>> HOMEpage

E. Epkema aan H. Collot d'Escury, 1825
album Bogerman en brievencollecties Saeckma

Bron: UB Leiden, archief van de curatoren, AC II 607
scan van fotocopie beschikbaar gesteld door prof. Dr. Ph.H. Breuker
Internetuitgave: M.H.H. Engels, oktober 2012


Middelburg, den 26 January 1825
[andere hand: No. 4] HoogEdelgeboren Heer!

Daar UHEdgeb. voorheen wel eens de goedheid hebt gehad om mijne aanvragen
en verzoeken gunstig te beantwoorden, neem ik thans de vrijheid UHEd. het volgende
voor te stellen en Uw gevoelen erover te vragen.
[1] Ik ben, na het overlijden van mijnen Vader, nu reeds 40 Jaren, in het bezit van het Album
Johannis Bogermanni Junioris, die door zijne verrigtingen en lotgevallen, haat en liefde,
lof en vervloeking van vrienden en vijanden, U genoeg bekend is. Dit Album bestaat uit
gedrukte afbeeldingen van vroegere, ja toen nog zelfs levende geleerden, waarin tusschen
elk blad weder bladen van wit papier zijn doorgeschoten. De Titel is deze: Doctorum
aliquot virorum vives effigies. - Joos de Bosscher excudebat. In 4to, zonder Jaartal,
zonder naam der Drukplaats. Men vindt erin de handteekeningen van onderscheiden
binnen- en buiten-landsche Geleerden, van 1594 tot 1597.

Zoo heeft (om eenig denkbeeld te geven van 't geheel) op den rug van 't blad, waarop Paus
Hadrianus is afgebeeld, Joh. Drusius de eene en andere spreuk geschreven, met zijne
onderteekening. Op dat van R. Agricola - H. Scotanus, toen Acad. Rector te Franeker.
Op dat van Janus Dousa - deszelfs zonen Janus, Georg. en Stephanus, allen den
26 Maart 1596, te Heidelberg. Op dat van Ph. Melanchthon - Sibr. Lubberts, Menso
Alting, enz. Op dat van Camerarius - Hugo Petri Frisius. Op dat van Theod. Beza
heeft de Grijsaard met eigen hand dit merkwaardige eronder bijgeschreven: O Si
mihi dares, Christe, tam veram in Ecclesia tua pastoris imaginem referre, quam iste
me, quisquis est pictor, mihi tum vultu tum habitu [ex] toto dissimilem pinxit. Op dat
van G. Budaeus - G. Sopingius. Op dat van U. Zwinglius - U. Emmius Frisius. Op
dat van Erasmus - Viglius Wiarda Frisius (een van de voorvaderen mijner Moeder). Op
dat van Eob. Hessus - Patr. Bokelmannus, en ernevens Janus Gruterus. Zooals
nevens dat van Alciatus - Joa. a Marck, met zijn bijgeschilderd wapen.

De afbeeldingen zijn 36 in getal. Tusschen beiden vindt men op de doorgeschoten bladen
onderscheidene namen van bekende en onbekende Geleerden, met versen, in onder-
scheiden talen, teekeningen, wapens, enz. Maar - bij het Portret van Calvinus
heeft Beza, (zooals men uit het handschrift duidelijk ziet) het volgende bijgeschreven:
Calvino vero tam similis, quam homini Simia. Een inderdaad, alle portretten van
de Hervormers, Luther, Zwingli, Calvijn, Beza, en anderen meer, zijn, zoo het schijnt,
met opzet, zoo lelijk en afzigtig geëtst, dat men, stonden er hunne namen niet
onder, zou twijfelen, of zij het wel waren. Hiernevens gaat nog een dunner Boekje
in 4to op gewoon, ongelijk, papier, behelzende de handteekeningen van andere, meest
buitenlandsche geleerden, van de jaren 1598 en 1599.
[door moderne hand: AC II 607]

[paginae 2:] Ware ik een man, dien het er niet zoo zeer op aankwam, ik zou gaarne dit Album
willen aanbieden of aan Z.M. of aan eenige Hoogeschool, of aan den een of andere
liefhebber, om het zoo voor de Posteriteit te bewaren; doch ik vrees, dat ik in de
omstandigheden, waarin ik mij bevinde met mijne familie, waaronder twee zonen
aan Leidens Hoogeschool vooral ook mijne zorgen vorderen, zulks niet zou mogen
doen zonder zelfverwijt. Het is daarom, dat ik UHEd. bij dezen vrage, hoe ik op eene
fatsoenlijke wijze dit κειμηλιον zou kunnen verwisselen tegen geld, dat mij beter
te stade zou komen? bij wie ik mij zou moeten vervoegen, en hoe? Verleden Zomer
in Utrecht zijnde, zei mij een oude Academiekennis, dat hij rekende, dat het voor
de liefhebberij van Oudheid-minnaars eene waarde had van 600 - : - :. Ik wil en kan
het niet bepalen; maar dit weet ik, dat ik het wel zou willen afstaan voor de geëven-
redigde waarde in geld.

[2] Bovendien bezit ik eene groote menigte van Brieven van Geleerden, meest Friezen,
in het Hebreeuwsch, Grieksch, Latijn, Fransch, Nederduitsch, weleer door mijnen lieven
Vader verzameld; vooral van Professoren van Franeker, die in één volumen zijn
bijeengehecht; als: Een van Tiara - 29 van Lubberts - 71 van de Scotani - 22 van
Amama - 4 van de Winsemii - van Lyclema een vers en 26 brieven - 6 van G. Pasor -
2 van Metius - 2 van Arcerius - 2 van Adama - 2 van Sopingius - 1 van Wis[s]en-
bach - 6 van Hachtingius - 5 van Leontius, waaronder een Lat. vers - 21 van
Reifenberg - 2 van Verhell - 4 van Amesius - 1 van Macovius - 1 van Pijnacker -
1 van Dom. Acron. a Buma - 1 van Rhala - 2 van Coccejus - Van A. Schultens
een Nederd. om ontslag uit zijne gemeente te Wassenaar, 5 Sept. 1713, en een Lat. brief
waarbij hij het Prof. te Franek. aanneemt, 5 Aug. a. ejusd. [= van hetzelfde jaar, 1713].

[3] Voorts losse brieven, 2 van W.S. ab Ayta, Lat. - Verscheidene in 't Lat. en Nederd. van
Gellius Hillema, rakende de Handeling van 1608 (zie Wagenaar) - 1 Lat. van Viglius
ab Holdinga 1573 - 2 Lat. van E. Reynalda, 1611 en 1612 - 1 Lat. van Tac. Aysma,
1595 - 1 van Franc. Junius Fr. N. 1657 - Verscheidene, Lat. en Ned. van de Familie Sic-
cama, - van Gellius Snecanus, 1594-98 - Suffr. Hanya van 1591-1600 - Van Dam
of Dammius, 1630-35, waaronder zijne sollicitatie naar 't Prof. in de Logica, en zijne
beroeping - Van de Familie Wiarda 1594-1675. - Suffr. Petri ad Bonnerum, 1591,
en van Hamconius ad S. Petri, (die toen wegens de troebles te Keulen zich bevond en in 1597
stierf) een in 1596, behelzende het 1e ontwerp van zijne Frisia, dat in 1620 veel vermeer-
derd is uitgekomen, - Van Sabinus Odulphi, sive Sab. Baerdt, 1588-1593. - Hommius
& Joh. Bogerman, van 1625-1634, behelzende vele stukken rakende de Overzetting en den
1en Druk van den Staten Bijbel - G. van Aernsma, 1616-1628. Bij de moeyelijkste
heeft mijn Vader, en anderhand ook ik, een afschrift gelegd.

Dit alles kan ik wel missen, omdat ik er geen gebruik vooralsnog van wil maken,
want nu houd ik nog eene zeer groote menigte papieren van belang over in de O.Frie-
sche taal, van de 14e eeuw her, waarvan ik reeds een gedeelte bestemd en afgeschreven heb, met aanteekeningen,
[pagina 3:] voor het Archief, dat thans in Friesl. wordt uitgegeven. Kon ik er met redelijkheid
afkomen, zoodat het voor mij eene winstgevend genot opleverde, ik zou er, om gemelde
reden, van afstappen, en vraag daartoe Uwen raad, dien ik hoop dat UHEd. mij niet zult
onthouden. UHEd. betrekkingen in ons Vaderland zijn uitgebreid, en even daarom weet
UHEd. ook beter de gelegenheden, waartoe een zulke voorraad zou kunnen dienen, en
waar het dus heen moet.

Ik heb de eer met gevoelens van de meeste hoogachting mij te noemen
U.S.
Uwe D.W. dienaar
E. Epkema

P.S. Indien UHEd. de Redevoering van De Wind
de meritis etc. nog niet hebt, zal ik UHEd. gaarne
een exemplaar, door mijne zonen, of éénen derselver,
doen geworden, want dit is de gemakkelijkste weg. Doe
het mij slechts weten. Vale o. t.!

[Adres:] Den HoogEdelgeboren Heer,
Jonkheer H. Collot d'Escury van
Heinenoord, Lid der 2. kamer van de
Staten generaal, enz.
te
's Graven Hage

Aantekeningen

Ecco Epkema, * Wirdum 13.10.1759 † Middelburg 1.2.1832; 1813 rector te Middelburg; zoon van Nicolaas Epkema.
Nicolaas Epkema, * St. Jacobiparochie ca. 1717 † Wirdum 30.4.1785; onderwijzer en boekhandelaar te Wirdum (1743); had lessen wiskunde en latijn in Amsterdam gevolgd; bezat verzameling van tientallen oorkonden, waaronder Friestalige (1386-1542), en honderden brieven van meest Friese geleerden uit de zestiende en zeventiende eeuw (merendeels overgeleverd in de zgn. Codex Saeckma, Tresoar), en vele alba amicorum (o.a. van Joh. Bogerman, S. Brunsvelt, Gemma van Burmania, S.A. Gabbema).
[1] Album amicorum Bogerman thans in Koninklijke Bibliotheek; lit.: Alba amicorum. Vijf eeuwen vriendschap op papier gezet: Het album amicorum en het Poëziealbum in de Nederlanden - 's-Gravenhage 1990, blz. 63-64, nr. 23 met los katern nr. 24.
[2] Brieven nu in Tresoar, vh. Prov. Bibl. v. Frl.: Codex Saeckma (408 Hs)
[3] Tresoar, vh. Prov. Bibl. v. Frl.: 515 Hs; vh. Rijksarchief in Friesland: collectie Van Breugel; beide eveneens uit de nalatenschap Saeckma.
Vgl. Saeckma-collecties
Hendrik baron Collot d'Escury, * Rotterdam 1773 † Den Haag 14.5.1845; 1794 dr. in de rechten te Groningen, 1815 curator universiteit Leiden; lid van de Tweede Kamer; staatsman, geleerde en Latijns dichter; liet een grote verzameling prenten en portretten na.

Over de veiling van de bibliotheek van zijn vader Nicolaas Epkema schrijft Ecco in 1827 aan Halbertsma. Van de catalogus is tot nu toe geen exemplaar getraceerd. De aankondiging van de veiling stond in de Leeuwarder Courant van 5 april 1786.

~ ten huize van P. BRANSMA ~ Cataloguen ~ mede te bekomen ~ in ~ andere Steeden.

In de krant van 29 april wordt gemeld: Vermits de prijzen van het drukpapier van tijd tot tijd hoger worden, zullen de boekverkoopers P. Bransma en A. Siccama te Leeuwarden van nu af aan ... wanneer zij auctien houden, geene cataloguen meer ... uitgeven. Men meldt een selectie van boektitels in de advertenties van de volgende veilingen.
Onderaan bladzijde 8 van de Leeuwarder Courant van 24 augustus 1785 werd de volgende oproep gedaan: "Die eenige BOEKEN onder zich heeft berustende, van wijlen N. Epkama[!], schoolmeester en dorprechter te Wirdum, werden [lees tegenwoordig: worden] verzogt dezelve op het spoedigste te bezorgen aan de boekverkoper Pieter Bransma, in de Grote Hoogstraat te Leeuwarden, omdat reeds een Catalogus deszelfs boeken werd [lees tegenwoordig: wordt] opgemaakt."


Pieter Brandsma en Froukjen Acama hadden op 11 januari 1775 van Dr. Petrus Wielinga, naastleger ten Noorden, advocaat en ontvanger der boelgoederen, curator over Eritia Johanna, enig kind van raadsheer Mr. Epeus Wielinga, "zeekere deftige huisinge cum annexis in de Grote Hoogstraat" gekocht, door hen reeds bewoond; Groot Consentboek fol. 88 verso - 91 verso. Het complex wordt uitvoerig beschreven: aan de achterkant ziet het uit op de kleine St. Jacobsstraat [ook wel het Raadhuisstraatje, tegenwoordig het Auckamastraatje]. In het floreenkohier van 1808 (Hist. Centrum Leeuwarden) wordt op p. 209 onder nr. 68 van Minnema-espel vermeld: E.E. Levy / P. Bransma; nr. 69: A. Eekhout [schrijfmeester] en K. Plantinga [deurwaarder]. Op de wijkkaart van 1876 is het pand aangeduid met [volgens de oude wijkindeling] H 68, resp. [nieuw] L 31. Brandsma heeft 1809 verkocht aan Eliazar Elkan Levi; Gr. Cons. 121 recto; Plantinga ten Zuiden, dhr. d'Escury toen ten Noorden.
Froukje Accama is op 2 juli 1801 begraven op het Jacobijnerkerkhof. Pieter Bransma is op 19 maart 1813 gestorven in de eenkamerwoning I 139 in "de Modder", een straat die eertijds ten Zuiden van het stadsweeshuis lag, dwars op de Perkstraat: in het overlijdensregister staat aangetekend dat hij toen 83 jaar was, weduwnaar van Vroukje Aakema en zonder beroep.

>> begin