>> HOMEpage

Bron:
Internetuitgave: M.H.H. Engels,

I. DE MODE IN HET KADER VAN DE TIJD
1600-1625
HET MODEBEELD DER MANNENKLEDING. In het eerste kwart der 17de eeuw vol-
trekt zich het afsterven der Spaanse mode met haar strak gespannen omslui-
ting, haar onnatuurlijke opvulling en uitzetting van sommige lichaamsdelen,
die in de tweede helft der 16de eeuw de kleding ook in ons land beheerst had. 1
Het kostuum wordt losser, ruimer en vrijer, houdt meer rekening met de na-
tuurlijke lichaamsvormen. De vroeger uit ronde lijnen gevormde contour wordt
rechtlijnig en hoekig.
Op afb. 1 laat fig. a) ons een edelman zien wiens galakostuum omstreeks het
jaar 1600 nog bijna alle eigenschappen der Spaanse mode vertoont. Een nauw
sluitend, door opvulling plooiloos wambuis maakt het bovenlijf lang en het
middel dun. De mouwen zijn nauw. Platte schouderkleppen verbreden de
schouders in gewild contrast met het ingesnoerde middel. Om de hals is een
stijve plooikraag gelegd, die het hoofd vast omlijst. Het haar is kort, een klein
puntbaardje maakt het gezicht lang en smal. De heupen worden overmatig
verbreed door een korte, met dikke opvulling rond uitgezette pofbroek. De
benen daarentegen worden met strak gespannen lange kousen of hozen nauw
omsloten. De galakleding wordt meestal van zijde, satijn of fluweel gemaakt,
versierd met goudpassement. De edelman draagt daarbij een kostbare, zware
gouden halsketen. Zijn kostuum is rijk, streng en voornaam.
Fig. b) vertoont een jonge, wereldse man ongeveer 15 jaar later. De kleding
heeft minder spanning en veel vrijere allure; geen rondingen meer, doch een
hoekige contour. De verandering wordt echter niet ineens doorgevoerd. Het
wambuis is nog nauw; van onderen eindigt het in een spitse punt. Het hoofd
wordt nog omsloten door een stijve opstaande kraag (die hier plat, maar ook
heel dikwijls nog gelubd is). Maar de tot aan de knie reikende broek is in con-
trast met het enge wambuis groot en wijd en domineert het gehele kostuum; de
heupen zijn door het inplooien der stof smal gehouden, naar onderen hangt de
broek, zonder opvulling, in diepe losse plooien boven de knie wijd uit. Aan de
knieën zijn de pijpen gesloten. Brede kousebanden met grote strikken bedekken
de sluiting en houden de kousen op. De hoed is in Spaanse trant nog stijf en
heel hoog, en verlengt de gestalte. De wereldse jonge man kiest voor zijn kleding
heldere kleuren. De figuur is rank, beweeglijk, chic en een tikje artificieel.
Velen, en onder dezen vooral oudere burgers, deden niet mee met deze modieuze
kledij. Evenmin echter bleven zij de Spaanse mode volgen. Wel behielden zij de
stijve plooikraag, die zo goed paste bij de waardige, ingetogen deftigheid, die zij zo
12
gaarne manifesteerden. Maar overigens zochten zij de expressie daarvan in een
eenvoudige, donkere, meestal zwarte kleding, overeenkomstig de natuurlijke
vormen en proporties van het lichaam. Hun wambuis eindigt van onderen
meestal met een horizontale lijn. Zij dragen een kniebroek van matige wijdte,
1600-1625 1620-1640 1635-1655 1650-1670 1665-1700
1. Indeling van de modeveranderingen der 17de eeuwse mannenkleding in 5 tijdperken
en soms een broek, waarvan de cilindervormige pijpen van onderen open zijn.
De stijve, hoge Spaanse hoed past niet bij hun karakter, zij vervangen hem door
een hoge soepele vilthoed met brede rand (fig. c).
HET MODEBEELD DER VROUWENKLEDING. De het meest voorkomende vrouwen-
kostuums der 17de eeuw kunnen teruggebracht worden tot drie typen, die zich
in de loop der eeuw langer of korter handhaven. Deze onderscheiden typen zijn
13
op afb. 2 als fig. a, b en c voorgesteld; op de horizontale lijnen der afbeeldingen
kunnen wij elk type - eventueel tot het verdwijnt - blijven volgen.2 Bij het vast-
stellen der typen is voornamelijk rekening gehouden met de grote kledingstuk-
ken, die het lichaam bedekken, dus met het lijfje en de rok, met of zonder over-
kleed.
Fig. a). Het kostuum bestaat uit een lijfje en uit een rok, die door een hoepelrok
of fardegalijn is uitgezet. Dit type houdt omstreeks 1680 op modedracht te zijn.
Fig. b) Het kostuum is samengesteld uit een lijfje en een rok met een daarover
gedragen lang mantelvormig overkleed, de vlieger. Dit type verliest zijn karak-
ter omstreeks 1650 en lost zich dan op in type c.
Fig. c). Het kostuum is een combinatie van een puntlijfje, waaraan een van
voren open overrok verbonden is, met een daaronder gedragen rok. Van die
rok komt van voren onder de open overrok slechts een driehoekig stuk te zien.
Dit type houdt in vele transformaties gedurende de gehele 17de eeuw stand.
Ook de kleding der vrouwen maakt zich in de eerste 25 jaren der 17de eeuw los
van de verstijvingen en opvullingen der Spaanse mode en zoekt vernieuwing in
andere excessen, die ten dele evenmin als de Spaanse mode rekening houden
met de reëele vormen van het lichaam. Het lange, zwaar gebaleineerde lijfje
sluit strak en rechtlijnig om het door een stijf corset omspannen bovenlijf met
het ingepende middel. De mouwen zijn lang; meestal sluiten zij nauw om de
arm, soms echter zijn zij wijd, worden opgevuld en vervolgens enige malen
dwars ombonden, zodat de stof tussen de insnoeringen opbolt. Lange, kelkvor-
mige, omhoog geslagen manchetten omgeven de onderarm. Om de armsgaten
zijn grote, hoog opstaande wielen of vlakliggende epauletten aangebracht, die
de schouders hoekig afmaken (afb. 2 fig. a b en c).
De heupen worden onnatuurlijk verbreed door uitzetting van de rok over een
hoepelrok of fardegalijn. De fardegalijn is cilindervormig (fig. a) of koepelvor-
mig (fig. c). Eerstgenoemde vormt van boven een rond horizontaal liggend pla-
teau, waaruit abrupt en recht, het bovenlijf als een kaars op een blaker omhoog
rijst. Over dit plateau hangt de rok met een rechte hoek verticaal neer, tenzij
hij gracieus wordt opgenomen en een fraaie, soms bijna voetvrije onderrok te
zien komt (fig. a). De koepelvormige hoepelrok maakt rondere contouren (fig.
c). De fardegalijn veroorzaakt bij het lopen een gecadenceerd wiegende bewe-
ging, die aan een lichte gang een eigenaardige bekoring geeft.
Bij het statige, bijna plechtige vliegerkostuum wordt - waarschijnlijk door toe-
voeging van een buikkussen - de buik als in vergevorderde zwangerschap sterk
naar voren gebracht (afb. 2, fig. b).
De bij de drie kostuumtypen gedragen gelubde en platte kragen zijn groot en
luxueus; zij staan schuin overeind en omlijsten het hoofd.
14
Het tegen het witte kraagvlak uitkomende hoofd wordt important gemaakt door
een hoog opgetorend kapsel of door een elegant mutsje met een van voren op-
staand boogje, dat evenals het hoge kapsel de gestalte verlengt.
Jonge wereldse vrouwen droegen lichte kleurige stoffen, deftige matrones en

1600-1625 1620-1640 1635-1660 1655-1675 1670-1700
a b c d e f g h i j k l m n o
2. Indeling van de modeveranderingen der 17de ceuwse vrouwenkleding in 5 tijdperken

jonge vrouwen van strenge principes kozen bij voorkeur het stille zwart, of al-
thans donkere tinten voor haar minder opvallende, maar dikwijls toch zeer
kostbare kleding.
Op koude en regenachtige dagen hulden de vrouwen zich in wijde donkere
mantels (huiken) die ook het hoofd bedekten (afb. 44).
15
DE SPAANSE MODE WORDT VERVANGEN DOOR DE FRANSE HOFMODE. In de 17de
eeuw werd de kleding in de Westerse landen van Europa door één bijna alge-
meen aangenomen mode beheerst. Nadat in de 16de eeuw het Spaanse hof de
toon had aangegeven, werd, nu het eens zo machtige Spanje in vruchteloze
oorlogen verslagen en door tegenspoed verarmd was, het Franse hof het mid-
delpunt vanwaar voortaan de mode-initiatieven uitgingen.
DE FRANSE HOFMODE. Ook Frankrijk had in langdurige oorlogen zwaar gele-
den, maar onder Hendrik IV volg-
gwart
de op vele jaren van rampspoed een
1621
wit metaal
tijd van herstel en toenemende wel-
geel metaal
vaart. De koning, die zijn rijk in
zware strijd had moeten veroveren,
vergat in de dagen van zijn glorie
nooit de ontberingen die hij met
zijn leger gedeeld had; integendeel
herinnerde hij zich gaarne dat vóór
zijn intocht in Parijs zijn voorraad
linnengoed slechts uit twaalf half
versleten hemden en vijf zakdoeken
had bestaan. Met hugenootse sober-
heid bleef hij zich altijd eenvoudig
en dikwijls zelfs slordig kleden in
een zwart wambuis en een grijze
broek. Hij hechtte aan die simpele
3. Corn. de Vos. Abraham Graphaeus, Gildeknecht
kleding een bizondere betekenis.
van het St. Lucasgilde te Antwerpen
Toen na de uitvaardiging van het
edict van Nantes (1598) van Katholieke zijde verzet kwam, riep hij in zijn ka-
binet in het Louvrepaleis het Parlement bijeen en zei tot de heren: „Vous me
voyez en mon cabinet non point en habit royal comme mes prédécesseurs ni
avec l'épée et la cape (mantel), mais vêtu comme père de famille en pourpoint
(wambuis) pour parler franchement à ses enfants."3 Niettemin zag hij de nood-
zakelijkheid in om een koninklijke staat te voeren en daardoor te imponeren;
mede onder de invloed der luxueuze koningin Maria de Medicis werd zijn hofin
het Louvrepaleis het middelpunt waar de hoge edelen bijeen kwamen en wed-
ijverden in vertoon van fraaie kleding en kostbare sieraden. Bij feestelijke ge-
legenheden verscheen de koning in een wit satijnen pak met een lubbenkraag om
de hals, cen zwarte mantel en een hoed met zwarte veren. Toch droeg hij zijn vor-
stelijk galapak alleen als het onvermijdelijk was en hoewel hij het optreden van de
adel ten hove door verschillende voorschriften regelde, legde hij de hovelingen
16
niet de strenge etiquette en ceremoniën op die het Spaanse hof in de 16de eeuw
aan banden hadden gelegd. Onder de Franse edelen heerste een onafhankelij-
ker geest die zich uitte in vrijer optreden en ongedwongener kleding. Een lich-
tere gratie met speelse excessen verving de sombere Spaanse luister.
Na de dood van Hendrik IV, tijdens het regentschap van Maria de Medicis en
de eerste regeringsjaren van hun zoon Lodewijk XIII 4, toen de Franse edelen
hun pogingen hernieuwden om zich een onafhankelijkheid te veroveren die
Hendrik IV had weten te breidelen, verdwenen uit
hun kleding ook de laatste sporen van starre gedwon-
1598
genheid.
Het kostuum der vrouwen, die voor zichzelf nog geen
pretentie van onafhankelijkheid hadden, maakte zich
in langzamer tempo los van de Spaanse verstijving.
MODEPOPPEN. De nieuwe modes bereikten ons land op
gans andere wijze dan thans. Er bestonden in de r7de
ceuw nog geen modejournalen, maar te Parijs werden
poppen volgens de nieuwste mode aangekleed en als
modevoorbeelden naar de provincie en naar het bui-
tenland gezonden. Ant. Furetière (1619-1688) schrijft
in zijn „Dictionnaire" over de grote Pandora voor
galakleding en de kleine Pandora voor négligé. Maria
van Reigersberch schijnt ook op een modepop te doe-
len als zij 8 October 1628 aan haar broeder Nicolaas,
Advocaat voor den Hove van Holland te 's Graven-

zwost.7 zwazt met goud

hage, schrijft: „Ick hebbe een poppe voor Joffrou van 4. An. Maurits, Prins v. Oranje
Tornebu laten maken." 5 Meer zekerheid geeft een brief van Mme de Sévigné
aan haar dochter op 4 April 1671 naar aanleiding van een nieuw kapsel: „Je ne
sais si nous avons bien représenté cette mode. Je ferai coiffer une poupée pour
vous envoyer." 6
TWEE MODERICHTINGEN. In ons land zien wij gedurende bijna de gehele 17de
eeuw twee moderichtingen naast elkaar: de elegant wereldse, bijna zuiver
Franse mode die vooral te 's Gravenhage, de kosmopolitische residentie der
Stadhouders, werd gedragen, maar ook wel elders in mondaine kringen navol-
ging vond. En een andere die ook op de Franse mode geinspireerd was, doch
door soberder vormen, strakkere lijnen en door de keuze van donkere - vooral
zwarte, bruine en grijze stoffen - tot puriteinse strengheid werd vereenvou-
digd. De deftige burgers die de Republiek en haar steden regeerden, en de rijke
kooplieden en hun vrouwen - in de eerste plaats de ouderen, maar veelal ook
de jongeren - volgden de laatstgenoemde moderichting die een specifiek Neder-
17
lands karakter aannam. De verschillen zijn vooral duidelijk waarneembaar als
beide categorieën zich in excessen vertonen. In sommige gevallen komen zij el-
kaar zeer nabij en zijn dan moeilijk te onderscheiden.
HET STADHOUDERLIJK HOF IN DEN HAAG. Het stadhouderlijk hof dat in Den
Haag, de niet ommuurde en dus dorpelijke residentie der Prinsen van Oranje,
gevestigd was, is in de 17de eeuw het centrum der Franse mode in ons land ge-
worden. Aanvankelijk, ten tijde van Prins Maurits, had het echter voor de mode
nog niet de importantie die het onder

)zwazt

de latere stadhouders heeft gekregen.
Zonder enige pracht of praal woonde
Maurits in de oude gebouwen in de
N.W.hoek van het Binnenhof, die uit-
zagen op het Buitenhof en op de vij-
ver. Hij was ongetrouwd, zodat het
voor een geanimeerd hofleven onmis-
bare vrouwelijke element ontbrak.
Jonkvrouwe Margaretha van Meche-
len, gewezen hofdame van Louise de
Coligny, met wie Maurits in onwet-
tige verbintenis leefde, woonde stil en
afgezonderd met haar beide zoons in
de Lange Houtstraat en werd niet zo-
als de maîtresses der Franse en Engel-
se koningen in het hofleven opgeno-
5. P.van Hillegaert. Maurits, Prins v. Oranje
men. Maurits was royaal voor ande-
ren, maar sober in zijn eigen levenswijs, zodat hij soms in zuinige buien alleen
varkensvlees wilde eten.7 Hij was vóór alles veldheer; de jacht - de aanval - en
het schaakspel - de strategie - waren zijn enige ontspanningen. Zijn plichten en
ambities als Kapitein Generaal der Unie hielden hem vóór het Twaalfjarig Be-
stand gedurende een groot gedeelte van het jaar bij zijn soldaten te velde in de
Zuidelijke Nederlanden en in de Oostelijke provincies van ons land, waar toen
de oorlog nog gevoerd werd. Was hij in Den Haag, dan zag men in het stad-
houderlijk kwartier meest legeraanvoerders en jonge officieren uit vreemde
landen die aangetrokken door Maurits' genie en roem als veldheer zich onder
zijn leiding kwamen stellen. Dan werd er in zijn sombere en eenvoudig gemeu-
belde vertrekken ruw geleefd en gefeest, veel gedronken en soldateske taal ge-
voerd. Voor kunstenaars en literatoren had hij weinig belangstelling, maar wel
ging hij om met geleerden wier arbeid de krijgskunst of de staatkunde diende.
De mathematicus Simon Stevin was aan de Universiteit van Leiden eerst zijn
18
leermeester, later zijn vriend. Op een prent van G. Swanenburgh naar J. M. de
Ghein 8 (omstreeks 1600) zien wij de Prins aan het stuur zitten van de door
Simon Stevin uitgevonden zeilwagen - voorloper van de automobiel - waarin
behalve de uitvinder ook de jonge Hugo de Groot, de Franse gezant Buzanval,
de gevangen Spaanse veldheer Mendoza en vele andere aanzienlijke heren, in
het geheel 28 personen, plaats hebben genomen en langs het Scheveningse
strand naar Petten rijden.
MAURITS EN DE MODE. Maurits stoorde zich niet aan de
mode; „hy hielt sijn eighen fatsoen van baert, hayr,

1611-1616

kleedingh ende manieren, gheensints volghende de
Fransche moden ende veranderinghen." Volgens een
ander bericht was Maurits eenvoudig maar niet slordig
gekleed, altijd in hetzelfde genre: een boven-wambuis
van bruine wol, een zijden onder-wambuis, een korte
met fluweel gevoerde mantel, een kleine plooikraag om
de hals en wijde kaplaarzen. Hij lachte om de modieuze
Franse officieren die, om met hun slanke benen een bluf-
je te slaan, zulke nauwe kaplaarzen droegen, dat hun bij
het aantrekken het zweet uitbrak. Maurits' enige luxe
was een gouden gevest aan zijn rapier en een koord van
diamanten om zijn hoed. Als aanvoerder van het leger
droeg hij oranje pluimen op zijn hoed en een oranje
sjerp over zijn harnas. 10 Op zijn portret in de Leidse

agzys

Universiteit dat nog vóór het begin der 17de eeuw ge-

tood
goud

maakt werd, is hij gekleed in een zwart met goud gala- 6. F. Francken en P. Pourbus
kostuum dat nog sterk aan de Spaanse mode herinnert PhilipsWillem,Prinsv.Oranje
(afb. 4). Op latere leeftijd zien wij hem in eenvoudige ruiterkleding te paard
(afb. 5).
HET HOF VAN LOUISE DE COLIGNY. Maurits' stiefmoeder, Louise de Coligny,
woonde (tot haar vertrek naar Frankrijk in 1620) met Frederik Hendrik op het
Oude Hof aan het Noordeinde, later Koninklijk Paleis. De weduwe van Prins
Willem I, klein en elegant vrouwtje, was Frans georiënteerd en ook naar de
Franse mode gekleed (afb. 50 D). In haar stille omgeving vond men in Franse
trant een veel fijner beschaving dan aan het hof van Maurits.
HET HOF DER FRIESE STADHOUDERS. Aan de Lange Vijverberg stond het paleis
waarin de stadhouders van Friesland soms hun intrek namen. In deze tijd was
het Maurits' neef en zwager Willem Lodewijk van Nassau, sedert 1588 weduw-
naar van Maurits' zuster Anna van Nassau. De inventaris van haar nagelaten
juwelen en kostbare gewaden zal in hoofdstuk III worden besproken.
19
AANZIENLIJKE VREEMDELINGEN BRENGEN DE FRANSE MODE NAAR DEN HAAG.
Louise de Coligny leefde in stille teruggetrokkenheid en aan de hoven van
Maurits en Willem Lodewijk ontbraken de gastvrouwen; aan geen van deze
kon dus een geanimeerd hofleven met naar buiten uitstralende klederpraal ont-
staan. Maar er kwamen in Den Haag vele bezoekers, vorsten en edellieden uit
den vreemde en tal van ambassadeurs, Fransen, Duitsers, Engelsen en Schotten,
aanzienlijke heren die met hun aanhang van secretarissen, hofmeesters, pages

1617

en lakeien een grote staat voerden. Er was boven-

zwozt

dien een kolonie van Franse officieren en deze
vreemdelingen met hun dames die zich naar de

jzys

Franse mode kleedden, gaven het voorbeeld aan de
Haagse beau-monde en droegen er veel toe bij om,
niettegenstaande de afzijdigheid van het stadhou-
derlijk hof, 's Gravenhage toch reeds te maken tot
het middelpunt der elegante samenleving in de
Republiek. De Haagse grote wereld nam de exces-
sieve vormen over die de nieuwe Franse mode tel-
kens voorschreef en kleedde zich kleurig - hoewel
het voorname zwart niet was uitgesloten - en ook
met onbekrompen weelde door de keuze van
prachtige met goud gegalonneerde of geborduurde
stoffen, van zwierig gepluimde hoeden, zijden
sjerpen en schitterende tooi van edelstenen. De
vrouwen aanvaardden het franse décolleté en de

7. S. Mesdach. Willem Courten

nieuwerwetse, als blanke schelpen hoog in de hals
opstaande Mediciskragen en schortten het overkleed of de bovenrok op om te-
vens de prachtige onderrok te vertonen. Zij bedekten het haar nu niet meer
met een muts, maar droegen het met bloemen, veren en sieraden kunstig hoog
gekapt (afb. 2a en 49). Deze luxueuze kledij is op vele schilderijen afgebeeld,
o.a. op „het bezoek van Maurits en Frederik Hendrik aan de kermis te Rijs-
wijk" door Van de Venne (1618). 11
STRENGE KLEDIJ DER HOGE AMBTENAREN IN DEN HAAG. In de hofstad zag men
ook de zoveel eenvoudiger zwarte kledij van hoge burgerlijke ambtenaren, de
machtige leden der Staten Generaal en der Staten van Holland die op het
Binnenhof vergaderden, van de leden van de Raad van State, van de Hoge
Raad en van de Rekenkamer. Deze heren hadden ten dele hun vaste woon-
plaatsen in de residentie, maar de afgevaardigden der Steden die niet perma-
nent in Den Haag aanwezig behoefden te zijn, logeerden in deze tijd nog gro-
tendeels in de stadsherbergen, waar de hoge heren met andere gasten samen
20
aten en onder de invloed van de goede wijn die daar geschonken werd, wel
cens geheimen verklapten. In 1618 gaf daarom Amsterdam het voorbeeld en
stichtte in de Lange Houtstraat naast de woning van Margaretha van Mechelen
een eigen luxueus ingericht logement, waar alleen de Amsterdamse afgevaar-
digden toegang hadden, een voorbeeld dat later ook door de andere steden
werd gevolgd. De heren die daar logeerden en, in het zwart gekleed, uiterlijk een
zekere eenvoud betrachtten, leefden er royaal en op tamelijk grote voet.
Oldenbarnevelt, de geduchte Landsadvo-
caat, woonde op de Kneuterdijk, in een ka-

1619
Aet 25
pnob pmt siib

pitaal huis. De grote staat die hij voerde,
achtten velen boven zijn stand en gaf me-
nigeen ergernis. Hij bezat ook een koets,

3wazt

toen betrekkelijk nog een zeldzaamheid,
want het was nog maar kort geleden dat (in
1583) Louise de Coligny de eerste karos uit
Frankrijk had meegebracht. 12
OLDENBARNEVELT EN DE TABBAARDDRACHT.
Oldenbarnevelt is op zijn portretten ge-
woonlijk afgebeeld in een lange met bont
gevoerde tabbaard, die hij, zoals reeds in
de 16de eeuw voor rechtsgeleerden gebrui-
kelijk was, draagt over wambuis en broek.
De geschiedschrijver Everard van Reyd,
secretaris van Willem Lodewijk van Nas-
sau, doelt ook op de tabbaard als hij in

8. S. Mesdach, Pieter Boudaen Courten

1600 aan Stöver schrijft: „Barnefeld und die lancrocke haben uns precipi-
tiert". 13 De prent „Op de waegschael van Holland" 14 vertoont ons Olden-
barnevelts tabbaard met een paar kussens als symbolen van zijn ambt en waar-
digheid op de weegschaal gestapeld om gewogen te worden tegen de boeken
van Bega en Calvijn, bij welke „Mijnheer de Prins” zijn „stale kling” legt, zo-
dat de schaal naar deze zijde overslaat. Drie rechters, ook gekleed in tabbaar-
den, zetelen op een estrade. Vondels onderschrift vermeldt daarbij:
„Mits de schrandere Armijn
Ley den rock van d'Advocaet
En de kussens van den Raet" etc. 15
Ook bij zijn laatste gang heeft Oldenbarnevelt de tabbaard aangehad: „heeft
op het schavot zijn nachttabbert uytgetrocken, voor ontnesteld". 16
Maar het schijnt toch dat de tabbaard in deze tijd ouderwets begon te worden
en dat jongere rechtsgeleerden en staatslieden hem niet altijd meer droegen.
21
Hugo de Groot, sedert 1623 Pensionaris van Rotterdam, Ledenberg, secretaris
der vroedschap te Utrecht en Hoogerbeets, pensionaris van Leiden en raads-
heer in de Hoge Raad, die in 1618 op het Slot Loevesteyn gevangen werden
gezet, zijn gewoonlijk in zwart wambuis, broek en korte mantel afgebeeld. 17
Op de prent van Frisius (S. de Vries) die de beraadslaging der Staten te 's Gra-
venhage over het Bestand voorstelt, dragen alle heren mantel en hoed. 18
DE PREDIKANTEN EN HUN KLEDIJ. Vele predikanten echter, die gedurende het
Twaalfjarig Bestand zulk een grote rol speelden,

162C

Arminius (afb. 21), Uyttenbogaard, Bogerman e.a.
bleven nog trouw aan de eerbiedwaardige tab-
baarddracht. Toch schijnt het dat de dominees bui-
tenshuis over het wambuis niet de tabbaard, maar
de mantel droegen; op een prent waarop de ont-
hoofding van Oldenbarnevelt is voorgesteld 19, dra-
gen de beide predikanten die hem bijstaan, lobben-
kraag en mantel; op een prent van de Synode van
Dordrecht in 1618 20 staat de president Bogerman
blootshoofds in een lange tabbaard, terwijl de an-

gzys-

dere leden der synode schoudermantels aan hebben
en hoge hoeden dragen.
DE LANDADEL. De oude provinciale landadel was
sedert de 16de eeuw over het algemeen zeer ver-
armd; Alva had de goederen van velen verbeurd

gwazt-paots

verklaard en daar de edellieden het beneden hun

9. Isaak Elyas. Heer en dame in waardigheid achtten om zich met handel of bedrijf
feestkleding

af te geven, konden zij de nodige inkomsten alleen
krijgen uit militaire posten bij leger en vloot of uit hogere regeringsambten. Zij
woonden ten dele in de steden of in kastelen die over het land verspreid lagen,
meest in Gelderland, Overijsel en Utrecht. In Holland en Zeeland, behalve te
's Gravenhage, trof men omstreeks 1600 slechts weinig Nederlandse edellieden
aan. Wij kunnen wel aannemen dat degenen die op ver van de steden gelegen
kastelen woonden, dikwijls slecht van de mode op de hoogte waren en ouder-
wetse kleding droegen, want de communicatie met de steden was, daar de land-
wegen nog niet geplaveid waren, uiterst moeilijk. De kleding dezer heren en
hun vrouwen die door eigen personeel op de kastelen of door een dorpskleer-
maker gemaakt moest worden, zal ook wel plomp en boers van snit zijn ge-
weest, maar op verschillende portretten van Mierevelt, Moreelse e.a. zien wij
dat de edellieden en hun dames, die dichter bij de residentie of bij de grote
steden woonden zich, als omstandigheden en middelen het toelieten, luxueus
22
en elegant kleedden en de Franse mode volgden, zoals zij te 's Gravenhage
werd gedragen.
REGENTEN EN BURGERIJ IN DE STEDEN. De leden van de vroedschap en de afge-
vaardigden der steden naar de Staten werden gekozen uit de rijk geworden
burgers. Te Amsterdam, de in het laatst van de 16de eeuw door de handel
groot geworden en thans voornaamste stad van het gemenebest, waren de
regenten kooplieden, energieke cenvoudige mannen, die zich uit beschei-
den omstandig-
heden hadden op-

A
B

gewerkt en ook na
hun benoeming
tot regeerders van
hun stad nog naar
de Beurs gingen
en in contact ble-
ven met de burge-
rij. De regenten
en de rijke bur-
gers, zowel de ge-
lovige Contra-Re-
monstranten als
de meer vrijzinni-
ge Remonstran-
ten, erkenden de
strenge moraal en

10. Cl. Visscher naar Es. van de Velde. Heren en dames

de deemoed die het Protestantisme voorschrijft en ondergingen de invloed
daarvan in hun levensvormen en hun uiterlijk. Zij voerden hun religieuze prin-
cipes wel niet in alle zuiverheid door, en leefden rijkelijk van het verdiende
geld, maar ten dele ook uit burgertrots en ten dele om afgunst en kritiek van
hun medeburgers te voorkomen, vermeden zij toch in woning en kleding alle
opvallende en overdreven luxe. In de nauwe straten van het oude Amsterdam
woonden zij goed en ruim in hoog opgetrokken huizen met smalle trapgevels,
drie ramen breed. Zij hielden daarin tevens kantoor en gebruikten de zolders
en soms ook de kelders als opslagruimten voor goederen. De statige burger-pa-
leizen langs de grachtenbogen van Amsterdam waren in deze tijd nog niet ge-
bouwd.
KLEDING DER REGENTEN. Evenals hun afgevaardigden naar 's Gravenhage
kleedden ook de regenten in de steden en de aanzienlijke burgers zich streng en
deftig in het zwart (afb. c). Zij veroorloofden zich echter stoffen van prima
23
kwaliteit, dikwijls eenvoudig effen, doch ook wel zwart op zwart geornamen-
teerd. Het zwart van hun kleding werd alleen onderbroken door het wit van
plooikraag en manchetten. Wel volgde hun kleding in hoofdzaak de Franse
mode, maar met zorgvuldige vermijding van alle overdreven vormen. De plech-
tige tabbaard voegde bij uitnemendheid de ouderen onder de stadsregenten.
Hoe voortreffelijk komt de waardigheid van de burgemeester Cornelis Pie-
tersz. Hooft, de vader van de dichter, uit in de wijde met bont gevoerde tab-
baard, waarin hij zich liet schilderen!
±1620
(afb. 22) Zijn welbesteed leven in trouwe

ʒwozł

dienst van zijn stad eert Vondel in een
gedicht waarin ook een paar statige regels
gordel:geef
aan zijn tabbaard, de „burgemeesters-
rock" als symbool van zijn deugd en de-
gelijkheid zijn gewijd:
„Hangt aen den wand van 't koor dien
burgemeestersrock,
Dien tabberdt wijd van baet en staets-
zucht afgescheyen". 21
VERSCHILLENDE SOORTEN VAN KLEDING.
Evenmin als nu droeg men vroeger bij
alle gelegenheden dezelfde kleding; men
had feestkleding, Zondagskleding, een-
voudige daagse kleding en ook zomer- en
winterkleding.

11. Frans Hals. Patriciër

ZONDAGSE KLEDING. Op hun portretten
zien wij de voorname burgers en hun vrouwen waarschijnlijk meestal in hun
beste Zondagse kleding afgebeeld.
FEESTKLEDING. De schilderijen van Willem Pietersz. Buytenwech, Adriaen
Pietersz. van de Venne, Esayas van de Velde, Isaäc Elyas e.a. 22 vertonen ons
in weelderige interieurs jonge feestvierende heren en dames in kleurige feest-
kleding. Blijkbaar verbeelden zij het mondaine leven der aanzienlijke kringen
te 's Gravenhage en in verschillende steden van Holland en Zeeland.
KLEDING IN DE KERK. De geschilderde kerkinterieurs vertellen ons dat de man-
nen in de kerk mantels droegen en hun hoeden ophielden. De vrouwen waren
meestal in de huik gehuld.
ZOMER- EN WINTERKLEREN EN DE BRIEVEN VAN MARIA VAN REIGERSBERCH.
Over zomer- en winterkleren vinden wij enige inlichtingen in de brieven van
Maria van Reigersberch, de schrandere en wakkere vrouw van Hugo de Groot,
die tijdens hun ballingschap te Parijs niet alleen de kleding van haar man uit-
24
koos en verzorgde, maar ook voor de familie in Holland allerlei opdrachten tot
het kopen van kleren uitvoerde. Onvermoeid doorkruiste zij Parijs, liet zich in
de winkels stoffen voorleggen, berekende of de prijzen niet te hoog waren, over-
woog wat passend was voor haar landgenoten in Holland en zocht met toewij-
ding naar de beste gelegenheid om het gekochte aan uit Parijs naar huis reizen-
de kennissen mede te geven. In uitvoerige correspondentie doet zij verslag van
haar bevindingen en deelt ook allerlei bizonderheden mede over de kleding
van haar man en over de nieuwe Franse mode. In 1628 schrijft zij aan haar
broeder Nicolaes: „Wat U winterkleedt belangt, men draght hier van als en
weet noch niet wat de naeste winter de manier sal sijn. De voorleden winter
drogh men de lakensche kleeren ongeboordt. Kaffa wordt hier meede wel ghe-
dragen die in ons landt beter koop te krigen is als hier; satijn is winter en zoo-
mer goedt." 23
IJSKLEDING. Op de vele ijsgezichten van Sebastiaen Vrancx, Hendrik Aver-
kamp, Adam van Breen e.a. 24 zijn vermoedelijk schaatsenrijders uit alle stan-
den afgebeeld, want heeft het ijs in Nederland niet altijd verbroedering ge-
bracht? Wij zien op die ijsgezichten zowel donkere als kleurige kleding; de
vrouwen dragen soms opstaande Mediciskragen die wel heel stevig gestaan
moeten hebben om het in de winterse wind uit te houden (afb. 49b). De man-
nen rijden in wambuis en broek, de vrouwen in huiskleding; hoogstens dragen
zij daarover een enkele keer een pelerientje (afb. 46), waarschijnlijk droegen zij
veel dik ondergoed. Maar de toeschouwers zijn warmer gekleed, de mannen
hebben mantels aan of kazakken, terwijl de vrouwen zich veelal in huiken
beschutten tegen de koude (afb. 31 en 44).
DE KLEDING IN DE ZUIDELIJKE NEDERLANDEN. In de Zuidelijke Nederlanden
werd ongeveer dezelfde kleding gedragen als in het Noorden. De strenge bur-
gerlijke moderichting was er echter wat minder strak en stijf; jonge vrouwen
zien wij op de portretten van Rubens en van Dijck eleganter gekleed dan in de
Republiek. Te Brussel aan het conservatieve hof van de Aartshertogen, Fer-
dinand van Oostenrijk en Isabella Clara Eugenia (die van haar vader Philips
II de Zuidelijke Nederlanden als bruidsschat had gekregen) bleef men nog ge-
ruime tijd de traditionele Spaanse hofmodes volgen (afb. 39 en 40).
25
II. DE KLEDIJ DER MANNEN
1600-1625
DE ONDERKLEDING. Als onderkleding vinden wij in de inventarissen vermeld:
linnen en wollen hemden, borstrocken, hemdrocken en onderbroeken.
HET PACK OF KLEET. Een stel bovenkleren, bestaande uit een wambuis en een
broek noemt men een pack of een
A
1621 B
kleet. In de klederinventarissen
worden pack en kleet telkens ver-
meld: „Een swart sijde kleet be-
staende in wambas en broeck". 1

zood

Als er een hoed of een mantel bij
horen, worden deze afzonderlijk
blouwqroen
genoemd: „Een nieuw swarte la-
qeet
kens pack met een swarte satijne
wambas en een swarte lakense
mantel". 2 Maria van Reigers-
berch schrijft 8 October 1628 uit

qzoen
geef

Parijs aan haar broeder Nicolaas
van Reigersberch: „Wat de klee-
ren belangen: mijn man heeft één
laeckene dat hij den voorgaanden
winter ghedragen heeft, en ic heb-

Lbruin
zwazt
3wozt
12. Anoniem. Twee Heren

be hem over eenighe weecken een
satijne kleedt doen maecken dat ghegraveert is. Men draeght hier van als ge-
lijck ic U.E. voor desen gheschreven hebbe". 3 Ook Breero spreekt van een
pack, als hij Sijmen laat zeggen: „Dit's mijn werckpack, dit's mijn kerck-
HET WAMBUIS EN HET ROXKEN. Het wambuis 5 bekleedt het bovenlijf (afb. 4,
pack". 4, 5, 7,9,11, 14 en 15.)
Om een plooiloze oppervlakte te verkrijgen wordt in het begin der eeuw soms
nog, evenals in de 16e eeuw, wattering en ook wel eens karton tussen de boven-
stof en de voering gelegd. Het opstaande kraagje is van boven soms wijder dan
van onderen zodat een uitstaande rand wordt gevormd om de linnen kraag,
die men er om heen bindt, te ondersteunen. Het wambuis wordt van voren ge-
sloten met langs de rechtervoorrand dicht naast elkaar gezette bolvormige
knopen, die corresponderen met de aan de linkervoorrand ingesneden knoops-
gaten. Van onderen is het wambuis òf horizontaal (afb. 4) òf naar voren bene-
26
denwaarts puntig toelopend afgesneden (afb. 9). Aan de onderrand is een kort
schootje 6 gezet, dat uit enige pandjes 7 bestaat die op zij even over elkaar
schuiven en samen ook een horizontale of een naar voren puntig toelopende
onderlijn vormen. Dit schootje, eerst kort, wordt na 1615 langer, terwijl het
lijfstuk daarentegen wat korter wordt. Langs de naad die het lijfstuk met de
schootpanden van het wambuis verbindt, zijn dikwijls paarsgewijs vetergaatjes
aangebracht, bestemd om er de aan de broek bevestigde veters met nestels (of
nestelingen) 8 door te steken; deze worden vervolgens aan
de buitenkant van het wambuis vastgestrikt om het af-

1621

zakken van de broek te voorkomen. De strikken vormen
tevens een versiering (afb. 7, 9 en 29). Soms echter wordt
de broek vastgestrikt aan een aan de binnenzijde van het
wambuis ter hoogte van het middel aangebrachte, met
vetergaatjes doorboorde linnen reep (afb. 17-19). De

82oDd il - pooz 2DE

strikken komen dan niet te zien.
De mouwen zijn meestal nauw, zij zijn dikwijls van an-
dere stof en kleur dan het wambuis, zoals blijkt uit de af-
beeldingen en ook uit opgaven in de inventarissen: „Een
swartlakens wambais met bomezijnen mouwen" 9 en
„een bombazijne wambeys met gecoleurde satijnen mou-
wen F. 1-2-0". 10 (Een gulden =20 stuivers en 1
stuiver = 16 penningen). De mouwen worden niet altijd
in de armsgaten genaaid, want men draagt bij het wam-
buis ook wel losse mouwen, die men aan de armsgaten
onder de schouderstukken met veters vaststrikt of met

13. An. Heer

spelden er aan bevestigt. Afzonderlijke mouwen worden in de inventarissen
telkens genoemd: „Twee paer satijnen mouwen F. 1-2-0" . 11 Bredero's
Spaansche Brabander (1617) bluft: „'k was daer in goeyen stoot, ick had wel
tseventich paer mouwen". 12 Door Bredero weten wij ook dat een burger zijn
aanzien kon verhogen met een mooie mouwspeld. „Ick kanmen so verweent
(prachtig) op halen met een mouwe spelt", 13
Op de schilderijen kan men meestal niet zien, hoe de mouwen aan het wam-
buis bevestigd zijn, want om de armsgaten worden platte schouderkleppen 14
genaaid. Deze zijn een vervlakking van de dik opgevulde bragoenen der
Spaanse mode uit het einde der 16de eeuw. 15 De platte schouderkleppen wor-
den uit één stuk gesneden of samengesteld uit pandjes, die over elkaar schuiven.
Boven op de schouder zijn zij het breedst, bij de oksel lopen zij smaller toe (afb.
4-13 en 15-18). Deze schouderkleppen verbreden de schouders.
Over het wambuis wordt dikwijls een tweede, bijna eender kledingstuk gedra-
27
gen, dat in de klederinventarissen roxken of rockgen wordt genoemd 16, ter on-
derscheiding van het wambuis, dat ook wel eens onderwambuis heet: „Een
bouratte broeck met een roxken ende onder wambeys F. 25-0-0"; „een fluwele
broeck met een armosijn wambeys met satijne mouwen ende een rasse rockgen
t.s. F. 33-0-0" en „een kaffa broeck met een sijde groffgreyne rockgen en een
onderwambays met twee paer satijne mouwen".17 Veelal laat men het roxken
openstaan, zodat ook het daaronder gedragen wambuis te zien komt (afb. 6, 8
en 10). Als dit niet het geval is, kunnen wij

Heoftman
1607

niet weten of wij aan het zichtbare kleding-
stuk de naam wambuis of roxken moeten ge-
ven. Beide, wambuis en roxken, hebben trou-
wens nagenoeg dezelfde vorm en snit; gewoon-
lijk is het roxken echter langer dan het wam-
buis en soms heeft het geen mouwen, zodat de
mouwen van het onderwambuis uit de schou-
derstukken van het roxken te voorschijn ko-
men: „een bloemd fluweelen overrockyen
sonder mouwen" 18. Het onderwambuis heeft
dan geen schouderkleppen. Doch er zijn ook
roxkens mèt mouwen: „een swart lakens
rockyen met swart fluwelen mouwen".19
Soms hecht men de mouwen van het roxken
alleen onder de schouderkleppen aan de ach-
terzijde der armsgaten vast en laat ze dan als
14. An. Prins en Hoofdman van de Bra-

siermouwen of vleugels 20 ongebruikt neer-

bantse Rederijkerskamer 't Wit Lavendel hangen. Dikwijls zijn zij ook te nauw om over
de mouwen van het onderwambuis te worden aangetrokken of zijn zij gedege-
nereerd tot smalle stofrepen, die nog slechts even aan mouwen herinneren en
een functieloze versiering zijn geworden. Zij waren aldus reeds lang in de 16de
eeuw gedragen en worden nu weldra ouderwets. Toch ziet men ze nog wel op
schilderijen (afb. 8, 10, 11, 29 en 54) en men vindt ze ook in inventarissen ge-
noemd: „Drije olde, swart lakens roxkens met hangende mouwen“.21 Het
wambuis en het roxken worden dikwijls langs de sluiting, de mouwnaden, de
schouderkleppen en de schootpanden gegarneerd met passements (afb. 7-11)
Men laat het roxken van voren wel eens open staan, de broek moet dus aan het
onderwambuis worden vastgemaakt.
Een in deze tijd herhaaldelijk voorkomend model van wambuis of roxken on-
derscheidt zich van het gewone type door een eigenaardige hoekige sluiting
met knopen en knoopsgaten, die niet verticaal midden ov
er de borst doorloopt,
28
maar eerst van de hals tot op het midden van de borst loodrecht omlaag gaat
en dan met een rechte hoek naar de linkerzijde zwenkt om vandaar weer verti-
caal benedenwaarts te lopen tot aan de onderrand van het wambuis (afb. 13).
In ons land bestaat uit deze tijd, voor zover mij bekend is, alleen nog maar één
wambuis, en wel dat waarin volgens de overlevering Hugo de Groot in 1621 na
op de bekende sensationele wijze in een boekenkist uit het slot Loevesteyn ont-
snapt te zijn, zijn vlucht als metselaar verkleed verder voortzette (afb. 16). 23
Wel lijkt het meer op een heren- dan op
een werkmanswambuis, maar de metse-

Tict-6tuin okertood 4donker tood-bruin

laar van wie Hugo de Groot het leende,
±1609.
kan het gekregen hebben om het verder af
te dragen. Vóór de echtheid van het wam-
buis pleit het feit, dat het een kleine maat
heeft, want dit komt volkomen overeen
met hetgeen Caspar Brandt er van ver-
telt: „De klederen waren vrij naeu. Het
wambuis quam ver boven de broeck en de
broeck eenigszins boven de kniën".24
Als materiaal voor het wambuis is bok-
kenleer in naturel kleur met een grof lin-
nen voering gebruikt; tussen het leer en de
voering ligt een tamelijk dikke opvulling
van wollen watten. Het wambuis is sa-
mengesteld uit twee voorpanden en een
okmood
rugpand, een staand kraagje, een uit 10 15. P. P. Rubens. De schilder en zijn cerste
pandjes samengestelde schoot en tamelijk
vrouw Isabella Brant
nauwe mouwen, die onder platte schouderkleppen zijn ingezet. Aan het rech-
tervoorpand zijn gewerkte knopen dicht naast elkaar geplaatst, oorspronkelijk
29, en aan het linkervoorpand zijn 29 knoopsgaten aangebracht. Voor- en rug-
panden zijn versierd met smalle, nu gedeeltelijk afgesleten koordjes.
In het Victoria and Albert Museum te Londen wordt het purper fluwelen en
met goudgalon gegarneerde wambuis bewaard, dat Koning Jacobus I van En-
geland in 1603 bij zijn kroning heeft gedragen. Op het patroon daarvan kan
men de snit duidelijk nagaan (afb. 17 en 18).
De wambuizen en roxkens worden, al naar gelang van rang en stand van de
drager en van de gelegenheid waarvoor zij moeten dienen, gemaakt van kost-
bare of van eenvoudige stoffen, gekleurde of zwarte. Voorname heren dragen
wambuizen van fluweel, zijde, satijn of fijn laken, effen, gestreept of georna-
menteerd. De klederinventarissen vermelden wambuizen en roxkens van aller-
29
lei stoffage: „Een zijde zatijnen wambais gecatoeneerdt (met katoen gevoerd)
en doorsneden ende gecratst".25 Een borath wambeys met een groffgreyn
rockgen tsamen F. 3-0-0; een gestreept armosynen rockgen wambeys ende
broeck tsamen F. 10-0-0". 26 En ook: Een bockeleren gecatoeneerde wam-
beys", 27
DE KOLDER. Nauw verwant aan het roxken is de kolder;28 deze heeft ongeveer
dezelfde vorm, krijgt echter als beschuttend kledingstuk veel langere schoot-
panden, doch geen mouwen, zodat de
mouwen van het onder de kolder gedragen
wambuis uit de armsgaten en de schouder-
stukken te voorschijn komen. De kolder
wordt meestal gemaakt van stevig naturel-
kleurig of geverfd leer, maar ook wel van
zware wollen stof, die waarschijnlijk nog
gewatteerd en gevoerd wordt, zodat hij in
het gevecht beschutting biedt tegen sabel-
houwen (afb. 20). De inventarissen van de-
ze tijd noemen o.a .: „Een swart leren buf-
felsen colder", en „een buffelse laken kol-
der met zijden veters" 29, maar ook ,, .. een
caffa coldertjen". 30 De kolder vervangt
hoe langer hoe meer het metalen borsthar-
nas, dat sedert het gebruik der vuurwapens
toch geen betrouwbare beschutting meer
16. Leren wambuis van Hugo de Groot
biedt, en is inzonderheid een dracht voor
militairen, schutters en jagers. Echter schijnt de kolder toch ook door burgers
gedragen en zelfs als feestkleding aangenomen te zijn.
DE BROEK. Het wambuis en het roxken en de daarbij gedragen broek zijn dik-
wijls, maar niet altijd, van dezelfde stof en kleur: „Een fluwele broeck met een
armosijn wambeys met satijne mouwen ende een rasse rockgen ts. F. 33-0-0".31
In de inventaris van „den Edelen en manhaftigen Heer van Take van Hettin-
ga, In tijden Overste Lyeutenant van 't Fryessche Regiment wesende", die als
militair blijkbaar bij voorkeur in prachtige, kleurige kleding prijkte, worden
o.a. vermeld: „Een zijde satijnen roodt wambays met een rooden fluwelen
broeck" en „Een blau zijde satijnen wambays met een grau blom fluwelen
broeck". 32
In contrast met het nauwe wambuis moet de broek wijd zijn. De in de eerste 25
jaren der 17de eeuw het meest voorkomende broekmodellen zijn:
a) de korte wijde Spaanse pofbroek,
30
b) de lange wijde pofbroek die even onder de knie gesloten wordt,
c) de broek met cilindervormige, van onderen open pijpen die tot aan de knie
reiken.
Deze verschillende broeken worden zowel bij het van onderen horizontaal als
bij het van onderen puntig afgesneden wambuis gedragen.
In de klederinventarissen worden al deze modellen doorgaans zonder onder-
scheid als broeken aangeduid. In de eerste jaren der 17de eeuw worden echter
zonder verder commentaar ook ge-
noemd: „Een ronde Spaensche
1603
broeck met sneden. - 1 swart paer
lakens boxen met drye fluwelen spi-
gilyen. 33 - Een fluwele broeckillie-
broeck F. 6-o-o .- 1 Satijnen broec-
killie F. 2-0-0." 34
a) DE KORTE SPAANSE POFBROEK.
De korte Spaanse pofbroek of ronde
Spaanse broek met sneden 35, erf-
stuk uit de 16de eeuw, voortgeko-
men uit de Spaanse hofmode, gaat
nu haar laatste stadium in. De korte
pofbroek is een onpraktische en we-
gens de lange hozen of kousen die er-
bij horen, ook een dure dracht, die
goud-galon
purper fluweel
dus meest als galakleding tot de ho-
gere standen beperkt blijft. De korte 17. Kroningswambuis en pofbroek van Jacobus I van
pofbroek heeft een nauwe binnen-
Engeland
broek, die niet te zien komt. Aan de gordelband van deze binnenbroek is de
bovenkant van een zijden voeringbroek, veel wijder en länger dan de binnen-
broek, in rimpels vastgenaaid, terwijl het ondereinde aan de onderrand der
pijpen van de binnenbroek bevestigd wordt. Daaroverheen wordt de van
zwaardere stof gemaakte en in lange stofrepen 36 verdeelde bovenbroek gelegd,
die, iets korter en nauwer dan de zijden voeringbroek, eveneens aan de boven-
band en aan de pijpen van de binnenbroek is bevestigd. Overlangs de repen
worden passementsbanden gelegd; uit de sneden tussen de repen 37 dringt de
voeringbroek te voorschijn, die dus een versierende functie heeft. Van voren, op
zij aan de buitenkant van de dijen en van achteren wordt nog wel een opvul-
ling gelegd van paardehaar of koehaar; maar aan de binnenzijde der benen
niet, omdat daardoor het lopen bemoeilijkt zou worden. Deze opvulling is nu
lang niet meer zo stijf en zo dik als in de 16de eeuw, toen de broek haast bol-
31
vormig werd uitgespannen. Nu de Spaanse mode aan het tanen is en geen
strakke ronding meer verlangd wordt, brengt men een lichte vulling aan, die
van onderen het meest uitstaat (afb. 4), of de sneden hangen over nog dunnere
vulling los neer (afb. 6). De sluiting van deze broek - en ook die van de andere
modellen uit deze tijd - wordt gevormd door een split van voren dat met kno-
pen en knoopsgaten gesloten wordt. Hoe men, om het afzakken van de broek te
voorkomen, de broeksband met daaraan bevestigde veters aan het wambuis
o
6
4
Kzaaq
12
....
12

25
ondez
11
boven
24

22
mouw
mouw
20
TN ..
6
34

27
2
46
voozpand
-458
20

16

61
162
6
20
kzaagvoezing
schoudezklep
57%
o
binnenband met 62 vetezgaatjes
124
d
a-d schoot-
17

20
panden
24
18. Patroon van het Kroningswambuis van Jacobus I van Engeland
vaststrikt, is bij de beschrijving van het wambuis reeds vermeld.
Omstreeks 1620 draagt de man van de wereld bij half gekleed kostuum een iets
langere, tot even boven de knie reikende pofbroek, die niet uit repen met zijden
voering samengesteld, doch op de gewone manier van de een of andere stof ge-
maakt is. Ook deze krijgt nog een lichte opvulling, maar wordt niet meer wijd
uitgezet. Brede, met een flinke strik even onder de knie vastgemaakte kouse-
banden staan daar heel elegant bij (afb. 9, 10 en 12 A).
Soms zijn aan de korte pofbroek hozen of lange kousen vastgenaaid: „Drie
broecken met kousen daeraen" 38 en soms zijn er korte, nauwe, cilindervormige
spanbroekspijpen aan bevestigd. De van purper fluweel gemaakte pofbrock
van Koning Jacobus I van Engeland, behorende bij het hierboven genoemde
wambuis, heeft zulke spanbroekspijpen. 39 Deze pofbroek (afb. 17 en 19) is van
boven aan een band geplooid en van onderen, tot aan de tekens A2 en A3, aan
de nauwe pijpen; de rest van het bovenstuk valt geheel buiten de pijpen. Alle
32
plooien zijn naast elkaar gelegd, dus stolpplooien naar binnen. De binnenband
van het wambuis heeft 52, de band van de broek echter 62 vetergaatjes voor
het vastmaken van de broek aan het wambuis. Misschien een vergissing van de
kleermaker.
b) DE WIJDE, TOT AAN DE KNIE REIKENDE POFBROEK. Terwijl de korte pofbroek
in deze tijd vooral elegante galadracht is, wordt de lange wijde, meestal tot
even over de knie reikende pofbroek 40 meer in het dagelijks leven gedragen.
A
o
34
4z ig C-A3
plooien
igEis de
ueppras
guinze die
buiten de
spanbtoek
achtet
zak-split
D
valt, ro fig
KA-2igCei
A.3 fig E ko
men op el-
P
p
kaaz, zie
~ 61.61
. op ajb van
broek
e
G
1
K
E
25
F
A.bzoekband
vouw
39
6
B-I:pofbroek
J-L:spanbroek
19. Patroon van de pofbroek van Jacobus I van Enge lan
Op verschillende schilderijen in het Rijksmuseum ziet men er zowel Prins
Maurits in krijgstenue (afb. 5) als gewone burgers mee afgebeeld (afb. 7, 10 en
29). Deze broek wordt wijd gesneden en in diepe plooien aan de bovenband en
de kniebanden vastgehecht. Soms, vooral in de eerste jaren van de eeuw,
krijgt de broek ook nog een opvulling, zodat hij wijd uitstaat. Weldra echter
laat men alle opvulling weg, de broek hangt nu in diepe plooien om de benen
en staat even boven de knieën het wijdst uit; onder de knieën worden de
pijpen met kniebanden gesloten. Langs de zijnaden is dikwijls een garnering
met passement of met knopen aangebracht.
Modieus is in deze tijd een nauw wambuis met een wijde broek. Als in Starters
Menniste Vrijagie het preutse Mennistenzusje haar aanbidder tot eenvoudiger
kleding bekeren wil, dan klaagt hij: „Dan was mijn broeck te wijd. Dan 't wam-
bays al te nauw".41 De sobere kledij der Doopsgezinden zal in dit hoofdstuk en
de daarop volgende nog herhaaldelijk ter sprake komen.
33
c) DE BROEK MET CILINDERVORMIGE PIJPEN. Deze is matig wijd en reikt tot onge-
veer aan de knieën, waar de pijpen van onderen open blijven. Gedurende de
eerste jaren der 17de eeuw wordt dit model - dat ook uit de 16de eeuw afkom-
stig is 42 - vooral in de burgerstand veel gedragen (afb. 14).
Omstreeks 1610 gaat het uit de mode. Wij zullen het echter ongeveer 20 jaar
later in enigszins gewijzigde vorm weer terug zien komen. Buiten de mode
om dragen ook de zeelieden broeken met wijde cilindervormige pijpen,
lang of kort.
1605
bzuin
DE KRAAG. De halskraag van wit lin-
nen, kamerdoek of dundoek al of niet
met kant afgezet, is in de 17de eeuw tot
ongeveer 1675 het meest markante on-
derdeel van het kostuum. Als een mantel
over de schouders gedragen wordt,
schuift men die onder de kraag; dit
bleef gedurende de gehele levensduur
geel-bruin
van de kraag in al zijn vormen gebrui-
kelijk.
Aanvankelijk wordt vooral de in de
tweede helft der 16de eeuw uit Spanje
naar hier overgebrachte, kleine ronde,
stijf gesteven plooi- of lubbenkraag
gedragen 43. Deze heeft meestal regel-
matig, in vast aaneengesloten golvingen
20. An. Officier
gepijpte plooien (lubben of lobben) 44,
soms in meer dan één rij boven elkaar. De lubben zijn genaaid aan een reep
linnen van een paar c.M. breedte, waarvan de lengte met de omvang van
de hals overeenkomt. 45 Deze band wordt met een paar smalle bandjes of
koordjes om de hals of om de halsboord van het wambuis gebonden, of
misschien ook wel binnen de halsboord vastgeregen. Van de sluiting komt
gewoonlijk niets te zien, omdat de voorzijden precies aan elkaar sluiten
(afb. 4, 5, 12-14, 20, 21 en 25 B.E.). Bij uitzondering draagt men echter
ook wel kragen die van voren even open staan (afb. 3 en 8).
Naast de kragen met regelmatig gepijpte lubben komen ook plooikragen voor
in lossere golving gepijpt en gesteven (afb. 22) en kragen die onregelmatig zijn
ingerimpeld 46, voorboden van een vrijere dracht (afb. 8 en 11). De plooikra-
gen worden in deze tijd ook groter dan de Spaanse kragen oorspronkelijk ge-
weest waren, maar de mannen gingen zich in dit opzicht minder aan over-
drijving te buiten dan de vrouwen. Ook de dikte van de kragen varieert; in de
34
Zuidelijke Nederlanden draagt men veel dikke kragen. Plooikragen voor luxe-
gebruik worden met kant afgezet (afb. 8 en 12 B).
Omstreeks 1620 vindt in reactie op de Spaanse mode een nieuw model van
plooikraag ingang; het bestaat uit twee of drie op elkaar liggende, onregelma-
tig gefronste repen linnen, die niet of althans weinig gesteven zijn, zodat de
kraag slap over borst, schouders en rug neerhangt (afb. 9 en 25 F). In deze
vorm leeft de plooikraag nog enige tijd voort.
Maar de mode, die steeds verandering zoekt,
brengt nieuwe kraagvormen, en behalve de plooi-
kragen draagt men in het begin der 17de eeuw
ook platte kragen, beffen genaamd. De beffen ko-
men in twee soorten voor:
a) De platte bef, 47 in de vorm van een half ovaal,
waarvan de ronding naar achteren en de rechte
lijn naar voren wordt gelegd (afb. 7, 10 A, 24 A
en B). In het midden is een opening voor de hals
ingesneden en een naar voren lopend split, dat de
sluiting vormt. Deze bef wordt met kant afgezet of
is geheel van kant. Zij is sterk gesteven, staat van
achteren in de nek hoog op en helt naar voren sterk
omlaag. Bij het aandoen buigt men de ene helft
omhoog en de andere omlaag, zodat een opening
ontstaat, waar men de hals kan doorschuiven. 48
b) Een gladde, smalle of brede, gesteven, omge-
Stok van Oldenbaznevela
slagen kraag of bef, die ongeveer half rond van
21. An. Ds. Jacobus Arminius
vorm is en in onderscheid met het eerstgenoemde model van voren helemaal
openstaat en de hals geheel vrij laat (afb. 6, 25 C,D, en 29). Ook deze kraag
staat soms van achteren hoog boven de schouders en loopt dan schuin beneden-
waarts tot onder de kin; maar hij wordt ook vlak op het wambuis liggend ge-
dragen (afb. 15). Deze is het begin van een veel lossere en grotere kraagvorm,
die in het volgende tijdperk verder wordt doorgevoerd.
De platte kragen worden ook met kant afgezet of helemaal van kant gemaakt.
Kant is zeer in de mode; in 1622 schrijft de jonge dichter Constantijn Huy-
gens uit Londen aan zijn ouders:
„Laat Moeder mij enige goede hemden sturen om onder een uitgesneden
wambuis te dragen. Als er een stukje kant aan zit, kan dat geen kwaad. Ook
moet ik nieuwe halskragen hebben - de oude zijn uit de mode - met kant. Alles
draagt hier kant tegenwoordig." En in een andere brief uit hetzelfde jaar:
„Zend mij toe wat Grotius juist heeft uitgegeven en hemden en linnen met
35
kant; gij moest eens zien, hoe kostbaar mijn makkers gekleed zijn." 11
DE PORTEFRAES. De hierboven genoemde kragen, voor zover zij niet vlak op de
schouders liggen, maar van achteren opstaan, moeten in vele gevallen, niet-
tegenstaande zij sterk gesteven zijn, to ch nog extra ondersteund worden om in
de gewenste stand te kunnen blijven staan. Om de smalle stijve plooikraag te
ondersteunen zal het wel voldoende geweest zijn om de halsboord van het wam-
buis van boven wat wijder te snijden en naar buiten om te buigen. Maar voor
een grote plooikraag en voor de
Anno
Atatis fuc 76
platte beffen is dit niet altijd vol-
1622
doende; deze worden in hun fatsoen
3wazł
gehouden door een ondersteuning,
bont
portefraes genaamd, soms in de
vorm van een metalen halsband, die
in de boord van het wambuis ge-
legd wordt, of van een vlak van ge-
vlochten metaaldraad, waaraan de
bef al of niet wordt vastgenaaid
(afb. 24 A en B).
In de Nederlandse inventarissen
wordt de portefraes meermalen ge-
noemd; „Een portefraes" 50. „Een
silvre portefraes" 51. De naam duidt
aan dat de portefraes oorspronkelijk
diende om de lubbenkraag (fraise)
22. Corn. van der Voort. C. P. Hooft, Burgemeester te ondersteunen. 52
van Amsterdam
DE PONJETTEN OF POVERETTEN.
Reeds in het laatst van de 16de eeuw waren de eigenlijk bij de plooikraag be-
horende, breed om de polsen uitstaande lubbenmanchetten uit de mode ge-
gaan. Slechts bij uitzondering komen zij in de 17de eeuw nog voor (afb. 12 A).
Zij worden nu vervangen door in de mouw genaaide en daarover glad terug-
geslagen manchetten of ponjetten 53, eerst klein maar later zo lang, dat zij
haast tot aan het midden van de arm reiken. Hoewel zij eigenlijk bij de platte
beffen behoren, worden zij ook bij de plooikraag gedragen (afb. 4, 6, 8-13 en
23). In het begin toen de ponjetten nog klein waren, maakte men ze dikwijls
helemaal van kant; de grotere worden gewoonlijk gemaakt van met kant afge-
zet linnen of kamerdoek, dat met pinces in de gewenste, naar de pols smaller
wordende vorm wordt gebracht. Van onderen bij de pols worden zij met knoop
en lus gesloten, de zijkanten staan open.
DE STIJFSEL. De kragen en de ponjetten worden meestal met witte stijfsel
36
stevig gesteven. Echter wordt de stijfsel ook wel lichtblauw gekleurd. De hier-
boven bij de beschrijving van de broek reeds geciteerde vrijer van het Mennis-
tenzusje klaagt ook dat zij de stijfsel, waarmede zijn kraag en ponjetten zijn
opgemaakt, als „al te blauw" critiseert. „Dan was mijn hayr te lang, dan al te
wild mijn cragen, Ponjetten al te weyts, het stijfsel al te blauw". 54
In Engeland wordt behalve blauwe ook gele, groene en rode stijfsel gebruikt. 55
Huygens gewaagt er van: „'t zij men 't Engels geel of 't Hollands blaew ver-
koos". 56 Op de Hollandse schilderijen
ziet men nooit heel sterk geblauwde
bont
±1612
stijfsel, waarschijnlijk gebruikte men
hier slechts lichte kleurnuances.
HAAR, KNEVELS EN KINBAARD. Het
haar wordt evenals in de 16de eeuw
kort afgesneden, omdat deze strenge
3wart
haardracht het gezicht ovaal maakt en
het best past bij de stijve Spaanse
plooikraag. Knevel en kinbaard staan
er ook goed bij, de kinbaard verlengt
bovendien het gezicht; men ziet echter
op de portretten ook veel gladgescho-
ren gezichten. Tegen het einde van het
tijdperk, als lossere kraagvormen in de
mode komen, laten jongelieden het
haar in krullende lokken iets langer
groeien (afb. 3-15 en 20-25).
2g. P. P. Rubens. Pierre de Pecquius. Jurist-diplomaat
DE HOED. De sierlijke bonnet uit de 16de eeuw is geen mode meer. Men draagt
nu een hoed van vilt of kastoor, kemelshaar, fluweel of zijde gemaakt. De voor
de eerste 20 jaren der eeuw het meest karakteristieke hoed heeft een cilinder-
vormige heel hoge bol, die waarschijnlijk met karton verstijfd is, en een tamelijk
smalle rand. Hij verlengt de ranke gestalte en wordt vooral door elegante jon-
gelieden bij voorkeur gedragen (afb. 10, 24 en 25 B,C). Maar anderen verko-
zen een hoed van soepel vilt met brede rand, waarvan de eveneens hoge of
matig hoge bol soms naar boven iets smaller toeloopt (afb. 5-7, 11-15 en 25
A,D,E). Omstreeks 1620-1625 zijn ook breedgerande vilten hoeden met lage
bol in de mode (afb. 25 A en F). De hoeden worden opgemaakt met een
„hoedband” of een koord rondom de bol, of voor elegantere dracht met kost-
bare hoedbanden met juwelen, en met struisveren. Deftige heren plaatsen
de soepele vilthoed recht op het hoofd, maar militairen en jonge mannen
zetten hem dikwijls met de nodige zwier schuin op.
37
„Arent Pieter Gijsen, die was zo reyn int bruyn,
sen hoedt met bloemfluweel, die sat hem vrij wat kuyn (scheef)
Soo datse bloot, ter nauwernoot,
Stongt hallif op zen kruijn". 57
Philips Willem van Oranje vermaakte in 1618 aan „onse seer lieve en beminde
Vrouwe ende Compagne Leonora van Bourbon" o.a. „mijn Hoetsband" en
„de knoopen die ick op mijn kleederen draghe met de diamanten“. 58 Hoeden
worden in de
A
1618
B
klederinventa-
rissen ook tel-
kens opgege-
ven: „Een flu-
wele swarte
hoedt met een
swart getten
geborduyrden
bandt"; „Een
swarte philten
hoedt met een
gefrompelde
bandt ende
plumagie aen
de voorsegden
bagge is ge-
24. A. An. Heer met portefracs
B. Kraag en portefraes
hecht". 59 De
voering van een hoed noemde men „beurs". Nicolaas van Reigersberch schrijft
5 Juli 1625 aan zijn zuster Maria: „Seer lieve suster, met mijn lesten daer ick
den castor mede ontboot, vergat ick de mate te senden; die gaet hier benevens.
De recommandatie te vooren gedaen van de stoffe, forme en de rechte groote
wel te sorgen houde ick nu van nieuws wederom hier gerepeteert. Deze mate is
van buten om den hout in de kepe genomen; de mijne is redelijck dick van
stoffe ende is daerenboven gevoert met een gesticte beurse, die dicker vallen als
de satijne, ende daerop dient oock gelet int formeren van de wijte. Laat de
hoemaecker daer wel op letten, want als sij te wijt off te nauwe sijn, soo ver-
liesen sij haer stant ende men heeft er geen eere van . .. Datse toch wel met een
sweetrant werde versien, want ick al mijn hoen met sweeten bederve ... Doch
het is genoegh van een hoet; vint het niet vreemt, het is het cieraet van eens
mans hooft, dat de eere is van een vrouwe".
In December van hetzelfde jaar schrijft Maria van Reigersberch dan uit Parijs
38
aan Nicolaes: „Die hoeien zijn al wat dier. Ick hebbe twee doen maecken voor
ons broeders, (zij) zullen voor het minste 25 gulden moeten kosten, zonder
band". 60
HOZEN EN KOUSEN. Bij de korte pofbroek hoorden lange hozen, zwarte, gekleur-
de of witte. 61 Vroeger moesten deze met de hand gebreid worden, maar sedert
1583 de theologische student William Lee te Cambridge de eerste breimachine
had uitgevonden, konden zij ook machinaal worden gebreid. 62 Bij de bespre-
king van de broek
(p. 32) is reeds me-
A
1599
c
1616
degedeeld, dat lan-
ge hozen soms aan
de broek zijn vast-
genaaid zodat zij
daarmede één ge-
heel
uitmaken.
Maar soms zijn de
Aezt Retezz-Staalmeester
PPRubens. Heet
Fans Hals- Vaandtig
lange hozen afzon-
D
161
1618
F
1620
derlijke kleding-
stukken die aan de
broek worden vast-
gestrikt. Zij gaan
nu weldra met de
korte pofbroek uit
de mode. Bij de
LvdMaes.Vaandrig C.v.d.Voozt.Regent
sack Elyas . Heez
kniebroek worden
25. Hoeden en Kragen
kortere hozen of kousen 63 gedragen, ook in allerlei kleuren. In de inventarissen
worden telkens lakense, zeemleren, gebreide, sajetten, wollen, linnen, katoenen
en zijden hozen en kousen genoemd; ook onderkousen, halve kousen en sokken,
want men droeg soms meer dan een paar over elkaar. Lakense en zeemleren
kousen moeten nog evenals in de 16de eeuw naar het model van het been uit
de schuin gelegde stof geknipt en van achteren met een naad worden gesloten.
Deze vervangt men nu echter hoe langer hoe meer door met de hand of machi-
naal gebreide kousen. Goede kousen waren duur; 28 Maart 1624 schreef Maria
van Reigersberch uit Parijs aan haar broeder Nicolaas: ,, ... kousen en hebbe
ick niet gesonden, alsoo se Ued. voor 14 gulden weet te koepen en ick moetter
wel 16 voor mijn man voor geven". Een dure dracht voor een banneling, want
de toelage die Hugo de Groot van Lodewijk XIII kreeg, bedroeg slechts 3600
gulden en in 1631 schrijft Maria v. Reigersberch: „Wij en connen jegenswoor-
dyc met geen vierdusent gulden tsjaers toe." 64
39
In de kaplaarzen draagt men lange overkousen, waarvan, als de kap naar be-
neden wordt omgeslagen, soms een gedeelte te zien komt. Hieronder bij de be-
schrijving der kaplaarzen zal dit nader worden vermeld.
KOUSE- OF HOZENBANDEN. De kousen worden van boven dikwijls om de knie-
banden van de broek gerold en bovendien met kousebanden 65 strak opgetrok-
ken. Prins Philips Willem van Oranje (afb. 6) draagt om zijn lange hozen
brede zijden kousebanden, die hij, nog in 16de-eeuwse trant, horizontaal on-
৳ 1623
C 1623
a-1623
f-1617
26. Laarzen en Schoenen
der de knie heeft omgeslagen en dan, na ze achter de knieholten kruiselings
omhoog te hebben gebracht, boven de knie weer horizontaal omgelegd en op
zij met een grote strik heeft vastgelegd. Modern is nu echter een brede, zij-
den band, soms aan de uiteinden met kant afgezet, die horizontaal - soms
boven, maar meestal onder de knie - om het been gewonden en aan de buiten-
zijde met een grote strik wordt vastgemaakt. Deze luxueuze kousebanden vor-
men een elegant overgangsmotief tussen de aan de knieën wijd uitstaande knie-
broek en de met strakke kousen beklede onderbenen en worden nu een zeer in 't
oog vallend onderdeel van het kostuum (afb. 7, 9, 10, 12, 13 en 29).
Bij de broek met cilindervormige pijpen wordt de kouseband met grote strikken
niet gedragen.
DE SCHOENEN. In het dagelijks leven dragen de mannen doorgaans lage leren
schoenen. De schoenen hadden in de 16de eeuw en soms nog in het begin der
17de eeuw een platte zool zonder hak gehad (afb. 4 en 14). In het einde der
40
16de eeuw begon men eerst het zoolleer onder de hiel wat dikker te maken en
omstreeks 1600 krijgen de schoenen als een zeer opmerkelijke vernieuwing lage
hakken. De vroeg 17de-eeuwse schoen (afb. 26 b, c, d) is kort en heeft een
ronde neus. Het voorblad 66 loopt in het midden uit in een tong, die tegen de
wreef op staat; dit is een karakteristiek kenmerk voor 17de-ceuwse schoenen.
Het hielstuk 67 eindigt van boven in twee smalle, naar voren lopende riemen.68
In die riemen zijn gaatjes geboord, waardoor men veters of linten steekt, die
over de tong van het voorstuk worden vastgebonden,
zodat de tong tegen de wreef gaat opstaan. Omdat op-
zij tussen het voorblad, de tong en het hielstuk een ge-
deelte van het leer wordt weggesneden, komt daar een
stuk van de kous te zien. Elegante schoenen, bij feeste-
lijke gelegenheden gedragen, hebben grote zijopenin-
gen of spiegaten. 69 De zool is heel dik; hij wordt voor
de rechter en de linker voet eender gesneden. De nog
tamelijk lage hak is aanvankelijk nog niet veel meer
dan een geleidelijke verdikking van de zool, waarmede
zij één geheel uitmaakt. Zij staat niet vlak onder de
hiel, maar wordt een eindje naar voren geplaatst; aan
haar voor- en achterzijde wordt zij, om de vorm ele-
ganter te maken, sterk uitgehold. Het bovenleer is
zwart, bruin, geel of wit; de zool en de hak maakt men
meestal van roodbruin of van geel okerkleurig leer.
zood
Sedert 1615 wordt soms een rozet op de schoen beves-
tcod en
ty
tigd, aanvankelijk heeft deze nog een bescheiden om- 27. P. C. van Rijck. Keuken-
vang. Op afb. 26 zijn b) en c) schoenen van schutters;
meisje
d) is een herenschoen, f) zijn de schoenen van een vaandrig en e) is een jongens-
schoen uit de interessante schoenenverzameling, die in het depôt van het Rijks-
museum wordt bewaard.
DE KAPLAARZEN. Ruiters dragen kaplaarzen. Deze worden gemaakt van soe-
pel leer, opdat de schachten nauw om de benen kunnen sluiten, zoals de mode
dat voorschrijft. De schachten reiken soms tot even boven de kuit, soms tot over
de knie. Op de wreef van de voet ligt een wreefstuk 70 van leer, waaraan met
metalen haken of knopen de sporen zijn bevestigd; riempjes die onder de voet
doorlopen, dienen voorts om wreefstuk en spoor op hun plaats te houden. De
wreefstukken zijn in deze tijd nog matig van afmetingen. De schacht 71 van de
hoge laars heeft van achteren een naad. Aan de bovenrand van de schacht
wordt het kniestuk vastgehecht, dat uit twee stukken bestaat, die van voren en
van achteren met een naad aan elkaar verbonden worden. Te paard trekt men
41
de schachten en de kniestukken hoog op; soms wordt het kniestuk aan de broek
vastgestrikt (Afb. 5). Een schutterskapitein te voet (afb. 26a) heeft de ene
schacht hoog opgetrokken, de andere is neergeslagen, zodat het gele voering-
leer van de zwarte laars te zien komt; daarboven ziet men een gestreepte over-
kous, die aan de broek is vastgestrikt Die opzettelijke ongelijkheid en afwijking
van de symmetrie is een modeverschijnsel dat ook in de i6de eeuw voorkwam.72
De schutters dragen meestal lage schoenen, evenals de burgers. Eerst in de vol-
gende periode worden kaplaarzen meer alge-
1611-16.
meen gedragen.
DE MANTEL. De naam mantel had in de 17de
eeuw een beperkter betekenis dan nu. Men
Donket-
bedoelde daarmee een kledingstuk bestaande
gtys
uit een cirkel- of een į-cirkelvormig stuk stof,
tood
dat in het midden een ronde halsopening
goud
had en van voren van de halsopening tot aan
de onderrand gespleten was. In het eind van
de 16de eeuw was de Spaanse mantel, stijf
gevoerd, met een opstaande kraag of met een
kap en met „bijhangende" mouwen in de
mode geweest. 73 De 17de-eeuwse mantel is
veel soepeler, hij heeft geen stijve voering,
geen staande kraag, geen kap en geen mou-
wen meer. Voortaan wordt een langwerpig
vierkant omgeslagen en plat liggende kraag
28. Fr. Pourbus. Eleonora van Bourbon, van dezelfde stof als de mantel - óók bef ge-
vrouw van Philips Willem van Oranje
noemd - in de halsuitsnijding genaaid. De
mantels zijn al naar gelang van stand en leeftijd van de drager elegant kort,
d.i. tot halverwege de dij, of practisch lang tot ongeveer de kuiten of zelfs tot
aan de enkels reikend. Luxe-mantels worden langs de kraag en de buitenrand
met passement gegarneerd. Zijde, satijn of fluweel dienen als voering, in de
winter neemt men bont. Zij wier middelen daartoe niet reiken, stellen zich met
een baaien voering tevreden.
De mantel wordt in de 17de eeuw niet zoals nu enkel op straat gedragen, maar
uit de picturale voorstellingen blijkt dat de heren hun mantels ook op vergade-
ringen aanhouden; men ziet hen, in hun mantels gedrapeerd, ook binnens-
huis eten of dansen. Terwijl de mantel, als hij de bestemming heeft om de
drager op straat tegen koude of regen te beschutten, meestal eenvoudig over
beide schouders hangend gedragen wordt, hangt men hem 's zomers bij voor-
keur over de linkerschouder of men slaat hem om het middel. Een man van
42
distinctie moest de kunst verstaan zich elegant in zijn mantel te draperen.
Waarschijnlijk wordt de mantel, als hij los over één schouder gehangen wordt,
op zijn plaats gehouden door aan de binnenzijde van de mantelkraag bevestig-
de koordjes, die onder de arm doorgevoerd en onder de mantel op de schouder
vastgestrikt worden 74 (afb. 5, 6, 10, 12, 14, 15 en 24).
De klederinventarissen geven ons een denkbeeld van de verscheidenheid der
mantels: „Een nyeuwen swartlakens mantel met een fluwelen beff“ en „een
lange swart lakens mantel met een
fluwelen opslach off beff en rontom
1620
beboerdet" 75, beide zeker deftige
mantels; „Een grouwe reismantel F.
12-0-0."76 Een luxemantel de over-
ste van Take van Hettinga toebe-
horend: „Een blaupaersse lakens
mantel met twye silveren passamen-
ten beboerdet".77 „Een carmosijn (d.
i. met cochenille-rood geverfde) la-
ken mantel met bay gevoert F. 32".78
Ook rouwmantels worden genoemd.
Mantels, ook over wambuis en roxken
gedragen, die anders van vorm en
snit zijn en mouwen hebben, worden
met bizondere namen genoemd:
mandylke, kasack, cappoet en in
Friesland juppe; „Een duyster groe-
29. Chr. van de Passe. Danspartij
ne juppe of casjack", „een swart lakens juppe of mandylke". 79 Wij weten nog
niet zeker, wat precies met sommige van deze namen wordt bedoeld. De tel-
kens genoemde kasack en het mandylke zullen in hoofdstuk V worden be-
DE TABBAARD. De lange tabbaard, in de 16de eeuw het deftige kledingstuk bij
sproken.
uitnemendheid, wordt ook in deze tijd nog over het wambuis gedragen door
magistraten, rechters, advocaten, geestelijken en geleerden, en in het algemeen
vooral door oudere heren.
In zyn Kostelick Mal zegt Huygens:
„Wie sal een rechterheer sijn Tabbaards eer onthouwen?"
Naar 16de-eeuws model ruim gesneden uit een ongeveer į-cirkelvormig stuk
stof - of om zuiniger te kunnen knippen uit twee voorpanden en een rugpand,
die echter samen toch een { cirkel vormen - is de tabbaard een lang en wijd
van voren openhangend gewaad, dat tot op de enkels neerhangt. Veelal krijgt
43
de tabbaard een bontvoering, die van voren naar buiten omgeslagen, revers en
op de rug een kraag vormt; maar ook wordt wel zijde of wol als voering ge-
bruikt. De tabbaard heeft nog steeds de traditionele lange bijhangende mou-
wen, soms met één, maar ook wel met twee of drie dwarse splitten, waar men de
armen door kan steken. Gewoonlijk steekt men de armen door het bovenste
split en laat het onderste gedeelte los neerhangen. Naar de snit heeft de tab-
baard veel overeenkomst met de eveneens uit een į-cirkelvormig stuk stof ge-
Cest paz là qu'elle pazle Fzançois
sneden mantel, maar terwijl de mouw-
loze mantel wordt omgeslagen, moet de
met mouwen voorziene tabbaard wor-
den aangetrokken. De Zuid-Nederlandse
diplomaat-jurist Pierre de Pecquius, de
bekende Hollandse predikant Arminius
en de burgemeester van Amsterdam,
Cornelis Pietersz. Hooft, de vader van
de dichter, zien wij in statige zwarte met
bont gevoerde tabbaards afgebeeld (afb.
21-23).
In de klederinventarissen komt de tab-
baard ook herhaaldelijk voor: „Een
1614
swart versetten tabbaard met versetten
bef en opslagen". 80 - 1 graeulaken tab-
bert F. 25-0-0" en „Noch een rysselse
weerschijnen tabbaert F. 30-0-0".81
30. An. Dame voor de spiegel
Men leest ook echter herhaaldelijk de
naam nachttabbaard of nachtrock: „Een purpuren lakens nachtrock met bont
gevoedert daer en daer met twye golden passamenten beboerdet". Deze was
het kostelijk bezit van de reeds hierboven genoemde Overste van Take van
Hettinga. 82 „Voorts een grau lakens pije of nachtrock"83 en „Een Nachttab-
bert". 84 Met nachttabbaard bedoelde men het luxueuze of eenvoudige, be-
haaglijke huiskleed, dat vooral 's avonds na beëindigde arbeid over wambuis
en broek werd aangetrokken. In welk opzicht de nachttabbaard van de alleen
als tabbaard aangeduide kledingstukken verschilt, heb ik niet kunnen uit-
maken.
DE GORDEL. Soms, maar lang niet altijd, draagt men over het wambuis of het
roxken om het middel een gordel of riem van al of niet versierd leer, van ge-
borduurde stof of ook wel van lint. Meestal ligt de gordel horizontaal, maar
over het van onderen in een punt toelopende wambuis volgt hij ook wel de
naar voren benedenwaarts lopende lijn van de verbindingsnaad van wambuis
44
en schootpanden. Als een degen wordt gedragen, hangt men deze aan draag-
riemen die met haken aan de gordel bevestigd worden (afb. 4-8, 11, 13, 14 en
20). In de klederinventaris van van Take van Hettinga wordt genoemd: „een
gele zemen geborduyrden ryem met verguld beslach, daerbij sulcken draegh-
bant". 85
HANDSCHOENEN. Op de schilderijen houden de mannen hun handschoenen
meestal in de hand. Men maakt ze van soepele meestal sterk geparfumeerde
leersoorten. Zij hebben brede kappen 86; deze en soms ook de rug en de vingers
worden met borduursel versierd. „Een paer bockeleren hantschoenen." 87
NEUSDOECKEN. Terwijl de vrouwen dikwijls afgebeeld worden met de neusdoek
in de hand, vertonen de mannen hun zakdoeken niet. Zij worden echter wel in
de inventarissen genoemd.
WANDELSTOKKEN. De wandelstok diende vooral de ouderdom tot steun. Op
afb. 21 is het vermaarde „Stokske" van Oldenbarnevelt afgebeeld.
45
III. DE KLEDIJ DER VROUWEN
1600-1625
DE ONDERKLEDING. Omdat de vrouwen maar zelden in haar onderkleding af-
gebeeld worden, zijn daarover maar weinig gegevens voorhanden. In de kle-
derinventarissen worden als onderkleding wel hemden, broeken, lijfjes of
1622
zieltjes en onderzieltjes genoemd, maar zonder
nadere omschrijving. Op een aan Corn. de
Rijck toegeschreven schilderij (afb. 27) is echter
een keukenmeisje voorgesteld, dat haar boven-
kleding heeft afgelegd. Zij vertoont zich in een
fzuin
van voren dichtgeregen, met metaal, hout of
balein verstijfd corset, 1 dat zij draagt over een
laag uitgesneden grijs lijfje of zieltje, waaronder
een wit hemd met lange opgestroopte mouwen
te voorschijn komt. Verder heeft het meisje een
met passement gegarneerde onderrok aan en een
boezelaar; onder de rok draagt zij waarschijnlijk
een fardegalijn of een heupwrong.
gzys blauw
DE FARDEGALIJN. De hoepelrok 2 is een erfstuk
van de 16de eeuw. De kegelvormige hoepelrok is
afkomstig uit Spanje en heet daar vertugado, een
benaming die is afgeleid van verdugo of wilgen-
Szose
31. Seb. Vrancx Heer en dame, toe- roede, waarvan de vertugado oorspronkelijk ge-
schouwers bij het ijsvermaak
maakt werd. In Frankrijk droeg men in het laat-
ste kwart van de 16de eeuw een cilindervormige hoepelrok, die men overeen-
komstig het Spaanse woord vertugadin noemde; grappenmakers maakten er
vertugardien van en in Italië was de spotnaam guardia infante. In de Neder-
landse inventarissen wordt de hoepelrok meestal fardegalijn genoemd, in over-
eenstemming met de Engelse benaming farthingale.
Waarschijnlijk bestond de fardegalijn uit aan een tailleband vastgenaaide, ver-
ticaal neerhangende banden, die met aan die banden bevestigde, horizontaal
gestelde hoepels in de gewenste vorm werden uitgezet. Dit geraamte werd mis-
schien met stof overtrokken. De fardegalijn omgaf de benen en heupen als met
een kooi en deed de daarover gehangen rok wijd uitstaan.
In de 17de eeuw komt de kegelvormige fardegalijn in de Noordelijke Neder-
landen zelden meer voor. De vrouwen dragen hier meestal de cilinder- en de
koepelvormige hoepelrok. De eerstgenoemde vormt om de heupen een bijna
46
horizontaal bovenvlak, waarmede het verticaal hangende gedeelte een rechte
hoek maakt. Daar alle hoepels even groot zijn, is de fardegalijn van boven
even wijd als van onderen (afb. 10A, 29, 30, 34 en 42). De koepelvormige
fardegalijn heeft ongelijke hoepels, die zich om de heupen met een ronding
verbreden (afb. 31 en 41).
DE WRONG. In plaats van de koepelvormige fardegalijn wordt ook wel een
heupwrong of beuling onder de rok gedragen. In de inventarissen wordt de
wrong telkens vermeld: „,Een sticklijff met een
wrongh"3 en „,Noch betaelt voor een stict lijf ende een
wrongh te samen F. 5-0-0." 4
Wij komen nu tot de meer gedétailleerde beschrijving
van de op p. 14 in korte definitie vastgestelde voor-
naamste typen van vrouwenkleding.
a) DE COMBINATIE LIJFJE EN ROK. Het lijfje wordt in de
inventarissen ook aangeduid als bouwlijf, overlijf, borst,
borstlijf en in de tweede helft der 17de eeuw ook wel
als keurslijf: „Een geel sijd en sweets vrouwenlijffie";
„een swart satinen borstlijff met mouwen“. 6 ,1 Sa-
tijnen borst met twee lakens borsten alle sonder mou-
en" en „,7 caffa borsten met mouen". 7 Dus borsten
met en zonder mouwen; hierover aanstonds meer.
Het lijfje sluit nauw over het daaronder gedragen cor-
set en wordt van voren met een reeks bolle, dicht onder
elkaar geplaatste knoopjes en knoopsgaten gesloten.
De knopen zijn aan de linkerzijde van de borst, de 32. A. van de Venne. Huis-
knoopsgaten aan de rechterzijde geplaatst, juist an-
houdster
dersom als bij de mannenkleding het geval is. Soms sluit het lijfje van achteren
of opzij. Om het dunne middel langer te doen schijnen, eindigt het van
voren met een punt, opzij en van achteren is het kort. De hals is van achteren
hoog en wordt van voren al of niet uitgesneden. Bij een van voren hooggesloten
lijfje draagt men een ronde lubbenkraag (afb. 30, 33-40 en 48A-F), terwijl bij
een op de borst puntig of vierkant uitgesneden lijfje meestal een opstaande,
van voren open kraag de hals en de borst gedeeltelijk zichtbaar laat (afb. 28,
29, 42, 49D, E en 50 B,F).
De armsgaten zijn soms in 16de eeuwse trant nog omgeven door een dubbele
reeks lussen (pickedillekens) of door opstaande wrongen of schouderwielen
(bragoenen), afb. 30-36. In de inventarissen uit het begin der 17de eeuw komt
de benaming bragoen ook nog herhaaldelijk voor: „Twije bragoenen met
fluwe beboerdet" en „een gekepert borath jack met bragoenen". 8 Maar de
47
bragoenen worden nu hoe langer hoe meer vervangen door platte schouder-
kleppen, die in opzettelijke tegenstelling met het dunne middel, de schouders
verbreden (afb. 28, 38, 41 en 43).
Bij de drie hierboven genoemde typen van vrouwenkleding hebben de lijfjes
dezelfde modellen van mouwen, die hier dus gezamenlijk besproken kunnen
worden. De mouwen zijn heel verschillend van model. De laat 16de-eeuwse
lange wijde, min of meer opgevulde mouwen, die tot aan de pols reiken, komen
in het begin der 17de eeuw ook nog
zwazt
1596
voor, maar gaan toch uit de mode (afb.
30, 33 en 3A). Langer blijven de vrou-
wen wijde mouwen dragen, die in de
lengte gespleten en dwars over de armen
een paar maal - of ook wel vele malen -
ombonden zijn, zodat zij tussen de bin-
=qeef.
dingen - misschien over opvullingen -
wijd uitstaan (afb. 31 en 50F). Veel wor-
den mouwen gedragen, die over de ge-
hele lengte nauw om de arm sluiten (afb.
28, 35-37 en 41) en nauwe mouwen, die
van boven een hoge kop hebben; bij
deze laatste moeten de bragoenen en de
platte schouderstukken natuurlijk ver-
vallen (afb. 10A en B, 15, 28 en 29). Ook
ziet men tamelijk nauwe mouwen, die
33. Geldorp Gortzius. Hortensia del Prado vrouw veel langer zijn gesneden dan de lengte
van Pieter Courten
van de arm, zodat veel dwarse plooien
gevormd worden (afb. 42). Zoals blijkt uit de hiervoor overgenomen omschrij-
ving van lijfjes en borsten, in de inventarissen van het eerste kwart der 17de
eeuw, heeft men - evenals in de 16de eeuw het geval was - lijfjes met, en lijfjes
zonder mouwen. In de armsgaten der lijfjes zonder mouwen worden onder
de schouderkleppen losse mouwen vastgehaakt, gestrikt of gespeld. Afzonder-
lijke mouwen, waarmede men aan het lijfje telkens een ander aspect kan
geven, komen in de inventarissen ook telkens voor: „een paer fluwelen mouwen
met zatijnen strepen daerin gewerckt" en „een paer zijden zatijnen mouwen,
doorsneden ende gecratst".9
Als eenvoudige huisdracht worden op de rok ook wel wijde jakjes ge-
dragen, waarvan men de schootpanden soms op de rug vastknoopte (afb. 32).
Op de schilderijen kan men niet altijd zien of het lijfje aan de rok ver-
bonden is. Om dit vast te stellen moet men er zich altijd rekenschap van
48
geven, hoe de draagster haar kleren kan aantrekken. Als lijfje en rok ver-
bonden zijn, sluit het lijfje meestal van achteren, waar dan ook het split van
de rok is, zodat er genoeg ruimte ontstaat om het kledingstuk over het hoofd
aan te trekken.
DE RoK. De rok wordt over de fardegalijn of over de wrong wijd uitgezet. De
over de cilindervormige fardegalijn gedragen rok krijgt boven op het ongeveer
horizontaal liggende bovenvlak soms een eigenaardige afdekking, gevormd
door een plat, als een lubbenkraag in-
geplooid bovenstuk van dezelfde stof
1608
als de rok; de punt van het lijfje schuift
er van voren even over heen. De plooien
aan het middel mogen niet te dik
zijn, daarom wordt dit bovenstuk in
onderscheid met de kraag niet ge-
maakt van een lange rechthoekige stof-
reep, maar van een min of meer rond
gesneden lap, zodat de naar buiten
gegolfd opstaande plooien naar het
midden vlakker uitlopen. Om dé ab-
rupte overgang tussen het horizon-
tale bovenvlak en het bijna verticaal
omhooggaande lijfje wat te verzach-
ten, wordt dikwijls een soepele zijden
sjerp om het middel gebonden. On-
der het kraagvormig bovenstuk hangt
34. An. Frouck Juckema
de rok òf in plooien òf bijna glad verticaal neer (afb. 10A, 29 en 30). Afb. 34
vertoont een over een cilindervormige fardegalijn gedragen rok zonder kraag-
vormig bovenstuk.
De over een klokvormige fardegalijn of over een wrong of beuling gedragen rok
wordt in diepe, rondom de taille opstaande plooien aan de tailleband genaaid
(afb. 9 en 31). Op afb. 28 vormt de rok een rond geplooid bovenvlak, de schil-
der geeft dit echter maar heel onduidelijk aan. De rokken worden langs de
onderrand en verticaal over de voorbaan gegarneerd met passementen of ga-
lons, met boorden of lijsten, met koorden of met spigiliën. Bredero heeft her-
haaldelijk de spot gedreven met de over fardegalijn of wrong wijd uitgehangen
rokken:
.. de meisjes
Die als Gecken gaen gekleedt in lange rocken,
Die anders niet en lijcken als omghekierde klocken", 10
49
De rok wordt op verschillende manieren gedragen. Wie eenvoudig en deftig
gekleed gaat, laat de rok gewoon over de fardegalijn neerhangen. Maar zoals
de jonge man zich pittoresk in zijn mantel drapeert om zich een zwieriger aan-
zien te geven, zo tracht ook de jonge vrouw de gratie van haar toilet te ver-
hogen door de rok, hetzij met de hand aan één kant, hetzij rondom op te ne-
men, zodat hij om de heupen in luchtige plooien opgedoft, de mooie onderrok
zichtbaar laat, waarmede nu ook gepronkt kan worden. Soms slaat zij de rok
om en steekt de onderrand hier en daar in
Aet-22
1614
de rokband die het middel omsluit, maar
zij haalt hem ook wel omhoog met haken,
die in aan de rokband genaaide ringen
worden gestoken. Ook worden soms aan de
binnenzijde van de rok ringen genaaid,
waar men banden kan doorsteken om de
rok op te trekken (afb. 9, 10, 28, 31 en 43).
wynzood
Het opnemen van de rok wordt door de
Delftse pastoor Stalpert van der Wiele
beschreven:
„Den bouwen die om 't lijf haer had ge-
paazsrood met qoudkzalen 3
(hangen sluyck
Verheft ze op de heup met opgefronste
(wrongen;
En daer te voren was een ongeployde schoot
Van swart en donkergrauw, daer gloeit nu
35. C. van der Voort, Brechtje van Schoter-
(niet dan root,
bosch, vrouw van Dirck Hasselaer
Daer blinckt nu niet dan gout". 11
b) HET VLIEGERKOSTUUM. De vlieger 12 is een ruim, van de schouders tot aan
de onderrand van de rok neerhangend, van voren geheel of gedeeltelijk open-
staand, mantelvormig overkleed, dat over een lijfje en een rok gedragen wordt.
Het vliegerkostuum bestaat dus uit drie delen. Reeds in het derde kwart van
de 16de eeuw is de vlieger in de mode gekomen, als daagse dracht in eenvoudige
makelij, als galakleding in luxueuzer vorm. 13 Gedurende het eerste kwart der
17de eeuw wordt hij nog veel gedragen.
In de overgangsjaren van de 16de tot de 17de eeuw behoudt de vlieger als con-
servatieve galadracht nog enige jaren zijn laat 16de-eeuwse vorm. Hij is ge-
woonlijk gemaakt van effen zwarte, of zwart op zwart geornamenteerde stof.
Boven aan de hals wordt hij met een enkele knoop gesloten; deze sluiting is ver-
borgen onder de grote ronde lubbenkraag, die onafscheidelijk is van het vlie-
gerkostuum. Verder hangt hij van voren open. Om de armsgaten staan grote
50
schouderwielen hoog op; daaruit komen de mouwen van de vlieger te voor-
schijn die van voren open zijn, zodat ook de mouwen van het lijfje te zien
komen (afb. 34) of zogenaamde „bijhangende mouwen“ die ongebruikt neer-
hangen (afb. 38). Maar er zijn ook vliegers die geen mouwen hebben (afb. 33,
35 en 36). De schouderwielen van de vlieger en de voorpanden worden dikwijls
met glanzende gouden knoppen versierd. Van achteren hangt het boven in de
nek in diepe plooien gelegde achterpand wijd neer; dit blijkt, als de op haar
portret voorgestelde vrouw half naar
opzijde gekeerd is, uit de schuin ach-
zworte cheniffe
±1620
terwaarts lopende ruglijn van de vlie-
zwozt
ger (afb. 33, 35 en 36). De rugzijde
van de vlieger zien wij slechts zelden
wynzood
w licht zood
afgebeeld; een der vrouwenfiguren op
grys.gzoen.
een prent van de Passe geeft ons echter
paczs.changeant
een tamelijk duidelijke voorstelling
daarvan en wij zien de platgelegde
rugplooien onder een platte recht-
hoekige rugkraag beginnen (afb. 38).
In de 16de en het begin der 17de eeuw
werd de vlieger, overeenkomstig zijn
aard, ongegord gedragen. De vrouwen
plachten toen over het lijfje een zware
gouden gordelketen om het middel te
leggen. Deze liep opzij en van achte-
ren onder de vlieger door en kwam er
36. Frans Hals. Patricische dame
alleen van voren uit te voorschijn, waar zij laag over de buik lag en beneden-
waarts verticaal neerhing (afb. 33 en 35). Weldra begint men echter hiervan af
te wijken en wordt een heupketting soms over de voorpanden van de vlieger ge-
legd, maar op de heupen door splitten gestoken en van achteren onder de rug-
plooien doorgevoerd zodat deze wijd blijven uithangen (afb. 36). Op afb. 34
zien wij dat een benedenwaarts in een spitse punt uitlopende gouden ceintuur
de wijde vlieger, ook de rugplooien, om het middel samenbindt. Maar dit blijft
nog uitzondering, de samenbinding wordt eerst in het volgende tijdperk con-
sequent doorgevoerd.
Onder de zwarte vlieger draagt men in de overgangsjaren van de 16de tot de
1 7de eeuw veelal een kleurig lijfje en een weer anders gekleurde rok. Het lijfje
eindigt van onderen in een lange door holle lijnen begrensde punt; de mouwen
zijn wijd en reiken tot aan de pols. De rok wordt van voren en langs de onder-
rand met passement opgemaakt en hangt tot op de grond neer. In de Noorde-
51
lijke Nederlanden dragen de tot de hogere standen behorende vrouwen onder
de rok meestal de koepelvormige of de cilindervormige fardegalijn, Aan het hof
der Aartshertogen te Brussel, waar men Spaanse tradities volgde, wordt echter
aan de kegelvormige fardegalijn de voorkeur gegeven.
Helemaal Spaans van vorm en snit is het prachtige, met parel-passement opge-
maakte en strak over een kegelvormige hoepelrok uitgespannen vliegerkostuum
van de Infante Isabella Clara Eugenia van Oostenrijk 14 (afb. 39), die aan haar
hof de in die tijd in Spanje stabiel geworden
1625
Spaanse mode nog in stand houdt. De Spaan-
se hofvlieger is niet zwart, maar wordt ge-
maakt van zware, rijke, gefigureerde en ge-
kleurde zijden stoffen, of van goud- en zilver-
brocaten. Rechtlijnig zijn de contouren van
het rokgedeelte, rechtlijnig lopen de passemen-
ten omlaag, rechtlijnig zijn ook de korte, wijde
bovenstukken der mouwen van de vlieger,
waar de armen worden doorgestoken, terwijl
de onderste stukken ongebruikt neerhangen.
Veel overeenkomst met dit kostbare galakleed
heeft het andere prachtige dwarsgestreepte
kostuum der Infante op afb. 40. Maar terwijl
hier de verticale passementen nog wel de voor-
kanten van de vlieger aangeven, schijnen deze
toch op de rok vastgenaaid te zijn; bovendien
37. S. Mesdach. Margaretha Courten
is langs de onderrand van de vlieger horizon-
taal een passement gelegd, dat tevens langs de onderrand van de rok (of de
schoot) doorloopt, en vlieger en rok tot een geheel verbindt. Hier is dus een
gewaad afgebeeld, dat tot een aan elkaar genaaide en geheel verstarde ver-
groeiing van vlieger, rok en lijfje is geworden. Het lange lijfje gaat van voren
geheel open, zodat het aantrekken van het nu uit één stuk bestaande kostuum
mogelijk is, hoewel de met metaaldraad doorweven en met zoveel passement
opgemaakte stof wel heel stug en zwaar geweest zal zijn en weinig zal hebben
meegegeven. Traditioneel 16de-eeuws is de passementversiering op het borst-
gedeelte van de vlieger. De enorme, bijna verticaal geplaatste fijne kanten lub-
benkragen verhogen nog de haast immobiele starheid van deze overrijke
kostuums.
De klederinventaris van Anna (f1588), de gemalin van Willem Lodewijk van
Nassau, vermeldt acht prachtige gala-vliegers o.a. „Een roden golden laken
vlieger gebloomt met een boort van silver ende gouden cametillen sonder
52
mouwen" en daarbij „een schoot van incarnaet satijn, vol bordeert met sil-
veren ende gouden blomen" en „een lijff ende mouwen van 't selve stoff ende
borduerwerck". Voorts worden genoemd een vlieger met „lange bijhangende
mouwen", en een andere met „corte mouwen". 15. Uit de beschrijving van
deze vliegers die aan de bovengenoemde Spaanse vliegers doet denken, blijkt
niet of zij ook over de kegelvormige fardegalijn zijn gedragen.
Ook in de inventarissen van aanzienlijke burgeressen worden telkens vliegers
genoemd: „Een turx groffgreynen vlyeger met twye lijs-
ten". 16 In de winter draagt men met bont gevoerde vlie-
gers: „1 bonte groffgreyne vlieger F. 90-0-o" en „een
groffgre. bonten vlieger met silvere conijnen F. 21-0-0." 17
In de inventarissen van vrouwen uit de kleine burgerstand
komen ook vliegers voor, echter van eenvoudiger stoffage en
met minder dure voering: „Een swart lakens samaer oft
vlyeger met bay gevoert". 18 Uit deze laatste opgave blijkt
dat de vlieger ook wel samaer werd genoemd.
Omstreeks 1615 - misschien al eerder, maar hiervoor ont-
breken de bewijzen - krijgt het vliegerkostuum een nieuw en
heel eigenaardig profiel door het overmatig naar voren
brengen van de buik (afb. 35 en 36). Misschien worden de
hoepels van de koepelvormige fardegalijn - de kegel- en cilin-
dervormige kwamen hiervoor niet in aanmerking - nu zo
gevormd, dat zij naar voren uitsteken. Waarschijnlijker
echter is, dat er van voren een kussentje op wordt gelegd. 19
Wij zien dit vliegerkostuum dikwijls afgebeeld op de portret-
ten zowel van oude als van jonge aanzienlijke burgeressen.
38. Chr. de Passe. Dame
met vlieger
Deze vlieger wordt altijd van zwarte stof gemaakt, effen of met ingeweven or-
nament, zwart op zwart. De voorpanden zijn smaller dan in de 16de ceuw; zij
worden niet meer boven aan de hals dichtgeknoopt, doch staan van voren hele-
maal open en lopen eerst rechtlijnig naar het midden - waar zij soms met een
speld worden vastgestoken (afb. 37) - om vandaar terzijde van de buik geleid
te worden en vervolgens langs de rok neer te hangen. Zij zijn dikwijls afgezet
met passement; nieuwerwets is nu een garnering met een passement, dat sa-
mengesteld schijnt te zijn uit fluweelband met gitten staafjes of kralen.20 Deze
garnering wordt ook doorgevoerd op de velgen der schouderwielen die om de
armsgaten worden gelegd. Deze vliegers hebben geen mouwen en gewoonlijk
ook geen bijhangende mouwen.
HET LIJFJE OF DE BORST. Van het onder de vlieger gedragen lijfje komen alleen
het voorste gedeelte en de nauw om de arm sluitende mouwen te zien. In de
53
inventaris van Anna van Nassau wordt dit kledingstuk als onderdeel van het
vliegerkostuum altijd lijff genoemd (zie hiervóór p. 53). Het is echter waar-
schijnlijk dat men het onder de vlieger gedragen lijfje, waarvan - omdat van
het overige toch niets te zien kwam - alleen het voorste gedeelte en de mouwen
gegarneerd werden - daarom ook wel aanduidde met de naam borst, die zo
dikwijls in de inventarissen van deze tijd voorkomt. Het lijfje of de borst is van
achteren en op de heupen kort en heel lang van voren; het lange ondergedeelte
ligt van voren haast horizontaal over de vooruit-
stekende buik en eindigt daar niet meer spits, zoals
vroeger (vgl. afb. 33 en 34 met 35 en 36), maar
meestal met een brede afronding. Bij uitzondering
wordt het van voren wel eens horizontaal afgesne-
den (afb. 37). Als - gelijk dit dikwijls gebeurt - ge-
streepte stof voor het lijfje gebruikt wordt, legt de
kleermaker de strepen meestal horizontaal en soms
schuin. Dikwijls zien wij ook met borduursel of met
gitten opgemaakte borsten. Gitten - wij troffen ze
ook reeds aan als garnering van de vlieger - zijn
zeer in de mode. P. C. Hooft schrijft (waarschijn-
lijk na 1628) aan Tesselschade: „Mejoffr. Wij be-
danken U voor het bijzetten (schenken) uwer borst
met gitten". 21
Het zwarte overkleed van Isabella Brandt, de eerste
vrouw van Rubens (afb. 15) is in de rug getailleerd
39. An. Isabella Clara Eugenia en mag dus misschien niet met de naam van vlieger
Landvoogdes der Z. Nederlanden worden aangeduid. De voorpanden zijn heel smal,
zodat ook hier een groot gedeelte van lijfje en rok te zien komt.
c) PUNTLIJFJE MET DAARAAN VERBONDEN VAN VOREN GESPLETEN BOVENROK OVER
EEN ONDERROK. Deze combinatie is een voortzetting van het tabbaardskostuum
uit de tweede helft der 16de eeuw 22 en werd waarschijnlijk in de 17de eeuw
ook nog tabbaard genoemd. 23
Heel duidelijk zien wij het type op afb. 41. Het stijf gebaleineerde lijfje is strak
over het rechtlijnig corset om het bovenlichaam gespannen. De lange mouwen
sluiten nauw om de armen; de aanhechting van de mouwen in de armsgaten
wordt bedekt met platte schouderstukken. Het lijfje is ditmaal bij uitzondering
onder de grote plooikraag met een bijgeronde punt uitgesneden; de uitsnijding
is met een brede kantstrook omgeven, de hals is echter toch zedig met een
guimpe bedekt. De punt waarmede het lijfje van voren eindigt, is niet heel
lang. Aan de onderrand van het lijfje is de in diepe plooien gelegde overrok
54
met een naad verbonden. Lijfje en overrok zijn met passement en lintstrikken
opgemaakt. De voorpanden van de overrok wijken naar onderen uit elkaar en
uit de driehoekige opening komt de schoot of een stuk van de rok te voorschijn,
anders van stof en kleur dan het overkleed. 24
De kleding der jonge vrouw op afb. 42 vertoont hetzelfde kostuumtype, maar
minder zuiver. Want wel kunnen ook hier lijfje en overrok aan elkaar verbon-
den zijn, maar zij zijn niet van dezelfde stoffage: het lijfje is nu evenals de on-
derrok van blauwe stof, terwijl de overrok en de
mouwen van gele stof zijn gemaakt. Onder de
1615
onderrok wordt een cilindervormige fardegalijn
gedragen. De overrok is hier bij uitzondering kor-
ter dan de rok. Om het middel is een sjerp gesla-
gen. Op de lange, veel dwarse plooien vormende
mouwen is hierboven reeds gewezen.
DE KRAGEN. De vrouwen dragen de meest uit-
eenlopende modellen van kragen; groot van af-
metingen en buitensporig van fatsoen, vormen zij
een belangrijk en karakteristiek onderdeel van
het toilet.
De grote, helder gewassen en gesteven lubben-
kraag is het kledingstuk dat wel bij uitstek aan de
properheid en onkreukbaarheid van de Holland-
se huisvrouw uitdrukking geeft. Maar tevens ma-
nifesteert zij haar positie als deftige heerseres over
haar onberispelijk huis. Want deze kraag, die 40. An. Isabella Clara Eugenia Land-
haar bewegingsvrijheid zozeer belemmert, toont
voogdes der Z. Nederlanden
duidelijk aan dat zij niet tot de werkende stand behoort. Waarschijnlijk ver-
ving de huisvrouw, als zij gedurende een gedeelte van de dag de huiselijke ar-
beid van haar dienstboden leidde, het pronkend symbool van haar waardig-
heid door de simpele halsdoek, die wij in de inventarissen telkens vermeld vin-
den en waarmede wij haar in een volgend tijdperk op de dan talrijke binnen-
huisschilderijen dikwijls zien afgebeeld. Maar haar toilet is eerst compleet met
de kraag en zij getroost zich deze onpractische tooi veel langer dan de vrou-
wen in andere landen. Terwijl in Frankrijk de plooikraag reeds uit de mode is,
heeft hij hier nog groeikracht, en neemt hij - tot geen groei meer mogelijk is -
steeds kolossaler afmetingen aan.
De ronde plooikraag der vrouwen wordt op dezelfde manier samengesteld, wit
of lichtblauw gesteven, en om de staande boord der bovenkleding bevestigd, als
die der mannen. Maar de vrouwen prijken met kragen van veel groter afme-
55
tingen. De grote plooikraag wordt gewoonlijk in schuine, haast verticale stand
gezet zodat hij - meestal ondersteund door een portefraes - van achteren hoog
in de nek opstaat en schuin benedenwaarts over de borst helt. Waarschijnlijk in
de eerste plaats om practische redenen. Immers moeten die kolossale en veelal
ook heel dikke plooikragen een lastige dracht zijn geweest, die het onmogelijk
maakte om de eigen voeten te zien, en die bij het eten lepel en glas dwongen een
lange omweg af te leggen. Maar bovendien werkt de schuin gestelde kraag
3wazt
mede aan de door de mode verlangde
en wit
1619
verlenging van het bovenlijf. Als de kraag
heel dik en nagenoeg verticaal gericht is,
staat hij soms bijna tegen de oren en de
wangen, zodat van de hals haast niets te
zien komt.
Luxekragen worden met fijn „binnen-
werck" (entre-deux) versierd en met stro-
qzoen en geel
ken van spits „speldewerck“ (kant) afge-
zet, zodat zo'n prachtige, bijna verticaal
opstaande kraag het hoofd als met een
nimbus van stralende kant omgeeft. Dit
waren uiterst kostbare pronkstukken (afb.
34, 39, 40, 41 en 43). De klederinventaris
van Anna van Nassau vermeldt slechts:
„drie lobben van dundoeck met spelde-
werck" en verder nog: „vijff andere lob-
van Jacob Pergens
41. S. Mesdach. Anna Boudaen Courten, vrouw ben zonder speldewerck". Zelfs deze, zoals
uit de inventaris blijkt, toch zeer luxueus
geklede vorst, schijnt dus ook niet elke dag kanten kragen te hebben gedragen.
Voor deftige Hollandse patriciërsvrouwen van de strenge richting zijn vooral
als zij enigszins „op leeftijd” komen, lubbenkragen met kant minder gebruike-
lijk. Op haar portretten zijn zij meestal afgebeeld met eenvoudige plooikragen,
zonder enige versiering (afb. 33, 35-37, 45, 48, 50 A en C).
Bij het traditionele vliegerkostuum dragen de vrouwen altijd een lubben-
kraag. De combinaties lijfje en rok, en lijfje met daaraan verbonden, van
voren opengespleten bovenrok over een onderrok, laten echter ook andere
kraagvormen toe.
In het laatst van de 16de eeuw had in ons land, naast de gesloten ronde plooi-
kraag, ook de Franse mode van hoog in de nek opstaande en van voren helemaal
open kragen ingang gevonden. Zij vorderde een van voren laag uitgesneden
lijfje en jonge elegante vrouwen geven hieraan in het begin der 17de eeuw de
56
voorkeur. De in de nek opstaande kragen worden in verschillende vormen en
afmetingen gemaakt; zij zijn gelubd of glad, soms waaiervormig, soms recht-
hoekig, enkelvoudig of dubbel en worden ook wel uit een combinatie van twee
platte vleugelstukken samengesteld (afb. 10 B, 28, 29, 42, 49 B-F, 50 B, D en
F). Een aan de kledij der mannen ontleend model is helemaal plat en heeft de
vorm van een halve ellips; in het midden is een opening voor de hals, zodat de
kraag van voren geheel gesloten is en een eind voor de kin uitsteekt (afb. 31).
Ook dragen de vrouwen zowel als de mannen platte
kragen die even boven de schouders horizontaal of bij-
1614
na horizontaal worden omgeslagen (afb. 50 E). Het
keukenmeisje op afb. 27 heeft een horizontaal omge-
slagen kraag aan, die niet aan het hemd, maar aan
een linnen borstlijfje of onderzieltje is verbonden,
waarschijnlijk om het wassen gemakkelijker te maken.
Vermoedelijk worden opstaande kragen ook wel in de
halsuitsnijding van het bovenlijfje vastgenaaid.
DE PORTEFRAES. Al die grote schuinstaande plooikra-
gen en die in de nek overeind staande platte en open
kragen moeten wel stevig hebben gestaan, want zij
worden niet alleen binnenshuis gedragen, maar, zoals
Rood
wij op vele vroeg 1 7de-eeuwse schilderijen kunnen zien,
Dof-blauw
ook op de wandeling en omdat er geen sportkleding
bestond, zelfs op het ijs. Wel wordt de kraag soms met
ingenaaid metaaldraad versterkt en kan hij, als hij in
88 Geel
de halsboord van het lijfje geregen is, op de naar bui-
42. Es. van de Velde. Dame in
ten omgebogen bovenrand daarvan steunen; wel had-
zomerse feestkleding
den de Nederlandse strijksters het ver gebracht in de kunst van stijven en strij-
ken, zodat de kragen, als zij matig van grootte zijn en de juiste snit hebben, wel
zonder meer overeind bleven staan. Maar heel grote lubbenkragen en vooral
de platte kragen moeten van achteren toch nog gesteund worden door een on-
derkraag of portefraes van gefronst linnen of andere stof, of door een portefraes
van gevlochten metaaldraad, waarop de gehele kraag komt te rusten. Op som-
mige schilderijen kunnen wij zien, hoe, als men het met gekleurd lint omwoelde
metaaldraad in ornamentale figuren legt en met een strikje tooit, van de porte-
fraes een elegant sierstuk wordt gemaakt (afb. 49 A-F). De plooikraag op fig.
A schijnt op een metalen halsband te rusten. In het Victoria and Albert Mu-
seum te Londen worden nog een satijnen portefraes en een van linnen bewaard
(afb. 51).
DE PONJETTEN. De onpractische, breed om de polsen uitstaande lubbenman-
57
chetten of ponjetten 25 (poignetten) gaan in het begin der 17de eeuw uit de
mode en komen dan in uiterste overdrijving alleen nog maar voor bij het con-
servatieve Spaanse galakostuum (afb. 39 en 40). Reeds in het eind van de 16de
eeuw was men bijna algemeen kelk- of trechtervormige ponjetten van fijn lin-
nen, dundoek of kamerdoek al of niet met kant gaan dragen. Deze worden van
binnen in de mouwopening genaaid en naar boven over de onderarm omge-
slagen; opzij staan zij open. Eerst zijn zij klein, maar op de nauwe mouwen
die ongeveer 1615 in de mode komen, worden zij dikwijls
1615
heel lang en groot en groeien zij uit tot een belangrijk en
karakteristiek versieringsmotief (afb. 9, 10, 15, 28, 29, 31,
33 - 37 en 41).
In inventarissen worden o.a. vermeld: „Veerthijen paer
ponyetten off voormouwen" en „Ses paer ponyetten met
lubben", 26
DE MUTS EN HET OORIJZER. De meeste vrouwen dragen
een muts. De gewoonte om het haar te bedekken vindt
misschien haar oorsprong in het voorschrift van Paulus in
I Korinthen 11 : 5 gegeven: „Maar een iegelijke vrouw die
bidt of profeteert met ongedekten hoofde onteert haar eigen
hoofd; want het is hetzelfde alsof haar het haar afgesneden
ware." Hoewel dit voorschrift eigenlijk alleen op haar
hoofdbedekking gedurende de Godsdienstoefening doelt.
In de loop der tijden is de muts in ons land het symbool
geworden van de begrenzingen, die aan het leven der
okergcel. oud-rose. grys.
43. Es. van de Velde. Dame vrouw worden gesteld: van de ingetogen zedigheid van
in zomerse feestkleding
het jonge meisje, van de tot besloten kring beperkte taak
als huisvrouw en huismoeder der volwassene, en van de teruggetrokkenheid uit
het leven der bejaarde vrouw. Wij zullen zien, hoe de vrouwen er echter in sla-
gen om waar het voegde, aan de muts een aantrekkelijkheid te geven, die niet
altijd in overeenstemming is met haar oorspronkelijk onwereldse betekenis.
De muts wordt in de 17de eeuw hier te lande veel gedragen. Op de schilderijen
ziet men allerlei modellen van mutsen, in de inventarissen vonden wij ze echter
niet onder speciale namen genoemd; doorgaans worden alleen mutsen en hui-
ven opgesomd zonder nadere of althans duidelijker aanduiding van soort of
fatsoen.
Gewoonlijk wordt onder de muts een ondermutsje gedragen, dat op de por-
tretten soms gedeeltelijk zichtbaar is (afb. 48 C, D, F en 50 A en C). Het dient
om er de bovenmuts op vast te spelden en ook om deze voor het doorvetten van
het haar te beschutten. Het patroon van de kant waarvan het ondermutsje dik-
58
wijls gemaakt is, schijnt door de transparante stof van de bovenmuts heen. De
ondermuts omsluit het hoofd nauwer dan de bovenmuts en zit dus steviger vast,
maar bovendien wordt zij waarschijnlijk nog op haar plaats gehouden door een
smal om het achterhoofd klemmend oorijzer. In het Fries Museum te Leeuwar-
den is een zilveren oorijzer tentoongesteld, dat vermoedelijk uit het eind van de
16de eeuw of het begin der 17de eeuw dateert (afb. 47 inzet). De in het oor-
ijzer geboorde gaatjes geven gelegenheid de ondermuts er aan te bevestigen.
Gewoonlijk komt op de portretten
van vrouwen uit deze tijd niets
van het oorijzer te zien. Op een
Geel
omstreeks 1630 getekend portretje
Rood
dat Rembrandts moeder zou voor-
stellen, ziet men echter onder uit
de muts een staafje te voorschijn
komen, dat waarschijnlijk het on-
derstuk van een oorijzer is (afb.
104 A). In inventarissen komt het
oorijzer telkens voor: „Een gouden
oorysertgen met 2 paerlen"27 en:
„Een gout oor yser met twee an-
nexe goude essentjens en twee
paerlen". 28 Maar ook vindt men
herhaaldelijk „wrongh“ en „isert-
gen" genoemd, waarmede blijk-
baar ook oorijzers zijn bedoeld: 44. D. van Alsloot. Dames met huiken en Heer als toc-
„Voor een wrongh en isertgen opt
schouwers bij een carnaval op het ijs te Antwerpen.
hooft ... 1-1-0 29 en: Een vrongh en een musje daeraen twee goude pendanten
(hangers) met diamanten beset en goude haecken". 30
Op verscheidene, omstreeks 1600 geschilderde portretten zijn aanzienlijke
vrouwen in groot toilet afgebeeld, die een mutsje met opstaande rand dragen,
dat van voren een groot gedeelte van het haar onbedekt laat. Reeds in het eind
van de 16de eeuw was het mode geworden om het haar over een daaronder ge-
dragen haarrol boven het voorhoofd omhoog en aan de slapen breed uit zij-
waarts te kammen tot een „opgetuite kuif" en het vervolgens op het achter-
hoofd samen te binden, te vlechten en in een ronde chignon vast te steken. De
chignon wordt geborgen in de bol van een klein wit mutsje met een smalle pas,
die het achterhoofd bedekt. Aan de voorzijde van die pas is een verticaal op-
staande rand van kant verbonden, die de kuif van achteren met een boog van
luchtig draadwerk omgeeft. In het 18de-eeuwse modejournaal „Het Kabinet
59
van Mode en Smaak" 31 wordt die opstaande rand boogje genoemd. In het
eind van de 16de eeuw hadden de kuif en het boogje de voor die tijd karakteris-
tieke frontlijn, die aan weerszijden gewelfd was en in het midden een inzin-
king vertoonde (afb. 48 A). 32 In het begin van de 17de eeuw krijgt de frontlijn
van kuif en boogje de vorm van een ronde boog (afb. 34).
Het is echter in ons land niet algemeen gewoonte om zoveel van het haar te
laten zien. In het eerste kwart der 17de eeuw bedekken de jonge vrouwen, die
1613
buiten de hofkringen stonden, het haar met een
mutsje dat veel overeenkomst heeft met het hiervóór
beschrevene en er dus waarschijnlijk uit is voortge-
komen. De samenstelling uit chignonkapje, pas en
boogje is analoog (afb. 30); de pas is echter groter,
zodat hij de schedel bijna geheel bedekt. Het boogje
komt meer naar voren en staat niet meer verticaal
overeind, maar helt even achterover. De stof van het
boogje is meestal in fijne plooitjes gelegd en van bo-
ven met een kantrandje afgezet. Het boogje heeft
verschillende vormen, soms is het hoog in het midden
en loopt het naar de oren smaller toe (afb. 27, 35, 36,
48 D en E). Een andermaal is het boogje breed op-
zij en wordt de kantstrook niet langs de buiten-
rand aangebracht, maar langs de binnenrand die het
hoofd omlijst (afb. 33, 37 en 48 B). Gewoonlijk is
geen ondermutsje te zien, soms echter komt het even
45. S. Vrancx. Dame met huik onder het boogje te voorschijn (afb. 48 C). Zolang de
in de kerk
mode een hoog kapsel voorschrijft, moet ook het
boogje van het mutsje schuin overeind staan. Als omstreeks 1620 het kapsel
laag wordt, laat de vrouw die attent de mode volgt, het boogje wat achterover
zakken (afb. 48 F).
Conservatieve en vooral oudere vrouwen, die nog aan de modes uit haar jeugd
hechten, blijven trouw aan de uit de 16de eeuw afkomstige vleugelmuts. Ook
deze heeft een bol, waarin de chignon geborgen is. Aan de bol wordt de pas van
de muts vastgerimpeld, die van voren heel wijd is; in de zoom aan de voorzijde
is blijkbaar een metalen draad gelegd, die men zó buigt, dat opzij twee uit-
staande vleugels worden gevormd. Ook bij deze muts wordt de inzinking in het
midden - die het mutsje van Maria van Utrecht, de vrouw van Oldenbarnevelt
in 1615 nog behouden heeft (afb. 50A) - in de 17de eeuw vervangen door een in
het midden zwak gewelfde booglijn (afb. 50C). Onder de brede vleugels opzij
komt bij deze vleugelmutsen een groot stuk van de ondermuts te zien.
60
Van de verschillende andere mutsen, die in deze tijd wel eens voorkomen, ver-
meld ik nog het kleine, het hoofd nauw omsluitende mutsje met vooruitsprin-
gende ongeveer driehoekige oorbedekking, dat o.a. door Maria Tesselschade
wordt gedragen (afb. 47).
Aanzienlijke vrouwen dragen als teken van rouw een zwarte muts met een
sluier, waarvan de lange punt tot op het midden van het voorhoofd reikt. Op
het portret van Louise de Coligny (afb. 50 D) zien wij achter het opgekuifde
haar de voorrand van de zwarte muts, die de
chignon en het achterhaar bedekt. Waar-
gzoen
1625
schijnlijk wordt de voorrand van dit mutsje in
zijn ronde vorm gehouden door een in de
zoom gelegde metaaldraad. Dwars over de
muts ligt een smalle, van voren met een stompe
punt eindigende stofreep. Deze reikt over de
kuif tot op het midden van het voorhoofd en is
waarschijnlijk ook met metaaldraad versterkt.
Aan deze vooruitstekende punt schijnt de in
plooien gelegde zwarte sluier bevestigd te zijn.
Naar achteren golft de sluier wijduit beneden-
waarts en verdwijnt van voren onder de hals-
ketting; het verloop is echter op het portret niet
duidelijk te zien.
HET KAPSEL ZONDER MUTS. Omstreeks 1600 be-
geel
ginnen aanzienlijke vrouwen zich zonder muts
te kappen. Over een zorgvuldig verborgen ei- 46. A. Pz. van de Venne. Schaatsen-
vormige opvulling wordt het haar heel hoog
rijdster
opgekamd. Het kapsel wordt getooid met veertjes, bloemen en fraaie spelden
met juwelen of men slingert er een snoer paarlen omheen. Ook maakt men wel
een combinatie van hooggekapt haar met een metalen diadeem. Om het voor-
hoofd laat men enige krulletjes 33 spelen (afb. 9 (inzet), 10, 28, 29, 31,39, 40,
42, 49 B, D en F).
Men ziet die hoge kapsels in de eerste plaats bij de galakleding der hogere stan-
den, maar het schijnt dat zij soms door jonge vrouwen uit de aanzienlijke bur-
gerstand worden overgenomen. Zij worden ook in het dagelijks leven gedragen
en zelfs op straat en op het ijs. De hoge kapsels, die zoveel haar of opvulling ver-
eisen, worden ook wel door pruiken vervangen. In een brief uit Parijs van 3
Maart 1622 vraagt Maria van Reigersberch haar broeder Nicolaas aan de
Vrouwe van Groenevelt „te seggen dat ick haer briefken ontvangen hebbe en
sal een perrucke voor haar dochter zenden." 34
61
Omstreeks 1620 gaan de hoge kapsels uit de mode en wordt het haar weer glad
achterover gekamd - met of zonder scheiding - en op het achterhoofd in een
vlecht tot een chignon gevormd, die meestal met een kapje van zijde wordt be-
dekt (afb. 49 E en 50 B en F).
OPMAAK VAN HET GEZICHT. Bij de artificiële pracht van de kanten kraag, de
stralende kanten boogjesmuts en het gecompliceerde kapsel hoort een zorg-
vuldig opgemaakt gezicht. Vrouwen uit mondaine kringen weten met blanket-
sel, rouge, en wat zwart voor de wenk-
1612
brauwen aan het gelaat het verlangde
blank en incarnaat te geven. Het op-
007-
y3ez
maken van het gezicht is gedurende de
gehele eeuw gebruikelijk gebleven.
DE HOEDEN. Buitenshuis dragen de
vrouwen wel eens hoeden; maar dit is
volstrekt niet algemeen gewoonte.
Meestal ziet men op de schilderijen de
vrouwen op straat en zelfs op het ijs
met een wit mutsje of met het onbe-
dekte kapsel afgebeeld. Misschien had-
den sommigen iets tegen de hoed om-
dat zij daarin een voor de vrouwen on-
gepaste opstandigheid zagen. In het
Kabinet van Mode en Smaak wordt
een schriftuur van Johann Ellinger be-
47. H. Goltzius, Maria Tesselschade Visscher
sproken en daaruit aangehaald: „,Voor-
maals was de hoed een teken der vrijheid; huiden willen de vrouwen, met het
opzetten van den hoed te gelijk ook den mannen hunne heerschappij en vrij-
heid beneemen", etc. 35 De hoed wordt soms boven op de muts gezet. De vrou-
wenhoeden lijken veel op die der mannen; zij dragen hoge stijve cilindervor-
mige zijden hoeden met betrekkelijk smalle rand, maar ook breed gerande
soepele vilthoeden, waarvan de bol de vorm heeft van een afgeknotte pyra-
mide. De rand wordt al of niet aan één kant opgeslagen. Rondom de verbinding
van bol en rand wordt een band of koord gelegd, soms met het een of ander
sieraad, of met een opstaande struisveer (afb. 37, 41, 43 en 50 E). In de inven-
tarissen vinden wij meermalen vrouwenhoeden vermeld. Gravin Anna van
Nassau had: „twee fluwelen reyshoeden met perlen omset" en „twee fluwelen
bonnettekens". Ook in de inventarissen van vrouwen uit de burgerstand ko-
men zij voor: „1 fluelen hoetgen F. 5-0-0" en „een vrouwenhoed“. 36.
DE HUIK. Op straat dragen de vrouwen de huik, de populaire Noord- en Zuid-
62
Nederlandse vrouwenmantel, die men haast een nationaal kledingstuk zou
kunnen noemen, omdat zij in andere landen - behalve hier en daar in het na-
burige Duitsland en in Spanje - bijna niet voorkomt. Reeds in het begin der
16de eeuw is de huik hier inheems geweest. 37)
De huik is een lange, tot op de grond neerhangende, of een half lange tot onge-
veer het midden van de dijen reikende, wijde mouwloze mantel, meestal van
zwarte of althans donkere stof. Plat uitgelegd heeft zij de vorm van een driekwart
cirkelvlak. Soms
wordt de stof in
1599
A
Ael-63
1617
U
verticale plooitjes
gelegd en geperst;
zulke geplooide hui-
ken vindt men in
de inventarissen als
„parste” huiken
Anomem
aangeduid.
Ath van Offenhuigen
Mietevelt
Anoniem Maria Cazze
Volkero (oesd Knobbert
De huik bedekt
1609
D
Aet 22
1614
F
1620
ook het hoofd en,
E
om het afglijden te
voorkomen, wordt
zij met kleine plooi-
tjes bevestigd onder
aan een bijna plat
Cevander Voort
hoedje, dat van bo-
1.v Ravesteyn.Dame |Brechtje v Schote bosch
Jsoac Elyas. Dome
ven in het midden
48. Boogjeimutsen en kragen
voorzien is van een staafje met een knop of een pompon als handvatsel (afb.
44). In een opstel over „Vaderlandsche Dragten" 38 worden nog twee andere
modellen genoemd: „Behalve dit soort huik (nl. het hiervóór beschrevene) had
men dezelve met een plat vierkant stijf bordjen, dat op het hoofd liggende,
voorwaarts smaller werd en tot op het voorhoofd toeliep, op zijde was het-
zelve met omgeboogen randen. Aan dit stijve bordjen was, op de hoogte van
het achterhoofd de Huik met plooien vastgemaakt en dit soort (werd) slons-
huik genaamd." 39 Deze beschrijving komt ongeveer overeen met afb. 101 en
104 D. „Ook had men er, vooral te 's Hertogenbosch", zo gaat de schrijver
van het opstel voort, „welke noch bordjen, noch hoedjen hadden, doch bij
welken de Huik plat over het hoofd geslagen was, zoodat het de vertooning
had als eene vrouw welke de rok op het hoofd heeft." Misschien zien wij de
laatstgenoemde huik op afb. 45. De hier voorgestelde, waarschijnlijk Zuid-
Nederlandse vrouw loopt aan het hoofd van een stoet van acht evenals zij ge-
63
klede vrouwen; zij hebben haar huiken (of sluiers?) die met baleinen uitge-
spannen schijnen te zijn, ook over het hoofd geslagen. De hier afgebeelde vrouw
draagt een ordeteken op de borst en misschien zijn zij en haar volgelingen wel
gekleed in het kostuum van de een of andere half wereldse congregatie. 40
In de inventarissen van vrouwenkleding ontbreekt zelden de huik, maar in de
klederinventaris van Anna van Nassau wordt zij niet genoemd. De vrouw van
de Friese stadhouder was misschien een te aanzienlijk personage voor zulk een
populair kleding-
B
1611
11025
stuk. In andere in-
ventarissen komen
echter voor: ,Een
huyck F. 40-0-0; 1
geporste huyck F.
9-0-0"41. „Een
parste huycke F.
W.Swanenbarq.Dame
Adam v.Breen.Dome
W Duystez . Dame
5-0-o; „Een da-
D
1615
E
F
1014
masten huyck met
borst"; „Een bo-
ratte brabantse
huyck".42 ,,Den
26 Febr. 1635 noch
betaelt voor vijf el-
len swart laken tot
Es-van de Velde.Dame
A.vun de Venne Dame
Esvon de Velde.Dame
een bruydtshuyck,
49. Kapsels en kragen met portefraeses
elck ellen tot elf
gulden ende tien stuivers segge F. 57-10-0" 43. „Noch een fluweel hoetgen tot
een brabantse huyck' 44 en „een huyckpars met een servetparsje van eiken-
hout." 45
Deze opgaven leren ons verscheidene wetenswaardige bizonderheden over de
huik kennen en bevestigen andere die nog niet vaststonden. Er blijkt uit dat de
huik soms een vrij duur kledingstuk was, zodat zelfs een gedragen huik op
F. 40 werd getaxeerd. De in plooien geperste huik wordt telkens genoemd en
wij vernemen, dat sommige families er een eigen huikpersje op na houden,
waarop de plooien telkens nieuw ingeperst kunnen worden. Als wij de gegevens
uit de inventarissen betreffende de Brabantse huik samenvatten, kunnen wij
daaruit afleiden, dat de huiken met hoedjes die de beide vrouwen op afb. 44
dragen, Brabantse huiken zijn. De in het hiervóór genoemde opstel „Vader-
landsche Dragten" genoemde „huik met een bordjen“ komt ook in de inven-
tarissen voor. Wij worden voorts ingelicht over de stoffen waarvan de huiken
64
gemaakt worden: damast, laken, borath en in andere - hier niet geciteerde -
inventarissen worden ook nog andere stoffen als groffgreyn, zijde, enz. ge-
noemd. Ook vernemen wij dat bruiden bij haar trouwen wel eens een huik
aan hadden en dat voor een bruidshuik 5 ellen laken van elf gulden de el
gebruikt zijn.
In het opstel over „Vaderlandsche Dragten" wordt over het trouwen der bruid
in de huik het volgende gezegd: „Le Francq van Berkhey 46 haalt uit Win-
schoten een plaats
aan, volgens welke
Aet 63 1615
B
zulke, welke voor
hun huwelijk een
kind hadden en om
PMoreelse
dit kind te echten
(het) mede ter
trouw moesten ne-
men, gewoon wa-
Mazia von Uitrecht Wilfem Buytewech Dame Th-de Keysez.Dome
ren onder de Huik
161
F
te trouwen ten ein-
de uit schaamte
zich en hun kind
Mtetoveli C
onder die Huik te
verbergen, of ook
wel ten einde de
bruid heure te
Louise de Coligny
vd Velde Dome
PMozeelse
Pzinsesje
vroege zwanger-
50. Mutsen, kapsels, hoed en kragen
heid zoude kunnen bedekken. Wij geloven dat zulks wel eens plaats gehad zal
hebben, dan daar koetsen en sleedjens niet zoo algemeen waren, en men de
huik als een regenmantel gebruikte, is het ook vrij zeker, dat de bruiden zeer
dikwijls onder de huik ter trouw zijn gegaan en bij den trouw gedeeltelijk heb-
ben aangehouden, hetgeen kon geschieden door het kapjen van het hoofd te
schuiven en de huik om de middel evenals een mantel toe te slaan en dus vast te
houden. Anders was het de gewoonte bij het inkomen in enig huis bij het boven
aan zijnde handvat de huik af te tillen en op te hangen." „Komt in Moer,
hangtje huyck op en zetje manckje neer", zegt Aeltje tegen Trijn in Bredero's
klucht van den Molenaar, 47
MANTELS. Behalve de huik worden nog allerlei andere mantels gedragen. Gra-
vin Anna van Nassau bezat, zoals blijkt uit haar inventaris: „Een zwart fluwe-
len mantel geboort met zwart zijden passament, gevoedert met zabelen achter
met marderen" en „een reysmantel van zwart laken geboort met een zwart
65
zijden passament, gevoedert met zwarten bay". Deze mantels heb ik niet met
afbeeldingen kunnen identificeren, evenmin als de volgende uit inventarissen
van burgers: „een turx groffgreynen cort mantelke met twye lijsten" en „een
swart armosijnen cap",48 „een lakens craegh met spigilie en frangien",49 „een
swart lakens vrouwenjaske ofte cort manteltie". 50 „,Een effen borat raysmantel-
gen". 51,,1 Rou mantel F. 40-0-0".52 Op sommige schilderijen die ijsgezichten
voorstellen, zien wij een enkele keer wel eens een vrouw met een pelerine (afb.
46); het is mogelijk dat de benaming
lakense kraag op dat schoudermanteltje
toepasselijk is.
DE MoF. De mof, ook wel moffel ge-
noemd, is matig van grootte en wordt
meestal gemaakt van laken, fluweel of
andere stof, afgezet met bont (afb. 31
en 46). Anna van Nassau had „een
swart fluwelen, geborduerde moffe".
Elders worden vermeld: „Een blond
fluwelen moff met bontvoer" en een
„boratten moff met bont”, 53
DE BOEZELAAR. Als de boezelaar (schor-
tecleet, schorteldoek of voorschoot ge-
noemd) dient tot beschutting der kleren
bij het verrichten van huiswerk, is hij
groot en breed en onderscheidt zich
51. a. Satijnen en b. linnen portefraes
weinig van de moderne boezelaar (afb.
27 en 32). De boezelaar, die wij daarentegen vele vrouwen op straat en ook op
het ijs zien dragen, is heel lang en heel smal, want hij heeft nu geen practische
functie en is enkel het elegante symbool van haar huiselijke werkzaamheid
(afb. 10 A en 46), In inventarissen vond ik o.a .: „,Een armesijden schorteldoek";
„een heresayen schortelcleet". 54
DE KOUSEN. AI naar gelang van stand en fortuin van de eigenares zijn de kou-
sen van zijde, wol, sajet of katoen. In de inventarissen worden bij vrouwen-
kleren onderkousen, sokken en kousen genoemd. Waarschijnlijk draagt men in
de winter verscheidene paren over elkaar: ,3 paer ondercousen gebreyt"; „2
gebreyde socken; een paer gebreyde cousen". 55
DE SCHOENEN. De schoenen hebben dezelfde vorm als die der mannen. Op de
portretten en andere afbeeldingen komt er maar weinig van te zien. In het de-
pôt van het Rijksmuseum is uit deze tijd nog een vrouwenschoen van grijs
leer met stiksels bewaard gebleven (afb. 33 inzet). In huis dragen de vrouwen
66
meestal muiltjes, waaronder wij nu verstaan schocisel dat alleen uit een voor-
blad met zool en hak bestaat. In de inventarissen worden muilen en klickers
genoemd: „I paer leeren muilen"; „twee paer clickers“. 56 De benaming
klickers zal wel in verband staan met het klikkend geluid, dat de hak maakt die
slechts met een zool verbonden is aan het voorblad, waarin het voorste gedeelte
van de voet steekt. Of er verschil is tussen muilen en klickers, blijft onzeker.
Misschien werden er overschoenen mede bedoeld. Dat een paar klickers voor
jonge vrouwen een vurig begeerd bezit kon zijn, blijkt wel uit de volgende vers-
regels:
„Heer ick heb sulcken zin aen klickers op zijn Frans,
„ick worder schier wilt om, als ickse maer hoor kraacken." 57
DE HANDSCHOENEN. Er is veel luxe in handschoenen. Op haar portretten dra-
gen de vrouwen ze dikwijls in de hand (afb. 34). Zij hebben een brede met bor-
duursel, passement of kant versierde kap; soms krijgen ook de naden borduur-
sel, maar de drie in onze tijd duidelijk geaccentueerde naden op de rug der
handschoenen ontbreken. In de inventaris van Anna van Nassau worden ge-
noemd: „Seven paer hantschoenen, waeronder een paer geparfumeert". En
elders: „Een paer cuyssche hantschoenen”. 58 Geparfumeerde handschoenen
zijn zeer gewild. Susanna Hoefnagel schreef in 1624 aan haar zoon, de dichter
Constantijn Huygens die te Londen vertoefde: „Adieu bruer, vergeet niet mij
een paer hantschoenen te senden met swert genaeyt. Ick hebber een paer die
soo sijn, maer daer is al lint en spellewerck (kant) aen, dat dient mij niet".59
Waarschijnlijk kon zij die niet gebruiken, omdat zij in 1624 in de rouw was
over haar man, Christiaan Huygens, en rouwhandschoenen geen versiering
kregen. Een andermaal schrijft zij: „Deze hantschoenen en sijn mij niet goet
genoech; sij sijn van de beste slach niet: grof genaeyt en heel sout van binnen,
dat quaet voor de handen is." 60
DE ZAKDOEK. Op haar portretten hebben de vrouwen ook wel een zakdoek in
de hand. Deze is groot en soms met kant afgezet (afb. 28, 29, 39, 40 en 45).
DE ONDERRIEM. Huisvrouwen dragen om het middel een „onderriem" of een
keten, waarvan het ene einde opzij afhing. Daaraan is een sleutelring of sleu-
telreecx met de sleutels van kisten en kasten bevestigd, en soms een beurs, een
speldekussen of een koker met een of meer messen, enz. (afb. 32). In Huygen's
Tryntje Cornelisdr. draagt deze: een „sulvren riem" en „de sleutelraex opzij",
met: „de Beurs, de Kussebuyl, de Zonnedaegsche messen." 61 De vrouwen van
losse zeden, die Bredero ten tonele voert, misbruiken de riem met de sleutels
soms om er haar minnaars mee te tuchtigen:
„Ick sal hem met die reekx so wieck kloppen en cleunen
Als men de stockvis doet ... ", 62
67
In het Fries museum te Leeuwarden is een zilveren onderriem met een sleutel-
reecx er aan tentoongesteld.
HET MASKER. Op straat dragen de vrouwen soms een klein zwart masker, dik-
wijls van fluweel, waarin twee gaten zijn geboord voor de ogen; waarschijnlijk
om haar teint dat in die tijd blank en rose moet zijn, tegen de inwerking van zon
en stof te beschutten, om onbekend te blijven en tevens om zich voor insecten-
beten te vrijwaren (afb. 31). „Een swarte lap voor 't hooft, voor 't steke van de
vliegen," zegt Huygens in zijn ,,Hofwijck".
DE WAAIER. De waaier wordt van struis- of pauwenveren gemaakt; deze wor-
den in een metalen middenstuk gestoken, waaraan een steel is verbonden (afb.
9 en 42). Dit is nog het oude 16de-eeuwse model, maar wij zien nu ook de half-
cirkelvormige waaier, die dichtgevouwen kan worden, in de mode komen (afb.
10 A en B).
DE SIERADEN. De zware gouden schakelketens, erfstukken uit de 16de eeuw,
worden in de eerste 20 jaren bij galakleding nog gedragen, en vooral bij het
traditionele vliegerkostuum. Wij onderscheiden heupketens en halsketens.
Meestal hangt aan de heupketen een ronde zwaar geornamenteerde gouden
doos; waarschijnlijk dient deze om er de bezoarsteen in te bewaren, waaraan
men allerlei, ziekten en ongemakken genezende, krachten toeschreef. De be-
zoarsteen is een verstening, ongeveer zo groot als een muscaatnoot, die gevon-
den wordt in de maag van een bepaald soort geiten in Perzië en op het eilandje
Delft bij Ceylon. Deze stenen werden naar ons land gezonden en voor 1200 à
1500 gulden per stuk duur verkocht aan aanzienlijke burgers. De gouden doos
heeft rondom gaatjes, opdat men de steen, zonder hem uit zijn doos te nemen,
in water kan leggen om een aftreksel te maken, dat de gewenste genezing - naar
men hoopt - te weeg zal brengen (afb. 33, 35 en 36). 63
De gouden halsketen hangt in twee of meer toeren over de borst neer (afb. 34
en 50 D). Zij wordt nu echter meer en meer vervangen door lange parelsnoe-
ren, die ook over de borst neerhangen en in het midden soms met een broche op
het lijfje worden vastgestoken (afb. 39, 40 en 42). Of door eenvoudige korte
parelsnoeren die nauw om de hals sluiten (afb. 28, 34, 37, 48 A en 50 F).
Daarbij worden armbanden ook van parelsnoeren gedragen. Karakteristiek
voor deze tijd is een groot sieraad, meestal in de vorm van een bloem, dat aan
een ketting of aan een lint achter op de rug hangt (afb. 43, 49 A).
Het kapsel wordt getooid met gouden beugels, haarnaalden en parelsnoeren en
kostbaar bewerkte metalen lovertjes en veertjes (afb. 28, 29, 34, 39, 40, 42,
49 A, B, D, E,F en 50 Ben F). Soms ziet men uit de muts langs de linkerslaap de
voorhoofdsnaald, een geornamenteerd gouden staafje waaraan een sieraad
hangt, te voorschijn komen (afb. 35, 48 E en F).
68
Ook in de band van de hoed wordt soms een kostbaar bijou gestoken (afb.
50 E).
Aan ring- en wijsvinger prijken grote ringen en in de oren oorbellen, meestal
van peervormige paarlen.
69
IV. DE MODE IN HET KADER VAN DE TIJD
1620-1640
HET MODEBEELD DER MANNENKLEDING. De laatste herinneringen aan de Spaanse
mode zijn nu uit de mannenkleding verdwenen. De vroeger zo ranke gestalte
wordt breed en massief, een grote eenvoudige contour omsluit de figuur (afb. I
Ozanje
d, e en f).
Het wambuis en het roxken wor-
den wijder gesneden, of, om elke
gedachte aan een nauwe omslui-
ting te bannen, over borst en rug
verticaal gespleten met lange
Bzuin
sneden, waartussen een zijden
voering te zien komt. Ook de
mouwen zijn wijd, en veelal ge-
spleten; soms laat men de voor-
naad over de gehele lengte open.
Platte schouderstukken verbre-
den de schouders. Om het lange
bovenlijf te verkorten schuift de
snijder de taillelijn omhoog. De
Rood
Jwort
schootpanden zijn lang, van on-
deren eindigen zij of met een
52. P. van Hillegaert? Frederik Hendrik, Prins van Oranje horizontale of met een naar het
midden spits toelopende lijn. Op de naad die het lijfstuk van het wambuis met
de schootpanden verbindt, zijn soms grote strikken aangebracht. De stijve
ronde plooikraag wordt vervangen door een plooikraag die onregelmatig is
ingehaald en ongesteven, soepel neerhangt. Nieuw, en karakteristiek voor het
tijdvak, is een brede platte kraag, afgezet met kant, die vlak op de schouders
ligt en een lange ongebroken schouderlijn vormt. De hoog over de onderarm
opgeslagen ponjetten zijn ook met kant afgezet. Kant is zeer in de mode. De
elegante kavalier laat nu zijn wambuis van voren op een kier staan, zodat over
de maagstreek een stukje van zijn hemd te zien komt. Dit vertonen van het
hemd is nog slechts een der eerste symptomen van een nieuwe mode, die het
met opzettelijke ongegeneerdheid naar buiten dringen van het ondergoed
vordert. Pas later wordt dit principe in zijn volle consequentie doorgevoerd.
De stijf opgevulde korte pofbroek, de kniebroek die om de knieën wijde plooien
vormt, en de broek met wijde cilindervormige pijpen die van onderen open
70
zijn, worden niet meer gedragen. De broek reikt nu tot even boven of tot even
onder de knie en is eerst over de gehele lengte nog wijd, en soms met sneden
gespleten, maar zij wordt in de loop der jaren van lieverlede nauwer. De goed-
geklede man pronkt met brede zijden kousebanden die met grote strikken wor-
den vastgemaakt, en met schoenen waarop kolossale rozetten of „roosen" prij-
ken, details die zich reeds in de vorige periode aankondigden en nu tot excessen
uitgrocien. Soms draagt hij elegante, hoge, nauw om de benen sluitende kap-
laarzen met grote wreefstukken, waaraan de sporen zijn be-
vestigd. Zijn haar kan hij, nu de stijve plooikraag uit de
mode is, wat langer laten groeien en daarbij draagt hij kne-
vels en een sik à la Henri IV. Grote slappe vilthoeden die
zich zo goed lenen tot de hoffelijke diepe groet, die de man-
nen elkander en hun dames plachten toe te zwaaien, zijn ma-
tig hoog en hebben een brede rand. Met uitdagende brani
zet de jonge kavalier zijn hoed scheef of achterover op het
hoofd. De mantel, die haast onafscheidelijk is van het com-
plete kostuum, draagt hij met losse zwier over één schouder
of drapeert hem om het middel. Voor zijn kostuum kiest hij
meer getemperde kleuren dan vroeger. Deftige regenten
kleden zich in het zwart.
HET MODEBEELD DER VROUWENKLEDING. Ook in de kleding
der vrouwen voltrekt zich nu de grote verandering van
strakke gespannenheid tot lossere, wekere vormen. Terwijl
vroeger het accent op het sterke contrast van het lange strak
ingesnoerde bovenlijf met de verbrede heupen en de wijd 53. Dirck Hals, Heer
uitgezette rok werd gelegd, zoekt men nu de verbreding der
in feestkleding
gehele figuur. De omtreklijnen van alle onderdelen moeten samenvloeien in
één grote contour. De elegante vrouw is nu zwaar en massief, de weelderige
vrouwenfiguren van Rubens representeren het ideaal van zijn tijd. Zonder met
de natuurlijke proporties van het lichaam rekening te houden, wordt het
bovenlijf verkort door de taillelijn tot vlak onder de borst omhoog te schuiven.
De mouwen zijn wijd. De grote vlakken, die aldus ontstaan, vragen een bekle-
ding met geornamenteerde stoffen, en deze worden nu vooral voor galakle-
ding veel gebruikt.
De lubbenkraag neemt soms kolossale afmetingen aan, maar modern zijn nu
grote platte, uit verschillende onderdelen samengestelde kragen, gecompliceer-
de kunstwerken van transparant dundoek en luchtige kant, die de schouders
breed maken zonder ze te verzwaren.
De artificiële cilindervormige fardegalijn met het platte bovenvlak kan niet
met het middel omhoog schuiven en wordt dus niet meer gebruikt. Maar de
koepelvormige uitzetting van de rok voegt zich gemakkelijker naar de nieuwe
eisen en heeft dus nog een toekomst. Over veel onderrokken, of misschien soms
nog over een fardegalijn, hangt de bovenrok ruim en vlot neer. De kolom van
de rok is even breed als het met de wijde mouwen verbrede bovenlijf.
Het vliegerkostuum behoudt aanvankelijk nog zijn traditionele vorm, maar als
de vrouwen naar de eisen der nieuwe mode de buik tot zijn normale vorm gaan
terugbrengen en vlak onder de borst een
1629
ceintuur om de vlieger binden, verliest hij
zijn karakter van een wijd openhangend
overkleed en betekent dit het begin van
een degeneratie, die in het volgende tijd-
perk tot het definitieve einde van het vlie-
gerkostuum zal voeren.
Jonge wereldse vrouwen kiezen in het be-
gin van dit tijdvak nog wel lichte heldere
kleuren voor haar kleding, al of niet in
combinatie met zwart. Maar in de loop
der jaren wordt over het algemeen het
kleurengamma toch gedempt en zoekt
men meer dan vroeger in plaats van onge-
broken kleuren getemperde tinten als dof-
paars, wijn-rood en donker flessengroen.
Deftige matrones kleden zich steeds bij
54. Frans Hals. Paulus van Beresteyn
voorkeur in het zwart of dragen onder het
zwarte overkleed een donker gekleurd lijfje en een donkerkleurige rok.
HOFKLEDING IN FRANKRIJK. Deze mode ontstond aan het hof van Lodewijk
XIII 1 en Anna van Oostenrijk. Zoals bekend is, voerde Richelieu, de opper-
machtige minister van Lodewijk XIII, ten bate van het absolute koningschap
en de eenheid van Frankrijk een hardnekkige strijd tegen de oproerige hoge
edelen en wendde hij alle middelen aan om hun verzet te breken. Voor de ge-
schiedenis der mode zijn van direct belang de edicten die hij tegen het gebruik
van in het buitenland gemaakte luxe-artikelen uitvaardigde. In 1620 verbood
hij het gebruik van goud- en zilverpassement dat uit Milaan kwam en toen het
gevolg was dat men als compensatie een overmatig gebruik van uit Venetië,
Genua en Vlaanderen geimporteerde kant ging maken, vaardigde hij ook
daartegen een edict uit. De edicten werden in 1629, 1633 en 1634 herhaald en
verscherpt en tenslotte werd in 1634 ook het gebruik van met goud en zilver
doorweven stoffen (brocaten) verboden. Richelieu's bedoeling was in de eerste
72
plaats te beletten dat het Franse geld door de aankoop van kostbare mode-
artikelen uit andere landen in al te brede stromen over de grenzen zou vloeien,
maar tevens legde hij daarmede de luxe der edelen aan banden. Dat de edicten
telkens hernieuwd moesten worden, bewijst wel hoe moeilijk het was om de
hand te houden aan verbodsbepalingen die de weelde der grote heren beperk-
ten. Maar hoewel dit ook niet volkomen gelukte en er - zoals wij op de portret-
ten van die tijd kunnen zien - toch wel goudgalon en kant gedragen werden,
belemmerden de decreten echter het gebruik daar-
van en bevorderden zij de fabricatie van Franse
3wart
mode-artikelen die de op vreemde bodem vervaar-
digde producten konden vervangen. Het verbod
van goud- en zilverbrocaten, kostbaar en prachtig
maar uiterst stug materiaal, en van de eveneens
stugge metaalpassementen had ten gevolge dat
men zich genoodzaakt zag soepeler stoffen en gar-
nering, inheemse zijde, satijn en fluweel en in
Frankrijk gemaakte passementen en borduursels
van zijde te gebruiken, waardoor de kleding niet
UsAb-anojq
alleen eenvoudiger maar ook ongedwongener en
losser werd. De misanthropische koning zelf gaf
weinig aandacht aan zijn uiterlijk en weigerde de
prachtige pakken te dragen die zijn gunsteling
Cinq Mars „Maître de la garderobe du Roi" voor
hem liet maken. Aan zijn hof gaven de hoge edelen
in de mode de toon aan. Nu de luxe van hun kle- 55. Frans Hals. Jonker Heythuysen
ding beperkt was, maakten zij en de hun dienende snijders van de nood een
deugd en wisten met het eenvoudige materiaal dat hun was toegestaan, een
mode te scheppen die ongedwongen en vrij, volkomen in overeenstemming was
met hun hoogmoedig karakter en opstandige geest. Vermetel, avontuurlijk en
tevens elegant en galant lieten zij het haar tot lange lokken aangroeien, streken
de knevels omhoog, droegen grote vilthoeden met wuivende pluimen, gaven
zich niet de moeite om hun wambuis helemaal dicht te knopen en drapeerden
zich met zwierige gratie in hun mantels. De stijve plooikragen vervingen zij
door brede liggende rabatten die de hals vrij lieten; zij droegen rinkelende
sporen aan hun mooie kaplaarzen en trokken bij de minste krenking van hun
eergevoel de degen. Alexandre Dumas heeft deze heren in „Les trois Mous-
quetaires" populair gemaakt.
Ook de edelvrouwen aan het Franse hof van wie velen aan de opstandig-
heid der mannen deelnamen, wijzigden haar uiterlijk voorkomen. De insnoe-
73
ring van het lichaam, de stijve brocaatstoffen en de vertugadin verdwenen en
ook haar kleding werd ruim en gemakkelijk.
HET HOF TE 's GRAVENHAGE. Het hof van de Prins van Oranje kon wel niet
wedijveren met het brillante Franse hof, maar volgde na de dood van Maurits
(1625) toch het daar gegeven voorbeeld. Maurits, die zelf altijd van een huwe-
lijk afkerig was geweest, wist op zijn sterfbed zijn broeder en opvolger Frederik
Hendrik te bewegen zich een vrouw te kiezen om de dynastie der Oranjes
11634
voort te zetten en binnen een maand trouwde de 40-
jarige Prins met de 23-jarige Amalia, gravin van Solms-
Braunfels, de eenvoudige hofdame van de uit Praag ge-
vluchte koning en koningin van Boheme die zich in
1621 te 's Gravenhage hadden gevestigd.
OPVOEDING EN UITERLIJK VAN DE PRINS. Frederik Hen-
drik had van zijn moeder Louise de Coligny een in
Franse geest verfijnde opvoeding genoten en een her-
haald verblijf aan het Franse hof van Hendrik IV had
die vorming nog versterkt. Zijn uiterlijk en manieren
waren innemend, „Moy Heintje" noemt Huygens hem
pooz 1com/
in zijn „Scheepspraet“ en de portretten van de Prins
bevestigen deze qualificatie. Van Maurits had hij de
krijgskunst geleerd en als geniaal stedendwinger was hij
in alle naburige landen vermaard.
„Qui veut une place forte prendre,
„Près du Prince d'Orange doit se rendre." 2
A geel-gzys
56. D. Santvoort. Nicolaes Bas VREEMDELINGEN KOMEN DE KRIJGSKUNST LEREN. Evenals
Dircksz.
Maurits trok ook Frederik Hendrik vele vorsten en
edellieden uit andere landen naar zijn legers en naar Den Haag, onder welke
Frederik van Brandenburg die zijn schoonzoon is geworden en bekend is onder
de naam van „de Grote Keurvorst" en 's Prinsen zusterszoon Turenne die zich
later als veldheer van Lodewijk XIV grote naam heeft verworven.
MACHTSVERGROTING EN TITEL VAN DE PRINS. De Prins wist de macht van het
stadhouderschap aanzienlijk te vergroten en ofschoon de Nederlanden een re-
publiek vormden, werd hij toch gerekend te behoren tot de regerende vorsten
van Europa. Dit vond ook uitdrukking in zijn titel; eerst werd hij „Excellen-
tie" genoemd en door de Staten als „Doorluchtich Hoochgeboren Fürst" aan-
gesproken. Maar in 1627 kreeg hij van Lodewijk XIII de vorstelijke titel van
Altesse of Hoogheid, waarmede de souvereinen van kleine landen en in Frank-
rijk de naaste familieleden van de koning werden aangesproken. In ons land
werden de leden van het Huis van Oranje daardoor verheven boven de
74
talrijke neven uit het Huis van Nassau en boven alle andere geslachten van
Nederland, 3
RIJKDOM VAN DE PRINS. Als erfgenaam van zijn broeders Philips Willem en
Maurits bezat Frederik Hendrik een groot vermogen, terwijl hij bovendien uit
zijn staatsambten nog een aanzienlijk inkomen genoot. Hij kon zich dus met
vorstelijke allure alle door hem en de Prinses zo zeer begeerde luxe veroorloven
en een staat voeren die niet onderdeed voor die van de meeste vorsten van Europa.
De bescheiden woning op het Binnen-
hof, waarmede Maurits zich verge-
Ż1625
i uin2g
noegd had, was te klein voor een op
grote voet ingericht hof met 500 edel-
lieden voor verschillende bedieningen,
uin
een schaar van hofdames voor de Prinses
en talrijke bedienden. De Prins liet dus
fruin met qoud
het stadhouderlijk kwartier door ver-
bouwing vergroten en met vorstelijke
praal meubelen. Door de inventaris van
het meubilair 4 krijgen wij enigszins een
denkbeeld van de weelde waarmede hij
zich omringde en van de omgeving
waarin wij ons de kleding der heren en
dames van het hof moeten voorstellen.
Grote wandtapijten met goud- en zilver-
draad doorweven bedekten naar de ge-
woonte van die tijd de wanden der ver-
57. An. Jan Pietersz, Coen
trekken. Op de „galderije“ en in de kabinetten van de Prins hingen 64 schilde-
rijen van Rubens, van Dijck, Gerard Honthorst, hofschilder van de Prins en
andere schilders van de hoofse richting. De typisch Hollandse realistische schil-
derschool was slecht vertegenwoordigd. De Prins had een statig ledikant met
„carmosijn root behangsel“ (gordijnen) en er worden Spaanse en Franse stoc-
len genoemd, bekleed met kostbare stoffen, kabinetten van ingelegd hout, etc.
Met leedwezen missen wij in de inventaris een lijst van de kleren en lijfsieraden
van het prinselijk paar en evenmin vernemen wij iets over een bibliotheek, ser-
viezen en tafelzilver. Uit de gedenkschriften van de Engelse gezant Sir William
Temple 5 weten wij echter dat de Prinses later in haar weduwstaat „altijts in
gout gedient wiert: ja de groote waterflesschen en een groot koelvat om water-
flesschen in tesetten en de sleutel van haer kabinet en alles van die soort't welck sij
aenraakte was van goudt, 't welck ick daerom verhael omdat ik het aanzie als
een zaak die de grootste koningen van het Christendom niet gepretendeert
75
hebben noch andere dat ik weet aan deze zijde van Persia." Waarschijnlijk
was al dat gouden tafelgerei reeds voorhanden in de glorieuze dagen toen de
Prins nog leefde en de geldmiddelen rijkelijker vloeiden dan later. Het hof bleef
niet het gehele jaar te 's Gravenhage, doch trok in de zomer naar buiten, naar
Honsholredijk bij Naaldwijk in het Westland of naar de Nieuwburg bij Rijs-
wijk, grote paleizen die de Prins in de zware pompeuze barokstijl had laten
bouwen en in dezelfde stijl beschilderen en decoreren met beeldhouwwerk.
Het ging ceremonieel toe aan het
3wazt
#1625-30
zood R
stadhouderlijk hof, er werd in grote
stijl geleefd en vooral als vreemde
vorsten op bezoek kwamen, werden
de regels der etiquette streng in acht
grys
genomen. Het was Frans georiën-
teerd, het Frans was de hoftaal en
men kleedde zich naar de Franse
mode waartoe de Prins en de Prinses
het voorbeeld gaven. Een ruiterpor-
tret van Frederik Hendrik is weer-
gegeven op afb. 52 en een waar-
schijnlijk ongeveer gelijktijdig por-
tret van Amalia op afb. 96. De Prins
draagt ruiterkleding met hoge kap-
laarzen, zoals ook de Franse heren
droegen; de Prinses is in galakleding
Lbzuin-geel
stzoogeel
58. Dirck Hals. Dansende Heer en Dame in feest- met stijve lubbenkraag, bijhangende
kleding
mouwen en trossen van paarlen.
Haar kleding is nog niet geheel vrij van Spaanse invloeden. Zij staat tussen
haar zoontje, de latere Willem II, en haar dochtertje Louise Henriëtte, wonder-
lijke creatuurtjes, gekleed als grote mensen in miniatuur. Maar kinderkleding
is ook eerst een vinding van latere tijd. Kleine jongens stak men in vrouwen-
kleding, een gewoonte die in sommige gedeelten van ons land lang stand heeft
gehouden en o.a. op het eiland Marken nog wordt gevolgd. Het Prinsje heeft
als mannelijke kledingstukken een toque met een veer op het hoofd en om de
hals een slap neerhangende plooikraag, die voor vrouwen ongebruikelijk was.
Voorts draagt hij een keten bij wijze van sjerp over zijn rechterschouder en om
zijn hals een ridderorde aan een lint.
In later jaren lieten de Prins en de Prinses zich zelf en hun kinderen herhaal-
delijk conterfeiten door hun hofschilder Gerard Honthorst en deze heeft zich
voor de kennis der hofmodes verdienstelijk gemaakt door de levensgrote en ten
76
voeten uit geschilderde portretten van zijn lastgevers, waarvan hij de kleding
koel en nuchter maar nauwkeurig heeft weergegeven. De mannen beeldt hij
meestal in traditioneel ridderlijke strijdbaarheid geharnast af, jammer voor
ons bedekt het harnas dan hun kleding. Amalia zien wij op afb. 94 in galakle-
ding naar de Franse mode, het décolleté omgeven door een gecompliceerde
kanten kraag.
CONSTANTIJN HUYGENS, In de hofkringen verkeerde ook Constantijn Huygens
(1596-1687). Als dichter heeft hij herhaaldelijk de mode
bezongen en tevens haar excessen belachelijk gemaakt. In
1637
zijn „Kostelick Mal” en in zijn „Voorhout” resp. geschre-
ven in 1619 en 1621, dus in de tijd toen de artificiële mode
der vorige periode nog niet geheel voorbij was, geeft hij
met satirieke critiek beschrijvingen daarvan en doet dat in
woorden die even gekunsteld zijn als de kleding die hij
met vernuftige metaphoren geestig bespot.
Huygens behoorde tot de aanzienlijke burgerstand. Reeds
als jonge man maakte hij in 1622 deel uit van het gezant-
schap dat door de Staten Generaal naar Jacobus I van En-
geland werd gezonden en de Koning sloeg hem bij die ge-
legenheid tot Ridder. Zijn moeder adresseert dan voort-
aan haar brieven aan „Monsieur Huygens Chevalier".6
In 1630 verschaft hij zich door de aankoop van een heer-
lijkheid bovendien de titel van Heer van Zuilichem.
Niettegenstaande zijn literaire satires was Huygens als
t grys Lalichtblouw E otane
man van de wereld persoonlijk zeer op keurige kleding ge- 59.Fr. Hals. Vaandrig der
steld. Uit Londen schreef hij herhaaldelijk over dit onder-
Schutterij
werp brieven aan zijn ouders en klaagt o.a .: „Ce long séjour pardeça com-
mence à très-mal s'accomoder avec mon povre unique habit de satin qui a déjà
beaucoup pati en carosse et en cheval ..... et de quoi payeray-je un habit qui
pour n'estre que de taffetas - comme je le desseigne - avec ses dépendances
montera à plus de 100 francs. Sans qu'encor lors auray-je fait aucune provision
de bas, de bottes, de chapeaux, de gands comme chascun a accoustumé de faire
en ses occasion." Als hij klaagt dat zijn Engelse vrienden zoveel beter gekleed
gaan, antwoordt de oude heer Huygens vaderlijk begrijpend: „,Bruer faictes vous
des habillements tels que vous jugez vous estre nécessaires et convenables."?
In 1625 werd Huygens secretaris van Frederik Hendrik en stond bij hem in hoge
gunst. Wij zien hem op zijn portret (afb. 67) gekleed in een elegant bruin met
goudgalon opgemaakt rijkostuum. Met een hautain gebaar neemt hij van een
bediende een brief aan.
77
JACOB CATS. Ook een andere Nederlandse dichter, Jacob Cats (1577-1660), was
als lid van een gezantschap door de koning van Engeland geridderd en had
bovendien als Raadpensionaris toegang tot de hofkringen. Op zijn portretten is
hij steeds in het zwart afgebeeld. Hoewel Huygens en Cats in nauwe betrekkin-
gen tot de Prins stonden, was dit toch eerder in hun functie van secretaris en
Raadpensionaris dan als dichters. In de schaduw van het weinig dichterlijke
hof van Frederik Hendrik en Amalia van Solms kon zich geen literaire côterie
vormen die gelijkstond met de vermaarde Muider-
kring, waarin wij aanstonds de bloem der Amster-
damse intellectuelen verenigd zullen zien.
HET HOF VAN BOHEME. Een tweede centrum van
mondain leven in Den Haag was het hof van de
ex-koning en -koningin van Boheme. Bekend is de
geschiedenis van Frederik V, graaf van de Palts
(1596-1632) die door de Duitse keurvorsten tot
aanvoerder der Protestanten en koning van Bo-
heme was gekozen. Hij was in 1618 getrouwd met
Elisabeth Stuart (1596-1662), dochter van Jaco-
bus I van Engeland en dit huwelijk boven zijn
stand met een ambitieuze prinses schijnt er veel toe
te hebben bijgedragen de Paltsgraaf naar een on-
zekere koningskroon te doen grijpen die hij na één
winter geregeerd te hebben in de veldslag bij de
Witte Berg dicht bij Praag in 1620 weer verloor.
60. Nic. Elias Pickenoy. Cornelis de
Te's Gravenhage werden de uit Boheme gevluchte
Graeff, Burgem. van Amsterdam
Winterkoning en -koningin door hun ooms Mau-
rits en Frederik Hendrik (Frederik was een zoon van hun zuster Louyse
Juliana) en ook door de Staten gastvrij ontvangen. Een paar aan elkaar gren-
zende huizen op de Kneuterdijk werden hun ter bewoning afgestaan. Olden-
barnevelt en zijn schoonzoon Van der Mijle hadden ze eertijds bewoond en na
de tragedie van 1619 waren zij verbeurd verklaard. Maar de geest van de
grote staatsman schijnt niet tot het luchthartige koningspaar te hebben ge-
sproken, want binnen de muren waar vroeger het welzijn der Republiek werd
overwogen, richtten Frederik en Elisabeth zich nu in met koninklijke pracht en
praal en leefden als rois en exil zorgeloos van de gelden die hun geschonken
werden door de Prins, de Staten Generaal en de koning van Engeland. In 1622
had de Winterkoning een inkomen van F. 420.000 per jaar, maar zijn kindertal
steeg tot 13; zijn hofhouding bestond uit 250 personen, meest Engelse,Duitse
en Boheemse edellieden. De Koningin had 10 Engelse hofdames. Het konings-
78
paar hield bovendien 50 rijpaarden en aangezien zuinigheid een burgerlijke
deugd werd geacht, kwam het altijd geld te kort.
In 1632 stierf de Winterkoning. Zijn dood bracht geen verandering in de
levenswijze van zijn vrouw en kinderen. De opgegroeide zoons waren wild en
bandeloos, te 's Gravenhage noemde men hen de dolle Palatijnen; zij waren be-
rucht om hun straatschenderijen en gaven veel reden tot ergenis. De dochters
waren rustiger en interesseerden zich voor wetenschap en kunst. De oudste,
Elisabeth, was geleerd; zij was bevriend met
Descartes die zich in Holland had gevestigd en
1634
bestudeerde zijn philosophie. Zij correspon-
deerde met hem en met Leibnitz over weten-
schappelijke kwesties en onderhield ook relaties
met Anna Maria van Schuurman. Ook was zij
het middelpunt van een kleine kring van intel-
lectuelen. Een van haar zusters was dilettant
schilderes, leerlinge van Honthorst. Dit Duits-
Engelse hof was naast het stadhouderlijke hof
het voornaamste wereldse milieu te 's Graven-
hage. Het had een intellectueel tintje en het
ging er vrolijker toe dan op het Binnenhof,
want de Koningin was niettegenstaande de
druk van haar vele schuldeisers een altijd op-
gewekte gastvrouw, onvermocibaar en onuit-
puttelijk in het uitdenken en arrangeren van
allerlei vermaken en feesten waar de gehele cos-
61. Rembrandt. Martin Dacy
mopolitische beaumonde van 's Gravenhage zich vertoonde.
Op afb. 78 zien wij de ex-Koning en Koningin van Boheme in elegant rij-
kostuum een wandelrit maken. Op afb. 93 is de Koningin in galakleding voor-
gesteld. Misschien heeft de Engelse koningsdochter die zich goed wist te kleden,
de luxe van Amalia - vroeger haar hofdame en nu haar tante - niet altijd van
de beste smaak gevonden. Er is veel traditie of een bizondere begaafdheid voor
nodig om een vorstelijke staat ook met vorstelijke allure te voeren. Bij de ver-
gelijking van de portretten dieéénzelfde kunstenaar, Gerard Honthorst, van de
beide vorstinnen gemaakt heeft (vgl. afb. 93 en 94), valt het oordeel in het voor-
deel van het toilet van Elisabeth uit, die de sterk gedurfde modevormen: de
van voren afgeplatte lubbenkraag, de wijde gespleten mouwen en de keten van
kostbare bijoux dwars over de borst met koninklijke fierheid weet te dragen.
HAAGSE LEVENSTRANT. Om deze beide hoven groepeerden zich de Nassause
familieleden als Johan Maurits de Braziliaan, die door Jacob van Campen en
79
Pieter Post het Mauritshuis liet bouwen, Frederik van Nassau-Zuylensteyn,
onwettige zoon van Frederik Hendrik en latere gouverneur van Willem III, de
schatrijke Louys Heer van der Leck en Beverweert, onwettige zoon van Mau-
rits en Margaretha van Mechelen, de eveneens zeer rijke veldmaarschalk
Wolfert van Brederode, zwager van Amalia, die allen op grote voet leefden, en
de verdere beaumonde van Den Haag. Het „playsantige" 8 Voorhout was de
plaats waar 's middags als het mooi weer was, de grote wereld samenkwam.
Men at vroeg om 12 of 1 uur en ging
Aet 45
1631
daarna wandelen of rijden, de dames
in karossen die soms met 6 paarden
waren bespannen, dejonge mannen te
paard of te voet en het was een bont
schouwspel van kleurige kleding,
waartussen ook het deftige zwart der
afgevaardigden uit de steden en van
andere hoge staatsambtenaren werd
gezien. Men noemde dit „le Cours des
carrosses" of „le Tour à la mode". Er
werd veel gebabbeld en geflirt en
tegen het einde van de middag maakte
men een wandelingetje door het smalle
Halstraatje om de modenouveautés
uit het buitenland die daar in de
mooiste winkels van 's Gravenhage
62. Th. de Keyser, Heer
verlokkend waren uitgestald, te be-
wonderen of te keuren. 's Avonds liepen de heren, nu meestal zonder dames,
heen en weer over de Vijverberg om te praten over politiek en waarschijnlijk
ook over hun amoureuze avonturen waar veel over te fluisteren viel, want er
werd in de hogere Haagse kringen los geleefd en aanzienlijke dames deden
zonder scrupules daaraan mede.9
HET PATRICIAAT IN DE STEDEN. Terwijl in de vrolijke dorpelijke residentie de
aanzienlijken een cosmopolitisch hofleven leidden, gaven de regenten en de
rijke kooplieden in de steden nog het voorbeeld van een levenswijze in natio-
naal Hollandse trant. Toch begon zich in de vroeger zo democratische steden
en vooral in het machtige Amsterdam een clique van regenten te isoleren die
trachtten de hoge ambten zoveel mogelijk in een kleine kring van enige fami-
lies te houden. Hoewel zelf uit de koopmansstand voortgekomen, gingen zij nu
de handel beneden hun waardigheid achten; zij leefden voortaan van de door
hun vaders en grootvaders verworven vermogens die zij grotendeels in grond-
80
bezit en rentebrieven hadden belegd, en van de niet altijd zuiver legale in-
komsten van hun ambten. Wij zagen reeds hoe te 's Gravenhage niet adellijke
heren als Huygens en vele anderen op titels gesteld waren; de leden der stede-
lijke vroedschappen waren echter nauwelijks minder verlangend naar de be-
vestiging van hun uitzonderlijke voornaamheid. Qok onder hen horen wij
namen die parmantig naar heerlijkheden klinken: de Graeff van Zuid Pols-
broek, Bicker van Swieten, Huydecoper van Maarseveen e.a. De regenten
noemden zich gaarne patriciërs naar de Romeinse
aristocratie wier daden, hun bekend uit hun klas-
1639
zwort
sieke studies aan de Universiteit, zij zich tot voor-
beeld stelden. Zij lieten zich echter niet met de
naam van hun heerlijkheid aanspreken, want
evenals vroeger verbood hun republikeinse trots
hun, adellijke of hoofse allures aan te nemen, die
hun trouwens door hun medeburgers, wier ver-
trouwen zij nodig hadden, niet gegund zouden
zijn. Nog te kort geleden waren zij de gelijken ge-
weest der rijke kooplieden en hoewel de regenten
nu trachtten zich in eigen kring af te zonderen,
sloot de stand der rijke burgers zich nog nauw
daarbij aan.
Hun kleding zien wij op de portretten die zij zich
lieten maken. Terwijl het hof en de beaumonde te
's Gravenhage de voorkeur gaf aan portretschil-
ders der richting van de voornaam-elegante van
63. Rembrandt. Heer
Dijck, lieten de burgers in de steden zich portretteren door de schilders der zui-
ver Hollandse realistische school. In bijna elke stad van enige betekenis treffen
wij een groep van nu wijd en zijd beroemde portretschilders aan, die toen meer
als leveranciers van welgelijkende portretten gebruikt, dan als grote kunstenaars
gecerd werden: Frans Hals, Thomas de Keyser, Nicolaes Elyas Pickenoy, de
jonge Rembrandt en nog vele anderen hebben hun opdrachtgevers en hun
vrouwen in hun beste kleren afgebeeld, afzonderlijk op voor eigen woning be-
stemde portretten, of groepsgewijze als regenten van liefdadige instellingen,
overlieden van gilden en schuttersofficieren op kolossale doeken die bestemd
waren om te prijken aan de wanden van philanthropische gestichten, gilde-
huizen of schutterdoelens.
DE KLEDIJ DER BURGERS. De stoere oer-Hollandse mannen die wij op deze por-
tretten in al hun rustige verzekerdheid en teruggetrokkenheid zien afgebeeld,
konden zo min als de mannen der vorige generatie de zwierige dracht der
81
Franse kavaliers onveranderd overnemen, maar evenals dezen waren zij toch
te maatschappelijk, door hun relaties met het buitenland te cosmopolitisch, te
afkerig van een bizar en opvallend uiterlijk om zich geheel buiten de mode te
kleden. Zij namen dus de door Parijs voorgeschreven modevormen aan, maar
lieten daarin door hun snijders wijzigingen aanbrengen, waardoor hun kleding,
ofschoon de mode volgend, tevens in overeenstemming werd gebracht met hun
burgerlijke aard en republikeinse gezindheid. Door de keuze van het discrete
±1630
64. Linnen Wambuis (Engels)
zwart, van kostbare stoffen en dure kant getuigde hun kleding toch van aan-
zien en rijkdom. Zij kreeg een heel eigenaardig Hollands karakter, dat volko-
men paste bij de ingetogen sfeer van hun huizen.
DE KLEDIJ DER VROUWEN. Ook hun vrouwen wisten, zodra de eerste jeugd voor-
bij was - en soms al vroeger (afb. 90) - haar kleding te maken tot de uitdruk-
king van haar gesloten ongenaakbaarheid. In wezen conservatief, omdat haar
leven binnen vast afgebakende grenzen verliep, waren zij altijd een paar modes
ten achter; zij zochten en vonden daarin een eigenaardige distinctie. Op schil-
derijen die twee generaties afbeelden, b.v. op het door Dirck Santvoort geschil-
derde portret van Burgemeester Dirck Bas Jacobsz. en zijn gezin in het Rijks-
museum (1634) zien wij de dochter gekleed naar de nieuwe mode met platte
kraag, terwijl de moeder over haar zwart vliegērkostuum in oude stijl nog de
stijve plooikraag draagt. Door deze strenge en conservatieve kleding deden
deze plichtsgetrouwe vrouwen, wier ziel naast de zorg voor man en kinderen
82
verknocht was aan een onberispelijke huishouding, vroeg afstand van de zucht
om te behagen die aan de jeugd eigen is. En het fatale uur van de ouderdom
sloeg toen zoveel vroeger dan nu! De ongeveer go-jarige Dorothea van Dorp,
een Haagse, ontziet zich niet in een brief aan haar vriend Constantijn Huygens
geschreven (1624) de 40-jarige en pas getrouwde Anna Roemers, de zuster van
Tesselschade, een oud kreng te noemen: „Anne Rommers is hier met haren
man ... Sij is soo versiert met den man als ofse een jonghe mallote waer ...
43 122
kzaag
schoudezklep
8
6
0
0
6
19%
IB
boven
pand
mouwopsfaq
ondez
02
9
mouw1
-. 21%
mOuW
44
Dy
met x y 3 werd het wambuis
teeds in vzoegez tyd uitgeleqd
i52
13
schoot
schoot
schoot
schoot
pand
pond
pand
pand
tusschen finnen
16/2
1625
65. Patroon van het linnen wambuis op afb. 64
Ick sou qualick worden om sulcken ouwen crijng soo mal te zien."10
Soms zien wij vrouwen die jonger waren dan de zo fel gesmade Anna Roemers
reeds in uiterst ingetogen dracht. Maria Pijnacker, de vrouw van Willem de
Lange, liet zich op 27-jarige leeftijd afbeelden in een zeer stemmig maar onbe-
rispelijk en zeker heel duur zwart satijnen vliegerkostuum, met haar kerkboek
naast zich, alsof zij zo uit de kerk kwam (afb. go). Hier en in vele andere geval-
len zal een rechtzinnig Calvinistische gezindheid invloed hebben gehad op de
keuze van de onwereldse stijl van haar kleding.
Maar persoonlijke voorkeur en smaak en de gedachte aan de gelegenheid waar-
voor de kleding moest dienen, gaf vele vrouwen aanleiding tot het kiezen van
een veel modieuzer kledij. Catharina Hooft, Amsterdamse patriciërsdochter,
trouwde in 1635 met de bekende Cornelis de Graeff van Zuid Polsbroek die in
het volgende jaar burgemeester van Amsterdam werd. Zij draagt op haar por-
tret (afb. 92) wel deftige maar toch heel moderne en mondaine kleding met een
83
mooie platte kanten kraag en een kostbaar parelsnoer dwars over de borst.
FEESTKLEDING. De schilders van feestvierende gezelschappen, Dirck Hals, Pieter
Codde, Anthonie Palamedesz, Willem Cornelis Duyster, Jan Miense Molenaer
e.a. die allen in verschillende Hollandse steden, maar niet te 's Gravenhage ge-
werkt hebben, vertonen ons in deftige interieurs of op buitenplaatsen mannen
en vrouwen uit de regenten- of aanzienlijke burgerkringen in blijde kleurige
feesttooi. In het Rijksmuseum is een schilderij van Dirck Hals (nr. 1082) dat
een feestvierend gezelschap voorstelt, gekleed naar de mo-
11625
de van 1625-1630. Op de achtergrond staat een groot
herenhuis, vermoedelijk de woning van de opdrachtgever
die tevens de gastheer geweest zal zijn. Dit schilderij geeft
ons een denkbeeld van een buitenpartij in de buurt van
cose
Haarlem of misschien bij Amsterdam (afb. 53). Een schil-
pooz afuDzo
derij van Duyster, eveneens in het Rijksmuseum (nr. 851)
bekend onder de naam van de Bruiloft van Ploos van Am-
stel die in 1616 gevierd werd, moet, zoals uit de kleding
blijkt, ongeveer in dezelfde tijd geschilderd zijn als het stuk
van Dirck Hals.11 Op beide schilderijen hebben de gasten
die allen jong zijn, weelderige feestkleding aan (afb. 66).
De bruidegom en een paar gasten dragen zwarte maar
hoogst elegante bruiloftskleding met veel versiering. Deze
en andere schilderijen geven ons reden om aan te nemen
dat vele jonge mannen en vrouwen uit patricische kringen
zich de fleurige kleding veroorloofden die paste bij het nog
66. W. C. Duyster. Brui- onbezorgde leven en de vrolijke lach der jeugd (afb. 87 en
loftsgast
88). Waarschijnlijk zijn het dezelfden die zich met een
sterk gevoel voor wat hun volgens de toenmalige opvatting op verschillende
leeftijden paste, later zo deftig en streng in het zwart gingen kleden.
DE MUIDERKRING. In de omgeving van Amsterdam treffen wij behalve zulke
wereldse gezelschappen ook de vermaarde literair-intellectuele côterie aan die
bekend is onder de naam van Muiderkring. Deze werd zoals men weet ge-
vormd door een groep van aanzienlijke of althans welgestelde burgers, dichters
en geleerden als Vossius, Caspar van Baerle, Reaal, Samuel Coster, Dirck
Graswinckel, de architect Jacob van Campen, terwijl soms als bizonder ge-
waardeerde gast ook Constantijn Huygens verscheen. De vrienden ontmoetten
elkaar 's winters ten huize van de burgemeesterszoon en dichter P. C. Hooft op
de Keizersgracht en 's zomers op het Muiderslot waar hij in zijn kwaliteit van
Drost van Muiden een gedeelte van het jaar doorbracht. Vondel, die als kou-
senkoopman tot een andere stand behoorde en van zijn kant weinig voelde voor
84
het spelend vernuft van de Muiderkring, kwam er maar zelden. Onder de vele
vrouwen die mede uitgenodigd werden, was de geestige en aantrekkelijke Anna
Maria Tesselschade wel de meest gevierde en gezochte. Wij zouden willen we-
ten in welke kleding de vrolijke gasten van de Drossaart zich in de Muider-
kring vertoonden, maar helaas zijn van de gezellige bijeenkomsten geen schil-
derijen of prenten voorhanden. Een door Goltzius getekend portretje van
„Tesseltje” toen zij nog maar 18 jaar oud was, waarop zij is voorgesteld met een
zedig mutsje en een plooikraagje (afb.
47), is gemaakt ten huize van haar
gzoen
] tood-bruin
vader Roemer Visscher. Dat zij later
een vlieger droeg, blijkt uit haar testa-
1627
ment van 1625 waarin zij de meest
waardevolle stukken van haar lijfgoed
aan haar zusters vermaakte: „Prelega-
teerde voorts sij testatrice in den voor-
seyde gevalle d'voornoemde Annitgen
Roemers haar beste damaste vlieger
ende Truytgen Roemers hare beste
damaste rock." 12
DE KLEDING DER SCHUTTERS. Door tal-
rijke schutterstukken in onze musea is
de kleding der schutters ons vrij nauw-
keurig bekend. De schutters, die de ge-
wapende burgerwacht der steden
beige
geel E goudgalon
vormden, behoorden tot de welgestel- 67. Thomas de Keyser. Constantyn Huygens met
de middenstand, want zij moesten de
een bode
middelen hebben om hun uitrusting zelf te betalen; de kapitein en de luitenant
kwamen echter meestal uit de regentenstand voort. De schutters hadden geen
uniform, zij droegen als krijgstenue burgerkleding, maar deze was in vele ge-
vallen wat kleuriger dan die welke zij in het dagelijks leven plachten aan te
hebben. In vele inventarissen vinden wij deze als „optreckkleeren" speciaal
genoemd. Sommigen droegen kolders van geel leer of van zwaar gevoerde wol-
len stof, anderen borstharnassen tot beschutting in de strijd. De meesten heb-
ben lage schoenen aan, enkelen mooie kaplaarzen van soepel leer. Kleurige
sjerpen, sluiers genoemd - ieder vendel had gewoonlijk eenzelfde kleur voor de
sjerpen - en bonte pluimen op de breedgerande en naar militaire zede meestal
scheef opgezette of achterovergeschoven vilthoeden, verlevendigden het op-
treckkostuum en gaven aan deze burgerheren, hoewel zij er op de schilderijen
lang niet allen krijgshaftig uitzien, toch een enigszins martiaal uiterlijk. De
85
Kapitein der Schutterij heeft op de schilderijen meestal een stok in de hand.
Het distinctief van de Luitenant was de sponton of partisan,13 een korte piek
van 2 à 3 el lang, van boven meestal met een kwast versierd. De sergeant droeg
de veel langere hellebaard die aan het boveneind onder de metalen spits aan de
ene zijde een bijl had. De lange stok van het door de vaandrig gedragen vaan-
del had een platte spits in de vorm van een lang, smal blad. De gewone schut-
ters droegen lange pieken.
LEGERUNIFORM. De meest uit vreemdelingen samengestelde legers der Repu-
bliek hadden in deze tijd ook nog geen uniform. Wel waren enkele afdelingen
eenkleurig en eenvormig gekleed, maar in het algemeen droegen officieren en
soldaten burgerkleding, waaraan zij evenals de schutters door het kiezen van
kleurige stoffen, pluimen en sluiers een militair karakter wisten te geven.
DE KLEDING DER BURGEMEESTERS. Het schijnt dat de burgemeesters de tab-
baard nu niet meer droegen. In het Mauritshuis is een klein schilderij van de
Keyser (nr. 78) waarop de burgemeesters van Amsterdam zijn voorgesteld op
het ogenblik dat zij oprijzen bij het bericht van de aankomst der Franse konin-
gin Maria de Medicis in ons land (1638). Zij zijn gekleed in zwart wambuis,
broek en mantel.
EREWACHT BIJ DE INTOCHT DER KONINGIN. Bij de intocht der koningin te Am-
sterdam werden grote feesten gegeven waarvan Caspar van Baerle een be-
schrijving gemaakt heeft en hij memoreert daarbij ook de kledij van de ere-
wacht: „Il y avait une belle troupe de Cavallerie qui venait du devant de la
Reyne pour l'accompagner et conduire en la ville. Ce n'étoyent point gendar-
mes à gage, mais la fleur de la jeunesse d'Amsterdam qui n'a point accoustumé
à la guerre par le commandement du Prince ou des Seigneurs, mais de son bon
gré entretient des chevaux pour un honnête exercice du corps et de l'esprit ...
Ils avaient pour toutes armes que l'espée et le pistolet. Leurs chapeaux étaient
couverts de superbes panaches de diverses couleurs ... Il y avait 3 cavaliers à cha-
que rang. Devant eux marchaient 3 trompettes vestus d'escarlate, faisans retentir
l'air de leurs fanfares et remplissans les oreilles d'une harmonieuse mélodie.
Les cavaliers estoyent distinguez entreux par la façon et couleur de leurs ha-
bits. Les uns estoyent couverts de velours, les autres de satin, les autres de pan-
ne. Derechef les uns avaient des accoutrements d'escarlate, les autres des
brodés, les autres des découpés et mouchetés. La plupart avoient pour habit de
dessus un collet de buffle à la soldatesque. En somme il les faisoit tous fort beau
voir."14 (afb. 84 E).
Dit waren de gouden jaren van de Gouden Eeuw!
86
V. DE KLEDIJ DER MANNEN
1620-1640
HET WAMBUIS EN HET ROXKEN. De in het eind van het vorige tijdperk begonnen
veranderingen der mode voltrekken zich nu langzaam. Het wambuis en het
roxken behouden ten dele nog de oude in Hoofdstuk I beschreven vorm. On-
veranderd blijven gedurende het gehele tijdperk het staande kraagje, de slui-
ting der voorpanden met dicht onder elkaar geplaatste knopen en knoopsgaten
of lussen, de platte schouderkleppen over de armsgaten en de garnering met
passement. Het lijfstuk is echter wijder en niet meer, of althans veel minder op-
gevuld; tevens wordt het aanmerkelijk korter, doordat men het middel om-
hoog schuift. De schootpanden worden daarentegen langer. De mouwen zijn
wijder dan vroeger; de mouwnaad is van voren dikwijls over de gehele lengte
open gelaten, zodat de witte hemdsmouw er even uit te voorschijn komt. De
hangende siermouwen gaan uit de mode en komen nog slechts bij uitzondering
voor (afb. 62). Sommige wambuizen zijn met passement of met koorden gegar-
neerd, andere blijven onversierd. Losse mouwen worden nog steeds gedragen
(afb. 71). Het is nu chic om het wambuis van voren althans gedeeltelijk te laten
openstaan; ook daar komt dus soms een stukje van het hemd te zien.
De mode laat nog steeds de keuze tussen het wambuis waarvan de taillelijn en
de schootpanden van onderen spits toegesneden zijn, en het wambuis waarvan
de taillelijn en de onderlijn der schootpanden van onderen horizontaal lopen.
De eerstgenoemde worden tot omstreeks 1635 nog steeds gedragen. Dirck Hals,
de schilder van mondaine bijeenkomsten, kleedt daarin bij voorkeur zijn
figuren. Aan de eis om het middel hoger te plaatsen, kan die puntige vorm ech-
ter niet voldoen, omdat de benedenwaarts lopende taillenaad de voorpanden
in het midden lang maakt (afb. 53-55). Het puntige wambuis heeft dus geen
toekomst meer. Een poging tot een compromis vertoont het wambuis op afb.
56, waarvan de taillenaad horizontaal is gelegd, terwijl de onderkant nog een
stompe punt heeft behouden. Ook deze compromis-vorm verdwijnt echter vóór
1640. Het wambuis en het roxken met horizontale taillenaad en horizontaal
eindigende schoot, waarvan het middel dus gemakkelijk hoger gelegd kan wor-
den, heeft een langere toekomst (afb. 57-61, 87 en 88).
Sommige wambuizen en roxkens uit de latere jaren van het tweede tijdperk
hebben geen aangezette schootpanden meer doch zijn uit één stuk stof gesne-
den; de onderkant loopt horizontaal. Zij zijn vrij kort en de voorlopers van nog
korter wambuizen en roxkens, die wij in een volgende periode zullen aantreffen
(afb. 62 en 63).
87
Uit het nieuwe verlangen om de spanning van het wambuis om het bovenlijf op
te heffen, is waarschijnlijk ook de herleving voortgekomen van de mode om
overlangse spleten 1 over borst, rug en mouwen van het wambuis en het roxken
aan te brengen. Honderd jaar geleden had men dat ook gedaan. Meestal komt
tussen de spleten een dunne voering van gekleurde zijde te zien (afb. 58 en 59).
De verbinding van het wambuis met de broek ondergaat nu ook een verande-
ring. Men zal zich herinneren, hoe de broek vroeger met gemaliede veters van
binnen aan het wambuis bevestigd was of aan de bui-
±1625
-30
tenzijde zichtbaar werd vastgestrikt. Ook in deze tijd
komt dit nog voor (afb. 53-55). Maar voortaan ge-
schiedt het vaststrikken van de broek toch meestal op
minder omslachtige wijze: aan een band die aan de
binnenzijde van het wambuis langs de taillenaad is
aangebracht, worden metalen ogen vastgenaaid en aan
de broeksband zet men haken, die in de ogen worden vast-
gehaakt. Op afb. 64 kan men zien, hoe die binnen-
band in het wambuis is aangebracht. De vetergaatjes in
die band zijn waarschijnlijk van oudere datum. De ha-
gzys
ken aan de broeksband ziet men op afb. 80 en 81.
Hoewel de verbinding van de broek aan het wambuis
nu voortaan onzichtbaar is, ziet men echter op vele por-
tretten aan de buitenzijde van het wambuis of het
roxken langs de taillenaad grote strikken van breed lint
met malies, waarmede de broek schijnbaar nog aan het
bzuin
grys-geel
68. Dirck Hals. Dansende
wambuis is vastgemaakt (afb. 56, 60, 61 en 87). Deze
officier
lintstrikken of lintrozetten, zoveel groter dan de vroe-
gere veterstrikken, zijn nog slechts een herinnering daaraan; zij hebben geen
practische functie meer en zijn louter ornament geworden, dat de aesthetische
bedoeling heeft nog eens extra de aandacht op het omhoog geschoven middel
te vestigen en de taillenaad in horizontale richting te bedekken en te versieren.
In de inventarissen van deze tijd worden vele wambuizen en roxkens genoemd,
maar zonder nieuwe gegevens omtrent deze beide kledingstukken op te leveren.
De inventaris van de rijke Amsterdamse lakenhandelaar Dirck Alewijn ver-
meldt o.a .: „vijff onderwambassen. - Twee satijnen wambassen aen deene
twintich goude knoopjes. - Vier paer effen satijne mouwen soo in de wambai-
sen geregen als daer buyten."2 Piet Hein, de vlootvoogd der West-Indische
Compagnie, liet in 1629 - dus een jaar nadat zijn overwinning op de Spaanse
zilvervloot met F. 7000 beloond was - een welvoorziene kleerkast na, waarin
behalve tien pakken ook nog twaalf prachtige wambuizen voorhanden waren,
88
o.a .: „een swart satijne gebloemde rockge met satijne koorden ende gevoert
met armesijde" en „cen paers satijn wambas met france koorden geboort."3
Van de makelij en de snit van een wit linnen Engels wambuis geeft afb. 64 en
65 ons een denkbeeld. Het patroon behoeft zeker weinig verklaring. Om het
wambuis te verwijden werd fig. x tussen voor- en zijpand ingelegd; fig. y dien-
de om de ondermouw bij A, B en C te verwijden en fig. z om het op de afb.
meest rechts geplaatste schootpand te verbreden.
DE KOLDER. Evenals in de vorige periode is het ook nu
soms moeilijk om de kolder met zekerheid van het roxken
1632
of het wambuis te onderscheiden. Stellig echter draagt
Ernst Casimir, Graaf van Nassau en Stadhouder van Fries-
land (1632 t) op zijn portret (afb. 70) onder zijn borst-
geel grys
harnas een leren kolder zonder mouwen. In het Rijks-
museum wordt nog een geel leren kolder bewaard, die
hem moet hebben toebehoord. Het patroon daarvan is op
afb. 79 weergegeven. De maten van deze kolder zijn heel
groot en komen dus wel overeen met de forse gestalte op
het portret. Ook Luitenant Rotgans (afb. 69) die als
schutter zijn „optreckkleed" aan heeft, Constantijn
Huygens die zich in rijkleding liet schilderen (afb. 67) en
een der bruiloftsgasten op een schilderij van W. Duyster
(afb. 66), die in feestkleding het bruidspaar zijn geluk-
wensen komt aanbieden, dragen waarschijnlijk kolders,
want alle drie hebben de voor de kolder karakteristieke
zwart
lange schoot. De schoot schijnt met het lijfstuk aaneen ge- 69. Thomas de Keyser, L.
sneden te zijn, zodat het middel alleen door het uithollen
J. Rotgans, Luitenant der
Schutterij
der zijnaden op de verlengde taillehoogte wordt aangeduid. De kolder van de
dichter Huygens is nieuwerwets en mooi van snit. Het middel is hoog aange-
geven, het schootgedeelte heel lang. Van voren is langs de sluiting en de splitten
van de schoot een versiering van korte dwarsgelegde stukjes goudgalon met
knoopjes en lussen aangebracht, die door hun contrasterende richting het effect
der dominerende lange contouren versterken. De mouwen schijnen tot een on-
derwambuis te behoren, de voornaad is gespleten, maar weer met knoopjes ge-
sloten, zodat het hemd niet te zien komt. De kolder van luitenant Rotgans heeft in
hoofdzaak dezelfde vorm, maar door de plompe snit en het ontbreken van ver-
siering maakt hij een veel minder elegante indruk. Afb. 68 vertoont de achterkant
van een kolder. Piet Hein had „Een buffelse kolder met twee gout ende silvere
passamenten geboort ende gevoert met roo satijn" en „Noch een ongeboorde
kolder gevoert met roo damast". Een mooie voering wordt dus ook verlangd!
89
Onder het harnas dragen militairen in plaats van de kolder ook wel een kiel-
vormig kledingstuk met wijde schoot (afb. 71).
DE BROEK. In het begin van het tweede tijdperk wordt een wijde, even boven
de knie dichtgebonden pofbroek door jonge mannen uit de beaumonde nog
veel gedragen, meestal in combinatie met het van voren spits afgesneden wam-
buis, maar ook wel onder de lange, van onderen horizontaal eindigende kolder.
Deze wijd gesneden pofbroek krijgt geen opvulling meer, zodat zij diepe verti-
cale plooien vormt. De zijnaden zijn belegd met
passement of met knopen bezet. Het onderste ge-
deelte der zijnaden wordt niet dichtgenaaid, zodat
een split ontstaat dat het doorsteken van de voeten
gemakkelijk maakt; met knopen en knoopsgaten
kan het weer gesloten worden. Onder aan de knie-
banden van de broekspijpen zijn veelal veters aan-
gebracht, die dienen om er de kousen, of bij rij- of
jachtkostuum de kaplaarzen of de daarin gedragen
overkousen aan vast te strikken. Uit de broekspijpen
komen soms ook witte of gekleurde schulprandjes te
voorschijn; de witte schijnen de bovenrand van de
kousen te zijn, de gekleurde zijn misschien een ver-
siering van de broek. Deze pofbroek blijft tot om-
streeks 1630 in de mode (afb. 53, 66, 67 en 77).
Alleen als pagedracht heeft de even boven de knie
gtys
reikende pofbroek een veel langer leven. Het was in
70. W. Szn. de Geest, Graaf Ernst de 17de, evenals in de vorige eeuw, gewoonte dat
Casimir van Nassau
jongens van goeden huize zich als pages in dienst
stelden aan de hoven van vorsten of in de huizen van aanzienlijke families, waar
dan tevens hun opvoeding voltooid werd. Deze pages dragen een soort livrei,
die natuurlijk niet overal eender is, maar wel overal een eigenaardig conserva-
tief karakter heeft. De pofbroek wordt daarbij in allerlei vormen nog lange tijd
in ere gehouden (afb. 76).
Gelijktijdig met de boven de knie gesloten pofbroek komt ook de onder de knie
gesloten wijde pofbroek voor. Ook deze heeft met galon en knopen versierde
zijnaden, die bij de knie in een split eindigen. Met opzettelijke achteloosheid
laat men de onderste knopen van het split soms openstaan (afb. 58 en 75).
Omstreeks 1630 wordt de onder de knie gesloten broek veel nauwer. Want wie
zich naar de mode kleedt, draagt nu het nieuwerwetse wambuis of de kolder
met het korte lijfstuk en de lange schootpanden, waaronder maar weinig ruim-
te is en waarbij een minder wijde broek het beste past. Bij deze nauwere broek
90
blijft de garnering der zijnaden, de splitvorming en de sluiting onder de knie
onveranderd. Overeenkomstig de omhoog geschoven taillelijn wordt de boven-
band van de broek nu ver boven het middel omhoog getrokken. Deze broek,
die zowel voor daagse als voor geklede dracht dienen kan, doch die, nu zij zo
nauw is geworden, eigenlijk niet eens meer met de naam van pofbroek kan wor-
den aangeduid, is wel bij uitstek karakteristiek voor de mode der laatste tien
jaren van het twede tijdperk (afb. 60-63 en 69).
Een zeldzaam exemplaar van een nog tame-
lijk wijde pofbroek, die tot onder de knieën
Bzuin
reikt, wordt bewaard in het Rijksmuseum te
Amsterdam. Volgens de overlevering heeft zij
7ood
tocbehoord aan Ernst Casimir van Nassau en
al geel
dit stemt althans met de afmetingen overeen,
blauw
want de broek is, evenals de hiervoór beschre-
haznas
ven kolder van de Friese Stadhouder, heel
groot van formaat (afb. 80 en 81). Zij is echter
anders van snit dan de gestreepte broek, die,
op zijn portret door de Geest, in de hoge kap-
laarzen verdwijnt (afb. 70). De broek is ge-
maakt van bruingeel, nu verschoten laken;
van voren wordt zij gesloten met knopen en
knoopsgaten. Langs de zijnaden zijn korte,
dwars gelegde stukjes passement en knopen en
knoopsgaten van zilverdraad aangebracht.
Opzijde zijn verticaal zakopeningen inge-
71. Th. Rombouts. Militair
sneden. Met aan de bovenband bevestigde haken wordt, zoals op p. 88 reeds
vermeld is, de broek van binnen aan het wambuis gehaakt. Van binnen is zij
met wit linnen gevoerd, de zakken met zijde.
Omstreeks 1625 komt in Frankrijk een nieuw model van broek in de mode, dat
bij ons eerst verscheidene jaren later doordringt. Het is een terugkeer tot de
broek met cilindervormige, van onderen open pijpen, die in het eind van de
16de eeuw en het begin van de 17de eeuw gedurende enige tijd mode was ge-
weest. Ook van de nieuwe broek blijven de pijpen van onderen open; nu de
broek zoveel nauwer is geworden, is de ruimte die er nodig is om de pijpen aan
de kniebanden te rimpelen trouwens te gering geworden om nog enig effect te
maken. De nieuwe broek is eerst nog tamelijk ruim en reikt tot aan de knieën,
later wordt zij langer en nauwer en reikt tot halverwege de kuit, Van onderen
zijn rondom de open pijpen soms strikken gezet en soms veters, welke laatste
bestemd zijn om de schachten van de kaplaarzen of van de daarin gedragen
91
lange overkousen aan de broek vast te binden. Bij deze broek draagt men zowel
lage schoenen als kaplaarzen (afb. 56, 59, 68, 73, 87 en 88).
DE KRAGEN EN BEFFEN. Op de hiervóór beschreven wambuizen, roxkens en
kolders draagt men allerlei modellen van kragen. De meeste zijn ons reeds uit
het vorige tijdperk bekend: de stijve Spaanse plooikraag met regelmatig ge-
pijpte lubben, die de vrouwen nog blijven dragen, maar voor de mannen ouder-
wets wordt (afb. 77); de dikke, soms tegen de oren opstaande plooikraag die in
gecompliceerdere, lossere golvingen is gestreken, of on-
±1635
regelmatig is ingehaald (fraise à la confusion) (afb. 54,
55, 57 en 69) en de nieuwerwetsere, dunne, slap over
borst, schouders en rug neerhangende plooikraag
(afb. 53, 62, 66, 67, 74, 78, 84 A en B). Ook ziet men
wel eens kleine, over de staande kraag van het wam-
buis omgeslagen kraagjes (afb. 75 en 84 C). De plat-
te, omgeslagen bef, die boven de schouders horizon-
taal uitstaat, komt in het begin van dit tijdperk nog
wel voor, maar gaat, als het haar langer wordt, uit de
mode (afb. 52, 72 en 76).
Maar geen van de bovengenoemde modellen voldoet
eigenlijk aan de nieuwe mode, die een lange, ononder-
broken schouderlijn vordert. De horizontaal boven
de schouders opstaande bef wordt daarom voortaan
3wart
plat over de schouders neergelegd en veel groter ge-
maakt, zodat zij door haar vlakke strekking de schou-
72. A. van Dyck. Joost de Her- ders verbreedt. De nieuwe bef 4 wordt gewoonlijk uit
togh, Gezant
een rechte reep linnen gesneden en krijgt dan haar
ronde vorm door het invouwen van pinces (afb. 86 b, c en d en 82 E).5 De bef
wordt meestal met een brede rand van kant afgezet en van voren vastgebonden
met witte koordjes, aan wier uiteinden kleine, kunstig bewerkte eikelvormige
„akertjes” zijn bevestigd, gemaakt van wit, kunstig in knoopjes gelegd linnen
garen, soms met toevoeging van kraaltjes of ook wel van goud- en zilverdraad.6
Ook zijn aan de koordjes wel eens kleine platte stukjes kant of borduursel vast-
gemaakt. In de regel liggen de onderste punten van de korte voorzijden dezer
kragen - althans van het linnen gedeelte - op de borst ver uiteen, (afb. 85 b) en
alleen als een brede kantgarnering is toegevoegd, raken zij elkaar (afb. 56,
59-61, 70, 73).
Een nieuw model, waarvan de korte zijden van voren aan elkaar sluiten, en
dat in het volgende tijdperk in de mode komt, kondigt zich in deze tijd reeds
aan (afb. 63, 87 en 88).
92
De kragen en beffen zijn duur, duur in aankoop en ook in onderhoud; wie zich
de luxe veroorloven kan, heeft er hele voorraden van. Zij worden bewaard in
dozen: „Noch een doos met drye gesteeven manskraegen met kanten“.7 De
lakenhandelaar Dirck Alewijn liet in 1637 na: „28 kraegen goet", „negen oude
kragen" en „ses mansbeffen." Piet Heyn liet na: „vijftijen katoendoecke kra-
gen; drye katoene kragen met binnenwerck (entre-deux); vyftyen kamerixe
kragen; twaelf beffgens".
Nicolaes van Reigersberch, die veel aandacht en zorg
aan zijn kleding besteedde, liet zijn kragen liefst uit
1630
Parijs kømen; in de brieven van zijn zuster vinden
wij daarover telkens berichten en vernemen wij te-
vens iets over de prijzen en over het verschil tussen de
mode te Parijs en in Holland. Op 27 Maart 1631
schrijft zij: „Aengaende Ued. kleeren: zijn onder-
weege. Daer en is maer één rabat hier en zijn sulcke
rabatten niet meer te crijgen. Bijaldien U.E. begerdt
ghelijck mender nu draght, men moet nu voor ider
vijf, ses of zeven croenen geeven." En half Maart
1635: „Aengaende U rabatten ben daermeede be-
commert, want en weet niet wat ic u zenden soude.
U.E. wilt geen clare ghesteven hebben, ooc niet heel
groot en dat is de moode. Ic ben meede van U opinie
dat die niet wel en staen, maer men draghtse zoo,
ofte heel kleinne, ghelijck neef Hugens placht te dra-
gen. De luden van staet dragense clein maer die gaen
73. P. Quast. Heer
anders gekleedt dan ghij doet. U.E. zoudt wel doen en latender daer macken
als mense daer draght, want hier is een zotte moode."8
DE PONJETTEN. Terwijl de kragen groeien, worden de platte omgeslagen man-
chetten of ponjetten, die in het begin van dit tijdvak nog lang waren en soms
tot dicht bij de buiging van de arm reikten, later weer korter en naar boven
wijder uitstaande, omdat de mouwen van het wambuis ook wijder zijn en de
voornaden veelal open blijven. Ook de ponjetten omboordt men meestal met
kant (afb. 53-62, 66-68, 72, 76, 87 en 88). Zij zijn evenals de kragen een dure
dracht, die veel zorg en onderhoud vereist. Wie op een keurige kledij gesteld is,
ziet zich genoodzaakt er een groot aantal in voorraad te hebben. De klederin-
ventaris van Dirck Alewijn vermeldt ,,40 paer ponjetten", daarentegen bevat
de rijke garderobe van Piet Hein slechts „twee paer ponjetten."
HAAR EN BAARD. De meeste mannen dragen opgestreken knevels en een sik à la
Henri IV of een klein puntbaardje. Enkelen scheren het gezicht geheel glad.
93
Het haar wordt daarbij door velen nog kort afgesneden en opzijde gescheiden.
(afb. 54, 55, 57, 62 en 70). Maar het haar is al zo lange tijd kort geweest, dat
een reactie niet meer kan uitblijven en nu in plaats van de stijve plooikraag
(die geen lange lokken toeliet) de grote platte rabat in de mode komt, laat men
het haar langer groeien en in losse golvende lokken op de bef neerhangen, liefst
niet al te correct, omdat de nieuwe Franse moderichting immers een zekere
achteloosheid verlangt. De lokkentooi vergroot nu ook, overeenkomstig de ver-
breding van bef en schouders, de omvang van het
1633
hoofd (afb. 53, 56, 59, 63, 67, 73, 87 en 88). Om-
streeks 1635 ziet men op sommige portretten het haar
op het voorhoofd horizontaal, als een franje afgesne-
den (afb. 56 en 88).
Wie de Franse mode in alle bizonderheden volgt, laat
aan beide zijden van het hoofd of aan één kant een
lange haarlok met een strikje aan het uiteinde naar
voren hangen. Deze haarlokken worden cadenettes
genoemd naar de uitvinder van deze geaffecteerde
dracht, Cadenet, broeder van Charles Albert, hertog
van Luynes, de bekende gunsteling van Lodewijk
XIII. Later verandert de naam in „moustaches".9
Waarschijnlijk heeft Huygens op de cadenettes gezin-
speeld, toen hij in zijn Kostelick Mal, overwegende
wat Eva wel van haar nakomelingen gedacht zou
hebben, schreef:
74- A. Willaerts. Heer
„Die U naer (na) 't ongeval van 't sondigh appel-
slocken, voor ooghen had gebrocht twee opgetoomde locken."10
De benaming moustache wordt gebruikt door Lieuwe van Aitzema in zijn be-
schrijving van de onthoofding van de hertog van Montmorency te Toulouse in
1632: „Daer naer begheerde hij sijn haer ende hangende lock afghecort te
hebben door sijn Chirurgijn, die door tranen ende herteleet gheperst zijnde,
sulcks niet durfde bestaen, dies hij selfs de lock ofte moustache afsnijdende,
deselve gaf aen den Biechtvader om te verbranden."11
DE HOEDEN. De hoge cilindervormige hoed, die vroeger de figuur moest ver-
lengen, wordt nu vervangen door een grote, zwarte of grijze vilthoed met brede
rand, die aan het volume van het hoofd de nodige importantie geeft tegenover
de verbreding van het bovenlijf en het grote witte kraagvlak. Eerst heeft de
breedgerande hoed nog wel eens een lage bol (afb. 66 en 84 A), maar weldra
wordt de bol wat hoger. De brede rand van de slappe vilthoed kan op allerlei
manieren worden op- of omgeslagen. Deze hoed kan men op verschillende
94
manieren dragen: hij is rijk en zwierig, als de jonge kavalier hem tooit met
kleurige vederbossen, gouden gespen en edelstenen; de schutter plant hem met
soldateske branie achterover of schuin op het hoofd, terwijl dezelfde hoed,
recht opgezet en eenvoudig opgemaakt met een lint of een koord onder langs
de bol, hoogstens met toevoeging van een enkel kostbaar juweel of gesp, een
deftige hoofdbedekking is voor achtenswaardige regenten en rustige burgers
(afb. 52, 53, 55, 56, 58-61, 63, 66-69, 71, 73-78, 84 en 87).
Piet Hein had o.a. „,een cleur de meuilge
hoet van cabehair sonder bant, een paersse
geel-bruin
karpoes, een zeekarpoes, en een sij damaste
karpoes."12 De karpoes is een ronde muts
1627
van bont of geweven stof. De vissers en
zeelieden op Urk en te Volendam noemen
nu nog hun mutsen van bont of imitatie
bont karpoezen.
De bonnet, erfstuk uit de 16de eeuw, wordt
gzys-gzoen
door schilders en muzikanten nog wel ge-
dragen, maar komt in het mondaine en
burgerlijke leven niet meer voor (afb. 84E).
DE KOUSEN. In de inventarissen worden
nog steeds linnen, katoenen, gebreide sajet-
ten, wollen, garen en zijden hozen, kousen,
reiskousen, onderkousen, halve kousen en
sokken genoemd in allerlei kleuren. Met
geef
3wozt
hozen worden oorspronkelijk de lange kou-
75. G. J. Bleker en W. Duyster. Jager
sen bedoeld, die bij de korte pofbroek worden gedragen; later schijnt de be-
naming hozen ook voor kousen te zijn gebruikt. Maria van Reigersberch ge-
bruikt in een brief, die aanstonds volgen zal, beide woorden door elkaar. Piet
Hein had 15 paar kousen en sokken van verschillende kleur en stof, o.a. „een
paer geel sijde kousen, een paer roo sijde kousen, een paer witte sijde kousen,
een paer swart sijde kousen, een paer wolle gebreyde kousen". Deze opgave
geeft ons een denkbeeld van wat een man van zijn stand placht te dragen.
Bij koud weer trekt men verschillende paren sokken en kousen over elkaar aan.
Terwijl vroeger de kousen zo strak mogelijk werden opgetrokken, begint men
nu de opzettelijke achteloosheid ook tot de kousen door te voeren; het wordt nu
chic gevonden ze met opzet in dwarse rimpels te laten afzakken (afb. 53, 55,
58, 60-63, 69, 76, 87 en 88). Om de rimpels over het been te verdelen en ze op
hun plaats te houden, worden waarschijnlijk onder de zijden kousen onder-
kousen of sokken van stroevere materie gedragen. 13 Op de schilderijen nemen
95
wij de nieuwe gewoonte omstreeks 1620 nog maar zelden waar. Het schijnt
echter dat zij toen reeds was aangenomen, want reeds in 1619 laat Bredero zijn
Sijmen bluffen: „Mijn kousen sijn eployt soo aertich op sen Frans“.14 Ook deze
mode schijnt uit Frankrijk afkomstig.
Uit een brief gedateerd 23 Maart 1630 van Maria van Reigersberch (die steeds
onvermoeid boodschappen doet voor familie en vrienden in Holland) aan haar
broeder Nicolaes vernemen wij nogmaals (vgl. p. 39 ), hoeveel zij te Parijs
t1625-1630
voor zijden kousen of hozen ten behoeve van Hugo de
Groot moest betalen: „Aengaende zijde hoosen salder
U.E. wel een paer gri-noire kousen zenden, maer sullen
wel sesthien gulden moeten kosten. Ic geve zooveel voor
degeene die mijn man draght. Daer isser hier van alle
pris, daer zijnder van elf, twalf, derthien, veerthien gul-
den, maer en deugen niet veel. U.E. sal een verzoucken
dien ic senden sal, bij aldien U.E. die aenstaen, salder
daernaer meer senden alsse U.E. begerdt."15
In de kaplaarzen draagt men om de zijden kousen voor
de aanraking met het leer te beschermen, lange over-
kousen.16 Voor dagelijks gebruik worden zij dikwijls van
wol of laken gemaakt, maar op de schilderijen zien wij
dat als luxedracht veelal witte overkousen met een ge-
schulpte bovenrand worden gedragen (afb. 52, 67 en 70).
Waarschijnlijk zijn even onder de schulpen gaatjes ge-
boord, om de broekveters door te steken, waarmede de
grys E zose
g geet
76. H. A. Pacx. Page
kousen aan de broekspijpen worden vastgemaakt. In de
inventaris van Piet Hein worden zij genoemd: „Een paer laecken kousen met
fluweelde schilpen boven aen tersijde met gouden knoopen". De gouden kno-
pen doen vermoeden dat Piet Hein deze kousen bij lage schoenen droeg. Soms
hebben de bovenkousen met kant omboorde bovenstukken, die over de schacht
van de kaplaars worden omgeslagen (afb. 56, 59, 74 en 86h). Hoe, als tegen het
einde van het tijdperk de kaplaarzen van boven heel wijd worden, ook de vorm
van de bovenkousen verandert, zal in een volgend hoofdstuk worden toegelicht.
DE KOUSEBANDEN. De mode, die bij elk kostuumtype zich ergens in uitbundig-
heid pleegt uit te vieren, overdrijft nu inzonderheid de afmetingen en het vo-
lume van de kousebanden en, zoals wij aanstonds zullen zien, ook de grootte
van de rozen op de lage schoenen. Evenals in het vorige tijdperk bestaan de
kousebanden uit lange banden, meestal van gekleurde zijde, die met goud- of
zilverkant zijn omboord of aan de uiteinden met franje zijn afgezet. Zij worden
vlak onder de knie een paar maal om de benen gewonden en aan de buiten-
96
zijden vastgebonden met kolossalestrikken die uit de strakke contour der figuur
naar buiten springen. Bij de geklede halflange pofbroek worden zij lager bij het
begin van de kuit vastgestrikt en zijn dan uitsluitend ornament, want de kousen
worden aan de broek vastgemaakt (afb. 53, 66 en 76). Bij de onder de knie ge-
sloten broek omgeven zij de broekspijpbanden en behouden zij dus hun functie
(afb. 55, 58, 60-63, 69, 75, 87 en 88).
In de inventarissen worden de kousebanden herhaaldelijk beschreven: „Noch
een paer couleurde zijde koussebanden met goude kan-
ten"; „Noch een paer swarte sijde kousebanden met
quastgens uytgeraeffelt"; „Noch een paer swarte sijde
roosen aen de beenen te draegen".17 Piet Hein liet o.a.
na: „Een paer seyde kousebanden met cleyne goude
BN Hauw
kantgens daeraen". David van Reigersberch moest
11625-1630
kousebanden uit Parijs hebben en Nicolaes schreef
20 Januari 1625 daarover aan zijn zuster Maria: „Seer
lieve Suster, ... Broeder David begeert voor desen tijd
niet als een paer cousebanden ende hoosen gelijck men
die nu draecht".18
DE SCHOENEN. In de overgangsjaren tussen het eerste
en het tweede tijdperk wordt de zool van de schoen van
voren iets smaller en spitser; onveranderd blijven ech-
ter de hak, de vorm van het hielstuk, de riemen die met
agzys
veters of linten worden vastgemaakt, het voorblad met
de hoogopstaande tong en de grote zij-openingen of
pauwblauw met goudbozduuzsel.
spiegaten (afb. 53, 55, 58 en 66).
77. H. A. Pacx. Heer
Tegen 1630 komt er een grote verandering in het model der schoenen: de zool
wordt kort, zo kort als maar mogelijk is, en de schoenmaker snijdt hem van
voren rond af. De hak, die vroeger eigenlijk slechts een plaatselijke verdikking
van de zool was, waaruit zij met een holle lijn voortkwam, krijgt nu een eigen
betekenis en wordt als een afzonderlijk onderdeel achter aan de zool bevestigd.
De hak is hoger dan vroeger en komt nu vlak onder de hiel van de voet te staan;
van achteren wordt zij maar even afgeschuind, terwijl haar voorzijde recht-
lijnig is en verticaal onder de zool staat.19 De zolen zijn nog steeds van heel dik
roodachtig of gelig bruin leer gemaakt en met wit pikdraad in grote steken ge-
naaid. Het bovenleer is geel, bruin of zwart. De zij-openingen worden kleiner,
ook van de schoenen die op feesten en bij plechtige gelegenheden worden ge-
dragen. De schoenen worden met veters vastgemaakt. Luxe schoenen tooit men
met kolossale rozetten, „roosen" genaamd, die de vetersluiting en de gehele
wreef bedekken, en de voet daardoor nog korter doen schijnen. Het is een mas-
97
sieve versiering, die aan de schoenen de gewenste importantie geeft in het ver-
band der grote, zware vormen van wambuis, broek, hoed en kraag (afb. 60,
61, 86c, 87 en 88). De „roosen" zijn afzonderlijk te koop. Nicolaes van Reigers-
berch schrijft 20 Jan. 1626 aan zijn zuster: „Sent my oock een paer roosen."
Schoenen voor dagelijks gebruik krijgen geen roosen, zodat evenals vroeger de
vetersluiting zichtbaar blijft (afb. 63, 69, 72, 75, 76 en 86a).
Bij uitzondering worden nog schoenen zonder hakken gedragen (afb. 86e) en
ook schoenen met
een ouderwetse uit
1628
de zool voortkomen-
de hak, waaraan een
tweede zool verbon-
den is (afb. 86f). De-
ze laatste bewezen
zeker goede diensten
in de nog niet overal
geplaveide en modde-
rige straten van die
tijd.
Omstreeks 1635 komt
sporadisch een nieuw
model van schoenen
voor, dat echter eerst
in de volgende perio-
78. A. Pz. van de Venne. De ex-koning en koningin van Boheme
de algemeen wordt.
Het heeft een lange van voren rechthoekig afgesneden zool (afb. 72 en 86d).
In de inventarissen worden niet dikwijls schoenen genoemd; in die van Piet
Hein treffen wij echter aan: „Een paer Spaens leere schoenen; een paer roo
Spaens leere muylen; vyer paer schoenen; een paer laersen."
DE KAPLAARZEN. Onder de invloed van de Franse kavaliers, die hun krijgs-
haftigheid ook in de salons manifesteerden, worden de kaplaarzen die eigenlijk
rijlaarzen zijn, meer en meer een luxedracht, aan wier makelij de uiterste zorg
wordt besteed en waarmede men zich overal, zelfs bij hoffeesten, kan vertonen.
De dandy kiest er, zo mogelijk, mooi zacht, soms geparfumeerd leer voor, meest-
al in naturel kleuren, maar ook wel eens geverfd of zwart. De zolen en hakken
ondergaan dezelfde veranderingen, die wij aan de zolen en hakken van de
schoenen hebben waargenomen.
De wreefstukken zijn nu kolossaal; aan de hoeken hebben zij grote ronde lob-
ben, daartussen springen opzij kleine stukjes leer uit, waaraan de beugels van de
98
sporen worden vastgemaakt (afb. 56, 59, 70 en 86 B). De schachten blijven
eerst nog nauw. Op straat te voet gaande en binnenshuis worden zij meestal
neergeslagen en trekt men, om het soldateske effect van de kaplaars wat te ver-
zachten, er de mooie kanten bovenstukken van de overkousen over heen, zoals
op pag. 96 bij de beschrijving der overkousen reeds is vermeld. Maar in oor-
logstenue en bij jachtkleding trekt de ruiter de schachten meestal hoog op,
soms met voorgewende nalatigheid maar één van beide (afb. 52, 67, 70 en 77).
Wat later be-
gint men, in
navolging van
6%
een nieuwere
21
VoOT 7-midden
Franse mode,
168
aan deschacht
oorpand
achterpond
van de kap-
19%
laars de vorm
achter-omidden
van een trech-
30
ter te geven.
34
Als de ruiter
te voet gaat,
schuift hij het
schoot
schoot
bovenstuk een
eindje naar
374
ondezslag
beneden (afb.
68, 73, 86 i en
.65
66
i'). Deze vorm
79. Patroon van een leren kolder van Ernst Casimir van Nassau
zullen wij na 1640 tot de uiterste overdrijving zien doorvoeren.
Om zijn mooie kaplaarzen te sparen, draagt de te voet gaande kavalier wel eens
overschoenen in de vorm van muilen met dikke zolen en lage hakken, waarvan
het voorblad over de punt van de laars gaat en de hakken in een holte van de
zool passen. Op afb. 85a ziet men een paar kaplaarzen met zulke zolen, ont-
leend aan een prent die een Parijse schoenwinkel voorstelt, waarin dit paar
laarzen aan de zoldering hangt.20 Op afb. 73 komen de schachten te voor-
schijn uit overschoenen, die met linten zijn vastgestrikt.
DE SPOREN. De bij de kaplaars onmisbare spoor bestaat uit een beugel, die om
de hiel sluit en een omhoog gebogen stang, waaraan het spoorwieltje is beves-
tigd. De beugel wordt met een riempje aan het leren wreefstuk van de kaplaars
vastgemaakt, terwijl een tweede riempje of een kettinkje onder de zool door-
gaat en het opschuiven van de beugel voorkomt (afb. 52, 68, 70 en 86 g, h, i).
DE MANTEL. De traditionele vorm van de mantel, gesneden in de vorm van
99
een 4 of 2 cirkelvlak, met de platte mantelbef op de rug, verandert nog
weinig. Hij wordt nog steeds op verschillende manieren gedragen, hetzij ge-
drapeerd over de linkerschouder en arm, dwars om het middel geslagen, of
eenvoudig over beide schouders gehangen (afb. 53-55, 57, 60-63, 67 en 77).
De mantels van aanzienlijke burgers zijn meestal zwart, al of niet met passe-
ment omboord en met zijde, fluweel of pluche gevoerd. In de hofkringen pron-
ken de heren met kostbare, soms met gouddraad geborduurde mantels. De
klederinventarissen vermelden allerlei
mantels: „Een coleurde lakense mantel
met felp gevoert"; „Een graeuwe laken-
se reysmantel"21; „Noch eenen swart
laken mantel met een flueelen beffe
ende heresayen opslag".21 Piet Hein had
acht mantels, waaronder: „Een kleurde
meeuilge mantel met baye voeringh met
drye france koorden geboort; een lae-
cken roumantel".
Behalve deze droegen de mannen ook
mantels met mouwen of met vleugels.
In het Rijksmuseum te Amsterdam is
een geel-bruine trijpen mantel opge-
steld, die waarschijnlijk aan Ernst Casi-
mir van Nassau heeft toebehoord. Hij is
zó gemaakt, dat hij zowel als mantel
80. Brock van Ernst Casimir van Nassau
met mouwen als bij wijze van pelerine
gedragen kan worden. Hij bestaat uit twee in het midden met knopen en
knoopsgaten sluitende voorpanden, twee zijdelen en een rugstuk, dat uit twee
door een naad verbonden delen is samengesteld. De zijdelen kunnen als vleu-
gelmouwen dienen, maar zij kunnen ook aan de voor- en achterpanden worden
vastgeknoopt. Er ontstaat dan een mantel, die in zijn aldus verbonden onder-
delen vlak gelegd, de vorm van een half cirkelvlak heeft, dus de gewone man-
telvorm zoals hij gedurende de gehele eeuw gebruikelijk blijft (afb. 82 en 83).
Frederik V, ex-koning van Bohemen, heeft op afb. 78 te paard rijdend zulk een
mantel aan, die als ruitermantel uiterst practisch is. Waarschijnlijk is dit de in
de inventarissen herhaaldelijk genoemde „rijtrock": „een blaulakens rijdtrock
met coorden."23 Op verschillende schilderijen in het Rijksmuseum wordt deze
mantel echter ook wel door mannen te voet gedragen.24
Op afb. 73 en 74 zien wij korte wijde, van voren met knopen en knoopsgaten
sluitende mantels met mouwen. Hun wijdte doet vermoeden, dat zij evenals de
100
bovengenoemde mantels uit een halfcirkelvorn
nalfcirkelvormig stuk stof zijn gesneden. Zij
onderscheiden zich daarvan echter door de ingezette mouwen. Waarschi
worden deze mantels „,kasack" ge
antels ,kasack" genoemd." De naam kasack komt in de inven-
tarissen telkens voor: in de vroeg-17de-eeuwse Friese vaak met bijvoeging van
Ikens voor: In de voe
andere namen, die de betekenis verduidenjke
is verduidelijken: „Een duyster groene juppe of
caesjack"; 26,Een swartlakens pyeke ofte casyackyen". 27 De juppe was waar-
schijnlijk een korte mantel: ,Een swart lakens juppe of mandylke", 28 terwijl
een pyeke een jasje blijkt te zijn:
„Een blau lakens oldt Pyeke oft
lakens oldt
Jeske". 29 In Friesland geeft men
nu nog aan een korte overjas met
mouwen en een staand kraagje de
naam joppe. In Scheve
heveningen
zak
voozkant
noemen de vissers zo'n jasje kors-
acbtezkant
jak en de tegenwoordig nog gedra-
bandwydte 113
gen pijekker is ook een dergelijk
kledingstuk. Op grond van deze
gegevens mogen wij dus wel aan
oozpand
acfztezpand
35
nemen, dat een kasack een kort
mantel met mouwen was. Niet
132
heel zeker is echter nog welk man
teltype precies in de 17de eeuw
met deze naam wordt aangedui
Een eveneens als overkleed die-
manteltje, waa
fb. 76 81. Patroon van de broek van Ernst Casimir van
cen voorbeeld geeft, is in zoverre
verwant aan de mantel van Ernst Casimir, dat het ook bestaat uit een borst-
en rugstuk met open zijnaden, die met knopen en knoops
knopen en knoopsgaten gesloten kunnen
worden, en uit twee open vleugelmouwen. Maar het is
. Maar het is veel nauwer van snit;
het voorpand heeft geen voorsluiting en hoogstens een splitje om de laag ui
gesneden halsopening, waar een ronde kraag omheen is gelegd, nog wat te ver-
wijden. Dit kledingstuk immers moest, evenals de kazuifel der R.K. priesters-
waarmede het enige overeenkomst vertoont - over het hoofd worden aange-
trokken. Ook zijn de vleugelmouwen veel smaller dan de mouwstukken van
Ernst Casimirs mantel; het geheel is met zwart passement afgezet. Dit ma
tje, soms echter veel korter, komt in de eerste 30 jaar van de 17de ceuw veel
voor als page-livrei. Op afb. 75 dient een dergelijk kledingstuk, gedragen door
een jager, als jachtkostuum; het is korter, heeft in het voorpand twee zijsplitten
en gesloten mouwen. Misschien is op deze manteltjes het in het begin der 17de
101
eeuw in de inventarissen dikwijls voorkomende
ukwijls voorkomende woord mandylke of mar
toepasselijk: „Een swartlakens juppe of mandylke" en „noch een swarte slecht
fluwelen mandylcke met een golden passament",30,,Een caffabont mantelge"3l;
deze benamingen komen overeen met het Engelse mandillion, waarmede F. M
tiet pagemanteltje aanduidt. 32
Maria van Reigersberch geeft in haar correspondentie met haar broeder Nico-
Marla vall NCigerso
laes herhaaldelijk aanwijzingen over de verschillende eisen die de mode te
Parijs aan de mantels stelt; in 1628 bericht
zij hem dat zij voor neef Mornou een satij-
nen mantel heeft gekocht „,met pluisge
(peluche) gevoert." In 1639 schrijft zij hem:
,U.E. verzoeckt te weeten wat mantels dat
nen hier draght. Men draght hier van als.
Men draght veel panne buten en binnen
fluweel ende kaffa met panne ghevoert. Hier
is van alles ghenoch te koepen, die wel geld
te besteen heeft". 20 Juli 1629 laat zij hem
weten: ,Den mantel en hebbe ic noch niet
doen maecken ... Schrijft mij oock wat
stoffe U.E. begerdt dat ic neeme; men
neemdt hier ordonnaris van de stoffen daer
le kleeren van zijn, tenminsten moet het
binnenste op het buitenste gelijcken. U.E.
wilt dat (ic) U.E. intentie rac, hetwelcke
82. Mantel van Ernst Casimir van Nassau qua te doen is, want ghij die selve niet en
weet .. .
weet ....
... ". In 1630 deelt zij hem mede: ,,Aengaende mijn mans mantel sal ic
met pluysge doen voeren ghelijc men die nu dragt met een klein boretge."33
DE TABBAARD. De tabbaard komt in de deftige stand van magistraten, geeste-
lijken en geleerden nog altijd voor. Hij wordt wat nauwer en de bijhangende
mouwen zijn uit de mode. De zuidnederlandse gezant Joost de Hertoghe (afb.
72) liet zich schilderen in een tabbaard van zwarte zijde met breed omgeslagen
satijnen revers en brede op de rug neerhangende kraag.
DE GORDELRIEM. De gordel is moeilijk te combineren met de omhooggebrachte
taillelijn en daarop geplaatste strikken. Alleen krijgslieden dragen nog een gor
delriem, waaraan met ring en haak een paar schuin naar de linkerheup lopen-
de degen- of zwaardriemen verbonden zijn, bestemd om deze wapens te dragen
(afb. 55, 57 en 70). Soms wordt de zwaardriem onder de kolder om het mid-
del gegespt en steekt het gevest van de degen door het zijsplit van de schoot van
de kolder naar buiten (afb. 69).
102
DE BANDELIER. Nu er eigenlijk geen plaats meer is voor de gordelriem, draagt
men veelal de degen of het zwaard aan een van de rechterschouder naar de
linkerheup schuin benedenwaarts lopende bandelier, in de inventarissen
,draeghbant" genoemd. De bandelier bestaat uit een brede reep leer die naar
staat uit cen brede reepI
beneden nog breder uitloopt, zich eerst in tweeen verdeelt en dan vier of vijf
lussen vormt, waar het zwaard wordt doorgestoken (afb. 71). V
wordt het leer in kunstige bewerking gepikeerd of met zijde of goudborduursel
overtrokken.
DE SJERP. De door officieren van het leger en de schutterij gedragen sjerp, gaat
meestal ook van de rechterschouder schuin benedenwaarts naar de linker heup
en wordt daar met een grote strik vastgebonden (afb. 69). Soms wordt de sjerp
ook wel horizontaal om het middel gestr
et middel gestrikt (afb. 52). In de inventarissen
wordt de sjerp sluier genoemd: ,,Een blauwe sijde sluyer met goude frangie".3
md: ,,Een blauwe sijde sluyer met
DEGEN EN ZWAARD. De degen en het zwaard hebben een n
hebben een met verscheidene beu-
gels voorzien gevest. De dolk, in de 16de eeuw zoveel gedragen, komt nu haast
niet meer voor.
103
VI. DE KLEDIJ DER VROUWEN
1620-1640
Gedurende dit tijdperk onderscheiden wij nog dezelfde combinaties van lijfje,
rok en overkleed, die in het vorige tot een typering van drie kostuumgroepen
aanleiding hebben gegeven.
a) DE COMBINATIE LIJF-
De holve
JE EN ROK. In reactie
9N mantel
op het lange, inge-
snoerde middel, dat in
kzaag
de vorige periode ver-
137
langd werd, draagt de
elegante vrouw nu een
zydeel
tevens mouw
lijfje dat kort is en alle
A schouderstu
23
overmatige spanning
vootpond
heeft verloren (afb. 87-
89). De naad die het
lijf met de schootpan-
den verbindt, wordt
tot even onder de borst
omhoog geschoven en
loopt nu horizontaal.
De schootpanden zijn
8g. Patroon van de mantel van Ernst Casimir van Nassau op afb. 82
van voren glad en van
achteren met enige ruimte aan het lijfstuk gezet; van onderen zijn zij horizon-
taal afgesneden. De verticale voorzijden van het lijfje sluiten niet altijd aan el-
kaar, maar laten soms een borststuk zichtbaar, dat ook een of meer schoot-
pandjes heeft en meestal van andere kleur en stof is dan het lijfje. Onzeker is of
dit een los voorstuk is dat aan het lijfje is genaaid of gespeld, of een gedeelte van
een borstlijfje dat onder het bovenste lijfje gedragen wordt. De omhoog ge-
schoven taillelijn wordt duidelijk gemarkeerd met een ceintuur, waarvan de
sluiting - die links is aangebracht - bedekt wordt met een grote strik of een ro-
zet. Naar de Franse mode snijdt men de hals van het lijfje van voren meestal
vierkant, soms puntig uit, maar aangezien de Hollandse zeden de blote hals
slechts bij uitzondering gedogen, bedekt men het décolleté doorgaans met een
guimpe (neerstick) of met een linnen kraag. Over de armsgaten zijn platte
schouderkleppen gezet; daaruit komen meestal twee stellen mouwen over el-
kaar te voorschijn. De bovenste mouwen zijn cilindervormig of ballonvormig;
104
van voren zijn zij gespleten; zij bedekken het bovenste gedeelte der onderste
mouwen, die wijd uitstaan doch zich naar de pols toe vernauwen om onder de
trechtervormige manchetten te verdwijnen. De schouders zijn heel breed ge-
sneden, zodat lange schoudernaden worden gevormd; meestal worden zij be-
dekt met een grote plat liggende witte halskraag, waaronder ook de schouder-
stukken om de armsgaten geheel of gedeeltelijk zijn verborgen.
De rok wordt ruim aan de rokband gezet en hangt waarschijnlijk over veel
onderrokken haast
verticaal tot op de
A
±1625
B
1632
1632
grond neer. Dit
kostuum is een na-
volging der Franse
mode. De Franse
vrouwen, smaller
W Duystet
van postuur dan de
Hollandse, zetten
Bzuilotsqast
Kembzandt Zelfportzet
Rembzandt.Fo .N-luip
echter de rok min-
F.
1638
1633
der breed uit en la-
F
ten hem in diepe-
re plooien sluiker
neerhangen. Be-
halve de hiervóór
beschreven modi-
euze lijfjes komen
Rombouts Koaztspelez
Anoniem.Heet
Ptetez Codde.Heez
nog verschillende
84. Hoeden en kragen
andere vormen voor. In de inventarissen worden tal van lijfjes en rokken af-
zonderlijk genoemd, soms ook de combinatie van beide: „Een paerssen rock
met rooden bay fluweelen boort ende een lijf daerop". 1
b) HET VLIEGERKOSTUUM. Het traditionele vliegerkostuum met de grote lub-
benkraag is nog altijd de voorname dracht der vrouwen uit de patricische
stand. Het ondergaat de invloed der mode in langzamer tempo dan de kleding
der wereldse vrouwen.
Er is ternauwernood enig verschil in vorm en snit tussen het ons bekende
vliegerkostuum uit de laatste tien jaren van het vorige tijdperk (afb. 35
en 36) en het vliegerkostuum op afb. 90.
Maria Pijnacker heeft zich met een bijbel laten portretteren; waarschijnlijk
behoorde zij dus tot een religieuze kring, waar een aanlokkelijke kleding als
werelds en wuft werd veroordeeld, en heeft zij daarom haar vliegerkostuum -
dat niettegenstaande zijn opzettelijke eenvoud toch zeer gesoigneerd is en
105
zeker niet goedkoop - helemaal in zwart gehouden en stemmig gegarneerd.
In deze vorm, die al naar gelang van de principes en de stand van de draag-
ster meer of minder streng en sober kan zijn, komt het vliegerkostuum nog
gedurende het gehele tijdperk voor. Soms worden als kleine concessies aan de
mode de opstaande bragoenen door platte schouderkleppen vervangen, de lange
voorpanden van het lijfje van onderen horizontaal afgesneden en schuift men
het middel een heel klein eindje naar boven. In de winter dragen dames van
1635
11640
patræn van b. zondez pinces
85. Laarzen en kragen, naar M. Leloir Hist. du Costume VIII pl. 33
middelbare leeftijd en oude dames de kostbare vlieger met bontvoering en
bontrevers. 2 Toch is de vlieger niet altijd een streng en deftig plechtgewaad.
Jonge wereldse vrouwen verstaan in alle perfectie de kunst het vliegerkostuum
te metamorphoseren in een feestelijke galakleding, die zonder frivool te worden
toch rijk en prachtig is.
Eva Ment, van 1625-1629 de vrouw van Jan Pietersz. Coen (afb. 91),
heeft door het kiezen van luxueuze stoffen, voor lijfje en rok zwaar blauw
goudbrocaat en voor de vlieger zwart goudbrokaat met goudgalon, van haar
vliegerkostuum een weelderig feestgewaad gemaakt, dat niettemin in hoofd-
vorm maar weinig verschilt van het zoveel soberder vliegerkostuum van Maria
Pijnacker (afb. 90). De voorpanden van het blauw-gouden lijfje liggen breed
op de vooruitstekende buik en eindigen van onderen niet met een stompe punt
maar met een horizontale lijn, die door uitgesneden klaverbladvormen wordt
verlevendigd. De mouwen van het lijfje zijn wijd naar de nieuwe mode. De
106
vlieger staat van voren open, maar schijnt op het portret met zijwaarts geslagen
„pattes" gesloten te kunnen worden; misschien zijn die pattes echter enkel een
functieloze versiering. Uit de platte schouderstukken komen wijde hangmou-
wen te voorschijn; zij zijn van voren open en opgemaakt met goudpassement,
dat in vlechtingen is gelegd en lussen vormt, terwijl aan de andere kant knopen
zijn gezet, zodat de open mouwen ook gesloten kunnen worden. Een grote
lubbenkraag met kant afgezet voltooit dit feestelijke, maar toch statige toilet.
C
a.1632
b.1637
1634
d.±1635
e 1630
1629
±1625
1637
i.
8 +1625
86. Laarzen en schoenen
Misschien is het wel het bruidskleed geweest, waarin Eva Ment in 1625 met
Coen is getrouwd; want indien haar portret, zoals thans vastgesteld, inderdaad
in 1631 is geschilderd „in opdracht van de Hoornsche Kamer der O.I. Com-
pagnie ter plaatsing in het O.I. Huis aldaar als pendant van het portret van
haar man, met wie zij gedurende twee jaar de zorgen van het gouverneur-
generaalschap heeft gedeeld", 3 lijkt het niet onwaarschijnlijk dat zij zich voor
die gelegenheid heeft laten afbeelden in het heugelijke bruidstoilet, waarin zij in
1625 was getrouwd. Met de mode van dat jaar komt haar vliegerkostuum ook
het meest.overeen.4
Omstreeks 1630 zien wij de vrouwen uit de elegante wereld over lijfje en rok
een gemoderniseerd overkleed dragen dat in die tijd wellicht niet met de naam
vlieger is aangeduid, maar dat daarmede de van voren open mantelvorm ge-
meen heeft, zodat het toch tot dezelfde categorie moet worden gerekend (afb.
58, 92-95). De samenstelling uit drie onderdelen, lijfje, rok en overkleed, is ook
107
gelijk aan die van het vliegerkostuum. Gemakshalve zullen wij deze moderne
combinatie met de naam van pseudo-vlieger aanduiden. Om het bovenlijf te
verkorten omgordt men de pseudo-vlieger even onder de borst met een cein-
tuur die links opzij met een strik of rozet wordt vastgemaakt. De voorpanden
worden breder gesneden dan die van de oudere vlieger, zodat tussen de beide
voorzijden nu slechts een smal stuk van lijfje en rok te zien komt. De mouwen
zijn meestal kort en wijd, soms van voren open en bedekken dan de mouwen
lichtblauw
van het lijfje alleen van achteren;
1633
van voren worden zij in de elle-
boogsbuiging met een strik dicht
gebonden. Maar de pseudo-vlie-
ger heeft ook wel cilindervormige
mouwen, die rondom gesloten zijn
zandkleur
en dan herinneren aan het boven-
stuk der siermouwen van de
Spaanse vliegers. Het gehele kle-
dingstuk is soms met galon om-
boord.
Het onder de pseudo-vlieger ge-
dragen lijfje heeft wijde mouwen
die soms gespleten zijn en aan de
pols nauwer worden. De van het
oudere vliegerkostuum onafschei-
3wort
delijke lubbenkraag moet nu wij-
yn ficht grys-paors.
galon, stzikken en schoenen
87. Pieter Codde. Dansende Heer en Dame
ken voor een grote liggende, soms
zeer gecompliceerde kraag, die meestal het décolleté van het lijfje en het schou-
dergedeelte van de pseudo-vlieger bedekt, zodat een lange vloeiende schouder-
lijn wordt verkregen. De rok hangt tamelijk breed uit, breder dan door Franse
modellen wordt aangegeven. Het overkleed is doorgaans zwart, het lijfje en de
rok zijn meestal van lichte of althans kleurige stof.
Door al deze veranderingen heeft het vliegerkostuum overeenkomstig de mo-
derne modeverlangens een nieuw profiel en nieuwe proporties gekregen. De
overmatig vooruitstekende buik is tot zijn normale omvang teruggebracht.
Door de onderbreking met de gordel wordt de pseudo-vlieger, hoewel hij nog
uit één stuk is gesneden, toch schijnbaar in een lijf- en een rokstuk verdeeld, en
wel zó dat een kort bovenlijf gevormd wordt, dat door wijde mouwen en een
platliggende kraag wordt verbreed. Het rokgedeelte, dat vlak onder de borst
begint, is lang. Het pseudo-vliegerkostuum is uit Frankrijk afkomstig en vindt
hier, waar het slechts een variatie van het inheemse vliegerkostuum betekent,
108
gerede ingang. De inventarissen vermelden nog herhaaldelijk vliegers: „Een
gekeperde boratte vlieger met bont gevoerd"; 5„Noch een caffa vlieger op een
satijne grondt".6 Een derde opgave is van belang, omdat daarin duidelijk
de drie onderdelen, waaruit het kostuum is samengesteld, worden genoemd,
met toevoeging van een daarbij behorend paar mouwen: „Noch een dae-
gelijcxe rouwvlieger, rouwborst, rouwrock en rouwmouwen".7 Ook in de
inventarissen van eenvoudige burgervrouwen worden vliegers genoemd.
c) HET KOSTUUMTYPE, BESTAANDE UIT
OVERKLEED EN ONDERROK. Het vlieger-
kostuum uit deze tijd is soms moeilijk te
onderscheiden van het kostuum dat ge-
vormd wordt door de combinatie van een
overkleed (bestaande uit een lijfje waaraan
een van voren open overrok verbonden is)
met een daaronder gedragen rok, waarvan
alleen het voorste gedeelte te zien komt.
Het verschil wordt echter aanstonds dui-
delijk, wanneer men er zich rekenschap
van geeft, dat het vliegerkostuum uit drie
stukken bestaat, terwijl het laatstgenoem-
de kostuumtype (c) slechts uit twee delen
is samengesteld.
Dit laatste, ons ook reeds uit de vorige pe-
riode bekende kostuum (afb. 96, 97, 99 en
100), onderging een soortgelijke verbre-
88. Jan Miense Molenaer, Heer en Dame
ding en vereenvoudiging van contour als de beide hiervóór beschreven kostuum-
typen a) en b). Het lijfstuk van het overkleed wordt meestal van voren gesloten.
De mouwen, vroeger nauw, zijn nu wijd en gewatteerd of met baleinen uitge-
zet; de voornaad wordt dikwijls over de gehele lengte open gelaten. Van ach-
teren zijn de mouwen soms bedekt met korte overmouwen, zoals wij die ook bij
het vliegerkostuum aantreffen. Over de armsgaten liggen platte schouderstuk-
ken. De hals is laag uitgesneden, doch het décolleté wordt met een guimpe,
meestal in combinatie met een brede liggende kraag, weer bedekt. Bij deze
vorm van overkleed kan men de elegante lijn van de verbindingsnaad van lijf-
stuk en overrok, die zich benedenwaarts buigt en van voren in een spitse punt
uitloopt, niet prijsgeven; men bepaalt zich dus tot de verkorting van het lijf-
stuk opzijde en van achteren, en maakt de punt van voren niet al te lang, zodat
toch zoveel mogelijk aan de mode wordt voldaan. De overrok is in diepe
plooien aan het lijfstuk vastgenaaid; de voorranden wijken uit elkaar en even-
109
als vroeger komt daartussen een stuk van een onderrok te zien, die meestal van
andere stof en kleur is dan het overkleed. Onder de rok draagt men waar-
schijnlijk veel onderrokken.
Vóór 1630 zien wij onze prinsessen meestal afgebeeld in dit kostuum, waarbij
zij nog de traditionele lange bijhangende mouwen en de grote kanten lubben-
kraag dragen, die aan de figuur zulk een voorname allure verlenen. Het over-
kleed van Amalia van Solms op afb. 96 heeft schuin gestelde schouderkleppen,
1633
die de schouders verbreden. De lange bijhangende
mouwen zijn van voren open, zodat men ook de
ondermouwen ziet, waarvan de voornaad over de
gehele lengte openstaat. Het overkleed is met pas-
geel B8
blauw
sement opgemaakt; de onderrok, lichter van kleur,
is met koorden gegarneerd. Een prachtige collier
van vele snoeren parelen en een groot borststuk met
edelstenen versierd, voltooien dit vorstelijk toilet.8
zwart
KRAGEN EN HALSDOEKEN. De ronde lubbenkraag
wordt, terwijl hij in het buitenland reeds uit de
mode is, in ons land nog altijd gedragen, vooral bij
het karakteristiek-Hollandse vliegerkostuum (afb.
90). De grootte en dikte dezer kragen zijn heel ver-
schillend; soms zijn de afmetingen kolossaal en ver-
dienen zij ten volle de naam van molensteenkra-
gen. De strijksters passen nu dikwijls een nieuwe ma-
nier van plooien toe: oorspronkelijk vertoonde de
8g. A. Willaerts, Dame
kraag in doorsnede een reeks van rondgepijpte lub-
ben (afb. 102 A en B); nu zijn het veelal een reeks van hoekige vormen, die
aan een honigraat doen denken (afb. 102 C en 103 A, G, D en F). De lubben-
kraag voor luxe gebruik wordt - met entre-deux en kant afgezet - een stralend
prachtstuk, waarmede jonge vrouwen der hogere standen de luister van haar
galakleding gaarne verhogen (afb. 91, 96, 102 E en 104 C). Als de lubbenkraag
heel groot is, wordt hij soms van voren afgeplat (afb. 93).
De grote plooikragen zijn een dure dracht. Een rekening van de Amsterdamse
Weeskamer vermeldt: „Noch betaelt voor vijf en twintich ellen dundoeck tot
cragen elck ellen tot drie gulden en vijf stuivers bedraecht 81-5-0" en „Noch
betaelt aen vijf cragen van maecken tien gulden, tien stuivers zegge 10-10-0".9
Indien deze beide posten dezelfde kragen betreffen - zoals heel waarschijnlijk
is, want de twee rekeningen zijn gedateerd op 1 en 30 Maart 1635 -, dan wer-
den de 35 ellen dundoeck gekocht voor vijf kragen, die aan materiaal en maak-
loon elk 18 gulden, 16 stuivers en 2 penningen hebben gekost. En hoe
veel duur-
110
der moeten dan de met „binnenwerck en speldewerck" versierde plooikragen
der aristocratie wel zijn geweest! Bovendien kostten de kragen nog veel aan
onderhoud van wassen, strijken en stijven.
De hoge, in de nek bijna verticaal opstaande waaiervormig geplooide kragen,
die in het vorige tijdperk het bovenlijf verlengden, worden aanvankelijk ook nu
nog gedragen. Dirck Hals beeldt er dikwijls zijn feestvierende dames mee af.
Zij verdwijnen echter omstreeks 1630. Nu verbreding der schouders gevraagd
wordt, kan noch de ronde lubbenkraag,
noch de waaiervormige opstaande geplooi-
1626
de kraag daaraan voldoen. Er moeten dus
oet 27
nieuwe plat liggende halsbedekkingen ge-
zwazt
vonden worden, die niet minder rijk en
prachtig zijn dan wat men als verouderd
versmaadt. En weldra brengt de mode al-
lerlei nieuwe fatsoenen in soms heel ge-
compliceerde samenstellingen van een
„neerstik” (guimpe) en een rugkraag,
waaraan nog dikwijls een halsdoek wordt
toegevoegd; alles afgezet met prachtige
kant.
Zoals hiervóór reeds terloops werd opge-
merkt, wordt de halsuitsnijding van het
lijfje meestal bedekt met een neerstik. De
Hollandse vrouwen immers kunnen er nog
maar niet toe besluiten om naar het voor- g0. W. van Vliet, Maria Pynacker, vrouw van
beeld van haar Franse zusters de hals on-
Willem de Lange
beschroomd te vertonen. Zij zullen ook wel geweten hebben, hoe flatteus en
pikant het neerstik kan zijn en hoe het zich, als het maar transparant genoeg is,
heel goed bij de galakleding aanpast! Het schijnt echter dat de hofetiquette aan
onze prinsessen en haar dames voorschreef de hals althans bij hoffeesten onbe-
dekt te laten (afb. 94).
De rugkraag wordt gemaakt van een langwerpig stuk fijn linnen, kamerdoek of
dundoek, dat van schouder tot schouder reikt. Met dwars over de kraag geleg-
de „pinces", stijfsel en in de zoom gelegd soutien krijgt hij de vereiste vorm en
stand. Een kanten rand verhoogt zijn waarde en luxe. De rugkraag staat eerst
schuin omhoog (afb. 97), later horizontaal achteruit (afb. 92, 94, 99, 102F en
103E) en tegen het einde van het tijdperk wordt hij plat over rug en schouders
gelegd (afb. 88 en 95).
Hoe een halsbedekking, die bestaat uit de combinatie van een rugkraag en een
111
neerstik samengesteld kan zijn, zien wij op de afbeelding van zo'n kraag en de
reconstructie van het patroon daarvan (afb. 97 en 98).
De rugkraag a. bestaat uit een rechthoekig stuk doorschijnend kamer- of dun-
doek, waarin wel honderd kleine plooiseltjes of oprijgseltjes zijn gelegd, die aan
de hals dieper zijn ingenomen dan aan de zoom bij de kant-rand, zodat zij
straalsgewijs uitstaan. Met het strijkijzer zijn zij plat ingestreken. Het puntige
patroon van de kant past zich bij de stralen aan. De korte zijden van de kraag
staan links en rechts gericht op de halskuil.
1631
Aldus kleedt de kraag streng en waardig.
De korte zijden steunen op ruitvormige,
stevig gesteven onderstukken b, die te ver-
gelijken zijn met de opslag van revers; de
voorzijden zijn tegen de vermoedelijk V-
vormige uitsnijding van het lijfje gelegd.
Hierin wordt een guimpe of neerstik ge-
3wazt met goud
dragen c, eveneens een lange strook, die
flauw mel goud
aan de sluiting met kant is afgezet, en
aan de hals als een shawl wat opkruipt,
hetgeen de dunne, minder zwaar gebleven
stof ook toelaat. De buitenste hoekpunten
vallen op de hoekpunten van de ruitvor-
mige stukken en zijn daarop waarschijnlijk
vastgespeld. De guimpe dient om de
kraag in de nek schoon te houden en om de
91. Jacob Wabbe. Eva Ment, vrouw van Jan halsuitsnijding van het lijfje te bedekken.
Pietersz. Coen
Onder de grote kraag ligt een kleinere van
dichter stof, die in grote stevige lobben is geplooid. Deze dient om de grote
kraag te ondersteunen. Men ziet deze portefraes met zijn mooie entredeux en
zijn kant-rand door de grote kraag heenschijnen.
De grote kraag en zijn onderdelen werden rechtdraads gesneden, zodat zij op
de draad gezoomd konden worden. Dit was noodzakelijk, omdat de zo zwaar
gesteven stof de bewerking van het spannen en strijken anders niet gedoogd zou
hebben. 10
De meest luxueuze en gecompliceerde kragen, die men op de schilderijen ziet,
zijn uit deze, of soortgelijke elementen opgebouwd (afb. 103 E), sommige door
herhaling der onderdelen in verschillende afmetingen. Bij dergelijke com-
binaties wordt dikwijls een vierkante diagonaal opgevouwen halsdoek met
kant-rand gedragen (afb. 92 en 99). 11
De halsdoek wordt in de 17de eeuw dikwijls als halsneusdoek aangeduid, waar-
112
mede tevens zijn eenvoudige afkomst is aangegeven. Hij wordt gevormd door
het overhoeks vouwen van een vierkante doek (afb. 104 B fig. I), waarbij de
vouw echter niet precies op de diagonaal wordt gelegd, maar even daarnaast
op de lijn b-c, zodat als a op a' gelegd wordt, de doek in twee ongelijke helften
is verdeeld. Als nu de doek, aldus gevouwen een weinig of niet gesteven, los om
de hals wordt geslagen, vormt hij van voren twee lange slippen, die een eindje
van elkaar verticaal over de borst neerhangen (fig. IIb en c), en op de rug een
rechthoekige punt (d). Om de hals worden bij
het omslaan van de doek een paar plooitjes inge-
deukt. Maar als de doek van voren onder de kin
vastgemaakt moet worden (fig. III), is het nodig
een uitholling voor de hals te vormen door mid-
den in de diagonale vouw b-c de stof met een
zwakke ronding naar binnen te vouwen en deze
vouw vervolgens nog eens naar binnen om te
slaan, zoals met de stippellijntjes op de diagonaal
b-c van fig. I is aangegeven. De hals behoeft dus
niet uitgesneden te worden; welke vrouw zou ook
in een mooie doek knippen, als het gewenste ef-
fect even goed met vouwen kan worden verkre-
gen (afb. 92 en 99)?
De grondvorm van de halsdoek is ook wel eens
rond en de ronde doek wordt eveneens in twee
ongelijke helften gevouwen. Hij vormt van voren
geen puntige slippen, maar de onderrand eindigt 92. Nic. Elias Pickenoy. Catharina
over borst en rug met een zwak geronde, bijna
Hooft, vrouw van Burgemeester Corn.
de Graeff
horizontale lijn. Ook de ronde doek vormt, met kant omboord, een losse elegan-
te halsbedekking. Hoe de ronde halsdoek in verband met neerstik en rugkraag
wordt gedragen, zien wij op afb. 88. Bij minder gekleed toilet komt hij dikwijls
zonder rugkraag voor (afb. 87, 95 en 100). De vrouwen dragen voorts ook
kleinere platte rabatten, die veel overeenkomst hebben met de rabatten van de
mannen. Men ziet deze eenvoudige kragen in allerlei variaties(afb. 8g en102D).
De inventarissen van deze tijd, voor zover zij mij ten dienste stonden, vermel-
den de hiervóór beschreven gecompliceerde halsbedekkingen niet; maar in de
klederinventaris van Catharina Hooft van 1691 worden zij genoemd. Zij was
in 1618 geboren, huwde in 1635 de bekende burgemeester van Amsterdam,
Cornelis de Graeff, en overleed in 1691. In de inventaris van haar nalatenschap
worden vermeld: „Ses dundoeckse cragen met neersticken daeraen 1-10-0; ses
camerixdoeckse cragen met neersticken daeraen 2-0-0; acht linne beffe met
113
neersticke daeraen 1-0-0; veertien dundoeckse beffen met kant en neerstikken
daeraen 1-0-0; 2 ronde beffen met kant van de overledenes Moeder; twee
dundoeckse lobben van de overledene o-6-o". Hieruit blijkt dat kragen en
beffen soms met neerstikken verbonden zijn en zowel van linnen als dundoeck
en kamerijksdoek worden gemaakt. Toen de inventarisin 1691-1692 opgemaakt
werd, waren deze modellen al lang uit de mode en ook de lage prijzen, waar-
voor zij getaxeerd staan, doen vermoeden dat dit ouderwetse en misschien half
versleten kragen, beffen en neerstikken zijn uit de
eerste tijd van Catharina's huwelijk.12
DE PONJETTEN. In de aanvang van dit tijdperk
probeert men nog de elegante hoge omgeslagen
kelkvormige ponjetten of manchetten met de wijde
mouwen van het lijfje te combineren. Eva Ment
(afb. 91) draagt een paar luxueuze ponjetten, die
tot aan de elleboogsbuiging reiken; zij zijn in fijne
plooitjes gestreken en van boven met een brede, in
lange bladvormige punten uitwaaierende kant-
strook afgezet, een galadracht bij uitnemendheid,
die in pracht moeilijk overtroffen kan worden,
maar voor het dagelijks leven volkomen onprac-
tisch is. De ponjetten worden nu langzamerhand
wat korter; dit past ook beter bij de steeds wijder
wordende mouwen, die een te grote verwijding der
ponjetten van boven zouden vorderen (afb. 58,
93. G. v. Honthorst. Elisabeth Stu. 87-90, 92, 94-97 en 99).
art, Koningin van Boheme
DE MUTS. De degelijke deftige Hollandse huis-
vrouw blijft nog altijd trouw aan het zedige vleugelmutsje, dat zich zo goed
aansluit bij de strenge lubbenkraag en het oudere vliegerkostuum. Van het
glad achterover gekamde haar, dat met een ondermutsje bedekt is, komt maar
een heel klein stukje te zien. Terwijl oudere vrouwen nog geen afstand kunnen
doen van de ouderwetse, opzij breed uitstaande vleugelmuts, geven jonge
vrouwen de voorkeur aan een moderner, bij de slapen minder breed uitgebogen
model (afb. 90 en 103 A).
Maar de meeste jonge vrouwen vinden het ons reeds bekende elegante mutsje
met het opstaande en met kant afgezette boogje toch veel mooier en jeugdiger.
Zoals reeds in Hoofdstuk III werd opgemerkt, beginnen zij, sedert het hoge
kapsel niet meer in de mode is, ook het opgeslagen boogje van de muts te ver-
lagen door het schuin achterwaarts min of meer naar beneden te strijken; nu
gaan zij zover, dat het tenslotte plat op het hoofd komt te liggen. Daarbij ver-
114
andert het model enigszins - waarschijnlijk in verband met de verbreding der
figuur - en wordt het omgeslagen gedeelte van het mutsje bij de oren ronder en
breder gesneden. Het mutsje wordt ook hoe langer hoe meer naar achteren
geschoven, zodat van voren steeds meer van het haar te zien komt; eerst ge-
schiedt dit nog voorzichtig, maar van lieverlede schuift het boogje toch steeds
verder terug, totdat tenslotte het kanten randje nog maar een smalle omlijsting
vormt van het van voren achterover gekamde en nu aan de slapen opgedofte
haar. Afb. 120 A-F geeft van de elkaar opvol-
gende transformaties van het boogmutsje een
zwozt
duidelijke voorstelling (zie ook afb. 91 en 104 C).
Dergelijke mutsjes worden ook in eenvoudiger
afwerking zonder kant gemaakt; zij zijn dan iets
strenger van aspect (afb. 103 C, D en F).
HET KAPSEL. Nu de jonge mondaine vrouw het
mutsje zo ver naar achteren geschoven heeft als
maar enigszins mogelijk is, laat zij eindelijk het
kanten boogje radicaal weg en zo blijft er van het
mutsje alleen nog maar het chignonkapje over.
Het nu helemaal vrij gekomen haar kamt zij bo-
ven op de schedel achterwaarts; opzij snijdt zij
het kort af en laat het in breed uitstaande, zorg-
vuldig gegolfde of gekrulde lokken het gezicht
flankeren. Op het voorhoofd mogen een paar
krulletjes spelen en de mode veroorlooft ook om
van het voorste haar een gedeelte tot op een paar 94. G. v. Honthorst. Amalia van Solms
centimeters af te korten en dit als een franje over het voorhoofd te kammen;
een mode die omstreeks 1880 in het zogenaamde pony-haar is herleefd. Het
langgebleven haar van het bovenste en achterste gedeelte van de schedel wordt
in een platte chignon tegen het achterhoofd gelegd (afb. 87-89, 92-94, 96, 97,
99, 100, 103 B en E).
DE HOEDEN. Grote brede vilthoeden van hetzelfde model als de mannenhoe-
den, komen evenals in het vorige tijdperk ook nu nog wel bij de vrouwenkle-
ding voor. De domineesvrouw op afb. 118 heeft er een boven op haar muts ge-
zet. De koningin van Boheme (afb. 78) draagt bij haar rijkostuum een grote
platte hoed met een struisveer. De hoed met de lage bol op afb. 89 heeft daar-
mede veel overeenkomst.
RIJKLEDING. Als amazone heeft de koningin van Boheme een wijd overkleed
aan van gefigureerde en met passement afgezette stof (afb. 78). Het is van voren
open, want de koningin zit schrijlings te paard; over de gehele lengte is het van
115
voren met knoopjes en lussen bezet, waarschijnlijk om het bij onderbreking
van de rit te kunnen dicht knopen. Uit de schouderstukken komen mouwen te
voorschijn, die van voren gespleten zijn, en daaroverheen hangen de heel lange
bijhangende mouwen, die in de hofkringen - zoals wij reeds zagen - nog veel
worden gedragen. Om het middel is een ceintuur gestrikt. Een kort wijd
schoudermanteltje van dunne stof, dat op de borst met een grote rozet is vast-
gemaakt, hangt over de schouders der koningin; of is het een doek? De makelij
is op de grisaille-schilderij niet na te gaan. Van
1634
de onderkleding komt niets te zien. Een geste-
ven lubbenkraag voltooit dit voor onze moderne
begrippen wel zeer onpractische sportkostuum.
DE HUIK. De vorm van de huik is weinig aan
modeveranderingen onderhevig. De huik met
het vooruitstekende handvat (op afb. 101 en
104 D) kwam immers ook reeds in de 16de eeuw
voor en wij zullen de zelfde huikvorm, evenals
de huik met het platte hoedje, ook nog in het
volgende tijdperk terugzien.
HET MANTELTJE. Vrouwenmanteltjes, al of niet
met bont gevoerd, worden in de inventarissen
nog steeds genoemd: „Noch een caffa man-
teltgen met Inckhoorentgens gevoert ende ge-
stippelde randen".13 Deze huisdracht van wel-
gestelde vrouwen wordt dus wel reeds gedragen,
95. Rembrandt. Machteld van Doorn maar komt toch op de schilderijen van deze tijd
vrouw van Martin Daey
nog maar zelden voor.14 Daarentegen ziet men
ze telkens op de genreschilderijen uit de tweede helft van de 17de eeuw; zij zul-
len daarom later afgebeeld en besproken worden.
DE MOF. De mof ondergaat geen noemenswaardige veranderingen. In een-
voudige, zowel als in luxueuze uitvoering vinden wij telkens moffen be-
schreven: „Voor Anna van der Voort en fluwelen moff gekoft 7-10-0".15
„Noch een swarte geborduyrde moff met gitten en sabelen" en „Noch een
violette fluwele moff met gout ende sijde geborduyrt".16 Uit de beschrijvingen
blijkt de verscheidenheid.
DE BOEZELAAR, HANDSCHOENEN, KOUSEN EN MASKERS. Evenmin heeft de mode
veel invloed op de vorm van de boezelaars, handschoenen, kousen en maskers.
In de inboedel van een rijke dame worden genoemd: „Noch een groensaeye
schortelkleet; noch een paer swarte fluwele hantschoenen met bont ge-
voert, noch een paer geele vrouwe zijde koussens; noch een paer papegey
116
sayette koussens; noch een paer witte onderkoussens".17 Deze opgaven geven
een denkbeeld van wat er alzo gedragen wordt.
DE ZAKDOEK. De zakdoek geeft ook weinig aanleiding tot opmerkingen. Maria
van Reigersberch schrijft in Juli 1626 aan haar broeder Nicolaes: ,Monsieur
Bronckhorst, swager van den burghmeester Vlaeminck treckt vandage naer
Hollandt, geeve hem een cadenet neusdoeck meede voor nicht Campe." Waar-
schijnlijk wordt de zakdoek zo genoemd naar Cadenet, de broeder van de her-
tog de Luynes, als de uitvinder
van de odeur, waarmede de zak-
162
doek geparfumeerd was; hij was
ook de peet van de naar voren han-
gende haarlok, waarmede de man-
nen zich sierden (zie p. 94).
DE SCHOENEN. Van de schoenen,
verborgen onder de lange rokken,
komt weinig te zien. Zij ondergaan
echter dezelfde wijzigingen als die
der mannen. In de inventarissen
worden dikwijls klickers en muilen
genoemd: „Betaelt voor een paer
clickers met lint voor Weyntge
2-12-0; Noch voor een paer muy-
len voor Weyntge 1-2-0; Noch be-
taelt voor een paer trijpe clickers
0-2-0; Noch voor een paer leeren 96. Akersloot. Amalia van Solms met Willem II en Louise
muylen met schoenen voor An-
Henriëtte
netgen 1-12-0".18 Met de laatste opgave zal misschien bedoeld zijn een com-
binatie van schoenen met daaraan bevestigde muilen met dikke zolen, die als
overschoenen dienst doen. De clickers en muylen voor Weyntge worden op de
rekening direct onder elkaar genoemd; onzeker blijft nog welk verschil er tus-
sen beide bestaat.
DE WAAIER. De waaier van veren op fraai bewerkte steel komt nog dikwijls
voor (afb. 91-93 en 95); op een portret van Moreelse is zo'n waaier bevestigd
aan een lange gouden keten, die langs de verbindingsnaad van het lijfje met de
overrok is gelegd (afb. 97). Maar de halfcirkelvormige waaier, die dicht ge-
vouwen kan worden is nu nieuwerwetser (afb. 89 en 96). In de inventarissen
vinden wij de waaier soms beschreven: „Noch een waeyer oft pluym met een
silver vergult steeltgen".19
DE SIERADEN. Voor de flatteuze nauw om de hals sluitende colliers van
117
paarlen tonen de vrouwen nog altijd een bizondere voorkeur (afb. 91, 92, 94,
95, 102 A, C, E, F, 103 B, C en 104 C). Amalia van Solms (afb. 96) heeft een
kostbare lange collier van vele snoeren grote paarlen horizontaal om de schou-
ders gelegd; een grote broche met edelstenen bezet vat het horizontaal gelegde
gedeelte midden op de borst samen en laat het ondereinde verticaal neer-
hangen. Het puntlijfje van Anna van Craesbeke is van onderen omgeven met
een parelsnoer (afb. 99).
De lange, zware heup-schakelketens met de bezoardoos zijn nu uit de mode.
De jonge vrouw op afb. 97 draagt nog een gouden heupketen, die gelegd is
langs de verbindingsnaad van rok en overrok; opzij is daaraan een keten be-
vestigd waaraan de waaier is vastgemaakt. Bovendien heeft zij nog een dubbele
schakelketen in dwarse richting over borst, schouders en rug gelegd.
In verband met het verlangen om de horizontale richting te accentueren
komen nu ketens in de mode waarvan het ene uiteinde midden op de borst
wordt bevestigd, dan horizontaal over een der schouders dwars over de rug
wordt gevoerd en op de andere schouder met een zwakke boog over de borst
terug wordt gebracht naar de eerste schouder, waar de beide uiteinden van de
keten met een slotstuk aan elkaar worden verbonden. Als de keten niet lang
genoeg is, wordt zij alleen van het midden van de borst naar de ene schouder,
en vervolgens terug over de borst naar de andere schouder gebracht, en op
beide schouders met strikken vastgehecht. De ketens, kostbare sieraden, zijn
meestal gemaakt van kunstig in goud gevatte edelstenen. Soms vervangt men
ze door op dezelfde wijze aangebrachte, lange parelsnoeren (afb. 92-94, 103
B en E).
Verder tooien de vrouwen zich met oorbellen van paarlen en edelstenen, met
voorhoofdsnaalden (afb. 91), met parelsnoeren om de chignon en met grote
sieraden van juwelen en goudsmidswerk, die zij in het haar steken (afb. 91-94,
96, 102 E, 103 B, E en 104 C).
118
VII. DE MODE IN HET KADER VAN DE TIJD
1635-1655
HET MODEBEELD DER MANNENKLEDING. De figuur wordt slanker, de schouders
minder breed en vierkant; zij moeten nu schuin aflopen. De schijnbare achte-
loosheid en het ongegeneerd vertoon van linnengoed, waarvan wij reeds vroe-
ger de eerste symptomen waarnamen,
worden nu meer consequent doorge-
3wart
1627
gevoerd (afb. 1 g, h, i).
Rood
Het haar hangt in lange lokken vrij
Goudband
neer over een platte kraag (rabat of
bef). In dichte massa vult het de hoek
tussen hals en schouders, zodat de lijn
die het haar begrenst, overgaat in de
schouderlijn, en deze nog schuiner
schijnt af te lopen. De schouderklep-
pen, die vroeger de schouders ver-
breedden, worden nu weggelaten. Bij
lang haar past geen baard, zelfs militai-
ren en schutters laten slechts een dun
snorretje en klein sikje staan. Het wam-
buis wordt kort en krijgt meestal geen
schoot meer of maar een kort schootje.
Het omhoog geschoven middel komt
97. P. Moreelse. Dame
weer op zijn natuurlijke plaats terug. Met opzettelijke onachtzaamheid knoopt
de man zijn wambuis slechts gedeeltelijk dicht, de mouwnaden staan wijder
open dan voorheen, zodat hij meer van het witte ondergoed vertoont. De onder
de knie vastgebonden broek is uit de mode; de broek krijgt cilindervormige
pijpen die van onderen open blijven. De mode speelt nu haar spel vooral met
de kaplaarzen, die zij tot het haast meest opvallend detail van het kostuum
maakt. De schachten van de kaplaarzen vormen van boven ter hoogte van de
kuit wijd uitstaande trechters, waarvan het effect nog verhoogd wordt door het
contrast met de strakke lijnen van de broek. In de kaplaarzen draagt men over-
kousen, waarvan de wijde bovenstukken met kant zijn afgezet en in de trech-
tervormige bovenstukken worden geplooid. De zolen zijn buitensporig lang.
Ook de lage schoenen zijn heel lang; het is alsof iedereen platvoeten moet heb-
ben, maar de gedecideerde overdrijving maakt ze elegant. Bij lage schoenen
draagt men soms witte overkousen, waarvan de wijde bovenstukken (canons)
119
evenals de schachten van de kaplaarzen in trechtervorm worden omgeslagen.
Een nieuw opkomend motief is de versiering van de broek met lint, lintstrik-
ken, lintlussen en linteindjes, die zich nu nog bepaalt tot een lintstrik op de
voorsluiting, strikken opzij van de pijpen en lintlussen en eindjes onder aan
de pijpen. Van kant wordt als garnering van bef, hemd en overkousen een
ruim gebruik gemaakt.
Deftige burgers kleden zich nog altijd in het zwart. Jonge lieden, militairen en
De pooien 3yn
ter vezduidelyking
stetk vezgzofd.
C
Hiezlangs omgevo
98. Patroon van de kraag op afb. 97
schutters kiezen kleurige stoffen, meestal in gebroken tinten van geel, grijs en
bruin, waarbij zij goudgalon of goudkant als garnering kiezen.
HET MODEBEELD DER VROUWENKLEDING. In reactie op de overmatige verbre-
ding der figuur in het vorige tijdperk wordt de gestalte der vrouw nu aanmer-
kelijk slanker en smaller; ook de lichaamsproporties veranderen. De versmal-
ling der figuren wordt voornamelijk verkregen door de wijziging, die men in
het corset, het verdere ondergoed en de bovenkleding aanbrengt. Aan stelsel-
matige vermagering van het lichaam door dieet, massage en gymnastiek werd
in de 17de eeuw nog niet gedacht (afb. 2 g, h en i).
De brede, met grote gecompliceerde liggende kragen bijna horizontaal gelegde
schouderlijn van het vorige tijdperk kan niet verder worden doorgevoerd en
gaat uit de mode. Met eenvoudige gesteven en plat gestreken kragen vormen
de vrouwen zich nu rechtlijnig, steil benedenwaarts afgeschuinde schouders.
Het naar boven geschoven middel wordt weer op zijn natuurlijke plaats terug-
120
gebracht en het lijfje krijgt, om het vooral lang te doen schijnen, van voren een
verlenging met een punt. Bovendien wordt de predominerende lengterichting
nog geaccentueerd door een gaffelvormige garnering op borst en rug. De mou-
wen blijven nog wijd, maar zij worden niet meer opgevuld, en terwijl zij in het
vorige tijdperk naar beneden nauw toeliepen, zijn zij nu ook van onderen wijd,
zodat de hoge kelkvormige ponjetten van voorheen door korte wijde cilinder-
vormige manchetten moeten worden vervangen.
De rok hangt voortaan meestal sluiker neer dan
vroeger, de heupen zijn smaller, de buik steekt niet
±1635
Zwort
meer vooruit. Nu de figuur smal moet zijn, draagt de
vrouw geen fardegalijn meer en vermindert zij het
aantal onderrokken.
Bij het slankere bovenlijf moet ook het breed uit-
staande kapsel van korte geonduleerde lokken ter
weerszijden van het hoofd worden vervangen door
cen smallere coiffure van lang neerhangend golvend
haar of van lange, verticaal afhangende kurketrek-
kerkrullen. De nieuwerwetse muts sluit nauw
om voorhoofd en slapen.
Terwijl de vrouwen eertijds voor galakleding gefi-
gureerde stoffen zochten, die op grote vlakken het
best tot hun recht komen, geven zij nu de voor-
keur aan effen satijn, dat door zijn glanzingen ge-
noeg wordt verlevendigd. Jonge vrouwen dragen als
galakleding meestal wit satijn, of zij maken een 99. A. van Dijck. Anna van Craes-
combinatie van een zwart overkleed met een kleu-
beke, vrouw van de gezant Joost de
Hertogh
rige rok. Oudere vrouwen kleden zich evenals vroeger geheel in het zwart.
De drie groepen, waarin wij de kleding der vrouwen in de eerste drie tijdvak-
ken hebben ingedeeld, zijn nog steeds dezelfde. Van deze drie gaat het vlieger-
kostuum, dat zijn karakter van een loshangend mantelvormig overkleed prijs
geeft, nu echter zijn laatste stadium in. Op pl. 1 is de reeks der metamorphosen
van het vliegerkostuum met een donkere lijn achter fig. h afgesloten.
DE HOFMODE IN FRANKRIJK. Na de dood van Richelieu (1642) en van Lodewijk
XIII (1643) hield ook Mazarin, de minister der regentes Anna van Oostenrijk,
streng de hand aan de edicten tegen de luxe die hij in 1644 en 1656 hernieuwde
en verscherpte. De kleding van de nog steeds tegen de absolute macht van de
koning opstandige adel veranderde meer van vorm dan van karakter. Zij be-
hield nog het krijgshaftige aspect van het vorige tijdperk dat nu door soldateske
kaplaarzen met wijde schachten en toenemend vertoon van linnengoed nog
121
werd versterkt (afb. 134 A). In de oorlogen der Frondes (1648-1652) werd de
macht der edelen tenslotte gebroken en eerst toen hun dientengevolge een an-
dere positie in de samenleving werd aangewezen, had dit - zoals wij in een vol-
gend hoofdstuk zullen zien - ook een ingrijpende verandering van hun kledij
ten gevolge.
Het kostuum der vrouwen bleef betrekkelijk eenvoudig, maar onder invloed
van de meer verfijnde omgangsvormen der Précieuses van het Hôtel de Ram-
bouillet werd de figuur slanker, de kleding subtieler en
Gtys
1636
het kapsel met de gestyleerde kurketrekkerkrullen enigs-
zins geaffecteerd. Anna van Oostenrijk, in de rouw over
de koning, schijnt een voorliefde te hebben gehad voor
grote platte kragen en de verbreiding van deze mode
werd waarschijnlijk door haar voorbeeld bevorderd.
HUWELIJK VAN WILLEM II. HOF EN MODE. Willem II sloot
een huwelijk boven zijn stand, waardoor het Huis van
Oranje verwant werd aan twee der aanzienlijkste ko-
ningsgeslachten van Europa, de Stuarts en de Bourbons.
In 1641 ging de Prins, 14 jaar oud, naar Engeland om
zich te verloven met Prinses Mary, het 10-jarige doch-
tertje van koning Karel I en koningin Henriette Maria,
de zuster van Lodewijk XIII. De Boheemse etser Wenzel
Hollar schijnt de Prins in Engeland gezien te hebben en
stelt hem voor naar de nieuwste mode gekleed, fier rond-
stappend in kaplaarzen met wijde omlaag geschoven
100. P. Codde. Dansende schachten (afb. 105). Het portret van het jonge paar door
dame
Van Dijck kort voor zijn dood geschilderd (+ 1642) moet
dus ook in deze tijd zijn gemaakt (afb. 106). De Prins draagt daarop een gala-
pak van rozenrood satijn met goudgalon afgezet, zijn lage schoenen hebben rode
hakken, teken van distinctie. Hij draagt een mooie degen, waarschijnlijk het
geschenk dat hij bij deze gelegenheid van Karel I kreeg, die, hoewel hij altijd
geldgebrek had en steeds met het Parlement over subsidies in strijd was, toch
F. 200.000 daarvoor had uitgegeven. Het Prinsesje is gekleed in een kostuum
van stijf uitstaand wit brocaat, haar kapsel van lange kurketrekkerkrullen
maakt het bleke strakke gezichtje lang.
In het volgende jaar bracht Henriette Maria haar dochtertje zelf naar Holland
en in 1643 werd te 's Gravenhage het huwelijk met de gebruikelijke ceremo-
niën en feesten gevierd. De Prins en Prinses namen eerst hun intrek in het Oude
Hof op het Noordeinde, maar verhuisden na de dood van Frederik Hendrik
in 1647 naar het Stadhouderlijk Hof op het Binnenhof.
122
Willem II had een goed uiterlijk, was beminnelijk en zeer begaafd, maar te-
vens lichtzinnig en onbesuisd. Hij had de luxe-neigingen van zijn ouders ge-
erfd en bovendien legde zijn huwelijk met een koningsdochter hem de verplich-
ting op om een grote staat te voeren. Zijn hofhouding breidde hij uit tot 2000
edellieden 2 en hij leefde in nog groter weelde dan zijn vader. Zijn kind-vrouw-
tje was een hoogmoedig Prinsesje, opgevoed in de door de traditie van eeuwen
gevestigde leer dat een koningstelg verheven is boven allen die niet van
koninklijken bloede zijn. Mokkend over de haar
opgelegde mésalliance voelde zij zich de meerdere
1627
der Oranjes en hun Nassause familie en vooral van
haar schoonmoeder, Prinses Amalia, de gewezen
hofdame van haar tante Elisabeth van Boheme.
Omringd door een Engels gevolg van 26 heren en
3wozt
14 hofdames paste zij zich weinig bij haar omge-
ving aan. Zij deed geen enkele poging om zich be-
mind te maken en gaf zich niet eens de moeite om
Hollands te leren. In deze houding werd zij ge-
sterkt door de bizondere etiquette die volgens de
eis van Karel I tegenover haar als koningsdochter
in acht moest worden genomen. Zijn financiële
omstandigheden hadden de koning echter belet de
uitzet van zijn dochter behoorlijk te laten verzor-
gen en het trotse Prinsesje zal zich wel dikwijls ver-
nederd hebben gevoeld, wanneer, zoals uit haar
brieven blijkt, haar de nodigste kledingstukken 101. J. Gz. Cuyp. Dame met huik
meer dan eens ontbraken.3 Maar de leemten konden spoedig worden aange-
vuld, want Frederik Hendrik, altijd vrijgevig, gaf zijn schoondochter F. 18.000
per jaar als speldegeld.4
Het Engels milieu van de Prinses bracht geen verandering in de Frans getinte
levensstijl van het stadhouderlijk hof. Het Frans bleef de hoftaal en men kleed-
de zich naar de Franse mode, waar de Prinses aan het Engelse hof en onder de
invloed van haar Franse moeder trouwens reeds van jongsaf aan gewend was.
Op haar in 1652 door Van der Helst geschilderd portret zien wij haar, klein en
mager, gekleed in een wit satijnen galatoilet. Het portret van haar schoon-
zuster Louise Henriette van Oranje (in 1646 met Frederik Willem van Bran-
denburg gehuwd) is door Honthorst waarschijnlijk een paar jaar vroeger ge-
schilderd. Beide geven ons een voorbeeld van de hofmode in deze tijd (afb.
116 en 123). Een eigenaardig beeld van de zeden en gewoonten der hof-
wereld geeft van Aitzema in zijn beschrijving van een „Festin” in 1649 door
123
de Spaanse ambassadeur Brun in Den Haag aangeboden „ter eere van het
huwelijk van den Koninck met de Princesse van Oostenrijk".5 Aanwezig waren
de Prins, Graaf Willem van Friesland en 10 heren der Staten Generaal. „De
Tafel was rond. Tegen de schoorsteen of Camijn stond een stoel met leenen, alle
andere stoelen waren sonder leenen. De Prins gingh sitten in de opgemelde
stoel met leenen, naest hem aen de slincker zijde Graaf Willem, daeraen den
Ambassadeur. De Heeren Staten Generael, genoodight als particulieren,
A
1625
C
1633
ghingen sitten aen
de rechterhand van
den Prins, pesle
mesle .... Vijfmael
wierter opgedist,
driemael in spijze
Fzans Hals
ende tweemael in
confitueren of ban-
Anoniem . Dame
Aletto Hanemon
Rembzandt . Dame
quet ... Van de
1634
±1655
tafel opstaendesey-
de de Ambassadeur
aen de omstanders
(toeschouwers bij
de maaltijd) dat
alle het banquet
was beuyt van goe-
Rembzandt? Dame
PMoteelse? Dome
P.Mozeelse? Dame
den prinse, elck
102. Boogjesmutsen en kragen
liep derhalve om
wat te rapen. Daer door gebuerde disordre: een van de Heeren Gasten raeckten
onder de voet, waer door de vroolyckheyd wierdt getroubleert." Dat de voor-
naamste gasten het dichtst bij het vuur plaats namen, wordt dikwijls vermeld
en bewijst hoe slecht de zalen verwarmd waren. Ook van de gewoonte om na
de maaltijd het dessert te laten plunderen wordt herhaaldelijk gewag gemaakt.
DE HAAGSE KERMIS. Een van de vrolijkste en meest ongedwongen feesten was de
Haagse kermis, grootste pret in het volksleven, die in Mei gehouden werd on-
der de lindebomen van het Voorhout en op het Buitenhof. De Stadhouder en
zijn gemalin mochten daar nooit ontbreken en ook de aristocratie van 's Gra-
venhage verscheen er in fleurige voorjaarskledij. Paarsgewijs wandelden de
heren en dames langs de kramen, aten croquante wafels in de wafelkraam en de
heren gingen met de dames weddenschappen aan die aanleiding gaven tot
cadeautjes en hofmakerijen. Wat zal de Prinses Royale van de populaire feest-
viering gedacht hebben?
124
Maar reeds in 1650 stierf Willem II en zo kwam er voor lange tijd een einde
aan het vrolijke hofleven. Acht dagen na zijn dood werd een klein zwak prinsje
geboren dat later als Willem III stadhouder zou worden en koning van Enge-
land. De doop geschiedde met grote plechtigheid en in diepe rouw in de St Ja-
cobskerk, die helemaal met zwart was bekleed. Tevoren waren er veel moci -.
lijkheden geweest tussen de Prinses Douairière en de Prinses Royale over de bij
de strenge hofetiquette gewichtige vraag wie het kind zou dragen en hoe de
stoet met inacht-
neming van alle
A
1631
1634
1633
nuances van rang-
orde geregeld zou
zijn. Toen eindelijk
alles geschikt was
Nic.Efias
Rembzandt a
en het kind bin-
nengedragen werd,
Rembzandt . Dome
gaf de sleep van
Tzynigen Tysd vNooy
Coznefia Pronck.
het doopkleed „een
D
1636
langh stuck Lae-
ckens met wit
Bondt met swarte
slippen" 6 velen
wegens dit vertoon
van vorstelijk her-
melijn aanleiding
Rembzandt Dame
Anoniem-Damespoztzel
Rembrandt-Peisje
tot ergernis
en
kritiek.
103. Mutsen, kapsels en kragen
Het besluit van de Staten om gebruik te maken van de gelegenheid om het
stadhouderschap af te schaffen en, nu de vrede met Spanje gesloten was, het
leger in te krimpen, had het vertrek van vele vreemde officieren tot gevolg en
dit was een zware slag voor het leven der beaumonde van 's Gravenhage. De
Prinses Douairière en de Prinses Royale, wier inkomsten zeer geslonken waren,
zagen zich genoodzaakt vele leden van haar hofhouding te ontslaan en zich een
groot gedeelte van het jaar op haar buitenverblijven Honselaarsdijk en het
Huis te Breda terug te trekken. Wel werd in 1652 voor het kleine Prinsje in Den
Haag een eigen hofhouding ingesteld, maar voor het mondaine leven had dit
geen betekenis. Als voor de geschiedenis der mode enigszins wetenswaardige
details kunnen wij alleen vermelden dat onder de verschillende posten voor de
uitgaven ten behoeve van de Prins een bedrag van F. 3500 werd uitgetrokken
en hij reeds in 1656 een eigen kleermaker kreeg, een Fransman Surceaux te
125
Parijs, wie de titel gegeven werd van „Maître Tailleur du Prince d' Orange".7
HET HOF VAN BOHEME. Ook het hof van Boheme had veel van zijn glans ver-
loren. De zoons en dochters hadden bijna allen het ouderlijk huis verlaten en
koningin Elisabeth had moeite om vrolijk te blijven onder steeds toenemende
geldzorgen en vernederingen van de zijde der betaling vorderende schuld-
eisers. „De volgende week hebben wij niet meer te eten", schreef zij in 1653
aan Lord Craven, „dit is nu niet overdrachtelijk, maar de zuivere waarheid,
want er is evenmin geld als crediet."8
A
±1630
In 1654 wilde zij zich op uitnodiging
van haar zoon Karl Ludwig van de
Palts te Heidelberg vestigen en haar
inboedel was reeds gepakt, toen haar
schuldeisers daarop beslag legden en
het vertrek der vorstin smadelijk ver-
Vc
hinderden. De schulden bedroegen
Rembrandt's Moedezi
Holsdoek en patzoon
bijna een millioen gulden.9 Dat daar-
1627
van opvallend hoge bedragen, nl.
F. 60.000 aan haar linnenverkoopster
en F. 22.000 aan twee wasvrouwen be-
1635 Q
Rembzandt
taald moesten worden 10, is te verkla-
ren uit de grote onkosten die gemaakt
werden voor de aankoop van kamer-
doek en kant en voor het maken, was-
Petzonella Buys.
Jacob Omn Cuyp-Dame
sen en strijken der grote met kant af-
104. Mutsen, halsdoek en huik
gezette kragen die door het gehele
koningsgezin werden gedragen. Bekwame wasvrouwen waren in die tijd zó
onmisbaar dat in de huwelijksvoorwaarden van de Keurvorst van Branden-
burg en Louise Henriette (1646) uitdrukkelijk werd bepaald dat de Keurvorst
ten behoeve der Prinses „met besoldiginge, kleedinge ende ander nooddruft"
behalve pages, hofjonkers, lakeien e.a. ook zou onderhouden „een snijder, een
naeyster en een waschster." 11 Ook de mannen verzekerden zich van goede
wasvrouwen en strijksters. Op de lijst van „d'officieren van d'Ambassade naar
Engeland in 1642" worden behalve een secretaris, een hofmeester, klerken enz.
nog genoemd „een Lindebewaerster die oock soude stijven." Deze krijgt even-
als de klerken een gulden per dag, de „Statenbooden“, de kok en de barbier
worden echter hoger gesalarieerd met 30 stuivers per dag.12
VERANDERINGEN IN HET WERELDSE LEVEN IN DEN HAAG. Hoewel gedurende het
stadhouderloze tijdperk dat nu begonnen was, geen vorstelijk hof meer de toon
aangaf, zette de Haagse aristocratie toch het vrolijke society-leven voort. Daar
126
de regering te 's Gravenhage gevestigd bleef, hielden ook de buitenlandse ge-
zanten met hun aanhang zich daar op en zij brachten genoeg mondaine wrij-
ving om de mode althans tijdelijk op gang en op peil te houden. Men moet zich
hun luxe niet gering voorstellen. De gezanten hadden in 's Gravenhage samen
meer dan 1200 pages, lakeien, trompetters enz. De ambassadeur van Engeland
had 79 livreiknechten, 8 pages en 6 trompetters; de gezant van het Duitse rijk
had 100 man in livrei en deze heren reden in karossen met 6 paarden bespan-
nen, vergezeld door een gewapend escorte van 12 rui-
ters en 2 trompetters, behalve de pages en de lakeien.13
1641
Nu er geen hof meer was, ontstonden er in Den Haag
nieuwe wereldse milieux, waarvan de sporen echter
grotendeels zijn uitgewist, maar van één leeft de her-
innering nog voort en dit krijgt zelfs historische bete-
kenis omdat Johan de Witt, de man in wiens handen
de staatsmacht nu gelegd werd, er deel van uitmaakte.
L'ORDRE DE L'UNION DE LA JOYE. In 1652 werd in de
kring der Brederodes een club van aanzienlijke Hage-
naars opgericht onder de naam van l'Ordre de l'Union
de la Joye. Amalia Margaretha, dochter van de veld-
maarschalk Wolfert van Brederode, getrouwd met de
Boheemse baron Albert Frederik de Slavatha, was
Grootmeesteres der Orde, terwijl haar jongere zuster
Anna Trajectina, een gevierde schoonheid, Coadju-
trice werd. Het onderscheidingsteken der Orde was
een zilveren medaille aan een blauw lint. Het was een 105. W. Hollar. Prins Willem II
echte pretclub die „la bande la plus joyeuse de la Hollande" moest vormen.
Het doel was feestvieren „en joye et contentement, chassant Dame Mélan-
cholie". Van de ridders werd verlangd dat zij zouden blaken van „envie de
danser, de gambader et de se réjouir". Aspirant-leden werden alleen toegelaten
als zij „l'épreuve du rire, du pied de grue, du petit saut gaillard et du saut de
moineau" doorstaan hadden. Ook moesten zij een „tricoté" dansen.14 Soms
werden er wedstrijden in proza en poëzie en muzikale voordrachten gehouden,
maar het dansen was de hoofdzaak. De 17de-eeuwse dansen als sarabandes,
allemandes, courantes e.a. waren langzaam van tempo, bijna plechtig en de
schuivende bewegingen van de voeten zullen zeker hun volle effect gemaakt
hebben door de overdreven lange schoenen en de modieuze kaplaarzen met
wijde schachten, waarmede de officieren zó gaarne pronkten dat zij er ook
mede in de balzaal plachten te verschijnen.
JOHAN DE WITT. In 1653 werd Johan de Witt kort nadat hij Raadpensionaris
127
was geworden en als zodanig de eerste plaats in Holland innam, uitgenodigd
om „Chevallier“ te worden van l'Union de la Joye, ongeveer gelijktijdig met
Constantijn Huygens en zijn zoons Christiaan de mathematicus en uitvinder
van het slingeruurwerk en Constantijn Jr later secretaris van Willem III en be-
kend door zijn Journaal. De Witt was toen 28 jaar oud. Hij was niet van adel,
maar behoorde tot een patricische familie. Met de veldmaarschalk van Brede-
rode kwam hij door zijn positie bijna dagelijks in aanraking en werd ook in
zijn huis vriendschappelijk en met on-
tood
zwazt
1641
derscheiding ontvangen. Streng als
staatsman toonde Johan de Witt in
zijn jonge jaren wereldse neigingen, zo-
geel.
als niet alleen blijkt uit het deelnemen
aan l'Union de la Joye, maar ook uit
de nog voorhanden galante briefjes
die hij aan de „frelles" der beaumonde
schreef.15 Op zijn portret door Han-
neman 16 zien wij hem „als welge-
maakt man van postuur, statelijk in
het habijt", zoals men het toen uit-
drukte 17, wel in het zwart, maar keu-
rig en elegant naar de mode gekleed.
In een volgend hoofdstuk zullen wij op
hem en zijn kleding nog uityoerig terug
komen.
ses Mary Stuart
106. A. v. Dyck. Prins Willem II en zijn bruid Prin- DE PATRICIERS IN DE STEDEN. In deste-
den zette zich de vorming voort van
een regentenclique die zich meer en meer van de andere burgers afscheidde.
Hoewel de rijke kooplieden in levenswijs en kleding niet voor hen onderdeden,
gaven de regenten toch de toon aan.
BAROK IN DE BOUWKUNST. Amsterdam had omstreeks 1658 ongeveer 150.000
inwoners.18 De smalle hoge huizen met trapgevels in renaissancestijl gebouwd
door Lieven de Key en Hendrick de Keyser voldeden nu niet meer aan de eisen
der aanzienlijke Amsterdammers die prachtiger woningen verlangden. Als
grote heren lieten zij bouwen, publieke gebouwen ten algemenen bate zoals het
Raadhuis op de Dam, en particuliere woningen voor zichzelf. De grote paleizen
welke sedert ca. 1650 langs de drie nieuw aangelegde grachtenbogen van Am-
sterdam verrezen, werden door bouwmeesters als Jacob van Campen, Ving-
boons e.a. in de pompeuze uitheemse barokstijl opgetrokken. Achter hun brede
gevels met klassieke pilasterindeling, statige trapstoepen en monumentale voor-
128
deuren woonden de regenten en de rijke kooplieden ruim en royaal met onbe-
krompen maar besloten luxe, in grote vertrekken met zware meubels, kostbare
tapijten en kasten vol zilver en porcelein.
HOLLANDS KARAKTER DER SCHILDERKUNST. Terwijl de architectuur van de
woonpaleizen der patriciërs invloeden uit den vreemde begon te vertonen,
hingen aan de wanden van hun „zalen" en kamers de schilderijen van de nu
wereldberoemde rasechte Hollandse schilders, die wij misten in de paleizen der
stadhouders. In de schilderkunst uit zich het
zuiverst de Hollandse geest van die tijd,
1640
Aet.50
oqpnob
langer dan de bouwkunst bewaarde zij, bui-
ten alle invloeden om, haar nationaal karak-
ter, nergens vond zij in haar beperkte maar
loutere schoonheid haar weerga. Zij gaf een
duutsel o
recel beeld van het vlakke land met zijn
schone dreven en blanke wateren in lichten-
de atmosfeer onder ijle wolkenluchten, van
de steden en hun bewoners, van de zee en de
geduchte vloot, van de dorpen met hun boe-
ren en de vrolijke drinkebroers in de herber-
gen en van het vee in de groene weiden.
DE MODE BEWAART HAAR HOLLANDS CACHET.
Op de beeltenissen der portretschilders van
deze tijd, Frans Hals, Rembrandt, Van der
Helst, Verspronck, Nouts, Palamedesz en
vele anderen zien wij dat de mode nog haar 107. Nic. Elias. Pickenoy. Portret van een
Hollands cachet bewaart en Franse elegance
admiraal
omzet in Hollandse degelijkheid en deftigheid. De patriciërs in de steden doen
nog zelden mee aan de excessen in Franse trant van opengesneden mouwen en
canons die wijd als trechters om de kuiten uitstaan. Hun haar mag iets langer
groeien dan vroeger, maar nog niet over de schouders neergolven; toch nadert
de tijd van groter concessies aan de Franse mode en reeds stemmen velen er in
toe het wambuis tot op de heupen te verkorten, hoewel de waardigheid van hun
voorkomen er bij verliest (afb. 111). Hun zonen aanvaarden gemakkelijker de
nieuwe mode-motieven, maar toch ook met enige terughouding (afb. 112).
De degelijke vrouwen der patriciërs die op haar portretten als regentessen van
liefdadige instellingen zo zuinig kijken en zeker aan de haar toevertrouwde
gestichten straffe leiding geven, zijn strenger dan ooit in het duistere zwart ge-
kleed en blijven opzettelijk enige modes ten achter. Zij dragen nog de grote
stijve plooikraag, die de hals afwerend omsluit. Het grijzende achterover ge-
129
kamde haar bedekken zij met de boogjesmuts waarmede zij in haar jonge jaren
mooi waren geweest of met de nog ouderwetser vleugelmuts (afb. 121, 122, 131
A, B en c). Node missen wij op afb. 121 en 122 het weke bont van de vlieger
dat de strakke lijnen verzacht, maar de met bont gevoerde vlieger is nu wel
héél ouderwets en slechts enkele oude dames blijven daaraan als winterdracht
nog getrouw (afb. 119 en 131 A en B).
Ook de kleding van jongere vrouwen der strenge richting krijgt door de strakke
zood
bzuin
contour van de gesteven hals-
g sAzb-szood
doekkraag iets puriteins (afb.
127). Willem II moet gezegd
hebben dat de Amsterdamse
dames meer geschikt waren om
krijgsgevangenen te maken dan
om op liefdesavonturen uit te
3wazt
gaan.19 Misschien werd dit on-
welwillend oordeel hem inge-
geven door zijn conflict met
Amsterdam (1650) en heeft zijn
ergernis hem belet op te merken
dat vele jonge vrouwen uit de
eerste kringen der weerspannige
stad er heel pikant en gracieus
uitzagen (afb. 117 en 124). De
vrouwen in andere welvarende
108. Gonzalez Coques. Duo
steden bleven niet achter, haar
portretten bewijzen dit. Door het sterk accentueren van stijve modemotieven
als de gesteven halsdoekkraag die de schouders steil afschuint en van de wijde
plompe mouwen met gladde omgeslagen manchetten, wisten zij aan haar wel
wat zware en massieve kleding toch een heel chic en stijlvol aspect te geven
(afb. 128).
OORDEEL DER PREDIKANTEN OVER DE MODE. De betrekkelijk eenvoudige kleding
der burgers en burgeressen in de steden werd door de rechtzinnige predikanten
toch dikwijls nog veroordeeld. Op theologische gronden bestreden zij vooral
het lange haar en de pruiken der mannen. In de preken der dominees in deze
tijd vindt men de heftigste protesten tegen deze dracht. Ds Borstius, huisvriend
der familie de Witt, die zo populair was dat de gelovigen reeds 's morgens om
5 uur voor de kerkdeuren stonden als de dominee om g uur zou preken 20, hield
in 1646 een predicatie tegen het lange haar, waarin hij de theologische redenen
voor zijn oppositie uiteenzette, welke onze moderne vrouwen de nu kort gesne-
130
den haren van verbazing te berge zouden doen rijzen: „Vrouwen moeten lang
hair hebben en dat nooit laten afscheren tenzij in dringenden nood. Zoo ook
moeten zij daaraan eenigen tijd besteden om dat te kammen, reyn te houden
en te vlegten. Maar den man, zegt de Apostel, is het een oneer om lang haar te
dragen 21, want de man heeft van de nature eenige agtbaarheid ende heerlijk-
heid boven de vrouwe. God heeft gcordineerd dat de vrouw den man zal on-
derdanig zijn, zeggende: hij zal Uw Heer wezen! Nu is het lang hair een teeken
van onderdanigheid en mindere heerlijkheid en daarom
zeit de Apostel dat het de vrouw en niet den man past,
1643
want daar God gezegt heeft dat de man zal heerschap-
pij hebben over de vrouw, daar gaat zulk een man zijn
Hauw M
heerlijkheid veranderen in de gelijkenisse des beelts
eener vrouwe, omdat hij het teken en leverij van de
vrouwelijke onderdanigheid draagt." 22 Niettegenstaande
het verzet van Ds Borstius en vele andere predikanten
drong de mode van het lange haar en de pruik overal door.
DE KLEDIJ DER MENNISTEN. Buitengewoon eenvoudig
was gedurende de gehele 17de eeuw de kleding der Men-
nisten (ook wel Mennonieten of Doopsgezinden ge-
noemd). Hun opvatting der religie leidde tot een stil en
ingetogen optreden en een sobere levenswijze. Hun af-
keer van zelfverheffing, hun afgescheidenheid van de
wereld en hun practisch Christendom noopten hen tot
een simpele en onopvallende kledij. Tooi en opschik be-
geel leer
levezbrum. goud passement
schouwden zij als een bevrediging van het zondig ver- 109. B. v. d. Helst, Schutter-
langen om uit te blinken boven anderen. Om toch vooral
kapitein Roelof Bicker
niet op te vallen droegen zij meestal zwarte of bruine kleren met vermijding
van garnering en van alles wat ook maar zweemde naar luxe. In cen reglement
der „Oude Vlamingen“, Doopsgezinde vluchtelingen uit Vlaanderen, die
wegens de geloofsvervolgingen in het eind van-de 16de eeuw de wijk hadden
genomen naar Loppersum in Groningen 23, komen verschillende bepalingen
voor betreffende een voor de gelovigen gepaste kleding:
1) Dat een Christen behoort geen carmosijn laken of verwen te dragen, of
oock van dat gladde vijfschagt tot kleedinge.
2) Dat de olderen hare kinderen niet behooren toe te staen om te dragen dat
de olderen niet betaemt.
3) Dat Christen geen schoenen moogen dragen met hooge hacken of met wit
garen off geset of genest, noch oock geen twee riemen op de schoenen, oock
geen spiegaten.
131
4) Dat men oock geen kleedinge na de nije moede en nije wijse oft werelts vin-
dinge behoort te dragen, maar de nedrijgen gelijck. Rom. 12 : 2.
5) Dat oock de rocken boven so briet of so stijf niet behoorden gereit te wesen
noch met corden onderom beset noch gestijfde lijfstucken dé met balijnen
doortogen sijn, oft oock gladde schorties te dragen en mouwen met cromme
ellebogen na de moede gemaeckt.
6) Dat een Christen behoort geen strijckisers of gleijsteen op de cragen of hem-
den te gebruicken.
7) Geen hair met snoeren te winden off met vlechten te versijren, vrongen of
ooriseren onder de huiven te dragen.
16) Geen Christen behoort lanck haer te dragen op sijn hooft of de baert te la-
ten afsnijden of scheren na warrelts wijs.
Van de afkeuring die de Mennisten hadden voor mode en luxueuze kleding ge-
waagt ook Starter in zijn „Mennistenvrijagie", waarin een vrijer zich beklaagt
over de vermaningen van zijn Doopsgezind meisje:
„Dan was mijn hayr te lang, dan al te wild mijn kragen,
„Ponjetten al te weyts, het stijfsel al te blaeuw,
Dan was mijn broeck te wijd, dan 't wambeys al te naeuw,
Elck koussebandt te langh, 'k had roosen op mijn schoenen ... "24
En op een door Rembrandt geschilderd portret zien wij hoe een Mennisten-
predikantsvrouw er uit zag (afb. 118). De domineese is er in geslaagd bijna
consequent alle luxe en mode uit haar kleding te bannen. Haar sober lijfje en
haar ongegarneerde rok staan buiten de mode en zijn zo simpel als maar moge-
lijk is. Maar de lubbenkraag, oorspronkelijk ook een gelaakt werelds mode-
exces, was in de loop der jaren een eerwaardig kledingstuk geworden, symbool
en manifestatie van strenge levensbeginselen en ingetogen soliditeit. De lub-
benkraag meende de domineesvrouw te mogen behouden, misschien ook te
moeten behouden als teken van haar plaats en waardigheid in de besloten
wereld die de hare was. Het was een offer aan de mode, maar wie kan in de
samenleving haar macht gehéél weerstaan?
132
VIII. DE KLEDIJ DER MANNEN
1635-1655
HET WAMBUIS OF ROXKEN. Het lange wambuis is nu uit de mode, maar door
sommigen wordt het toch nog wel gedragen. Mannen met zware figuren zoals
de corpulente admiraal op afb. 107 kleedt het inderdaad beter dan het korte
wambuis dat nu nieuwerwets is.
Het wambuis op afb, 108 kan als een overgangs-
1648
type van de oude naar de nieuwe mode worden
beschouwd; over het geheel is het reeds kort, maar
het heeft nog een tamelijk lange schoot en van ach-
teren zien wij een strik, misschien nog een van de
gesimuleerde broeksbandstrikken, die in het vori-
ge tijdperk de verbindingsnaad van lijfstuk en
schoot decoreerden.
Het nieuwe wambuis ondergaat verschillende ver-
anderingen. Het middel was omstreeks 1635 zó
ver omhoog gebracht, dat het onmogelijk nog ho-
geel
lee7
ger kon rijzen, en het wordt nu weer op zijn na-
goud
qafong
tuurlijke plaats teruggebracht. Het wambuis
krijgt soms nog een kort schootje van slechts enkele
centimeters breedte, dat - aangezien het met het
lijfstuk aaneengesneden is - niet meer uit pandjes
B
kan bestaan en ook geen plaats meer biedt aan de 110. G. Flinck. Luitenant der schut-
decoratieve broeksbandstrikken, die dus uit de
terij Frans Oetgens van Waveren.
mode verdwijnen. De mouwen zijn meestal tamelijk wijd. Nu geen verbreding
der schouders meer verlangd wordt en bijhangende mouwen geheel uit de
mode zijn, laat men de schouderkleppen weg; hoogstens worden de armsgaten
nog omgeven met een band van passement. Met passement garneert men het
wambuis soms ook over de borst en de mouwen. In deze vorm, van zwart laken
gemaakt, zien wij op afb. 111 het nieuwerwetse wambuis dragen door een bur-
gemeester en een regent van een gesticht. De regent heeft zijn wambuis nog ge-
heel dicht geknoopt, doch de burgemeester doet een concessie aan de mode en
laat de drie onderste knopen openstaan.
De schutterskapitein, Roelof Bicker, ook een deftig man, vertoont zich op afb.
109 in zijn met veel garnering getooid „optreckkleed“ van leverbruin laken. De
voorpanden van het wambuis, de mouwen en de naden van de broek zijn be-
legd met dwars geplaatste reepjes goudgalon, die aan de ene kant lussen vor-
133
men en aan de andere kant met knopen bezet zijn. Uit de openstaande mouw-
splitten komen de hemdsmouwen te voorschijn. De brede blauwe sjerp of
sluier heeft hij naar schuttersgewoonte vlak onder de armen horizontaal om-
gebonden; dit herinnert nog aan het omhoog geschoven middel uit het vorige
tijdperk, maar heeft met de snit van het wambuis niets uit te staan.
Maar de jeugd gaat nog verder. Het parool der radicale verandering van het
wambuis luidt: geen schoot meer, alleen de bovenste knopen van de voorslui-
ting dicht, de kno-
jzwart
1655
zwazt
1649
pen van de mouw-
A
B
naden over de ge-
hele lengte open la-
ten om het hemd te
vertonen. Het hemd
wordt, om het ef-
fect te versterken,
soms versierd met
een jabot, d.i. een
kantstrook die ter
hoogte van de maag-
streek in het split is
genaaid. Het wam-
buis eindigt van on-
deren ter hoogte van
het middel 1 of even
I11. A. Jan Steen, de Burgemeester van Delft, B. Ferdinand Bol, Regent van daaronder horizon-
het Leprozenhuis te Amsterdam
taal, of wordt van
voren zwak-puntig afgesneden. Passement of metaal, kant en mooie knopen
dienen ter versiering (afb. 105, 106, 110 en 112). In de klederinventaris van de
lakenhandelaar Alewijn komen o.a. voor: „twee satijnen wambaisen met
twintich goude cnoppen" en elders: „Noch een zyde groffgreyn rocxken met
geborduyrde koort".2
De kolder blijft als beschuttend kledingstuk lang.
DE BROEK. Hoewel velen nog de aan de knie dichtgebonden broeken dragen -
men ziet ze o.a. nog op de in 1648 door Van der Helst geschilderde Schutters-
maaltijd - wordt deze nu toch verdrongen door de ons uit het eind van het vo-
rige tijdperk reeds bekende broek met matig wijde, cilindervormige pijpen, die
de figuur zoveel slanker maakt. De band van de broek wordt niet meer zo hoog
opgetrokken als bij het wambuis met het korte lijfstuk nodig was geweest; hij
omsluit het middel nu weer op zijn natuurlijke plaats, zodat een stuk van het
134
hemd er boven uit kan komen. De cilindervormige pijpen zijn lang of kort. De
brock van Prins Willem II (afb. 106) reikt slechts tot aan de knieën en sluit
nauw om de dijen. Maar meestal zijn de pijpen langer en reiken zij tot onder
de knicën (afb. 108-110).
Tegen 1650 brengt de Franse mode de broek met tot aan de knieën reikende,
wijde cilindervormige pijpen weer terug (afb. 134 A), die hier in de eerste jaren
der 17de eeuw enige tijd in de mode is geweest (afb. 14). Deze broek (afb. 111 en
112) is nu een overgangsvorm naar de wijde rokbroek,
die de mannen in het volgende tijdperk gaan dragen.
1652
Langs de zijnaden en van onderen rondom de pijpen van
de broek wordt passement of metaalkant gelegd, soms
met toevoeging van lintstrikken opzij; maar de pijpen
worden van onderen ook wel afgemaakt met een
franje, een reeks rozetten of een reeks afhangende lint-
lussen. Lint als versieringsmotief komt nu in de mode
en wordt naar het voorbeeld van Frankrijk (afb. 133A),
ook in de vorm van een lintstrik boven de voorsluiting
van de broek toegepast (afb. 105, 108-112 en 115 b, h).
DE KRAAG. Van de plooikraag kunnen de mannen nog
niet definitief afscheid nemen. Op portretten en schut-
terstukken zien wij hem door mannen van middelbare
leeftijd en daarboven nog dragen, echter meestal in de
latere onregelmatige plooiing. 3 Maar de jongeren ge-
ven de voorkeur aan de plat op de schouders liggende
beffen of rabatten, die wij reeds in de vorige periode 112. H. M. Sorgh. Portret van
leerden kennen. Deze waren toen al zó groot, dat zij
een jongeling
onmogelijk nog meer konden groeien; bovendien wordt nu geen verbreding
der schouders meer verlangd. De bef gaat dus krimpen en de omranding met
kant wordt smaller. Weldra zien wij meer dan vroeger beffen zonder kant,
misschien naar het voorbeeld van Frankrijk, waar onder de druk der edicten
tegen de luxe het gebruik van kant was verboden; misschien ook onder in-
vloed van het puriteinse Engeland, waar Cromwell en zijn volgelingen alle
weelde veroordeelden. Wij treffen de beffen in vier modellen aan:
a) de grote bef, die alleen onder de kin sluit, terwijl de onderste hoeken der
voorzijden ver uit elkaar liggen; alleen de voorzijden van de brede kantstrook
die om de rabat gezet is, raken soms elkaar (afb. 105, 106, 114 c).
b) de grote beffen met kant, waarvan de voorzijden op de borst geheel aaneen-
sluiten (afb. 107, 108, 109, 111 A). Deze beide modellen hebben echter hun tijd
gehad en gaan langzamerhand uit de mode.
135
c) een klein smal effen befje zonder kant, waarvan de voorzijden aan elkaar
sluiten. Het is in tegenstelling met de pralende pracht van de grote platte kan-
ten beffen uiterst sober en heeft als enige versiering de koordjes met akertjes die
tot sluiting dienen. De stof van dit nietige befje is soms dubbel genomen. In re-
gentenkringen wordt het veel gedragen, maar ook de schutters op de schutter-
stukken zijn er dikwijls mee afgebeeld (afb. 110 en 111 B). Tegen het einde van
het tijdperk begint het in breedte toe te nemen (afb.112); dit bredere model
wordt soms zó gestreken dat de bef in het midden
1647
omhoog welft. De koordjes worden dan onder de
welving vastgebonden (afb. 114 D).
d) een omgeslagen kraagje; het is chic om dit
van voren open te laten staan en de koordjes met
de akertjes ongebruikt te laten neerhangen (afb.
114 E en F).
Waarschijnlijk is in de meeste gevallen de bef een
afzonderlijk stuk, dat in de staande boord van
het wambuis geschoven en al of niet daaraan
vastgenaaid wordt. Dat de kraag soms ook wel
aan het hemd verbonden is, blijkt uit het verhaal
van Aitzema over de onthoofding van de Franse
edelman Cinq Mars in 1652. Op het schavot
„quam de beul hem het Rabbat vast zijnde aen
het hembt afsnijden".4 Maar waarschijnlijk kon-
den alleen grote heren zich een dergelijke luxe
113. An. P. Post en G. v. Honthorst in veroorloven.
rouwmantels bij de begrafenis van
Frederik Hendrik.
DE PONJETTEN. De ponjetten zijn nu kort. Eerst
hebben zij nog de oude strakke regelmatig gestreken vorm van voorheen (afb.
106, 107 en 109), maar tegen 1650 wordt de trechtervormige ponjet losser en
ruimer, waarschijnlijk omdat dit meer in overeenstemming is met de kreukelige
plooien van de hemdsmouw, die uit de gespleten wambuismouw naar buiten
dringt (afb. 110 en 112).
HAAR EN BAARD. Het haar, dat wij in de vorige periode reeds langer zagen
worden, kan, vóór het extreme bereikt wordt, nog veel langer groeien. De haar-
dos neemt dus in lengte en omvang toe en weelderige golvende lokken, nu
meestal niet meer opzij, maar in het midden gescheiden, hangen tot op de
schouders neer (afb. 105, 106, 108, 110, 112, 114 B-F). Wie de natuur maar
schraal met haar bedeeld heeft, neemt zijn toevlucht tot een pruik en volgens
sommige kostuumhistorici droegen oudere mannen uit de burgerstand (o.a. de
Franse tragedie schrijver Corneille)wel kalotjes met daaraan bevestigde lokken,
136
die het eigen te dunne haar aanvulden.5 De met een lintje vastgebonden zijlok-
ken, cadenettes of moustaches, doen nog steeds opgeld.
Terwijl de haardos in omvang toeneemt, gaan de baard en de zware, tot nu
toe krijgshaftig opgestreken knevels uit de mode, want lange krullende lokken
verdragen nu eenmaal geen knevels en baard. Een dun snorretje, waarvan de
uiteinden ter weerszijden van de mondhoeken worden neergestreken en een
klein sikje onderaan de onderlip zijn alles, wat er overblijft (afb. 110, 111 A en
114 D-F). In de
kostuumgeschie-
A
1641
B
C
1641
pu
denis wordt de oor-
zaak van deze ver-
andering dikwijls
toegeschreven aan
1642
A 44
een gril van Lode-
Rembzandt
wijk XIII, de
zwaarmoedige en
Rembrandi . Com.Aralo
Luit"W.vRuytenbuzg Rembrandt |t-Coopal
zonderlingekoning
D
1655
E
1650
1654
van Frankrijk. Hij
schijnt een tijd
lang verstrooiing
te hebben gezocht
in een weinig ko-
ninklijke bezig-
heid: het scheren
Honthorst 3elfpoztzet FBol.RpelofMolender B-vdHelst.A del Couzt
van de gezichten
114. Hoeden en kragen
van zijn hovelingen, waarop hij enkel een smal kneveltje en een klein sikje liet
staan. Het feit dat de koning zelfzijn hovelingen deze veranderingen liet onder-
gaan, wordt gestaafd door een tijdens zijn regering gemaakt versje:
„Hélas ma pauvre barbe! qu'est-ce qui t'a faite ainsi ?
„C'est le grand roi Louis, treizième de ce nom
„Qui a tout ébarbé sa maison.
„Laissons la barbe en pointe au cousin Richelieu,
„Ce serait trop oser
„Que de lui prétendre raser." 6
Maar hiermede is toch nog niet bewezen, dat 's konings ingrijpen duurzame
invloed gehad zou hebben, indien de modereacties niet juist aan deze verande-
ring toe waren geweest.
DE HOEDEN. De hoeden veranderen weinig. De rand blijft breed, platliggend
of opzij opstaand. De bol wordt van lieverlede iets hoger; soms is hij cilinder-
137
vormig, soms loopt hij naar boven iets smaller toe (afb. 106, 108-111 en 114
A, B, C en E).
Deftige heren dragen meestal zwarte hoeden, die evenals vroeger met lint,
koord of passement zijn opgetoomd. Jonge lieden uit de hofkringen, officieren
en schutters geven dikwijls de voorkeur aan gele of grijze hoeden, die zij op-
pronken met pluimen en vederbossen.
Over het algemeen schuift men de hoed niet meer scheef of achterover, zelfs de
a-1652
C1648
61651
d-1655
h2.1639
e 1655
f1643
115. Laarzen en Schoenen
schutters zetten hun hoeden nu meestal recht op het hoofd.
De inventarissen van deze tijd geven ons een voorstelling van wat alzo gedragen
wordt: „1 Half castoore hoedt met een roubandt F. 12" 7; „,Noch een swarte
hoet met drye hoetbanden"; „Noch twee swarte hoeden met gout gestoffeert";
„Noch een swarte lakene reiscarputs“; „Twee swarte hoeden met een graeuwe
lakense karpoes".8 Ook hier is de karpoes weer een muts die van een geweven
stof of van bont is gemaakt (vgl. de in de inventaris van Piet Heyn genoemde
karpousen, p. 95).
DE KOUSEN. De mode eist nog steeds dat de mannen hun kousen in quasi slor-
dige plooien laten afzakken (afb. 106, 11, en 115 d en e). In de inventarissen
worden kousen en sokken van zijde, sajet, wol en linnen in verschillende kleu-
ren vermeld: „Een paer engelse swarte sijde kousen 8-0-0" en „een paer ditto
appelblosse sijde 12-0-0".9 Ook „Twaelff paer socken“ en „twaelff paer linden
cousen".10
138
DE KOUSEBANDEN. De mooie kousebanden met grote strikken kunnen alleen
nog maar bij de korte kniebroek worden gedragen (afb. 106 en 111); bij de
lange kniebroek en bij kaplaarzen met wijde schachten die nu nieuwerwets
zijn, vinden zij echter geen passende plaats meer en zij gaan dus uit de mode.
DE SCHOENEN. Nadat in het vorige tijdperk de schoen en de laars zo kort
mogelijk geweest waren, zoekt men nu vernieuwing in het tegenovergestelde;
de overmatige lengte van het schoeisel. De schoen groeit snel, de zool wordt
veel langer gemaakt dan de voet, soms wel 10 c.M.
langer dan nodig is; van voren snijdt men hem recht-
wit sutyn
lijnig af. Het voorblad werkt de schoenmaker aan de
tenen wat op, zodat de neus een beetje omhoog gaat
staan. De tong en de riemen ondergaan geen veran-
dering, maar de openingen opzij worden kleiner.
De grote rozetten op de wreef gaan uit de mode en
komen nog slechts bij uitzondering voor (afb. 115f);
want de lange schoenen lijken veel langer zonder die
markante onderbreking en voortaan strikt men ze
dus weer met veters of linten vast. De zolen blijven
dik en worden met duidelijk zichtbare steken van
grof wit garen genaaid. De hakken, groot en breed,
staan recht onder de hielen en worden alleen van
achteren even afgeschuind (afb. 115 d en e). De lage
schoenen zijn de gewone dracht van heren uit de re-
gentenkringen en van eenvoudige burgers; zij wor-
den echter ook door de meeste schutters bij hun ,,op- 116. G. v. Honthorst, Prinses
treckkleederen" gedragen.
Louise Henriette van Oranje.
De overmatige lengte der schoenen geeft natuurlijk aanleiding tot satirieke
anecdotes. Zo wordt in „Les Lois de la Galanterie Française" (1644) verteld
dat een grappenmaker eens kans zag het voorstuk van de schoen van iemand,
die in een gesprek verdiept was, aan de grond vast te spijkeren zonder dat de
drager van de schoen iets daarvan bespeurde.11 De overmatige lange schoenen
hebben in de tijd dat de kostuumgeschiedenis nog weinig bestudeerd was, zelfs
onze beste historici wel eens misleid. Als Busken Huet Terborchs schilderij de
zogenaamde „Vaderlijke Vermaning” in het Rijksmuseum beschrijft, merkt
hij daarbij op: „de oude Heer heeft platvoeten", terwijl de officier (die hij een
oude Heer noemt) een paar uiterst modieuze lange schoenen aan heeft, waarop
hij zeker niet weinig trots zal zijn geweest! 14
DE KAPLAARZEN. De kaplaarzen zijn meestal gemaakt van rundleer in naturel-
kleuren, grijs of geelachtig, maar ook wel van zwart leer. Van binnen hebben
139
de schachten soms een andere kleur dan van buiten. De kaplaarzen hebben de-
zelfde overmatig lange zolen en dezelfde vorm van hakken als de schoenen. De
wreefstukken worden iets kleiner dan vroeger, waarschijnlijk om het effect van
de lengte van de schoen zo min mogelijk te verstoren. De schacht is heel lang en
wordt nu van boven wijder gesneden dan voor de omvang van de dij nood-
zakelijk is. Bij het paardrijden trekt de ruiter de schachten doorgaans hoog over.
de dijen op, maar te voet gaande laat hij het bovengedeelte van de schacht tot
ongeveer het midden van de kuit zó afzakken,
1654
wit satyn
zwavt fint
dat zich daar dwarse plooien vormen. Dan
slaat hij het bovenstuk weer naar boven om,
zodat het bovenste gedeelte van de schacht het
onderbeen als met een wijde trechter omgeeft
(afb. 105, 108, 109 en 115 b, c, c', g en h). Als
men het zich thuis gemakkelijk wil maken,
wordt de schacht ook wel helemaal neergesla-
gen (afb. 115a).
Kaplaarzen zijn eigenlijk een dracht voor rui-
ters; toch ziet men er ook enkele schutters mede
afgebeeld. Voor voetgangers zijn zij niet prac-
tisch, want niet alleen is het moeilijk om met de
wijde neergeslagen schachten te lopen, doch
als het regent, druipt het water in de wijde
trechters. Maar de kaplaarzen zijn tegelijk
martiaal en elegant en bovendien duur, zodat
117. B. v. d. Helst. Maria de Kersegieter niet iedereen zich de luxe ze te bezitten kan
vrouw van de lakenhandelaar Abra-
ham del Court.
veroorloven; dus wordt er gaarne mee gepronkt
en zij worden ook zo bewonderd, dat de dandies zelfs met hun mooie kaplaar-
zen op feesten mogen verschijnen. Er zijn verscheidene afbeeldingen uit deze
tijd waarop de heren in de feestzaal bij galakleding kaplaarzen met wijde
schachten en lange zolen dragen, o.a, een miniatuur van Abraham Bosse dat een
bal verbeeldt, en een schilderij dat Jan Mijtens maakte van het huwelijk van
Louise Henriëtte van Oranje met de Keurvorst van Brandenburg (1648). 13 Als
echter dekaplaarzen tegen het einde van het tijdperk de laatste grens van overdrij-
ving bereikt hebben, verdwijnen zij uit de mode en ook uit de feestzaal, waar zij
toch eigenlijk altijd indringers zijn geweest.
DE CANONS, In verband met de verwijding der schachten van de kaplaarzen
krijgen de overkousen, die vroeger de practische bestemming hadden om de
kousen voor de aanraking met het leer te beschermen, nu als luxedracht meer
dan vroeger een versierende functie, waarbij zij tevens een nieuwe naam krij-
140
gen en voortaan canons worden genoemd.14 Daar zij nu de wijde trechtervor-
mig openstaande bovenstukken der schachten van de kaplaarzen moeten vul-
Ien, worden zij van boven ook trechtervormig verwijd en bovendien met galon,
of mooier nog, met een of meer ruim gerimpelde kantstroken afgezet. Deze bo-
venstukken worden met opzettelijke onregelmatigheid in de schachten van de
kaplaarzen gelegd. De blanke golvingen van fijne kant temperen het martiale
aanzien der kaplaarzen, en hebben er zeker veel toe bijgedragen om ze in de
feestzaal aanvaardbaar te maken. Afb.
115 fig. b, c en h vertonen de in de
1634
schachten neergelegde kantstroken, ter-
wijl fig. a en g ons laten zien, hoe de ca-
nons in eenvoudiger vorm, als de schach-
ten zijn neergeslagen, soms over de
knieën worden opgetrokken.
Maar de mannen dragen ook canons bij
lage schoenen; deze worden onder de
knie vastgebonden, eerst een eind om-
laag geschoven en dan weer omhoog ge-
slagen, zodat het bovenste gedeelte trech-
tervormig wijd uitstaat. Het bovenstuk
moet, om in de gewenste vorm te blijven
opstaan, wel heel stijf gesteven zijn; het
krijgt misschien ook daarom niet altijd
een versiering met kant. Deze zonder-
linge dracht, die zeker ook cen lastige 118. Rembrandt. De vrouw van de Mennisten-
belemmering voor de vrije gang is ge- predikant Alenson.
weest, vindt toch in het dagelijks leven ingang, en zelfs de schutters die toch op
militaire activiteit zijn aangewezen, prijken met de onpractische canons. Mis-
schien dragen zij ze echter alleen bij de parade- of feestkleding, waarin zij zich
waarschijnlijk bij voorkeur op de schutterstukken laten conterfeiten (afb. 110,
112 en 115 e).
De canons worden in deze tijd meestal van wit linnen gemaakt; in de inven-
tarissen vinden wij ook wel gekleurde canons genoemd, maar er wordt niet bij
vermeld, of zij in kaplaarzen of bij lage schoenen worden gedragen: „Een paer
roo kanons 1-10-0; negen paer linnen kanons 4-0-0; een paer kanons met
kant 3-0-0".15
DE MANTEL. De vorm van de mantels verandert weinig; zij zijn meestal zwart,
maar op de schilderijen ziet men de burgers ook in kleurige en vooral in vuur-
rode mantels, die ook in de inventarissen worden vermeld: „Een rootschar-
141
lakensche mantel met goude passementen met gouden knopen 20-0-0; en een
zwarte caffa mantel met felp gevoert 70-0-0".16 Prins Willem II heeft op afb.
105 in 1641 een mantel met vleugelmouwen aan, die nog hetzelfde patroon
heeft als de mantels van de ex-koning Frederik van Boheme en van Ernst Casi-
mir van Nassau uit het vorige tijdperk (vgl. afb. 78, 82 en 83). De Franse hove-
ling op afb. 134 heeft een kasack aan. Lange rouwmantels, gedragen door de
architect Pieter Post en de schilder G. Honthorst in de begrafenisstoet van Fre-
derik Hendrik in 1647 zien wij op afb. 113.
DE TABBAARD. De tabbaard behoudt nog zijn oude vorm en bestemming. Op
de portretten komt hij niet veel meer voor, in de inventarissen wordt hij echter
nog telkens genoemd, waarschijnlijk als huisdracht: „Een machayer tabbert
met paerse bay gevoert" 17; „Een bonte tabbert 45-0-0; een turcxe kamelotte
nachttabbert ongevoert 15-0-0".18
DE GORDEL. Over het korte en nu meestal van onderen openstaande wambuis
kan geen gordel meer worden gelegd; als de gordel nog als degendrager dienst
moet doen, gespt men hem onder het wambuis vast (afb. 106 en 109).
DE BANDELIER. Meer en meer wordt nu de gordel als zwaard- of degendrager
vervangen door de schuin van de rechterschouder naar de linkerheup lopende
bandelier. Deze is meestal van leer, soms met veel borduursel, passement of
korte franje versierd (afb. 105 en 107).
DE SJERP OF SLUIER. Schutters en militairen dragen hun sjerp in het begin
van dit tijdperk horizontaal hoog onder de armen en binden hem met een
grote strik opzij of van achteren vast (afb. 109). Maar dit doet het bovenlijf
kort schijnen en daar dit niet meer gewenst wordt, geeft men meer en meer de
voorkeur aan een van de rechterschouder schuin benedenwaarts over borst
en rug lopende sjerp, die met een grote strik op de linkerheup wordt vast-
gemaakt (afb. 110). De sjerp wordt onder de naam van sluier, als behorende
bij de schuttersuitrusting, dikwijls in de inventarissen genoemd.
DE HANDSCHOENEN EN DE ZAKDOEK. De handschoenen en de zakdoek behoren
nog steeds bij het volledige herentoilet.
142
IX. DE KLEDIJ DER VROUWEN
1635-1660
a) DE COMBINATIE LIJFJE EN ROK. Korte, van onderen horizontaal afgesneden
lijfjes met een ceintuur worden nog wel gedragen, maar nu de elegante vrouw
weer slank wil zijn, verlegt zij het middel naar zijn normale plaats en verlengt
zij haar lijfje met een lange, eendebek-
vormige punt. Waarschijnlijk legt zij
Aet. 62
1639
ook een paar onderlijfjes af en zeker
trekt zij de veter van haar corset wat
strakker aan. De horizontale ceintuur,
die de nadruk legde op de breedterich-
ting, vervalt. De lijfjes sluiten meestal
midden over de borst met knopen en
knoopsgaten, of met haken en ogen,
(afb. 117 en 118) een enkele keer ook
wel eens opzij of van achteren (afb.
116). Soms heeft het lijfje smalle voor-
panden die met lange tongen (pattes)
over een afzondertijk borststuk sluiten
(afb. 108). Schouderkleppen zouden de
schouders breder maken; nu een schuin
aflopende schouderlijn verlangd wordt,
laat men ze dus weg. Naar het voor- 119. Frans Hals, Maritge Voogt, vrouw van P. Jz.
beeld der Franse mode is de hals van Olycan.
het lijfje gewoonlijk uitgesneden, maar in het dagelijks leven wordt het décol-
leté doorgaans weer bedekt met een neerstik en een kraag of een halsdoek. De
kraag of de halsdoek bedekken de schouders en vormen de schuin aflopende
schouderlijn. In wereldse kringen laten jonge vrouwen bij groot toilet de hals
bloot. Zij omgeven dan de halsuitsnijding met een tour de gorge of „toer" of
met een liggende kanten kraag (afb. 106, 108 en 116). De mouwen zijn over de
gehele lengte wijd en reiken tot aan de pols, waar zij omgeven worden door een
wijde cilindervormige linnen manchet of ponjet. Omstreeks 1655 komt er een
nieuwe garnering van het lijfje in de mode; langs de sluiting en over de voor-
naden wordt een gaffelvormige versiering van kant of galon gelegd, die zich
over de rug herhaalt en de ranke lijn van het lijfje versterkt (afb. 117).
De rok is van voren glad en van achteren en op de heupen in diepe vouwen op
de roksband genaaid. Hij staat minder breed uit dan vroeger en hangt in losser
143
plooien sluiker neer, zodat de gestalte veel smaller lijkt. Bij daagse kleding reikt
hij juist tot op de grond, bij gekleed toilet krijgt hij meestal een sleep. Als gar-
nering worden langs de onderrand passementen of koorden gelegd; soms lopen
zij ook verticaal midden over het voorpand (afb. 108, 116, 117). Het is nog
steeds gebruikelijk om de rok om de heupen op te nemen, zodat ook de mooie
onderrok te zien komt (afb. 129).
In de inventarissen worden soms kleurige en tamelijk dure rokken genoemd,
o.a. „Een root scharlakensche rok met gout en silvere
Zwazt
galons F. 40-0-0."1
1642
b) HET VLIEGERKOSTUUM. Het klassieke vliegerkostuum
in mantelvorm is nu uit de mode. Niettemin blijven oude
dames, welbewust van de eerbiedwaardigheid die het
vliegerkostuum met een kostbare, koesterende bontvoe-
ring, hoge schouderwielen en een grote onberispelijke
lubbenkraag haar verleent, nog vele jaren verknocht
aan deze statige en voorname dracht. Gewilliger dan
tegenwoordig het geval is, aanvaardde in de 17de eeuw
de oude vrouw de teruggetrokkenheid uit het leven van
haar tijd, die zij nodig had als voorbereiding tot de
naderende tijdeloosheid en zij gaf - misschien onbewust
- aan die levenshouding uiting in een verstilde kleding,
die de luidruchtige beweeglijkheid der mode zorgvul-
dig vermijdt2 (afb. 119, 131 A-D).
Als huisdracht dragen vrouwen van middelbare leeftijd
120. P. Codde, Huisvrouw of daarboven ook eenvoudiger vliegers. Afb. 120 laat
ons een fragment van een schilderij zien, waarop de vrouw des huizes met man
en kinderen in een deftig interieur is afgebeeld. Haar vlieger heeft ook nog de
mantelvorm bewaard, maar hij is krap gesneden, heeft geen bragoenen meer
en is zonder enige garnering. Bovendien is de strenge lubbenkraag, die zich
zo goed aanpaste bij het vliegerkostuum, vervangen door een simpel halsdoekje
dat de schouders naar de nieuwe mode schuin afkleedt. Deze vlieger heeft alle
voorname allure verloren en is een stijlloos huisgewaad geworden.
Op verschillende portretstukken, waarop regentessen van gestichten zijn afge-
beeld, hebben deze omstreeks 1640 vliegers aan van hetzelfde type als in 1627
door Maria Pijnacker werd gedragen. De vooruitstekende buik is echter ver-
dwenen, de schouderwielen zijn door platte schouderstukken vervangen (afb.
I21 en 122). Op afb. 121 zien wij dat de plat over de rug neerhangende kraag
nog behouden is, evenals de rugplooien, maar zij hangen niet meer wijd uit,
doch zijn aan de taille vastgehecht.3 De onder deze vliegers gedragen borst-
144
lijfjes eindigen van voren nog in een breed puntstuk en zijn, evenals de lijfjes
van de combinatie (a), aan de hals vierkant uitgesneden. Het décolleté wordt
bedekt met een neerstik en omgeven met een kantrand, waarvan onder de grote
lubbenkraag slechts een klein stukje te zien komt. Maar al deze vliegerkostuums
zijn ouderwets en geen dracht voor de jeugd, die haar levenstijd in al zijn mo-
gelijkheden wil doorproeven en daarom steeds vernieuwing en verandering
zoekt.
Het modieuze pseudovliegerkostuum
der jonge vrouwen uit het vorige tijd-
1642
perk (afb. 92) transformeert zich nog
eenmaal tot nieuwe elegance. Het mid-
del van het borstlijfje wordt weer op
zijn normale plaats teruggebracht, ter-
wijl de voorpanden met een punt wor-
3wazt
den verlengd. Een plat over rug en
schouders liggende linnen kraag vormt
schuin aflopende schouders. Veel in-
grijpender is echter de verandering, die
het voornaamste onderdeel van het
kostuum, de vlieger, ondergaat, waar-
van het lijfstuk nu niet alleen meer met
een ceintuur wordt omgord, maar bo-
vendien van voren met horizontaal
over het borstlijfje gelegde tongen is ge-
sloten (afb. 106). Deze verandering is 121.J. Verspronck, Regentes van het H. Geesthuis
daarom zo ingrijpend, omdat zij de
te Haarlem.
vlieger zijn meest karakteristieke eigenaardigheid, de wijde open mantelvorm,
ontneemt en hem in een aansluitend overkleed verandert. Het kostuum be-
staat nog wel uit drie delen, maar het door de tongen haast helemaal bedekte
borstlijfje heeft alle importantie verloren. Misschien is wat onder de tongen te
voorschijn komt, slechts een borststuk dat aan de voorzijde van de vlieger is be-
vestigd. Wij zien hier dus eigenlijk de oplossing van het vliegerkostuum (b) in
het kostuum dat uit de combinatie van overkleed en rok is samengesteld (c).
Het is de laatste metamorphose van het nu volkomen gedegenereerde vlieger-
kostuum. Waarschijnlijk heeft het zijn naam reeds eerder verloren.4
c. HET KOSTUUMTYPE, BESTAANDE UIT OVERKLEED EN ONDERROK. Dit kostuum
ondergaat dezelfde veranderingen als die welke wij bij de hiervoor beschreven
kledingtypen zagen aangebracht: het uitsnijden van de hals, de vorming van
een schuin aflopende schouderlijn, het terugbrengen van het middel naar zijn
145
normale plaats, de lange eendebekvormige verlenging van het lijfstuk van vo-
ren, de sluiting der voorpanden met dicht onder elkaar geplaatste knopen en
knoopsgaten of met horizontaal over een borststuk lopende tongen en de gaffel-
vormige garnering van borst en rug met kant of passement. Overkleed en rok
zijn meestal van verschillende stoffage en kleur. Het rokgedeelte van het over-
kleed wordt dikwijls opgenomen. Dit kostuumtype wordt door jonge vrouwen
vaak als galakleding gedragen.
Wij zien dit kostuum als bruids-
1642
toilet in zware pracht van zwart
met lichtblauw en goud op afb.
124. De met ingetogen luxe ge-
klede jonge vrouw (afb. 125)
heeft de zwarte overrok grace-
lijk opgenomen, zodat de witte
moiré rok met discreet smal
goudgalon opgemaakt, tot zijn
volle recht komt.
De „Princes royale" (afb. 123)
liet zich als weduwe van Willem
II schilderen in een prachtig
toilet, bestaande uit een wit sa-
tijnen overkleed over een witte
rok met gouden weerschijn. De
sluiting van het lijfje is onzicht-
Haarlem.
122. J. Verspronck. Regentes van het H, Geesthuis te
baar;van voren eindigt het in een
lange eendebekvormige punt.
Een nieuw motief, dat eerst in de volgende periode algemeen wordt, zijn de
half lange bouffante mouwen, waaruit lange wijde, eveneens bouffante linnen
voormouwen te voorschijn komen.
De door Frans Hals geschilderde jonge vrouw (afb. 128) draagt met vreugde en
overtuiging een toilet bestaande uit een overkleed van zwart laken over een rok
van groen damast met goudgalon, waarvan alle onderdelen de mode in haar
meest excessieve vormen volgen.
De schilder heeft de zeer wijde linkermouw zó geplaatst, dat hij het on-
derste gedeelte van het met horizontale tongen versierde borststuk bedekt,
waardoor het onzeker blijft, of de jonge vrouw een gedegenereerde vlieger of
een aan elkaar verbonden lijfje en overrok draagt. Om dezelfde reden is het
moeilijk uit te maken, welk kostuumtype de jonge vrouwen op afb. 126 en
127 aanhebben.
146
DE KRAGEN, HALSDOEKEN EN BEFFEN. De kraag, de halsdoek en de rabat of bef
zijn luid meesprekende details in het kostuum van deze tijd. De stijve plooi-
kraag is nog niet helemaal uit de mode maar wordt nu aan oude dames of aan
conservatieve vrouwen van middelbare leeftijd overgelaten, die hem - zoals
reeds werd opgemerkt - vooral bij het vliegerkostuum dragen (afb. 118, 119,
121, 122, 131 A-E en 132 A en C). En, alsof de lubbenkraag zich kort vóór zijn
verscheiden nog eenmaal in volle glorie wil uitleven, neemt hij in deze jaren soms
nog kolossale afmetingen aan (afb. 133 E).
Ook de grote gecompliceerde, gedeeltelijk
16 52
plat liggende en gedeeltelijk in de rug op-
staande kragen, die in het vorige tijdperk de
schouders hoekig en breed maakten, zijn nu
uit de mode. De vernieuwing wordt gezocht
goudbond 9
in het tegenovergestelde: de rabat moet de
wil satyu
schouders versmallen. Zij wordt dus eenvou-
diger van samenstelling en vormt over de
schouders rechte, steil-schuin naar beneden
a wit-goud weerschyn
gaande lijnen. Langs het décolleté wordt nu
over rug en schouders een lange smalle rabat
gelegd. Hij is gemaakt van een langwerpig
vierhoekig stuk linnen, kamerdoek of dun-
doek, waarin smalle pinces gelegd zijn om de
bef de nodige ronding te geven. Op afb. 130
fig. A geeft c het patroon vóór en b het pa-
troon na het inleggen der pinces. De rabat 123. B. v. d. Helst, Prinses Maria Henriet-
wordt met kant afgezet. Op cen prent van de te Stuart, weduwe van Prins Willem II
Franse graveur Abr. Bosse hangen zulke rabatten te koop in de door hem
afgebeelde modewinkel.5 Jonge vrouwen dragen ze dikwijls om de blote
hals zonder halsdoek en neerstik (afb. 106 en 108). Maar de meeste Hollandse
vrouwen blijven toch de hals bedekken en dragen daarom bij de lange rabat
een doorschijnend neerstik en een „hals-neusdoek". De vierkante, in twee onge-
lijke helften dubbel gevouwen ongesteven halsdoek is reeds op p. 113 beschre-
ven. De vrouwen dragen hem gedurende enige jaren ook in dit tijdperk nog met
de slippen van voren loshangend of onder de kin vastgemaakt; en al of niet in
combinatie met de lange smalle schouderkraag. De ongesteven halsdoek (afb.
120) voegt zich smeuig om de schouders en de nek en vormt als hij met de lang-
werpige schouderbef en het neerstik gecombineerd wordt, daarmee een elegant
geheel (afb. 132 B en 133 F). Maar de halsdoek blijkt wat te soepel om de nu
verlangde aflopende schouderlijn duidelijk te vormen. Men vervangt hem dus
147
dikwijls door een gesteven bef, die ongeveer hetzelfde vierkant - dubbelgevou-
wen fatsoen heeft, en onder de kin wordt vastgemaakt, zodat slippen over de
borst heenhangen. In de nek wordt hij ook op dezelfde manier met een ronding
omgevouwen; waarschijnlijk worden de vouwen, terwijl de stijfsel nog nat en
kleverig is, stevig ingestreken, zodat zij op hun plaats blijven. Deze gesteven
rabat kan en mag geen plooien om de hals vormen, het ingevouwen gedeelte
kan dus niet tegen de nek aansluiten, maar steekt daar ver achteruit. Over de
schouders vormt hij de recht aflopende mo-
1647
delijn (afb. 127).
De vierkante gesteven bef met slippen wordt
echter door elegante vrouwen betrekkelijk
blauw 28
weinig gedragen. Zij geven de voorkeur aan
een gesteven bef, waarvan de grondvorm
een cirkelvlak is, dus een ronde doek, die
eveneens in twee ongelijke helften gevouwen
en met kant afgezet wordt. De uitholling in
de nek wordt ook door invouwing verkregen
(afb 130 fig. B. bij X en X'). Om de schou-
ders gelegd komen de punten f en g op de
borst bij f' en g' samen, waar zij met een
elegante strik of een broche worden vastge-
hecht. Ook deze ronde gesteven kraag steekt
in de nek ver achteruit en dekt de schouders
schuin af.6 Zonder enige terughouding
L goud bozduuzsel
124. B. van der Helst. Bruid
wordt hij in zijn volle consequentie aan-
vaard door de jonge vrouw op afb. 128. Van rond gesneden en dubbel gevou-
wen doeken zijn ook de beffen op afb. 124-126 gemaakt, maar deze zijn onder
de kin dichtgebonden of dichtgeknoopt, en soms nog eens op de borst; om dit
te fatsoeneren wordt de stof van x' naar h en naar i (afb. 130) naar binnen ge-
vouwen. Bovendien kunnen ook de onderste hoekjes nog worden omgeslagen.
Deze ronde beffen ziet men sedert 1650 veel op de portretten van Nederlandse
vrouwen. Maria van Reigersberch die, zoals wij weten, te Parijs woonde, liet
zich echter al in 1640 met een dergelijke rabat schilderen. Deze is driedubbel
en bestaat dus waarschijnlijk uit een combinatie van twee kragen (afb. 133 B).
Het décolleté van de japon van Louise Henriëtte van Nassau (afb. 133 D) is
omgeven door een platte bef van twee op elkaar gelegde kantstroken. Waar-
schijnlijk worden deze door de kantwerkster direct rondgewerkt, zodat de bef
glad om het décolleté komt te liggen.
De vrouwen bewaarden de kragen en beffen in speciaal daarvoor bestemde
148
dozen. Deze vinden wij in de inventarissen meermalen genoemd: „noch een
doos met drije vrouwenkraegen gesteven met kanten en twee ronde beffen met
kanten." 7 Vermoedelijk bedoelde men met ronde beffen de gesteven kragen,
die uit een dubbel gevouwen cirkelvormig stuk linnen bestonden.
DE TOER. Als bij groot toilet het décolleté onbedekt blijft, wordt het meestal
omgeven door een tour de gorge, in ons land kortweg toer genoemd. Men ge-
bruikt daarvoor meestal dunne zijde of gaas of andere soepele stof en drapeert
die losjes, hier en daar met een juweel of een strik gehecht,
om de halsuitsnijding (afb. 116en 123). De uitzet-inven-
1656
Aef.31
taris van Louise Henriëtte van Oranje vermeldt: „twaelf
toer met kantten". Twijfelachtig is of de glad gelegde
witte kantstrook, die het met een neerstik bedekte décol-
leté van Maria del Court bedekt (afb. 117) toer of bef
moet worden genoemd.
DE MANCHETTEN OF PONJETTEN. Nu de mouwen van
onderen wijd zijn, moeten ook de ponjetten een veran-
dering ondergaan. Langzamerhand maakt men ze wat
oud qolon swent gofon
wijder en korter (afb. 106, 108, en 118-122). Omstreeks
1650 zijn zij reeds heel wijd. Zij hebben nu in plaats van
de gedaante van een kelk de vorm van een korte cilinder
gekregen. De versiering is sober en bestaat enkel uit een
paar strakke, rechtlijnige plooitjes langs de bovenrand,
waaraan soms een smalle kantstrook wordt toegevoegd.
De manchetten worden sterk gesteven en glad gestreken;
zij vormen effen witte vlakken, die het grote witte vlak
125. G. Terborch. Dame
van de rabat repeteren in ander formaat (afb. 117, 124-126 en 128.)
Het met een soepele toer omgeven décolleté vraagt wekere vormen. En nu zien
wij dat de vrouwen bij haar galakleding - en voorlopig alleen dáárbij - de ge-
veinsde nonchalance, waarmee de mannen hun ondergoed voor de dag laten
komen, navolgen en zij haar lange hemdsmouwen (of voormouwen) eerst voor-
zichtig, maar weldra vrij en massaal onder uit de wijde half lange mouwen van
het lijfje naar buiten laten dringen (afb. 116 en 123).
DE MUTSEN. Oude en conservatieve dames, die nog aan de ronde lubbenkraag
trouw blijven, dragen daarbij altijd een muts. De aan de slapen breed uitstaan-
de witte vleugelmuts, soms gegarneerd met een zwart lint en gedragen over een
ondermutsje, wordt alleen nog maar door oude dames in ere gehouden (afb.
119 en 131 A-B). Deze muts is echter absoluut ouderwets, want met de ver-
smalling der schouders gaat nu ook een versmalling van de muts en het kapsel
gepaard. Vrouwen van middelbare leeftijd doen met voorzichtige matiging
149
wel eens kleine concessies aan de mode door de vleugels wat minder breed uit
te zetten en ze haast onmerkbaar een ziertje naar beneden te buigen (afb. 131
C en D).
Op regentenstukken van omstreeks 1640 prijken regentessen soms nog met de
transparante witte boogmutsjes die in haar jeugd modern waren: van boven
vlak op het hoofd liggend, maar opzij breed uitstaande. Terwijl zij deze vroeger
echter veelal geplisseerd droegen en afgezet met een kantrondje, geven zij nu
als regentessen de voorkeur aan een glad en
bruin
1654
aet.17
onversierd model. Vgl. afb. 121 en 122 met
afb. 102 C en 103 C, D en F. Jongere vrou-
wen van de strenge richting dragen bij plooi --
kraag of rabat veelal moderne smalle mutsjes,
waarvan het voorste gedeelte helemaal glad
om het voorhoofd en de slapen is teruggesla-
gen (afb. 132 E) en voorts fantasie-mutsjes van
verschillend model, die het hoofd nauw om-
sluiten (afb. 120, 127 en 131 E en F).
Zwarte mutsjes of kapjes, die een pikant con-
trast maken met de witte bef of de witte hals-
doek, komen nu eveneens dikwijls voor. Ook
oude vrouwen volgen deze nieuwe mode. Een
dikwijls voorkomend model heeft een brede,
van voren achterwaarts geslagen overslag
met een wit kantje omzoomd, die het voor-
126. A. Palamedesz, Dame
hoofd en de slapen omsluit en ter hoogte van
de oren nog maar even van het hoofd afstaat. (afb: 132 B). Soms wordt midden
over deze muts een lange over het voorhoofd neerhangende slip gelegd, die
naar het schijnt met metaaldraad gerond is. Hoe die slip van achteren aan de
muts verbonden is, kan zolang een van achteren of en profiel getekende muts
van dit model ontbreekt, nog niet worden vastgesteld (afb. 132 A).
Veel ziet men in deze tijd een zwart schedelkapje met een daaraan verbonden bol
van dezelfde stof, 8 door Le Francq van Berkhey tipmuts genoemd. In de in-
ventarissen die ik doorzag kwam ik deze benaming echter niet tegen. Het kapje
ligt helemaal vlak op het bovenste gedeelte van de schedel, en eindigt van voren
in een punt, die lang of kort, spits of bijgerond kan zijn. In de bol wordt de
chignon geborgen. De verbinding van kapje en bol wordt veelal met een snoer
van parelen of met een band van in goud gevatte edelstenen bedekt. Onder het
kapje schijnt een metalen oorijzer te worden gedragen, dat tot op de wang door-
loopt en er met zijn onderrand een kuiltje in drukt. Onderaan hangt gewoon-
150
lijk een sieraad. Dit oorijzer, breder dan voorheen, lijkt soms met zwarte stof
overtrokken te zijn, maar op de meestal nogal donkere schilderijen is de juiste
samenstelling van oorijzer en kapje moeilijk precies na te gaan. Het haar wordt
nagenoeg geheel onder het kapje en het oorijzer verborgen, zodat geen over-
gang gevormd wordt tussen hoofd en schouders; de wijde gaping van de kraag
in de nek en de zo resoluut afgeschuinde schouders kunnen dus hun volle effect
maken (afb. 125, 128, 132 C D F, en 133 F). Sommige jonge vrouwen, die de
verleiding niet kunnen weer-
staan om toch iets van het
haar te laten zien, dragen
3wazt
1656
het kapje zonder zichtbaar
oorijzer en laten ter weerszij-
den van het gezicht een paar
golvende haarlokken uit het
kapje te voorschijn komen en
over de oren en langs de hals
tm qeel fint.
tot op de schouders neerhan-
gen. Van onderen zijn zij
met een lintje vastgestrikt.
Die lokken (cadenettes) han-
gen verticaal neer en ver-
zwakken het effect van de af-
geschuinde schouderlijn dus
bijna niet. Over de bol ligt
soms nog een cilindervormig
127. M. Nouts. Dame
chignonkapje van lichtkleurige, meestal gestreepte zijde, omgeven met een
parelsnoer (afb. 124 en 126).
Ten onrechte worden deze zwarte puntmutsjes door velen als speciale wedu-
wendracht beschouwd; zij worden ook gedragen door vrouwen, wier mannen
nog in leven zijn en door ongetrouwde vrouwen, zoals bijv. door de Bruid van
Van der Helst (afb. 124).
HET KAPSEL. Bij gedécolleteerd toilet dragen jonge vrouwen uit de hogere
standen geen muts meer, maar een kapsel dat het haar boven het voorhoofd en
opzij geheel zichtbaar laat; alleen de tegen het achterhoofd opgestoken chignon
wordt nog met een klein chignonkapje, omgeven door een parelsnoer, bedekt.
Het haar wordt dikwijls boven het voorhoofd eenvoudig achterover gekamd;
opzij van het hoofd hangt het in golvende lokken neer, langer dan vroeger en
minder breed uitstaande (afb. 108, 117, 133 A, B en C). Nieuwerwets is het
echter om twee scheidingen te maken, één aan elke zijde van het hoofd, zodat
151
het zijhaar wordt afgezonderd; dit wordt nu op de krulstok getrokken in lange
kurketrekkerkrullen, die aan weerskanten van het gezicht neerhangen en door
hun verticale richting het hoofd langer en smaller doen schijnen. Op het voor-
hoofd mogen een paar artificiële spiraalkrulletjes spelen. Dit kapsel sluit mooi
aan bij het met een toer of kanten kraag omgeven décolleté, waarop de krullen
neerhangen en een overgang vormen tot de schouderlijn. Het krullenkapsel
wordt echter ook wel gedragen bij de halsdoek en de gesteven rabat (afb. 106,
108, 116, 123 en 133 C, D).
DE HUIK. De Huik, niet erg aan mode onderhevig, komt in zijn oude vormen
zowel met het kapje en het naar voren uitstekende handvat als met het ons
eveneens bekende hoedje nog altijd voor (afb. 129 B). Zuid-Nederlandse vrou-
wen ziet men in deze tijd afgebeeld met lange smalle huiken van dunne stof-
eigenlijk meer sluiers of falies - die op een eigenaardige manier op het hoofd
bevestigd worden: aan het boveneinde is een metalen veer of een smalle riem
bevestigd, waaraan van voren een schijfje verbonden is, dat tegen het voor-
hoofd drukt en het afglijden van de stof belet. Midden op dat schijfje staat op
een steeltje een pompon, die vermoedelijk dient om het tegengewicht van het
schijfje te vergroten, terwijl hij tevens een eigenaardige versiering vormt. Waar-
schijnlijk wordt de stof ook nog met haarspelden op de chignon gehecht (afb.
129 A en C en 133 F). Misschien dragen de Noord-Nederlandse vrouwen ook
wel zulke elegante huiken.
De huiken op de hierbij gegeven afbeeldingen zijn niet in plooien geperst,
maar het schijnt toch nog wel mode te zijn, want in 1651 schrijft Huygens in
zijn „Hofwijck”: „En voor jou weet ick raet tot een geporste huyck." In de in-
ventarissen van deze tijd wordt de huik nog altijd vermeld: „Een lakense huyck
F. 24-0-0" en „Een nieuwe huyck F. 35-0-0."9
VERSCHILLENDE DETAILS. De mantel, de mof, de boezelaar, de schoenen, de
kousen, de zakdoek en het masker, geven geen aanleiding tot bizondere opmer-
kingen. Louise Henriëtte van Oranje bezat „aen haentschoen: een pack daer
drie doesijn haentschoen in sijn, die witt syn; noch een pack daer drie en twin-
tich paer in syn; eelf paer brunne haentschoen".
DE WAAIER. De platte vederwaaier op een steel is nu uit de mode en wordt ver-
vangen door de opvouwbare waaier (afb. 116, 125, 126 en 128).
DE SIERADEN. Parelsnoeren blijven nog altijd in de mode, maar nu de breedte-
richting niet meer geaccentueerd moet worden, spant men ze niet meer van
het midden van de borst naar de schouder, zoals in het vorige tijdperk ge-
schiedde, maar men draagt ze weer gewoon als collier om de hals of als brace-
letten om de polsen.
152
X. DE MODE IN HET KADER VAN DE TIJD
HET RHINGRAVEKOSTUUM 1655-1675
HET MODEBEELD DER MANNENKLEDING. Het rhingravekostuum is wel een der
meest bizarre mode-excessen geweest, die de kostuumgeschiedenis kan aan-
wijzen. In dit kostuum worden de nieuwe modevormen, die zich in de vorige
tijdvakken nog met een zekere terug-
houding vertoonden, tot hun uiterste
consequenties doorgevoerd (afb. 1,
m, n, o).
Het korte wambuis krimpt tot een
heel kort buisje, dat soms slechts tot
aan de maagstreek reikt. In ons land
geeft men het de naam „innocent".
Van voren wordt een groot gedeelte
grys-groen damast
van de innocent bedekt door een platte
op de borst neerhangende bef. Daaron-
.goud qalon emm 3wort
der blijft de sluiting openstaan, zodat
het hemd zichtbaar wordt, dat ook uit
de ruimte tussen de onderrand van de
innocent en de broeksband te voor-
schijn komt. De mouwen reiken soms
slechts tot aan de buiging van de elle-
boog; als zij echter lang zijn, laat men
128. Frans Hals. Dame
de voornaad open en deze gaapt wijder dan vroeger, want ook uit de mouwen
moet het hemd in groter massa dan ooit te voren naar buiten puilen.
De broek met wijde cilindervormige pijpen ontaardt in een rokbroek of in
een wezenlijk rokje: de rhingrave. De band van de rhingrave hangt laag om
de heupen en is rondom overdadig met neerhangende, beweeglijke lintlussen
en linteindjes opgesmukt. Reeksen van lintlussen en eindjes zijn ook verticaal
langs de zijnaden aangebracht.
Het vroeger reeds in lange lokken gedragen haar moet nu zó volumineus zijn,
dat de man wiens haargroei onvoldoende is, zich genoodzaakt ziet een pruik
met lange krulien op te zetten. De bol van zijn hoed is omhoog gegroeid in de
vorm van een afgeknotte kegel; de rand is breed en het lint dat de bol omgeeft,
eindigt in een paar wapperende eindjes. Maar hij mag ook een klein plat
hoedje opzetten en dat schuin op zijn weelderige lokkentooi laten balan-
ceren (afb. 177 A).
153
De opgeslagen trechtervormige canons uit het vorige tijdperk veranderen in
neergeslagen canons van stroken linnen of kant, die onder de knieën worden
vastgebonden en de vorm hebben van hangende klokken. De lange schoenen
van vroeger zijn buitensporig genoeg om onveranderd in het rhingravekostuum
te worden opgenomen.
Als over dit geheel een wijde mantel gedragen wordt, vormen de hoge hoed, de
pruik die de hoek tussen hals en schouders aanvult, de over de beide schouders
wijd uithan-
1650
A
1643
P
1643
gende man-
tel en de
rhingrave
samen een
grote kegel,
waarvan het
silhouet met
haast onon-
derbroken
lijnen kan
worden om-
getrokken.
De wijduit-
staande ca-
nons om de
onderbenen
129. Wenzel Hollar. A. Antwerpse Koopmansvrouw. B. Hollandse Burgeres. herhalen de
C. Brabantse Edelvrouw.
driehoeks-
vorm (afb. 1, fig. k). In het extravagante, frivole rhingravekostuum zijn vier
motieven doorgevoerd, die het naar onze moderne opvattingen een vrouwelijk
karakter geven: het lange haar, de rokbroek, de overdadige garnering met
linten en de kantstroken aan de canons.
HET MODEBEELD DER VROUWENKLEDING. Eén der drie typen van vrouwenkle-
ding, die wij in de eerste helft der 17de eeuw onderscheiden : het vliegerkostuum,
is nu uit de mode verdwenen, waarschijnlijk omdat het geen mogelijkheid tot
vernieuwing meer bood. Op afb. 2 is de horizontale reeks b, e, h, waarin de
laatste metamorphosen van het vliegerkostuum zijn afgebeeld, met een zware
lijn afgesloten.
In de daarop volgende vakken wordt het type overkleed en rok, waarin het
vliegerkostuum zich heeft opgelost, voortgezet, zodat daarvan nu, in plaats van
één, twee verschillende voorbeelden, k en 1 kunnen worden gegeven.
154
De voorgewende slordigheid, de libertijnse frivoliteit en de excessen die het
rhingravekostuum kenmerken, vinden in het ongeveer gelijktijdige vrouwen-
kostuum vrijwel geen navolging. De kleding der vrouwen blijft eenvoudig van
samenstelling, het vertoon van linnengoed wordt beperkt tot de mouwen en het
lintlussenmotief vindt slechts een sobere toepassing. Het kostuum wordt echter
wel minder stijf, minder strak van lijn dan voorheen; de vrouw zoekt nu soepeler
lijnen, vrijere vormen en een lichtere, liefelijker gratie. Haar gestalte wordt
A
B
C
±1640
130. A. Kraag en patroon daarvan als op afb. 106 en 108. B. Kraag en patroon daarvan
als op afb. 128.
slanker, de plooien van haar kleding losser. De recht afgeschuinde schouderlijn
verdwijnt, de schouders worden door een grote rabat min of meer bijgerond.
De rabat is nu dikwijls van kant en maakt dan een veel minder massief effect.
De horizontale onderlijn blijft behouden. De jonge vrouw laat nu ook bij half
gekleed toilet de hals bloot. De halsuitsnijding omgeeft zij met een los gedra-
peerde toer of met een toer die strak om de schouders wordt getrokken en ook
over de buste een horizontale lijn maakt. De stijve manchetten zijn uit de mode.
Uit korte pofmouwen komen nu lange gracieus opgedofte linnen of kanten
onder-mouwtjes te voorschijn. De rok heeft meestal een sleep. De overrok wordt
dikwijls achterwaarts gedrapeerd en opgenomen, zodat meer van de onderrok
te zien komt dan vroeger. Het kapsel van kurketrekkerkrullen gaat, nu de
schouders hun natuurlijke vorm herkregen hebben, breder uitstaan of het haar
wordt met een grote kam opgestoken. Maar jonge vrouwen dragen ook nog
155
wel flatteuze fantasie-mutsjes met strikjes en kwikjes. Zij nemen voor haar kle-
ding effen soepele stoffen, bij voorkeur satijn, in heldere kleuren, rood, blauw,
rose, geel en vooral wit ..
Oudere vrouwen houden zich nog aan het traditionele zwarte patriciërskostuum
met grote platte kraag. In latere jaren doen echter de regentessen wel conces-
sies aan de mode.
HOFKLEDING IN FRANKRIJK. Na de Frondes die met de nederlaag van de op-
standige adel ein-
1640
B
1644
digden, werd er als
reactie op vele
moeilijke jaren aan
het hof van de jon-
ge Lodewijk XIV
in libertijnse onge-
dwongenheid ge-
Rembrandt?Dame
F.Bol. Elisabeth Bas
Rembrandt - Dame
leefd. De omme-
1641
F
1640
keer in de levens-
wijze van de adel
ging gepaard met
Aet-58
een ingrijpende
verandering der
mode: de kleding
verloor haar sol-
Rembrandt AnnaWymez Michiel Nouts-Dame
Govezt Flinck Dame
dateske karakter
131. Mutsen en kragen.
en werd futiel en
buitensporig. De klederedicten die Mazarin in 1656 en 1660 hernieuwde,
werkten de metamorphosen der mode in de hand, want nu goud- en zilvergalon
verboden waren, maakte men van de nood een deugd en werd de tot nu toe
slechts matig toegepaste lintversiering in kwistige overdaad over de kleding uit-
gebreid. Het rhingravekostuum met het infantiele wambuisje, de rokbroek, de
vrolijke lintjes en het ongegeneerd vertoon van linnengoed was een kleding die
wel heel direct uitdrukking gaf aan het lichtzinnige levensspel van de jonge
koning in zijn vroege regeringsjaren en van de hovelingen die hem omringden.
De opschik van dit kostuum werd aan het Franse hof tot het uiterste overdre-
ven (afb. 134 B).
De vrouwen, waarschijnlijk onder de invloed der koningin-moeder Anna van
Oostenrijk, bewaarden de schijn van ingetogen decorum; haar kleding droeg
niet zoals die der mannen de kentekenen van het frivole hofleven, ofschoon
velen er onbeschroomd aan deelnamen.
156
PRINS WILLEM III. Aan het hof der Prinsen van Oranje in Den Haag was het na
de dood van Willem II heel stil geworden. In het stadhouderlijk kwartier op
het Binnenhof woonde nu het kleine Prinsje, de latere Willem III. Hij woonde
er met zijn moeder, maar de Prinses Royale was in de eerste plaats bezorgd
voor de dynastieke belangen der Stuarts en liet hem dikwijls alleen om in het
buitenland met familieleden te gaan confereren. Haar klein en tenger, maar
schrander en vroegrijp zoontje heeft in de meisjeskleren die hij naar de ge-
woonte van de tijd
op zijn 8ste jaar
A
1639
B
1640
C
1643
nog droeg 1 (afb.
135), zeker dik-
wijls cenzaam
rondgedoold door
Aet suo 23
de sombere verla-
ten vertrekken en
opgezien naar de
Rembrondt Al Adzoens
Bvon der Helst.Dame
Rembzandt . Dame
portretten van zijn
D
1650
1655
1654
geharnaste voor-
vaderen wier amb-
ten en rechten hem
door de Staten van
BFabritius
Holland waren ont-
zegd.
Toen hij op g-ja-
Fezd.Bol. Mazie Rey
VzFvazchitect vd Helm
Vetapzonck . Eva Vos
rige leeftijd naar
132. Mutsen en kragen.
Leiden ging om van de beste leermeesters onderricht te ontvangen, had hij een
kleine „treyn”, maar voor zijn kledingbudget werd F. 3500 uitgetrokken,2
zeker een ruim bedrag voor een Prinsje dat geen grote staat voert.
Terwijl hij nog in Leiden woonde, werd in 1660 twee jaar na de dood van
Cromwell Karel II op de troon van Engeland teruggeroepen. De koning die
vele jaren in ballingschap en armoede in Frankrijk en de Nederlanden had
rondgezworven, reisde over Den Haag en Scheveningen naar zijn vaderland
terug. Een prent uit die tijd 3 geeft het te zijner ere in het Mauritshuis aange-
richte feestmaal weer, waaraan ook zijn neefje deelneemt. Koning Karel met
een grote zwarte pruik op en gekleed in een innocent zit tussen zijn tante de
koningin van Boheme en zijn zuster de Prinses Royale. De vorstinnen dragen
lange krullen en toers om het décolleté. De kleding van de Prins is moeilijk te
onderscheiden, want hij zit met de rug naar ons toegewend. De jonge mannen
die bedienen, waarschijnlijk edellieden of pages, dragen innocent en rhingrave.
157
SAMUEL PEPYS. Op de Engelse vloot die in 1660 de Koning te Scheveningen
kwam halen, bevond zich ook Samuel Pepys, zoon van een kleermaker die zich
tot de gewichtige post van Secretaris der Admiraliteit had opgewerkt. In zijn
vermaard levensjournaal doet hij met van huis uit meegekregen vakkennis veel
voor de kostuumgeschiedenis belangrijke mededelingen over de mode in En-
geland. Op de hem eigen nuchtere wijze noteert hij ook zijn indrukken over
wat hij op zijn reis gezien en beleefd heeft: „The Hague is a most neat place in
A
B
1640
C
1048
Mierevelt
M.Miezevelt
Anno Mazia Schuuzman
D
1647
Mazia v Reigezsbezch
DeWrouw van MH homp
F
1647
F
1643
Gv.Honthorst
Louise Henziette v-Ozanje
Bvon dez Helst.Damesportzet Antwerpsche buzgeres
Wenzel Hollar
133. Kapsels, mutsen, kragen en huik.
all respects .... The women many of them very pretty and in good habits, fashio-
nable and in black spots" (mouches).4Verder vernemen wij "in what a sad poor
condition for cloathes and money the King was" en dat zijn beste kleren geen
40 shillings waard waren. Na de Koning begroet te hebben gaat Pepys met
andere heren zijn hommages brengen aan „the Queen of Bohemia who used
us very respectfully; her hands we all kissed. She seems a very débonnaire but
ROUWTIJD EN NIEUWE KLEREN. In 1662 keerde Prins Willem uit Leiden terug
plain lady." 5
naar Den Haag, nog in de rouw over zijn moeder die in het vorige jaar in Enge-
land was overleden. Toen de rouwtijd verstreken was en de Prins weer kleurige
kleding ging dragen, kregen ook zijn pages nieuwe kleren: „wambas, broeck,
mantel, innossants en Hoosen" van blauw laken met goud- en zilverpassement,
witte zijden kousen en karmozijnrode strikken op mouwen en schoenen. De kle-
den voor de karossen van de Prins en de paardedekken werden met nieuw karmo-
158
sijnrood en met gouden en zilveren kwasten en franje met blauwe nestels versierd.6
Toen in 1662 de Staten van Holland de Prins aannamen als ,Kind van Staat",
vertrouwden zij het toezicht op zijn verdere opvoeding toe aan de Raadspen-
sionaris Johan de Witt en een paar andere heren. Omstreeks die tijd schilderde
Honthorst het „Kind van Staat" met lange lokken om het smalle gezicht, in
een lichtgrijze innocent en rhingrave met zilverkant en veel rose linten, een
grijze mantel en lichtblauwe kousen, slank, voornaam en zo aanminnig als
een Prins uit een sprookje (afb. 136). Ook toen hij volwassen was, zette de
Prins, diep gekrenkt door
& jeabpnob
de schending van zijn
1646
1670C
rechten en vervuld van
Poo2
zijn verholen ambities,
zijn teruggetrokken leven
voort. Aan de losbandig-
3wazt
heid der Haagse beau-
goudgeel
monde nam hij geen
deel. Hij kleedde zich met
juist zoveel luxe als zijn
rang en stand vereisten,
maar bij zijn gesloten
aard pasten geen mode-
excessen. Toen hij in
1670 zijn oom Karel II
te Londen ging bezoeken
lichtbruin
bzuingeel
g zogen7ood
en hem door de Lord
Mayor en de Aldermen
134. A, Franse hoveling. B. Lodewijk XIV
een feestmaal werd aangeboden, „waer ieder op 't hartelijckste was uyt-
gestrecken en opgepronckt met gepoeyerde Parruycken", verscheen hij
„met zijn eigen haer en gekleet na Sijnen Staet, meer in ernsthaftige stem-
migheyt" en hij maakte zo'n gunstige indruk dat de mee aanzittende dames
- wier Engelse partners aan het corrupte hof van Karel II waarschijnlijk
minder correct in hun optreden waren - van hem zeiden: „Dat is toch een
braef Heer, die heeft met pronckerijen niet te schaffen." ?
Zolang hij ongetrouwd was, had het hof van de Prins als werelds milieu nog
weinig betekenis; wel ontving hij soms diplomaten en officieren aan zijn tafel
en verscheen hij ook nu en dan op officiele feesten. Zo woonde hij in Februari
1668 een bal bij dat gegeven werd door Johan de Witt ter ere van het tot stand
komen van de Triple Alliantie en opende plechtstatig het bal met de gast-
vrouw, terwijl de Raadpensionaris zelf de dansen leidde.8 Enige dagen daarna
159
gaf de Prins zelf een groot feest, het „Ballet de la Paix", waarbij hij in Romeins
krijgskostuum en met een gevederde helm op de rol van Mercurius vervulde.
Het feest werd gegeven ter viering van de met Engeland gesloten vrede van
Breda.
In Den Haag werd, hoewel het Prinselijk hof geen leiding gaf, het society-leven
voortgezet. Het richtte zich zo direct naar het voorbeeld van Frankrijk dat het
vreemdelingen opviel. Horen wij hoe de Engelse gezant Sir William Temple
„Deze (edellieden) zijn in hare costuy-
getuigt:
1658
men, zeeden en manieren van leven vrij
verschillende van d' andere luyden en
buytenslandts veel opgevoedt zijnde,
trachten veeleer gekleet te gaen na de
snof van hare naburige Hooven dan na
de gemeene wijse van 't Landt. Sij stof-
fen meer op haren Adel dan men in an-
dere landen doet, daar 't meer gewoon
is ... Sij trachten de Franschen in hare
gesten, gewaad, maniere van praet,
eeten, pronckerij en debaucheeren ofte
slempen nae te aepen ... d'officieren
van hare legers leven nae de costuymen
en manieren van de Edelen." 9
Sir William Temple merkt hier wel
135. Cornelis Janszens van Ceulen. Prins Wil- scherp het onderscheid op tussen de
lem III in kinderkleren.
kledij der hovelingen „na de snof der na-
burige Hoven" en die der burgers „na de gemeene wijze van 't Landt".
JOHAN DE WITT. De machtigste man in Den Haag was in deze jaren de Raad-
pensionaris Johan de Witt. Wij waren reeds getuigen van zijn debuut als
staatsman en zijn intrede in de beaumonde van de residentie als Chevalier de
l'Ordre de l'Union de la Joye.
HUWELIJK MET WENDELA BICKER. In 1655 trouwde Johan de Witt de dochter
van Dr. Jan Bicker, burgemeester van Amsterdam. Door deze alliantie met een
invloedrijke regentenfamilie vestigde hij zijn goede relaties met de machtige
koopstad.
LEVENSWIJZE VAN JOHAN DE WITT. De levenswijze van onze grote staatsman
was tamelijk eenvoudig. Sir William Temple die zelf een grote staat voerde en
80 bedienden had, verbaasde zich daarover en schreef: „Aengaende den Pen-
sionaris de Wit die in de regeering veel te seggen had, de gansche sleep en
160
kostelijckheyt sijner houshoudingh ging gantsch eenparigh met andere ge-
meen Gedeputeerden en Ministers van Staet. Sijn kleeding was stadig slecht
(eenvoudig) en burgerlijk; sijn tafel voor soo veel diende tot gerief van sijn
huysgezin ofte voor een vriendt; sijn treyn - behalve Commissarissen en
Klercken die men voor hem dicht aen sijn huys in dienst had op d'algemeene
beurs (op staatskosten) was slechts een eenigh Persoon die alle geringe diensten
tot sijnent in huys verrichte." Wij weten nu echter dat zijn personeel bestond
uit een koetsier, drie dienstmeisjes en een min en dat hij boven-
dien nog in dienst had „vier domestique klerken“ die op zijn
bureau werkten, doch bij „solemneele occasien" in livrei aan
tafel moesten bedienen en achter op zijn karos staan.10 De Witt
leefde breed, maar zonder veel uiterlijke luxe overeenkomstig
zijn positie als regent. Niettegenstaande zijn ingetogen deftig-
heid kon De Witt echter als het te pas kwam alle patricische
stijfheid op zij zetten. Bij het vreugdefeest voor de vrede van
Breda danste en dronk hij voor zijn huisdeur met Jan en alle-
man.11
Wendela Bicker, femme du monde, wist zich goed te kleden (afb.
155) en was tevens een voortreffelijke huisvrouw. Reeds kort na
haar huwelijk begon zij een rekeningboek met een lijst van de in-
boedel der echtelijke woning op te maken en vermeldde daarin
ook haar juwelen, de kleren van haarzelf, haar man en kinde-
ren.12 Wie deze inventaris aandachtig doorleest, zal daarin veel
wetenswaardigs ontdekken aangaande de levenswijze van de
gryszose
Raadpensionaris en zijn gezin. Het Rekeningboek van Wendela 136. G. v. Hont-
Bicker is haast even evocatief als een journaal. Terwijl in andere"
. Prins Willem
inventarissen elk stuk slechts kort wordt genoemd en ambtelijk getaxeerd door
„gesworen schatsters“, schrijft Wendela met liefdevolle nauwgezetheid alles
eigenhandig op en vermeldt van elk stuk de zorgvuldig berekende kostprijs, de
gebruikte ellemaat van de stof en het maakloon. Ook van de cadeaux die zij
gekregen heeft van haar zwagers, Monfreere van Swieten, Monfreere de
Graeff en Monfreere Duyts, taxeert zij de waarde. In volgende jaren trekt zij
bedachtzaam telkens bedragen af voor slijtage en wij vernemen hoe zij van
oud nieuw laat maken, bijv. in 166g: „een swarte geblomde rock gemaeckt van
mijn bruytstabbert met een blauwe voeringh daerin . . F. 35". Zo leren wij van
vele kledingstukken de afkomst en de ganse levensloop kennen die tenslotte
eindigt met een geheimzinnig gekruld V teken in de marge van het rekening-
boek, dat waarschijnlijk „versleten“, het eind van alle dingen beduidt. Voorts
noteert zij, dat „Mijn Man” kousen en hoeden wint in kaatswedstrijden. In
161
1663 tekent zij aan: „aen mijn man vereert van weeges de Staete Generael 32
sabelen (bontvellen), hiervan 11. V. bru. F. 250." Ere en nut werden wel
nauw verbonden!
Wij zien ook uit het rekeningboek dat Johan de Witt een ruime voorraad bezat
van fraaic kleren van laken, zijde en fluweel met gouden en zilveren knopen en
als Sir William Temple zijn kleding slecht en burgerlijk noemt, betreft deze
opmerking van de Engelse edelman waarschijnlijk meer de stijl der kleding
die de Raadpensionaris naar de gewoonte
1655
der regenten placht te volgen dan de kwa-
3wazt
liteit. Dit laatste schijnt ook te blijken uit
een brief van Christaan Huygens die wij
aanstonds (op p. 163) zullen citeren.
HET STAATSIEKLEED VAN JOHAN DE WITT.
Het staatsiekleed dat Johan de Witt zich
in 1665 liet maken, is wel het belangrijkste
en merkwaardigste der in het rekening-
boek genoemde kleren en het heeft ook in
de geschiedenis een zekere vermaardheid
gekregen. De beschrijving van dit prach-
tige pak luidt: „I brock met rock van
lacken met gout ende silverde kant geboort
en een sustekoor van sijde en de rock ge-
voert met seyde streppen, daerbij een
draechbant, kousebanden en hanscoenen,
137. Anon. Mr Jacob de Vogelaer, Secretaris tsamen F. 574-14-0." 13
van Amsterdam
Met „een brock met rock van lacken met
gout ende silverde kant geboort" is waarschijnlijk een rhingrave bedoeld zoals
bevestigd wordt door de Mémoires van de Graaf de Guiche, een Franse bal-
ling die een tijdlang te 's Gravenhage heeft gewoond. Wendela Bicker stond
met de orthographie niet op de beste voet en schrijft „sustekoor" voor „justau-
corps", de Franse benaming voor de lange jas, in Holland toen rock genoemd,
die, toen hij pas in de mode kwam, wel over de rhingrave werd gedragen (afb.
174 en 186). De draechbant is de schuin over de rechterschouder geslagen ban-
delier, waaraan de degen is bevestigd.
Hoogstwaarschijnlijk is dit de „rock van Staet" 14 die Johan de Witt aan had
of althans mee nam toen hij in 1665 aan boord van De Ruyters admiraalschip
Delfland naar Noorwegen uitzeilde. Hij was toen met de bijna 80-jarige Rut-
ger Huygens uit Gelderland en Johan Boreel uit Middelburg als Gedeputeerde
Staten belast met het oppergezag over 's lands vloot.
162
De prijs die Wendela Bicker voor dit staatsiekleed noteert, ruim F. 574, is aan-
zienlijk hoger dan die der andere pakken van de Raadpensionaris, zodat dit wel
een bizonder pronkgewaad moet zijn geweest. Bovendien stemt de beschrij-
ving van de inventaris volkomen overeen met het humoristisch relaas van de
Graaf de Guiche 15: „Il se fit donc faire un juste-au-corps chamarré de dentelle
d'or avec la rhingrave de même, prit un bandrier en bordure où il pendait une
longue épée." Hij vertelt verder nog: „Ce juste-au-corps ne fut pas fait en un
jour. Il demeura exposé quelque temps sur la bouti-
que d'un tailleur où chacun l'allait voir .... Le
vieux Huygens voyant que son collègue s'était ainsi
équipé voulut aussi lui montrer qu'il ne lui céderait
pas en cela; et sur une vieille perruque grise il arbora
un bouquet de plumes vertes. Boreel demeura avec
ses habits et ses manières ordinaires fort différent des
deux autres. Tromp prit le parti d'en rire .. .. "
De gedeputeerde Boreel geeft een beschrijving van
het leven aan boord, waaruit wel duidelijk blijkt
welk een zonderling effect het kostbaar pak van Jo-
han de Witt gemaakt moet hebben. Boreel schrijft
aan de raadsheer van Kinschot: „Maandach 17
Sept. op de kust van Bergen 6 mijlen van de wal: Nu
sal ick beginnen te verhaelen onse economie, welcke
bestaet uyt een cajut daer in 5 personen yder een
bedt ende voor alle raedtkamer, eetkamer, secreetka-
zwort
mer, halle of spijskamer, brootkamer, harinckkamer,
138. G. Terborch. Heer
keerskamer, kaeskamer, wijnkelder, byerkelder, apothekerswinckel ... finan-
ciekamer, kleerkamer, artilleriekamer en wat sal ick seggen, het is een chaos
ende woelt als een myerennest." Hij vertelt voorts dat „het water meestal in de
vloot seer stynkende is" en „het byer seer suyr ende veel stynkende." 's Mid-
dags eet men „gort, harynck, op den rooster gebraden stockvis, gesouten
vleesch ende andere ruychten ende alles smaeckt ende dat nog meer is, be-
kompt ons alle wel. Het middach ende avontmael is altijt beset met tenminste
acht gasten." 16
In de Haagse wereld ging het mooie pak van De Witt druk over de tong en
Christiaan Huygens, de zoon van de dichter, schrijft er in 1665 over aan zijn
broeder Lodewijk: „(La flotte) doit sortir du premier jour avec Messieurs de
Wit, Huygens et Vrijbergen, comme vous avez sceu, mais je ne scay si les par-
ticularités de ce premier sont parvenues jusques là, à scavoir de ses habits tout
couverts de dentelle d'or et d'argent, de sorte qu'à peine on voit l'étoffe. C'est
163
bien aller d'une extremité à l'autre, car vous scavez comment il s'est toujours
habillé." 17 En het bleef niet bij praatjes en brieven, in talloze gedrukte pam-
fletten 18 beschuldigde men De Witt van ijdelheid en eerzucht, hoonde en be-
spotte men hem. Maar was het enkel ijdelheid of was het ook de overtuiging -
gesteund door het voorbeeld van zoveel vreemde gezanten te 's Gravenhage -
dat een regent de verplichting heeft om de importantie van zijn hoge positie
door zijn uiterlijk voorkomen naar buiten te manifesteren en zo eerbied en ontzag
in te boezemen ? Het was in
qeef
bzuin
3wazt
ieder geval een daad waar
De Witt weinig plezier van
-pooz
heeft gehad. De Hollandse
zose 88
burgers konden eender hun-
nen dit vertoon, waarmede
hij zich boven hun niveau
scheen te willen verheffen,
niet vergeven. Hieruit blijkt
duidelijk dat de stemmige
kleding der patriciërsgeens-
zins uit vrije verkiezing
voortkwam. Ook in 1671,
toen hij het waagde zich een
nieuwe koets aan te schaf-
fen,19 hebben boze tongen
zich weder vinnig tegen de
139. P. de Hooch, Heer en dame
Raadpensionaris geroerd.
DE KLEDIJ DER PATRICIERS. De regenten in de steden hebben zich nooit zo
prachtige, kostbare met goudkant opgemaakte kleding durven veroorloven als
het staatsiegewaad waarmede Johan de Witt zich zo gecompromitteerd heeft.
Wel nemen zij onder de machtige drang der mode het wufte met lintjes getooi-
de innocent-rhingravekostuum aan dat helemaal niet paste bij hun karakter
van vroede vaderen en deftige burgers (afb. 137). Zij moesten dit wel doen,
wilden zij zich niet buiten de internationale modegemeenschap stellen. Maar
boyendien waren zij die nu de toon aangaven, niet meer de stoere oer-Holland-
se mannen van voorheen; zij behoorden tot een minder fors geslacht dat, niet
gestaald in strijd en gevaren, voortaan een gesloten kaste vormde, waarbinnen
hun de ambten werden toebedeeld zonder dat zij zich die door bekwaam-
heid en verdiensten hadden moeten verwerven. Doch hun studie aan de univer-
siteit had hun geest verruimd en verfijnd en op de buitenlandse reis die op
deze studie placht te volgen, hadden zij geleerd over eigen grenzen heen te
164
zien en vreemde zeden en gewoonten te begrijpen en te waarderen.
Ook de rijke kooplieden waren nu niet meer de eenvoudige mannen die zich
vroeger uit eigen kracht hadden omhoog gewerkt, maar erfgenamen van grote
handelszaken, „sich nergens anders meê bekommerende dan met hare goederen
en de handhavinge van haar negotie, het overige van hun tijdt en gedachten
aanleggende tot divertissement of vermaak van hun leven." 20 Deze generatie
van aanzienlijke, cosmopolitische burgers kon de door Frankrijk gelanceerde
mode van het rhingravekostuum zonder al te
grote bezwaren aannemen. Die mode kwam
wort
trouwens hier ook niet ineens uit de lucht vallen,
geel
maar was al sinds jaren geleidelijk voorbereid
door de verkorting van het wambuis, de verwij-
ding van de brockspijpen en de toepassing van
lintstrikken op de broeksluiting.
OPPOSITIE DER OUDERE MANNEN. Mannen van de
oude stempel, verknocht aan de mode van eigen
jeugd, ergerden zich echter vaak aan de korte
innocent der jonge dandies die hun hemd ter-
nauwernood bedekte. In zijn dagboek - dagboe-
ken van Hollanders zijn uiterst zeldzaam - ver-
telt de heer George Rantaller Doubleth er iets
over.21 In 1653 was Doubleth lid van de Cham-
bre-mipartie te Mechelen, een soort van inter-
nationale rechtbank die na de vrede van Munster
s dvezgulon
enige nog tussen de Republiek en Spanje hangen-
140. P. de Hooch. Heer en Dame
de kwesties moest oplossen. Op een gure herfstdag verschijnt zijn veel jongere
ambtgenoot Riccen in een nieuwerwets wambuis en „,de Griffier Graswinckel
ziende den Heer Riccen met het wambuis zoo voor de borst als in de mouwen
open, zeide dat het voor zulke kleeding geen weer was. Riccen antwoordde dat
hij tegen de borst nog gewapend was onder het hemd, maar voor de armen
niet." Graswinckel greep Riccen bij de mouw en er volgde een woordenwisse-
ling waaruit bleek dat Riccen „tipsig" werd en de Heer Doubleth onder vier
ogen nog wel eens om verantwoording zou vragen.
Doch de mode laat zich door spot noch critiek uit haar koers brengen en het
verzet tegen het nieuwe en inderdaad onpractische kostuum was dan ook spoe-
dig gebroken. Jonge patriciërs namen het omstreeks 1655 algemeen aan en
droegen het in allerlei kleuren (afb. 138-143) en na enige weifeling durfden ook
ouderen er zich aan te wagen. Zij vereenvoudigden het alleen enigszins en
hielden zich streng aan het zwart.22 Gedurende 20 jaar heeft het rhingrave-
165
kostuum zich gehandhaafd als modedracht, het drong zelfs door tot de lagere
kringen der gezeten burgerij.
DE KLEDIJ DER SCHUTTERS. Schutterstukken werden in deze tijd zeldzaam,
maar in het stadhuis van Den Briel is er een dat, omstreeks 1660 door Maarten
Fuick geschilderd, het Brielse Oranjevendel voorstelt.23 De schutters dragen
lang haar, innocent, rabat, rhingrave en sommigen ook canons; weinig doel-
matige dracht voor de militaire dienst!
blauw
RUITERKLEDING. Voor ruiters was het innocent-
zwor
rhingravekostuum nog minder geschikt; zij droe-
gen dus meestal rock en broek met kaplaarzen.
KLEDING VAN PAGES EN BEDIENDEN. Daarentegen
zien wij er pages en bedienden heel dikwijls mee
afgebeeld (afb. 144) en op een anonieme prent is
qeel lint
bij de terechtstelling van Buat zelfs de beul ge-
kleed in een met linten gegarneerde rhingrave.24
DE KLEDIJ DER VROUWEN. Hoe concurreerden nu
de vrouwen der patriciërs in buitensporigheid
met de zo extravagant geklede mannen van deze
tijd? Zij concurreerden ditmaal in het geheel
niet. De vrouwen hebben altijd geweten dat zij
wel eens boerse of populaire motieven in pikante
coquetterie kunnen omzetten, maar dat slordig-
heid en ongegeneerdheid - zelfs als zij slechts
voorgewend zijn - haar schoonheid niet verhogen
E tood-Lbzuins qoudpossement
141. P, de Hooch. Heer en Dame
noch haar aantrekkelijkheid voor de andere sexe
ten goede komen. Na de Franse revolutie hebben de Merveilleuses ook niet
meegedaan aan de democratische sans-gêne der Incroyables. En nu, terwijl de
mannen zich te buiten gingen aan opschik met korte rokjes, strikken en linten,
attributen van háár sexe, onthielden de vrouwen zich van alle excessen en
kleedden zich eenvoudig, doch uiterst gesoigneerd en gracieus volgens de na-
tuurlijke vormen van haar lichaam. Het satijn dat zij veel dragen, heeft genoeg
aan eigen glanzingen en vordert weinig garnering. In patriciërskringen be-
dekken sommige vrouwen het haar nog met een elegant fantasiemutsje (afb.
160 B) en de hals met een rabat die echter van doorzichtiger stof gemaakt is
dan vroeger. De meesten veroorloofden zich echter evenals de Haagse dames
het nu breder dan vroeger uitgezette mondaine krullenkapsel à la Sévigné en
het décolleté met de toer (afb. 155 en 171 C).
Conservatieve vrouwen en natuurlijk vooral de ouderen, bleven nog trouw aan
de Hollandse witte muts die het hoofd nauw omsloot en de grote ondoorzichtige
166
witte vrouwenkraag die vervlogen bekoorlijkheden bedekte (afb. 162 en 170A).
De regentessen van het Arme Kinderhuis te Haarlem droegen in 1664 nog
strenge ouderwetse kleding, maar de mondainiteit ging nu arglistig de jongere
regentessen van liefdadige instellingen besluipen. De regentessen van het Le-
prozenhuis te Amsterdam waagden het in 1668 zich zonder muts aan de be-
stuurstafel te zetten, gekapt met tierelierige krullen! Een rabat van zwarte
kant liet heimelijk de blote hals doorschijnen en uit halflange mouwen kwamen
zowaar de onbedekte onderarmen te voor-
schijn. Wel hielden zij zich nog aan het
3wazt
stemmige zwart, maar zij zien er op haar
portret toch heel elegant en aantrekkelijk
el
uit (afb. 163) 25. Misschien bleven de vrou-
86
pooz
wen in de provincie langer conservatief
dan deze dames uit de hoofdstad, mis-
schien begonnen de regentessen in het
laatst van het decennium 1660-1670 zich
over de gehele linie meer naar de mode te
kleden; daar de regentenstukken in die
tijd echter zeldzaam beginnen te worden,
kunnen wij uit de weinige gegevens waar-
over wij beschikken, geen stellige con-
clusies daaromtrent trekken.
DE PREDIKANTEN. De predikanten behoor-
den meest tot de kleine burgerstand. Met
hun machtige invloed steunden zij de
142. J. Vermeer, Heer
Oranjepartij, maar hoewel zij een belangrijke plaats in het leven innamen, was
hun bezoldiging uiterst karig, vooral op de dorpen. De dominees preekten dik-
wijls tegen de luxe en de mode als in strijd met de Christelijke beginselen van
deemoed en soberheid, doch hun protest was zeker feller omdat zij en hun ge-
zinnen door geldgebrek zelfs van de onschuldigste wereldse genietingen ver-
stoken waren. De geschiedschrijver Lieuwe van Aitzema neemt het voor hen op
en betoogt dat een dorpsdominee met zijn huisvrouw van F. 500 per jaar - het
gebruikelijke tractement - onmogelijk eerlijk kan leven: „Den Apostel Paulus
seyt die den altaar dient, die moet er van leven, den Arbeider is zijn loon waer-
dich ende men moet den Ossche die dorschet den mond niet toebinden; waer-
om versiet men onse Geestelijcke arbeyders die als Wachters over onse Zielen
ghestelt zijn, niet met een eerlijck zalaris op datse mogen gelijck van haer ver-
eyst wordt, gastvrij zijn om bij de lieden eerlijck te verschijnen? Men behoort
te ghedencken dat Samuel eenen zijden rock droech." (1 Sam. 28 : 14).
167
Aitzema steunt zijn pleidooi met welsprekende cijfers en geeft een lijst van de
kosten voor de onontbeerlijke levensmiddelen, dokter, barbier, boeken enz.
tot een bedrag van F. 421. Voorts geeft hij een lijst van de nodige kleren: 26
De Man alle twee Jaren een Kleet dat kost veertich gulden, jaerlycx 20-0
Om de tien Jaer een Mantel van sestigh gulden, 's Jaers
6-
Om de tien Jaer een Tabbert van veertich gulden, 's Jaers
4-
Om de vier Jaer een Hemtrock van acht gulden, 's Jaers
2-
Aen somer en winter handschoenen
1-0
Jaerlycx aen schoenen ende muylen voor haer beyden
8-0
Aen boven ende onder koussen voor haer beyden
7-0
Tot een hoet 's Jaers.
3-0
De vrouw om de tien Jaer een Huyck van veertig gulden, Jaerlicks
4-0
Alle twintigh Jaren een Vlieger van sestigh gulden, Jaerlicks .
3-0
Alle drie Jaer een Rock van vierentwintigh gulden, Jaerlicks .
8-0
Alle drie Jaer een Jackjen van achtien gulden, Jaerlicks .
6-0
Alle twee Jaer een Borst met mouwen van twaelf gulden, Jaerlicks
6-0
Alle drie Jaer een Borstrock van ses guldens, Jaerlicks .
2-0
Somma. . . . . 80-0
Op deze lijst treffen wij voor de man een tabbaard aan waarmede wij de predi-
kanten van deze tijd ook meestal zien afgebeeld. Wat zullen die tabbaard en man-
tel die de dominee slechts om de tien jaar kon vernieuwen, er in het laatste jaar
sjofel en kaal hebben uitgezien! Voor boven- en onderkousen van man en
vrouw samen is slechts F. 7 uitgetrokken, terwijl Wendela Bicker voor de
kousen van haar man 4 à 12 gulden per paar noteert. De domineesvrouw
wordt op de lijst nog een vlieger toebedeeld die reeds lang uit de mode was en
waarmede zij desondanks nog twintig jaar toe moet komen! De huik moet het .
tien jaar uithouden.
Aitzema merkt op hoeveel er nog ontbreekt en gaat aldus voort: „Hier is nog
niet voor Lint in de Broeck ende veters in de schoenen, Messen, Kannen,
Kranen, Kammen en veel dingen die men alles niet kan bedencken, dus hier
voor memorie:
Voor het Linden Jaerlicks
Voor man en vrouw yder een Hemt
8-0
Een paer slaeplakens
8-0
Voor halsneusdoecken en beffen
12-0
Voor Neusdoecken in de Sack
3-0
Twee Fluynen
4-0
168
Een Peluwe laken
2-0
Twee servetten
2-0
Mutzen, Huyven ende Doeckhuyven.
3-0
Aen Nacht Halsdoecken
1-0
Vlechtsnoeren
0-6
Een droogdoeck
0-9
Dasjes en Mans Mutzen
2-0
45-14
F. 421-10
80-0
45-14
547-4 ende voorts andere dingen die om kortheyt werden overgeslagen."
Welk een verschil tussen de povere kleerkast van een dorpspredikant en de wel-
voorziene garderobe van een man als Johan de Witt die alleen voor zijn staat-
siekostuum meer betaalde dan een dominee met zijn vrouw samen in een heel
jaar voor hun levensonderhoud konden uitgeven!
169
XI. DE KLEDIJ DER MANNEN
HET RHINGRAVEKOSTUUM 1650-1675
DE INNOCENT. Het wambuis wordt nu heel kort en krijgt in verband daarmede
in ons land een nieuwe Franse naam: „innocent", òf omdat het nu een kinder-
lijk onnozel aspect krijgt òf omdat het de dracht was van het in 1650 twaalf-
jarige Franse kind-koninkje Lodewijk
1661
XIV. In de Hollandse inventarissen
wordt van omstreeks 1650 af de in-
nocent (ook wel innosant of innocent-
rock) telkens genoemd. In Frankrijk
wordt het korte wambuisje echter niet
met innocent aangeduid; daar heet
het „brassières" (kinderborstrokje) en
onder die naam laat Molière het in
zijn Don Juan (1665) door Pierrot be-
spotten: „Ils portent en glieu de pour-
Wit
point de petites brassières, qui ne leu
ne venont pas jusqu'au brichet"
Zwort
(maagholte). Ook de moderne Franse
kostuumhistorici spreken van „bras-
sières". 1
Brum
De innocent wordt van onderen zó
143. B. van der Helst. Heer en dame
kort, dat hij in vele gevallen nog slechts
tot even onder de maagstreek reikt. Tussen de onderrand en de broeksband
komt, uiterst vrijmoedig, het hemd te voorschijn. Het traditionele schootje
wordt ook in deze tijd nog wel eens aangebracht, en misschien wordt het kle-
dingstuk dan ook nog wambuis genoemd - het mag echter maar heel smal zijn
- en daar het nu geen betekenis meer heeft, laat de kleermaker het meestal ge-
heel vervallen. Van de knopen en knoopsgaten aan de voorzijden van de in-
nocent worden de onderste niet gesloten; ook daar vertoont zich dus het hemd.
Soms wordt de innocent langs de voorranden en de onderrand met passement
afgezet; gouden en zilveren knopen worden dikwijls vermeld. De mouwen zijn
kort en bovendien worden de voornaden van de schouder tot aan de pols veelal
open gelaten. De daardoor ontstane opening gaapt veel wijder dan vroeger en
met zijn volle ruimte dringt nu de hemdsmouw naar buiten. Soms wordt hij,
om de massa bijeen te houden, halverwegen de onderarm met een elegante lint-
strik ombonden; soms sluit hij met een lintstrik om de pols. De innocent heeft
170
een staand kraagje, waaruit een grote witte bef of rabat te voorschijn komt; die
bef bedekt het bovenstuk van de borst bijna over de volle breedte en al dat lin-
nengoed overwoekert weldra het kleine verschrompelde buisje dat er bijna ge-
heel onder verscholen gaat (afb. 136-144).
Zoals uit schilderijen en inventarissen blijkt, dragen de mannen al naar gelang
van stand, leeftijd, levenswijze en smaak innocents van allerlei kleur en stoffage.
Wij vinden o.a. vermeld: „een root scharlakense innosant met goude knopen
F. 20." 2; en „,1 koleurde inno-
sant met goude passementen ge-
1670
B
boort F. 20-0-0"; „,cen swarte
groffgreyne innocentrock met ar-
Pooz
mosijn gevoert" en „een swarte
felpe innocent met armosijn ge-
voert".3 In de door Wendela
Bicker opgemaakte klederinven-
taris van Johan de Witt wordt de
3wort. qeel. zood
innocent niet genoemd; hij kan
echter wel deel hebben uitge-
maakt van een of meer der als
₹wart
„kleet” aangeduide pakken van
de Raadpensionaris.4
In de hiervóór genoemde inven-
taris komt de innocent reeds in
bruin.
bruin
1652 voor en in 1655 liet de toen
3o-jarige Jacob de Vogelaar,secre- 144. A. G. v, Tilborch, Page of bediende. B. P. de Hooch,
taris van Amsterdam (afb. 137),
Page of bediende
zich schilderen met een nog niet heel korte innocent. Dit zijn misschien niet
de allervroegste, maar toch zeker wel twee vroege voorbeelden.
De 76-jarige Constantyn Huygens draagt de innocent nog op zijn in 1672 door
C. Netscher geschilderd portret in het Rijksmuseum. Maar omstreeks 1675
was de innocent toch uit de mode; op de schilderijen komt hij dan nog slechts
bij uitzondering voor. In de inventarissen wordt hij weliswaar nog meermalen
na 1680 genoemd, maar waarschijnlijk als nog wel voorhanden, maar niet meer
gedragen kledingstuk.
Niet alle mannen bekeren zich tot de innocent. Op het portret dat J. de Bray in
1663 maakte van de boek- en kaartendrukker Dr. Joan Blaeu, draagt deze nog
een lang wambuis.5
Het Victoria en Albert Museum te Londen heeft een compleet rhingrave-
kostuum van resedakleurige gefigureerde stof, toebehorende aan Sir Harry
171
Vernon, in bruikleen. De innocent van dit kostuum is nog tamelijk lang en
heeft van onderen een schootje. De staande halsboord is vrij hoog. De mouwen,
die bestaan uit 18 sneden, 36 c.M. lang en 1.7 c.M. breed, werden waar-
schijnlijk tot halverwegen de onderarm omhooggetrokken door in de mouwen
aangebrachte banden, zodat zij wijd uitstaan. De handopeningen zijn omge-
ven met dicht op elkaar gezette lintstrikken, waar de hemdsmouw onderuit
moest komen (afb. 149). Het patroon is weergegeven op afb. 150.
DE RHINGRAVE. Een curieus intermezzo in de wisseling
1661
der broekmodellen is de rokvormige broek, die in Frank-
rijk rhingrave wordt genoemd.6 Over de afkomst van
deze broek en over de benaming rhingrave is veel ge-
schreven. De meeste oudere kostuumhistorici beweren
dat de rhingrave in de Nederlanden zou zijn ontstaan,
en dat Karl V von Salm, Rijngraaf van de Palts en broe-
der van de vermaarde Liselotte, vrouw van Philips van
Orléans, die de broeder was van Lodewijk XIV, na zijn
verblijf in de Nederlanden de daar gedragen rokvormige
broek ook in Frankrijk in de mode zou hebben gebracht,
en dat dit kledingstuk naar hem rhingrave zou zijn ge-
noemd. Deze mededelingen worden echter niet met be-
geel
wijzen gestaafd, en daar Rijngraaf Karl eerst in 1671 in
Frankrijk kwam, waar de rhingrave toen reeds lang ge-
pooz
dragen werd (Molière spreekt reeds in 1661 in zijn Ecole
des Maris en in 1665 in zijn Bourgeois Gentilhomme van
zwazt
145. W. van Vliet. Heer in rhingraves), zijn - tot nieuwe gegevens misschien een-
de Kerk
maal meer zekerheid zullen brengen - gissingen over de
Nederlandse afkomst van de rhingrave onvruchtbaar.
Wat de door de huidige Franse kunsthistorici algemeen gebruikte naam rhin-
graveaangaat, is het wel opmerkelijk dat deze in de Nederlandse inventarissen,
die mij door de handen zijn gegaan, nergens voorkomt; de bij de innocent ge-
noemde beenbekleding wordt steeds als broek aangeduid. Maar aangezien het
woord broek een soortnaam is en niet inzonderheid de hier bedoelde vorm aan-
duidt, heb ik voor de rokvormige broek de internationale benaming rhingrave
Terwijl het wambuis inkrimpt tot de kleinst mogelijke afmetingen, zet de broek
overgenomen.7
zich uit tot zo grote wijdte, dat hij weldra in een rok ontaardt. Hetlaatste, ons
uit de vorige periode bekende model, was een tot aan de knie reikende broek
met cilindervormige pijpen. Als die pijpen heel wijd zijn en de drager met aan-
eengesloten benen rechtop staat, lijkt die broek al enigszins op een rokje (afb.
172
134 Aen 181). Nu men dit effect wil versterken, ziet de kleermaker zich genoopt
de broek anders te snijden, misschien wel naar het model van kinderbroekjes,
en ontstaat de rokbroek of de gedeelde rok, die waarschijnlijk het eerste sta-
dium van de rhingrave is geweest. De bij de hiervóór beschreven innocent van
Sir Harry Vernon in het Victoria and Albert Museum te Londen behorende
rhingrave is misschien het enige exemplaar van dit model, dat zijn tijd tot nu
toe heeft overleefd. Model en patroon zijn op de afb. 149 en 150 weergegeven.
Deze rhingrave wordt met haken aan de binnenzijde
van de innocent vastgehaakt.
1656
Maar de metamorphose gaat nog verder: de snijder
maakt nu ook wel wezenlijke, tot aan de knie reiken-
de rokjes, waarvan de stof in stolpplooien of in rim-
pels aan de band wordt bevestigd. Onder het rokje
dat soms wijd en soms nauw is (afb. 136-141, 143 en
144), moet - zoals wel van zelf spreekt - een broek
3ilver passement
worden gedragen; op de afbeeldingen zien wij ook
wel eens een wijde, aan de knieën dichtgebonden
broek onder het rokje uit komen (afb. 140 en 148).
Maar wanneer de rhingrave tamelijk nauw is en
daaronder geen broek te zien komt, is het soms
moeilijk te beslissen, of de rhingrave rokvorm of rok-
Poo
broekvorm heeft (afb. 141, 144 en 147).
Het schijnt dat de broek soms ook één geheel uit-
maakt met het rokje, want op de afbeelding van een
schazaken
3wazt
modemagazijn door Bérain in de Mercure Galant
van 1678 hangen twee rhingraves te koop, waar
146. Em. de Witte. Heer in de
Kerk
de broekspijpen onder uit komen; waarschijnlijk waren deze dus aan elkaar
verbonden. Hiermede is echter niet bewezen, dat dit altijd het geval is geweest. 8
De band van de rhingrave wordt van voren met een knoop gesloten. Het is chic
om hem laag om de heupen te hangen, zodat het hemd tussen de innocent en
de broek te voorschijn komt en de rhingrave in weergaloze achteloosheid de in-
druk maakt van afgezakt te zijn. De straatjongens van Parijs riepen de mode-
heertjes achterna: „Monsieur, vous perdez vos chausses!".9
De rhingrave wordt overmatig versierd met lintlussen en linteindjes. De broeks-
band is er mee omgeven, en verticaal langs de dijen zijn ook nog dichte touffes
van linten aangebracht (afb. 136-141, 143, 144 en 147-149). In het Frans
heten die lintlussen „galands" en het hele lintgarnituur „petite oie".10 In de
Nederlandse inventarissen komt de benaming „steltsels van lint" herhaaldelijk
voor; in de klederinventaris van Johan de Witt wordt in 1663 (F. 172) ver-
173
meld: „1 stelsel met een paer hanscoenen van mijn, van smal lint à F. 10-0-o",
in een andere inventaris „2 steltsels swarte stricken“.11
In het Kabinet van Mode en Smaak 12 worden genoemd: „wijde broeken met
veel Schmetterlingen, d.i. met veel gewormde linten behangen; aan de voor-
klep waren gecoleurde linten, isabel-orange, seladon-citron (bleek groene),
colombin-kleurige (paarsachtige) linten". Hiermede worden blijkbaar de lint-
lussen op de rhingrave bedoeld. Hoewel wat men in ons land draagt, een-
geel
1659
voudig is vergeleken bij de overdadig opgesmukte
rhingraves die aan het Franse hof worden gezien
(afb. 134), schromen ook de Hollandse mannen
niet om zich met „steltsels van linten" te tooien.
De rhingrave wordt van allerlei stoffen in verschil-
lende kleuren gemaakt; voor gewone dracht dient
bzuin
laken, serge of andere wollen stof, voor luxekleding
wordt damast, zijde of satijn genomen. Deftige
burgers geven de voorkeur aan zwart, jonge lieden
kiezen daarentegen dikwijls gekleurde stoffen. In-
nocent en rhingrave zijn soms van onderling ver-
schillende kleur. De lintversiering heeft meestal
blauw
ook een andere kleur dan de rhingrave, maar bij
.pooz
de zwarte rhingrave behoren zwarte linten.
In een volgend hoofdstuk zullen wij zien, dat de
rhingrave, als de justaucorps in de mode komt, ook
wel daaronder wordt gedragen.
147. A. F. van der Meulen, Page DE BEF OF RABAT. De bef wordt weer groot, want
nu de mode zoveel mogelijk vertoon van linnengoed vraagt, moet ook de rabat
hiertoe medewerken. Het nieuwe fatsoen ontstaat uit het kleine befje met aan-
eengesloten voorzijden uit het laatst van het vorige tijdperk (afb. 110 en 111).
Dit groeit nu snel tot een groot frontaal ornament met lange aan elkaar slui-
tende voorranden en een horizontaal afgesneden onderrand. De rabat komt
uit de halsboord van het wambuis te voorschijn en is daarin waarschijnlijk
vastgenaaid. Hij bedekt het bovenste gedeelte van de borst over bijna de gehele
breedte en schijnt nog groter door het contrast met de kleine onnozele inno-
cent, waarvan de kraag zijnerzijds de nietigheid weer duidelijk doet uitkomen
(afb 142 en 151). Terwijl de kraag vroeger een liggende schouderbedekking
was met zijwaarts over de schouders strekkende richting, wordt hij nu door de
lange aaneengesloten voorzijden een neerhangende borstbedekking. Ditis het
karakteristieke kenmerk van de bef uit het derde kwart van de 17de ecuw.
De bef wordt eerst als een lange rechthoekige band gesneden met een uitholling
174
voor de hals en al of niet bijgeronde buitenhoeken; hoe vervolgens de ronding
door het inleggen van pinces in de nek wordt verkregen, is op het patroon aan-
gegeven (afb. 152).13 De bef blijft dikwijls glad en onversierd, en ligt dan meest-
al plat op de borst (afb. 125, 137, 139, 140, 144 en 151).
Maar de gladde bef wordt ook wel zó gestreken, dat hij over het midden van de
borst omhoog welft, zoals reeds bij de beschrijving der beffen uit het vorige tijd-
perk is vermeld (afb. 114 D). Veelal wordt het middelste gedeelte in een stolp-
plooi gelegd, die naar onderen breed uitwelft (afb.
136, 138, 143 en 152). Luxe-exemplaren worden af-
1668
gezet met een rand van kant; door het aanzetten
van de kant-rand worden de voorste buitenhoeken
meestal enigszins bijgerond. Ook maakt men beffen
helemaal van kant; de kant wordt gewoonlijk direct
volgens het rondgevormde patroon gewerkt, zodat
pinces overbodig zijn. Voor deze geheel van kant
gemaakte rabatten kiest men dikwijls de stevige Ve-
netiaanse kant14 (afb. 136, 138 en 143). De rabatten
worden van voren vastgestrikt met koordjes, waar-
van de uiteinden met akertjes, groter en gecompli-
ceerder van bewerking dan vroeger, versierd zijn,
12002 E2
soms met twee, soms met drie akertjes (afb. 136, 137
en 151).
Hoezeer in het buitenland het mooie Hollandse lin-
nen begeerd werd als materiaal voor hemden en ra-
batten, hoeveel ellemaat er voor een en ander nodig 148. Em. de Witte. Heer in de Kerk
was, en welke prijs ervoor betaald werd, blijkt uit een brief van de Heer
Adriaan van der Goes 15, waarin hij 14 Juni 1661 aan zijn broeder W. van der
Goes te Wenen schrijft, dat hij hem door bemiddeling van „monsieur Alexan-
der Hartung, die de saecken doet van den Heer Blaeuw tot Amsterdam" het een
en ander zenden wil: „Hebben alles bedacht wat mogelijk is, (en) niet so ge-
raede gevonden te seynden als eenich lijnwaet tot hemden ende rabatten, te
meer, omdat de voornoemde Hartung seyde dat de lijnwaete daer heel duyr
ende slechte Silesische waeren ende weinich Hollantse daer quamen; daer is
18 ellen tot vier hemden en twee en een vierendeel tot rabatten waeruyt soo
(zoals) die nu gemaeckt werden, acht rabatten konden komen. Hoop deselve
Ued. lieff ende aengenaem sullen sijn, sijn van 21 st. ende 35 st. d'elle."
In de klederinventaris van Johan de Witt komt (f. 121) onder de rubriek ,,1655
Mansbeffen en nusdoecken en neersticken en ackers" de volgende berekening
voor van prijs en ellemaat voor rabatten: „20 rabatten, daertoe 412 elle a
175
4-10-0 : F. 18-8-0; van neyde (naaien) 3-10-0". Met kant afgezette rabatten
zijn veel duurder; Wendela Bicker berekent daarvoor (f. 126) onder de rubriek:
„1655 Kanten“: „De kante van mijn mans 5 beffen daervan 1 aen een santee14,
dese koste de 4 beffe samen 100-0-0". In de inventaris van eenrijke Amster-
dammer worden genoemd: „twee bruydegoms beffen met grote plattwercksche
kantten."17
DE DAS. In plaats van een bef wordt op de innocent bij uitzondering wel eens
±1660
een klein wit dasje gedragen, dat tweemaal om de
A
hals geslagen, van voren wordt vastgeknoopt of
vastgestrikt (afb. 141 en 178). Maar de das behoort
eigenlijk bij het latere rockkostuum en zal bij de
bespreking daarvan uitvoeriger worden beschreven.
DE PONJETTEN EN DE VOORMOUWEN. Als het korte
wambuis lange mouwen heeft, worden daarbij aan-
vankelijk nog wel korte naar boven omgeslagen
ponjetten gedragen (afb. 137). Zijn de mouwen
van de innocents echter kort, dan komen daaruit
van onderen de wijde hemdsmouwen - of losse
voormouwen - te voorschijn; deze eindigen òf met
een eenvoudig smal polsboordje (afb. 139-142 en
144 B) òf luxueuzer met een wijde, boven de pols
ingehaalde strook, die nu niet meer naar boven
wordt geslagen, maar over de hand neerhangt; het
ingehaalde gedeelte is soms met lint vastgestrikt
149. Innocent en rhingrave in het (afb. 138, 143 en 145). Verschillende variaties hier-
Victoria and Albert Museum te
Londen
op zijn natuurlijk mogelijk (afb. 144 A).
Het schijnt dat het hemd soms korte mouwen heeft, waarbij losse voormouwen
worden gedragen, waarschijnlijk omdat het onderste gedeelte van de losse
mouw het meest aan vuil worden onderhevig is en dus dikwijls gewassen moet
worden. Op de schilderijen kan men niet zien of losse voormouwen gedragen
worden, want dit wordt ook in de werkelijkheid zoveel mogelijk gecamoufleerd;
maar in de klederinventarissen worden zij telkens genoemd. In het Rekening-
boek van Wendela Bicker (f. 124) onder de rubriek: ,1655 Mouweties van
mijn Man en voormouwen en hanscoenen": „,6 paer onder voormouwen met
kant voor aen de hande 34-0-0"; en (f. 126) onder de rubriek: „,1655 Kan-
ten": „de kante van 4 paer poyetten van mijn Man kosten 70-0-0". Vele andere
paren worden ook nog genoemd. In een andere inventaris lezen wij: „Een paer
linnen voormouwen met goude knoopjens".18 De schilder Lodewijk van der
Helst had: „Hondert paer ponjetten”.19
176
DE HAARDRACHT. Terwijl het wambuis kleiner wordt, neemt de haardos steeds
in volume toe. Wie niet genoeg lang haar heeft, vult het aan met andermans
afgesneden lokken en steekt deze op de een of andere manier zó bedrieglijk
tussen de zijne, dat het bedrog althans niet te erg in het oog loopt. Oude heren
nemen soms nog hun toevlucht tot een kalotje, waaraan valse krullen zijn ge-
hecht.
Lodewijk XIV, de jonge koning, had prachtig lang golvend haar, maar de
De mouwen van den innocent
bestaan iedez uit 18 sneden, 36
1/2 Jnnocent
cM.fong en 1.7 cM. breed.
%Rhingzave
De halve bovenband is 44cM wyd
tug:
voozpond
.. PoDu
Vooz-en achterpand zyn gelyk
0
0
POOU I9
schootpanden
kzaaą
fusschenlinnen
150. Patroon van innocent en rhingrave op afb. 149
door zijn voorbeeld gesteunde mode stelde weldra zulke hoge eisen, dat zelfs de
weelderige haardos van de koning er niet meer aan kon voldoen. Volgens de
overlevering begon hij met aan de ook hem overweldigende mode tegemoet te
komen door het dragen van een kalotje, waaraan valse lokken waren bevestigd,
terwijl bovendien het eigen haar nog door in de kalot gelaten openingen werd
gehaald. Maar dit was heel omslachtig en omstreeks 1673 zag ook de koning
zich genoodzaakt zijn toevlucht te nemen tot een pruik.20
Ook in ons land wordt de pruik meer en meer gedragen. Het natuurlijke haar
zowel als de pruik hebben een scheiding in het midden; naar weerszijden
wordt het haar over de schedel glad zijwaarts gekamd en verder golft het in
lange lokken naar voren over de schouders en over de bef, waarvan het, ter
weerszijden van de stolpplooi, de platte gedeelten bedekt. Daar de pruik in deze
tijd nog matig van grootte blijft, is het op de portretten niet altijd te zien of
men met een eigen of met een kunstmatige haartooi heeft te doen; als echter de
177
lokken heel lang en heel dicht zijn, moet men toch een pruik vermoeden (afb.
136-144 en 151).
HUISMUTSEN. De pruik is geen aangename dracht; de man moet er zijn haar
aan opofferen en het kort laten afknippen; maar niettemin broeit zij op het
hoofd en hij zet dus thuis die deftigheid meestal af en verruilt de pruik voor een
luchtiger hoofdbedekking, een huismutsje van zijde, fluweel of laken vervaar-
digd en met borduursel versierd.
DE BAARD EN DE KNEVELS. De baard
1662
1663
B
en de krijgshaftig opgestreken knevels
zijn absoluut onverenigbaar met de
pruik. De mannen houden zich dus
aan de reeds in de vorige periode ont-
stane mode om het gelaat glad te sche-
Rembzandt >
ren en hoogstens laten zij op de boven-
lip een dun jeugdig kneveltje staan,
Stoofmeeste
Jan de Bray: Regent
dat zich naar de mondhoeken even
C
1667
1669
D
verbreedt, en onder de onderlip een
klein sikje. „In plaats van knevels kat-
tebaertjes" laat Asselijn in zijn blij-
spel „de Stiefvaer" een oud man
schamper zeggen.
DE HOED. Bij het buitensporige rhin-
gravekostuum hoort een buitensporige
lan de Bray Regent
KDujazdin . Regent
hoed. De hoeden worden, evenals in
151. Hoeden en beffen
het begin der 17de eeuw, weer heel
hoog, maar de rand is breder en bijna plat en de toen cilindervormige bol loopt
nu naar boven smaller toe en lijkt op een van boven afgeknot suikerbrood. Dit
hoge breedgerande model vergroot samen met het lange haar of de pruik het
volume van het hoofd, verlengt de gestalte en versterkt door zijn vreemdsoor-
tigheid het bizarre geheel van het rhingravekostuum (afb. 138, 139, 141-143,
145, 146, 148, 151 A en B). Maar als tegen het einde van het tijdperk de pruik
algemeen wordt en in omvang toeneemt, wordt zij een zo belangrijke factor in
het kostuum, dat zij geen concurrentie met de hoed meer duldt en aangezien de
pruik moet domineren, komt in een abrupte modewending de reactie en wordt
de hoed plotseling klein; de bol wordt laag en de smallere rand staat opzij of
rondom tegen de bol op (afb. 151 C en D). Met deze hoeden kan, als de hoed
maar klein genoeg is, een even excentriek effect worden verkregen als met de
hoge suikerbrood-hoed. Romeyn de Hooghe tocnt ons een modefiguur met een
uiterst klein hoedje, dat bovenop de imposante leeuwenmanen balancerend
178
deze in hun volie verwatenheid doet uitkomen (afb 177 A). De hoeden zijn, ook
ingevolge de dure hoedbanden, nogal prijzig. In de klederinventaris van Johan de
Witt worden in 1664 (f. 168) vermeld: ,,1 hoedt met de buers (voering) a 15-0-0;
aen lint daerop 4-5-0, - 3 hoeden van floers a 2-5-0. - 1 kastoor met stricken
25-0-0 en 1 kastoor met stricken a 30-0-0." Bij deze beide laatste tekent Wende-
la Bicker aan : „dese twee heeft mijn Man met kaessen gewonnen". Tenslotte wor-
den in 1665 nog genoemd: „1 graeuwe hoet geboort met gout en silvert kant kost
samen 34-4-0." 21
De inventaris van
20 30
46

50
Lodewijk van der
Patroon van de bef
Helst vermeldt:
„tweehalvekastoor-
hoeden" en ,een
stroy hoet".22
DE KOUSEN. Daar
men bij het rhingra-
Debefnadat
de geeztjes zyn
is op een staand
boozdje genaaig
vekostuum steeds
ingelegd,
lage schoenen
draagt, komt er
weer meer van de
kousen te zien. Nog
De bef zondez de
De bef met de
altijd draagt men,
voozste plooien
voozste ploolien
althans in de win-
ter, meer dan één
paar over elkaar,
152. Patroon van de bef
meestal van verschillende kleur (afb. 139, 144 A en 145). Eenvoudige lieden
dragen kousen van katoen of wol, maar wie het zich kan veroorloven, schaft
zich gebreide zijden overkousen aan, die ter hoogte van de enkels geborduurde
klinken hebben. En nog steeds worden de bovenkousen met opzettelijke slor-
digheid zó aangetrokken, dat veel dwarse rimpels over de onderbenen worden
gevormd. In de klederinventaris van Johan de Witt noteert zijn vrouw in 1661:
„Een paer swart seyde (kousen) voor mijn Man a 12-0-0." Het lijkt een hoge
prijs, maar men zal zich herinneren, dat Maria van Reigersberch voor de zij-
den kousen van Hugo de Groot 16 gulden moest betalen. In 1663 schaft Johan
de Witt zich „,4 paer witte sayette socken a 4-0-" aan, „,I paer onderkousen a
5-10-0, 2 paer halve koussies om te kaessen a 2-10-0" (waaruit blijkt dat de
Raadpensionaris bij het kaatsen halve kousen droeg) en in 1664 noteert
Wendela Bicker (f. 163) „I paer swarte seyde kouse van Oom Koelwijk ge-
wonnen F. 12", waardoor wij te weten komen, dat de practische Hollanders
179
niet alleen om hoeden, maar ook om nuttige kousen speelden.
DE CANONS. Bij het rhingravekostuum worden dikwijls, maar volstrekt niet al-
gemeen, canons gedragen. Deze zijn uit het vorige tijdperk reeds bekend (afb.
110 en 112). De wijde bovenstukken der kousen, die vroeger naar boven wer-
den omgeslagen, slaat men nu boven de kouseband benedenwaarts neer (afb.
144 A). Maar weldra wil men heel wijde en lange canons hebben, en ziet zich
nu genoodzaakt daartoe afzonderlijke stroken te gebruiken, en die, van boven
E.F.G.
vzouwen
E
schoenen
G
B
A D
A
±1665
1656
1665
153. Laarzen en Schoenen.
ingerimpeld, met de kousebanden om de benen te binden, of ze in de broeks-
pijpen te rijgen. Als grote klokken hangen deze canons neer en bedekken de
onderbenen tot aan de kuit (afb. 138, 141, 146 en 153 A). In deze klokvorm
herhalen zij de contour van de rhingrave in kleinere afmetingen en vormen een
overgang tussen de rokvormige broek en de onderbenen. Deze eigenaardige
versiering vormt een sterk meesprekend motief in de bizarre compositie van
het rhingravekostuum. De canons worden voor luxekleding van kant of zijde
gemaakt, voor gewone dracht van linnen, laken of wol, in zwart, wit en allerlei
kleuren. Een inventaris vermeldt bijv .: „Een paer coleurde wollen canons.” 23
DE KOUSEBANDEN. De brede kousebanden met grote strikken passen niet bij de
smalle wapperende lintjes, die op de rhingrave prijken en bovendien hadden zij
nu al een halve eeuw een in het oog vallend onderdeel van het kostuum uitge-
maakt. Zij worden dus tot bescheidener afmetingen teruggebracht, zodat zij
veel minder de aandacht trekken (afb. 136, 137, 143, 144 A, 145 en 148). Toch
180
liet Johan de Witt zich in 1663 nog „een paer swarte cousebanden daertoe 15
ellen à 3 st. is 2-7-0" maken en schafte hij zich in 1664 „,1 paer kousebanden
met gout en silverde kanten a 3-12-0" aan (f. 172). De kousebanden, die die-
nen om de canons onder de knieën te bevestigen, zijn onzichtbaar of hebben
althans geen importantie.
DE SCHOENEN EN LAARZEN. De overmatig lange schoenen, die in het vorige tijd-
perk in de mode kwamen, vallen zuiver in de toon der andere buitensporig-
heden van het rhingravekostuum en
kunnen daarbij dus haast onveran-
1665
derd worden opgenomen. Zij behou-
den de lange zolen, die nu echter van
voren niet altijd met een vierkante,
wil salyn
maar ook wel eens met een holle lijn
w goel.
eindigen. Tegen het einde van het
tijdperk worden de zolen van voren
iets smaller.
bren
De schoenen worden op de wreef
vastgestrikt met veters of linten (afb.
137-141, 143-148 en 153 A). Soms
hebben zij op de wreef een strik met
veel lusjes en eindjes (afb. 153 B).
Een nieuw strikmotief is samengesteld
uit twee lange, met laiton verstijfde
vleugels, die naar weerskanten breed
uitstaan, zodat men daarmede wel 154. A. G. v. Tilborch. Dame, B. C. Netscher .! Dame
heel voorzichtig zal hebben moeten lopen (afb. 136 en 153 C).
Kaplaarzen worden bij het rhingravekostuum niet gedragen. Zij maken alleen
nog deel uit van jacht- en ruiterkleding, en nu zij geen paradestukken meer
zijn, ziet men ze niet meer in de salons. De rijlaarzen sluiten nauw om het on-
derbeen en de schachten zijn van boven ook niet meer zo overmatig wijd als
vroeger. Als de ruiter ze bij het rijden hoog optrekt, passen zij hem juist om de
dijen. De wreefstukken worden, nu de laarzen uitsluitend utiliteitsdracht zijn,
veel kleiner dan vroeger (afb. 153 D).
DE MANTEL. Het rhingravekostuum met zijn vele détails vraagt geen comple-
tering met de draperie van een mantel. Deze dient nu voornamelijk als be-
schutting en wordt doorgaans eenvoudig over één schouder gehangen of om
beide schouders geslagen (afb. 136, 138, 141 en 143). Thuis legt men hem
meestal af, maar de door onze schilders zo dikwijls afgebeelde kerkinterieurs
bewijzen, dat het gewoonte is de mantel in de kerk aan te houden (afb. 145,
181
146 en 148). Meestal zien wij ook op de vergaderingen der Staten Generaal en
gewestelijke Staten en op de samenkomsten der regenten van liefdadige instel-
lingen de heren in hun mantels gehuld. Op een prent van de Vrede van Breda
zijn sommige gedelegeerden met en andere zonder mantel afgebeeld (afb. 176).
De snit van de mantel verandert nagenoeg niet. Als materiaal gebruikt men
doorgaans laken of andere wollen stof, maar ook wel zijde, damast en fluweel.
Fluweel wordt ook veel als voering gebruikt en passement als versiering. Ge-
woonlijk draagt men zwarte of bruine
bzuin
166z
mantels, maar op de schilderijen van
kerkinterieurs komen ook veel kleurige
mantels voor. Voor vermillioenrood met
goudgalon schijnen onze voorvaders een
bouw
bizondere voorliefde te hebben gehad.
Men zou kunnen vermoeden dat de
schilders bij het grijs en bruin, dat in
hun kerkinterieurs domineert, die pi-
zood fluweel
kante kleurnoot nodig hadden, maar
rode mantels worden ook in de inven-
tarissen telkens vermeld. Reismantels
zijn meestal grijs; ook deze vindt men
telkens in de inventarissen.
In de klederinventaris van Johan de
Witt komen zeven mantels voor (f. 138
en 139) waarbij de daarvoor benodigde
Witt.
155. Verelst. Wendela Bicker, Vrouw van Johan de hoeveelheid stof, het maakloon en de
verdere onkosten nauwkeurig worden
berekend, o.a .: „1 langhe roumantel daertoe 13 elle swart lacken 9 g. 117-0-0;
aen onkosten 4-7-0. van macken 3-10-0.
I grauwe tursse reysmantel daertoe 102 elle a 2-14 st. de el 29-0-0; daertoe 3
dosijn gout en silverde knopen a 3 gu. het dosijn 9-0-0; aen liskort 8-0-0;
daertoe 101 elle lacken sersie a 1-14 st. de elle, is tot de voering 17-12-12.
I swarte greyne mantel met velp gevoert met een kleet daertoe 14} elle tursch a
3-15 st. de elle is 54-7-8; daertoe 11 elle velp a 6-15 st. 74-5-0; aen onkoste
behalve het bomesijn samen 20-0-0, van macken 7-0-0.
Een greynen mantel met velp a 104-8-8".
DE KAZAK EN DE KABAS. De wijde of tamelijk wijde kazak met mouwen, die al
of niet aangetrokken worden, troffen wij reeds eerder aan. Hij wordt door bur-
gers, maar vooral door militairen over het rhingravekostuum gedragen (afb.
147 en 148). Ook wordt soms de kabas genoemd: „twee kabassen" en „een
182
groote kabas".25 Onopgelost is nog de vraag, wat het verschil tussen deze beide
is. De kazak was vermoedelijk korter dan de kabas.
DE TABBAARD. Bij uitzondering ziet men nog wel eens conservatieve oude
heren in de tabbaard afgebeeld, o.a. op het portret van Jacobus Trip door
Nicolaes Maes in het Mauritshuis. Maar als de mannen het zich thuis gemak-
kelijk willen maken, dragen zij nu gewoonlijk een „japonse rock". In hoofd-
stuk IX zal dit kledingstuk nader worden besproken.
DE GORDEL, DEGEN EN DE BANDELIER.
Voor een gordel is bij het rhingravekostuum
blouw
1671
geen plaats, want het hemd moet onge-
geel
hinderd tussen innocent en rhingrave zijn
88 zose
plooienspel kunnen vertonen. De degen
wordt bij dit kostuum zelden gedragen. De
degen is nu haast uitsluitend een militair
attribuut en wordt gehangen aan een over
de rechterschouder gelegde en schuin naar
de linkerheup lopende bandelier. De schil-
der Lodewijk van der Helst bezat: „Een
degen met een ijser vergult gevest" en „een
leere portepee", die waarschijnlijk tot zijn
schuttersuitrusting behoorden.25
DE WANDELSTOK. Een wandelstok met gou-
den of ivoren knop voltooit nu dikwijls het
elegante mannentoilet. De schilder Lode-
wijk van der Helst bezat: „Een rottingh
156. Jan Steen, Dame
sijnde een wandelstok met yvore knop." 26
DE HANDSCHOENEN. De stelselmatige overdrijving van het rhingravekostuum
wordt zelfs bij de handschoenen doorgevoerd. Deze hebben nu dikwijls veel te
lange, heel spits toelopende vingers (afb. 177 A).
DE ZAKDOEK. De zakdoek wordt meestal als sack-neusdoeck aangeduid. Hij
wordt soms aan de hoeken met akers versierd. Wendela Bicker vermeldt in
1655 onder het hoofd „sacknusdoecken" (f. 115) : 12 fijnevan mijn Man 7-0-0."
Zij noemt ook nog vele andere zakdoeken, grove en fijne, met en zonder akers,
maar bericht niet of zij van haar of van haar man zijn.
183
XII. DE KLEDIJ DER VROUWEN
1655-1680
a) DE COMBINATIE LIJFJE EN ROK. Het lijfje wordt van boven horizontaal uit-
gesneden, aan de voorzijde lager dan op de rug. Een garnituur, de toer, omgeeft
het décolleté. Jonge vrouwen, nu onder Franse invloed minder prude, laten
Wit
meer dan vroeger de hals bloot (afb. 140, 143
Voor
satyn
154-158 168 en 171 A en C). Het lijfje sluit van
1674
voren, op zij of van achteren. Op de rug en op
zij reikt het tot aan het middel; van voren ein-
digt het met een spitse of een eendebekvormige
punt, die soms heel lang is (afb. 154, 155 en 157).
Van voren zijn stijve baleinen ingelegd, die een
„droit devant” vormen, dat de borst indrukt en
de buik plat maakt. Dikwijls blijft het lijfje zonder
garnering, maar de gaffelvormige belegsels van
kant of passement zijn nog zeer in de mode. Soms
vormt een reeks onder elkaar geplaatste strikken
op de voorsluiting een nieuw versieringsmotief
(afb. 143). De grootste verandering ondergaan de
mouwen. Bij de blote hals met de losgedrapeerde
toer horen gracieuze mouwtjes en blote onder-
armen. De mouwen worden dus kort, zodat zij
157. C. Netscher. Dame
slechts tot de elleboogsbuiging reiken; zij zijn
ruim geknipt en van boven ingerimpeld of met platte plooitjes in de armsgaten
gezet. Van onderen bindt men ze, om ze op te doffen, met lint en strik om de
arm. Wij zagen deze wijde opgedofte mouwen in het vorige tijdvak reeds als
nouveauté bij het galakostuum der Princesse royale (afb. 123), maar nu dringt
de nieuwe modevorm ook in wijdere kringen door (afb. 143 en 154). De mou-
wen zijn ook wel eens van voren gespleten, zodat de hemdsmouwen uit het
split naar buiten dringen (afb. 155). Onder uit de mouwen komen hemds-
mouwen of voormouwtjes te voorschijn; deze zullen later worden besproken.
Terwijl wij op haar portretten de vrouwen steeds op haar Paasbest zien afge-
beeld, vertonen de genreschilders haar zoals zij er in het huiselijk leven en be-
drijf hebben uitgezien. Weliswaar moeten wij met hun voorstellingen voor-
zichtig zijn, omdat zij hun modellen wel eens in kostuums uit de ateliergarde-
robe steken; maar de korte schootlijfjes vindt men ook in de klederinventaris-
sen vermeld en daarin voorkomende aanwijzingen zoals „Een root rijghlijff
184
met mouwen en een schootje" 1 stemmen met de gegevens der genreschilders
overeen. Herhaaldelijk beelden zij in hun binnenhuizen elegante jonge vrou-
wen af in korte nauwsluitende lijfjes van zijde of satijn met een uitgesneden
hals, een van onderen kort afgesneden schootje, dat al of niet in pandjes ver-
deeld is, en tamelijk wijde halflange mouwen, die zij op een meestal anders
gekleurde rok dragen. De afb. 139, 156, 158 en 168 A) geven ons aangaande de
bizondere makelij van elk lijfje de nodige inlichtingen.
De naam borstlijf komt nu in de
inventarissen zelden meer voor;
88 zose satyn
wij vinden voortaan lijfjes, keurs-
wit satyn
lijven en rijglijven vermeld. Met
rijglijf kan zowel een corset als
een dichtgeregen lijfje bedoeld
zijn. Wendela Bicker geeft in
1655 (f. 152) precies de onkosten
op en de benodigde ellemaat
voor: „1 Keurslijf van root satijn
daertoe 24 elle a 5-2 st.
12-15-0. daertoe 10 elle gout en
silvertde kant 24 st. de elle
12-5-0. van macken en onkosten
12-5-0".
De rok wordt blijkbaar over min-
der onderrokken gedragen dan
vroeger. Hij hangt in vloeiende
158. G. Terborch. Dame
plooien neer en heeft dikwijls een sleep. Als de rok van satijn is, kan hij zonder
versiering blijven, maar de ons uit vorige periodes bekende garnering met koor-
den, galons of kant komt ook nog dikwijls voor. Wendela Bicker geeft in haar in-
ventaris een hele lijst van boven- en onderrokken. In 1655 noemt zij (f. 155) o.a .:
„I rock van root scharlacken daertoe 22 ellen a 17 guld. 46-15-0; daertoe 61
goude en silverde kant a 10 gulden 65-0-0; daertoe 4 elle kleyne kant 8-10-0;
van macken en onkosten 4-18-0". - Deze rok kostte dus 165 gulden en 3
stuiver. Het fraaie kleed van rood fluweel, waarin Verelst in 1667 Wendela
Bicker afbeeldde, komt echter ook onder de latere opgaven van haar boven-
kleding niet voor (afb. 155).
In andere inventarissen worden genoemd: „Een root scharlakensche rock met
gout en silvere galons 40-0-0" en „Een scharlakense rock geboort met gimpe-
koorden".2 Scharlaken rokken schijnen veel gedragen te zijn, zij worden ten-
minste telkens vermeld.
185
b) OVERKLEED EN ROK. Het lijfstuk en de mouwen van het overkleed hebben
dezelfde vorm en garnering als de hierboven beschreven lijfjes (afb. 159-164
en 183). Men begint nu de voorzijden van het rokgedeelte van het overkleed
verder uiteen te laten wijken waardoor een groter stuk van de daaronder ge-
dragen rok te zien komt dan vroeger, De overrok wordt soms opgenomen en
omgeslagen, zodat de mooie voering eveneens kan worden getoond (afb. 159,
160 B en 164). De overrok krijgt ook een sleepje. Het overkleed en de rok zijn
Rose sotyn
1664
meestal van verschillende stof en kleur. Voor
Wit satyn
een zwart overkleed met een rode rok schijnt
men nog altijd een zekere voorkeur te heb-
Bzuin
ben, maar ook lichtere combinaties vallen in
de smaak.
Wendela Bicker vermeldt in de inventaris
van haar kleren verschillende tabbaards. De
grote hoeveelheid stof die zij daarvoor no-
teert, doet vermoeden dat zij met tabbaard
een uit lijfje en overrok samengesteld over-
kleed bedoelt, waarbij zij naar keuze een van
haar vele fraaie rokken draagt. Zij noemt in
1655 (f. 149) o.a .: I tabbert vanpoer de soy
(pour de soye) a 100-0-0" en in 1663: ,1
swarte tabbert daertoe 19} elle toers a 48 st.
46-16 o, het lijf van borduren a 22-0-0,
daertoe 3 elle kant a 2 gulde 6-0-0, noch aen
159. Eglon van der Neer. Dame en page
onkosten 11-3-0, van macken 6-0-o". Deze
laatste tabbert kost dus F. 91 en 19 stuivers.
DE NACHTTABBAARD. Uit de inventarissen blijkt dat ook de vrouwen dit kleding-
stuk dragen. Waarschijnlijk als huisgewaad; Wendela Bicker bezat in 1663:
(f. 149) „I nachttabbert daertoe 13} elle grauw napels seyde stof a 4 gulde 2 st.
de elle is 54-6-0 -; daerop geleyt de silverde kant van het nachtgoet van mijn
mans groen velp kleet en kan cooker (kamkoker) waert ......; daertoe 12 elle
kant a 40-0-0; aen onkosten 10-0-0, van macken 6-0-o". Hiervoor gebruikte
zij dus de kant van haar mans nachtgoed, d.i. het fraaie kleed waarmede zijn
toilettafel bedekt werd, de kant van zijn „groen velp kleet" en de kant van zijn
kamkoker. In 1665 vermeldt zij (f. 149) „1 yapon rok van suster de Graeff
100-0-0".3 Blijkbaar betekent dit een japonse rok en niet de rok van een japon,
want de benaming japon in de betekenis die wij er thans aan geven, is in de
17de eeuw niet gebruikelijk. Waarschijnlijk bedoelt men zowel met nachttab-
bert als met japonse rok losse huisgewaden, zoals zij ook in Frankrijk onder de
186
naam van robe de chambre worden gedragen. 4 Madame de Sévigné schrijft
herhaaldelijk over haar robes de chambre, o.a. in 1671 aan haar dochter Mme
de Grignan : „J'ai achté pour me faire une robe de chambre une étoffe comme
votre dernière jupe; elle est admirable; il y a un peu de vert, mais le violet
domine; en un mot j'ai succombé. On voulait me la faire doubler de couleur de
feu, mais j'ai trouvé que cela avoit l'air d'une impénitence finale. Le dessus est
la pure fragilité, mais le dessous êut été une volonté déterminée qui m'a paru
contre les bonnes moeurs; je
me suis jetée dans le taffetas
11655
1662
blanc". In 1676 schrijft zij
A
B
aan haar dochter: „Je com-
mence, ma fille, par remer-
zwart
cier mille fois M. de Grignan
de la jolie robe de chambre
qu'il m'a donnée; je n'en ai
jamais vu de plus agréable.
s pnob
Je m'en vais la faire ajuster
pour me parer cet hiver et
tenir mon coin dans votre
chambre ... ". In 1684 heet
het: „Je fus hier diner chez
la princesse ... Voici com-
me votre mère était habillée:
une bonne robe de chambre
bien chaude, que vous avez
refusée, quoique fort jolie; et
160. A. G. Terborch. Dame. B. J. Jacobson. Cornelia, dochter
van Admiraal de Ruyter
cette jupe violette, or et argent que j'appelais sottement un jupon, avec une
belle coiffure de toutes cornettes de chambre négligées; j'étais en vérité fort
bien, je trouvai la princesse comme moi, cela me rassura sur l'oripeau".5 Mme
de Sévigné is in 1626 geboren. In 1671, toen zij de geestige beschrijving gaf
van haar scrupules over de kleur van de voering van haar robe de chambre, was
zij dus 45 jaar, een leeftijd waarop men toen niet meer voor jong gold. In 1684
was zij 58 jaar en werd dus tot de oude dames gerekend. Uit haar laatstge-
noemde brief blijkt dus dat het voor aanzienlijke dames van haar leeftijd niet
ongebruikelijk was om althans bij kleine intieme dinertjes in een mooie robe de
chambre te verschijnen; wij mogen dus wel aannemen, dat ook in ons land
de nachttabbaard of japonse rok bij dergelijke gelegenheden geoorloofd was.
DE RABAT OF BEF. Vele vrouwen in ons land, die wegens leeftijd, stand of prin-
cipes er bezwaar tegen hadden om zich gedécolleteerd te vertonen, bleven de
187
hals met grote beffen bedekken. Bij uitzondering dragen enkele regentessen
nog wel.de ons uit het vorige tijdperk bekende bef, die van voren met twee
slippen en van achteren met een rechte hoek neerhangt (afb. 170 A). Maar
meestal zijn met die rabat toch de moeders van het gesticht afgebeeld, die op
de schilderijen achter de zetelende regentessen staan, en elders meestal vrou-
wen uit de eenvoudige burgerstand. De regentessen laten zich in het begin van
dit tijdperk doorgaans schilderen met een brede gesteven bef, die van voren
met enige onder elkaar geplaat-
E Rood met goudborduensel
1658
ste bandjes wordt toegestrikt en
7wart
van onderen met een horizontale
3worte kont
lijn eindigt (afb. 162 en 170 E).
Ook deze bef wordt, zoals de
meeste vrouwenbeffen in de
17de eeuw, gevormd door invou-
wing van een doek. De doek is
vierkant, doch wordt nu niet
meer, zoals de doek die van voren
slippen vormt, overhoeks en dus
schuindraads gevouwen, maar
men legt de vouw nu rechtdraads
ongeveer over het midden van de
doek (afb. 169 fig. 1 van b-b), zo-
dat twee rechthoekige helften ont-
staan, die al of niet even groot
161. B. van der Helst. Dame
zijn naar gelang de vouw precies
over het midden of even daarnaast wordt gelegd. De vouw wordt vervolgens
in het midden van a tot a een paar maal naar binnen rond omgevouwen, waar-
door een uitholling ontstaat voor de nek en de hals. Op afb. 169 fig. 2 is aan-
gegeven, hoe a-b de sluiting van voren vormt en hoe c over de met wijde mou-
wen verbrede schouders komt te liggen. Over de schouders loopt de stof schuin;
zij is daar dus enigszins rekbaar, zodat de schouders zich even aftekenen. Deze
rabat gaapt in de nek minder wijd dan de rabat uit het vorige tijdperk (vgl. afb.
127 en 128). Van voren wordt de onderlijn wat omhooggeduwd door de met de
zware baleinen van het lijfje (of van het corset) omhoog gestuwde buste (afb.
162).
Dergelijke rabatten worden dikwijls geheel of gedeeltelijk gemaakt van kant,
waar het décolleté door heen schijnt. Zij maken een veel gekleder en eleganter
indruk en de schouders tekenen er zich ronder en weker in af. Als zulk een
rabat een halsstuk van dunne tule of van kant heeft, worden daarin soms pinces
188
gelegd, waardoor de bef zich meer om de hals aansluit en vlakker ligt (afb. 159
163 en 168). De rabatten op afb. 159 en 165 reiken lager over de borst en vor-
men ronde smalle schouders, zoals omstreeks 1660 mode wordt; zij spannen
min of meer om de bovenarmen. Waarschijnlijk zijn zij uit een ronde doek ge-
vouwen, die in de nek met een paar pinces is vernauwd.
Tot de beffen kan men ook rekenen de wijde pelerinevormige dubbele beffen,
die de dames wel eens bij haar ochtendkleding dragen (afb. 170 D en 172 E)
maar waarmede wij toch meestal dienstboden
zien afgebeeld (afb. 179).
1664
Aan de grote gesteven lubbenkraag blijven
alleen nog enkele oude dames trouw (afb. 170 C)
DE TOER. Maar niet iedereen draagt die grote
platte kragen, waarmede men nu al zolang ge-
experimenteerd heeft. Jonge vrouwen uit de
elegante wereld, die liever de hals bloot laten,
leggen om het décolleté een toer, die in losse gol-
vingen gelegd, een vlotte omlijsting van de hals-
uitsnijding vormt (afb.154 B, 155 en 161).
Maar een wat bredere toer wordt ook wel in
strakke plooien horizontaal om de schouders en
de bovenarmen gespannen en midden op de
borst met een broche vastgemaakt (afb. 140 en
154 A). Ook omspant men de schouders en bo-
venarmen soms met een glad kantstuk, dat het
décolleté plooiloos omlijst (afb. 171 E). Deze 162. J. de Bray. Regentes van het Ar-
strak omgelegde toers klemmen de bovenarmen
me Kinderhuis te Haarlem.
aan het lichaam en vormen smalle ronde schouders, de nu enige jaren in de
mode zijn.
De toer is dikwijls een kostbaar onderdeel van het toilet. In 1655 noteert Wen-
dela Bicker (f. 126): „1 kante toer gekof toen ick getrout ben, kost met de tege-
kant 187-10; 1 wat slechter kost 81-10; 1 toer van kant vereert (gekregen) van
suster de Graaf 150-, 1 teegekant daeraen betaelt a 18-".
HET NEERSTIK. Op de blote hals wordt door preutse jonge vrouwen en vooral
door vrouwen wier eerste jeugd voorbij is en die zich daarom niet meer jeugdig,
maar toch elegant willen kleden, in het laag uitgesneden décolleté een neerstik
gedragen (afb. 161 en 171 E en F). Anderen leggen binnen het décolleté een
losse transparante écharpe, die alleen het onderste gedeelte van de hals bedekt
(afb. 154 A en 155).6
DE MANCHETTEN OF PONJETTEN. DE VOORMOUWEN. De stijve cilindervormige
189
manchetten worden nog gedragen bij de platte gesteven rabatten (afb. 162),
maar zij gaan nu met deze uit de mode.
Waarschijnlijk zijn het niet altijd wezenlijk de hemdsmouwen, die onder uit de
korte bovenmouwen te voorschijn komen, maar worden er meestal korte, witte
voormouwtjes ingeregen. Van die elegante voormouwtjes wordt nu veel werk
gemaakt. Soms slaat men de voormouw naar binnen terug, zodat een zakvor-
mige omhulling van de onderarm wordt gevormd; dit model zagen wij reeds
in het vorige tijdperk (afb. 123, 154 B, 155 en
1668
183). Nieuwerwetser is de voormouw, die met
een paar inrimpelingen opgedoft en een hand
breed onder de onderste rimpeling afgesneden is,
zodat een wijduitstaande strook wordt gevormd,
die òf over de onderarm neerhangt, òf over het
opgedofte gedeelte omhoog wordt geslagen.
Deze makelij kan op allerlei manieren worden
gevarieerd; soms is er één, soms zijn er twee
stroken, en soms wordt de inrimpeling ombon-
den met lint en strik (afb. 143, 154 A, 159, 160
B, 161, 163, 164 en 168). Wendela Bicker ver-
meldt in 1655 (f. 126): ,,12 elle kant van mijn
bruytsnachtgoed de elle 12 gulden . . . 144-0-0".
HET KAPSEL, Het ons reeds bekende smalle kap-
sel van spiraal- of kurketrekkervormige krullen
of van golvende lokken ter weerszijden van het
163. F. Bol, Regentes van het Lepro- gezicht blijft eerst nog in de mode (afb. 140, 159,
zenhuis te Amsterdam.
161, 163 en 171 D en E).
Maar het smalle krullenkapsel kan toch niet altijd eender blijven. Naar het
voorbeeld der Franse mode worden de spiraalkrullen ter weerszijden van het
hoofd nu breed uitgezet, waarschijnlijk ondersteund met laiton en opvulling.
Ook worden de krullen soms gerekt en „en serpenteaux" met gom verstijfd,
maar zij blijven toch mobiel en accompagneren elke beweging van het hoofd
met kleine slingeringen; het is een levend kapsel! Over het voorhoofd laat men
kleine artificiële krulletjes neerhangen, liefst symmetrisch geschikt, één in het
midden en aan de slapen rechts en links nog één. Dit kapsel wordt in allerlei
variaties uitgevoerd, met toevoeging van paarlen, juwelen, lint of zijdegarni-
tuur. Het is bekend onder de naam van coiffure à la Sévigné, naar de vermaar-
de Franse briefschrijfster, die het nieuwe krullenkapsel waarschijnlijk het eerst
gedragen heeft en zich in 1665 door de schilder Nanteuil daarmede liet portret-
teren (afb. 143, 155, 171 C en F en 183). Wendela Bicker draagt het ook, zij
190
kamt het haar boven op het hoofd glad zijwaarts en laat de dartele voorhoofds-
krulletjes weg, misschien omdat zij niet stroken met haar positie van regenten-
vrouw. Gelijktijdig proberen de vrouwen ook allerlei fantasiekapsels; zij laten
inplaats van de krullenbossen enkel een paar heel lange krullen ter weerszijden
van het hoofd over de schouders neerhangen; zij maken vóór op het hoofd een
dwarse scheiding en snijden het voorovergekamde haar op een paar vinger-
breedten af. Heel jong en onschuldig staat glad achterover gekamd haar, dat
van achteren in een chignon tegen het hoofd
gelegd en vastgestoken wordt met haarspelden,
of met een sierkam of omwonden met lint. Ook
bergen zij nog wel de chignon in een kapje en
voegen aan het kapsel paarlen,pluimen, linten
en strikken toe. Langs het voorhoofd en de sla-
pen laten zij onschuldige golvende lokjes spe-
len. Wij zien deze verschillende haardrachten
voornamelijk op genreschilderijen, waar zij
door jonge vrouwen bij haar elegant négligé
worden gedragen (afb. 154, 156-158, 160 A,
168, 170 D,F en 171 A en B).
DE MUTSEN. Bij de vlottere kleding van deze
tijd worden minder mutsen gedragen dan
vroeger, maar zij verdwijnen toch niet hele-
maal. Jonge vrouwen tooien zich nog gaarne
met flatteuze ochtend- en huismutsjes van
verschillend fatsoen (afb. 160 B, 165, 168 en
164. R. de Hooghe. Schaatsenrijdster.
172 A). Sommige regentessen kunnen geen afstand doen van de nu ouderwetse
smalle witte muts, die trouwens bij de grote witte kraag hoort, waarmede zij
hals en schouders blijven bedekken (afb. 162 inzet en 170 A). Margaretha de
Geer heeft in 1661 nog het ons uit het vorige tijdperk bekende zwarte mutsje op
met omgeslagen voorrand en lange over het voorhoofd gebogen punt (afb.
170 C). Ook het reeds eerder gedragen zwarte tipmutsje, dat de schedel be-
dekt en over een nu dikwijls van bruine stof gemaakt ondermutsje gelegd
wordt, is een huisdracht die op de genrestukken veel voorkomt. Met een rond
chignonkapje, een grote rode strik en een bos lokken opzij, wordt zo'n mutsje
een heel bekoorlijke hoofdbedekking (afb. 170 D).
Op straat bedekken de dames het hoofd met een kaper (ook wel capuchon of
kap genoemd) en dragen daarbij meestal een schouderkraag die soms aan de
kap verbonden is. De kaper is een rechthoekige hoofddoek, die van achteren
is ingehaald, en waarvan de voorste punten met bandjes onder de kin worden
191
vastgebonden (afb. 141 en 172 B). Soms worden de bandjes een eindje achter
de voorste punten van de doek aangezet, de kaper staat dan van voren wijd uit,
en omlijst het gezicht met een gracieuze booglijn (afb. 170 E en 171 D). In
de inventarissen komen kapers herhaaldelijk voor: „Een armezijn kaper 7; een
swarte sijde kaper; een kante kaper; vier neteldoexe kapers 8 (afb. 171 D). De
schaatsenrijdster op afb. 164 heeft op de een of andere manier een zadelvor-
mige verhoging onder haar kaper aangebracht, die er een modieuze hoofdbe-
ʒwart
dekking van maakt.
Een pittoreske volksdracht zijn de grote witte gesteven
mutsen met lange en brede luifel, waaronder het ge-
zicht heel diep schuil gaat, en een bol voor de chignon.
Zij worden veel gedragen door marktvrouwen, maar
ook dames in deftige interieurs worden er mee afge-
fichtoruin.
beeld (afb. 172 D en F). Volksdracht zijn ook grote
tunnelvormige mutsen, die geen bol hebben, maar van
achteren zijn ingerimpeld. Deze worden veel gedragen
in combinatie met een wijde witte halskraag of pelerine
(afb 172 C). Ook slaat de huisvrouw wel een eenvou-
dig wit doekje los over het hoofd (afb. 158 inzet, 166,
167 en 172 E).
WIJDE HUISJAKJES MET BONT. Heel dikwijls zien wij op
de genreschilderijen ook die karakteristiek Nederlandse
jakjes met wijde halflange mouwen, waarin Vermeer,
Jan Steen, Metsu e.a. hun vrouwenfiguren binnenska-
165. G. v. Tilborch, Huisvr. mers zo gaarne kleden. Met bont gevoerd en omboord
zullen zij, vooral nu het décolleté in de mode is, in de winter een koesterende
huisdracht zijn geweest. Meestal loopt de bontrand langs de voorranden, de
onderrand en de mouwen van het jakje, soms ook om de halsopening. Men
maakt de jakjes van effen zijde of satijn, maar ook van damast, eveneens in
lichte heldere tinten en draagt ze op een rok van andere stof en kleur. De boeze-
laar bindt men over het jakje om het middel, waardoor dit, ofschoon de rug
wijd gesneden is, er uit gaat zien alsof het getailleerd is (afb. 166 en 167). Wen-
dela Bicker noteert in 1655 (f. 152): „1 groen velp jack met buycke van sabelen
gevoert, met een witte rant daeraen 8-0-o, het jack kost behalve het bont van
binnene 50-0-0; 1 jackien van Ostindies wit satijn daertoe 52 elle g-0-0, met
watten met incornaet gevoert, kost samen 20-5-0" en nog verschillende andere
bontjakjes. In de inventaris van Gerrit Jan Elias (1675) wordt genoemd: „een
fiolette fluweele bontjack met inkhorens gevoert"9.
Tegen het eind van dit tijdperk ziet men ook nauw om het middel sluitende
192
jakjes met korte mouwen en heel lange schoot, zonder bontgarnering (afb. 168).
's Morgens dragen huisvrouwen eenvoudige jakjes, lang of kort (afb. 165).
DE BOEZELAAR. De boezelaar of voorschoot wordt door de dames in huis en bij
huiselijke bezigheden gedragen, soms met een „hartje", soms zonder (afb. 165.
166, en 168). Wendela Bicker heeft vele „voorschoden", o.a. „,1 met een grote
kant van mijn bruyts nachtgot 14 linde a 7-0-0, 10-18-2". Dit was blijkbaar
haar pronkboezelaar, de andere zijn veel eenvoudiger en goedkoper (f. 112).
DE KOUSEN EN DE SCHOENEN, Van de kousen
ziet men weinig, ook van de schoenen, waar-
van onder de lange rok alleen maar de voorste
punt te voorschijn komt. Soms staat op de voor-
grond van de kamer die de schilder afbeeldt een
van die aardige muiltjes van zijde of gekleurd
leer, die in huis zoveel worden gedragen (afb.
167). Beide, schoenen en muiltjes, hebben even-
als de mannenschoenen een lange zool, die van
voren smaller wordt en met een rechte of in het
midden uitgeholde lijn eindigt. De hak wordt
van achteren onder de zool met een hol toelo-
pende lijn een beetje naar voren gebracht; zijn
voorzijde loopt met een holle ronding in de zool
uit (afb. 153 E, F en G en 156).
DE HUIK. De huik is weinig aan verandering
onderhevig. Wendela Bicker vermeldt (f. 149)
alleen I swarte lackense huyck 15-0-0".
166. S. van Hoogstraten. Dame
DE PALATINE. Als beschutting tegen de koude buitenshuis komen in deze tijd
ook brede pelerinevormige bontkragen in de mode, palatines genaamd 9, naar
de bekende paltsgravin Liselotte, de echtgenote van de Hertog van Orléans,
broeder van Lodewijk XIV, die dit kledingstuk in de mode zou hebben
gebracht (afb. 158 en 164). In 1663 (f. 134) noteert Wendela Bicker: „I saber
om de hals daertoe 3 sabelen, van macken a 1-0-0." Waarschijnlijk wordt
hier alleen het maakloon genoemd en misschien zijn de sabelvellen afkomstig
van de 32 sabelen, die de Staten-Generaal in 166g aan Johan de Witt hadden
„vereert".
OMSLAGDOEKEN. Op straat draagt men ook langwerpige omslagdoeken, meest-
al van zwarte zijde en soms met geborduurde uiteinden (afb. 178) en in huis
soms een zwarte écharpe (afb. 160 A).
DE MOF. De moffen van fluweel, bont of laken of van fluweel met bontranden
zijn meestal lang en smal. Wendela Bicker bezit in 1657 (f. 134): „,1 mof van
193
sabelen van Oom de Graef gekoft a 160-0-0" maar in 1661 vergenoegt zij zich
met: „1 kattie tot een mof a 6-0-0".
HET MASKER EN SLUIER. Ook bedekt men op straat het gezicht nog wel met
een masker of men hangt een sluier over de capuchon (afb. 164 en inzet).
DE HANDSCHOENEN. Nu de mouwen korter worden, moet men de handschoe-
nen langer maken. Evenals vroeger worden zij dikwijls geparfumeerd. Huygens
vermeldt dit in zijn Korenbloemen:
„Daer de le'ren wanten duim,
Steeckt vol muskes en parfuym".10
En in zijn Trijntje Cornelisdr .: Trijntje: „Ye stinckt na moskeljaet (muskus-
zaad), ick magh dat goet niet ruecke". Marie: „Foey! 't zijn men handscho-
nen".11 Men achtte het parfumeren van handschoenen ook niet zo onschuldig
als het ons nu voorkomt en schreef er wel eens funeste gevolgen aan toe. Adriaan
van der Goes bericht 19 Maart 1660 uit den Haag aan zijn broeder Willem te
Wenen: „De gravin van Dona, dochter van Brederode, van gelicke nevens vele
vrouwen, (is) in de craem gebleven, soo geseyt wert, door gemusqueerde hant-
schoenen van de oude princes in raesende koorts geraect sijnde." 12
Wendela Bicker noemt (f. 172) de handschoenen van haarzelf en van haar man
door elkaar op: „I paer hanscoenen met gout en silverde franye a 6-0-0. - I
paer graeuwe gebreyde hanscoenen a 2-10-" en in 1666 ,,1 paer hanscoenen
met gout ende silverde franye a 15-5-0".
SIERADEN. Om hals en armen draagt men meestal parelsnoeren. Diamanten
worden dikwijls in strikvorm gezet als broches, waarmede men de toer vast-
steekt. Men draagt ook grote ovale broches, soms met hangers van paarlen er
aan. Op fol. 47-49 van haar Rekeningboek taxeert Wendela Bicker in 1655 de
waarde van haar juwelen op F. 7500.
194
XIII. DE MODE IN HET KADER VAN DE TIJD
1670-1700
HET MODEBEELD DER MANNENKLEDING. In het laatst der 17de eeuw wordt het
rhingrave-innocentkostuum der mannen vervangen door het eveneens uit
Frankrijk afkomstige rockkostuum (afb. 1 fig. m, n,o). Dit bestaat uit een
rock, - in Frankrijk justaucorps ge-
noemd - die de vorm heeft van een
blouw-gg mot ozanje
zogen. geklede herenjas uit de 2de
helft der 1gde eeuw, een kamizool of
vest en een kniebrock. Tevoren was de
bedekking van het bovenlijf klein en
onbeduidend, de bekleding der benen
licht bzuin .
met de rhingrave en de canons was het
belangrijkste en trok het meest de aan-
dacht. Nu wordt het accent verlegd:
de lange rock, gedragen over het ka-
mizool, bedekt de gehele romp en de
benen tot aan de knieën en vormt een
grote ongebroken oppervlakte. De
rock domineert. Van de broek komt
daarentegen haast niets meer te zien
en zij verliest dus in het samenspel der
onderdelen bijna alle betekenis. De 167. Jan Steen. Zieke dame ,dokter en dienstbode
contour wordt strak en gesloten.
In het begin draagt de man op de rock nog de traditionele bef die eigenlijk bij
het wambuis hoort (afb. 175 en 182), maar de bef heeft reeds veel beleefd en is
al veel gezien. Zij wordt dus vervangen door een nieuw frontornament, de witte
das, die weer vele ongekende mogelijkheden biedt en, daar de rock geen kraag
heeft, een noodzakelijke en welkome halsbedekking is (afb. 178 en 183).
De kousen en schoenen zijn eenvoudig en trekken weinig de aandacht. De hoed
wordt van lieverlede kleiner en weldra worden de randen aan drie zijden tegen
de bol omgevouwen, zodat een driekantige steek ontstaat (afb. 196 B). Alleen
de pruik concurreert in importantie met de rock, zij neemt ongekende afmetin-
gen aan en omlijst het gezicht met een profusie van krullen die naar voren over
de schouders hangen en zich aansluiten bij de contour van de rock: op de sche-
del hoog opgekruld verlengt de pruik de gestalte (afb. 183, 188 en 196). De
pruik heeft later in de 18de eeuw vele veranderingen ondergaan tot zij, ge-
195
krompen tot een klein staartpruikje, in de tijd der Franse revolutie ten onder is
gegaan. Maar het correcte rockkostuum heeft de revolutie overleefd en is het
begin geweest van de herenkleding van onze tijd.
HET MODEBEELD DER VROUWENKLEDING. Bij het vrouwenkostuum komt de
combinatie van lijfje en rok als gewone huiskleding nog wel voor. Nu echter
het kostuumtype overkleed en rok verreweg de overhand krijgt, is op afb. 2 de
reeks lijfje en rok vóór vak m met een zware lijn afgesloten en wordt ook dit
vak ingenomen door het type overkleed en
sotyn
zood
Jsotyn
kant
rok waarvan wij nu drie voorbeelden kun-
nen geven.
De modeverandering der vrouwenkleding
gaat ditmaal niet parallel met die der man-
nen. Terwijl de mannen het voor het einde
der 17de eeuw karakteristieke rockkostuum
reeds vóór 1670 gaan dragen, begint de
grote verandering van het vrouwenkostuum
eerst omstreeks 1675 en men tast nog wel
ongeveer vijftien jaar naar de middelen om
het nieuwe modetype, dat ook de vrouw
lang en imposant maakt, te verwezenlijken.
Het verlangde effect wordt vooral verkre-
gen door de rok nauwer te maken en de
overrok die de figuur verbreedt, achter-
goud
passement
waarts te draperen. Met de mouwen wordt
168. J. Ochterveld. Duet van twee dames
nog geëxperimenteerd. De lange krullen
gaan uit de mode en worden vervangen door een kapsel met korte krulletjes
„à la hurluberlu". De verdere verandering voltrekt zich langzaam.
De wijzigingen die het nieuwe kostuumtype voltooien, worden omstreeks 1690
aangebracht. Een klein vierkant coeurtje vervangt de horizontale halsuitsnij-
ding, het bovenlijf is heel lang, het middel dun, nauwe mouwen maken de
schouders smal. De mouwen reiken tot aan de elleboog, in de onderste openin-
gen zijn wijde stroken van fijne kant genaaid (engageantes) en als uit open kel-
ken komen de onderarmen daaruit te voorschijn. De overrok wordt bijna hori-
zontaal over de heupen achterwaarts gedrapeerd en vormt in de lendenen een
pouf die zich over de achterbaan van de rok weer in volle plooien verdeelt en in
een sleep uitloopt. De verticale lijnen van rok en overrok en de verlenging van
de laatste tot een sleep doen de figuur lang schijnen.
De meest ingrijpende verandering echter, die de gestalte daadwerkelijk ver-
lengt, ondergaat de hoofdtooi. Het kapsel à la hurluberlu wordt omstreeks
196
1690 vervangen door een bouwwerk van hoog boven het voorhoofd gestapelde
krullen, het Fontangekapsel, waarop als een toren van gesteven en gepijpt gaas
en kant een heel hoge muts staat, de Fontangemuts (afb. 2 fig. o).
HET ROCKKOSTUUM DER HEREN AAN HET FRANSE HOF. In 1688 schreef la
Bruyère: „Le courtisan d'autrefois avait des cheveux, était en chausses et en
pourpoint, portait de larges canons; il était libertin. Cela ne sied plus. Il porte
une perruque, l'habit serré, il est dévot."
Inderdaad had in Frankrijk een ingrijpende
verandering in het leven der toonaangeven-
de kringen tot opvallende modereacties
aanleiding gegeven. Lodewijk XIV die in
zijn eerste regeringsjaren de leiding der za-
Fig 1
ken nog aan Mazarin had overgelaten, nam
na de dood van de Kardinaal in 1661 zelfde
teugels in handen. De opstandigheid der
vroeger steeds weerstrevende edelen was
gebroken. Wel konden zij nog als officier
dienst doen in het leger en troepen aan-
voeren, maar de hoge staatsposten liet de
d
koning bij voorkeur door bekwame burgers
Fiq 2
vervullen. De plaats der edelen was voort-
aan aan het hof te Versailles, hun levens-
taak het bekleden van erebedieningen en
het bijwonen van een opeenvolging van
ceremoniën. Weinigen durfden zich daar-
69 Patroon van de bef op afb. 162
aan te onttrekken. De Zonnekoning was het stralende middelpunt van het hof,
waaromheen de buigende edellieden zich in streng geregelde etiquette bewo-
gen, alleen verlangend om een der gouden stralen op te vangen en zich gunst-
bewijzen in geld, goed of titels te verwerven.
Toen de koning en zijn hovelingen het statige rockkostuum gingen dragen, be-
tekende dit niet enkel het aannemen van nieuwe modevormen, maar ook een
gehele ommekeer in de stijl van het kostuum. De onderworpen hoveling paste
geen opzettelijke onachtzaamheid in zijn kleding, geen brutaal vertoon van
linnengoed, geen buitensporige canons en overdadige lintversiering. Het hof-
kostuum werd ontdaan van al het wufte, het libertijnse, het overladene waar-
door het zich in het vorige tijdperk had gekenmerkt. Het ontleende voortaan
ook geen motieven meer aan vrouwen- en kinderkleding. Het rockkostuum,
stijf en correct, werd de erelivrei van de Franse hoveling.
DE JUSTAUCORPS À BREVET. Bij een reeds vroeger ingesteld en in 1660 hernieuwd
197
decreet was alle garnering van het rockkosttum met goud of zilver en het ge-
bruik van met goud of zilver doorweven stoffen in Frankrijk verboden. De al-
dus verkregen soberheid was echter slechts betrekkelijk, want aan versiering
met gouden, zilveren of juwelen knopen en met zijden passement of borduur-
sel konden toch nog heel wat écus worden besteed. De Koning en de prinsen
van den bloede mochten echter wel rock en kamizool met goud- of zilver-
garnering tooien en wie zou niet wensen te dragen wat de Koning droeg?
Om enkele gunste-
A
1661
C
* 1661
lingen te onder-
scheiden stond hij
hun de zgn. justau-
corps à brevet
7.de Bray &
toe (1664). Het
was een blauwe
rock gevoerd met
Re-a gen - Ates.
Brekelenkkam Huisvzouw
Rembrandt-M.de Geet
rood en met rode
D
1661
F
opslagen, ook het
kamizool was rood
en beide waren
met ornamenten
van goud- en zil-
Anontem
verdraad gebor-
duurd. Het door
Bzekelenkam · Dame
Ceeztzuid von Loon
Gezard Teborch Dome
iedereen vurig be-
170, Mutsen, kapsels en kragen
geerde recht om
zich met dit uitzonderlijke hofkostuum te vertonen werd eerst slechts aan
twaalf uitverkorenen toegekend, later aan veertig.1
DE PRUIK. Onafscheidelijk van de rock was de grote allongepruik. De pruik
verlengde niet alleen de gestalte, maar gaf aan de figuur ook een air van onge-
naakbaarheid, dat wel de directe expressie was van de geest aan het hof van de
almachtige koning, waar alles, in strenge genormaliseerde vormen en vorme-
lijkheid besloten, grandioos en imposant moest zijn.
DE KLEDIJ DER VROUWEN AAN HET FRANSE HOF. Terwijl het rockkostuum reeds
lang aanvaard was, duurde het nog verscheidene jaren eer een vrouwenkleding
zich vormde die, equivalent aan die der mannen, eveneens uitdrukking gaf aan
het ceremoniële hofleven van Versailles. Haar kleding veranderde in veel lang-
zamer tempo daar de nieuwe plaats die de adel was aangewezen, haar levens-
stijl minder aantastte dan die der mannen en haar minder frivole kleding daar-
mede ook niet in zo flagrante tegenspraak was als het rhingravekostuum.
198
Eerst toen in 1684 Lodewijk met Madame de Maintenon een morganatisch
huwelijk aanging, werden onder de sterke invloed van de streng religieuze en
zedelijke begrippen dezer vrouw de dames aan het hof genoopt haar kleding
overeenkomstig de nieuwe aan het hof heersende geest van kille ernst en van
hogerhand geëiste vroomheid te wijzigen. Pruderie gebood het grote décolleté
te vervangen door een smaller halsuitsnijding, wat sommigen echter niet be-
lette de boezem onbeschroomd te vertonen. Om imposant te schijnen trachtten
de vrouwen haar
gestalte zoveel mo-
A
B
C
gelijk te verlen-
apsel
gen; de in het vo-
Kop
à la Sévigne
rige tijdperk pas
verworven milde-
re gratie gaven
Vezmeez kontwezkstez
zij daarvoor prijs.
F
Het hoge Fontan-
G-Tezbozch . Dome
W Vaillant. Metsje
gekapsel - pen-
D
66
dant van de al-
longepruik - dat
steeds behoed-
Bvd-Hefst
zaam in even-
wicht moest wor-
den gehouden, be-
lemmerde
elke
Pietez de Hooch Dame
A.Palamedes ?- Dame
Vrouww Admizoal v Nes
vrije beweging en
171. Kapsels en halsbedekkingen
dwong tot de stramme rechte houding die kenmerkend is voor de vrouwen van
deze tijd.
DE MODE IN DEN HAAG. De nieuwe Franse mode werd in ons land weer het
eerst door de Haagse beaumonde overgenomen. De tijd was echter voor de
mode niet gunstig, er was geen hof dat glans kon geven aan het wereldse leven.
Wel was Willem III in 1672 stadhouder van Holland en Zeeland en Kapi-
tein Generaal van de Unie geworden, doch de oorlog die de Republiek te voe-
ren kreeg tegen Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen bracht over ons land
al de rampen en ellende die aan strijd op eigen grondgebied zijn verbonden.
De Prins stond aan het hoofd van zijn troepen te velde en toen in het volgende
jaar de Fransen verdreven waren, zette hij de strijd buiten de grenzen voort.
Onder deze omstandigheden was een herstel van het hofleven aanvankelijk
niet mogelijk.
HUWELIJK VAN WILLEM III. Maar een verandering was aanstaande: in 1674
199
werd te Westminster vrede met Engeland gesloten en in 1677 stak de Prins het
Kanaal over op een van die trotse maar weinig comfortabele schepen, waarvan
wij op de schilderijen van die tijd de rijk gebeeldhouwde achtersteven zo fier
uit de golven zien omhoog rijzen. Hij ging naar Engeland om met zijn oom
Karel II te onderhandelen over interventie bij Lodewijk XIV ten bate van de
Republiek. Onder het confereren door trouwde hij heel zakelijk met zijn
nichtje Mary Stuart, dochter van de Hertog van York, de broeder van de
B
C
koning en 's Prin-
sen moeder. De
bruidegom, ver-
vuld van politieke
en militaire plan-
nen, was stug en
stilzwijgend en
zijn pas 15-jarig
Gobriel Metsu Dome
jan Steen. Zyu Vzouw
Ede Witte.Mazktwouw
bruidje vond in
hem aanvankelijk
een koele echtge-
noot. Zij stortte
vele tranen toen
zij hem naar het
onbekende Hol-
land moest vol-
PJonssens Efingo-Dome Joh-Vezmeet. Dame E-de Witte.Mazktvrouw
gen! Maar alles
179. Mutsen, capuchons en kragen.
zou nog meeval-
len: in Den Haag werd het jonge paar hartelijk en glorieus ingehaald. Gezeten
in een gouden koets, bespannen met zes appelschimmels en gevolgd door een
lange stoet van karossen met aanzienlijke dames en heren, reden de Prins en de
Prinses door de feestelijk versierde straten, begroet door een koor van in het wit
geklede weesmeisjes dat volksliederen zong en groene takken strooide. Het volk,
vurig Oranjegezind, jubelde Oranjeboven, autoriteiten maakten plechtstatig
hun opwachting en 's avonds eindigden de festiviteiten met grootse illuminatie
en knallend vuurwerk.
DE KLEDING VAN DE PRINS EN DE PRINSES. De Prins vertoont nu niet meer zijn
eigen krullende lokken, waarmede hij zich in 1670 de sympathie der Engelse
dames verworven had. Op verschillende prenten zien wij hem afgebeeld in
krijgstenue te paard met een grote pruik en platte hoed met veren (afb. 196 E).
Onder een borstharnas draagt hij een gegalonneerde rock en kamizool en rij-
laarzen met hoge schachten van stijf leer.2
200
Een ongeveer gelijktijdig minatuurportret van de Prinses vertoont haar gekapt
met korte krullen à la hurluberlu en een breed horizontaal décolleté met een
kanten toer, zoals dat in het laatst van het vorige en het begin van het tijdperk
dat wij nu behandelen, mode was.3 Zij had ruimschoots gelegenheid haar kle-
ding goed te verzorgen, want zij kreeg een speldegeld van £. 2000 per jaar en
kon zich dus alle luxe veroorloven.4
In 1678 werd de vrede met Frankrijk gesloten en toen de Republiek zich lang-
zaam begon te herstellen
O
van de slagen die haar
O
6
hadden terneer gedrukt
2 1
Z2
kreeg het Haagse hof weer
betekenis als middelpunt
23
van de mode. Voor zover
24
C
23
9
puodzoon
wij uit de weinige voor-
bn2
handen gegevens kunnen
opmaken, was het over-
cenkomstig het karakter
van de Prins en onder de
50

53
I 22
invloed van Versailles wat
stijf en ceremonieel ge-
10
6.
weest zonder de brede
vlotte luxe waarmede 's
o
14

28
Prinsen vader en groot-
82
vader zich hadden om-
85

85
ringd. Willem III was zui-
173. Patroon van cen rock 1678
niger, had bovendien grote geldelijke verliezen geleden; toch leefde hij ruim,
overeenkomstig zijn rang en stand. Het Engelse gevolg van de Prinses schijnt
aan het hof geen leidende positie te hebben ingenomen; de Prinses zelf schikte
zich in alles naar de wensen van haar man. Nu er weer een gastvrouw was, wer-
den er avondrecepties gehouden waarbij kaart werd gespeeld en gedanst,
soms ook grote feesten gegeven. Op een prent van Marot is een plechtig hofbal
afgebeeld dat in 1686 in de weelderige Oranjezaal van het Huis ten Bosch ge-
geven werd met veel luxe van kleding.5 De dames zijn nog horizontaal gedécol-
leteerd en laag gekapt maar met opstaande veren in het galakapsel. De heren
dragen het rockkostuum; ongehinderd konden zij het opmaken met goudgalon
of borduursel om dat dit hun hier niet door decreten was verboden. Zij hou-
den de steek in de hand.
Doch twee jaar later kwam er al weer een einde aan het Haagse hofleven. In
Engeland was Jacobus II, de schoonvader van de Prins, zijn kinderloos over-
201
leden broeder Karel II opgevolgd (1685) en de Engelsen, ontevreden over het
bestuur van de Katholieke koning, riepen in 1688 Willem III als kampioen van
het Protestantisme naar Engeland om hem te bestrijden. Toen Jacobus na
korte tegenstand naar Frankrijk vluchtte, werden zoals men weet Prins Willem
en Prinses Mary tot Koning en Koningin van Engeland uitgeroepen. Het
nieuwe koningspaar resideerde voortaan in Engeland. Wij geven hierbij niet
hun portretten in de traditionele Engelse kroningsgewaden die tot de kostuum-
geschiedenis van Engeland behoren, maar die van
Willem III en Mary zoals zij kort voor de overtocht
zijn voorgesteld op een Hollandse zwarte kunst-
prent (afb. 203) 6. De Prins draagt het complete
rockkostuum met nauwe kniebroek en lage schoe-
nen. De Prinses ziet er heel anders uit dan op haar
vroegere portretten, want de mode is inmiddels ver-
anderd. Zij heeft het horizontale décolleté vervan-
gen door een smal coeurtje en het langslepende
overkleed is nu helemaal achterwaarts gedrapeerd
en vormt in de lendenen een pouf. In plaats van het
lage kapsel à la hurluberlu draagt zij de hoge Fon-
tangemuts. De Prins, die een hoofd kleiner was dan
zijn gemalin 7 en zeer op zijn superioriteit als man
gesteld, zal het nieuwe kapsel vermoedelijk niet met
instemming hebben begroet! Maar overal heerst de
onweerstaanbare Franse mode, ook in Engeland
174. G. Metsu. Heer
waarheen de Prinses hem spoedig zou volgen en de
Prins, wiens levensdoel was de macht van Lodewijk XIV, de naar de hegemo-
nie over Europa strevende geweldenaar, te fnuiken, kon zich tegen de macht
der mode niet verzetten en moest haar voorschriften aanvaarden zoals zij wer-
den gedicteerd aan het hof van de vorst die hij zo fel bestreed. Prinses Mary is
nooit meer teruggekomen in het land dat haar lief was geworden; in 1694
overleed zij in Engeland. Willem III kwam af en toe over voor korte tijd en in
1702 overleed ook hij 52 jaar oud. Met de opbloei van het Haagse hofleven was
het weer voor lange jaren gedaan.
HAAGSE LEVENSWIJZE. Niettegenstaande de onberispelijke levenswandel waar-
toe Prinses Mary het voorbeeld had gegeven, werd er in het laatst der 17de
eeuw door de mondaine heren en dames van 's Gravenhage tamelijk los ge-
leefd. Er werden societeiten of maatschappijen opgericht, waar zoals de ,Eu-
ropeesche Mercurius" van 1693 vermeldt „de voornaemste dames in den Haag
bijna alle dagen van de week bij malcander vergaderen," 8 Er werden natuur-
202
lijk ook heren toegelaten, men speelde kaart, flirtte, zong en babbelde. Een
andere tijdgenoot, L. Saen, vertelt dat er in 1696 „seer geklaegt werd dat de
Haegse juffers soo dertel wierden en in alle ijdelheit de juffrouwen van de na-
burige landen navolghden," en dat zij niets deden dan salet houden, spelen,
kuieren en lekker eten zonder zich om de keuken te bekommeren. Hij bedreigt
de saletdames met de straf dat de „Messieurs" wel haar gezelschap zoeken
maar verder niet „aenbeiten", zodat „de meeste part ongetrout moeten blij-
ven sitten." 9 Toch bleef 's Gra-
venhage „dertel"!
1665
Op afb. 207 zien wij een hoogst
elegant heer in rock-kostuum met
een geweldige pruik en twee da-
mes met hoge Fontange-kapsels
van kant en lint die een warme
drank drinken uit porceleinen
kopjes. Waarschijnlijk is het thee;
koffie en cacao waren in het laatst
van de 17de eeuw eerst in zwang
gekomen. De thee die reeds twintig
jaren vroeger geïmporteerd was,
beschouwde men eerst als een ge-
neesmiddel tegen alle mogelijke
kwalen. Dr Bontekoe schreef in de
jaren '70 zijn patiënten 50 tot 200
B
koppen thee voor, maar al heel
175. Joodse Besnijdenis. A. Dokter. B. Heer
gauw maakte de thee ook als genotmiddel opgang en in de voorname wereld
werd „een teetie samen drinken" reeds omstreeks 1665 een nieuwerwets
pretje.10
WELVAART IN ONS LAND. Sedert het begin der eeuw was de welvaart in de Re-
publiek zeer toegenomen, vooral in de steden, waar het aantal inwoners sterk
aangroeide. Amsterdam, dat in 1610 slechts 50.000 inwoners had, telde er
omstreeks 1660 ongeveer 200.000.11 De nijverheid werd sterk bevorderd door
de Hugenootse réfugiés die na de herroeping van het Edict van Nantes (1685)
in Frankrijk hevig vervolgd werden en een toevlucht zochten in het gastvrije
Holland. Reeds in 1686 werd hun aantal op 75.000 geschat en steeds kwamen
er meer.12 Onder deze uitgewekenen waren vele ondernemende fabrikanten en
bekwame werklieden die hier weldra nieuwe industrieën vestigden. De fabri-
catie van Franse mode-artikelen, zijden stoffen, goud- en zilverlaken, fluweel,
passement, gaas, hoeden, linten, kant, veren, handschoenen, waaiers etc. wekt
203
vooral onze belangstelling. Aan deze industrieën namen ook Hollanders deel en
de handel profiteerde er van, want vele mode-artikelen die het nu door lange
oorlogen uitgeputte Frankrijk vroeger fabriceerde en uitvoerde, werden voort-
aan niet meer ginds gemaakt, maar in de Republiek vervaardigd en aan het
Duitse rijk, Engeland en de Noordelijke staten van Europa geleverd. Een tijd-
genoot schatte de vermeerdering van de nationale rijkdom der Republiek tus-
sen 1688 en 1695 op 90 millioen gulden.13
DE FRANSE INVLOED NEEMT
1667
TOE
. Bovendien versterkte de
komst van zoveel Hugenoten
in ons land de invloed van
Franse zeden en gewoonten,
taal, literatuur en mode, wel-
ke vroeger tot de hofkringen
beperkt bleef, maar nu ook in
patricische en burgerkringen
toenam.
BETREKKELIJK EENVOUDIGE
LEVENSWIJZE IN DE STEDEN
.
Niettegenstaande rijkdom en
welvaart werd zelfs in het
rijke Amsterdam nog altijd
betrekkelijk eenvoudig ge-
leefd, zodat vreemdelingen
176. Romeyn de Hooghe. Diplomaten en Generaals bij het
die in eigen land aan groter
sluiten van de vrede te Breda
weeldevertoon gewoon wa-
ren, er zich over verbaasden. De Engelse gezant, Sir William Temple, vond de
„nederigheid en zedigheid“ der Hollandse magistraatspersonen in hun manier
van leven dus uiterst opvallend. Zijn mededeling over de eenvoudige levens-
wijze van Johan de Witt vermeldden wij reeds op p. 161. De wereldberoemde
Admiraal de Ruyter die door de koning van Spanje tot Hertog was verheven 14,
heeft hij „sien gekleed gaen als een ghemeen Zee-capiteyn, niet meer als een
knecht achter hem en noyt in een karos. Wat sijn huyshouding betreft, die was
van buyten niet kostlijcker van aensien nochte van binnen heerlijcker opgetoyt
en sijn tafel die hij hield vooral niet overdadiger dan die van een gemeen koop-
man ofte winckelier in de stadt daer hij woonde." 15
De Ruyter woonde te Amsterdam in een eenvoudig huis met een smalle gevel
op de Prins Hendrikkade en vergat nooit dat hij in zijn jeugd te Vlissingen het
touwslagerswiel had gedraaid. In 1652 trouwde hij zijn derde vrouw, de we-
204
duwe Anna van Gelder en deze liet zich evenmin als haar man door de herto-
gelijke titel van de wijs brengen. Toen op de dag van de begrafenis van de Ad-
miraal de vertegenwoordiger van de Prins van Oranje haar namens de stad-
houder kwam condoleren, kon zij hem niet ontvangen omdat zij gevallen was
en zich bezeerd had. Constantijn Huygens, de nu bejaarde dichter, die als
Hagenaar andere opvattingen had van een manier van leven overeenkomstig
rang en stand, schrijft daarover na de dood van de Admiraal een ironisch Frans
briefje, waar hij luchtig een
paar Hollandse woorden door-
A
heen klutst: „Aussi m'apprit
on à la ville que depuis quelque
temps la bonne femme (Me-
vrouw de Ruyter) avoit faict
une cheutte comme elle étoit
occupée met haer blauwe voor-
schoot te drogen en op te han-
gen. Vostre Altesse peut juger
quelle sorte de Duchesse-douai-
rière ce peut estre qui encor de-
puis la mort de son mari a
tousiours continué sa costume
d'aller au marché le panier au
bras." 16
KLEDING DER AANZIENLIJKE
BURGERS
. Maar niet iedereen
177. Romeyn de Hooghe. „,Figures à la Mode"
leefde zo eenvoudig als De Ruyter. In de paleizen der patriciërs en rijke koop-
lieden aan de grachten heerste een wel ingetogen maar toch brede luxe en het
is geen wonder dat door de aanzienlijke burgers het rockkostuum grif werd
aangenomen. Het was ongetwijfeld meer in overeenstemming met de deftig-
heid der nu aristocratisch geworden regenten dan het rhingravekostuum en in
keurig verzorgde doch door de keuze van donkere kleuren toch sober gehouden
uitvoering kon het de patriciër volkomen voldoen. Natuurlijk nam hij tevens
de pruik aan die zó goed bij zijn voornaamheid paste dat hij ook gaarne de
daaraan verbonden lasten droeg. Het voorbeeld der patriciërs vond weldra
navolging in wijde kringen der burgerij, zelfs kleine burgers zochten deftig-
heid in het dragen van rock en pruik. Elegante jongelieden wisten doer het
kiezen van gekleurde stoffen en door het accentueren van modieuze détails aan
het stijve rockkostuum een jeugdiger aspect te geven.
DE KLEDING DER ADMIRAALS. Van de admiraals die in de zeeoorlogen aan de
205
Republiek zoveel gewichtige diensten hebben bewezen, zijn in onze musea vele
portretten bewaard gebleven, waarop wij kunnen zien dat zij burgerkleding
droegen met militaire accessoires. Reeds in het decennium 1660-1670 hebben
zij het rockkostuum aangenomen dat zij met vrije allure los en vlot weten te
dragen (afb. 182). Enige jaren later werden echter ook onze geduchte zeehel-
den door de mode overweldigd en zij zien zich genoödzaakt de pruik op te zet-
ten, hoewel deze weinig strookt met hun functie om in storm en regen op de
commandobrug te staan, de
1667
zwarł
elementen te trotseren en de
bruin
vijand te bestrijden (afb.
zood 88
183). In de laatste jaren van
gzya
de 17de eeuw wordt hun kle-
geef
ding luxueuzer, de Vice-ad-
miraal d'Almonde ziet er
met zijn modieuze rock en
kamizool uit als een salonheer
in gala (afb. 187 B).
DE KLEDING VAN DE MILITAI-
REN DER LANDMACHT
. Mili-
tairen van het leger te voet en
te paard gingen ook reeds
vroeg de rock dragen die hen
practischer kleedde dan de
rhingrave en de innocent (afb.
178 A. van de Velde. De schilder met vrouw en zoon
176 en 179). Te paard hebben
zij hoge kaplaarzen aan. In Frankrijk begon men in deze tijd officieren en sol-
daten in uniform te steken en ook hier werden sommige regimenten in gelijk-
gekleurde en gelijkvormige kleding gestoken.17 De geschiedenis der militaire
uniformen ligt echter buiten ons bestek.
KLEDING DER VROUWEN. Voor de deftige huisvrouw die haar Hollands karakter
zuiverder bewaard had dan haar meer cosmopolitische echtgenoot, was het
laat 17de-eeuwse Franse hofkostuum een dracht die zij moeilijk in overeen-
stemming kon brengen met haar meer in eigen kring besloten levenswijze.
Vroeger had zij aan de Franse mode door kleine fatsoeneringen steeds een ty-
pisch Hollands karakter weten te geven, maar wat moest zij beginnen met
Fontange, pouf en sleep die zo volkomen in tegenspraak waren met haar huis-
houdelijke zin en huishoudelijke plichten? Wel vatten niet allen die zo con-
scientieus op als Mevrouw de Ruyter, maar helemaal los was de regenten-
vrouw - en vooral de oudere - er toch niet van. Node deed zij afstand van de
206
nauw om het hoofd sluitende muts en de gesteven kraag die haast de emblemen
waren geworden van haar op orde en zindelijkheid gericht huisbestuur. Toch
werd ook zij tenslotte meegevoerd op de nieuwe stroming der Franse mode,
omdat ook haar weerstandsvermogen zwakker was geworden; zij volgde echter
in langzamer tempo dan de man. Omstreeks 1690 waagde ook de patricische
vrouw zich aan de hoge Fontangemuts, de sleep en de pouf (afb. 202 en 209).
Zij nam deze haast onveranderd over, althans bij gekleed toilet, maar vermeed
toch al te grote excessen. Ook op straat
droeg zij de Fontange, naar gelang van het
Veuchillende tinten von geel-gry
seizoen al of niet met een capuchon bedekt.
Groenachlig grys
Roodochlig gzys
's Morgens in huis had zij echter een van die
eenvoudige mutsjes op die evenals de Fon-
tange dikwijls in inventarissen worden ge-
noemd.
AFSTERVEN DER SCHILDERKUNST. De afbeel-
dingen die ons deze en andere details van
het kostuum, de gelegenheid waarbij men
het droeg en de stand waarin het gedragen
werd, leerden kennen, worden nu schaars
en vele vragen moeten onbeantwoord blij-
ven. Immers in dezelfde tijd waarin de
mode haar karakteristiek Hollandse eigen-
schappen verloor, stierf ook de Hollandse
schilderkunst af die de glorie van de Repu-
bliek is geweest en voor ons de spiegel waar-
179. P. de Hooch. Officier en dienatbode
in wij de mode weerkaatst zagen. Zij had hier gebloeid in haar eenvoudig
realisme te midden der triomfantelijk pompeuze barokkunst die in de landen
rondom en in geheel West-Europa overheerste. De barok echter lag de Hol-
landse schilders eigenlijk niet en terwijl zij in hun grote tijd vermocht hadden
haar invloed grotendeels te ontgaan omdat zij er iets eigens van hoge waarde
tegenover konden stellen, misten zij nu de kracht van een door alles heen-
brekende originaliteit. De Hollandse schilderkunst had zich volkomen uitge-
leefd en een verjonging was niet aanstonds mogelijk. In het laatste kwart van de
17de eeuw werden er bijna geen schilderijen meer gemaakt. Ook de graphische
kunst verslapte en zocht haar voorbeelden meer in Frankrijk dan op eigen
bodem. De studie der mode van dit tijdperk wordt hierdoor zeer bemoeilijkt,
want er is een overvloed van picturaal materiaal nodig om vast te stellen hoe
de mode zich beweegt. Zeker is wel, dat noch mannen noch vrouwen meer aan
de Franse mode die eigenaardige motieven toevoegen en die bizondere ver-
207
anderingen aanbrengen die haar in de eerste 60 jaren der eeuw zulk een ty-
pisch vaderlands karakter gaven. Wel waren de Fransen uit ons land verdre-
ven, maar de Franse geest en de Franse cultuur hadden zich hier genesteld en
voortaan overheersten zij niet meer alleen de mode en de levensstijl in de hof-
kringen, maar verzwakten zij ook het oer-Hollandse element in kleding en
levensstijl van regenten en burgerij. De Franse geest bleef hier ook gedurende
de gehele volgende eeuw in de mode de toon aangeven.
208
XIV. DE KLEDIJ DER MANNEN
HET ROCKKOSTUUM 1675-1700
DE ROCK. Omstreeks 1665 komt in ons land het rockkostuum in de mode; het
werd dus gedurende enige jaren naast het rhingravekostuum gedragen. Op een
prent die het sluiten van de vrede van Breda in 1667 voorstelt, zijn sommige
diplomaten in rhingrave-, andere in rockkostuum gekleed
(afb. 176), en op afb. 175 lopen twee heren naast elkaar,
1664
waarvan de ene een innocent en rhingrave en de andere een
rock en broek aan heeft.
De innocent was een te onpractische dracht om zich lang te
kunnen handhaven. Reeds terwijl hij in de mode is, dragen
sommige mannen, en vooral militairen, een tamelijk lang
wambuis of rocxken, dat niet alleen in aspect, maar ook in
de snit grote overeenkomst heeft met het lange wambuis of
rocxken en de lange kolder van omstreeks 1630. De mode
grijpt dus, zoals zo dikwijls gebeurt, terug naar een oudere
mode, die nu echter in vele metamorphosen een nieuwe toe-
komst tegemoet gaat. Het rocxken wordt weldra langer dan
het wambuis, verliest de verkleiningsuitgang van zijn naam
bzuin
en wordt rock genoemd.1
Bij vergelijking van afb. 79 met afb. 173 zal men zien,
hoe met betrekkelijk geringe wijzigingen uit het patroon van
de kolder of het rocxken de snit van de rock is voortgeko-
men.2 Evenals het lange wambuis en de kolder bestaat de
180. C. Picolet. Ruiter
in jachtkostuum
nieuwe rock uit twee voorpanden en twee rugpanden, maar het schootgedeelte
is langer. In de taille worden de zijnaden wat uitgehold, zodat de rock nauw
om het bovenlijf sluit; het schootgedeelte loopt vervolgens naar onderen wat
wijder uit. Het onderste gedeelte van de rugnaad wordt opengelaten om het
zitten met het lange kledingstuk gemakkelijk te maken (afb. 184) en soms ook
het onderste gedeelte van de zijnaden, met de bedoeling de ruiter in de ge-
legenheid te stellen de rock over de rug van het paard uit te spreiden; die ge-
spleten zijnaden worden ook in de burgerlijke dracht overgenomen. De rock
wordt van voren met knopen en knoopsgaten gesloten. De knopen worden op
het rechtervoorpand dicht onder elkaar geplaatst en op het linkervoorpand
bevinden zich de knoopsgaten. De beide reeksen houden soms even onder het
middel op, soms lopen zij verder door. Soms laat men de rock openstaan om
ook het daaronder gedragen kamizool te vertonen. In afwijking van het rocx-
209
ken heeft de rock geen kraag. De mouwen zijn van omstreeks 1665-1675 kort,
van boven nauw en men laat het onderste gedeelte van de voornaden soms
open. Dikwijls lopen de mouwen naar onderen wijder toe en vormen omge-
slagen een mouwopslag, die met knopen wordt vastgemaakt (afb. 173). Door
de opslag verkort, reikt ook deze mouw meestal slechts ongeveer tot aan de
buiging van de elleboog (afb. 174-184, 186 en 198). Terwijl het wambuis geen
zakken had, brengt men laag in de voorpanden van de rock horizontale in-
snijdingen aan als ingangen voor de zakken; deze
kunnen met knopen en lussen worden gesloten (afb.
177 B, 178, 182-185 en 198).
Eerst is de rock nog niet heel lang, hij reikt van on-
deren slechts halverwegen de dij en heeft nog geen
zakken (afb. 174 en 175). Dit vroege type verschilt
maar heel weinig van het vroegere rocxken op afb.
107; het is eigenlijk een overgangsvorm tussen
rocxken en rock. Het volledig uitgebeelde type ver-
toont de rock van de schilder Adriaan van de Velde
(afb. 178). Deze reikt tot aan de knieën en heeft zak-
ken. Deze rocken zijn als cenvoudige burgerlijke
dracht onversierd. Ook de rock van de Raadpen-
sionaris Johan de Witt (afb. 185) en de rocken op
afb. 180 en 181 zijn uiterst sober; de laatste zijn
ruiter- en jagers-rocken en daarom dus waarschijn-
lijk iets wijder van snit.
181, D. Carbasius. Jager
Maar niet iedereen is met een eenvoudige rock te-
vreden en de zucht tot opschik drijft tot het gebruik van kostbare stoffage en
versiering. Men laat passement langs de voorkanten van de voorpanden leg-
gen, de zakken met passement of sluitlussen afmaken en de mouwen met een
garnering van knopen, passementkoord en ruches van goud- of zilverkant. Op
de rechterschouder plaatst men bovendien wel eens een lintstrik (afb. 177 B,
182-184 en 187 A). De hemdsmouw komt soms nog onder uit de korte boven-
mouw te voorschijn, als laatste manifestatie van de nu welhaast overwonnen
mode om met het linnengoed te pronken (afb. 174, 177 B, 182, 183 en 184).
Ruiters en militairen slaan de onderste hoeken van de rockspanden soms om en
knopen voor- en achterpand ter hoogte van het midden van de dij aan elkaar
(afb. 176 en 177 B).
In de laatste jaren van de 17de eeuw ondergaat de snit van de rock een belang-
rijke verandering, doordat de snijder de schoot van voor- en achterpand breder
gaat snijden, zodat opzij een paar diepe waaiervormige plooien gelegd kun-
210
nen worden, die zijwaarts uitstaan en aan de rock een eleganter aspect geven.
Tussen die plooien laat hij dikwijls een splitvoor het doorsteken van dedegen open.
De mouwen worden langer, de kleermaker snijdt ze nu langer dan de lengte
van de arm; van boven zijn zij heel nauw, van onderen lopen zij echter veel
wijder uit, zodat het ondergedeelte over de pols kan worden omgeslagen en
dan heel wijde en brede opslagen vormt, die soms van de pols tot aan de bui-
ging van de elleboog reiken. Zij vertonen meestal een kostbare gefigureerde
zijdestof, waarmede de rock gevoerd is.
Men noemt dit nieuwe model pagode-
zwart
1668
mouw. De horizontale zakinsnijdingen
krijgen kleppen.3 Men snijdt nu echter
de zakopeningen ook wel verticaal in
het voorpand. De schootspanden reiken
tot aan de knie. Van voren laat men de
rock verder openstaan dan vroeger,
soms wordt de voorrand even omge-
slagen om de mooie voering te verto-
nen. Ook deze nieuwerwetse rocken
jegznnpzog-pnob
worden, als zij voor galadracht be-
stemd zijn, langs de voorpanden en de
zakken met galon, kant, franje of bor-
duursel rijk versierd (afb. 187-189, 203,
dLkont
205-207).
De stoffage en de kleur van de rock
h goud
verschillen naar gelang van zijn be- 182. B. v. d. Helst. Aert van Nes, Luit. Admiraal
stemming. Voor daags neemt men meestal zwart of bruin laken, voor gala-
kleding echter zijde, satijn of fluweel van allerlei kleur en ook wel damast en
goudbrokaat. De rock wordt in de hofkringen en de regentenstand zowel als
door de eenvoudige burgers gedragen. Opmerkelijk is dat op genreschilderijen
zo dikwijls kleine jongens uit de burgerstand met de zo weinig kinderlijke rock
zijn afgebeeld.
De rock wordt in de inventarissen telkens genoemd en dit is blijkbaar de in ons
land meest voorkomende benaming. Het Franse woord justaucorps schijnt
echter nu en dan ook wel gebruikelijk te zijn geweest; in het Journael van Con-
stantijn Huygens de zoon wordt meermalen over een justaucorps gesproken,
maar Huygens woonde in Londen en verkeerde in een cosmopolitisch milieu.
In de Nederlandse inventarissen - voor zover zij mij door de handen zijn ge-
gaan - komt het woord justaucorps niet voor. Wendela Bicker gebruikt het
één keer en verbastert het zoals op p. 162 reeds werd vermeld tot „sustekoor".
211
Overigens spreekt zij van rock: „1 klet met 2 rocken van grauw lacken met sil-
verde knopen à 135-7-8; 1 rock met een paar kouse van pijlacken 30-0-0; 1
swarte velpe rock kost samen 56-9-0; een grawe lacken rock met silverde knoo-
pen kost samen 44-1-0; 1 grau lackens klet met 1 rock daeraen gout ende sil-
verde knoopen 98-9-8 (fol. 139 en 140). Johan de Witt ging dus nogal duur ge-
kleed!
HET KAMIZOOL. Zoals men vroeger onder het rocxken een onderwambuis
droeg, zo draagt men nu onder de rock een kamizool of vest.4 Het kamizool heeft
Grys blauw
ongeveer de-
zelfde snit als
1671
gelig zose
de rock, maar
zilver
isietsnauwer.
Van voren
zwozt
sluit het met
knopen en
knoopsgaten,
de bovenste
knopen laat
men meestal
open staan.
In de voor-
panden wor-
den ook zak-
openingen
gesneden.
183, Abr. van den Tempel. Een admiraal en zijn vrouw
Eerst is het
kamizool korter dan de rock, na 1680 maakt men het echter bijna even lang. Luxe
vesten krijgen voorpanden van kostbare stof, anders van kleur en weefsel dan de
rock, of men versiert ze met borduursel ; voor de achterpanden, die tochniet tezien
komen, gebruikt men voeringstof (afb. 176, 177, 182,183, 185, 187-189, en 198).
In de inventaris van de „Heere Jarigh van Burum old Colonel van den Regi-
ment paerden etc." 5 worden genoemd „cen oudt stoffen kleedt rock en broeck
sampt sijden weste; een grauwe rock en broeck met een gebloemd festje; een
swart lakens rock en broeck met een armosijnen camisool". Hier worden dus de
namen kamizool en vest door elkaar gebruikt.
KNOPEN. In de knopen, die soms de enige garnering van de rock en het kami-
zool uitmaken, bestaat een grote verscheidenheid. De hieronder volgende lijst
geeft slechts een keuze uit de vele fantastische namen van knopen, die in 1689
voorhanden waren in de knopenhandel van Gerrit Jansz. Schennickman,
212
knopenmaker te Amsterdam: „Hair en starrenknoopen à 8 st. 't gros. Starren
met ringen à 16 st. 't gros. Princestarren à 20 st. 't gros. Koleurde dubbelde
Cardinalen à 33 st. 't gros. Compas en spinnekop à 54 st. 't gros. Spinneweb-
ben en katteoogen à 36 st. 't gros. Swarte fijne dolphijnen à 36 st. 't gros. Bije-
korven en verhooghde vijffhoeken à 24 st. 't gros. Poggers à 36 st. 't gros. Ge-
scheyde Roosjens à 30 st. 't gros. Diversche soort sijnde rommelarij à 30 st. 't
gros. Winckelbewaerders off uytgangers à 8 st. 't gros. Witte gaerne Prince-
starretjes à 30 st. 't gros. Kameelshairestarren à 16 st. 't
gros. Valse minnestricken à 30 st. 't gros. Tinneplaet
1673
knoopjes à 20 st. 't gros, etc.".6
DE BROEK. Terwijl de verandering van de rompbedekking
snel wordt doorgevoerd, drong het proces van vernieu-
wing nog niet aanstonds door tot de bekleding van de on-
derste ledematen. Aanvankelijk vergenoegde men zich er
mede over de rhingrave een rock en een kamizool aan te
trekken; het ergste kwaad - want de oude mode wordt al-
ijd als een kwaad beschouwd - was dan verholpen (afb.
174 en 185).
Maar als de rhingrave bijna helemaal door de lange rock
bedekt wordt, verliest zij haar karakter van een los uit-
wapperend rokje, dat trouwens helemaal niet in overeen-
stemming was met de stijve rock, en vanzelf keert men dus
terug tot de broek. Maar eerst moet nog gezocht worden
naar de vorm die het best bij de strakke rock zal passen.
Men probeert verschillende broek-modellen; de een
184. J. Verkolje. Heer
neemt de proef met de wijde pofbroek, waarvan de pijpen onder de knieën zijn
samengebonden (afb. 175-178); de ander keert terug tot de broek met de ci-
lindervormige pijpen, die van onderen open blijven (afb. 179, 181 en 198).
Maar zij blijken te wijd te zijn onder de nauwe rock en het nog nauwere kami-
zool en bovendien komen alleen maar kleine stukjes van de pijpen onder de
rock te voorschijn, zodat men eigenlijk niet weet wat men ziet. Eerst als om-
streeks 1670 iemand op het idee komt van een spanbroek met nauwe pijpen,
die tot even onder de knieën reiken, is het probleem opgelost en de eenvoudige
broek gevonden, die zonder de rock uit te zetten, zich bescheiden daaronder
kan verbergen (afb. 184, 187-189 en 206). Deze broek 7 blijft gedurende het
laatst van de 17de en de gehele 18de eeuw bij het rockkostuum horen. De
broek sluit van voren met knopen en knoopsgaten die zichtbaar blijven en nog
niet - zoals later - onder cen overslag worden verborgen. Opzij snijdt de kleer-
maker ter hoogte van de heupen openingen voor de zakken in, meestal in ver-
213
ticale richting. Onderaan de pijpen zijn aan de buitenzijde de zijnaden een
paar handbreedten opengelaten om het doorsteken van de voeten gemakkelijk
te maken; deze splitten worden met knopen en knoopsgaten en helemaal on-
deraan soms nog met lip en gesp gesloten.
DE BEF OF RABAT. Toen de rock in de mode kwam, heeft men niet aanstonds de
daarbij het best passende halsbedekking gevonden.
Eerst draagt men bij het rockkostuum nog dikwijls een bef. Deze is nu meest-
al groot en hangt geheel plat, of
1672
weinig gesteven, met een paar grote
plooien over de borstneer. Hij is
nu dikwijls van zware Venetiaanse
kant gemaakt (afb. 175 A, 182, 185,
190, 192 en 196 C). Maar de bef
behoort van huis uit bij het wam-
buis en niet bij de rock, want in
tegenstelling met het wambuis heb-
ben rock en kamizool geen kraag
en geven dus gerede aanleiding
om de hals met een das te om-
wikkelen.
Zo gaat de bef omstreeks 1675 uit
de mode en voortaan wordt zij
alleen nog maar door oude heren
en soms als ambtsdracht door magi-
185. Romeyn de Hooghe. Johan de Witt door moorde- straten en dominees gedragen.
naars aangevallen
In kleinere afmetingen dragen ook
in onze tijd professoren, rechters en predikanten nog de bef op hun toga.
DE DAS. De bef wordt dus weldra vervangen door de das, in de 17de eeuw ook
wel eens cravat of crawat genoemd.8 De das bestaat uit een lange band van
kamerdoek of dundoeck, die aan de uiteinden soms met een brede kantrand
afgezet of met een paar akertjes of kwastjes wordt versierd. Deze das wordt
tweemaal om de hals geslagen en dan onder de kin of geknoopt of met een
zwart lintje omwonden en vastgestrikt; de uiteinden van de das hangen over de
borst (afb. 174, 177 B, 178, 180, 183, 186, 187 B, 188 A, 191 en 198). Om-
streeks 1680 wordt de das gecombineerd met een uit vele lintlussen samenge-
stelde strik, crawatstrick of strickdas genoemd, waarover of waaronder de slip-
pen van de witte das neerhangen 9 (afb. 189 B, 196 A en E, 203, 205 en 206).
Deze strikdassen zijn kant en klaar te koop, men ziet ze hangen in een door
Bérain in de Mercure Galant van 1678 afgebeelde modewinkel te Parijs.10
214
In 1692 gaf de slag bij Steinkerken, waar Willem III het Franse leger verraste,
aanleiding tot cen nieuwe dasvorm, want de overrompelde Franse officieren
moesten zich zo haastig kleden, dat zij nauwelijks de tijd hadden om hun das
vast te knopen. Deze met een losse knoop vastgemaakte das „à la Steinkerke",
brengt gedurende enige jaren weer een noot van opzettelijke slordigheid in het
overigens zo correcte rockkostuum. Maar de mode reglementeert nu aanstonds
die voorgewende achteloosheid en schrijft voor dat de dasslippen door het zesde
knoopsgat, van bovenaf welgeteld, moeten worden
gestoken. Dit knoopsgat wordt daarom iets groter
16797
gemaakt dan de andere (afb. 187 A en 189 A).
In de klederinventarissen worden telkens dassen
genoemd; zij ontbreken echter in die van Johan
de Witt, die na 1667 (Wendela Bicker sterft in
1668) niet meer is bijgehouden. Elders vinden wij
vermeld: „vier geployde dassen“ en „ses strick-
dassen", „drie kleyne dasjens met speldewerx-
kantt" „een poinct de la Reyne das" en „netel-
doeckse dassen".11 Constantijn Huygens de zoon
vermeldt in zijn Journael in 1690 de aankoop van
een crawaetstrick.12
DE HEMDSMOUWEN OF VOORMOUWEN. Nu de rock
de innocent vervangt, komt zoals wij reeds zagen,
aan het overmatig vertoon van het linnengoed
een einde; maar niet ineens. Zolang de mouwen
van de rock nog kort blijven en soms ook nog over-
186. Ludolph de Jongh. Heer
langs gespleten zijn, wordt van de hemdsmouw - of van de losse voormouw -
nog steeds een stuk vertoond, en als hij dan bovendien aan de elleboog nog met
een omgestrikt lint wordt opgedoft en aan de pols lubben ontstaan, die òf om-
hoog worden geslagen of over de hand neerhangen, dan is de zichtbare hemds-
of voormouw nog een belangrijk motief in het kostuum (afb. 174, 176, 177 B,
180-185 en 189 B). Als echter in de laatste jaren van de 17de eeuw de rock
meestal lange mouwen krijgt, komen daaruit alleen nog maar de over de hand
vallende kantlubben te zien. Van het hemd komt, als de man de bovenste kno-
pen van het kamizool laat openstaan, alleen nog even een kantstrook (jabot)
die langs de borstsluiting van het hemd is genaaid, te voorschijn. Het vertoon
van het linnengoed is ten slotte dus teruggebracht tot dit bescheiden stukje
jabot 13 en de lubben (afb. 187-188).
DE PRUIK. De haardracht is tot omstreeks 1670 p. 177 reeds beschreven. Wij
zagen de heren bij al de uitbundigheden van het rhingravekostuum lange krul-
215
lende lokken of pruiken van matige afmetingen dragen en zij, die het rock-
kostuum aannamen, deden dat aanvankelijk ook (afb. 174-182, en 184-187A).
Maar het strenge rockkostuum mist dan nog zijn imposante bekroning en wel-
dra groeit de pruik uit tot een kolossaal, een ongekend volume: de majesteuze
infolio-pruik doet zijn intrede in de mode. Voortaan friseert de pruikenmaker
het lange haar lok voor lok in artificiële krullen, die om de gestalte te verlen-
gen, ter weerszijden van een midden over het hoofd getrokken scheiding, hoe
langer hoe hoger op-
gekuifd worden, ter-
wijl de overige krul-
len in overdadige
massa's tot laag over
borst, rug en schou-
ders neervallen. Zo
wordt in het laatst
der 17de eeuw de
grote staatsiepruik
een enorm gevaarte,
dat soms het gehele
rockkostuum domi-
neert (afb. 183, 187B,
188, 196, 203, 205-
207).
Niet iedereen torst
187. A. P. Schenck. Vice-Admiraal Aegidius Schey, B.C,Valk, Luitenant echter deinfolio-pruik
Admiraal Philips van Alkemade
en niet iedereen torst
hem elke dag. In het gewone leven vergenoegen velen zich met pruiken van
kleinere afmetingen. Men ziet ze ook in allerlei variaties, sommige mannen
laten twee lange kurketrekkerkrullen over de borst neerhangen (afb. 189 B). In
de laatste jaren van de eeuw wordt de pruik wel eens wit gepoederd. Uit het
Journael van Constantijn Jr. vernemen wij, dat hij in 1696 „sag Keppel over
den Coning sitten, in een kales hebbende een groot gepoeyerde peruyck".14
Tijdgenoten vinden dat de pruik het gezicht jonger maakt. In een van haar
adorabele brieven beschrijft Mme de Sévigné in 1682, hoe het gezicht van een
van haar oude vrienden er door wordt verjongd: „Notre ami (Corbinelli) ...
a pris une perruque comme un autre homme. Ce n'est plus cette petite tête
frisottée seule semblable à elle; jamais vous n'avez vu un tel changement; j'en
ai tremblé pour notre amitié: ce n'étoit plus ses cheveux à qui je suis attachée
depuis plus de trente ans; mes secrets, mes confiances, mes anciennes habitudes,
216
tout étoit chancelant; il étoit plus jeune de vingt ans; je ne savois plus où re-
trouver mon ancien ami; enfin je me suis un peu apprivoisée avec cette tête à la
mode et je retrouve dessous celle de notre bon ami Corbinelli." 15
De mooiste pruiken komen uit Frankrijk. Daar wordt ook een levendige handel
gedreven in vrouwenhaar, dat het beste materiaal levert. Voor pruiken van
mindere qualiteit moet men zich dikwijls met paardehaar vergenoegen. Ook
Londen heeft zijn pruikenmakers. Constantijn Huygens Jr. laat in 1689 te
Londen „een peruyck maken
door eenen Valenci in Lei-
A
B
sterfields".16 Een andere En-
gelse pruikenmaker heeft op
het uithangbord van zijn
winkel Absalom laten af-
beelden met zijn haar aan
een boom hangende, waar-
onder David staat te huilen,
met het onderschrift:
„O Absalom, o Absalom, o
Absalom my son,
If thou hadst worn a periwig,
Thou hadst not be undone".17
Mooie pruiken zijn duur.
Constantijn Huygens dezoon
koopt in 1669 te Londen een
pruik voor 4 pond en 15 188. A. J. Gole. Maximiliaan van Beieren, Gouverneur der Z.
schellingen, in 1694 een
Nederlanden. - B. J. Gole. Heer
„voor 5 guinies". Uit de klederinventarissen blijkt dat welgestelde burgers er
dikwijls verscheidene pruiken op na hielden. De schilder Lodewijk van der
Helst liet in 1671 „ses hairparuycken" na, 18 in een andere inventaris worden
„Twee swarte hoeden ende drie paruycken soo goet al quaedt" vermeld,
welke samen op een waarde van F. 10 worden geschat.19 Een Amsterdams
burger bezit „vijff paruycke mutsjes“.20
Deze mutsjes of kapjes droegen onze voorvaders op het kaalgeschoren hoofd
onder de pruik als voorbehoedmiddel tegen kouvatten. Constantijn Huygens
de zoon bericht in 1689 hierover: „mijn jichtje continueerde hoewel desen
dach noch een flenelle borstrock en een dubbel mutsje in mijn peruyck
gedaen hadde." 21
BAARD EN KNEVEL. In het begin van dit tijdperk zien wij de mannen nog wel
eens een dun kneveltje en een heel klein sikje dragen. Maar de grote pruik duldde
217
zelfs deze zwakke concurrentie niet meer en voortaan werd het gezicht geheel
glad geschoren.
DE HOED EN DE STEEK. Bij de rock en het lange golvende haar of de nog matige
pruik draagt men eerst nog dezelfde vilthoeden als bij het rhingravekostuum;
verschillend van vorm, klein of groot, met lage of hoge bol, sommige breed, an-
dere smal van rand, en alleen opgemaakt met een hoedband of een koord (afb.
175, 180, 181, 185, 186, 196 C en E en 198). Maar de slappe vilten hoed uit de
kavalierstijd heeft toch te
A
B
veel bravour om te passen
bij het strenge rockkostuum
en de majestueuze pruik en
omstreeks 1680 begint het
zoeken naar een nieuwe
vorm. Men draagt weer
heel grote breedgerande
hoeden met lage bol; als
eerste symptoom van de ko-
mende verandering is de
hoed van stijver materiaal
dan vroeger en wordt aan
één, soms aan twee kanten
opgetoomd, of ook wel op-
gerold, dicht tegen de bol;
vlak rondom de bol worden
18g. A. P. Schenck. Heer, B. J. Gole. Heer
veren gelegd (afb. 177 B,
187 A, 189 A en B, 191, 196 A en 206).Tegen het laatst van de eeuw wordt de
hoed weer kleiner en als men op het denkbeeld komt om ook de derde rand om-
hoog te buigen en de drie randen van boven dicht tegen de bol te drukken en ze
daaraan met een koordje te bevestigen,22 ontstaat de kleine stijve en toch sier-
lijke driehoekige steek,23 die tot aan de Franse revolutie de trouwe begeleider
van de rock is gebleven (afb. 187 B, 188 B, en 196 B en D). De steek wordt op-
gezet met een der punten naar voren gericht, maar op de hoge pruik is een
tweede hoofdbedekking eigenlijk overbodig en weldra wordt het gewoonte om
de steek onder de arm te dragen.
Er zijn allerlei soorten van hoeden in de handel, dure en goedkope. Constantijn
Huygens de zoon koopt in 1690 te Londen „een castoor hoedt voor 3 pond in
Fleetstreet" en in 1691 „een hoet voor 12 schellingen".24 In een inventaris van
1682 worden op de lijst der „koopmanschappen“ van Isaäc de Min, die hoeden
en kousen verkocht, o.a. genoteerd: „kemelshairen mans hoeden à F. 3 tstuck,
218
koddebecken (geprijsd tusschen 25 en 26 st.) tstuck, fijne coleuder à 7 gul. 10 st.
tstuck, een castoor à 7 gul., swart ruygen 10 st. tstuck".25 Onder koddebecker
verstaat men hoeden gemaakt te Caudebec en Caux (dép. Seine inf.) in Frank-
rijk. Het zijn hoeden van fijn vilt, ondoordringbaar voor regen, gemaakt van
lamswol, kameelhaar en duvet van struisvogel.26 Te Breda schijnt ook een spe-
ciaal merk van hoeden te zijn gemaakt, want Martinus van der Goes schrijft
over een aan zijn broer gezonden „Bredaschen grauewen hoet“.27 Rouwhoeden
waarmede men ter begrafenis gaat, hebben lange
zwarte lamfers (afb. 192).
sA2b
DE KOUSEN. In de burgerstand draagt men wollen of
katoenen kousen. Een goed gekleed man stelt echter
prijs op zijden kousen met geborduurde klinken op de
enkels. Bij het rigide rockkostuum mag de kous geen
3wazł
dwarse rimpels meer maken en wordt nu strak opge-
trokken en onder de knie met een kouseband vastge-
maakt, waarna het bovenstuk van de kous over het
onderste gedeelte van de broekspijp wordt gehaald en
opgerold.
DE KOUSEBAND. De kouseband die vroeger zo'n be-
langrijk onderdeel van het kostuum is geweest, is nu
smal en wordt met een gesp gesloten. Onder de ge-
rolde kousen komt er haast niets meer van te zien.
In de zoëven reeds genoemde inventaris van de hoe-
den- en kousenzaak van Isaäc de Min te Amsterdam
(1682) worden o.a. opgegeven: „Manskousen à 28 st.
190. G. Terborch. Zelfportret
tpaer, koleurde manskousen à 50 st. tpaer, swarte manskousen à 42 st. tpaer,
fijne kousen mans à 4 gul. tpaer, 10 paer soo swarte als koleurde sijden mans-
kousen à 7 gul. tpaer, witte onderkousen à 18 st. tpaer". De prijzen in deze
kousenzaak variëren dus van 18 st. of F. 1.90 tot 7 gulden. Canons worden bij
het rockkostuum niet gedragen.
DE SCHOENEN. Bij de rock horen evenals bij het rhingravekostuum lage schoe-
nen. Eerst worden de riemen, waarin het achterstuk eindigt, nog met linten of
veters op de wreef vastgestrikt (afb. 174, 175, 178 en 190). Of de schoenmaker
maakt de schoenen op met de ons reeds uit het vorige tijdperk bekende strik
die uit twee lange, met laiton verstijfde vleugels bestaat (afb. 176, 185 en 198).
Maar omstreeks 1675 verdwijnen schoenlinten en strikken en maakt men de
riemen op de wreef met een metalen gesp vast. Omstreeks 1685 wordt de tong
van het voorstuk langer en breder, de tong staat tegen het scheenbeen op en
krult soms even naar voren. De zool van de schoen is nu in overeenstemming
219
met de lengte van de voet. Hij is nog altijd rechts en links eender, naar voren
loopt hij smaller toe en voor aan de tenen wordt hij rechtlijnig afgesneden. De
houten hak is tamelijk hoog en recht, heeft dus van onderen ongeveer dezelfde
doorsnede als van boven; soms is hij van voren even uitgehold28 (afb. 184,
187-189, 191, 192, 197 D, E, F en 205).
DE KAPLAARZEN. Kaplaarzen dragen alleen militairen in functie en civiele
heren bij jacht- en rijkostuum. De wijde, trechtervormige laag neerzakkende
kappen van vroeger komen in het begin van het
1683
tijdperk nog bij uitzondering voor (afb. 177 B en
179). Nu de kaplaarzen of stevels - zoals zij in de in-
ventarissen meestal worden genoemd - uitsluitend
utiliteitsdracht zijn geworden, verliezen zij hun
elegance; men maakt ze niet meer van zacht soepel
leer, maar gebruikt dikkere leersoorten, waardoor
de laarzen een veel zwaardere en lompere vorm
krijgen. De trechtervormige kappen, minder wijd
dan vroeger, zakken niet meer nonchalant over de
kuit, maar de schacht wordt ter hoogte van de knie
een paar c.M. ingevouwen, zodat de afzonderlijk
gesneden kap er maar even overheen zakt. De zolen
zijn dik, zij hebben de lengte die voor de voet nodig
is en worden van voren meestal recht, soms ook
rond afgesneden. De hak heeft dezelfde vorm als
die van de schoen. De ruiter maakt zijn sporen nog
191. Bonnart. Franse Heer
steeds vast met wreefstukken, maar deze zijn veel
kleiner dan vroeger en de insnijdingen opzij naast de spoorriemen zijn minder
diep en minder rond (afb. 180 en 197 A). De jager op afb. 181 heeft over zijn
mooie kaplaarzen overschoenen aan.
DE MANTEL. In het fatsoen van de mantel komt weinig verandering. Men
draagt hem meestal over beide schouders, maar een zwieriger drapering is
daarom niet uitgesloten (afb. 185, 188 B en 190). Bij begrafenissen hult men
zich nog altijd in de reeds meer genoemde rouwmantels. Bij die van Michiel
Adr. de Ruyter in 1677 loopt zijn zoon Engel in de stoet mee, in een lange
slepende rouwmantel. In de lange stoet loopt ook de oude dichter Constantijn
Huygens mede en schrijft daarover aan H. van Beringhen: „Zelf ben ik gezond
en heb nog kort geleden als vertegenwoordiger van Z.H. de begrafenis van de
Ruyter bijgewoond en vier en een half uur met een zware rouwmantel om
over het ellendige plaveisel van Amsterdam gelopen. Daar sprak ik ook onze
oude kennis prinses Sophia van de Paltz, die met de hertog van Osnabrück
220
getrouwd is, et y causay de bout une heure ou deux, la bonne dame disant
avoi resté fort surprise de me veoir à la teste d'un enterrement après avoir creu
longtemps que le mien devoit esté faict à la Haye." Huygens was toen 81 jaar
en het zou nog 10 jaren duren eer deze stoere Hollander, eindelijk vermoeid en
afgeleefd, zou verzuchten: „Komt Heer het is genoech!“ 29
In het depôt van het Rijksmuseum bevinden zich twee mantels van zwarte
wollen stof zonder enige versiering, een cirkelvormige en een halfcirkelvormige.
Waarschijnlijk zijn het rouwmantels,
misschien uit het einde der 17de eeuw.
Daar de rouwmantels vrij constant de-
zelfde vorm behielden, is het niet wel
1677
mogelijk ze met zekerheid te dateren
(afb. 195). Rouwmantels worden ook
telkens in de klederinventarissen ge-
noemd. Johan de Witt had in 1655:
„een langhe roumantel daertoe 13 elle
swart laken 9 g. ... 117-0-0; aen on-
kosten 4-7-0 -; van macken 3-10-0
(fol. 138).
DE SURTOUT. In het laatst van de 17de
eeuw horen wij een nieuw kledingstuk
noemen.
„Het was soo koel dat ik mijn surtout
moste aendoen", schrijft Constantijn
Huygens Jr. in 1691.30
Men duidt hiermede een wijd overkleed
192. Romeyn de Hooghe. Engel de Ruyter in rouw-
mantel
met mouwen aan, dat veel overeenkomst heeft met de kazak (afb. 191).
DE JAPONSE ROcK. In plaats van de wijde tabbaard met bontvoering en bont-
revers wordt in de tweede helft van de 17de eeuw als huiskleding hoe langer
hoe meer de japonse of japanse rock gedragen. Het is een lang, bijna tot aan de
grond reikend gewaad met lange mouwen en een sjaalkraag. De japonse rock
is niet heel wijd, en heeft een rechthoekig patroon, soms met aangesneden
mouwen. Men draagt er gewoonlijk een losgeknoopte witte das op. Voor ge-
bruik in de winter wordt de japonse rock gemaakt van wollen stof of - luxueuzer
- van zijde, fluweel, damast of satijn, desgewenst met wattering. Er zijn ook
veel japonse rocken bewaard van O.I. katoen of sits dat met zijn grote kleurige
en rijke bloempatronen een bij uitstek passend materiaal is voor de grote plooi-
loze oppervlakte van dit kledingstuk. Waarschijnlijk dragen de heren deze
prachtige sitsen bij voorkeur 's zomers in hun buitenverblijven. Racinet noemt
221
de kamerjapon een „vêtement d'apparat".31 In hoeverre dit inderdaad het
geval was, of men bijvoorbeeld 's avonds gasten ontving, gekleed in een japonse
rock, is onzeker. Waarschijnlijk kwam men er niet mee op straat.
In het Rijksmuseum wordt de mooie en nog geheel gave japonse rock van
paarse zijde met zilverborduursel en groene zijden voering bewaard, die heeft
toebehoord aan Prins Willem III. De Prins had - zoals men weet - een zwakke
gezondheid en heeft in dit prachtige huisgewaad misschien 's avonds dikwijls
uitgerust van staats- en oorlogszorgen (afb. 193
en 194).
In de tweede helft van de 17de eeuw komen wij de
naam japonse of japanse rock in brieven, verzen en
inventarissen telkens tegen, maar ook nog de oude
gzoen
naam nachttabbaard. De dichter Constantijn
zifvez
paats met
Huygens noemt in 1651 reeds de japonse rock:
„Soo viel ick op 't oneens (op de bontheid) van een
japonschen rock".32 Wendela Bicker boekt in 1655
(f. 136) onder de kleren van haar man: „I groen
caffe nacht tabbert met groen bay gevoert à
F. 110"; dit was dus naar de prijs te oordelen een
heel mooi kledingstuk; in 1662: „1 graeuwe tursse
nachttabbert daertoe 12 elle turs de elle à 46 st. is
27-12". In het laatste kwart der eeuw worden ge-
regeld japonse rocken vermeld: „Een katoene ja-
ponse rock F. 3." -; „een nieuwe Japanse rock met
193. Japonse rock van Prins Wil- armosijn gevoert F. 16" en ,,een root satijne Ja-
lem III
ponse nachtrock".33 Dan lezen wij in het Journael
van Constantijn Huygens Jr. in 1691: ,Daer was een Deens edelman hebbende
een chamberlouc aen" en in 1694 dat Huygens een flesje liet leeglopen in zijn
nachttabbert „doordien (hij) het stopsel daer niet op gedaen hadde." 34
Waarschijnlijk wordt althans in het laatste van de eeuw met japanse rock,
nachtrock, nachttabbaard en chamberlouc hetzelfde kledingstuk bedoeld. .
DE SJERP. In het laatste decennium der 17de eeuw dragen de heren over de
rock soms een sjerp of „sluier“. Deze wordt even onder het middel horizontaal
zó omgeslagen en gehecht, dat de uiteinden van voren verticaal neerhangen.
Met borduurwerk en lange franje versierde zijden sjerpen zijn in deze tijd zeer
in de mode. De sjerp hoort eigenlijk bij het lange wambuis; op de korte inno-
cent had zij geen plaats gevonden; nu komt zij wel weer terug, maar daar zij de
karakteristieke lange lijn van de rock onderbreekt en men waarschijnlijk voelt,
dat zij er niet bij past, blijft zij niet lang in de mode. In de inventarissen vinden
222
wij soms oranjesjerpen vermeld: „2 zijde oranje sluyers met valse franje" en
„een nieuwe orangie sjerp met goud en zilver doorgewerckt dogh sonder fran-
jen" (afb. 176, 184, 186, 187 A, 188 A en B).35
DE BANDELIER. De bandelier is ook sedert omstreeks 1655 uit de mode geweest,
maar nu aan het hof de galadegen weer wordt aangenomen en de rock ook
militaire dracht is, wordt de bandelier die met een lange lijn van de rechter-
schouder schuin over de borst en de rug naar de linkerheup loopt, weer de meest
aangewezen
degendrager.
O
84%
Hij is breder
A
76/2
dan vroeger en
wordt gemaakt
32
P200981DH
van leer of van
35

45
geborduurde
en gegalon-
neerde zijde,
Voozpand
Halve rg
soms met korte
franje afgezet.
Een grote gesp
prijkt van vo-
104
ren op het borst-
gedeelte en bi-
zonder mooie
14

63
147
143
exemplaren
worden boven-
194. Patroon van de japonse rock van Prins Willem IH
dien met edelstenen bezet (afb. 179, 180, 182-184 en 198). In de laatste decen-
nia van de 1 7de eeuw gaat de bandelier uit de mode. Soms worden over rock en
kamizool ook horizontale leren gordels met draagriemen voor de degen ge-
dragen (afb. 177, 189 A; 203, 205 en 206). In de inventarissen wordt de hori-
zontale gordel met draagriemen dikwijls als portepee aangeduid; ook vinden
wij „draeghbanden" vermeld. Of daarmede een bandelier of een horizontale
gordel met draagriemen bedoeld wordt, is onzeker: „noch een pordepee ende
een draeghbantt"36 en „een portepee".37 ,,Een leeren port-espee met goud en
silver kanten bezet", „een leeren gepikeerde en met gouddraad gesticte draegh-
band"; „een swart sijden geborduyrde draeghbant; een gebroockene leeren
bandrier" 38 en „een swarte bandelier".39
DE DEGEN. Aan de grote bandelier hangt bij militaire kleding het zwaard. Bij
galakleding draagt men een kleine degen, waarvan het gevest meestal uit een
der zijplooien van de rock of het kamizool te voorschijn komt, terwijl de draag-
223
band onzichtbaar blijft. De degen heeft een eenvoudig gevest, bestaande uit
een stang met een knop en een pareerbeugel. Aan het gevest hangt men soms
een grote lintstrik (afb. 180, 183, 187, 188, 189, 206 en 207).
LINTSTELTSELS. Ofschoon linten uit de mode zijn, wordt de rechterschouder
van de rock nog dikwijls getooid met een lintstrik (lintsteltsel) die misschien
aanvankelijk gediend heeft om de bandelier op de schouder te bevestigen.40
Sommige kostuumhistorici beschouwen deze strik als de voorloper van de
militaire épauletten (afb. 177, 182, 183, 184, 187 A, en 198). Die strikken
schijnen waardevol genoeg te zijn geweest om in de inventarissen voor vermel-
ding in aanmerking te komen: „2 steltsels swarte stricken“ 41 en „een strick op
de schouders van goud silver ende sijde." 42
DE MOFFEN. 's Winters houden de mannen hun handen warm in grote moffen
van bont, die aan een koord om de hals hangen. Dat die moffen niet enkel door
voorname heren, maar ook door eenvoudige lieden gebruikt worden blijkt uit
de klederinventaris van een smid te Amsterdam, die ook een „mansmoffel"
vermeldt (afb. 188 B).43
DE WANDELSTOK. Op de wandeling neemt de deftige man een wandelstok met
gouden of ivoren knop en met een strik versierd mede, ook als hij reeds een
degen draagt (afb. 177 B, 178, 183, 187 A, 188 A, 189 B en 191).
DE HANDSCHOENEN. De vorm van de handschoenen verandert weinig. Zij heb-
ben nog steeds brede kappen, die nu dikwijls met een dichte, harige franje zijn
bezet.
224
XV. DE KLEDIJ DER VROUWEN
1675-1700
OVERKLEED EN ROK. Omstreeks 1680 wordt een stijf gebaleineerd corset ge-
dragen, dat het middel omlaag brengt en dus het bovenlijf verlengt, terwijl het
de borst omhoog drukt. Het daarover nauw sluitende lijfstuk van het overkleed
1297
94
949
naad
176%
naad
150
De hafve mantel
vooz+midden (open)
achter-middeninaad
09

06
129/% ...***
Dekzaaą
195. Patroon van een cirkelvormige rouwmantel
heeft nog het brede, horizontaal uitgesneden décolleté uit de vorige periode.
Van onderen eindigt het met een punt. De gaffelvormige garnering op borst en
rug gaat uit de mode; nu lopen langs de sluiting van het lijfje soms verticaal een
paar strakke banden, of is een reeks van onder elkaar geplaatste strikken op de
sluiting aangebracht. Bij uitzondering wordt het lijfje ook wel op zijofvan
achteren gesloten. De mouwen blijven kort en zijn soms nog gepoufd (afb. 200
en 201) of zij sluiten tamelijk nauw om de arm. Bij galakleding wordt van de
mouw veel werk gemaakt; zij is soms gespleten, zodat de voering te zien komt
en dikwijls wordt zij met strikken of met agrafes hier en daar opgenomen. Op
afb. 199 zien wij aan de bovenmouwen nog geborduurde ondermouwen toege-
voegd. Aan de vindingrijkheid van de kleermaker of de naaister (men ver-
moedt hier de vrijere, gracelijker hand van een vrouw) wordt vrij spel gelaten.
Uit de onderste mouwopeningen komen nog witte hemds- of voormouwen te
voorschijn. Deze zullen later besproken worden.
225
De voorzijden van de aan het lijfje bevestigde overrok worden omgeslagen, zo-
dat het voorste gedeelte van de voering decoratief naar buiten komt. Het om-
geslagen gedeelte wordt hier en daar met strikken en agrafes vastgehecht. De
voorkanten van de overrok wijken nu zijwaarts uit en laten een groter stuk van
de onderrok zichtbaar dan vroeger het geval was (afb. 198). Of men brengt de
voorzijden van de overrok achterwaarts en maakt ze in de lendenen met knoop
en lus vast (afb. 201); aldus komt van voren een nog groter gedeelte van de on-
derrok te zien. De
1680
1680
A
170
overrok eindigt van
achteren met een
sleep.
Eerst omstreeks
1690 completeren
enige wijzigingen
B Picazt. Steek
het typische late
Johon de Boen. Regent
E
1672
Nic.Maes . Regent
Lodewijk XIV kos-
D 1703
tuum, dat vele ja-
ren in de mode
blijft. Het brede,
horizontale décol-
leté wordt nu ver-
smald tot een vier-
B.Picazt. Heez.
Romeyn de Hooghe
kante spitse uit-
Prins Willem m
B Picart. Heez
snijding op de
196, Hoeden en pruiken
borst, terwijl het
lijfje van achteren meestal hoger tegen de hals aansluit. Het kantplooisel boven
aan het hemd, of een in het lijfje geregen ruche komt er uit te voorschijn. De
voorpanden van het lijfstuk sluiten niet meer tegen elkaar; zij worden over hun
gehele lengte omgeslagen om revers te vormen, die de voeringstof vertonen. De
opening tussen de revers wordt gesloten met een afzonderlijk borststuk, dat
van onderen puntig toeloopt.1 Het wordt met spelden aan het lijfje vastgehecht.
Soms wordt het lijfstuk daarover heen met lippen gesloten of met een veter
dicht geregen. De mouwen reiken evenals vroeger tot aan de elleboog, maar
zij zijn nu nauwsluitend en maken de schouder smal. Van onderen slaat men
de mouw om, de voering, die daardoor naar buiten komt, vormt mouwomsla-
gen, die veel smaller en minder stijf zijn dan die van de rock der mannen. De
voorzijden van de aan het lijfje bevestigde overrok drapeert de kleermaker nu
als paniers bijna horizontaal achterwaarts, waarbij hij zorgt dat zowel de bo-
venstof als de voering te zien komen. In de lendenen vormen de samenkomen-
226
de plooien een pouf, die zo nodig door een tournure van gegomd linnen wordt
ondersteund.2 Het onderste gedeelte drapeert hij benedenwaarts in diepe
plooien tot een sleep, die er veel toe bijdraagt om de figuur lang te doen schij-
nen3 (afb. 202 203 en 205-208). De onderrok van andere stof en kleur dan het
overkleed hangt met verticale plooien tot op de grond neer. In tegenstelling
met de nu duidelijk geaccentueerde verticale richting der figuur, krijgt de rok
dikwijls een dwarslopende garnering die uit een enkele hoge strook bestaat
B
C
B-C vzouwen
schoenen
D
E
1690
1680
1692
F
197. Laarzen en schoenen
(afb. 208 A) of uit enige onder elkaar aangebrachte smallere stroken.4 Ook
garneert men de rok wel met enige horizontaal gelegde banden van passement
of uitgeschulpte stof 5 (afb. 203, 205 en 208 B). Een tijdgenoot 6 vertelt dat het
van 1685-95 in Holland en Engeland de mode was, dat „de juffers unden aen
haere rocken franjes van 6 a 7 duym breed droegen, maer omdat sulx ten laat-
sten seer gemeen wierd, so giengen die van qualiteit nogh hoogher en droegen
syde Coorten met knoopjes van anderhalve voet lang (een halve elle lang):
unden aen haer rocken bynae gelijck die coorden die onden aen der paerden
vliegenetten hangen." En hij noteert er nog bij:„,de franjes stunden soo qualyck
niet, doordien sy de rocken het gewight gaven en dezelve nae beneden deeden
hangen 't welk in 't gaen vraay stond." Op Franse prenten zien wij die garne-
ring dikwijls afgebeeld.
DE RABAT, DE TOER EN DE DAS. De platte gesteven rabatten, die onze deftige
matrones zo lang in ere hielden, hebben nu afgedaan. Het van boven horizon-
227
taal uitgesneden lijfje omgeeft men nog met een vlotte toer, maar als in het
laatste decennium van de ecuw om de hals slechts een klein vierkantje wordt
uitgesneden, naait men daarin meestal een ruche. Wie de hals nog meer wil
bedekken, legt een doekje in het décolleté of knoopt een das „à la Steinkerke"
om (afb. 202, 207-209 en 212 A, B, D).
DE VOORMOUWEN. Uit de opening van de mouwen komen in de eerste jaren van
het tijdperk dat wij nu bespreken, voormouwen van fijn linnen of kamerdoek te
voorschijn, die nog evenals in het
7wort
1673
E Grys
laatst der vorige periode een paar
Blouw
maal ingerimpeld zijn, zodat het
Geet
linnen tussen de inrimpelingen op-
Rood
doft. Brede stroken, soms van kant,
worden er aan toegevoegd. Over de
inrimpelingen is soms lint gelegd,
dat van voren op de arm wordt
vastgestrikt. Deze combinatie wordt
op allerlei manieren gevarieerd (afb.
198-201 en 203).
DE ENGAGEANTES. In de laatste 10 of
15 jaren van de eeuw gaan deze op-
gedofte mouwen uit de mode. Voort-
aan worden in de mouwopeningen
cen of twee stroken soepele kant ge-
naaid. Die stroken zijn eerst tame-
198. W. S. van Ehrenberg. Een vorstelijk bruidspaar
lijk kort, later neemt men ze breder
en van achteren iets langer dan van voren. Zij worden ruim aangezet, zodat zij
in losse golvingen over de onderarm neerhangen. Deze kantstroken, die ge-
durende cen groot gedeelte van de 18de eeuw nog in de mode blijven, noemt
men engageantes en onder die naam komen zij ook in de Nederlandse inven-
tarissen voor: „Drie paer engageantes met kant en twee paer sonder kant thien
gulden 10-0-0"7 (afb. 202, 204, 205 en 207-210).
HET KAPSEL A LA HURLUBERLU. In 1671 kwam in Frankrijk een nieuw kapsel
met korte krullen in de mode, dat de kurketrekker krullen „à la Sévigné" ver-
drong. Ook in ons land wordt het weldra overgenomen. Tot omstreeks 1690
laten aanzienlijke dames zich in groot toilet met dit nieuwe kapsel afbeelden
(afb. 199, 200 en 212 A en D). Het wordt dus gedragen in het eind van de perio-
de, die wij nu bespreken en in het begin van de volgende. Toen Mme de Sévig-
né het nieuwe kapsel „à la hurluberlu of hurlubrelu" voor het eerst zag, was zij
er ontzet over; in een brief aan haar dochter Mme de Grignan vertelt zij
228
(1671), hoe zij op bezoek zijnde bij de duchesse de Ventadour, daar Mme de
Nevers zag binnenkomen „coiffée à faire rire, il faut m'en croire, car vous
savez comme j'aime la mode. La Martin (de kapster) l' avoit bretaudée (kort
geknipt) par plaisir comme un patron de mode excessive. Elle avoit donc tous
les cheveux coupés sur la tête et frisés natureliement par cent papillotes qui lui
font souffrir toute la nuit mort et passion. Tout cela fait une petite tête de chou
ronde, sans nulle chose par les côtés: toute la tête nue est hurlupée. Ma fille,
c'étoit la plus ridicule chose qu'on
peut s'imaginer: elle n'avoit point
zose
1683
de coiffe; mais encore passe, elle est
jeune et jolie; mais toutes les fem-
mes de Saint Germain et cette La
Mothe, se font testonner par cette
Martin. Cela est au point que le
Roi et ses dames se pâment de
donker bruin
rire" ... 8
wit met qoud
Maar weldra is Mme de Sévigné
toch bekeerd en dan geeft zij er aan
haar dochter een preciese beschrij-
ving van met amusante détails: „Je
vis hier la duchesse de Sully et la
comtesse de Guiche, leurs têtes sont
charmantes; je suis rendue! Cette
coiffure est justement faite pour vo-
tre visage; vous serez comme un an- 199. C. Netscher, Henriette van Vladeracken, vrouw
ge et cela est fait en un moment.
van J. F. Liefdael, Heer van Waalwijk
Tout ce qui me fait de la peine, c'est que cette fontaine de la tête (de kruin)
découvert me fait craindre pour les dents .... Imaginez-vous une tête blonde
partagée à la paysanne jusqu'à deux doigts de bourrelet; on coupe les cheveux
de chaque côté, d'étage en étage, dont on fait de grosses boucles rondes et négli-
gées, qui ne viennent point plus bas qu'un doigt aux dessous de l'oreille; cela
fait quelque chose de fort jeune et de fort joli et comme deux gros bouquets de
cheveux de chaque côté. Il ne faut pas couper les cheveux trop court; car
comme il faut les friser naturellement, les boucles qui en emportent beaucoup,
ont attrapé plusieurs dames, dont l'exemple doit faire trembler les autres. On
met des rubans comme à l'ordinaire et une grosse boucle nouée entre le bour-
relet et la coiffure; quelquefois on la laisse traîner jusque sur la gorge. Je ne
sais si nous vous avons bien représenté cette mode; je ferai coiffer une poupée
pour vous envoyer" ... ° Maar in een volgende brief schrijft Mme de Sévigné
229
dan weer: „Après tout, nous ne vous conseillons point de vous faire couper vos
beaux cheveux; et pour qui? bon Dieu! Cette mode durera peu; elle est mor-
telle pour les dents".10 In volgende brieven wordt het kapsel à la hurlubrelu en
de gevaren, die de onbedekte kruin voor de tanden oplevert, nog herhaaldelijk
besproken.
DE FONTANGE. Het kapsel à la hurluberlu met de korte krulletjes blijft in ons
land nog tot ongeveer 1685 in de mode, maar aangezien het niet bijdraagt tot
verlenging van de gestalte, verdwijnt het binnen enkele
16807
jaren, als omstreeks 1690 een veel hoger kapsel, de Fon-
tange, in de mode komt. De Fontange is afkomstig uit
Frankrijk en wordt aldus genoemd naar de jonge mooie
en door Lodewijk XIV zeer bewonderde Hertogin de
Fontanges. Volgens het bekende verhaal wist zij, toen tij-
dens een jachtpartij in 1680 haar kapsel in de war raakte,
snel van de nood een deugd te maken door het losgeraakte
haar zo elegant op te binden met haar kouseband die zij
van voren vaststrikte, dat de verliefde koning er verrukt
over was. Het nieuwe kapsel werd onmiddellijk door de
gehele damesschaar aan zijn hof overgenomen. De on-
gezochte verhoging van het kapsel was haar waarschijnlijk
zo welkom, omdat zij aan een misschien ternauwernood
bewuste, maar toch dwingende mode-eis beantwoordde.
Natuurlijk doorloopt de nieuwe hoofdtooi de on vermijde-
lijke groeiprocessen die elk nieuw modemotief moet on-
200. C, Allard, Dame
dergaan; het wordt zorgvuldig met de nodige toevoegsels
gecompleteerd, gestyleerd en tot de uiterste overdrijving verhoogd. Het gekrul-
de haar wordt boven het voorhoofd met een of twee crêpés hoog getoupeerd,
kleine voorhoofdskrulletjes worden al of niet toegevoegd en verder legt men het
haar in een chignon tegen het achterhoofd. Maar met toupets en krullen be-
reikt men de gewenste hoogte toch niet en men grijpt dus terug naar de muts
die bij gekleed toilet een tijdlang uit de mode is geweest. De nieuwe Franse
muts heeft weinig overeenkomst met de strenge puriteinse mutsen die onze eer-
bare Hollandse matrones voorheen hadden gedragen, maar wordt toch in ons
land gewillig overgenomen.11
De Fontangemuts bestaat uit een bol voor de chignon en uit een pas die van
voren opstaat en een luchtig frontaal opbouwsel van witte kant, gaas en lint
vormt. Opzij zijn aan de muts twee lange brides of barbes van kant be-
vestigd, die ter weerszijden van het gezicht en verder over de borst verticaal
neerhangen. De bol wordt met een lint omgeven en onder de pas en het front-
230
ornament legt men dikwijls een strik van lint of kant. In het laatste decennium
der eeuw brengt men, om de muts nog hoger te maken, van voren drie étages
van opstaande gesteven kant aan, die met laiton overeind gehouden en van
achteren door op de pas geplaatste lintstrikken worden ondersteund. Zijn
hoogste afmeting bereikt dit ensemble van kapsel en muts, wanneer het voorste
gedeelte van de nu zeer breed gesneden pas in orgelpijpvormige plooien wordt
gelegd, die boven het voorhoofd omhoog gebogen worden, zodat zij of verticaal
of een beetje schuin voorwaarts opstaan. Ook de-
ze moet men met stijfsel, laiton en ondersteuning
± 1680
met strikken in de gewenste stand houden (afb.
202-210 en 212 E en F). Omstreeks 1700 hebben
kapsel en muts hun maximale hoogte bereikt en
worden zij weer lager.
St. Simon geeft in zijn Mémoires een beschrijving
van de Fontange en van de voorzichtigheid en de
zelfverloochening die dit mutskapsel de draagster
oplegt: „C'était un batiment de fil d'archal, de
rubans, de cheveux et de toutes sortes d'affiquets,
de plus de deux pieds de haut, qui mettait le
visage des femmes au milieu de leur corps; les
vieilles étaient de même mais en gaze noire. Pour
peu qu'elles remuassent le batiment tremblait et
l'incommodité en était extrême." 12 Boileau
spreekt van „l'altière Fontange". Madame de
Sévigné heeft op haar oude dag de Fontange ook
201. J. D. St. Jean, Franse dame
nog gedragen. Nadat zij in 1689 de vermaarde voorstelling van Racine's
Esther in de meisjeskostschool van St. Cyr onder leiding van Mme de Main-
tenon had bijgewoond, schrijft zij aan haar dochter: „Nous écoutames ...
cette tragédie avec une attention ... et des louanges ... qui n'étaient peut-
être pas sous les fontanges de toutes les dames".13
Constantijn Huygens de zoon schrijft in zijn Journael ook een paar maal over
de Fontange, die hij top-knot noemt. In 1691 vertelt hij aan de koning van En-
geland dat op een bal te Londen, waar het nogal wild was toegegaan, „,de
beefeaters de vrouw van Lier met den arm uyt de camer geruckt hadden en sij
haar topknot een reys of twee was quyt geweest" en vervolgens dat bij een an-
dere gelegenheid „Juffrouw Lorius zich had gemaskert en een groot top-knot
met gele linten had opgeset en soo onbekent sijnde ... " etc.14
In de Nederlandse inventarissen uit het laatst van de 17de eeuw wordt de Fon-
tange herhaaldelijk genoemd: „Een swart fluwelen fontaigne muts”. - „Een
231
spaenen doos en de daerin twee fontaigne mutsen en twee swarte cappen" .-
„Noch een spaenen doos en daerin een fontaigne muts".15 De hier genoemde
spanen dozen vindt men nog hier en daar in onze musea; zij zijn op het deksel
meestal beschilderd met de voorstelling van een bruid en bruidegom en op de
opstaande kanten met grote bloemmotieven. Uit de decoratie van het deksel
en de ovale vorm van de doos, waarin de hoge muts juist gepast zal hebben,
kunnen wij opmaken dat de bruidegom in zo'n doos de Fontange legde, die hij
de bruid voor de trouwplechtigheid
ten geschenke placht te geven.
OPMAAK VAN HET GEZICHT. Onder
deze hoge, dominerende hoofdtooi
moet het gezicht, om zijn importan-
tie te bewaren, meer dan ooit wor-
den opgemaakt met blanketsel en
rouge. Men voegde er kleine zwarte
pleistertjes van taf of fluweel aan
toe, die in aardige vormpjes, ster-
retjes, halve maantjes of cirkeltjes
werden uitgesneden en hier en daar
op het gezicht geplakt, natuurlijk in
de eerste plaats dáár waar zij kleine
huiddefecten konden bedekken. Men
noemde deze pleistertjes „mouches".
De vrouwen die lange sleeprokken,
202. P. van den Berge. Maria de Wilde, Jacobi filia kanten engageantes en hoge Fon-
tangemutsen dragen, wa ren niet heel mobiel en zullen haar gangen buitens-
huis wel tot kleine wand elingen hebben beperkt. Op de prenten van die tijd
zien wij ze wandelen met een kaper op het hoofd, een brede écharpe om het
bovenlijf en soms met een palatine en een mof.
DE KAPER. De Fontange wordt op straat veelal met een kaper bedekt. Althans
voor zover dit mogelijk is, want de hoogopstaande verticale plooien van de
muts en de overeindstaande strikken van het kapsel moet men wel voor de
kaper laten uitsteken (afb. 212 C).
DE ECHARPE. De écharpe is een langwerpig vierhoekige omslagdoek die dik-
wijls heel luxueus met borduursel, galon of franje wordt gegarneerd. De vrou-
wen slaan de doek zó om, dat het middelste gedeelte de rug en de schouders
bedekt, terwijl de uiteinden over de borst verticaal tot aan de knieën neer-
hangen (afb. 210).
DE PALATINE. De palatine in de vorm van een pelerine van bont of van een
232
lange boa blijft nog in de mode: „Een palatine om den hals dertigh gulden"
(afb. 200 en 209).16
DE HUIK. De huik komt nu en dan nog in de inventarissen voor.
DE MOF. De mof is nu meestal geheel van bont en kleiner dan vroeger. Een
grote strik op de mof is heel chic (afb. 200 en 210). De mof wordt niet enkel
op straat gedragen, maar in de onvoldoende verwarmde kamers zitten de
vrouwen ook dikwijls met de handen in de mof. In de inventarissen wordt de
mof dikwijls vermeld: „Een sabel om den hals en een sabele moff 40-0-0".17
DE HANDSCHOENEN. De handschoenen zijn tamelijk lang, omdat de mouwen
kort zijn; ook draagt men mitaines.
HET MASKER. Op straat bedekken de vrouwen het gelaat nog dikwijls met
een masker.
DE BOEZELAAR. In het laatst van de 17de eeuw komen als elegante huisdracht
kleine boezelaartjes in de mode met aardige zakjes en met kant omboord (afb.
208 B). Catharina Hooft, de weduwe van de bekende burgemeester de Graeff
van Amsterdam, had „in de vaste kas neevens de bedstee" behalve vele een-
voudige „schorteldoecken" ook „een camerdoecks schorteldoeck met kant
15-".18
DE SCHOENEN. De zool van de schoen wordt van voren smal en eindigt aan
de punt met een rechte lijn. De hak blijft hoog en is soms evenals in het vorige
tijdperk aan de voor- en achterzijde uitgehold; men draagt echter ook schoe-
nen, waarvan de hak aan de voorzijde met een rechte lijn een rechte hoek
maakt met de zool. Het voorblad blijft lang, de riemen worden nog met veters
of linten vastgestrikt of evenals de manneschoen met een gesp gesloten. De
opening tussen het voorblad en de riemen is nu heel klein of verdwijnt geheel.
De schoenmaker gebruikt verschillende leersoorten en ook zijde, fluweel of
satijn. In huis maken de vrouwen het zich gemakkelijk met elegante muiltjes
(afb. 197 B en C).
HET JACHTKOSTUUM. In het jachtkostuum volgen de vrouwen de kleding der
mannen na. Over een lange sleeprok die meestal met galon is opgemaakt,
dragen zij een lange mannenrock, waarvan de pagodemouwen wijde op-
slagen hebben. Ook das en strik, en soms ook de losgeknoopte das à la Stein-
kerke nemen zij van het mannenkostuum over. Op een gekrulde pruik zetten
zij de tricorne met pluimen naar het model van de steek der mannen (afb. 211).
233
XVI. DE SPELEVAART DER MODE
De mode maakt een spelevaart door het leven. Spelevaart is niet hetzelfde als
pleziervaart. Pleziervaart is een tocht naar een vooraf vastgesteld verlokkend
doel, een pleziervaart naar Marken of de Noorse fjorden. De spelevaart heeft
daarentegen geen vaste bestemming,
1688
men gaat spelevaren op een plas, op
een meer of op de zee zonder ander
doel dan om genieting en vreugde te
vinden. Naar de ingeving van het
ogenblik vaart men onbekende
schoonheid en onbekend geluk tege-
moet, maar die ingeving kan alleen
gevolgd worden voor zover de om-
standigheden, het weer, de diepte van
het water, het getij, de mogelijkheid
om te landen en ook de capaciteit van
het vaartuig het gedogen. De spele-
vaart wordt dus in zekere mate door
de omstandigheden en de regels der
navigatie geleid.
De mode die zich naar haar aard al-
203. J. Gole, Prins Willem III en Prinses Maria tijd bewegen moet, weet niet waar-
Stuart
heen zij gaat; door de zee der tijden
maakt zij een misschien eindeloze spelevaart, zoekend naar nieuwe attracties en
pikante bekoorlijkheden. Ook haar vaart is ten dele gebonden aan de omstan-
digheden en eigen levensregels die zij niet kan ontgaan, maar waarmede zij
soms een zo fantastisch en dolzinnig spel speelt, dat ook het wetmatige op on-
gebonden willekeur gaat gelijken.
Het is niet mijn bedoeling om in dit hoofdstuk een psychologische verhandeling
te schrijven over de kleding en over de primaire beweegredenen die de
mens nopen zich te kleden. Zij worden gewoonlijk gezocht in de zucht om zich
te tooien ten einde anderen te behagen, zich liefde, aanzien en maatschappe-
lijke voordelen te verwerven, in de noodzakelijkheid om zich te beschutten
tegen de koude en andere invloeden van het weer, en om te voldoen aan de
eisen van de door godsdienst en zedeleer voorgeschreven kuisheid. Dit uitvoerig
na te gaan zou ons ver buiten de ons gestelde grenzen voeren, wij zullen dus
234
alleen maar spreken over de mode, de collectieve beweging der in een be-
paalde periode algemeen aangenomen kledingvormen. Als conclusie van het-
geen in de vorige hoofdstukken is behandeld, willen wij trachten een verklaring
te geven van de oorzaken van haar ontstaan, inzonderheid in de 17de eeuw.
Vervolgens zullen wij nagaan in hoeverre haar gedragingen uit spelende wille-
keur voortkwamen en in welke mate zij door uit eigen wezen en bestemming
gesproten noodzaak en door uiterlijke omstandigheden gebonden was.
Waarom verandert de mode zo rusteloos en
tegelijk zo blij telkens van richting? Waarom
is de mens niet tevreden met eenzelfde vorm
van practische smaakvol gekozen kleding die
het lichaam bedekt, beschut en zijn aantrek-
kelijkheid verhoogt?
Omdat de mens behoefte heeft aan veran-
dering.
Omdat de mode nauw is verbonden aan
het steeds veranderende leven en dus met de
wisselingen van het leven ook telkens zelf
nieuwe vormen moet aannemen.
Omdat de samenleving verdeeld is in standen
en de hogere zich door hun uiterlijk willen
onderscheiden van de lagere.
De mens - hij en zij - heeft behoefte aan ver-
andering, want het lang geziene verliest zijn 204. Nic, de Visser. Prinses Maria Stuart
bekoring en het nieuwe geeft vreugde en voldoening.
Tegenwoordig verandert alleen de vrouw telkens haar uiterlijk, zodat wij, als
wij over de mode spreken, eigenlijk alleen aan de telkens wisselende vrouwen-
kleding denken. Maar een blik op de in dit boek gegeven afbeeldingen van zo-
veel in kostbare kleding uitgedoste mannen, getooid met kanten, linten en
strikken, is voldoende om ons te bewijzen dat zij in vroeger tijden met even
speelse buitensporigheid en verkwistende overdaad aan de mode deelnamen
als de vrouwen.1 Eerst na de Franse revolutie heeft de man zich onder de in-
vloed van toen opkomende ideeën en maatschappelijke veranderingen, lang-
zamerhand een nuchtere zakelijke kleding verkozen in zwart of in de haast ne-
gatieve kleuren donker blauw, grijs en bruin, een kleding die in de loop der
Igde eeuw bijna eenvormig is geworden voor allen en ternauwernood meer aan
modebewegingen deelneemt.
De geciviliseerde mens leeft niet geisoleerd, maar maakt deel uit van de samen-
235
leving en verandert in verband daarmede. Nieuwe denkbeelden komen op,
nieuwe verhoudingen en toestanden ontstaan, het leven van gisteren is niet
meer het leven van heden en het leven van vandaag is alweer bezig over te gaan
in het leven van morgen. En de zich steeds mede transformerende mens voelt
zich onder de drang dier veranderingen voortdurend genoopt om ook zijn kle-
ding die hem zo na is dat zij haast één geheel met hem uitmaakt, telkens weer
in overeenstemming te brengen met het nieuwe leven.
De mode staat in nauw verband met de
sociale en economische verhoudingen
van de tijd. Rijkdom en welvaart be-
vorderen de luxe in de kleding. De edic-
ten die zoals men zich herinneren zal
door Richelieu en Mazarin tegen het ge-
bruik der buiten Frankrijk vervaardigde
kant, en goud- en zilverpassementen
werden uitgevaardigd, hadden nieuwe
modevormen en een nieuwe wijze van
garnering met linten en strikken ten ge-
volge. Wij zagen ook reeds hoe op het
eind der 17de ceuw door de komst der
Franse refugiés in ons land de Franse in-
vloed op de mode aanzienlijk werd ver-
sterkt.
Ook de volmaking der techniek oefent
205. J. Gole, Heer en dame
haar invloed uit op de mode. Door de
uitvinding van de breimachine in het laatst van de 16de eeuw werden de lange
hozen binnen het bereik van velen gebracht en omstreeks het midden der 1gde
ceuw maakte de naaimachine een snelle en goedkope productie van confectie-
kleren mogelijk, waardoor voortaan ook de minder gegoeden in staat werden
gesteld aan de mode deel te hebben.
Voorts zijn er velen wier belang meebrengt een snelle demodatie te bevorderen
en het zijn de fabrikanten van stoffen en garnering, de winkeliers die mode-
artikelen verkopen, de kleermakers, naaisters, hoedenmakers enz. die om eco-
nomische redenen de veranderingen van kledingvormen opjagen en exploiteren.
De mode ondergaat echter ook de invloed van het geestelijk leven, van de ideën
van de tijd, van maatschappelijke verhoudingen en historische ontwikkelingen.
Wij wezen er reeds op hoe het zwierige kostuum der opstandige Franse edelen
tijdens Lodewijk XIII uiting gaf aan hun hoogmoedige „mij is alles geoor-
loofd" theorie, en hoe dit kostuum zich eerst transformeerde tot het wufte
236
rhingravekostuum dat zo goed paste bij het lichtzinnige leven van de jonge
koning Lodewijk XIV. Later, toen diezelfde koning zijn edelen had onder-
worpen tot van zijn gunst afhankelijke en in streng hofceremonieel buigende
hovelingen - die evenwel verheven waren boven hen die niet tot de hofkringen
behoorden - was het correcte stijve hofkostuum met de imposante pruik wel de
directe expressie van hun gedisciplineerde, maar hoogmoedige voornaamheid.
Wij leerden ook de modereacties in ons land kennen, het modecompromis in de
strenge zwarte kleding van de def-
tige regenten der Republiek, de
witte mutsen en grote stijve kragen
van hun stroeve huisvrouwen; een
gevoel voor kleding dat ten dele
door hun sociale positie bepaald
was, doch tevens zo gesterkt werd
door hun republikeinse principes en
Protestantse levensopvatting dat de
Franse mode in patricische kringen
een eigen Hollands cachet kreeg.
Van godsdienstige invloeden droeg
in ons land vooral de kleding der
Mennisten de sporen.
Ook kleine incidenten die indruk
maakten op de elegante wereld,
grillen en eigenaardigheden van
toonaangevende persoonlijkheden
206. J. Gole, Heer en Dame
gaven soms aanleiding tot nieuwe modevormen. Dikwijls werd hun naam
dan daaraan verbonden: de Mediciskraag, de Cadenette, de Fontange.
Maar niet alles wat het rijkgeschakeerde leven biedt, vindt expressie in de
kleding. De mode is niet een spiegel die getrouw gebeurtenissen, denkbeelden
of geestestoestanden weerkaatst. Zij is niet de afbeelding van het leven, maar
draagt daarvan de merktekenen. Willekeurig of althans om onbekende rede-
nen doet zij haar grepen uit het leven en speelt er haar fantastisch interprete-
rend spel mede, ten dele vrij, ten dele toch ook gebonden, zoals een componist
met zijn motieven speelt.
De indeling der samenleving in standen was vooral vroeger een der voornaam-
ste oorzaken van het ontstaan van de mode. Elke stand had zijn eigen karakter,
hoewel hij niet wettelijk of duidelijk omschreven van de andere was gescheiden.
In de 17de eeuw was die indeling nog op godsdienstige begrippen gebaseerd
en scherper begrensd dan nu. De hogere standen die over macht en ruime
237
geldmiddelen beschikten, wilden zich als groep uiterlijk van de lagere onder-
scheiden. Ieders kleding was representatief voor zijn stand, ieder trachtte de
distinctie van zijn rang te handhaven en de afstand van zijn minderen te be-
waren.
Daarentegen hadden de lagere klassen het verlangen om de hogere te evenaren
en zo was er een beweging van benedenaf om zich de kleding der hogere stan-
den te assimileren en aldus het uiterlijke onderscheid zoveel mogelijk op te hef-
fen. Zodra echter de la-
11700
gere standen hier in gin-
gen slagen en een mode
algemeen begon te wor-
den, zochten zij die de
toon aangaven weer
naar nieuwe modevor-
men om hun uitzonder-
lijkheid te manifeste-
ren. Eerst in onze tijd
heeft de confectie die de
nieuwe vondsten snel en
goedkoop imiteert, de
grys
mode binnen het bereik
12 DALE
uin29
der kleine burgers ge-
bracht.
De mode pleegt te ont-
blauw
207. Anon. Heer en dames
staan in de toonaange-
vende kringen der samenleving. Deze zijn niet in alle tijden dezelfde. In de
16de en 17de eeuw waren het de hoven der machtigste vorsten van Europa,
middelpunten der voorname en elegante wereld, waar de prinsen van den
bloede en de edelen zich groepeerden om hun koning en in hoogmoed neer-
zagen op de burgerij en het volk. Door hun rijkdom waren de aanzienlijken in
staat zich telkens nieuwe kleren aan te schaffen en zij konden hun kleding dus
steeds in overeenstemming brengen met de wisselende modevormen, die het
uiterlijke kenteken waren van hun stand.
In de 16de eeuw had het hof van Philips II de toon aangegeven en werd de
stijve duister-prachtige Spaanse hofdracht zelfs door de met Spanje oorlog-
voerende landen als de Republiek en Frankrijk tot voorbeeld genomen. In de
17de eeuw, toen Spanje in verzwakking en onbeduidendheid lag neergezonken,
nam zoals wij reeds zagen het Franse hof de leiding over. Zonder dwang werd
die leiding in de West-Europese landen gewillig aanvaard. Voortaan werden
238
aan het Franse hof de nieuwe modevormen gevonden en gelanceerd. Door
wie? Er is nooit een van hoger hand bij decreet voorgeschreven mode geweest 2,
hoogstens zijn er negatief edicten uitgevaardigd om de luxe te beperken. Over
de geboorte der mode of liever gezegd over haar voortdurende wedergeboorte
ligt een sluier van geheimzinnigheid. Waarschijnlijk ontstond zij uit de samen-
werking van vorsten, vorstinnen of aanzienlijke hovelingen die daartoe neiging
en talent hadden, met hun snijders. Wat het aandeel van de snijder en wat dat
van de lastgever was bij de
nieuwe vondsten, is onbe-
1694
J9NJd
kend en zal ook verschil-
Jemmny de
Tyuur fuivene
lend zijn geweest naar ge-
qualite
kockt en ffremt
on offen-
de fuiker ende
lang der persoonlijke kwa-
falbala
foppen
Terwyl jocnthe
liteiten en begaafdheden
orkracht doet
yun o ver
van beiden. Waarschijnlijk
flappen
werden de nieuwe inven-
ties meestal het eerst ge-
dragen bij feestelijke gele-
genheden en dan door het
hof gekeurd en aanvaard
of met spot en lach ver-
worpen. Wij vernamen
wat Madame de Sévigné
vertelt over het ontstaan
van het kapsel à la hurlu-
berlu, dat hoewel eerst
208. A. P. Schenck. Dame .- B. J. Gole. Dame
met hoon begroet, later toch werd aangenomen en bewonderd. Aan het Franse
hof werd de mode voortgebracht door een onbekende stille kracht, waartegen
zelfs de oppermachtige koning niets kon uitrichten. Wel horen wij in de kos-
tuumgeschiedenis van persoonlijke invloeden, van het door Hendrik IV ge-
geven voorbeeld tot eenvoudige kleding, van Lodewijk XIII die een tijdlang
zelf zijn hovelingen schoor, van de door de godsdienstige zedigheid van Ma-
dame de Maintenon gegeven mode-impulsies, maar zij konden zich alleen doen
gelden als zij zich bij een reeds aangenomen beweging der mode aansloten.
Het kleine vierkante coeurtje der dames aan het eind van de 17de eeuw kwam
juist van pas toen het horizontale décolleté begon te vervelen en uitgediend had
en Mademoiselle de Fontanges knoopte-indien de anecdote waarheid bevat-
te rechter tijd haar kapsel hoog op, want de verlenging der gestalte was toen
juist aan de orde. Lodewijk XIV die mooi haar had, was eerst tegen de pruik
gekant en heeft haar als de aangewezen manifestatie van zijn macht en groot-
239
heid tenslotte toch aangenomen. De persoonlijke invloed der machthebbers op
de mode van hun tijd blijkt op de keper bezien geringer dan de oudere kostuum-
historici vroeger hebben verondersteld.
De mode, cenmaal aangenomen door hen die leiding geven aan het society-
leven van hun tijd, is een macht die een strenge discipline uitoefent. Niemand
die tot de mondaine wereld behoort, kan zich aan haar voorschriften onttrek-
ken zonder zich belachelijk en onmogelijk te maken. Zij is echter niet een door
nauwkeurige voorschriften vastgestelde uni-
V007
grys m
form en daar er binnen de kring van standge-
1702
noten altijd verschil van karakter en smaak
bestaat en ook een onderlinge wedijver om
persoonlijk uit te blinken boven anderen en
bewonderd te worden, is een zekere beweeg-
n bont.
. SZDDd
lijkheid in de toepassing der modevormen on-
vermijdelijk en ook geoorloofd, mits zij bin-
nen de gestelde grenzen blijft.
Door de mondaine tijdgenoten wordt de mo-
de zelfs in haar meest absurde manifestaties
altijd aanvaard en ook mooi gevonden. Weer-
stand en stil protest ondervindt zij alleen van
de zijde van hen die buiten het mondaine
leven staan, ouderwetse kleding dragen en
prijzen zonder er zich rekenschap van te ge-
ven dat die eenmaal ook werelds, elegant en
20g. Anon. Petronella Kettingh, vrouw extravagant is geweest. In de 17de eeuw werd
van Diederik van Hogendorp
zij openlijk bestreden door dichters van sa-
tires en door strenge zedeprekers.
In hoeverre werd nu de mode gebonden door de noodzaak van haar eigen
aard, door eisen van doelmatigheid of door uiterlijke omstandigheden? Hoe
gedroeg zij zich verder en in hoeverre liet zij zich door spelende willekeur
leiden?
Het ligt in de aard der mode dat sommige, misschien willekeurig gekozen vor-
men eerst heel bescheiden optreden en dan in consequente vorm en logische
doorvoering uitgroeien. Soms, als de ontwikkeling niet tijdig wordt gestuit,
schiet de groei door tot de grilligste excessen. Om deze te verklaren moeten wij
tot hun oorsprong teruggaan. Men herinnere zich de afkomst van de grote
stijve plooikraag uit het kleine halsplooiseltje dat in het midden der 16de
eeuw in de mode kwam, de verkorting van het wambuis omstreeks 1640 die bij
240
de innocent tot het uiterste werd overdreven, het gelijktijdig hoe langer hoe
meer naar buiten dringen van het linnengoed, de geleidelijke metamorphose
van de korte broek met wijde cilindervormige pijpen in de rhingrave en het
langer groeien van het haar der mannen dat tot de geweldige infoliopruik voerde.
Zoals in de natuur al wat leeft een tijd heeft van groei, een tijd van decadentie
en tenslotte moet sterven, zo moeten ook de groeiende modevormen afsterven
als zij zich in vele metamorphosen en buitensporigheden hebben uitgeleefd.
Het vliegerkostuum verdween na langzame de-
generatie. Soms komen als reactie tegen over-
1697
drijving nieuwe vormen op die in tegenoverge-
gestelde excessen vervallen. De schouders der
vrouwen, die in het begin der 17de eeuw horizon-
taal breed waren uitgezet, gingen omstreeks 1640
schuin, soms haast verticaal afzakken. De wijde,
het mannenkostuum dominerende, rhingrave
werd na enige weifeling vervangen door de
nauwspannende kniebroek, waarvan onder de
lange rock die in de plaats kwam van de korte in-
nocent, slechts een klein stukje zichtbaar bleef.
Een modetype verandert nooit plotseling geheel,
nieuwe modevormen treden aanvankelijk par-
tieel op, dikwijls wijzigt men eerst de voornaam-
ste kledingstukken wambuis en broek of lijfje en
rok - en dan de onderdelen; soms echter gaan de
onderdelen voor en volgen de grote stukken. Ook
210. Anon. Franse dame
hier schijnt de keuze vaak willekeurig.
Wij merken ook op dat elke wijziging dwingt tot een andere, want altijd streeft
de mode naar een harmonische samenwerking der onderdelen tot een aesthe-
tisch geheel. Als omstreeks 1630 de mannefiguur breder gaat worden, de kleer-
maker het wambuis wijder snijdt en de schouders uitzet, moet om het verlang-
de effect te versterken de stijve plooikraag worden vervangen door een grote
platliggende kraag die de schouderlijn volgt en verbreedt (afb. 56, 60 en 61.)
Niet altijd wordt de gezochte harmonie dadelijk gevonden. Omstreeks 1635
werden de mouwen van het vrouwenlijfje wijder, maar de hoge teruggeslagen
manchetten wijzigde men eerst nog slechts weinig en zij namen pas omstreeks
1645 de bij de wijde mouwen zoveel beter passende korte wijde cilindervorm
aan (afb. 88, 89, 117, 120, 126 en 128).
Sommige modevormen komen voort uit de eisen van practische bruikbaarheid.
Het split achter in de panden van de laat 17de-eeuwse mannenrock is aange-
241
bracht om de rock bij het paardrijden aan weerskanten over de rug van het
paard te laten neerhangen. De laarzen met hoge schachten zijn ook nood-
zakelijke ruiterdracht. Veelal echter gedraagt zich de mode uiterst willekeurig
tegenover de eisen van practisch nut, beschutting en hygiëne, en schijnen an-
dere beweegredenen haar vormen te bepalen. De kleding van de Duitse krijgs-
lieden uit het begin der 16de eeuw moet in de eerste plaats uitdrukking geven
aan hun bravour. Alle practische eisen die men aan een militaire uitrusting kan
stellen, offerden zij zonder consideratie daaraan
1692 ?
op. Zij droegen grote slappe bonnetten, top-
zwaar van veren, wambuizen met wijde gesple-
ten mouwen en lage, brede, licht uitsloffende
schoenen. In de ede helft van de 16de eeuw
tooiden zij zich met van boven tot onder ge-
spleten, wijde broeken, waar de dunne zijden
voering tussen de sneden in brede massa naar
buiten golfde, alles in schreeuwende bonte van
verre zichtbare kleuren. Met verbazing vraagt
men zich af hoe men in die rumoerige tijd aldus
gekleed over ongeplaveide modderige wegen
marcheerde en steden bestormde. In de 17de
eeuw was het niet anders. Over de weinige be-
schutting tegen de koude die de opengesneden
mouwen en het korte wambuis der mannen bo-
den, hoorden wij de Heer Doubleth reeds kla-
211. J. Gole. „Juffrouw van Staet in gen. De kavaliers uit de 2de helft van de eeuw
Jagtgewaad"
zullen wel heel moeilijk gelopen hebben als zij
hun wijde kaplaarsschachten lieten neerzakken en hoe liepen onze schutters
en civiele heren met de trechtervormige gesteven canons (afb. 105, 110, 112,
115, 118, 138 en 141) zonder ze te verkreukelen? Met de vrouwen was het niet
beter gesteld. Op de lasten die de brede molensteenkragen haar gaven, is ook
reeds gewezen; hoe belemmerend voor haar vrije beweging moeten de lange
rokken zijn geweest en hoe warm op zomerdagen de van zware stoffen ge-
maakte kleding!
Aan de natuurlijke vormen en proporties van het lichaam pleegt de mode zich
weinig te storen. Integendeel schijnt zij er behagen in te scheppen om de vorm
van sommige lichaamsdelen schromelijk te overdrijven. Zo werd in het begin
der 17de eeuw de buik der vrouwen fictief vooruitgestoken, op oude portretten
zien wij hoe zij er de handen behaaglijk op laten rusten (afb. 35, 36, 90 en 91).
Plastisch realistisch is het komende moederschap uitgedrukt en in plecht-
242
statigheid verheertijkt. Enige jaren later, als deze modephase heeft uitgediend
en de buik weer is verdwenen, wordt de taillelijn tot onder de borst omhoog
geschoven (afb. 92-95) en ook de mannen verplaatsen hun middel naar boven
(afb. 56, 60 en 61). In de 2de helft van de 17de eeuw komen schoenen in de
mode veel langer dan voor de voet nodig is (afb. 105, 110-112, 115 en 138).
Deze veranderingen der lichaamsvormen, waarop in de voorafgaande hoofd-
stukken reeds dikwijls is gewezen, zijn soms reacties op vroegere modevormen
en groeien uit oor-
spronkelijk kleine
B
modewijzigingen
langzamerhand tot
asary
excessen.
Een karakteristie-
ke eigenschap der
mode is voorts dat
sommige onderde-
Vezkolje Pelz. Boogoort
A Boonen . Dome
Anoniem- Dame
len der kleding, die
D
F
1703
1703 F
eerst een practi-
sche bedoeling had-
den, nog voortle-
hurluberlu
Kapsel
ven nadat zij hun
a la husta
functionele bete-
kenis hebben ver-
loren. Men zal
Th van dez Wilt Dame
B Picozt
Dame
B-Picazt Dame
zich herinneren
212. Kapsels en mutsen
dat in het begin der 17de eeuw de broek met veters aan het wambuis werd
vastgestrikt en dat, toen men enige tijd later de broek aan de binnenkant van
het wambuis ging vasthaken, fictieve veterstrikken buiten op de ceintuurband
werden gehecht die enkel nog een ornamentale betekenis hadden (afb. 17,
53-56, 60, 61, 64, 80 en 81). Iets dergelijks gebeurde in het eind van de 16de
en het begin der 17de eeuw met de mouwen van het bovenwambuis of roxken,
die men dikwijls ongebruikt, en soms gedegenereerd tot smalle stofrepen, als
functieloze versiering achter uit de armsgaten liet neerhangen (afb. 8, 10, 11,
29, en 54). Soms neemt het vrouwenkostuum mannelijke en het mannen-
kostuum vrouwelijke elementen over. Op portretten uit de 17de eeuw zien
wij vrouwen met grote zwarte mannenhoeden afgebeeld (afb. 37 en 41) en
ook het late jachtkostuum der vrouwen is aan dat der mannen ontleend (afb.
211). Daarentegen heeft het rhingravekostuum voor onze moderne begrippen
feminine en infantiele allures.
243
Een veel voorkomend verschijnsel is de terugkeer van oude modevormen die
reeds sinds enige tijd waren verdwenen. De korte broek met wijde cilindervor-
mige pijpen ging omtreeks 1625 uit de mode en kwam tegen 1650 weer terug.
De vroeg 17de eeuwse hoge cilinderhoed der mannen is in de 1gde eeuw her-
leefd. De mode die steeds vernieuwing zoekt, maakt dus soms reactionnaire be-
wegingen, maar voegt het oude dan in nieuw verband.
De mode bereikt haar effecten veelal door contrastwerking. Als in het begin
der 17de eeuw de man een nauw wambuis en een hoge hoed draagt en de vrouw
een eng aansluitend lijfje en een hoog kapsel, lijkt de lengte van het bovenlijf
nog slanker door de tegenstelling met de grote wijdte van broek en fardegalijn
(afb. 7-10, 28-30).
Soms domineren in het kostuum willekeurig sommige détails, bijv. de met
kolossale strikken vastgebonden kousebanden der mannen uit het begin der
17de eeuw, de geweldige molensteenkragen der vrouwen, de enorme rozetten
op de mannenschoenen omstreeks 1630, de infoliopruik en de Fontange uit het
laatste decennium der 17de eeuw (afb. 61, 133 E, 196, 204 en 208).
Zo nemen wij, geleid door de geschiedenis, in de spelevaart der mode door het
leven veel willekeur, veel dartele overdrijving waar, maar ook veel dat door de
omstandigheden werd veroorzaakt of uit eigen wezen en natuurlijke groei
voortkwam. Veel van de zonderlinge en buitensporige manoeuvres der mode
blijven ons onverklaarbaar, het is moeilijk haar in haar snelle bewegingen over
een afstand van eeuwen te bespieden en te begrijpen. Wij kunnen de oorzaken
van haar metamorphosen niet altijd naspeuren en duidelijk waarnemen, want
het verleden komt nooit meer sprankelend van leven onder het stof der tijden
te voorschijn en onze kennis is gebrekkig en onvolkomen. De mode bewaart
nog veel van haar geheimen en slechts nu en dan kunnen wij de tippen van de
sluier even oplichten, waaronder zij - met al de speelse gratie die haar eigen is -
haar afkomst en gedragingen verhult.
244

>> begin