op 15 mei 1588 had laten inschrijven aan de universiteit van Franeker.

Het overlijdensbericht van twee raadsheren in het Hof van Friesland is voor een Friese peregrinant die als afgestudeerd jurist interesse heeft in een loopbaan bij de rechterlijke macht in zekere zin goed nieuws en een aansporing om naar het vaderland terug te keren.

>> begin

Carrière

Saeckma's verdere leven(71) willen we hier nog in het kort beschrijven. Op 5 november 1595 liet hij zich als advocaat inschrijven bij het Hof van Friesland te Leeuwarden. Van de in 1596 te Dokkum opgerichte Friese Admiraliteit werd hij in 1597 secretaris; zijn oom Feycke Tetmans (1538-1601) was sedert 1 april 1596(72) een van de eerste vier raden van de Admiraliteit. In 1600 werd Saeckma door de Staten van Friesland tot procureur-generaal benoemd aan het Hof van Friesland te Leeuwarden. Als zodanig stelde hij in samenwerking met twee raadsheren, twee Gedeputeerden en twee advocaten nieuwe Statuten van Frieslands rechtspraak op. Raadsheer in het Hof van Friesland werd hij in 1603, eerste raadsheer (door anciënniteit) in 1631. Enkele malen was hij namens Friesland afgevaardigde ter Staten Generaal in 's-Gravenhage. Op provinciaal niveau saneerde hij de financiën en ordende hij de staatspapieren. Vanaf 1621 was Saeckma voogd van het Old Burger Weeshuis te Leeuwarden.


71. P. Winsemius, In obitum amplissimi et consultissimi viri D. Ioannis Saeckma IC in Suprema Frisiorum Curia senatoris primi et Acad. Curatoris dignissimi oratio. Habita in templo academico iix. kal. Mart. Franequerae 1637.
72. J. de Hullu, De archieven der Admiraliteitscolleges. 's-Gravenhage 1924, blz. 57.

Saeckma was ook een man van de res publica literaria. Zijn correspondentie en zijn, door zijn zoon Theodorus geerfde, bibliotheek(73) getuigen van een veelzijdige geleerdheid. Behalve het Romeins recht had hij Romeinse geschiedenis, Grieks en logica gestudeerd. Grote belangstelling had hij voor de letteren en de theologie.


73. Catalogus rarissimorum in omni materia, facultate, & lingua librorum bibliothecae instructissimae [...] Theodori Saeckma [...] quorum auctio habebitur Leovardiae in aedibus nobil. defuncti, die 27. mensis Septembris stylo vet. & sequentibus. Franekerae, excudit Johannes Wellens, Illustrium Frisiae Ordinum & eorundem Acad. Typogr. Ordinarius, 1666.

De juridische bibliotheek van het Hof van Friesland is door zijn toedoen van de grond gekomen. Te allen tijde heeft hij zich ingezet voor de universiteit van Franeker, sedert 1625 officieel als een (de belangrijkste) van de vier curatoren.

Van zijn correspondentie zijn zes brieven van hem en 360 aan hem bekend. Wij houden ons aanbevolen voor signalering van tot nu toe onbekende brieven. Een uitgave van de zogenaamde Codex Saeckma, die ruim 200 Latijnse brieven van Franeker professoren bevat, heb ik in 1995 gepubliceerd. De uitgave is ook op deze site te raadplegen: zie mijn HOMEpage.

>> begin

Samenvatting

In 25 Latijnse brieven uit de jaren 1590-1595 is te lezen over ervaringen van vier Friese rechtenstudenten tijdens hun peregrinatio academica in Duitsland. De hoofdpersoon is Johannes Saeckma, die in Leeuwarden het gymnasium had bezocht. In 1588 begint hij aan de calvinistische universiteit van Franeker zijn studie in de rechten. Van zijn een jaar oudere neef Sabinus Baerdt verneemt hij een en ander over diens reis naar Marburg. Zijn enkele jaren oudere neef Severinus Hanja had zijn peregrinatio academica al achter de rug: hij was sedert eind 1591 secretaris van Dokkum. Van hem krijgt Saeckma veel adviezen.

Saeckma begint zijn buitenlandse studiereis voorjaar 1594, vergezeld door zijn jongere neef Georgius Wiarda, ofschoon diens oom bedenkingen heeft geuit ten aanzien van de bestemming Duitsland. Zijn peregrinatio brengt hem in de centra van de calvinistische geleerdheid: Heidelberg, Bazel en Genève. In Heidelberg geeft hij als baccalaureus prive-onderwijs en bereidt hij zijn promotie voor. Hij promoveert aan de universiteit van Bazel, die door Nederlanders geprefereerd werd, omdat de daar behaalde graden zowel door protestanten als door katholieken werden erkend. Daarna begeeft hij zich naar Genève, om zijn kennis van de Franse taal te vervolmaken. Na zijn terugkeer in het vaderland in de tweede helft van 1595 wordt Saeckma advocaat in Leeuwarden. Twee jaar later volgt de benoeming tot secretaris van de admiraliteit te Dokkum. Vanaf 1600 maakt hij carrière in het Hof van Friesland. Voor de universiteit van Franeker blijft hij zich inzetten, vanaf 1625 officieel als curator.

De peregrinatio had voor de serieuze student behalve promotie ook het doel beroemde professoren te bezoeken. De mogelijkheid dat de hoogleraar rechten Gothofredus Straatsburg naar Franeker zou komen, was voor Saeckma dan ook een van de redenen, om zijn buitenlandse studiereis uit te stellen.

Problematisch was de briefwisseling met het buitenland. Boden waren niet altijd betrouwbaar. Eigenlijk kon men alleen brieven schrijven, wanneer zich een gelegenheid voordeed, ze door vrienden of bekenden te laten meenemen. Ook predikanten uit Franeker en Dokkum traden als 'postbode' op. Een belangrijke uitwisselingsplaats voor brieven waren de Frankfortse boekenbeurzen in voor- en najaar, de reisseizoenen bij uitstek. De zeehaven Dokkum speelde een grote rol voor reizen en postbezorging van Friesland naar Duitsland en omgekeerd. Ook niet gemakkelijk was het, de peregrinanten vanuit het vaderland van geld te voorzien. In het algemeen was men bij het reizen eerder afhankelijk van toevallige gelegenheden, dan dat men zelf kon beslissen.

>> begin

Overzicht correspondentie 1588-1595

1. 1588.01.19: Baerdt (Franeker) - Saeckma (Leeuwarden) RA

Saeckma in Franeker ingeschreven: 1588.08.08

2. 1590.02.26: Baerdt (Dokkum) - Saeckma (Franeker) RA

3. 1590.04.19: Baerdt (Marburg) - Saeckma (Franeker) RA

4. 1590.06.10: Baerdt (Marburg) - Saeckma (Franeker) RA

5. [1590].09.21: Baerdt (Marburg) - Saeckma (Franeker) RA

6. 1591.03.17: Baerdt (Marburg) - Saeckma (Franeker) RA

7. [1591].05.19: Hanja (Leeuwarden) - Saeckma (Franeker) RA

Saeckma baccalaureus

8. [1591.06.10]: Hanja (Leeuwarden) - Saeckma (Franeker) RA

9. 1591.08.17: Baerdt (Marburg) - Saeckma (Franeker) RA

10. 1591.09.21: Baerdt (Marburg) - Saeckma (Franeker) RA

11. 1591.10.05: Hanja (Dokkum) - Saeckma (Franeker) RA

12. 1592.06.30: Hanja (Dokkum) - Saeckma (Franeker) RA

13. [1592>06.30]: Saeckma [Franeker] - Baerdt [z. pl.] RA

14. 1593.00.00: Arcerius (Leiden) - Saeckma (Franeker) PB, Saeckma Nr. 193

15. 1593.01.07: Sixtus (Frankfurt) - Baerdt (Heidelberg) RA

16. 1593.09.19: Hanja [Dokkum] - Saeckma [Franeker] RA

16a. [1593].09.23: Snecanus [Leeuwarden] - Saeckma [Franeker] PB, Sign. 515/2 Hs. Nr. 4

17. 1594.01.16: Wiarda (Franeker) - Saeckma (Dokkum) PB, Sign. 515/3 Hs

18. 1594.01.19/23 Lycklama [Franeker] - Saeckma (Dokkum) PB, Saeckma Nr. 151

--. 1594.02.22: Lycklama (Franeker) - Saeckma [Dokkum] PB, Saeckma Nr. 155 (Afscheidsgedicht)

Saeckma in Heidelberg ingeschreven: 1594.04.03

19. 1594.06.30: Hanja (Dokkum) - Saeckma (Heidelberg) RA

20. 1594.08.15: Snecanus (Leeuwarden) - Saeckma (Heidelberg) PB, Sign. 515/2 HsNr. l

21. 1594.10.07: Saeckma (Heidelberg) - Wicheringe (Franeker) PB, Gabbema

22. 1594.12.24: Hanja [Dokkum] - Saeckma (Heidelberg) RA

23. [1595<03.01]: Hanja [Dokkum] - Saeckma (Heidelberg) RA

Saeckma in Bazel: 1595.02.00; Promotie: 03.29; Alb. Prom.: 04.10; Saeckma in Genève:1595.04.00

24. 1595.04.22: Aysma (Heidelberg) - Saeckma (Genève) RA

25. [1595].04.26: Wiarda (Heidelberg) - Saeckma (Genève) PB, Sign. 515/3 Hs

De brieven 1, 12, 14, 16a en 20 bevatten geen informatie over de peregrinatio.
RA: Rijksarchief in Friesland, Leeuwarden, Verzameling Van Breughel Douglas.
PB: Provinciale Bibliotheek van Friesland, Leeuwarden.
Saeckma: Codex Saeckma, PB Sign. 408 Hs. Vgl. M. Engels: Inventaris codex Saeckma. Leeuwarden 21979.
Gabbema: Brievenverzameling Gabbema in de PB. Vgl. Catalogus der briefverzameling van SA Gabbema. Leeuwarden 1930.

>> begin

M.H.H. Engels, 24 juni 2003