|
>> HOMEpage
GEDENKBOEK
TER GELEGENHEID VAN HET ZEVENHONDERD-JARIG BESTAAN
VAN
ROERMOND
ALS STAD
1932
Bron: Gedrukte uirgave door J. J. ROMEN & ZONEN, ROERMOND
Internetuitgave: M.H.H. Engels, juni 2026
De tekst doorzoekbaar gemaakt
INHOUD
Inleiding, door Mr. M. A. M. Waszink 5 -
Voorwoord, door Mr. R. de Nerée tot Babberich 7
- Roermond tot 1543, door Mr. R. de Nerée tot Babberich 10
- Roermond en Gelre van 1543 tot aan den Franschen tijd, door A.
F. van Beurden 37 - De Fransche Tijd, door
Dr. W. J. M. Buch 62 - Roermond na den
Franschen Tijd, door C. Pyls 84 - Rechterlijke en
administratieve Colleges in Roermond 1232-1794 door Mr.
Elisabeth F. J. A. Adriaanse 110 - De
Erfvoogdij en de Erfvoogden van Roermond, door J. M. van de
Venne 129 - Roermond als Bisschopsstad, door
Dr. W. Goossens 141 - Uit het verleden van
het kerspel Ruregemunde, door E. Janssen C.s.s.R. 154
- Roermonds Kloosterleven, door C. Pyls 188
- De Hervormde Gemeente te Roermond en haar kerkgebouw, door F.
Adriaanse 221 - Het Onderwijs, door Dr. P.
J. M. van Gils 228 - Instellingen van
Weldadigheid, door J. H. F. H. Linssen 244 -
Sociale Instellingen, gilden, putten en confrerieën te Roermond
van 1232-1795, door J. Huijsmans 264 -
Roermonds Handel en Verkeer tot den Franschen tijd, door Drs. M.
J. C. W. Bours 287 - Het wapen van de Stad,
door Mr. R. de Nerée tot Babberich 307 - De
Stedelijke Munt, door Jhr. E. van Nispen tot Sevenaer 314
- Zeden, gewoonten en gebruiken te Roermond, door J. Huijsmans 321 - Roermonds Kunstleven, door Ir.
Jos. Cuypers 334 - Het Roermondsche dialect,
door J. Kats 348 - Roermond. De Geschiedenis
zijner vestingwerken, monumenten en voorname gebouwen, door Ir.
L. Keuller 360 - Publieke werken in lateren
tijd, door J. A. Kuylaars 381 - Sociale
instellingen na den Gildentijd, door Fred. Hoen, Pr. 397
In zijne
vergadering van 25 September 1929 besloot de
Raad der gemeente Roermond, ter gelegenheid van de her-
denking van het feit dat het 700 jaren geleden is, dat Graaf
Otto II aan Roermond stadsrechten verleende, tot het
uitgeven
van een gedenkboek, waarin de geschiedenis der stad zou wor-
den neergelegd. Van de belangelooze medewerking van ver-
schillende personen was men verzekerd. In den loop van
den tijd hebben enkelen zich, om te eerbiedigen redenen,
teruggetrokken. Het is mogen gelukken, anderen in hunne
plaats tot medewerking bereid te vinden. Het resultaat
van hun aller naarstigen arbeid vormt den inhoud van dit ge-
denkboek.
Het gemeentebestuur stelt het op prijs, hun hier openlijk
dank te zeggen voor hunne bijdrage. In het bijzonder geldt
dit den heer dr. J. W. H. Goossens, rijksarchivaris in
Limburg,
zonder wiens toewijding en zaakkundige adviezen het
thans voor ons liggende werk niet zou zijn geworden, wat het
is.
Het zijn wel droeve en angstige tijden, waarin de stad
Roermond haar 7e eeuwfeest herdenkt. Ik zou zoo gaarne,
nu het verleden in dit gedenkboek zoo uitvoerig is uiteen-
gezet, een enkel woord gewijd hebben aan de toekomst.
Een gemeentebestuur immers, dat zijne taak begrijpt, behoort
zich zelf een lijn uit te stippelen, waarlangs het de ont-
wikkeling der gemeente denkt te leiden. Maar wie kan dit
redelijkerwijze thans van ons vorderen? Niet alleen eischt
het heden alle aandacht op, maar het ergste is, dat de toe-
komst volkomen onzeker is en iedere prognose onmogelijk.
Ons blijft voor het tegenwoordige en zóó vat het ge-
5
VOORWOORD
en stadsbestuur zou inderdaad aad te kort schieten
in goeden burgerzin, die de overheid moet sieren,
wanneer zij de Stedemaagd, dat abstracte begrip
eener stedelijke samenleving in continuïteit, niet
cerde en hulde bracht, wanneer een eeuwfeest harer
wording daar is. Dit heeft dan ook de Roermondsche overheid
begre-
pen, toen haar stad als jubilaresse haar 700-jarig bestaan
in het ver-
schiet kreeg. Vooraf was reeds in de locale pers en ook
elders
opgewekt om tot eene huldiging te komen en het was de
toenmalige
burgemeester Steinweg, die daarop verschillenden bijeenriep
ter over-
weging hoe het stadsbestuur in volledige samenwerking met de
bur-
gerij uiting zou kunnen geven aan het algemeen kenbaar
gemaakte
verlangen op goede en passende wijze leiding te geven aan
een feest-
vierende gemeenschap. Men kwam dan ook na eenige
bijeenkomsten,
daartoe onder leiding van het stadsbestuur belegd, vrij
spoedig tot het
besluit, dat er in de allereerste plaats moest komen een
gedenkboek,
waarin het verleden tot het heden werd opgehaald en dat als
een
waardevol gegeven ook later tot de generatiën, die die
volgden, zou kun-
nen spreken. En toen de toezegging eener belangenlooze
medewerking
der samenstellers tot uiting kwam, was dit mede voor den
Magistraat
eene gereede aanleiding om met dankbare aanvaarding daarvan
direct
stappen te doen die tot het gewenschte doel konden leiden.
Er werd
eene redactie samengesteld, de vóóraf besproken onderwerpen
verdeeld
en zoo is thans dit gedenkboek tot stand gekomen, geschreven
meeren-
deels door Roermondenaars, die, staande in het volle actieve
leven van
hun stad van thans, de verschillende bijdragen gaven uit
liefde voor
de stad hunner inwoning aan en voor de burgerij ter
herinnering en
zoo mogelijk als iets van blijvende geestelijke waarde voor
de toekomst.
Dit gedenkboek kwam dus tot stand ter eere van de
Roermondsche
Stedemaagd van vroeger en ook van thans en die er zal
blijven zoolang
de stad er zal staan, en voortleven in de komende geslachten
harer
burgerij.
Want de stedemaagd, de onzichtbare, was en is en blijft
overal aan-
wezig. Zij was vroeger en is ook thans nog in de volle
kerken en gods-
huizen. Zij leefde in de woningen en huisgezinnen, op de
straten en
op de pleinen, zij zit in den grond, waarop de stad gebouwd
is, uitge-
breid. Zij leefde weleer en leeft ook thans nog in de zeden
en gewoon-
ten, in de voertaal harer burgers. Zij is niet dood. Kan
niet sterven
zoolang de stad er nog is. Bij de rijken woont zij, maar ook
bij de
armen huist zij. Op feestdagen is het gebeier der klokken
haar vreugde-
galm en bij het uitluiden der dooden hoort men de tonen van
haar wee.
In den vlaggentooi bij festijnen kan men haar vreugde zien
en bij eene
7
stedelijk document vindt men ook de voorrechten, die
vanaf de stich-
ting, d.w.z. de destijds officieele stichting der stad, als
zoodanig voor
Roermond golden en die gelijk waren of weinig afweken van
den
inhoud der verschillende giftbrieven, die de Geldersche
graaf in die
dagen uitgaf, zoodat men daaruit met vrij groote zekerheid
den oor-
spronkelijken giftbrief van Roermond kan reconstrueeren. De
stich-
ting toch der steden, die destijds de ondergeschikte
opgekomen dynas-
ten in het rijksverband van die dagen als een eigen regale,
d.w.z. als
een souvereinsrecht voor zich gingen beschouwen, had een
politieken
ondergrond. Eenerzijds werd door de stichting een enger
verband tus-
schen grondheer en stad geschapen en werd de gestichte stad
met eigen
administratie en bestuur, als een geheel der burgers, een
soort van vasal
van den stichter, anderzijds werd de omwalde en versterkte
stedelijke gemeenschap voor zich en te harer veiligheid een
soort bolwerk tegen
de vaak voorkomende machtsuitbuiting van den landadel, die
veilig
in zijn sterke burchten ten opzichte van den landsheer, als
leenheer,
niet altijd in het gareel bleef. Zoo zal bijv. de stedelijke
giftbrief van
Emmerich, die van 1233 nog voorhanden is, in vorm en wezen
niet veel
verschild hebben met het zoekgeraakte stedelijke document
van
Roermond.
In de opeenvolgende hoofdstukken is er derhalve naar
gestreefd, naast
een beknopt geschiedkundig gedeelte, zooveel mogelijk een
beeld te
geven van hetgeen in de 7 eeuwen die achter ons liggen, aan
locaal
actief leven op religieus en economisch gebied is tot stand
gekomen.
De onderwerpen werden met eenige zorg gekozen en het geheel
geeft een schema, een belichting op feiten en toestanden,
die den belang-
stellenden lezer in het verleden wegwijs moge maken. Er zijn
onder-
werpen behandeld, die speciaal nauw de Roermondsche
gemeenschap
betreffen.
Was de primaire opzet onder burgemeester Steinweg begonnen,
het
behoeft geen betoog, dat dit gedenkboek alleen tot stand kon
ko-
men, toen onder de auspicien van den opvolgenden
burgemeester
Mr. Waszink, verder het dagelijksch bestuur der gemeente
zijne volle
medewerking verleende en de Raad het financieele gedeelte
der uit-
gave voor zijn rekening nam.
Zoo moge dit boek ook zijne fata hebben maar de wensch mag
daarbij
toch wel uitgesproken worden, dat het voor velen en meer
speciaal
voor den Roermondenaar van thans en later niet alleen een
gedenk-
boek bij een gedenkwaardig eeuwfeest zal kunnen zijn, maar
tevens
een werk, dat met eenig nuttig effect worde geraadpleegd. En
is dit
zoo, dan is hetgeen wat autoriteiten en medewerkers met den
opzet
en uitgave voor oogen hadden, in niet geringe mate bereikt.
ROERMOND, Februari 1932.
de Nerée tot Babberich.
9
gere terrein van Roermond en Maasniel (Leeuwen) rechts,
waren en
zijn nog steeds de natuurlijke dijken gebleven van het
winterbed van
„Mosa fluvius", die de Romeinen gekend hebben. Die welhaast
jaarlijks
terugkeerende waterduivel heeft in de
ontwikkelingsgeschiedenis van
Roermond en omgeving een groote rol gespeeld, en het ligt
voor de
hand, dat de Maas, niet wanneer zij vreedzaam in haar
zomerbed naar
lagere plaatsen wegstroomt, maar als zij aanzwelt tot een
zee van water,
reeds vroegtijdig de natuurlijke begrenzing werd van twee
streken,
waar zich de landsaard verschillend moest vormen. Het
Hornerland
links met Roermond rechts, zijn landstreken geworden, wier
bevolking
sporadisch contact zocht, daardoor eigen zeden en gewoonten
schiep
en langen tijd kon vasthouden. Thans is het nog niet
moeilijk voor
folkloristen om merkwaardige verschillen te onderkennen.
De oudste gegevens, al zijn deze dan ook weinige en vage,
welke men
uit het grijze verleden kan opdiepen, gaan terug tot den
tijd, toen Rome
zijne legioenen naar Germanië zond en uit de verschillende
vondsten
van Romeinschen oorsprong, die niet veraf werden gevonden,
is het
wel zeker vast te stellen, dat de Romeinen in de omgeving
van Roer-
mond geweest zijn. Het is evenwel niet waarschijnlijk, dat
Roermond
of liever de plaats of plek, waar de stad werd geboren,
aanlokkelijk
of gunstig lag voor een „castrum" of „castra". Dit is
verklaarbaar uit de
omstandigheid, dat men zeker weet, dat Tongeren het oude
„Attuaca
Tungrorum" aan den rand der Kempen, niet alleen een
Romeinsch
centrum was, maar meer nog dan dit, dat het reeds zeer vroeg
een
volkomen bevestigde plaats in stadsbouw geweest is van
waaruit het
achterland in België en zelfs een deel van het noorden
organisch be-
stuurd werd en militair werd vastgehouden. Dit Tongeren, een
der
grootste Romeinsche steden van het noorden, lag ongeveer 20
K.M.
links van de Maas en had door het Kempenland bij Weert een
toe-
gangsweg naar het Noorden en men mag nu aannemen, dat,
wanneer
de Romeinsche heirscharen, hetzij als legioenen hetzij als
explorateurs
naar het Noorden optrokken, via Horn (Catualium?) en het
castrum bij
Kessel (Castellum) langs den nog bekenden en bestaanden
Romein-
schen heirbaan over Neer naar Blerick (Blariacum), zij het
punt, tegen-
over Horn, bij Roermond rechts van de Maas lieten liggen, al
waren
er wellicht later verbindingswegen bij Roermond (Melick?)
gekomen,
die aansluiting gaven naar de Romeinsche plaatsen aan den
Rijn. Den
eersten Romeinschen invloed kunnen wij dus voor Roermond
veilig
uitschakelen, al zal deze later nog wel sporen hebben
nagelaten.
Ook van de bewoners, die in het begin onzer christelijke
jaartelling
mogelijk het land van Roermond hebben bevolkt, weet men zoo
goed
als niets. Het land viel in de Maasgouw, de pagus „Mosa".
Buitendien
is het waarschijnlijk dat Roermond met omgeving en
achterland telkens
door verschillende stammen, die elkander beurtelings
verdreven, be-
volkt geweest is. De Eburonen schijnen er onder Caesar te
zijn ver-
dreven, toen kwamen er de Ubiers, nadat er ook vóóraf
Menapiers
geweest waren. Augustus stelde een groot deel van de
Maasgouw open
voor de Sueven en Sigambriers, die door Tiberius waren
overwonnen.
11
er de verspreide kloosterbroeders en ook andere
geloovigen bijeen te
brengen ter vorming van een christelijken kern, en om er na
zijn dood
een eigen abt te kiezen. Het diploma dezer stichting is voor
ons be-
waard gebleven en is wel het eerste zekere gegeven, dat wij
voor ons
doel kunnen benutten. Dit geestelijk leven heeft zich nu van
Susteren
uit vrij snel noordwaarts uitgebreid. Wij lezen immers in de
levens-
beschrijving van St. Wiro, dat dezelfde Pepijn van Herstal
aan dezen
medearbeider van St. Willebrod eene andere plek, veraf
gelegen van
werelds gewoel, wegschonk en die genoemd wordt de „Mons
Petri",
waar het St. Pietersmunster gesticht werd en waarvan wij nog
de mooie
oude kerk behouden hebben te St. Odiliënberg. Dit St.
Odiliënberg,
dat ook vroeger gelijk thans nog „Berg of Berch" heette,
ontstond dus
uit Susteren. Deze geestelijke stichting te St. Odiliënberg
is nu daarna
eene religieuse nederzetting van importantie geworden en
wordt in de
oude stukken van dien tijd eenige malen met name genoemd en
daar
Roermond, toen nog niet als zoodanig bekend, eerst later zal
ontstaan
en tot de geestelijke goederen van St. Odiliënberg zeker
moet behoord
hebben, dienen wij daarvan wat meer te zeggen.
Toen St. Willebrod na te Susteren het klooster gesticht te
hebben
hoogerop rechts van Maas en Rijn naar Utrecht trok, werd het
Berg-
sche bezit, dat uit Susteren kwam, voor den Utrechtschen
bisschop
d.w.z. voor de opvolgers van St. Willebrod nog eenige eeuwen
vast-
gehouden. Wij weten namelijk uit oude bescheiden, dat koning
Lotha-
rius II op 2 Januari 858 de Mons Petri, dat is het St.
Pietersmunster
te St. Odiliënberg,sub omni integritate", wat wil zeggen met
alles wat
daartoe behoorde, wegschonk aan den bisschopszetel van het
Sticht.
Dit kan niets anders beteekenen, in verband met de reeds
gemelde
schenking van Pepijn van 714, die toch niets anders weggaf
dan de
plek met wat omgeving, waar het klooster mocht verrijzen,
dan dat in
Berg in de komende eeuwen daarna zich een veel grooter
geestelijk bezit
aan goederen had geformeerd, dat voor de privaatrechtelijke
begrip-
pen van dien tijd tot het klooster was gaan behooren. Dit
bezit nu was
langzamerhand in 870 bij de bekende rijksverdeeling tusschen
Lode-
wijk den Duitscher en Karel den Kale reeds zoo belangrijk
geworden,
dat het bij deze landsverdeeling uitdrukkelijk genoemd wordt
en bij
het Duitsche rijk werd ondergebracht. De schenking van
Lotharius was
nu gedaan om de Utrechtsche kanunniken, die na de
verwoesting en
brandstichting van Utrecht voor de Noormannen waren gevlucht
en
overal verspreid een heenkomen hadden gezocht, weer bijeen
te bren-
gen en in kapittel vereenigd bijeen te houden. Een kleine
eeuw later
zien wij dit bezit rondom Berg nog nader bepaald in een
ander diplo-
ma, waarbij Baldric, vorstbisschop van Utrecht, op 24 Juni
743, de „65"
mansi, wat door hoeven is te vertalen, van het St.
Pietersmunster met
zijne 383 hoorigen, weggeeft aan eenen zekeren graaf Rainer
of Reinier
en zijne zonen Baldric en Rudolf, om dit bezit „ad vitam"
voor hun
leven te mogen gebruiken tegen een jaarlijksche vergoeding.
Waar
deze „mansi" lagen wordt uitdrukkelijk in de schenkingsacte
vermeld.
Zoo worden er in aangeduid de plaatsen Rura, Liethorp,
Linne, Sule-
13
mond, die schriftelijk is vastgelegd en wanneer wij met
eenige waar-
schijnlijkheid de vermelde „65" boerenhofsteden met hunne
383 bewo-
ners over de genoemde plaatsen mogen verdeelen dan zou Rura
des-
tijds 8" mansi kunnen gehad hebben op zijn grond met een
bevolking
van ongeveer 40 menschen. Dit Rura, dat ongetwijfeld zijn
naam dankt
aan het riviertje de Roer, waarvan wij de benaming reeds
eerder leer-
den kennen uit de stichting van het St. Pietersmunster te
St. Odiliën-
berg, welke in het diploma wordt aangegeven als gelegen
„Super fluvium
Rure of Rura", is nu topografisch voor dien tijd aan te
duiden door
het land of gebied bij de Roer en wel daar, waar zij het
land, vóór-
dat zij zich met de Maas vereenigt, het grilligst met
verschillende rivier-
armpjes verdeeld en een soort van kleine delta vormt.
Oudtijds was
de hoofdarm de nog bekende „Hambeek" en het land, dat thans
nog door Hambeek en den anderen zijarm van de Roer, thans de
hoofdbedding, en waarop later de verschillende watermolens
gebouwd
werden, is het lage land bij de Maas geweest dat als wei- of
grasland
voor het vee der boeren te Roer diende en oudtijds als Rura
werd
aangeduid. Bij dit Rura lag nu een hoogte, eene
terreinverheffing, ge-
schikt om bij hoogen waterstand veiligheid voor mensch en
dier te
brengen en om daarvan later eene versterkte plek te maken,
die ver-
dedigd kon worden tegen gewapend geweld. Er zijn er, die dit
„mun-
dium", een verlatijnscht saksisch woord van den stam „mun",
zoeken
tusschen Roer en Herten en daarvoor willen aanzien de hoogte
waar
voor eenigen tijd een sportterrein (stadion) geëxploiteerd
werd. Men
neigt naar deze meening over, omdat daarlangs en omheen
oudtijds
de oudste verkeersweg naar het zuiden liep over Herten, waar
vroe-
ger een romeinsche burcht, thans nog in de „Oudeborgh" terug
te
vinden, gestaan heeft en de hoogte vlak lag bij het „Ham",
de „haven"
bij samenvloeiing van Roer en Maas. Maar deze voorstelling
is niet
aannemelijk alleen reeds hierom, omdat ter plaatse geen
enkel spoor
van eenige nederzetting uit dien tijd terug is gevonden en
toch een
feit is, dat Roermond naam ontleende aan het „Ruregemunde"
en
zich elders gevormd heeft. Het „mundium" bij Rura is dan ook
niets
anders geweest, dan de hoogte, het plateau of
terreinverheffing, die
zich zoo ongeveer van de Kapel in het Zand tot aan de
Kathedrale
kerk uitstrekt en zich verder aansluit bij het hooger
gelegen Leeuwen
onder Maasniel. De kern dezer hoogte is nu verder te zoeken
daar,
waar thans de Kathedraal staat en waar oudtijds in
„Buitenop" de
oude parochiekerk gestaan heeft, welke moderkircke", nadat
zij ter
plaatse, waarschijnlijk door woest geweld of brand, was
vernield, in de
nabije Kathedraal voortleeft. De stichting nu van deze
oorspronkelijke
parochiekerk in „Buitenop" is dan ook de oorsprong van
Roermond
als vlek of dorp geweest en daar is de eerste samenleving in
vaste
nederzettingen rondom en bij het godshuis begonnen. Wanneer
de
stichting heeft plaats gehad en door wien de kerk gebouwd
werd is
onzeker, maar het vermoeden ligt voor de hand dat vanuit
Berg,
nadat vooraf de grond in cultuur was gebracht, voor de cura
anima-
rum" met een kerkbouw werd begonnen. Wij hebben immers
tevoren
15
dat de voogden voor hunne diensten beloond moesten
worden en dat
zij uit de immuniteit" ook inkomsten trokken wat
aanvankelijk 1/3
der opbrengsten in natura was en later aanzienlijk werd
uitgebreid en
de voogd tenslotte de wereldlijke heer werd van het
geestelijk goed.
Voogden die zich zelfstandig als grondheeren naast andere
machtige
dynasten konden handhaven, bleven onafhankelijk. Maar waar
dit niet
het geval was, werden zij, toen dit in zwang kwam, de
leenmannen
van machtigere heeren en kregen zoodoende op hun beurt een
tweeden
beschermer van het geestelijk goed, dat zij te beschermen
hadden. Zoo
is dus het Roermondsche kerkelijk goed welhaast zeker als
„immuni-
teit" onder een voogd gekomen, die later weer de leenman
werd van
den Gelderschen graaf. Er is evenwel een tijd geweest,
vóórdat Gelre
Roermond binnen zijn macht trok, dat de voogden alleen de
macht-
hebbers geweest zijn, die als onafhankelijk locale
bestuurders optraden.
Men kan dien tijd stellen op een 2 eeuwen zoo ongeveer van
900 tot in
het begin der 12de eeuw. Deze wereldlijke machthebbers waren
dus de plaatselijke autoriteiten, zij waren de rechters in
crimineele en burger-
lijke zaken der ingezetenen onderling, die aanvankelijk
lijfeigenen, daar-
na hoorigen en ten slotte laten of liten werden. Hoorigen
vormden
een geheel met den grond, gingen met het eigendom van den
grond in
ander bezit over, terwijl de laten wel is waar nog samen met
den grond
of hof verbonden waren, maar toch eenig roerend bezit konden
ver-
werven, erfrecht bezaten en sommige persoonsrechten der
vrije mannen
uitoefenden. Voor deze laatsten bestonden destijds de
zoogenaamde
laatbanken, waardoor zij in crimineele en burgerlijke
aangelegenheden
berecht werden en die met voorzitting van den voogd als
grondheer
door hem bezet werden. Toen nu later Roermond langzamerhand
een
grooter centrum van bewoning werd, er vreemden kwamen die
bui-
ten de daar geldende verhouding vielen, ontstond een wijle
een dual-
istische toestand, die vaak tot wrijving aanleiding heeft
gegeven,
totdat ten slotte ook dit latendom zich in burgerdom moest
oplossen
en allen poirters werden met gelijke rechten in de
stadsgemeenschap.
Roermond nu heeft de herinnering aan zijne oude voogden
willen vast-
houden door een straatnaam naar dezen te noemen. Nog niet
zoo heel
lang geleden liep immers de Voogdijstraat naar de „Voogdij"
eene be-
zitting der voogden bij de Venloschepoort. Maar wat meer
zegt is de omstandigheid dat het stadswapen en stadszegel
het wapenembleem
der eerste oude voogden mede heeft overgenomen in het
wapenschild.
Dit opnemen dateert reeds van vrij vroegen datum en is zelfs
tot 1336
terug te voeren toen het stadszegel samen met den
Gelderschen leeuw
de speerpunt (gleve) van den stadsvoogd opnam. Bij de
beschrijving
van het stadswapen wordt daarop teruggekomen. Tot de
bezitting van
de Roermondsche Voogden hebben eeuwen lang behoord o.m. de
Mo-
lengriend en de Polak onder de Roermondsche Weerd, samen met
het
huis Daelenbroeck, waar zij later gingen zetelen. Toen de
Fransche
revolutie het feodale systeem en alles wat daarmede
samenhing had
afgeschaft en Roermond bij de Fransche republiek werd
ingelijfd, ver-
dwenen ook de Voogden voorgoed van het tooneel. De oudst
bekende
17
bekende historici van vroeger en zelfs nog van thans
hebben zich met
eene zekere voorliefde op de geldersche geschiedenis
geworpen en
voelden zich daartoe aangetrokken, omdat het een brokstuk
van het
verleden is, waarin het doen en laten van ons voorgeslacht
in al zijne
tegenstellingen wel het scherpst wordt belicht en waarvan
wij de mooi-
ste en zekerste gegevens hebben. De oudere
geschiedschrijvers hebben
dan ook, toen zij de feiten niet meer vermochten te
achterhalen, de
sage neergeschreven, die aan den oorsprong van dit
gravengeslacht
in de volksverbeelding vastzat. En gelijk de oude koningen
van Rome
van Goden oorsprong namen, zoo konden de Geldersche graven
ook
geen gewone stervelingen geweest zijn. Hun oorsprong moest
aan iets
wonderbaarlijks verknocht zijn. Zoo gaat dan het verhaal van
den
draak van Pont, een vreeselijk monster, dat ergens in een
haast ontoe-
gankelijk woud schuilplaats had en schrik en dood
verspreidde in het
land. Alleen een buitengewoon man, een held, kon door zijn
moed
en onversaagdheid het menschdom van dit gedrocht bevrijden.
Die
man was de voorouder van de geldersche graven. Hij doodde
den
draak, die snevend „Gelre" rochelde en daarmede naam gaf aan
het
land, en terwijl deze sneefde onder eenen bloeienden
mispelboom, viel
de bloesem van dien boom in zijn drakenbloed, dat, samen met
den
bloesem, kleur en embleem van het oude stamwapen van Gelre
zoude
uitmaken. Men kan nu deze legende of mythe laten voor wat
zij is,
het feit, dat zij eeuwen heeft bestaan, belicht
psychologisch de macht
en het aanzien, dat reeds vroegtijdig de geldersche dynastie
gehad
moet hebben. Het is evenwel nog eerst een goede eeuw
geleden, dat
wij met zekerheid iets meer van de origine dezer graven
weten. Het
waren de Annales Rodenses", waarbij de oude geschiedenis van
Kloosterrade of Rolduc werd beschreven en welke „annales",
door
den geleerden pastoor Ernst gepubliceerd, meer licht
brachten.
Sinds weten wij, dat er weleer in het Vlaanderensche land 2
broeders
van edelen huize geweest waren, die het land om interne
beroeringen
moesten verlaten en naar den keizer kwamen. De keizer gaf
hun in zijn
rijk emplooi en stelde Gerhard te Wassenberg bij Gelre en
Rutger
te Kleef in twee vacante gravenposten. Dit plaatsen te
Wassenberg
wordt nu geschiedkundig vastgesteld op het jaar 1020 of 1021
en vanaf
dien tijd is de afstamming vrij regelmatig te volgen. Want
de achter-
kleinzoon van dezen Gerhard was de geldersche graaf Gerhard
I
† 1118, en na hem komen dan in volgorde Gerhard II † 1131,
en Hendrik
† 1182, die allen evenwel met Roermond in verband in de
documenten
niet voorkomen en van wien buitendien geen gegevens bekend
zijn,
dat zij ook werkelijk als zelfstandige, dus regeerende
vorsten voor-
komen. Otto I † 1207, de echtgenoot van Richardis, de eerste
abdis
van het Maria-Munster † 1231, is nu de eerste geldersche
vorst, die
in de stukken als regeerend souverein optreedt en met hem
vangt,
zoolang geen verdere gegevens meer licht brengen, derhalve
de meer
concrete geschiedenis van het graafschap aan. Het staat nu
vast, dat
deze Otto I † 1207, te Roermond een „villa" had, die in de
Keulsche
annalen staat aangeteekend als zijn „villa optima de
Ruremunde",
19
vast, dat het grafelijk bezit volgens den
stichtingsbrief van de Munster-
abdij van 1224 toen reeds tot het stadscomplex moest
gerekend worden.
De stadswallen zijn nu daarna nog eenige malen verlegd,
totdat wij
in de middeleeuwen de afronding kregen, die zich naar het
zuiden en
oosten uitdeinde met wallen en grachten, die nog steeds in
de straat-
benamingen der singels voortleven.
Het Maria-Munster werd daarop het centrum van de stad. Wij
zeiden
daarboven, dat graaf Otto I het oude oppidum samen met het
domein
van het Maria-Munster als „civitas Ruraemundensis" creëerde,
welk
domein volgens den stichtingsbrief van het Maria-Munster
reeds intra
Ruraemundae complexum" viel. Ook Gerhard, de stichter van de
abdij,
omschrijft zijn weggeschonken praedium nog nader door vast
te leggen,
dat hij zijne moeder bij zich wilde houden op zijn goed
binnen Roer-
mond. Dit vallen binnen de stadswallen van het Maria-Munster
met
zijn grafelijke abdis, heeft nu vrij snel op de toenmalige
Roermond-
sche samenleving een grooten invloed uitgeoefend en het kon
niet
anders of deze hooge geestelijke vrouwe werd de hoogste
geestelijke en
kerkelijke autoriteit ter plaatse, die geen
onafhankelijkheid op dit
gebied binnen Roermond kon dulden. Er ontstond namelijk
spoedig
na de stichting der stad wrijving tusschen abdis en voogd,
die het
patronaatsrecht van de parochiekerk met alles wat daaraan
vastzat
bezat en welke parochiekerk binnen de wallen lag. In dit
conflict moest
de voogd wel als mindere toegeven en hij verloor door een
zoogenaam-
den verkoop van zijne rechten de bevoegdheid om den
„parochus" aan
te stellen en gelijktijdig de verdere inkomsten der parochie
en dit ge-
schiedde in 1268. In het oude document staat nu wel, dat de
afstand
geschiedde om vrome redenen, maar het ligt voor de hand, dat
dit
wel niet goedschiks geschied zal zijn. Niet alleen kwamen er
nu con-
flicten om de geestelijke autoriteit met den voogd, den
ouden grond-
heer, ook zijne wereldlijke macht kwam spoedig in het
gedrang. De
door den graaf gegeven schepenbank te Roermond, die haar
jurisdictie
binnen de wallen uitoefende en over alle daarbinnen wonende
„poir-
ters" te zeggen wilde hebben, stuitte op moeilijkheden met
den voogd.
Deze had namelijk binnen Roermond de curtis Swartbroeck",
welke
laathof, die lag waar thans de protestantsche kerk staat,
viel onder
de jurisdictie van den voogd. De laten" of litones" een
soort van
halfvrijen, die aan den grond van den laathof vastzaten,
waren dus
door de stichting der „civitas" te Roermond in een
tweeslachtigen toe-
stand gekomen. Eenerzijds burgers, doordat zij binnen de
wallen kwa-
men te liggen, anderzijds laten van den laathof, kwamen zij
onder
twee autoriteiten te staan, die zich beiden wenschten te
handhaven,
zoo goed en kwaad het ging. Toch kon een machtsconflict niet
uit-
blijven; er moet een latenoproer geweest zijn, een soort
locale revo-
lutie, waarbij de graaf als rechter en als hoogste
autoriteit te pas is
gekomen. Er bestaat nu een mooi diploma, waarin de graaf
recht
spreekt en waarbij de verschillende rechten van voogd,
schepenen en
graaf nader worden gedetailleerd en omschreven. De laten
zouden
laten blijven, zoolang zij op den laathof of de daartoe
behoorenden
21
breidde en er drie zoogenaamde nederkwartieren
Nijmegen, de Ve-
luwe en Zutphen, als onderdeelen bijkwamen, bleef Roermond
de
hoofdstad van Gelre en werd het met zijn Costumen en Stads-
administratie als voorbeeld voor en bij de andere steden
gebruikt. Het
was deze Otto, die Roermond, waar zijne voorouders hadden
gewoond
en waar zijne ouders begraven werden, als zijne goede" stad
beschouw-
de en waar vele van zijne regeeringsdaden, die door de oude
stukken
nog bekend zijn, tot stand kwamen. Door zijn geldelijken
steun en
invloed werd de bouw van de Munsterkerk snel bevorderd en
hij plaat-
ste daarin het mooie praalgraf voor zijne ouders. En deze
goede tra-
ditie hebben ook zijne opvolgers lang gehandhaafd. Het mag
dan ook
geen verwondering baren, dat het steeds Roermond geweest is,
dat als
eerste stad voor de aangeboren stamheeren op de bres sprong,
wanneer
het noodig was en dit geschiedde vaak spontaan en zonder dat
een
beroep op hulp vooraf noodig was. Deze constante trouw aan
zijne
aangeboren stamheeren is dan ook voor Roermond niet zonder
nuttig
effect gebleven, want in veel grootere mate dan dit bij de
andere steden
van Gelre het geval was, kreeg het eene vrij snelle
uitbreiding zijner
privilegia en gunsten. Ook in de dynastieke geschillen in
den boezem
van het vorstenhuis koos het steeds de zijde van den
legitiemen opvol-
ger of handhaafde tot het uiterste de rechten van den
regeerenden
vorst. Na Otto II † 1271, kwam Reinald I † 1326, die door
den onge-
lukkigen slag bij Woeringen in 1288 voorgoed zijne
aspiratiën op het
hertogdom Limburg moest opgeven en als gevangen genomen
lands-
heer, was het Roermond, dat als eerste vooraanstond en
daadwerkelijk
hielp om het hooge losgeld in den kortst mogelijken tijd
bijeen te
krijgen. Voor dit losgeld, dat tenslotte de graaf van
Vlaanderen, de
tweede schoonvader van den graaf, voorschoot, kwam het
Geldersche
land onder sequestratie en onder direct toezicht van den
heer van
Valkenburg, die te Roermond resideerend, in direct contact
met het
stadsbestuur van daaruit de benoodigde gelden bijeenbracht
ter lossing
en het land vrijmaakte. Reinald, wiens regeering zoo
tragisch begon,
heeft daarna in wijs beleid zijn land bestuurd en zocht door
allerlei
middelen zijne onderdanen tot bloei en welvaart te brengen.
Roer-
mond profiteerde daarvan in eerste instantie. De muntslag
werd met
vergunning van den keizer in 1290 naar Roermond verlegd en
bij het
verleenen van stadsrechten aan Montfort, Wageningen in 1312
en in
1316 aan Zalt-Bommel, welke de stadsrechten van Roermond
kregen,
werd in de stedebrieven aan genoemde plaatsen vastgelegd,
dat zij in
burgerlijke geschillen op Roermond moesten appeleeren,
zoodat Roer-
mond een soort appelhof voor deze steden werd, waardoor zich
later
een soort stadsrecht in het graafschap, later hertogdom
Gelre, ontwik-
kelde, dat door de Roermondsche beslissingen werd geboren en
uit-
gedeind. Nog heden ten dage vindt dat destijds tot stand
gekomen
„Stad- en Landrecht" zoo nu en dan nog toepassing. Tragisch
begon-
nen, heeft Reinald I zijn leven ook in tragiek geëindigd.
Hij was in
zijne laatste levensjaren volslagen krankzinnig en werd op
het slot van
Montfort tot aan zijn einde verpleegd, waar hij stierf in
1326. Men
23
het hertogdom Gelre gingen twisten en vechten, waardoor
voor het
land en ook voor Roermond een zeer bewogen tijdsgewricht in
de ge-
schiedenis aanbreekt. Wat door grootvader en vader moeizaam
was
verkregen en langzaam opgebouwd, werd door een burgeroorlog,
waar-
bij de aanhangers van beide pretendenten als landskinderen
den vader-
landschen bodem vertraden en brandschatten, vernietigd en
verwoest.
In aanvang was de broedertwist niet ontstaan om den
hertogstitel maar
veeleer om de allodia van den hertog, d.w.z. om de
privé-goederen,
waarover de vader beschikkingen ook voor den jongeren
broeder had
getroffen. Tot deze goederen behoorden o.m. Zutphen en
verschillende
deelen van het Overkwartier, maar de constante vererving
dezer be-
zittingen op één eenigen mannelijken erfgenaam, die tevens
de lands-
heer werd, had deze bezittingen zoodanig in het rijksverband
opge-
lost, dat zij daarvan lastig te scheiden waren, zonder met
eene verdee-
ling niet tevens ook een scheuring van het Geldersche land
te creëeren.
Eduard eischte ten slotte voor zich de oude patrimonia van
de Gel-
dersche graven als zijn deel op en wilde daar de landsheer
worden,
waarom de strijd begon, die met tusschenpoozen tot 1361
heeft ge-
duurd. Na doode evenwel van Reinald II in 1343 hadden steden
en
adel, met Roermond wederom vóórop, het bekende verbond
gesloten,
waarbij zij den wettigen landsheer, zijnde Reinald III,
zouden steunen.
Het eerste voorbeeld van eene poging om een dynastieke
quaestie
zonder inmenging van den keizer door het land zelf met zijne
stenden
te regelen. Maar het land raakte ook om andere redenen
innerlijk ver-
deeld en wij weten, dat veeten van twee bekende Geldersche
geslach-
ten, de Heeckerens en de Bronckhorsten bij dezen
broederstrijd een
hoofdrol gingen spelen, totdat er een modus vivendi werd
gevonden
in een verdrag van 1352, een garantiepact, wederom met
steden en
adel gesloten, waarbij Eduard o.m. als heer van Roermond en
Over-
kwartier zou worden erkend. Deze transactie werd evenwel
door Rei-
nald geschonden en wel vrij spoedig, waarop de oorlog
wederom los-
barstte tot ten slotte de jongere broeder Eduard Reinald
beslissend
versloeg bij Tiel, waar Reinald gevangen genomen werd en
elders ge-
vangen bleef tot 1371, toen Eduard, die als hertog van Gelre
algemeen
erkend was geworden in een strijd tegen Brabant, dat Gulick
aanviel,
bij Baeswyler na den gewonnen slag verraderlijk werd
vermoord. Rei-
nald, de broeder, werd daarop uit zijn gevangenschap
ontslagen en als
hertog erkend, maar leefde nog eenige maanden en stierf in
hetzelfde
jaar. Met hen beiden stierf het oude geldersche
gravengeslacht voor-
goed uit.
Roermond heeft dus na 1343 aanvankelijk niet zonder strijd,
later vol-
gens eene overeenkomst meer direct onder de zeggingsmacht
gestaan
van den jongeren Eduard en dit verklaart daarom de
omstandigheid,
dat in dezen tijd zoovele gunsten en voorrechten die de stad
deel-
achtig werden van hem afkomstig zijn.
Aan het einde van dit hoofdstuk gekomen, zijn nog enkele
feiten te
memoreeren, welke voor de Roermondsche stedelijke
samenleving van
gewicht zijn geweest. Buiten de bevestiging en vaak daarmede
gepaard
25
om Adolfs zoon, Karel van Egmond, als de legitieme
vorst werd uit-
geroepen en gehuldigd. Maar deze Karel van Egmond heeft heel
zijn
leven lang krijg moeten voeren om zich als erkend vorst
staande te
houden, waardoor onder zijne regeering het land vrijwel
constant aan
krijg ten prooi was. Maar ook deze Karel stierf zonder
wettig oir in
1538, waarna er weer Successiestrijd kwam en het Geldersche
land
zich tenslotte verklaarde voor den Gulicker Willem II, die
eene korte
wijle als hertog van Gelre tot 1543 ten tooneele verschijnt
en in dezen
korten tijd zijn hertogstitel te verdedigen kreeg tegen den
machtigen
keizer Karel V, die eenigen tijd gebonden door zijn strijd
met Frans I
van Frankrijk, ten slotte de gekochte aanspraken op het
hertogdom --
hij was een zoon van Philips den Schoone -- met groot wapen-
geweld kwam opeischen om eindelijk door het tractaat bij
Venlo in
1543 Gelre tesamen met de overige Nederlandsche gewesten
onder een
landsheer te brengen, waardoor daarna deze 17 gewesten als
kroon-
landen van de Spaansche kroon werden beschouwd. Dit kort
aperçu
laat ruimschoots zien, dat het tijdsgewricht van 1371 tot
1543 voor
Gelre en dus voor Roermond een uitermate woelige tijd
geweest is.
De herhaalde Successieoorlogen, die de partijschappen der
Heeckerens
en Bronckhorsten actief maakten, de onzalige familiestrijd
in den boe-
zem van het vorstenhuis, de moeilijkheden der verpanding van
het
hertogdom met het schisma van Luther, brachten het land in
rep en
roer. Maar hoe woelig en onzeker de tijden ook waren, voor
de zelf-
standige ontwikkeling der gestichte steden was een en ander
niet on-
gunstig. Door den nood gedwongen en op eigen behoud vaak
aange-
wezen sloten de steden onderlinge verbonden, lieten zich als
machts-
factoren in het land gelden en spraken zich zelfstandig voor
een lands-
heer uit, dien zij alleen als wettig vorst erkend wilden
zien. Omringd
door grachten en achter hun versterkte wallen, waren de
burgers eener
stad een gemeenschap geworden, waarmede de landsheer
rekening had
te houden, te meer waar het geld voor het landsbestier
meestal door
de burgerij der steden werd opgebracht. De nood der tijden
bracht
deze stenden, de stedelijke democratie, naar boven en thans
zien wij
dan ook, dat bij iedere wisseling van landsheer, de nieuwe
heerscher,
na de verkregen gunsten en privilegia van voorgangers te
hebben be-
zworen of nieuwe te hebben gegeven, zich moet laten huldigen
door
de stadsbesturen. Het zijn thans de steden, die hare zegels
aan vóóraf
goedgekeurde huwelijksacten hunner vorsten hechten, die borg
blijven
voor aangegane verbintenissen van den landsheer, maar die
dan ook
bij herhaling door belegering en brandschatting voor haar
trouw moes-
ten boeten. In 1343 was reeds onder leiding van Roermond bij
doode
van Reinald II het eerste groote stedenverbond gesloten,
waarbij de
meeste steden van Gelre in den verbondsbrief zich nauw
aaneen sloten
om onderling met handhaving en verdediging harer privilegia
den door
haar voor legitiem verklaarden opvolger te steunen en geen
ande-
ren te erkennen. Deze stedenverbonden hebben dan ook bij
herhaling
daarna bijgedragen om de machtspositie in het landsverband
van een
stad te handhaven en Roermond heeft daarbij steeds eene
leidende
27
onaardig om hier een lijstje te geven van die conventen
en godshuizen,
die meerendeels in deze periode gesticht werden of tot
grooteren bloei
kwamen.
Wij hadden dan vooreerst de parochiekerk „Buiten Inop", die
tot het
einde der 15de eeuw moet bestaan hebben om plaats te maken
voor een
nieuwe parochiekerk op den Christoffelsberg, waarop thans de
kathe-
draal staat. Met deze nieuwe parochiekerk werd begonnen in
het begin
der 15de eeuw. De parochiekerk daar in „Buiten op" is het
eerste gods-
huis van Roermond geweest en moet lang voor de stichting der
stad
ter plaatse hebben gestaan.
Over het Maria-Munster spraken wij reeds. Officieel gesticht
in 1224,
werd met den bouw waarschijnlijk reeds in 1218 begonnen. In
de 14de,
15de en 16de eeuw was dit godshuis verreweg de voornaamste
kerk-
bouw der stad en het rijkst aan bezittingen. Daarna volgen
chronolo-
gisch de Minderbroeders in 1307 als klooster gesticht en in
de 14de en
15de eeuw in hoogen bloei bekend. In 1311 werden de Begijnen
buiten
den Stadswal reeds genoemd en vóór 1322 komen zij binnen de
wallen
op het Begijnhof. Ook is in 1322 reeds sprake van de
Beggarden, die
hun convent op den hoek van de Bakkerstraat en
Swartbroeckstraat
gehad hebben. In 1344 wordt het bekende klooster Emaus of
Gods-
weerd gesticht op het Deemsel, en waar thans het complex der
Ursuli-
nen staat, kregen deze Franciscanessen in 1483 verlof om
haar convent
te timmeren. In 1370 sticht Werner van Swalmen een kapel,het
huys
Bethleem" bij de Steeg en vlak daarbij bouwt zijn broeder
Robinus
in 1376 de Kartuizers, waar thans het Seminarie staat. In
1389 wordt
reeds gesproken van het Predikheerenhuis in de
Munsterstraat. In
1409 bestond reeds de broederschap van St. Cornelis, genoemd
naar
de kapel, die in 1422 aan de Kruisheeren werd overgedaan. In
1437
sticht Johannes van Loeven (de Lovanio) het klooster der
reguliere
kanunniken van den regel van St. Hieronymus in de
Jezuietenstraat
waar thans de burgerschool ligt en waar ook Jezuieten
vroeger hebben
gehuisd. In 1463 wordt het klooster van Mariagaerde gesticht
naar de
orde St. Augustinus, terwijl ongeveer ook in dezen tijd het
klooster
Maria-Wee ontstaat, waarvan het klooster oorspronkelijk ook
buiten
de stad bij den Molenberg, ongeveer waar thans de Kathedraal
staat,
gelegen heeft, daar in 1412 gesticht door de hertogin Maria.
Hertog
Karel gaf aan de nonnetjes van Maria-Wee verlof om in de
stad te
komen en zich te vestigen in de Veldstraat. Dan was er de H.
Geest-
kapel, waarin de uit St. Odiliënberg verdreven kanunniken in
1361 ver-
gunning tot vestiging van den Roermondschen magistraat
hadden ge-
kregen. De kapel zelf, die op den hoek van Munsterstraat en
H. Geest-
straat gelegen was, stond er reeds eeuwen tevoren en had
behoord aan
de hospitaalbroeders van den H. Geest, die zich de
liefdadigheid en
ziekenverpleging met de stedelijke armenzorg aantrokken en
de Kapel
van het St. Jorisgasthuis hadden op den hoek van het
Munsterplein,
waar thans het Munsterhotel staat. Dit St. Jorisgasthuis was
reeds om-
streeks 1259 bekend. Al deze godshuizen met hun aanhang,
waarnaast
nog verschillende vrome vereenigingen kwamen met religieuzen
onder-
29
der 15de eeuw schijnen er bij herhaling wrijvingen
tusschen magis-
traat en de gilden te hebben plaats gehad, die tot relletjes
en oproe-
ren aanleiding hebben gegeven tot ten slotte in een
convenant van
1449, door den magistraat met de gildenbesturen gesloten,
een regeling
werd getroffen, waarbij aan de gilden medezeggenschap en
contrôle
op den gang der gemeentelijke aangelegenheden werd
toegekend. Bij
het oude stadsbestuur zouden 6 mannen worden gevoegd uit de
gilden
en door de gilden zelf gekozen om speciaal op het finantieel
beheer
van den peyburgemeester te letten, en -- waar het
voornamelijk om
ging -- het stadszegel moest afgesloten worden in een kastje
met drie
sloten op grendel, waarvan een sleutel de magistraat kreeg,
een sleutel
de werkmeesters der gilden onder berusting hadden en de
laatste sleu-
tel bij de nieuwtoegevoegde zesmannen in bewaring bleef. Dit
stads-
zegel, dat, wat wij reeds zagen, gebruikt werd om aan de
Roermondsche
waar cachet te geven, maar ook voor alle officieele stukken
der stad
moest gebruikt worden, kon voortaan dus slechts onder
contrôle van
3 menschen voor de diverse doeleinden gelicht worden.
Veel later in de 16de eeuw werd het Stadsbestuur nog
aangevuld met
10 mannen, uit de gilden door de gilden gekozen, die het
stedelijk
bestuur bij de administratie moesten helpen. Uit het
voorgaande is
nu bij de geleidelijke ontwikkeling van den stedelijken
magistraat te
constateeren, dat de eigenlijke medezeggenschap der burgers
in het
stadsbestuur eerst bestond in het recht van eigen schepenen,
die met
wat stedelijke administratie erbij, alleen rechtspraken, te
mogen kie-
zen, waarbij later de door de burgers gekozen raadslieden
kwamen,
die de eigenlijke stadsadministratie kregen buiten de
rechtspraak, maar
dat daarna het gildewezen op de stadsadministratie ten
slotte een
grooten invloed ging uitoefenen. Men kreeg derhalve dezen
toestand,
dat de schout de grafelijke vertegenwoordiger was in het
stadsbestuur,
die de vonnissen van de schepenbank uitvoerde en de
strafrechter bij
zware misdrijven voor den landsheer bleef, de schepenbank
het rech-
terlijk college, dat de twistgedingen der burgers
beslechtte, maar ook
het publieke lichaam was, waarvoor alle publieke acten
gepasseerd
moesten worden, terwijl de huishoudelijke aangelegenheden
der stad
verzorgd werden door den raadsburgemeester, geholpen eerst
door de
raadslieden en later door de gekozenen uit de gilden.
Naast dezen religieuzen en administratieven opzet van de
Roermond-
sche samenleving had zich ook de handel in de stad en naar
buiten
in de 14de eeuw snel ontwikkeld. Bij de stichtingsbrieven
kregen de
steden bijna altijd haar jaarmarkt gepatenteerd, maar
Roermond had
reeds in 1372 3 groote jaarmarkten, die wijd en zijd bekend
waren en
deze 3 jaarmarkten werden gehouden op Dinsdag na Pinksteren,
waardoor de Kermis ontstond, op St. Remigiusdag op 1 October
en
Sinte Barbara op 4 December, ironisch de Barbarenmarkt
genoemd.
De markttijd duurde 6 dagen en wel 3 dagen vóór en 3 dagen
ná
vermelde dagen, waarop Roermond vol vreemdelingen was en de
marktplaats en ook elders gevuld was met tenten en kramen.
De jonge
hertog van Gulick gaf nu nog een 4de jaarmarkt erbij, maar
deze
31
Door het snel partijkiezen voor den jongen Willem van
Gulick als
landsheer heeft Roermond de politieke euvels aan den lijve
gevoeld.
De aanhang van Mechteld van Gelre met de partij der
Heeckerens be-
rokkende in dien burgerkrijg den Roermondschen handel veel
schade,
en hun legers kwamen vaak tot voor de wallen van Roermond,
na het
omliggende land gebrandschat te hebben. Dit duurde zoo
ongeveer tot
1377, toen Mechteld gedwongen werd om van hare aanspraken op
het
hertogdom Gelre afstand te doen. Maar erger werd het daarna
toen
de oude aartsvijand van Gelre en Gulick weer krijg begon te
voeren
om bezitsquaesties over Grave, waardoor Brabant met Gulick
over-
hoop lag. De Brabanders hadden in dezen strijd Fransche hulp
gekre-
gen en een groot leger van Franschen kwam Roermond belegeren
in
1387, wel is waar zonder resultaat van inname maar toch niet
zonder de
noodige schrikaanjaging, die de magistraat noodzaakte om de
parochie-
kerk, destijds nog in „Buiten op" staande, te slechten en
veiliger bin-
nen de stadswallen op te trekken. Buitenop was wel door Maas
en
Roer beschermd met wat lagere omwalling maar bleek toen toch
een gevaarlijk punt. Dit beleg was dan ook voornamelijk de
reden,
waarom de parochiekerk ter plaatse voorgoed verdween en op
den Christoffelsberg werd gebouwd, die binnen de zwaardere
omwalling
der stad lag. De vrede met Brabant kwam weliswaar in 1390
tot stand,
maar de oorlog barstte opnieuw los in 1397 en werd voor
Roermond
gevaarlijker, wijl de electbisschop van Luik tegen zijn
zwager Willem
van Gelre en Gulick partij koos en samen met de Brabanders
en Lui-
kenaars Roermond ging belegeren. De troepen hebben toen
eenige
maanden voor Roermond gelegen, dat van de buitenwereld
afgesloten
een kleinen hongersnood gekend heeft. Bij beide belegeringen
was de
Geldersche hertog te Roermond aanwezig en leidde de
verdediging.
Willem stierf in 1402 en een historicus uit de 17de eeuw
vertelde van
hem, dat zijn strijdlust niet door de jaren werd getemperd
en zijne her-
innering als een goed en dapper regent bleef voortleven.
Onder Reinald,
zijn broeder, die hem opvolgde was het buitenaf wat rustiger
maar de
angst voor het kinderloos overlijden van dien landsheer met
al de
euvels van eenen nieuwen successie- en tegelijk burgerkrijg
bracht de
steden tot het bekende convenant van 1418, waarbij bijna
alle steden
en het meerendeel der ridderschap van Gelre reeds tijdens
het leven
van Reinald zich aaneensloten om slechts den landsheer te
erkennen en
te huldigen, dien de meerderheid accepteerde. Door dit
stedenverbond,
dat Reinald in 1419 moest bekrachtigen, verdween voorgoed
het vorste-
lijk absolutisme op dit gebied en werd geen landsheer meer
erkend of
gehuldigd, die niet vooraf door de stenden, wat de steden en
de adel
waren geworden, was gekozen. In 1423, toen Reinald IV ter
ziele ging,
sprak Roermond zich een oogenblik uit voor Adolf, hertog van
Berg en
Gulick, een der drie pretendenten, maar legde zich daarop
bij de keuze
der meerderheid neer, die zich voor Arnold van Egmond had
ver-
klaard. Eenmaal nu als landsheer aangenomen, bleef Roermond
Arnold
trouw, ondanks de reeks van moeilijkheden en gegronde
grieven, die
speciaal Roermond tegen dien landsheer opwierp en het liet
hem niet
33
en de omgeving tot 1499 in oorlogstoestand bracht,
waarna een korte wapenstilstand werd gesloten die weer
eindigde toen Philips de Schoone
in 1504 Gelre trachtte te heroveren en in het noorden reeds
verschil-
lende steden had ingenomen. Karel van Egmond bestookte toen
vanuit Roermond, dat in zijn macht bleef en waar hij zich
ophield, Brabant
en de Meyerij. Toen Philips de Schoone daarop vrij
plotseling stierf,
kon hertog Karel met Fransche hulp het meerendeel van Gelre
weer
heroveren. De politieke rust keerde evenwel niet terug,
ondanks de onderhandelingen door Maximiliaan gevoerd om
Karel het noordelijk
deel van Gelre toe te kennen, terwijl Maximiliaan Roermond
zou krij-
gen, maar een en ander stuitte af op den onwil aan beide
zijden en
de strijd bleef voortduren tot 1513, in welk jaar een
verdrag tot stand
kwam voor 4 jaar, waarbij Karel van Egmond hield wat hij in
zijn
macht had en dit was het grootste deel van Gelre. Dit
verdrag werd
om de 4 jaren telkens vernieuwd tot 1528, waarbij na doode
van
Maximiliaan keizer Karel V met hertog Karel van Egmond
overeen-
kwam, dat deze laatste zijn hertogdom Gelre kon behouden,
maar na
doode zonder wettig mannelijk of vrouwelijk oir, op den
keizer moest
vererven. Deze strijd voor en rondom Roermond, waarbij de
stad
in groote schulden was geraakt, bracht verder nog een
belangrijken
schadepost voor Roermond mede, doordat de stad het
lucratieve sta-
pelrecht verloor dat van Roermond naar Venlo verplaatst werd
door
eene beslissing van den hertog zelf in 1523, die Venlo
wenschte te be-
voordeelen, omdat het aan deze stad zou gelegen hebben, dat
het Ove-
rkwartier destijds in 1510 niet door Bourgondische troepen
was ver-
meesterd. Een kleine vergoeding daarvoor kreeg de stad
evenwel in
1527, voor de groote schade die zij in oorlogstijd had
opgeloopen, door-
dat zij den stedelijken muntslag van gouden en zilveren
munten
kreeg, waarop zij, na keuze tusschen hertogelijk of
stadswapen, het
stadswapen mocht slaan. De stad sloeg toen als spreuk op
haar geld
het Aequitas judicia tua Domine", wat naderhand haar devies
zou
worden. De erfenisregeling met keizer Karel bleef hertog
Karel hinde-
ren en in het geheim begon hij met den Franschen koning
onderhan-
delingen over den afstand van Gelre na zijn dood. Maar het
geheim
tractaat van 1534 bepaalde, dat de 4 hoofdsteden met den
adel van
Gelre, de overeenkomst vooraf moesten goedkeuren, wat binnen
3
jaren moest geschieden. Karel stelde deze goedkeuring steeds
uit, tot-
dat op den bekenden landdag te Arnhem der Stenden of Staten
van
Gelre, de overeenkomst met Frankrijk nadrukkelijk werd
verworpen
en zij verklaarden na doode van Karel een zelfstandige keuze
van
landsheer te zullen doen en dit werd nog eens op den
kwartierdag
te Roermond in 1537 herhaald, toen steden en ridderschap ook
deze aangelegenheid ter sprake brachten. Hertog Karel moest
zwichten voor
dit gezamenlijk optreden zijner onderdanen, na nog eens in
1537 al de
privilegia van Roermond te hebben bevestigd, spraken de
steden en
ridders zich te Arnhem in 1538 uit voor Willem hertog van
Gulick en
Kleef als toekomstigen landsheer, die nog in 1538 bij het
overlijden van
den ouden hertog, overal als landsheer werd gehuldigd en in
Roer-
35
ROERMOND EN GELRE VAN 1543 TOT AAN DEN
FRANSCHEN TIJD
door
A. F. VAN BEURDEN
§ 1.
ROERMOND ONDER KAREL V 1543-1555.
AREL V, geboren te Gent 24 Februari 1500, de almachtige
regeerder van een wereldrijk, waarin de zon niet onderging,
dominateur in Europa, Afriquen, Asien en de landen van
Overzee, had ten slotte het verzet van de Geldersche Herto-
gen Karel v. Egmond (1477-1538) en zijn neef Willem van
Gulick, Kleef
en Berg (1538-1543) kunnen breken. Het had harden strijd
gekost; de onderzaten hadden daarbij veel geleden.
De stad Düren had standvastig geweigerd zijn gezag te
erkennen en zijne centralisatieplannen tot het laatst
gedwarsboomd. Zij steunde Willem,
die echter tegen het machtige leger des Keizers niet
opgewassen was.
Op 24 Augustus 1543 werd Düren ingenomen. Het werd
geplunderd en
in brand gestoken, waarbij de in de stad gebleven bevolking
vermoord
werd. Overwinnend trok het leger naar Gulick, Sittard,
Heinsberg, Was-
senberg, Susteren en Roermond, die het beste deel verkozen
en vrij-
willig de poorten openden.
Op 2 September 1543 hield de Keizer, met Réné van Oranje en
andere
hooge heeren naast zich, zijn intocht in de Roerstad. Maar
Venlo bleef
de erkenning van Karels oppergezag weigeren. De Keizer trok
daarop
met zijn leger voor deze stad en deed haar door een heraut
opeischen,
die onverrichter zake terugkeerde. Men richtte zich in het
keizerlijk
leger in op een regelmatige insluiting en een beleg, voerde
steenwerpers,
geschut en ladders aan -- maar men moest
ondervinden, dat de Venlo-
naars sterk in den tegenweer waren. Willem van Gulick zag
in, dat hij
het onderspit moest delven en Venlo zou vallen en begaf zich
daarom
met den graaf van Holstein, den Coadjutor-Bisschop van
Keulen, den
graaf van Meurs en Dr. Johannes Gropper naar het veldleger
waar hij in
de tent van zijn grooten tegenstander nederknielde en hem
vergiffenis
vroeg. Maar de Keizer liet hem in knielende houding zitten,
sprak geen
woord tot hem en verliet de tent. Venlo ging over, maar de
flinke verde-
diging had zoodanigen indruk gemaakt, dat ook Roermond en
het Over-
kwartier goede voorwaarden verkregen. Uit de
onderhandelingen werd
een verdrag geboren, de vrede van Venlo van 11 September
1543, geslo-
ten tusschen Keizer Karel V, de baanderheeren of
banierdragers, de
ridderschap en de steden van Gel-
37
tinnen kannen vol kostelijken wijn, welke in de
wandeling „de twaalf
Apostelen" genoemd werden. Ook werden er op de Markt heel
wat
teertonnen op staken als vreugdevuur verbrand.
Karel V was in 1549 de Regeering moede en deed zijn zoon
Philips
naar de Nederlanden komen, om hem overal als zijn
toekomstigen
opvolger te doen huldigen en de privilegiën der steden en
der ingeze-
tenen te bezweren. Dat geschiedde snel achter elkander; te
Nijmegen
17 October 1549, te Venlo 19 October 1549, en hier te
Roermond 21
October van dat jaar. Tusschen die huldiging ligt telkens
maar één
reisdag, wat bij de slechte verbindingswegen niet ruim
gemeten is,
zoodat men kan zien, dat er gang achter gezet werd.
In het toenmalige maatschappelijke leven speelde nog steeds
eene in-
stelling ná den Merovingischen tijd door een anderen
Karel, n.l. Karel
den Groote, ingevoerd, het leenstelsel, een rol, wel niet
zoo ingrijpend
als in de middeleeuwen, maar er moest toch nog op vele
plaatsen
rekening mede gehouden worden. De leenman of beleende kreeg
stuk-
ken land, vaste goederen of jachtrechten van den Vorst, die
eerst zeer
groote eigendommen door den krijg verkregen had, ter leen.
De be-
leende moest daarvoor zijn leenheer gewapenderhand bijstaan.
Lang-
zamerhand werd deze hulp vervangen door een opbrengst in
natura
of in geld, te betalen bij overgang door dood, huwelijk of
anderszins,
aan erfgenamen of verwanten. Aldus hielden de Heeren een
leenacten-
boek, waarin de overgangen en vernieuwingen opgeteekend
werden,
zooals er van het Overkwartier en Roermond in het
Rijksarchief te
Arnhem nog aanwezig zijn.
De tijdelijke bezitters der leenen, heerlijkheden en
grootere eigendom-
men, splitsten de hoofdleenen weer in onderleenen. Dit
stelsel was door
den loop der eeuwen heen diep in het volksleven ingedrongen,
maar
was in de nakoming der verplichtingen over het algemeen zeer
verzwakt
en de rechtspraak daarover was zeer verward op dit punt.
Keizer Karel V maakte zich een naam door dit alles beter te
regelen.
Daarom gaf hij aan de Regeering te Arnhem uitspraken over
het leen-
recht d.d. 10 September 1547 in 18 artikelen en 10 October
1547 een
reglement op dit stuk.
Dat dit ook voor Roermond van gewicht was, willen wij hier
aanstip-
pen door eenige hoofdleenen die „ten Gelrischen of ten
Gulickschen
rechte" bestonden en in het Register van leenactenboeken te
Arnhem meergenoemd op no. 82 tot en met 87 aangeteekend
zijn.
Geldersch leen: „die Voochdije van Roermond met erve, guede,
molens, visscherij, molengrient samen met het huijs
Daelenbroeck." Oorspron-
kelijk staat dat leen geboekt op Godert van Vlodrop, voogd
a°. 1402
en liep door eeuwen heen verder op de verschillende latere
beleenden
uit het geslacht van Vlodrop, tot de Stad Roermond het door
aankoop
verkreeg.
De voochdije bezat ook een eigen laetbanck, zich
uitstrekkende over
een deel der eigendommen op de Swalmerstraat, voor welker
„laeten"
of bijzitters erven overgebracht konden worden, waarvoor een
bedrag
39
giften gegeven. Dit was een stap in de goede richting
tot verheffing
der stad. Omtrent de scholen zal in een andere bijdrage
uitvoeriger
gesproken worden.
Maar nu kwam over de stad een groote ramp, die haar jaren en
jaren
in hare welvaart terugzette.
Op 15 en 16 Juli 1554 verbrandde het voornaamste en rijkste
deel
der stad. Niet door versuijm van vuijr, maar door
moortbrant" zooals
wij nader zullen zien uit een proces, berustend in de
Rijksarchieven
te Arnhem en door Dr. J. S. van Veen uitgegeven.
Op bevel van den „viant", hadden zes boosdoeners den 14en
Juli 1554
des nachts de muren met ladders beklommen aan den weidekant
en
lange smeulende vuurpoppen gelegd bij de Pastorie aan de
Hoogkerk,
bij de Kartuis op de Swalmerstraat, ook in een hooiberg en
in een
klein strooien huisje.
De brand brak eerst den volgenden dag, 15 Juli tegen den
avond, uit
en liep schielijk voort, gevoed door de strooien en rieten
daken en de
vele houten gevels. Een gedeelte van de St. Christoffelkerk
verbrandde,
alsook de H. Geestkerk, het Stadhuis, de Kruisheerenkerk bij
de Ham-
straat, met Swalmer- en Oliestraat; de tusschengelegen
straten lagen in
puin; totaal vernield werden 900 huizen. Overal jammer en
verslagen-
heid. Daarop volgde negen dagen later, op St. Jacobsdag, een
hevige
storm; de nog recht staande muren werden omgesmeten.
De Regeering met het Stadsbestuur namen onmiddellijk
maatregelen om
nieuwe noodwoningen te stichten; de ingezetenen, wier huizen
vóór den
winter niet hersteld konden zijn, werden in de Kartuis
ondergebracht.
Men vreesde, dat een goed deel der inwoners weg zou trekken.
De plat-
telandsbewoners werden opgevorderd met paard, kar en schop
om het
puin uit de stad te brengen. Men gaf toeslag voor het leggen
van harde
daken en voor den herbouw. Velen waren geruïneerd, want de
brand-verzekeringen ontstonden eerst eeuwen later, zoodat
een brandongeluk
voor de meesten geheele ondergang beteekende. Wij willen er
aan her-
inneren, dat vele steden in de middeleeuwen door groote
branden
geteisterd werden. Dit lag aan het veelvuldig gebruik van
hout als
bouwmateriaal, de open lage schoorsteenen, de nauwe straten
en het
totaal onvoldoende brandbluschmateriaal. Ook Gelder,
hoofdstad der
„Vaechdij", was zeven jaar te voren op 2 Mei 1547 door
misdadige
handen in brand gestoken en geheel vernield.
De misdadigers werden, evenals die van Roermond, later
opgespoord,
gepijnigd en gehangen. Maar dit kon den achteruitgang dier
steden niet tegenhouden, alhoewel de nabuursteden naar
vermogen bijsprongen.
Karel V ging gebukt onder de tegenslagen en teleurstellingen
en
wenschte voorgoed de kroon en den schepter aan zijn zoon
over te
geven, als vroeger reeds vermeld. Hij nam in Brussel
plechtig afscheid
van zijn Nederlandsch volk in 1555 en in 1556 van 't
Spaansche en
Duitsche. Hij trok zich toen in kloosterlijke eenzaamheid
terug in
St. Just bij Placencia in Estramadura en stierf aldaar den
21 September
1558.
Hij werd in de Nederlanden, in Spanje, Italië en de Koloniën
opgevolgd
41
hoofd der beweging stond. Ze waren Peter Bex, Thys
Severyns, Hendrik
van der Smitzen en Hendrik van Aa.
De gevolgen bleven niet uit. Het zwakke bestuur der stad nam
weinig tegenmaatregelen en dan nog alleen onder herhaalde
aanmaning van
boven. In Roermond werd de beeldenstorm voorbereid en brak
ook daar
uit in 't najaar 1566, later dan op andere plaatsen. De
Regeering trad tus-schenbeide. Alva was verschenen en de
indagingen begonnen. In Roer-
mond moesten allen, die verdacht werden de hervorming
begunstigd te
hebben of aan de beeldstormerij medegedaan te hebben, voor
den Kan-
selier Adriaan Nicolaï en den raad Joost van Cranevelt
verschijnen, na
door den Schout daartoe opgeroepen te zijn. De meesten, ten
getale van
honderd twintig, verschenen niet, daar ze gevlucht waren.
Zij werden
voor eeuwig uit deze landen verbannen en verloren al hunne
goederen.
Achttien werden er bijzonder vervolgd, omdat zij aan den
beeldenstorm medegewerkt hadden. Peter in den Iseren Craem
had o.a. den predi-
kant in de stad gehaald en had koster gespeeld; hij had
zelfs ijzeren
koevoeten laten maken, om alles beter te kunnen vernielen.
Hendrik
van Wessem had den beeldstormers een brief van den Prins van
Oranje
laten lezen, waarin stond, dat men den beeldenstorm moest
toelaten.
Jacob Craetzpot had de kerk mede opengebroken en een kelk
gestolen.
Hendrik van Aa was een der eerste ophitsers der ketters
geweest tot
zij naar de wapens grepen. Schram van Dulcken had de preek
bijge-
woond, voorzien van een geladen geweer. Peter Tessers had
een ton
bier gegeven aan de beeldstormers. Peter Bijlemaker had de
geuzen bijeengetromd en opgevorderd de preek bij te wonen.
Hendrik van der
Smitsen, de apotheker, was ook van de partij geweest. Al
deze opge-
noemden behoorden tot de beter gestelde inwoners of poorters
van
Roermond. Onder de eigenlijke handdadige beeldenstormers
kwamen
meer onbekende volksnamen voor of wel voornamen van personen
met het beroep van metselaar, handlanger, snijder, enz. De
vernieling
en verwijdering der beelden, het schenden der kerken, had
men aan het
onkundige volk overgelaten; het schijnt, dat er te Roermond
ook
vreemdelingen mede geholpen hebben, alhoewel het gewone volk
daar
ook naar den raad der predikers luisterde, om alle houten en
steenen
beelden, gekleurde glasramen en gewijde vaten te vernielen.
Vele kunst-
schatten zijn toen te loor gegaan. Het pardon van 16
November 1569
door de regeering uitgeschreven verzachtte de zware
straffen.
Maar er kwam eene kentering in den lande en ook in Roermond.
Filips
was diep verontwaardigd over den beeldenstorm en zond een
zijner
beste veldheeren den gestrengen Don Alvarez de Toledo,
hertog van
Alva, met een leger van 14000 krijgslieden als wreker der
misdaden
aan het erf en goed der Kerk begaan. Dat bracht er den
schrik in. De
edelen met Willem van Oranje en allen die maar eenigszins
aan den
ommekeer medegeholpen hadden vluchtten uit het land; het
verdere
verloop kent men uit de Roermondsche kronieken: 120
gevluchte
personen, onder wie 18 beeldstormers, werden berecht „met
goede
justitie, nae gesteltenisse en yeders misdaet, alle
overvloedige
dilationes affsnijdende ende wederleggende." In Roermond kon
men
43
op 8 November 1576. De hoofdbepaling was de vrije
uitoefening van
den Katholieken Godsdienst en opheffing der gestrenge
placcaten.
Don Louis de Requesens beoorloogde de Staten nog op eigen
hand.
29 October 1573 verdween de Hertog van Alva van het tooneel,
hij
werd opgevolgd door Don Louis de Requesens, een Castiljaan,
zieke-
lijk, meer staatsman dan soldaat. Deze bedacht Roermond met
een
groot garnizoen en plaatste er 8 September 1574 vier
compagnieën
Duitschers ten getale van 1600 man, aangevoerd door Blasius
van
Vegersheim, een luitenant van kolonel en overste v.
Pollweiler. De stad
kwam nu nog erger in de ellende te zitten. De Duitschers
bleven 5 jaren
in de stad en sloegen af en toe aan 't muiten wegens niet
betaling der
soldij; dat tijdperk heeft nog lang in de herinnering der
Roermonde-
naars voortgeleefd.
Pollweiler trad als dictator op, stoorde zich niet aan het
stadsbestuur en
liet zijn soldaten hun gang gaan. Hij en zijn adjudant
hebben de stad
uitgezogen en verarmd; in 1575 sloten zij den magistraat in
de kerk op.
Het was zoo erg, dat men de Pollweilerschen met geweld wilde
ver-
drijven. Drie Geldersche vendels trokken op de stad af.
Hohenlohe
bracht er nog troepen bij, maar de belegering had geen
succes, men kon
niet in de stad komen, al had ze ook droge grachten en
wrakke muren.
Van Vegersheim ging voort alle inkomsten der stad tot zich
te trekken.
De vereeniging der zuidelijke katholieke gewesten onder
Spanje volgde
door de Unie van Atrecht, die der opgestane gewesten in 1579
door de
Unie van Utrecht. Onze gewesten bleven door Spanjaarden
bezet,
alleen Venlo sloot zich bij de Staatschen aan.
Eerst in het begin van Januari 1579 maakte Pollweiler
aanstalten om te
vertrekken en ging hij het ambt Crieckenbeck, Tegelen,
Kaldekerken en omstreken gelukkig maken. Zijn adjudant van
Vegersheim bracht de
sleutels der stad terug en reikte ze aan de burgemeesters
van Hertevelt
en van Nederhoven over, maar niet zonder dat hij de stad nog
een tijd-
lang f 18 per week voor zich afgeperst had. Nadat de troepen
allerlei
schandalen gemaakt hadden, marcheerden ze 17 Maart 1580 af.
Hierbij
staat in de chronieken nog als bijzonderheid vermeld, dat
het dadelijk
daarna drie dagen en drie nachten zoo gestortregend heeft,
dat het
scheen of de natuur medewerken wilde, om het Pollweilersche
vuil in
eens uit de stad te spoelen.
Den 9den Februari 1580 had de Hertog van Parma opnieuw in
naam des
Konings voor het Overkwartier een afzonderlijk Regeerings-
en Rechts-
college gevestigd en als standplaats Roermond aangewezen
n.l. den
Souvereinen Raad of het Hof van Gelderland. Deze zou, met
den Stad-
houder aan het hoofd, bestaan uit een Kanselier (Willem
Criep), twee
adellijke raadsheeren, zes gewone raadsheeren, een momboir
of fis-
kaal, een griffier en een leengriffier; de domeinen werden
door de
Rekenkamer, ook te Roermond gevestigd, bestuurd.
Zooals we gezien hebben hadden de ingetreden
oorlogstoestand, de Pollweilersche soldatenregeering, die de
stad tot ruïne en den bedel-
staf gebracht had, en de niets ontziende afpersingen der
soldatenbende,
de stad tot een noodtoestand gedreven. De Roermondsche
bestuurders
45
meenen ondergang en deed dit door concessies, die haar
zelf niets kost-
ten, en den last op den handel legden. Roermond kreeg het
recht, om
hoogeren tol te heffen van voorbijgaande schepen, maar de
schepen
van vreemde plaatsen waagden zich niet langs de
oeverbezettingen
der vijandelijke benden te varen, zoodat de tollen niets
opbrachten.
Evenzoo werden groote markten ingesteld, maar vreemden
durfden
die niet bezoeken. Zij stelden zich niet aan het gevaar
bloot onderweg uitgeplunderd te worden en de boeren hadden
bijna geen vee meer en verschenen niet.
De economische toestand der steden en van het platteland in
het Over-
kwartier was bedroevend en wie op een spoedig einde van den
stuur-
loozen toestand gehoopt had, vond zich bedrogen. Koning
Filips zag.
dat het strijden tegen den wassenden stroom van
opstandigheid een titanenarbeid dreigde te worden en dacht
dit deel van zijn groot rijk
door een afzonderlijke regeering tot rust te kunnen brengen.
Lindanus, de bisschop van Roermond, was overal werkzaam, om
de
verdoolde schapen terug te voeren. De onverschrokken zorg
des her-
ders werd, waar hij kwam en predikte, veelal met goed gevolg
be-
kroond. Zoo was hij te Weert werkzaam, dat door den afval
zijner
heeren zeer aangetast was. Hier voldeden in 1584 met Paschen
4160
burgers aan hun Paaschplicht, het jaar te voren slechts
1800. Lindanus
reisde nog eens naar Rome in 1584, om den Paus den
ongelukkigen toe-
stand van zijn bisdom en vaderland uit te leggen. Eerst in
1585 keerde
hij terug. De verdienstelijke Kerkvoogd trad daarna te Gent
op en
overleed daar spoedig 2 November 1588. Zijn aandenken blijft
nog
altijd in Roermond in zegening. Zijn wapenspreuk was: quae
sursum
sunt, quaerite", „zoekt de bovennatuurlijke dingen". Die
spreuk heeft
hij ten volle waar gemaakt door zijn eigen voorbeeld. De
bisschops-
zetel bleef open tot 1599.
Op het stadhuis wordt een verguld zilveren beker bewaard;
hij is af-
komstig van hoog bezoek aan de stad op 8 Maart 1588 van den
jongen
„Fürst van Gülick", hertog Johan Willem van Gülick en zijne
gemalin
prinses van Baden, die door de Stad wèl ontvangen „ende
gedefroijeert"
werden. De beker is met het deksel 54 cM. hoog.
Verschillende waardige priesters werden tot opvolger van
Bisschop
Lindanus nus benoemd, Langecrucius, Bervoets, maar deinsden
er voor
terug, omdat de toestand zoo allertreurigst was en bijna
geen bronnen van inkomen voor onderhoud te vinden waren.
Het vieren van den dag der inwijding der hoofdkerk, de
kermis, was
algemeen. Openbare vermakelijkheden, vertoon van publieke
spelen, potsenmakerijen, tentoonstellen van allerlei
koopwaren waren op die
dagen aan de orde. Een gedeelte van het Roermondsche
stadhuis en de
hal werden tijdelijk door de kramers in gebruik genomen.
De Roermondsche kermis werd eertijds met Pinksteren
gehouden,
maar bij octrooi van 11 Juli 1597 werd de kermis verlegd
naar den dag
van de H. Drievuldigheid tot voorkoming van „velerley
overtreding en irreverentie", ook om de overtredinge van den
quatertemper-vasten-
dach", „doer het overcommen van vrunden totter kermisse ende
jair-
47
vereeringen hij kreeg en hoe men daarvoor zalmen
leverde, die in dien
tijd nog veelvuldig voorkwamen.
Het volgende jaar op 25 September 1603 kwam Aartshertog
Albert
voor de tweede maal te Roermond, met den hertog van Aerschot
en
de principaelste heeren" dezer landen. Ook toen was de
ontvangst
schitterend en alle bedienden van den hoogen heer kregen
vereeringen
in geld en er werd veel wijn uitgedeeld. De hertog van
Aerschot kreeg
de 12 Stadscruijcken of de 12 Apostelen vol wijn. 1 October
trokken
de hooge heeren naar 's-Hertogenbosch, om te trachten dit te
ontzetten.
Behalve de drukke inkwartiering had de Stad in 1605 nog eene
ramp
te verduren. Op Paeschmaandag, schrijft de Chroniek, „isser
bynnen
„Ruremunde alsulcken storm van windt geweest, dat er
onuytspreecke-
„lijke schade aen alle kercken ende cluijsen geschiet is."
In 1607 kreeg Roermond nu ook eens een Duitsch garnizoen van
200 manschappen, dat zich uitstekend gedroeg en de burgerij
volkomen
met rust liet. Dat was eene verlichting na al die zware
afpersingen.
Toch rebelleerden in 1609 weer soldaten en deden de burgers
over-
last aan. Tot afschrik werden enkele hoofddaders ter dood
verwezen.
Hoe geloovig de Magistraat en het volk destijds waren blijkt
uit het
volgende. In 1605 woedde in Roermond de plaag dezer landen,
de pest
of zwarte dood. Den 16den Juni 1605 schreef de magistraat
aan Bis-
schop Cuijckius, dat hij vier jonge dochters uit de stad
aangemoedigd
had eene bedevaart naar O. L. Vr. van Scherpenheuvel te
ondernemen
en daar voor de geheele stad te bidden „opdat die schouwende
sieckte
der peste genedichlich van onsen Hern Godt affgenomen mach
wor-
den". Men wilde honderd gulden offeren of een zilveren
figuur van
St. Christoffel. Men besloot tot het laatste, dat door den
goudsmid
Michiel Swerin gemaakt werd.
Het bestuur der Aartshertogen had verademing gebracht. Er
zou nog
een beter tijdperk aanbreken, waardoor aan al de rampen een
einde
kwam, tenminste gedurende 12 jaren.
§ 4. HET TWAALFJARIG BESTAND 1609-1621.
Bisschop Cuyckius overleed 9 October 1609. Petrus Pollius
was vicaris
tot 1611.
De Aartshertogen sloten 9 April 1609 het twaalfjarig Bestand
met
de Algemeene Staten, en aldus kwam er ook voor Roermond tot
1621 betrekkelijke rust. Roermond had als hoofdstad van het
Over-
kwartier in 1609 al bijna 40 jaren midden in den
oorlogsbrand gestaan
en het volk was daardoor moreel gezonken en tot armoede
geraakt.
Om de moreele verheffing van het volk te bereiken was het
zoo goed,
dat in 1610 de Jezuïeten hun College in Roermond openden en
de
Latijnsche scholen overnamen.
Vermelden wij nog dat vooral op het platteland, maar ook in
de steden
en te Roermond de heksenvervolging zich als een
aanstekelijke ziekte
opdrong en de hoofdstad daarvan een ruim deel kreeg. Er
werden hier
49
Het verraad van graaf Hendrik van den Bergh, Stadhouder
van het
Overkwartier, en den graaf van Warfusée, beiden vertoornd
over
volgens hen ondergane achteruitzettingen, maakte de kansen
voor
Spanje om te behouden wat men had, nog slechter. Frederik
Hen-
drik maakte daarvan gebruik en veroverde Venlo en Straelen.
Het
geld voor het verraad, zijnde 200.000 kronen en verdere
vergoe-
dingen werden door den raadspensionaris Pauw te Venlo
betaald. Ook
was daarvan het gevolg, dat Ernst Casimir Roermond ging
belegeren,
dat 5 Juli 1632 werd veroverd. Hij zelf sneuvelde aan de
Bress, bij 't Ge-
broek, dus niet aan de tegenwoordige Maasnielder poort,
zooals men
wel meer heeft beweerd. Vondel dichtte een lijkklacht op
hem.
De burgemeester Peter Bossman gaf in dit beleg steeds het
voorbeeld
van een „manhaften" burgemeester, maar door gebrek aan
ammunitie
was de stad niet te houden. Ze werd door die inname
Staatsch.
§ 4. ROERMOND INGENOMEN EN ONDER STAATSCH BE-
STUUR. 5 JUNI 1632 - 4 SEPTEMBER 1637.
De Staatschen waren nu meester en bleven dit vijf jaar.
Hunne regee-
ring hield geen rekening met de gesteldheid en de wenschen
des volks,
vandaar dat de Magistraat nog al eens in verzet kwam tegen
de nieuw-
benoemde Gereformeerde leden. In 1633 begonnen de Staatschen
den gereformeerden Staatsgodsdienst in te voeren, waarvan
het volk en
de magistraat niets wilden weten. Er werden gereformeerde
schepenen, schoolmeesters, rechters en justitieele
ambtenaren benoemd, men nam maatregelen tegen den Bisschop,
die zijn afkeer niet onder stoelen of
banken stak, men bestreed de Jezuïeten en geestelijken en
schreef daar-
bij op zalvenden toon Vast- en Bededagen uit. Ten slotte
stuitte men
overal op lijdelijk verzet. Het Staatsche garnizoen kwam af
en toe in
actie; het overviel in den nacht van 11 Juni op 12 Juni 1633
het kasteel te Montfort, maar dat viel niet mee; van
weerszijden sneuvelden daarbij
ongeveer 40 soldaten. Door die moordpartij kwam men niets
verder.
In Roermond was het dan in 1633 een aanhoudend komen en gaan
van Staatsche troepen. Den 17den October 1633 lag de Prins
van Oranje
met zijn leger te Maasniel, waar de Magistraat van de stad
hem is gaan
begroeten. De suite en de legertros waren in de stad
ingekwartierd,
wat natuurlijk zeer schadelijk was.
In Maart 1634 kwamen afgevaardigden der Staten om
verschillen-
de Gereformeerde leden te beëedigen. Ook werden in de Reken-
kamer verschillende Gereformeerde leden benoemd. Over de
invoe-
ring en institutie van den Gereformeerden godsdienst zal in
eene andere
afdeeling van dit gedenkboek uitvoerig gehandeld worden.
Tijdens het
belegeren van Breda door Frederik Hendrik in 1637 viel de
Kardinaal-
infant, gouverneur der Spaansche Nederlanden, het
Overkwartier aan,
en veroverde Roermond 3 September; de Magistraat,
grootendeels uit Gereformeerden samengesteld, werd
vervangen.
De intocht van den zegevierenden Kardinaalinfant was
luisterrijk. De
Chroniek zegt daarover „Ende sijn daernaer den 4en September
1637
51
op Sint Petrus-Stoeldag gekozen, op het stadhuis hield
men den visch-
maaltijd, de jongelieden kozen ook hun burgemeester bij de
Kartuizers
en ontvingen daarbij van de stad den noodigen wijn.
In 1659 volgde Eug. d' Allemont (1659-1666) als vijfde
bisschop Andreas Creusen op. In 1662 werd de torenkap
vernieuwd en Sint-Christoffel
in verguld koper er bovenop geplaatst. Hij heeft er tot in
onze dagen
op stand gehouden.
§ 6. ROERMOND VERDER ONDER SPAANSCH BESTUUR. KAREL II
1665-1700.
Wij moeten dit tijdperk beginnen met een nieuwe enorme
brandramp,
die zoo grooten indruk door het geheele land maakte, dat het
vers van
Pastoor Damerier uit Well, een Roermondenaar van geboorte,
150 jaar
lang voorop in den Almanak stond en vertelde, dat,,31 Mei
1665 in festo Trinitatis in brant geraekt sijn tot
elfhondert huijsen toe, ende men
weet niet hoe", wat later wel bekend werd n.l. door het
schieten tijdens
de processie. De brand, eenmaal losgebroken aan het
Zwartbroek, was
bij winderig weer niet meer te stuiten. In het door wijlen
Henri Tijssen
op muziek gezette zangspel Schetsen uit Roermonds Verleden",
heb
ik in gebonden taal verhaald, hoe door een vreugdeschot,
ontijdig ge-
lost aan het Zwartbroek, een burgerhuisje in brand geraakte
en door
den wind aangewakkerd, spoedig de geheele stad een zee van
vuur
en vlam werd.
„Zoo sist de vuurslang nu, met roode tong en kaken
„En grijpt ze alverslindend rond."
Vijf openbare gebouwen met hun inhoud, het bisschoppelijk
Hof, het Prinsenhof, de Kanselarij, het Postkantoor, de
Rekenkamer verbrand-
den met alle charters, bescheiden en papieren.
Bisschop d'Allemont redde alleen nog de oprichtingsbullen
van het bis-
dom. Op honderd huizen na lag de stad in asch; alleen werden
gespaard: Stadhuis, St. Christoffelkerk, klooster der
Kruisheeren, de Franciscanen
aan het Zwartbroek, Maria Wee en Mariagaard. De H. Geest in
de Munsterstraat, de Munsterabdij, het Seminarie in de
Veldstraat, de kapel
der Ursulinen gingen ten onder.
De roep, dat Roermond afgebrand was, klonk door geheel het
Over-
kwartier, Gulick en Berg en verder. Venlo, Aken, Maastricht,
Gelder,
Echt en Sittard zonden brood en geld. De omliggende dorpen
verricht-
ten hand en spandiensten om het puin op te ruimen. De Raad
verga-
derde elken morgen om 9 uur. Roermond werd langzamerhand
her-
bouwd volgens een vast plan en werd in regelmatige rechte
blokken
opnieuw opgetrokken.
Helder glanzend als het gloren
Van het ochtendzonnelicht,
Treedt Roermond als nieuwgeboren
In het nieuwe tijdsgewricht.
53
van oorlog. Het heette de Beijart en was vroeger ook al
eens voor dien
dienst ingericht geweest. Het gewone volksleven met zijne
eigenaardige gebruiken trotseerde de verandering der tijden,
de gilden bleven hunne
rangorde in de processies behouden, vierden hunne patroon-
en teer-
dagen; de spintweggen kwamen op tafel als de booze winter in
aan-
tocht was en de naaisters met licht moesten gaan werken; met
St. Jan
hing men kronen aan slingers gebonden midden in de straat en
danste er
onder, trots het verzet van den Magistraat. Sint Nicolaas
werd plechtig
gevierd en was een verheugenis voor de kinderen, evenals
Sint Thomas-
dag en Sint Silvester. De Carnaval, uit het Zuiden
overgewaaid, werd
met mommerijen gevierd en bij bruiloften werden de bruiden
gevangen
en geschat om teergeld voor den put. Met Driekoningen werd
de Ster rondgedragen en eens in het jaar droeg men de
gesierde putkaars, waar-
over nog in een andere afdeeling te schrijven, onder gezang
en gebed
der kleinen naar de Kapel. De buren droegen de overledenen
ten grave
en de godsdienstige vereenigingen bloeiden en des avonds
brandden
in de nissen op de putten tal van kaarsen voor de O. L.
Vrouwebeeldjes,
die het verguldsel der kransen en het gloeiend rood der
papieren rozen
deden blinken en rossig opbloeien.
Trots de beslommeringen rolde het kleinsteedsleven voort in
den vrij
engen kring van wallen en poorten, terwijl het groote
verkeer te land
door de Venlosche, door de Kapellerpoort en door de voorstad
Sint
Jacob liep en de Maas ook een meetellend vervoer te water
bezat.
Niet te vergeten was Roermond, behalve hoofdstad van het
Overkwar-
tier, bisschopsstad, garnizoensplaats, centrum van de
paardenposterij, uitgangsplaats der marktschepen en
stapelplaats der Maasschippers, zoo-
dat het met zijn 6000 zielen daardoor al een voorsprong had
op andere
steden. Maar velen waren door den brand weggetrokken en een
derde
der stad lag in 1671 nog in puin. De Fransche soldaten
hadden hier in
den laatsten oorlog nog veel schade gedaan en de vrede van
Nijmegen
sloot al weer eene nieuwe oorlogsperiode af. De Zonnekoning
wilde, als
gezegd, Frankrijk met geweld grooter maken, nam allerlei
voorwend-
sels te baat om aan zijne overvallen een schijn van recht te
geven en
inmiddels waren de betwiste en bezette landen daarvan de
dupe. In
1674 alleen werden tachtig bouwhoven verwoest. Was het
wonder dat
er toen graan te kort kwam en men sterk klaagde over den
duren tijd?
De poorten der stad, die reeds jaren ten deele geblokkeerd
waren, wer-
den weer geopend, o.a. de Sint Janspoort, terwijl de bruggen
hersteld
werden.
Er was in Oostenrijk een merkwaardig predikant uit de
Capucijner-
orde, Marcus d'Aviano, die een zeldzaam begaafd prediker
was; hij
predikte in 1681 onder toeloop van heinde en verre op de
Markt te
Roermond, waarbij het theater inviel, hetgeen confusie"
veroorzaakte. Roermond geraakte in 1681 de hooge Rekenkamer
kwijt, die eerst naar
Brugge, dan in 1684 naar Brussel overgebracht werd.
De vereerde Johanna Baptista de Randenrath overleed te
Roermond,
73 jaren oud, op 26 Juli 1684, als waardige dienaresse Gods.
Ze heeft
nu haar grafsteen in de Kathedraal.
55
den. De Bisschop en de Staten-Generaal kregen verschil
over godsdien-
stige kwesties (zie Habets II, blz. 204 enz.). Het militaire
hospitaal,
zijnde het oude passantenhuis of de Beyart op den
Schuitenberg, op
15 December 1674 door de stad afgestaan als hospitaal, zou
door de
stad hersteld worden, wat veel bezwaren had; kort na 1751
werd het in
een kazerne veranderd. In 1739 was het algemeen gasthuis,
door de Bors gesticht, zijn werking begonnen.
Knippenbergh, in zijn Continuatio Hist. Eccl. pag. 20,
verhaalt van den
last, dien de soldaten aan de boeren aandeden. In Roermond
wilde de Gereformeerde Kerkeraad de processiën beletten en
werd men ook op
andere punten onverdraagzaam. De protesten bleven echter
niet uit.
Habets schrijft in zijn Kerk. Gesch. Bisdom, blz. 214: De
Katholieken
werden steeds meer in hunne vrijheid aangetast en in hunne
rechten ge-
krenkt, maar het was in ieder geval in Roermond nog beter
dan in
Staats-Valkenburg. Maar er kwam een einde aan de
verdrukking.
11 April 1713 werd het Overkwartier bij den Vrede van
Utrecht ver-
deeld, en deze verdeeling werd 14 November 1715 bij het
Barrière-
Tractaat voltooid. Pruisen, de Staten-Generaal en Oostenrijk
kregen
ieder een deel. Het Oostenrijksche deel werd door de
Generale Staten
in 1716 geheel ontruimd!
Nog dient vermeld te worden, dat in het najaar 1711 de
stadsverlichting ingevoerd werd.
§ 8. ROERMOND ONDER OOSTENRIJKSCH BESTUUR.
KAREL VI, DUITSCH KEIZER, 1716-1740.
Karel VI aanvaardde feitelijk het bestuur van het verkleinde
Oosten-
rijksche Overkwartier, ten gevolge van den Utrechtschen
vrede en
het Barrière-Tractaat, op 5 Februari 1716. In de
Donderdagsche pro-
tocollen van het dagelijksch bestuur der stad Roermond
vinden wij het
volgende aangeteekend.
1 Maart 1716,„verandering van dominatie onder de
gehoorzaamheid van
Z. M. Keizer Karel den VIen." Op 1 Maart 1716 kwam tegen den
mid-
dag de Graaf van Maldeghem als Keizerlijk Commissaris met
den heer
de Nicolart, auditeurgeneraal door de Brugpoort binnen, en
werd van
daar door den magistraat geleid naar de Markt, waar het
garnizoen
gereed stond en drie salvo's loste. Daarna werd de eerewijn
op het
stadhuis aangeboden. 6 Maart legde de Magistraat den eed van
getrouw-
heid af en gaf den Graaf eene vereering in geld van 60
pistolen.
13 Maart was het groot feest in de stad en op het stadhuis.
De heeren
gingen op het bovenste balkon ten aanschouwe van het volk
„vivat"
drinken. Vele pik- en teertonnen werden ontstoken, geld
onder het volk geworpen en de proclamatie van den Keizer
voorgelezen. De eigenlijke inhuldiging greep eerst 4 jaar
later plaats op 6 December 1720, wijl de Constitutie van
Oppergelder 8 Mei van dat jaar gewijzigd was. Er moest
voortaan eene voordracht van drie personen voor het
burgemeesters-
ambt aan den Keizer voorgelegd worden, wat niet volgens de
57
Habsburgers, dat ziet men uit alle besluiten van de
stadsregeering, uit
de steeds met luister gevierde feestdagen van het
keizerlijke huis, uit de portretten, die van die tijden af
tot nu nog de raadzaal versieren en daar
als zichtbare teekenen van vereering prijken.
§ 9. ROERMOND ONDER OOSTENRIJKSCH BESTUUR.
MARIA THERESIA, 1740-1781.
Maria Theresia's regeering is een zegen geweest voor hare
onderdanen.
Omringd door vijanden, die haar hare erflanden betwistten,
moest zij
wel tegen haar zin ten oorlog gaan. Door een wijs bestuur
trachtte zij de ontvangen verliezen uit te wisschen. Zij was
eene vriendelijke, majes-
tueuze verschijning, was zeer begaafd, vlijtig en opgewekt.
Zij leefde
voor de correcte vervulling van al hare plichten als vrouw,
als moeder,
als vorstin. Zij was 12 Februari 1736 gehuwd met Frans Frans
Stephan
van Lotharingen. Zij ging na haar huwelijk dadelijk ter
bedevaart naar
O. L. Vrouw van Zell. Zij werd van alle zijden aangevallen
en bedreigd,
maar had toch de voldoening haar gemaal 13 September 1745 te
Frank-
fort tot Roomsch-Koning te zien kronen.
Roermond kreeg dadelijk den weerstuit der oorlogen in de
vele Hanno-
versche soldaten, die hier ondergebracht werden. Daar kwam
ook nog
eene besmettelijke veeziekte bij. De stad moest het oude
hospitaal ver-
bouwen tot kazerne, de steenen brug over de Roer herstellen
en weer
schuld maken. In 1742 was n.l. de Roerbrug door de kracht
der wateren weggeslagen.
De chronick spreekt om dien tijd van de pogingen om met
stadssteun
een lakenfabriek te beginnen in de tuinen achter de
Munsterkerk, die
nu nog den naam dragen In de Ramen"; ook van het optreden
van
een nieuwen bisschop, opvolger van Bisschop Werbrouck, n.l.
Joannes
Antonius de Robiano (1746-1769).
In 1756 werd door de Keizerin besloten den souvereinen Raad
van
Gelderland en den Magistraat van Roermond weer in te richten
als
vóór 1737. De Schepenen werden levenslang benoemd, maar
moesten
daarvoor betalen. Ook verzocht ze verschillende feestdagen
op te hef-
fen, voerde een beter belastingstelsel in en verbeterde het
onderwijs.
Maria Theresia had zich ter bescherming harer rechten met
Frankrijk,
tegen Pruisen en Rusland, verbonden in den 7-jarigen oorlog.
De Fran-
schen hadden 28 Maart 1757 een legerkorps naar het
Overkwartier ge-
zonden tot steun der Oostenrijkers. In Juni werd Roermond
aangeval-
len door den erfprins van Brunswijck en moest het
capituleeren. De rech-
ten van den godsdienst, staten, raad en magistraat bleven
onveranderd.
Met den vrede van Hubertsburg, 13 Februari 1763, beëindigde
Maria
Theresia den oorlog en regeerde daarna nog 17 jaar. Haar
zoon Joseph,
op wien zij haar hoop gevestigd had, maakte zij tot haar
mederegent.
Hij werd 27 Maart 1763 Roomsch-Koning of Keizer in spé.
Maria There-
sia stierf diep betreurd 29 November 1780 na een ziekte van
zes weken.
In de Jura et Privilegia ten Stadhuize III 733 en 734 is
geheel het rouw-
59
vernietigd, de Rattentoren echter heeft den storm
doorstaan. De Oos-
tenrijksche regeering stond in 1782 een huis aan de Markt af
aan het
Hospitaal; het was door ruiling verkregen.
De burgerij werd in 8 burgercompagnieën ingedeeld, die
vreemde namen droegen: le. Oostenrijksch kwartier; 2e.
Geldersch kwartier; 3e. Croaten kwartier; 4e. Zwitsersch
kwartier; 5e. Engelsch kwartier; 6e. Spaansch
kwartier; 7e. Walen kwartier; 8e. Bourguignons kwartier. Van
1783-1786
kwam de miserie der opheffing van de kloosters: le.
Dominicanessen van Marienwee 1783; 2e. Kruisheeren; 3e.
Carmelitessen 1783; 4e. Gods-
weerd 1784; 5e. Mariagarde 1783; 6e. Clarissen 1784; 7e.
Godsboom-
gaart 1785; 8e. Penitenten 1786; 9e. Kartuizers 1783. In
1785 werd het
nieuwe kerkhof aan de Kapel aangelegd.
In 1787 had een eigenaardige feestviering plaats n.l. de
inhaling van
een primus van Leuven G. J. A. van der Vrecken, welke
bewijst hoe-
veel gewicht de bevolking aan de Alma Mater van Leuven
hechtte. De
geheele stad deed daaraan mede.
Het oude Collegie der Jezuieten alhier werd vervangen door
een
Koninklijk Collegie, waaraan leeken en geestelijken les
gaven.
De groote revolutie was in aantocht, de leerstellingen der
vrijgeesten
drongen door, maar ook de Belgische patriottische woelingen
vonden
hier weerklank. 29 December 1789 kwamen 500 Weerter
patriotten de
stad in. Zij ontvoerden den kanselier Luitgens, den momboir
Stuers en
den griffier van der Renne. Den 1 Januari 1790 werd Roermond
onaf-
hankelijk verklaard en werden de keizerlijke wetten geheel
buiten wer-
king gesteld. De regeering van Maria Theresia was heilzaam
geweest,
die van Joseph II verderfelijk. Zijn opvolger Leopoldus II
stond voor
de zware taak weer veel goed te maken.
§ 11. ROERMOND ONDER OOSTENRIJKSCH BESTUUR.
LEOPOLD II, 1790-1792.
Den 22sten September 1791 is Maria Christina, zuster van den
Keizer,
te Roermond geweest. Men heeft toen de inauguratie van
Leopold II
als Keizer en Hertog van Gelder gevierd, zegt de oude
Chroniek. De
gouverneur heeft alstoen den eed gezworen.
De Brabantsche bevrijdingsoorlog liep ten einde. De
privilegiën werden hersteld, de hervormingen, die zooveel
ergernis gegeven hadden, her-
roepen. Dit bracht kalmte. Maar nu kwamen de Franschen, met
kracht
hunne republikeinsche denkbeelden invoerend. Groote onrust!
Onze taak is ten einde. Ter eere van Roermond, dat vele
wisselingen
van bloei en verval, van geluk en ongeluk manmoedig verdroeg
in de
boven beschreven twee en een halve eeuw, werd dit alles, in
aansluiting
met vele andere schetsen van deskundige schrijvers op
velerlei gebied,
nog eens geboekt. Aan het glorierijk verleden zijn wij dat
verschuldigd.
Moge het de Roerstad en hare trouwe bevolking steeds
welgaan, onder
Gods besten en onmisbaren zegen. Dat is onze hartewensch.
61
Fransche troepen, generaal Miranda, bood hem den
eerewijn aan, ver-ontschuldigde zich de stadssleutelen niet
te kunnen aanbieden, daar de Oostenrijkers deze hadden
medegenomen en legde vervolgens ten
overstaan van den generaal den eed van vrijheid" af. Miranda
liet zich
dit alles genadig welgevallen en besloot met vier zijner
officieren zijn
intrek te nemen in het bisschoppelijk paleis, waar hij zich
ongestoord
als heer en meester gedragen kon, daar de bisschop bij de
nadering der
Franschen gevlucht was.
Den 15 December 1792 werd, onder het luiden van alle
klokken, vóór
het stadhuis de z.g. vrijheidsboom geplant. Er schijnt bij
dit gebeuren
van den kant der burgerij niet die ontstemming te hebben
geheerscht
als bij een dergelijke gelegenheid in 1795. Maar in 1792 kon
men zich
van het vrijheidsbegrip der Franschen nog niet zoo een
duidelijke voor-
stelling vormen als drie jaren later. De koning van
Frankrijk was nog
niet ter dood gebracht, de gruwelen van het Schrikbewind
hadden nog
niet plaats gevonden en de revolutie had zich nog niet zoo
gehaat
gemaakt in het buitenland!
Overigens was men te Roermond volstrekt niet onverdeeld
ingenomen
met het Oostenrijksch bewind, waaronder men tot nogtoe
geleefd had.
Hiervan kon de oude heer Maersen uit de Steeg meespreken!
Den 15
Januari 1793 viel een met stokken gewapende menigte zijn
huis binnen,
daar het gerucht liep, dat hij er Oostenrijksche vaandels
verborg. Geluk-
kig maar voor den ouden heer, dat deze verdenking, na
huiszoeking,
ongegrond bleek, zoodat hij er met den schrik afkwam!
Geheel België was nu in handen der Franschen. Over de
staatsrechte-
lijke verhouding tusschen de inwoners der veroverde landen
en de
Fransche regeering legden de Franschen geruststellende
verklaringen
af. Zij wilden niet met Frans II, den vorst der
Oostenrijksche Neder-
landen, maar rechtstreeks met diens onderdanen in
onderhandeling
treden. 27 December 1792 vaardigde Dumouriez een proclamatie
uit,
waarin hij het volk van België opriep, een „Nationale
Conventie" te
kiezen. Niet met de oude Statenvergadering wilde hij
onderhandelen.
maar met vrij gekozen" vertegenwoordigers van het volk. „Het
Fran-
sche volk wilde met het Belgische niet in onderhandeling
treden dan
als een Souverein met een Souverein".
Kiezer was ieder, die den burgereed aflegde en schriftelijk
afstand deed
van adeldom, gilderechten en alle overige privileges. In
grondverga-
deringen zouden de stemgerechtigden bijeen komen tot het
aanwijzen
der kiezers, die 10 Januari de leden van de Nationale
Conventie moes-
ten kiezen.
In navolging van Parijs moest Roermond nu ook zijn politieke
club
hebben. In de kerk der Penitenten in de H. Geeststraat
hielden de Roer-
mondsche „Jacobijnen" hun eerste vergadering. De leiders van
deze
club waren de juristen Schommers en Tambacher, de
horlogemaker
Dyonisii, de heeren Wylink en Keersboom en de
Dominicanerpater
Dr. Ambrosius Schmising, die wegens zijn wangedrag als
regent van
het Seminarie zich een treurige reputatie verworven had,
welke hij later
63
Peter Geradts was toen burgemeester, Jacob Kwisthout
scholtis, Syben
en Ramaekers o.a. schepenen.
De wederinname der stad door de Oostenrijkers kwam den
inwoners
op zware inkwartiering te staan; burgers uit de middenklasse
moesten
wel aan dertig personen en meer huisvesting verleenen en den
kost
geven. Met de Fransche gevangenen, die in het
Carmelitessenklooster
waren ondergebracht, was alle conversatie verboden. De
verdedigings-
werken, door de Franschen aangelegd, werden op bevel van den
Oos-tenrijkschen veldmaarschalk Prins Von Coburg in goeden
staat gehou-
den. Zoo was het den kinderen verboden op de bolwerken aan
de
Venlosche poort te loopen; de ouders werden hiervoor
aansprakelijk
gesteld.
Deze voorzorgsmaatregelen bleken niet overbodig; de
Franschen bereid-
den zich op een nieuwen inval voor. De nieuwe krijgstactiek
van Lazare
Carnot, benevens de „levée en masse", deden nog in het jaar
93 de
Franschen voordeelen behalen op hun talrijke vijanden. Met
schrik
moesten dezen erkennen, dat zij geen leger maar een
gewapende natie" tegenover zich hadden. In het begin van
1794 waren de Fransche legers namelijk niet minder dan
720.000 man sterk, voor die dagen een enorme troepenmacht.
Een gedeelte hiervan trok naar België, waar na verschil-
lende kleinere gevechten den 26 Juni door Jourdan een
beslissende
overwinning behaald werd op den prins van Coburg. De troepen
van
de Oostenrijkers, Engelschen en de Republiek der Vereenigde
Neder-
landen trokken zich al meer en meer terug en het was te
voorzien,
dat Roermond weldra opnieuw door de Franschen zou worden
inge-
nomen.
Naarmate dezen naderden, kwamen er te Roermond vluchtelingen
aan
uit Belgisch Brabant. Ook de aartsbisschop van Mechelen kwam
er
een toevluchtsoord zoeken in het bisschoppelijk paleis. Hier
resideerde
sinds den 27 Februari 1794 als opvolger van Hoensbroeck
bisschop
Joannes Baptista Robertus, baron van Velde tot Melroy.
Slechts kort
heeft deze te Roermond verbleven. Den 22 Juli van hetzelfde
jaar nam
hij, bij het naderen der Fransche troepen, de wijk naar
Duitschland.
Den kanunnik Syben liet hij achter als vicarisgeneraal om
die zaken
te regelen, welke niet van uit den vreemde konden bestierd
worden.
Den 17 Augustus 1794 werd Van Velde te Dusseldorp tot
bisschop
gewijd, hetgeen wegens de zorgelijke tijdsomstandigheden
niet eerder
had kunnen plaats vinden. Aanvankelijk vestigde hij zich nu
in dat
gedeelte van zijn diocees, dat staatkundig onder Pruisen
stond. Weldra
was hij hier evenwel niet meer veilig voor de Franschen,
zoodat hij
zich den 30 October naar Munster begaf, waar hij van den
aartsbisschop
van Keulen verlof kreeg, zich te vestigen. Toen nu de
Franschen meer Oostwaarts opdrongen, verwisselde hij Munster
voor Erfurt. Na den
vrede tusschen Frankrijk en Pruisen in September 1795 keerde
de bis-
schop naar Munster terug, van waaruit hij verder zijn
diocees bleef
besturen.
Bij de nadering der Franschen vluchtten ook de dames van de
Munster-
abdij en van St. Gerlacus.
65
Markt te helpen dragen; een aantal mannen moest hiertoe
door de Fran-
schen worden opgevorderd! Er werd bij deze deze gelegenheid
gezorgd
voor muziek en klokgelui en het dragen der republikeinsche
cocarde
verordend.
Inmiddels kwam een nieuwe bestuursorganisatie tot stand. Den
14 No-
vember 1794 werd voor de door de Franschen veroverde landen
tusschen
Maas en Rijn te Aken een centraal bestuur gevestigd,
waaronder zeven districtsbesturen fungeerden. Een hiervan
was gevestigd te Gelder en
strekte zijn gezag uit over Pruisisch en Oostenrijksch
Gelderland, zoo-
dat Roermond hieronder kwam te ressorteeren. Deze
organisatie bleef
slechts korten tijd in wezen en werd door verschillende
achtereenvol-
gende regelingen vervangen. Vastheid in de
bestuursinrichting kwam er
eerst door de wet van 1 October 1795, waarbij verschillende
aan de
Noordgrens van Frankrijk gelegen landen, waaronder
Oostenrijksch
Gelderland, dus ook Roermond, bij Frankrijk werden
ingelijfd. Ook
werd volgens deze wet de in Frankrijk geldende
administratieve indee-
ling in departementen op deze aan Frankrijk nieuw
toegevoegde landen
van toepassing verklaard. Roermond behoorde, volgens deze
nieuwe
indeeling, tot het Departement der Neder-Maas. Dit was
verdeeld in
de arrondissementen Maastricht, Hasselt en Roermond, welk
laatste arrondissement weer verdeeld was in de volgende
kantons: Roermond,
Venlo, Echt, Maeseyk, Heythuyzen, Weert, Nederkruchten, Bree
en
Achel. Roermond werd hierbij beroofd van een zelfstandig
bestuur,
daar volgens de grondwet van 1795 gemeenten van minder dan
5000
inwoners, en Roermond had er ongeveer 4000-, samengevoegd
wer-
den onder den gemeenschappelijken naam „administration
municipale
du canton". Als eigen ambtenaren voor de uitvoerende macht
hadden
de opgeheven gemeenten in dit bestuur een „agent municipal"
met zijn ,
adjoint". Aan het hoofd van het departement stond een
prefect, van
het arrondissement een onderprefect.
Voor de eerste maal werd de municipale administratie van het
kanton
Roermond niet gekozen door de inwoners, maar den 12 April
1796
benoemd door den Franschen regeeringscommissaris Bouteville.
Het
nieuwe bestuur werd gevormd door den president van het
kanton
Schommers, den vrederechter Ramaekers, gewezen burgemeester,
den commissaris van het Directoire exécutif Missing,
vervolgens een officier
van politie, den assessor van laatstgenoemde en ten slotte
de munici-
pale agenten met hun adjuncten voor elk der dorpen Swalmen,
Maas-
niel, Merum, Linne, St.-Odiliënberg en Vlodrop. Den 14 April
1796
werden de nieuwe functionarissen geïnstalleerd. De
inrichting der bu-
reaux was toen nog niet tot stand gekomen; hiervoor bestond
evenmin
als voor het vervullen van bestuursfuncties veel animo. Dat
de prefec-
tuur te Maastricht er maar niet toe komen kon, den
ambtenaren een
vast salaris toe te zeggen, zal hieraan wel niet vreemd
geweest zijn!
En dan nog vaardigde de prefect 27 April 1796 het verbod
uit, dat geen ambtenaar of publiek functionaris zijn post
mocht verlaten zonder van
tevoren zijn ontslag te hebben gekregen en door een ander te
zijn ver-
vangen. Teekenend voor de situatie is het, dat in het begin
van 1797
67
te zoeken hebben van openbare rampen en van de corruptie
der regee-
ringen. Vandaar dat de Regeering er op uit was, dat ieder
deze „rech-
ten" leerde kennen; zoo zou de burger, door de daden der
bestuurders
aan deze rechten" te toetsen, zich ook steeds kunnen
overtuigen, of
hij met wijsheid en rechtvaardigheid geregeerd werd.
De verklaring van de rechten", die bij de constitutie van
1795 gevoegd
werd, week eenigszins af van die van 1789; ook was hieraan
als pendant
van de „rechten" een verklaring van de „plichten"
toegevoegd. De
voornaamste der „rechten" in de „verklaring" van 1795 waren:
vrijheid, gelijkheid, persoonlijke veiligheid en
eigendomsrecht. Onder de plich-
ten was opgenomen de gulden regel: „Wat gij niet wilt dat U
geschiedt,
doe dit ook aan anderen niet".
Tegen de zedelijke strekking van verschillende dezer regels
zou men
moeilijk eenig bezwaar kunnen aanvoeren. Toch ademde het
geheel van
deze axioma's een geest van rationalisme sme en
ongodsdienstigheid en
strekte den republikeinschen leiders tot middel om het volk
te ontker-
stenen.
Van revolutionnairpatriottische en antigodsdienstige
strekking was
ook het besluit der Conventie van 5 October 1793 om de
Gregoriaan-
sche tijdrekening te vervangen door een nieuwe,
republikeinsche, welke
22 September 1792 als den eersten dag van het jaar 1 der
Republiek
aannam en den kerkelijken kalender te vervangen door een
republikein-
schen, waarin het jaar anders werd ingedeeld. Ook op deze
wijze
trachtte men bij het volk de Christelijke gevoelens te doen
verdringen
door patriottische en republikeinsche. Ieder moest er van
doordrongen
worden, dat op 22 September 1792 met de vervanging van het
koning-
schap door de republiek een nieuwe orde van zaken gevestigd
was. De maanden, wier namen aan verschijnselen in de natuur
herinneren, als Vendémiaire, Brumaire, Frimaire, Nivôse,
Pluviôse, enz., telden elk
dertig dagen, waarbij aan het einde vijf, -- om de vier jaar
zes --, aan-vullingsdagen gevoegd werden. De weken werden
afgeschaft; eveneens
de Zondagsviering. Daarentegen werden de maanden verdeeld in
drie
decaden van tien dagen, waarvan de tiende dag, de décadi"
publiek
gevierd moest worden. Dan werd in een openbaar gebouw,
veelal een
kerk, het volk bijeengeroepen om de wetten en besluiten te
hooren
voorlezen, die tijdens de laatste tien dagen waren
uitgevaardigd en de voorlezing van het officieele
regeeringsbulletin bij te wonen, waarin
over voorbeelden van burgerdeugd gehandeld werd.
De Roermondenaars, trouw aan hun traditioneel Katholiek
Geloof,
toonden zich over het algemeen weinig ingenomen met deze
nieuwig-
heden. Aanvankelijk weigerde bijna de geheele geestelijkheid
den eed
van trouw aan de Republiek en van haat aan het koningschap,
welke
volgens besluit van het Directoire Exécutif van 26 September
1795 ook
van de Belgische priesters geëischt werd. Hierbij vonden de
geestelijken
van het Roermondsche diocees steun bij hun bisschop, die hen
in woord
en geschrift bleef aanmoedigen, in hun eedsweigering te
blijven volhar-
den. Duidelijk zet de bisschop zijn standpunt uiteen in een
brief vanuit
Munster van 19 Mei 1797.
69
geëischte verklaring in strijd met het gezag der Kerk
moest worden ge-
acht. Hierop besloten het kapittel en de geestelijkheid der
stad de ver-
klaring te weigeren. Den 1 Juni was de termijn verstreken en
geen
enkele priester had de verklaring geteekend. Toen nu het
kapittel zich
tot den commissaris van het Directoire Exécutif wendde met
de vraag,
of de geestelijken mochten voortgaan de kerkelijke
bedieningen uit te
oefenen, daar dit immers ook te Maastricht was toegestaan,
gaf de com-
missaris allen geestelijken hiertoe verlof, met uitzondering
van de parochiegeestelijken. Blijkbaar stonden slechts de
pastoor en zijn kape-
laans bij den commissaris ingeschreven als „les ministres du
culte",
waarop de Fransche wet van toepassing was.
Pastoor Matthei verrichtte nu in de pastorie, waar hij een
altaar had
laten oprichten, heimelijk de kerkelijke bedieningen, doch
reeds den
26 Juni ontving hij het bericht, dat de parochiegeestelijken
weer de
H. Mis mochten lezen. Uit geheel België waren namelijk
verzoekschrif-
ten gericht aan de Fransche regeering om deze besluiten in
te trekken
of te schorsen. Het lezen der H. Mis was hierop toegestaan,
maar doo-
pen, biecht hooren en preeken bleef verboden en wie deze
bepalingen
overtrad, zou hierdoor het verlof, de H. Mis te lezen,
verbeuren.
Weldra echter kwam de regering op de gedane toezeggingen
terug en
den 15 Juli werd den Pastoor opnieuw verboden, de
parochieele bedie-
ningen uit te oefenen. Dit verbod werd 23 Augustus
uitgebreid tot alle geestelijken, die zich in de stad
bevonden. Den Zondag daarop, den
27, begaven de geloovigen zich dientengevolge naar het
nabijgelegen
Melick, dat tot het Guliksche grondgebied behoorde. In de
Roermond-
sche kathedraal kwam het volk echter dagelijks bijeen om er
den Rozen-
krans te bidden.
De wekelijksche gang naar Melick, dat ongeveer vier
Kilometer van
Roermond verwijderd ligt, was echter voor velen bezwaarlijk.
Het kerk-
bestuur bouwde derhalve een houten kapel in het Muggenbroek,
achter
de kapel van O. L. Vrouw in 't Zand, mede op Guliksch
grondgebied
gelegen. Doch de Franschen verzetten er zich tegen, dat de
Roermonde-
naars hier ter kerke gingen en de kapel werd weer
afgebroken. De
kerkgang naar Melick werd nu hervat en te Roermond ging men
voort
met het bidden van den Rozenkrans in de kerken.
Niet tevreden de religieuzen verdreven en den priesters de
uitoefening
van hun functies belet te hebben, richtte de regeering zich
thans tegen
de vrome gebruiken, die te Roermond in zwang waren. 7
October werd
de bepaling vernieuwd, dat de O. L. Vrouwebeeldjes uit de
heilig-
huisjes moesten verdwijnen. Ook werd het luiden der klokken
verbo-
den, doch deze verordening wist men een tijdlang te
ontduiken door het voorwendsel, dat de klokken dienden om
den arbeiders het begin en
einde van hun werktijd aan te kondigen. De troost, in de
kerken den
Rozenkrans te bidden, werd het volk ook nog ontnomen, toen
den
3 December de kathedraal en de volgende dagen de overige
kerken
gesloten werden.
De vervolging ging zich ten slotte tot de geestelijken
persoonlijk uit-
strekken. 9 December 1797 werd hun de eisch gesteld, binnen
drie dagen
71
van militairen -- vier tot acht man naar gelang van de
grootte der
schuld. Aan deze militairen moest gratis de kost verstrekt
worden.
Op het feest van Maria-Lichtmis wilden de in de kerk
aanwezige perso-
nen, die den Rozenkrans baden, zich bij de komst van den
heer Schmi-
sing weer verwijderen, doch de gendarmen beletten dit en
dwongen
hen, de Mis van den „burger" bij te wonen. Twee dagen later
werd
opnieuw verordend, dat de kerk slechts voor de diensten van
beëedigde
priesters mocht worden geopend. Werd dus de burger Schmising
door
de autoriteiten in bescherming genomen, dezen aarzelden niet
de kerk-
gangers naar Melick overlast aan te doen; zelfs werd de
pastoor van
Melick, Petrus Lambertus Schorrenberg, een zwakke grijsaard,
gevan-
gen genomen en op een kar naar Aken gevoerd, vanwaar hij
naar
Frankrijk getransporteerd werd om hier weldra ten gevolge
van de op
de reis verduurde kwellingen te sterven.
Was het bij dit alles te verwonderen, dat er bij de burgerij
in 1798 wei-
nig animo bestond om aan de verkiezingen deel te nemen?
Slechts acht
en twintig Roermondsche burgers maakten gebruik van hun
stemrecht
en dezen waren nog voor een deel ambtenaren. Van het
kiesrecht voor
de verschillened vertegenwoordigende lichamen waren
uitgesloten de-
genen, die tijdens het Oostenrijksche tusschenbestuur van
1793 tot 1794
een burgerlijk of militair ambt bekleed hadden.
Weinig animo was er ook voor het vieren van de
republikeinsche fees-
ten. Zoo vierde men 21 Januari 1798, op bevel der Franschen,
de herden-
king van de onthoofding van koning Lodewijk XVI, welke op
denzelf-
den dag in 1793 had plaats gevonden. Tevens werd er bij die
gelegenheid
op plechtige wijze een vrijheidsboom geplant. Het was een
jonge eiken-
boom, dien men hiertoe uitgekozen had, versierd met linten
in de
nationale kleuren blauw, wit rood. De ambtenaren van het
kanton, die
dien dag beëedigd moesten worden, begeleidden den wagen,
waarop de
boom vervoerd werd. De vertooning werd slechts door een
tiental bur-
gers meegevierd; de overigen bleven onverschillig toekijken
of dreven
er den spot mee, vooral toen de boom onder het opstellen,
tot ergernis
der Franschgezinden, omviel. Om den boom werd een staketsel
ge-
plaatst in blauwe, witte en roode kleuren. Muziek,
uitgevoerd onder
leiding van Faulhaber, en redevoeringen over de vrijheid
luisterden de ceremonie op.
Dergelijke feesten vielen er te Roermond meer te bewonderen.
Men
vierde hier de verschillende door de Fransche regeering
ingestelde
nationale en filosofische feesten. Ook werd hier, evenals in
Frankrijk,
de Zondagsviering afgeschaft en vervangen door de décadi, --
te Roer-
mond geschiedde dit 1 Mei 1798. Op deze dagen was het
verrichten
van publiek werk op zware straffen verboden. Het feest van
de Vrijheid
op 28 Juli 1798 gaf aanleiding tot het aanrichten van een
groot vuur op
de Markt, waar eenige wapenborden van adellijke familie's
werden
ingeworpen. Reeds den 6 Februari 1798 moesten de huizen der
adellijke
familie's ontdaan worden van hun wapens; ook keizerlijke
wapens
moesten verdwijnen. Het baatte niet, of men al trachtte ze
te behouden
door ze met kalk te bestrijken. Het feest der Grijsaards,
dat 28 Juli
73
priesters zouden bijwonen. Allen gaven hieraan gehoor,
behalve de
jongens, die hun weigering motiveerden met een beroep op de
vrijheid.
Wel hadden ook de vervolgde geestelijken betuigingen van
sympathie
van noode, want hun lot was waarlijk niet benijdenswaard! In
Juli 1798
vonden er verschillende arrestaties plaats. Pastoor Houwart
van het
Begijnhof, de kapelaans der kathedraal Bosch en Crebber, de
Francis-
canerpaters Wauters, Soffers en Van Ham werden door
gendarmen en
huzaren naar Maastricht gevoerd. Onderweg werden nog eenige
geeste-
lijken uit de omgeving van Roermond hierbij gevoegd. Te
Maastricht
werden de gevangenen twee aan twee met de duimen aan
elkander
geschroefd en zoo werd de reis per schip voortgezet naar
Luik, waar
de gevangenen in de St. Leonardsgevangenis werden
ondergebracht.
Vervolgens ging de reis over Namen, Reims en La Rochelle
naar Rhé,
een eilandje bij de Fransche kust gelegen, een van de
ballingsoorden.
door de Fransche regeering voor onbeëedigde priesters
bestemd.
Matthei, de pastoor der parochie, die sinds het sluiten der
pastorie bij
zijn broer in de Neerstraat woonde, nam bijtijds de vlucht
naar Em-
merik, de verblijfplaats van bisschop Van Velde, den
aartsbisschop van
Mechelen en verscheidene geestelijken. Na dezen te hebben
gesproken
begaf de pastoor zich aanvankelijk naar Helden, een
Pruisisch dorp in
de nabijheid van Roermond. Toen zijn verblijf in deze plaats
ruchtbaar
werd, gevoelde hij er zich niet meer veilig voor de
Franschen en vertrok
naar de Meierij van 's-Hertogenbosch. Spoedig werd hem hier
het ver-
blijf ontzegd door de regeering der Bataafsche Republiek,
die de ver-
ordening uitvaardigde, dat geen emigranten of verbannenen
zich op
haar gebied mochten ophouden. De pastoor keerde nu naar
Helden
terug. Dit was inmiddels onder de Franschen gekomen, zoodat
hij zich
hier niet vrij meer kon bewegen, maar zich steeds moest
schuil houden.
Twee jaren bleef hij hier; toen kon hij wegens het ophouden
der Kerk-
vervolging naar Roermond terugkeeren.
Deze ommekeer liet zich tegen het einde van 1798 nog
geenszins ver-
moeden. In dezen tijd liep het gerucht, dat zelfs de
beëedigde priesters,
in zooverre zij den eed niet tijdig genoeg hadden afgelegd,
niet meer
veilig waren. Groote onrust maakte zich nu van de
Roermondsche gees-
telijken meester, want alleen de heer Schmising was bijtijds
beëedigd.
Vele priesters waagden het dan ook niet zich ter ruste te
begeven. Hun
vrees bleek echter weldra ongegrond en de ingrijpende
gebeurtenissen,
welke spoedig hierna in Parijs voorvielen, brachten een
algemeene ont-
spanning teweeg.
De verkiezingen te Roermond van het jaar 1799 vonden nog
onder het
oude régime plaats. De Roermondsche grondvergadering, die
slechts
vier en twintig kiezers telde, meerendeels republikeinen,
ublikeinen, --
een getal, dat bij den tegenzin der inwoners om aan de
verkiezingen
deel te nemen weigerde het stemrecht geen verwondering
behoeft te
verwekken, aan allen, die emigranten in de familie hadden.
Deze „roya-
listen" verlieten nu de vergadering en vormden een eigen
vergadering,
een z.g. assemblée scissionnaire". Ten gevolge van een
onregelmatigheid,
door den president der moedervergadering, J. F. Schommers,
begaan, werd
75
regeeringspersonen en ambtenaren verplicht was. De
filosofische fees-
ten werden afgeschaft en van de nationale alleen het fête de
la Concor-
de van 14 Juli en de stichtingsdag der Republiek op 22
September ge-
handhaafd. De meeste geestelijken legden nu den eed op de
grondwet
af, al namen zij nog een min of meer afwachtende houding aan
tegen-
over de Fransche regeering, die nog altijd met den Paus in
onvrede
leefde. Niet lang na de instelling van het Consulaat kwam
echter de
verzoening tot stand. Napoleon was een te schrander
politicus om van
de rationalistische tendenzen der oude revolutiemannen voor
de ont-
wikkeling van Frankrijk veel heil te verwachten en zich niet
liever met
de Kerk te verstaan. Den 15 Juli werd dan ook het Concordaat
gesloten,
dat de vrede tusschen den Paus en de Fransche regeering
herstelde.
De verheffing van Napoleon is de Roermondsche bevolking nog
vóór
het sluiten van het Concordaat ten goede gekomen. 13
December 1799
was Bonaparte tot Eerste Consul benoemd en reeds den 1
Februari
werd den afwezigen priesters toegestaan, in Roermond terug
te keeren.
Den 6 Februari werd de kapel van O. L. Vrouw in 't Zand, die
sinds
13 December 1797 was gesloten geweest, heropend; twee dagen
later
deed de heer Van de Greyn er de Hoogmis. Deze had certijds
wel den
eed afgelegd op de constitutie van 1795, doch dezen later
herroepen.
Den 5 Maart werd aan alle priesters, die zich nog in
gevangenschap be-
vonden, de vrijheid hergeven; 15 Maart keerden de meeste
Roermond-
sche geestelijken hier ter stede terug. Den 12 Juli werd ook
de Minder-broederskerk heropend. Den 26 Augustus werd de
groote kerk voor de
H. Diensten in gereedheid gebracht, wel honderd burgers
boden hierbij
de behulpzame hand. Den volgenden dag hield pastoor Matthei
een
plechtige Hoogmis met Te Deum, des avonds werd er in de
geheele
stad geïllumineerd. Voortaan konden de H. Diensten
ongestoord wor-
den uitgeoefend.
Een der bepalingen van het Concordaat hield in, dat alle
bisdommen
van het Fransche Rijk zouden worden opgeheven en nieuwe
opgericht.
Hieraan gaf de Paus den 29 November 1801 uitvoering door de
bul
,,Qui Christi". Ook het bisdom Roermond viel onder deze
bepaling,
voor zoover het binnen de grenzen van het Fransche Rijk
gelegen was.
Den 5 November 1801 ontving bisschop Van Velde twee brieven,
een
van den Paus en een van den kardinaallegaat Caprara, waarin
hem ver-
zocht werd afstand te willen doen van zijn zetel. Den 24
October gaf de bisschop hieraan gevolg en vestigde zich te
Grave, waar hij de deelen
van zijn oude diocees, die niet op Fransch gebied gelegen
waren, name-
lijk de dekenaten Cuyck en Nijmegen bleef besturen.
Het bisdom Luik was eveneens opgeheven. De prinsbisschop,
graaf
De Méan, nam zijn ontslag en bleef slechts Ravestein en
Megen, deelen
van zijn voormalig bisdom buiten de Fransche Republiek
gelegen, be-
sturen. Het nieuw op te richten bisdom Luik, waartoe
Roermond be-
hoorde, was, evenals de bisdommen Aken, Doornik, Gent,
Maintz,
Namen en Trier, een suffragaanbisdom van het aartsbisdom
Mechelen.
De nieuwe bisschop van Luik, Mgr. Zaepffel, kwam den 19
Augustus
1802 in zijn bisschopsstad, waar hij eenige dagen later
plechtig werd
77
tus, voor de herdenking van de keizerskroning, voor de
viering van de overwinning bij Austerlitz, bij Jena, bij
Ratisbonne, van den intocht
van Napoleon in Weenen in 1809, voor de viering van zijn
tweede huwe-
lijk met Maria Louise, voor de geboorte van Napoleons zoon,
den
,,koning van Rome".
Telken jare werd er een bruidsschat toegekend van 600 francs
aan
een verloofd meisje, dat op den verjaardag van de
keizerskroning wilde trouwen. Indien meerderen zich hiertoe
bereid verklaarden, -- een ge-
val, dat nu niet zoo ondenkbaar was en men dus goed deed van
tevoren
te regelen, moest het gemeentebestuur er eene aanwijzen, die
als de
waardigste beschouwd werd. De voorkeur werd gegeven aan
meisjes,
die een oudmilitair tot echtvriend verkozen hadden.
De inrichting der bestuursinstellingen onderging in den
Napoleonti-
schen tijd weinig of geen verandering. Wel moesten degenen,
die van
hun stemrecht gebruik wenschten te maken, eerst een eed van
trouw
aan den Keizer afleggen.
De uiterlijke vorm der ambtelijke stukken onderging
verandering door
de afschaffing van den republikeinschen kalender op 31
Januari 1805.
Vreemd doet het aan, op het jaar 14 het jaar 1806, op de
maand Nivôse
de maand Januari te zien volgen.
Het staatstoezicht was, niet alleen op kerkelijke zaken,
maar ook op
geheel het maatschappelijk leven, vrij streng.
Den 1 Juni 1805 ontving de magistraat een aanschrijven van
den prefect
om bij alle boekhandelaars en drukkers een onderzoek in te
stellen om-
trent de boeken, die zij uitgaven. Evenzeer werd er streng
toezicht ge-
houden op de scholen, waarbij niet in de eerste plaats op de
bekwaam-
heid der onderwijskrachten gelet werd, -- ofschoon ook deze
de regee-
ring ter harte ging, maar vooral op de boeken, die gebruikt
werden,
op de politieke gezindheid der onderwijzers en
onderwijzeressen, op de omstandigheid, of dezen al dan niet
in het bezit waren van de grondwet
of althans moeite hadden gedaan deze te verkrijgen, en of de
kinderen
daarin onderwezen werden; of de rechten van den mensch" op
school
behandeld werden; kortom, of de onderwijzers of
onderwijzeressen van
goeden wille(!) waren. Indien aan dit vereischte werd
voldaan, werd den autoriteiten gunstig over de betreffende
school gerapporteerd; zoo niet,
dan werd geadviseerd haar op te heffen. Een maatregel, die
menig gezin
ten goede kwam, al zal hij wel in de eerste plaats militaire
doeleinden
hebben moeten dienen, was het besluit van Maart 1805,
waarbij de staat
de opvoedingskosten betaalde van een kind uit ieder gezin,
dat er zeven
in leven had.
Voor de openbare veiligheid des daags en des nachts werd
behoorlijk
zorg gedragen. Het kienspel, waarbij blijkbaar nog al eens
twist ontstond,
werd onder toezicht gesteld. De maire Jacob Kwisthout (ook
Jacques
Quisthout gespeld) stelde den 5 Januari 1807 de condities
vast, waar-
onder dit spel in koffie-, wijn- en bierhuizen mocht worden
gespeeld.
Een der voorwaarden bestond hierin, dat de winner van het
spel 5 cen-
times moest deponeeren in een daartoe bestemde doos, waarvan
de
inhoud om de acht dagen moest worden afgedragen aan den
79
gent manschappen te leveren; bovendien werden er
circulaires ver-
spreid, waarin jongelieden werden aangespoord, vrijwillig
dienst te
nemen. Opname bij de keizerlijke eerewacht moest de eerzucht
der
jongelui prikkelen. Anderzijds werden er premies gesteld op
de aan-
houding van deserteurs; 12 francs werden er, -- volgens een
circu-
laire in Februari 1806 te Roermond verspreid, voor dit doel
uitbetaald
aan gendarmen en veldwachters. Mettertijd, toen de gedurige
hervat-
ting der oorlogen het vertrouwen op een eindvrede aan het
wankelen
bracht, moesten de maatregelen tegen desertie verscherpt
worden en
werden er geheele colonnes belast met het opsporen van
deserteurs.
De gevangen vijanden, die door Roermond gevoerd werden,
waren
grootendeels Pruisen en Spanjaarden, -- de eersten in den
oorlog van
1807 tot '08, de laatsten sinds den Spaanschen volksopstand
in 1808
door de Franschen gevangen genomen.
In 1810 stond Napoleon op het toppunt van zijn macht. Zonder
toe-
stemming van den Paus liet hij zijn huwelijk met Joséphine
de Beau-
harnais ontbinden en huwde de dochter van den door hem diep
ver-
nederden Oostenrijkschen keizer, de aartshertogin Maria
Louise, uit het
aloude vorstelijke geslacht der Habsburgers. Half Europa
bevond zich
in dezen tijd in zijn macht of stond onder zijn invloed.
Toch was deze
macht niet op hechte grondslagen gevestigd. Engeland was
voortdurend
met Frankrijk in oorlog, bracht het op economisch gebied
zware ver-
liezen toe en leek welhaast onoverwinnelijk. Rusland toonde
zich een veeleischend bondgenoot; in het mishandelde Pruisen
herleefde het zelfbewustzijn; in Spanje kon Napoleon den
volksopstand maar niet
meester worden.
De breuk met Rusland is het begin van het einde geweest. Het
leger,
waarmee de keizer den tocht naar het uitgestrekte Russische
rijk onder-
nam, telde meer dan een half millioen soldaten. Het
contingent, dat het arrondissement Roermond in 1812 te
leveren had, was 22 Januari 1812,
nog vóór het uitbreken van den oorlog met Rusland, maar toen
de toe-
stand reeds gespannen was, bekend gemaakt. Dit bleek 231 man
te be-
dragen, waarvan de gemeente Roermond er 52 te leveren had.
Twee
boden zich aan als vrijwilliger, zoodat er nog 50
gerequireerd werden.
Na de mislukking van den tocht naar Rusland, waarbij
honderdduizen-
den omkwamen, heerschte er in alle aan Napoleon onderworpen
landen
rouw en verbittering. De keizer gaf echter den moed niet op;
nieuwe
lichtingen moesten hem een leger verschaffen voor den
veldtocht van
1813. Ook in Roermond vonden inschrijvingen plaats; zoo
moesten alle oudsoldaten en oudonderofficieren,
onverschillig bij welke mogend-
heid zij gediend hadden, zich aanmelden. In Juli werd een
nieuwe lijst
van gardes d'honneur samengesteld. Bovendien moesten er voor
het
leger paarden geleverd worden.
Inderdaad behaalde de keizer in 1813 in Duitschland enkele
overwinnin-
gen. Den 3 October moest er te Roermond een plechtige
Hoogmis met
Te Deum gehouden worden als dankzegging voor de overwinning,
die
de Franschen den 27 Augustus bij Dresden behaald hadden.
Toch heeft
de koortsachtige energie, die hij in dezen tijd ontwikkelde,
Napoleon
81
heden als residentie aangewezen. Ook deze regeling was
van voorloo-
pigen aard.
Den 30 Mei 1814 werd de eerste vrede van Parijs gesloten
tusschen de verbonden vorsten en Frankrijk, waar inmiddels
Lodewijk XVIII, de
oudste broer van den in 1793 terechtgestelden Lodewijk XVI,
tot
koning was uitgeroepen. Napoleon had afstand gedaan van den
troon
en het hem aangewezen ballingsoord, het eiland Elba, reeds
betreden.
Nog eenmaal zal hij, zij het ook voor zeer korten tijd, een
rol spelen op
het wereldtooneel, namelijk in 1815, als hij in Frankrijk
terugkeert en
zich opnieuw van den troon meester maakt. Maar na zijn
nederlaag
bij Waterloo heeft zijn rijk een einde. Hij wordt nu naar
het eiland
St.-Helena verbannen, waar hij in 1821 sterft.
In geheime artikelen werd in 1814, bij den vrede van Parijs,
de vereeni-
ging van Nederland met België vastgesteld. Hiermede was over
de
nabije toekomst van Roermond beslist.
83
vincie zou noemen. De wensch van Roermond was om
Opper-Gelder-
land te doen herrijzen met Roermond als hoofdstad. Opgemelde
heeren
hadden dit aan de grondwetcommissie -- de commissie welke
tot taak had
de grondwet van Holland van 1814 voor het nieuwe koninkrijk
passend
te maken -- ingediende voorstel bij den Koning te verdedigen
en tevens
den wensch der stadsregeering kenbaar te maken, dat de
Roermondsche bisschopszetel zou worden hersteld, een en
ander om aan de oude stad
iets van haar vroegeren luister terug te geven. Wij moeten
de geopperde argumenten en tegenargumenten stilzwijgend
voorbijgaan en volstaan
met de mededeeling, dat de Commissie na ampele discussie
besloot de
provincie „Maastricht" te noemen. Ook dit ging echter niet
door. In de commissievergadering van 8 Juli 1815 immers
deelde de president mede,
dat naar het oordeel van den Koning de provincie Maastricht
moest wor-
den genoemd: „Limburg".
Zoo werd Roermond een Limburgsche stad. Aan Gelre blijven
intus-
schen het door Koning Willem III bij besluit van 27 December
1886
No. 26 aan de provincie Limburg verleende nieuwe wapen
herinneren,
dat in het vierde kwartier in azuur een leeuw van goud met
dubbelen
staart, getongd van keel, gekroond en geklauwd van goud
vertoont:
Gelre vóór 1371; zoomede de in 1877 in de dakvensters van
het raad-
huis, naar door den beeldhouwer Leeuw vervaardigde modellen,
aan-
gebrachte wapens namelijk Gelre ná 1371 en Limburg vóór 1886
naast
dat van de Stad.
Roermond vierde 12 Mei 1915 het eeuwfeest zijner
onafhankelijkheid;
dat is zooveel later dan het Noorden des lands had gedaan.
Na het ver-
trek der Franschen behoorde Roermond tot het gouvernement
van den
Nederrijn, departement de Nedermaas, gouverneurgeneraal Sack
resi-
deerende te Aken, commissarisgeneraal de heer Minuth te
Roermond,
sedert 13 April vervangen door den heer Piautaz. Sedert 1
Augustus
1814 behoorden de landen tusschen Rijn, Maas en Moezel tot
het generaalgouvernement van den Neder- en Middelrijn steeds
onder Sack
als gouverneur. Roermond ressorteerde toen onder het
departement
Maas en Ourthe met Luik als hoofdzetel. De Maas zou echter,
tegen de verwachting van den koning van Pruisen in, niet de
grensscheiding van
zijn rijk uitmaken. Die grens moest minstens 3000 meter van
de rivier
verwijderd blijven. 16 Maart 1815, daags na Napoleons
ontvluchting
van Elba, aanvaardde Willem I op eigen verantwoording het
koning-
schap over België en 12 Mei d.a.v. nam J. G. Verstolk van
Soelen
namens den Koning bezit van de gemeenten behoorende tot het
Generaal-Commissariaat Luik, met opdracht aan de besturen,
welke in hunne
functiën werden gehandhaafd, om 's-Konings desbetreffende
procla-
matie onder het luiden der klokken en met behoorlijke
plechtigheid
te doen afkondigen en aanplakken waar zulks te doen
gebruikelijk was.
9 October droeg de heer Verstolk van Soelen zijn functie
over o.a. aan
den heer de Brouckère, gouverneur der provincie Limburg, wat
Roer-
mond betreft, en van dien dag af zouden de inrichtingen bij
de grond-
wet voorgeschreven" hier gelden.
Holland en België één rijk, ook één natie? Eén staat, ook
één volk?
85
den handel tusschen Noord en Zuid, en België de
belangen van het af te
stane gedeelte van Limburg blijkt te verwaarloozen, nemen
Burgemeester
en Schepenen der stad Roermond geen blad voor den mond en
verwijten
zij de gewestelijke regeering bij herhaling die houding,
zich er op beroe-
pend, dat deze landstreken, die tweemaal België's
onafhankelijkheid
hielpen verzekeren, eerst door haar steun aan de nieuwe
regeering en
thans door de opoffering van de vruchten der revolutie een
royaler behan-
deling verdienden. „Moins d'insouciance devrait frapper une
ville qui a
fait de si grandes sacrifices lors et après la révolution de
Septembre et
sur laquelle pèse l'exécution des 24 articles", zoo luidt
het in latere jaren
nog letterlijk in een der rapporten ex § 1 van art. 7 der
Gemeentewet.
Nadat Willem I eindelijk het Londensche vredestractaat had
aangenomen
kwam de stad wederom onder diens wettig gezag. De Belgische
troepen ontruimden de provincie en 21 Juni 1839 kwam een
bataljon Nederland-
sche infanterie de stad binnen en werd deze weinige uren
later door Jonk-
heer Kerens de Wolfrath namens den Koning der Nederlanden in
bezit
genomen. Zulks geschiedde hier als elders zonder botsing en
niemand
werd wegens deelneming aan de vroeger voorgevallen onlusten
veront-
rust. De ambtenaren, die niet verkozen naar België uit te
wijken, werden
zelfs in hunne functiën gehandhaafd.
Tot goed begrip van zaken thans een heel klein brokje
staatsinrichting. Luxemburg was tot hieraantoe geen gewone
provincie van het vereenig-
de koninkrijk der Nederlanden geweest, maar tevens een
Duitsche Bonds-
staat met den Koning als groothertog. Dat is een heele
geschiedenis op
zichzelf, welke met het oog op de beschikbare plaatsruimte
hier als be-
kend moet worden beschouwd. De lezer herinnere zich slechts,
dat bij
de scheiding van Holland en België de Duitsche Bondsdag,
naast de
toestemming der Nassausche Agnaten voor den afstand van een
deel van Luxemburg, voor den Bond zelven schadeloosstelling
in grondgebied
eischte en gelieve er dan wel acht op te slaan, dat aan
Limbourg cédé,
gelijk de Belgen zeggen, dus de nieuwe Noord-Nederlandsche
provincie
Limburg, d.w.z. de helft van het vroegere Limburg, de
rechten van het
aan België afgestane gedeelte van het groothertogdom
Luxemburg werden toegekend en diens verplichtingen daaraan
werden opgelegd.
„Het groothertogdom van Luxemburg", zegt de Grondwet van
1815,
,,onder dezelfde souvereiniteit als het Koninkrijk der
Nederlanden ge-
plaatst zijnde, zal dezelfde grondwet hebben als de
provinciën behou-
dens deszelfs betrekkingen tot het Duitsche Verbond." In de
grondwet
van 1840 staat: „Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat uit
de volgen-
de provinciën ..... mitsgaders het Hertogdom Limburg
behoudens de
betrekkingen van het hertogdom, met uitzondering der
vestingen Maas-
tricht en Venlo en van derzelver kringen, tot het Duitsche
Verbond. Het Hertogdom Limburg bestaat uit dat gedeelte der
voormalige provincie
van dien naam, hetwelk bij de tractaten van den 19den April
1839 daar-
van niet is gescheiden." Wat allemaal hieruit is
voortgevloeid
87
Er is, om den draad weer op te vatten, veel over
geschreven, welke
de gevolgen hadden kunnen zijn van de scheeve positie waarin
Limburg
na de dertiger jaren zijns ondanks was gebracht. Hier kan
worden vol-
staan met melding te maken van de Duitsche Unieplannen van
het jaar
1848 waarin het werd betrokken. De lezer herinnere zich het
Frankforter Parlement waarheen ook Luxemburg en Limburg hun
afgevaardigden
moesten zenden. De hertogelijk Limburgsche commissaris voor
de
Duitsche Bondszaken, de heer Louis Beerenbroek, de later zoo
verdien-
stelijke burgemeester van Roermond, ingevolge koninklijk
besluit han-
delend ter uitvoering van de besluiten van de Duitsche
Bondsvergadering,
schreef de verkiezing uit van twee afgevaardigden voor de
Nationale
Duitsche vergadering welke op den 18den Mei 1848 te
Frankfort aan
den Main zou bijeenkomen. Stemgerechtigd was voor deze
Duitsche aangelegenheid ieder meerderjarige niet bedeelde
burger. Voor elke 500
zielen zou een kiezer worden benoemd. Roermond telde 6005
zielen en
kreeg dus 12 kiezers. Opmerkenswaard is het dat hiertoe geen
enkel
raadslid werd benoemd en niemand uit de aristocratie. In
beide kiesdis-
tricten, dat is en te Roermond en te Valkenburg, werd met
zoo goed als
algemeene stemmen benoemd J. L. Th. A. L. Baron van
Scherpenzeel
Heusch, grondeigenaar te Baarlo gemeente Maasbree. Bij
nieuwe ver-
kiezing werd te Valkenburg benoemd de heer Alexander
Schoenmaeckers, grondeigenaar te Beek. De heer van
Scherpenzeel Heusch nu was bekend
om zijn streven voor losmaking van Limburg van Nederland en
aanslui-
ting als onafhankelijk staatje bij den Duitschen Bond.
De handelingen van den gemeenteraad houden over deze
aangelegenheid
slechts het navolgende in: „3 Juni 1848. Wordt door den
Burgemeester
Jhr. Petit aan den Raad in overweging gegeven, of het niet
zake zoude
zijn een adres aan Zijne Majesteit in te dienen tegen de
afscheiding des Hertogdoms van het Koninkrijk der
Nederlanden. Resolveert de Raad
dat voor het oogenblik daarmede zal worden geschorst".
Merkwaardig is het verder dat, terwijl de heer van
Scherpenzeel te
Frankfort de scheiding bepleit, de heer Mr. H. H. Geradts,
raadsheer
in het provinciaal gerechtshof van Limburg, in de zitting
van de Ile
Kamer der Staten-Generaal van den 18den Augustus 1848 het
behoud
van Limburg bij Nederland verdedigt. Aan het slot van zijn
rede zegt
deze: „Bekend met mijne beginselen, met mijne beredeneerde
overtui-
ging omtrent het onderwerpelijk vraagstuk hebben de
Provinciale Sta-
ten, toen dit punt brandend werd, mij tot dezen eerepost
beroepen en
in dezen vervul ik, naar eer en geweten, eene heilige plicht
met de
afscheiding uitdrukkelijk te bestrijden".
Hoe het kwam dat het gewone volk er anders over dacht, ware
aan de
hand mede van mededeelingen over economische en sociale
toestanden psychologisch begrijpelijk te maken. Hier zij
terloops opgemerkt dat het
niet ging tegen den Koning, die in elk geval groothertog van
Luxemburg
en Limburg zou blijven. En dan liefde, ook vaderlandsliefde,
moet van
twee kanten komen. Voor mij ligt een brochure ge-
89
is de verhoogde belangstelling, welke dit gewest sedert
den aanvang van
de regeering van H. M. de Koningin-Regentes Emma van de
zijde van
het Koninklijk Huis heeft mogen ondervinden, niet vreemd. Na
het be-
zoek in 1895 aan Limburg gebracht door H.H. M.M. de
Koningin-
Regentes en Koningin Wilhelmina mocht Roermond op 17 Juli
1903 het
bezoek ontvangen van H. M. de Koningin en Z. K. H. Prins
Hendrik. Op
onder-scheidenlijk 5 en 17 Juni 1909 werd Roermond en de
alstoen alhier
gehouden landbouwtentoonstelling vereerd met het bezoek van
Prins
Hendrik en de Koningin-Moeder. 20 October 1925 was het
Koninklijk
echtpaar bij diens officieel bezoek aan deze stad tot groote
vreugde der ingezetenen vergezeld van H. K. H. Prinses
Juliana. Intusschen had
Koningin Wilhelmina ook in droevige omstandigheden de stad
bezocht,
zooals tijdens de mobilisatie in den wereldoorlog en ter
gelegenheid van
den grooten watersnood 1925/1926. Prins Hendrik onthulde 10
Juni 1930
het standbeeld van Dr. Cuypers en als om de traditie voort
te zetten zal
Prinses Juliana het ter gelegenheid van het 7e eeuwfeest der
stad in perpe-
tuam rei memoriam gestichte museum in hoogst eigen persoon
komen
openen.
In moeilijker omstandigheden voorwaar was Roermond in de
vervlogen
zeven eeuwen trouw aan zijn wettigen vorst.
„De grootste van de vier en veler steden moeder,
Ben moedig op mijn zaad en kuddenrijk gebergt,
Maar 't is mijn opperroem, dat ik der landen hoeder,
In zijn ballingschap gewaard heb en gebercht."
II. INWENDIGE GESCHIEDENIS.
Johan David Held, de scherprechter, stond bovenaan op de
lijst van
gepensioneerden ten laste van den Staat. Zijn gereedschappen
in het
openbaar van de pui van het stadhuis verkoopen behoorde tot
het eerste
werk dat de Franschen bij hun verovering van Roermond te
doen hadden.
De Franschen hadden wetgeving en strafrechtpleging in
menschelijker
banen geleid en de administratie op modernen leest
geschoeid. Ook
Willem I profiteerde daarvan voor zijn land en zelfs de
..gehate con-
scriptie" nam hij gretig over. Verder behoorden tot die
gepensioneerden
leden zoo mannen als vrouwen van de opgeheven kloosters. Het
weinige
immers dat nog van de kloosters over was na de door Jozef II
gehouden opruiming had voor de Franschen mede moeten wijken.
Nauwelijks waren zij vertrokken of namens den
gouverneurgeneraal van
het departement der Nedermaas maakte de commissarisgeneraal
Minuth
i.d. 3 Maart 1814 bekend, dat het een vergissing was te
meenen, dat
daardoor de Fransche wetten niet meer golden en dat speciaal
de voor-
schriften betreffende den burgerlijken stand in het belang
der families
moesten blijven nageleefd. Van geboorten en sterfgevallen
moest bij
voortduring aangifte worden gedaan ten stadhuize en daar
moesten de
huwelijken worden voltrokken. Jaren heeft het echter nog
91
ten stadhuize wel een meting van 1680 en een
„boenderboek“ van 1729
en een generale meting van 1786 van landmeter Schommers en
een
nieuw boenderboek opgemaakt door J. Smabers in de jaren
1771-1774,
maar die gaven enkel maten met nummers zonder secties en wat
erger
was zonder opbrengst. In de jaren 1842-1843 heeft hermeting
en her-
schatting plaats gehad, welke laatste in Limburg heel wat
stof heeft
opgejaagd van wege de hoogere grondbelasting die er het
gevolg
van was.
Over het grondgebied liepen de navolgende wegen die alle in
beheer
en onderhoud bij de Gemeente waren. le. De Kapellerweg welke
zich
aan het einde van de laan (856 el) in twee armen verdeelde
en alzoo
over onderscheidenlijk 324 en 408 el lengte leidde naar de
dorpen Me-
lick en Herkenbosch en verder diende als verbindingsweg met
Pruisen
in de richting van Wassenberg en Heinsberg; 2e. De Dijk, die
leidde
door het gehucht Merum, gemeente Herten, richting Maastricht
en
voorts ook door middel van eenen arm op een afstand van 1736
el van
de stad naar Odiliënberg over 1464 el lengte; 3e. De weg
over de Maas
lang 3200 el. Deze weg splitste zich op een afstand van 750
el van de stad
in twee armen, een op Horn en een op Haelen. Dit was de
communi-
catie met Maeseyck en Weert. De weg lag in een laagte en was
bij hoo-
gen waterstand onbruikbaar; 4e. De Venlosche weg richting
Maasniel
en verder over Swalmen naar Venlo en Bruggen (Pruisen),
lengte 1170
el; en 5e. de Buggenummerweg van Maasniel naar Buggenum lang
770 el. Deze was 7 el breed, die over de Maas en naar
Odiliënberg 5 el,
de overige 10 el.
Voor herstel- en onderhoudswerk op de wegen werden als het
hoog
noodig bleek karren met paard en geleider gerequireerd met
bij elk
span een tiental manschappen met „schup en schoet“. De
onderhouds-
toestand was laat ons maar zeggen primitief. De postpaarden
zouden
daarvan het best kunnen getuigen. Intusschen had Napoleon
een weg
van Parijs in de richting van de Oostzee ontworpen. Jammer
alleen, dat
hij Roermond links liet liggen of in letterlijken zin
rechts. Ik bedoel
den Napoleonsweg, welks opzet aan de Romeinen herinnert, die
bij
wegenaanleg geen bergen noch bosschen ontzagen. Bij aanleg
op kleine
schaal moest men dat wel doen, de bergen omtrekken terwille
van de
trekdieren en de bosschen ter vermijding van de moerassen.
Over zulke
wegen beschikte Roermond nog: kronkelwegen wat richting en
zand-
of breiwegen wat verharding betrof. Het verkeer te water
genoot daar-
om de voorkeur, en zoo lag Roermond voorspoedig aan de Maas
...
totdat de Zuid-Willemsvaart kwam, een werk gelijk de
Napoleonsweg
door Napoleon opgezet en door Willem I uitgevoerd en dat
gelijk het
laatste te land op zijn beurt te water het verkeer van
Roermond afleid-
de. De straatweg Maastricht-Venlo op den linkermaasoever,
onder-
deel van opgemelden „Napoleonsweg“, werd aangelegd in de
jaren 1812
-1824, terwijl de Zuid-Willemsvaart in 1828 is geopend.
Maar laat ons op Roermondsch gebied blijven. Met den weg
Over de
Maas gaf een veer verbinding, dat sedert 1795, of „de
doorsteking” van
de Roer, langs een verharden weg bereikbaar was. Voordien
moest men
93
en de Munsterkazerne, een woning met een tuin van een
bunder (eigen-
dom Heusch) en verder de meelwaag, de brouwerijstal, de
gevangenis,
,,de Ramen" (eigendom Claus) en nog verschillende kleine
woonhuisjes. Tegenover de Munsterstraat gaf een groote, en
iets verder westwaarts
een kleinere poort toegang tot dat alles. Tegen den muur
waren achter Kloosterwand en in de Christoffelstraat enkele
armoedige woningen
opgetrokken. Het Begijnhof was een afgesloten terrein met
huisjes van
het R. K. Godshuis en op den achtergrond, waar vroeger het
kerkje had
gestaan, een groot Christusbeeld. De stad zag er volgens
reisbeschrij-
vingen uit dien tijd troosteloos uit. Gelukkig is de oude
Kartuizerskerk
door de adellijke nonnen van St. Gerlach voor ondergang
behoed. Muren,
poorten, torens, grachten en wallen, die de stad onveranderd
van voor den Spaanschen tijd omgaven, werden door de
Franschen zoo goed mogelijk
hersteld. Zij zouden voortaan dienen tot wering van den
sluikhandel!
Ook de straten waren alle eeuwen oud en liggen er thans nog
zoo goed
als ongewijzigd. Nagenoeg alle kloostergebouwen echter zijn
met ver-
loop van tijd door particuliere woningen vervangen. De
huizen tot het
Stadhuis toe waren veelal gewit, maar leken niet zoo op
elkaar als
vandaag. Naast patriciershuizen lagen de onaanzienlijkste
arbeiders-
woningen. Hier en daar hing ten behoeve der openbare
verlichting aan
een hoog over de straten gespannen ketting of touw een
lantaarn, die
door middel van een katrol op en neer kon worden gehaald.
Voor de
deftige huizen zijn de stoepen afgezet met een ijzeren hek
tusschen
steenen palen. Op andere stoepen staat een bank waarop bij
mooie
avonden de buren zitten te praten over hun handel en
bedrijf. De cou-
rant is nog een zeldzaamheid en de barbierswinkel een
voorname bron
van nieuws. Tin en koper behooren tot het gewone huisraad en
waar
thans een naaimachine, wat zeg ik, een radiotoestel staat,
bevond zich
een spinnewiel. Het was nog de tijd van kaarsen- en
olieverlichting.
Een kaars op een blaker in den gang en de keuken; in de
woonkamer
twee kaarsen op tinnen kandelaars, waarnaast een tinnen of
porseleinen
inktstel met veeren pen. In de goede kamer alleen stond een
nog niet
zoolang geleden uitgevonden lamp met gazen kap en kous iets
later
vervangen door de carcellamp met glazen ballon op een
sierlijk bronzen
voetstuk. De tondeldoos zou weldra van de zwavelstokjes
concurrentie ondervinden. Tot zoolang namen de bezoekers van
den casinotuin Over
de Brug een vlammetje voor hun tabakspijp of sigaar aan de
zemelen
die in een ijzeren pot op verspreid opgestelde standaarden
stonden te
smeulen. Het verkeer levert nog geen gevaar op voor de
kinderen die
spelen op straten en pleinen. De postwagen immers en het
dokters-
koetsje rijden maar zelden uit en voor de molenkarren hebben
de jon-
gens geen angst, evenmin als voor den bierwagen. Het
alignement of
de rooilijn was nog onregelmatig. Naar de poorten liepen de
straten trechtervormig toe. Hier en daar lagen voor den
waterafvoer overdekte
goten en zelfs onderaardsche gemetselde kanalen. Meestal
waren de
goten echter open. De gracht van de Maasnielder naar de
Venlosche
poort droeg den typischen naam van de modderkuil, hetgeen
wel op den primitieven toestand van den water-
95
drons huzaren (gedurende de mobilisatie in 1870
ingedeeld bij het mo-
biele leger), 1871 een escadron huzaren, 1 Mei 1873-1 Mei
1878 een bat-
terij rijdende artillerie, 1 Mei 1879 twee batterijen
veldartillerie plus een compagnie infanterie, 31 October
1896 twee escadrons huzaren en een
compagnie infanterie waarbij in 1909 de staf wordt gevoegd
en in 1911
nog een tweede compagnie, 1913 een bataljon en twee
compagnieën
infanterie benevens de 12 depotcompagnie. Gedurende den
wereldoorlog
van 1914 tot 1918 was het garnizoen van Roermond ingedeeld
bij het
leger te velde en Roermond tijdelijk bezet door
landweerafdeelingen;
1919 staf van de Ile infanteriebrigade plus een bataljon,
twee compagnie-
ën en 1½ depotcompagnie van het 13e regiment infanterie.
Hierbij komt
in 1921 een mitrailleurpeloton. Met 2 Mei 1922 wordt het
infanteriegarni-
zoen te Roermond ingetrokken. De staf van de Ve
infanteriebrigade blijft
tot 1 October 1922 te Roermond. Van 1921 t/m 1925 is er nog
een afdee-
ling politietroepen onder een officier geplaatst geweest. In
de dertiger jaren
waren hier herhaaldelijk Belgische troepen ingekwartierd. In
dezen tijd
vervingen gendarmen de marechaussee's die hier sedert 1816
liggen.
De dienstdoende schutterij bestond hier van 1827 tot 1830 en
van 1867
tot 1904. In den Belgischen tijd diende de Gardecivique.
„Alle documenten en papieren raackende het Overquartier van
Gelder-
land zullen als voor deezen blijven in de archieven tot
Roermond" zoo
stond te lezen in art. 18 van het op 15 November 1715
gesloten Barrière Tractaat. Eenige tientallen jaren geleden
had men van gouvernements-
wege reeds pogingen aangewend dit archief te Maastricht
onder te
brengen. Na den dood van den rijks en gemeentearchivaris J.
B.
Sivré in 1889 waren die pogingen vernieuwd en op 2 Juli 1894
barstte
de bom voor goed en brak de bekende archievenstrijd uit.
Eerst 3
Maart 1901 stemde de Raad toe in een minnelijke schikking
welke op
afstand van het archief neerkwam. Het Rijk zag af van zijn
eisch tot schadevergoeding, stond aan Roermond de
archiefstukken betreffende
de Munsterabdij af en nam alle proceskosten voor rekening
van den
Staat. Hoe vinnig deze strijd is gevoerd moge blijken uit
het feit dat
de Koninginnen bij Haar bezoek aan Limburg in 1895 Roermond
voor-
bij reden, wat met dien strijd in verband werd gebracht en
dat de rijks-
archivaris in zijn verslag over dat jaar (pagina 690) over
zijn met den Commissaris der Koningin aan Roermond gebrachte
bezoeken vermeldt: „Opgemerkt dient te worden dat bij onze
komst te Roermond aan het
station gefluit en beleedigende kreten van het opgeruid
gepeupel ver-
nomen werden. Dit schandaal kan geen bevreemding wekken, als
men
bedenkt hoe sinds meer dan 1 jaar opruiende taal tot in de
zaal van den gemeenteraad systematisch tegen het gezag werd
gevoerd". Ik vermeld
dit ter illustratie. Wat opruiende taal is, is natuurlijk
een kwestie van
appreciatie. Dat de Raad slechts het goed recht der gemeente
handhaafde
blijkt wel uit het verloop der procedure. Sedert zijn de
gemoederen gekal-
meerd en het mag een beau geste van de rijksregeering worden
genoemd,
dat de huidige rijksarchivaris
97
ongeveer Nijmegen. Naar Maastricht leidde de weg over
den Dijk.
Geen wonder, dat daar spoedig een brug over de Hambeek
verrees.
In de richting Nijmegen zocht men weldra communicatie met
den
Napoleonsweg. Een ideale toestand zou echter slechts bieden
een weg,
waar men al aanstonds het streven op richtte, de
tegenwoordige weg
Maastricht-Nijmegen, aan welks tot stand komen echter de
Belgische
revolutie al spoedig aanmerkelijke vertraging zou brengen,
al was het
maar, omdat die weg te Brussel geoordeeld werd 's lands
defensie-
belangen afbreuk te doen. Over de Maas zocht men verbinding
met
Noordbrabant en België en over Elmpt, Melick-Herkenbosch en
Poster-
holt met Pruisen. Onze overgrootouders, het zij dankbaar
erkend, ge-
troostten zich veel moeite en, de omstandigheden in
aanmerking geno-
men, niet minder geldelijke offers, om den aanleg van al die
wegen
te bevorderen en gelukkig zij of althans hun kinderen hebben
hun streven
met succes bekroond mogen zien.
Omtrent 1820 werd de Roerkade aangelegd, een dam gelegd in
de Roer
en de Hellegaten ten behoeve van de molens op de Roer
hersteld. Ge-
lukkig heeft de destijds nog bloeiende zalmvisscherij op de
Roer door
die werken niet geleden.
In 1824 bouwde de gemeente een nieuwe brug over de Hambeek.
De
kosten bedroegen f 10.000,-. Daarvoor mocht de gemeente voor
30 ja-
ren een passagegeld heffen. Daarna werd met subsidie onzer
gemeente
een brug gelegd over de Rothenbach onder Vlodrop ten behoeve
van het
verkeer met Pruisen. In 1835 kocht de gemeente eenige huizen
aan de Kapellerpoort aan ter verbreeding van den ingang
aldaar en ter verbinding
van den boulevard tusschen deze poort en de Brugpoort met
den ontworpen boulevard tusschen de Kapeller- en de
Maasnielderpoort.
Voor het einde van den Belgischen tijd was ook de verbinding
met den Napoleonsweg verkregen en de weg Roermond-Venlo
klaar. Deze laat-
ste werd bij K. B. van 12 November 1836 uitgezet op een
lengte van
22.809 meter en een breedte van 10 meter. 10 December d.a.v.
had de aanbesteding plaats met de bepaling dat de weg op 1
November 1838
moest worden opgeleverd.
In 1842 is een der armen van de Maas beneden de Hambeek met
name
de linker en toenmalige hoofdarm ter bevordering der
scheepvaart dicht-
gemaakt. Tot mogelijkhouding van de scheepvaart had men in
de
dertiger jaren reeds veel werk aan de Maas beneden de Roode
brug be-
steed, alsmede aan nivelleering en droogmaking der
stadsweide door
verzorging der afwatering langs de Oude Roer.
Bij K. B. van 15 October 1842 no. 61 werd de richting van
den rijksweg Maastricht-Nijmegen vastgesteld. Het gedeelte
Roermond-Linne is in
1844 aanbesteed en ten deele door Roermond bekostigd.
Linne-Susteren
was in 1842 uitgegeven. 19 Juni 1845 had de feestelijke
eerstesteenleg-
ging van de brug over de Roer het belangrijkste kunstwerk in
den weg
door den gouverneur van het hertogdom plaats. De ingenieurs
van den
waterstaat hadden blijkbaar niet voldoende rekening gehouden
met het
bekende „opbulderen" der Roer, want den eerst-
99
Toen het station 4e klasse op de lijn Maastricht-Venlo
6 November
1865 feestelijk werd geopend, kon Roermond de door het lange
isole-
ment geleden schade niet meer inhalen, en toen eindelijk in
1879 de lijn Antwerpen-M. Gladbach kwam, had Venlo door zijn
eerdere verbinding
met Pruisen een voorsprong op Roermond verkregen, waarvan
het sinds-
dien in ruime mate heeft geprofiteerd.
In de vergadering van den Raad van 24 November 1859 maakte
burge-
meester Beerenbroek gewag van een bedrag van ƒ 399.932 dat
aan pu-
blieke werken zou moeten worden besteed, namelijk ƒ
70.000,-- aan gas-verlichting, ƒ 93.632,-- aan
kanalen, f 25.300,-- aan bestrating van de voor-naamste
straten met paveisteenen, ƒ 11.000,-- aan herstel van Kade
en Loos
en ƒ 200.000,- voor een brug over de Maas. Hoe het daarmee
is gegaan,
kan men lezen in het opstel over publieke werken in den
nieuwen tijd.
Als ik thans een bescheiden poging wil wagen, om den lezer
een ant-
woord te geven op de vraag, hoe de stad overigens sedert den
Franschen
tijd is geregeerd, dan wensch ik allereerst op te merken
dat, als voor eco-nomischen vooruitgang staatkundige
stabiliteit vereischt is, Roermond
niet in gunstige positie heeft verkeerd. Seb. van Beringen
teekent in zijn
kroniek het volgende aan: „1831. 4 Juni is de prins van
Saksen Coburg
tot koning der Belgen uitgeroepen. Dit is het 4e souverein
huis dat ik over Roermond beleefd heb sedert 40 jaren. Wij
waren eerst Keizersch, dan
werden wij Fransch, dan werden wij. Hollandsch en nu zijn
wij Belgisch.
Noteert hier, dat indien het lastig is voor eenen meester
dikwijls te veran-
deren van onderdanen, het voor de onderdanen niet minder
nadeelig is
dikwijls te veranderen van meester. De ondervinding in deze
jaren heeft
dit genoegsaem geleerd. De gouvernementen staken zich in
troebels en
schulden en de gemeene borgers moeten deselven dragen."
De stad bezat betrekkelijk veel eigendommen, welke in geval
van nood
te gelde gemaakt konden worden, gelijk met de stadsboerderij
het
Hatenboer in het laatst van den Franschen tijd reeds was
gebeurd en
gelijk spoedig daarna met het stadsaandeel in Meinweg*) en
verschil-
lende andere het verst afgelegen kleinere eigendommen is
geschied.
Geld leenen ging moeilijker dan thans. 6 December 1861 nog
heeft men
kunnen zien hoe de Raad geld van het R. K. Godshuis ter leen
kreeg
tegen eerste hypotheek op de stadsweide. Voor den bouw der
Maasbrug
zouden spoedig de weilanden over de Maas moeten worden
verkocht,
omdat het noodige geld anders niet bij elkaar was te
krijgen. Voorts
heeft de gemeente veel voordeel genoten van den eigendom der
stads-
muren, wallen en grachten, welke haar in den schoot was
gevallen.
Maastricht en Venlo b.v. welke in 1867 als vestingsteden
zijn opgeheven,
hebben wat zij van de vestinggronden wilden overnemen voor
duur
geld van het Rijk moeten koopen. Maar een ander verschil
*) Meinweg behoort tot die
ondoordringbare bosschen, waarvan Caesar en Tacitus
verhalen. Het is ter grootte van 2423 H.A. in den
Franschen tijd onder de dertien
omliggende medeeigendomsrecht bezittende gemeenten
verdeeld. Roermond verkocht
zijn 186 H.A. in 1822 voor f 1301.17 in perceelen.
101
gemeente van een garnizoen voorstelde en waar de
belastingpenningen
zooal vandaan kwamen.
Het Kruisheerenplein heeft de gemeente, om nog een paar
buitenkans-
jes te noemen, veel geld opgebracht aan bouwterreinen. Het
Jezuieten-
klooster kreeg ze van Napoleon cadeau voor de stichting van
een in-
richting voor instruction secondaire". De Penitenten schonk
haar Willem
I voor afbraak. En het oud Bisschoppelijk Paleis, het
tegenwoordige
paleis van Justitie en zoo zal het ook wel met de
oorspronkelijke Munsterkazernegebouwen, het oud
Seminariegebouw en de Oude Grif-
fie zijn gegaan moest ten koste van veel geld tot kazerne
worden
ingericht. Het Rijk schoof die kosten op de gemeente en op
den duur
gedroeg zich de gemeente als eigenares. In 1822 werd het oud
bisschop-
pelijk paleis op gemeentekosten voor rechtbank en
marechauseekazerne
ingericht. Een proces over den eigendom heeft het Rijk
verloren en het
heeft de Gemeente in 1871 voor het paleis van Justitie ƒ
50.000,-
moeten betalen.
Het eerst werd in den Raad over een hoofdelijken omslag
gesproken
in de vergadering van 17 Juli 1856 bij een discussie over
keurloonen
van vleesch.
Burgemeester Beerenbroek wil niet ontkennen dat de indirecte
belas-
tingen hunne nadeelige zijde hebben, als zijnde de inning
daarvan kost-
baar -- zij bedraagt ruim f 1900,- 's jaars -- ook slepen
zij belemmerin-
gen in het verkeer na zich en kunnen invloed uitoefenen op
de prijzen
der belaste voorwerpen, maar van den anderen kant bieden zij
die voor-
deelen aan, dat ze ongevoelig en bij kleinigheden worden
betaald en
niet alleen door de ingezetenen maar ook door vreemden, die
hier ver-
toeven, worden gedragen. Aan hoofdelijke omslagen zijn ook
gewigtige
bezwaren verbonden, namelijk de bijna onmogelijkheid om met
eenige
juistheid bij de repartitie het aandeel der ingezetenen te
bepalen; men
herdenke slechts de algemeene ontevredenhid die bij de
jaarlijksche
repartitie van de geadmodieerde Rijksaccijnsen op het
gemaal, het
geslagt en de brandstoffen te voorschijn kwam".
De heer Strens echter (toch niet de eerste de beste. Hij zou
12 Maart
1862 van den wethouderszetel worden geroepen om voor de
tweede
maal aan de ministerstafel plaats te nemen) gelooft dat elke
belasting
op levensmiddelen, hoe gering ook, aanleiding geeft geeft om
door den
verkooper 2 à 4 maal de belasting aan den verbruiker te doen
betalen.
Hij meent dat het keurloon het vleesch duurder zal maken,
was dit ten
onregte, daar de slagter daarin de gelegenheid zal zoeken
van één cent
drie te maken. Hij betreurt het, dat het weggeld, marktgeld,
de belasting
op de boter, het vleesch, de brandstoffen enz., nog worden
betaald; hij
wenscht daarvan de afschaffing en kon de gemeente de
inkomsten niet
missen, dan wenschte hij die door een hoofdelijken omslag te
zien
vervangen, die dan toch in deze gemeente geene
onoverkomelijke
bezwaren zou opleveren, omdat de te verdeelen som niet zeer
hoog
zou loopen. Zijns inziens is deze de rechtvaardigste
belasting, indien
goed gerepartiseerd; hij ontkent niet de bezwaren daaraan
verbonden,
maar beschouwt ze minder drukkend dan die, welke op de
103
dat het wetsontwerp de bepaling bevat, dat de
uitkeering in geen geval
zal dalen beneden de eerstgenoemde som van ƒ 23.104,78½.
Immers, vooruitstrevende Gemeenten, welke den ingezetenen
hooge belastingen
opleggen, doordien zij in ruime mate voorzagen in de eischen
eener
goede gemeentelijke huishouding, zullen hooge uitkeeringen
erlangen. Gemeenten daarentegen, waar men op allerlei gebied
veel te doen
overliet, zullen uit de voorgestelde regeling geen voordeel
trekken. Eerstgenoemde Gemeenten, welke in de toekomst
minder te doen vin-
den, ontvangen ook in de toekomst eene belangrijke
uitkeering, terwijl laatstgenoemde, die het verzuimde nog
moeten inhalen, bij stijgende
behoeften zich tengevolge van de fixatie van de uitkeering
per inwoner,
zullen moeten tevreden stellen met een veel geringer
bijdrage. Zoo zal
Maastricht per inwoner meer dan het dubbele ontvangen
van Roermond,
andere Gemeenten meer dan vijf maal dit bedrag".
Het aldus ondervonden rechtstreeksche nadeel der financieele
politiek
van de vroedsten en gegoedsten" is pas opgeheven bij de
onlangs in-
gevoerde nieuwe financieele verhouding tusschen Rijk en
gemeenten. Contemporaine geschiedenis wil ik den lezer
sparen. Tot besluit nog
iets over de ontwikkeling van het openbare leven der stad.
Onder de regeering van Willem I zien wij aanvankelijk nog de
regeling
onder het Fransche bestuur tot stand gekomen van toepassing
blijven en
de ontstane vacaturen in den raad door den koning aanvullen.
Bij konink-
lijk besluit van den 12den Mei 1817 werd in de samenstelling
der stede-
lijke besturen eene verandering gebracht, ten gevolge
waarvan op den
eersten October van dat jaar een presidentburgemeester, twee
burgemees-
ters, vijf leden van den raad, een secretaris en een
ontvanger geïnstalleerd
werden, die allen door den koning tot hunne respectieve
betrekkingen
benoemd waren. Ook deze samenstelling was slechts
voorloopig, want
bij besluit van 27 December 1822 benoemde de koning eene
commissie
van zeven ingezetenen der stad met last om een reglement te
ontwerpen,
dat tot grondslag voor de benoeming van het stedelijk
bestuur moest
strekken; deze commissie, samengesteld uit de heeren
Michiels van Ver-
duynen, arrondissementscommissaris, Cornelis, voorzitter der
rechtbank,
Syben rechter van instructie, Clout, burgemeester, J. A.
Cox, rentenier,
C. Petit, ontvanger der registratie, en P. L. Specken,
koopman, stelde op
23 November van dat jaar een ontwerp vast, waarin de
samenstelling volgenderwijze was geregeld: het bestuur zou
bestaan uit eenen raad van
zeven leden, waaruit de koning een burgemeester en twee
schepenen zou benoemen. Deze raad zou gekozen worden door
een kiescollege van 24
leden dat door stemgerechtigden moest benoemd worden. De
stemge-
rechtigden bestonden uit de burgers, die den ouderdom van 23
jaren bereikt hadden en twintig gulden in de
rijksbelastingen betaalden, terwijl voor de
leden van het kiescollege de ouderdom van 25 jaren en de
betaling van 40
gulden als boven gevorderd werd. Volgens dit ontwerp
benoemde de raad
den ontvanger, terwijl hij voor het secretariaat, waartoe de
benoeming
door den koning geschiedde, twee personen voordroeg, bij
welke burge-
meester en wethouders twee anderen voegden. Bij besluit van
5 Januari 1824
105
ren en op aanslagen vanwege de gemeente gedaan. Het
Rijk moest een
vast bedrag hebben en dit werd omgeslagen over de bevolking
welke
daartoe in klassen werd verdeeld. In elke klasse betaalde
elkeen dan
naar de grootte van het gezin. De geadmodieerde accijnzen
bedroegen
b.v. in 1843 op het gemaal f 4535,93 op het geslacht f
3078,50 en op den
turf en de steenkolen f 4248,46.
In de naoorlogsche jaren maakten in den aanvang der 19de
eeuw zoo-
genaamde zwartmakers in en om Roermond vooral des nachts
straten
en wegen onveilig. Men riep tijdelijk burgerwachten in het
geweer,
waarvan de gegoeden deel uitmaakten, zoodat de maatregel
niets kostte.
De politie bestond uit een agent van politie en een
veldbode. Er was
buitendien een torenwachter en nachtpolitie, in 1824
vervangen door
klepperlieden. De nachtpolitie diende echter in hoofdzaak om
te wa-
ken tegen smokkelarij. Verordeningen werden „omgeblazen”
d.w.z.
dat de afkondiging geschiedde met den hoorn op de hoeken van
de
straten. Een klokje in den toren van het stadhuis gaf het
teeken wan-
naar met het keren der straten moest worden begonnen, een
ander
wanneer het sluitingsuur was voor de herbergen. Beide
klokken luidden
ingeval van brand.
In 1823 had de brandweer tot haar beschikking 2 groote
dubbele en
1 kleine dubbele brandspuit en 2 enkele schoorsteenspuiten,
dan 81
emmers, 4 brandhaken, 11 bijlen, 6 ladders en 32 groote
waterbakken,
putvlooten genaamd. In de plaats van poelen stichtte men hoe
langer
hoe meer waterreservoirs. Volgens een verouderd
brandreglement had-
den de Putten of buurtschappen nog bepaalde verplichtingen
ingeval van
brand en ook daarbuiten wat de verzorging van het materiaal
betreft.
Voor de brandspuiten alleen zorgde een opzichter. De
nachtpolitie met
den torenwachter hadden behalve bovengenoemde opdracht tot
het
waken tegen smokkelen te letten op brand. De zakkendragers
waren
speciaal belast met de bedieneing der brandspuiten en het
verleenen
van hulp bij brand. Overigens werden de buren gerequireerd.
Nieuwere
brandweerreglementen zijn van 22 April 1849, 25 October 1856
en 13
November 1881. Een Commissaris van Politie kreeg de gemeente
na
den Belgischen tijd. Deze bekleedde aanvankelijk tevens de
functie
van ambtenaar van het openbaar ministerie bij het
kantongerecht, dat
tot 1862 zitting hield ten stadhuize. Uitbreiding van de
politie had
in December 1867 plaats. Er werden 5 veldwachters aangesteld
onder
wie 1 brigadier. In 1874 werd het aantal veldwachters
gebracht op 7.
De nachtwakers werden toen afgeschaft. Een paar jaar later
echter
verschenen zij weer, thans als politieagenten. In 1885
kregen de veld-
wachters helmen tot hoofddeksel. Brandweer en Politie zijn
onder Bur-
gemeester Raupp op modernen voet ingericht.
Tot het gemeentepersoneel behoorden ook de koeherders onder
wier
opzicht de inwoners der stad hun koeien tegen betaling op de
stads-
weiden konden laten grazen. Voorname ambtenaren waren de
collec-
teurs of ontvangers der stadsaccijnzen, die verplicht waren
te wonen
onderscheidenlijk aan de Kraanpoort, aan de Brugpoort, aan
de Ka-
pellerpoort, aan de Venlosche poort en bij de Meelwaag.
107
den der eeuw opgericht gingen weer ten onder. De wet
tot afschaffing
van het zegel op dagbladen en andere periodieken en van de
adver-
tentiebelasting (April 1869) verschafte de plaatselijke pers
levensvat-
baarheid. Meer dan gewonen opgang heeft het sedert het
laatst der
vijftiger jaren alhier verschenen weekblad „De Volksvriend”
gemaakt.
Eerst toen onder Burgemeester Brouwers de Gemeenteraad het
abon-
nement der Gemeente opzegde, hetgeen met een veroordeeling
zijner
politieke richting gelijk stond, kon dit blad het op den
duur niet meer
volhouden. De „Maas en Roerbode” dateert van 1856. Ze was
van ouds-
her het bisschoppelijk orgaan dat de primeur had van de
kerkelijke be-
noemingen en van de officieele mededeelingen der kerkelijke
overheid in
ons Bisdom. De „Nieuwe Koerier“ werd opgericht in 1887. In
1904 wer-
den de twee bladen vereenigd onder den naam „De Nieuwe
Koerier,
Maas- en Roerbode". Einde 1925 werd de tot daaraantoe
anderdaagsche
courant dagblad, een dagblad met op vandaag 2400 bladzijden
per jaar
en de alstoen aangeschafte 8-zijdige rotatiepers is een
dezer dagen ver-
vangen door een 24-zijdige machine van de allermodernste
constructie.
Verschillende tot hieraantoe niet of slechts terloops
aangeroerde onder-
werpen uit de geschiedenis onzer dierbare vaderstad zal de
welwil-
lende lezer in de hiernavolgende opstellen meer in den
breede uitge-
werkt kunnen vinden.
109
Montfort, Kriekenbeek, Wageningen, Harderwijk,
Doesburg, Elburg,
Doetinchem en Lochem, vinden we die nieuwe
verheffingsbrieven
terug, doch van Roermond is zelfs geen aanwijzing te vinden,
dat er
een nieuw diploma is gegeven.
Nu kan men met Sivré veronderstellen, dat Graaf Reinald I de
verhef-
fingsbrieven niet heeft opgevorderd, maar men kan dan de
vraag stel-
len, waarom hij anders zou gehandeld hebben ten aanzien van
Roer-
mond, dan ten aanzien van al die andere bovengenoemde
steden. Dit
zou zeer zeker in strijd zijn geweest zoowel met zijn eigen
belang, als
met dat der stad Roermond, welke stad zich altijd in de zeer
bijzondere
gunst van de Geldersche graven mocht verheugen, zoodat men
ook op
grond van dit laatste moeilijk kan aannemen, dat er geen
nieuw diploma
zou zijn verstrekt. Dr. Meerdink meent een bewijs voor de
vernieuwing
der stadsrechten hierin te zien, dat, toen Montfort in 1312
alle rechten
door den graaf en zijn voorgangers verleend, verloor, het
begiftigd werd
met „omnis libertas quam burgenses nostri in insula Dei
supra Mosam
(Roermond) habent".
Nog een derde mogelijkheid blijft er open, n.l. dat de
oorspronkelijke
· verheffingsbrief in 1232 toch rechtmatig gegeven was en
dat Otto II bij
uitzondering nu eens wél toestemming van den Keizer had
gevraagd,
zoodat vernieuwing overbodig was.
Wat van dit alles ook zij, zeker is, dat Roermond vanaf 1232
bij voort-
during als „stad“ is beschouwd; hieraan schijnt inderdaad
nooit eenig
machthebber getwijfeld te hebben.
Wat waren nu de juridische gevolgen voor de inwoners van
Roermond,
van zijn verheffing tot stad?
Allereerst werden zij - na het afleggen van den eed, dien
Otto II, de
„primus urbanae libertatis auctor" van hen eischte, en welke
eed ook
later van ieder, die het burgerschap deelachtig wenschte te
worden,
werd geëischt, bij welken eed zij op zich namen ook de
lasten naast de
vele voordeelen, die het burgerrecht hun bood, te dragen -
gerekend
tot de vrije mannen. Vóórdien waren de meeste inwoners eigen
hoori-
gen of knechten.
Wat een geschenk van den Landheer! De persoonlijke vrijheid
met
daarnaast een voorrecht om door eigen overheden bestuurd te
worden!
Het stadsbestuur was aanvankelijk op zeer eenvoudige wijze
ingericht.
Het bestond uit een schout en schepenen, die zoowel recht
spraken als
de geheele verdere behandeling der belangen van de burgerij
in han-
den hadden.
De naam schout of scholtis komt in de oudere stukken nog
niet voor,
men spreekt dan van richter; de benaming schout schijnt
eerst in veel
later tijd in gebruik te zijn gekomen. Daar we reeds in een
charter van
1234, waarbij een koop gesloten wordt tusschen Dirk, voogd
van Roer-
mond, en het Munsterklooster, o.a. zeven schepenen als
getuigen zien
optreden, kan men veilig aannemen, dat het oorspronkelijk
aantal sche-
penen bij de verheffing tot stad in 1232 eveneens zeven is
geweest.
Dit getal schijnt overigens in den loop der tijden nog al
eens gevarieerd
111
laatgoederen. De cives of vrije burgers stonden geheel
onder de juris-
dictie van de Schepenbank.
Van de rechtspraak was voor den voogd niet veel meer
overgebleven.
Hij bleef echter voorloopig toch nog een gewichtig
personage, als ver-
dediger der stad en aanvoerder der burgers, wanneer deze den
graaf
moesten helpen.
De Schepenbank had, behoudens de hierboven behandelde
uitzonde-
ring, de geheele rechtspraak, zoowel civiel als crimineel.
Dank zij het Jus
de non evocando behoefden de burgers van Roermond niet voor
een
vreemden rechter te verschijnen. De Roermondsche Schepenbank
was
tevens hoofdgerecht voor tal van schepenbanken uit het
Overkwartier.
Wanneer deze de zaak „niet wijs en waren“, gingen zij ter
beleering
naar het Roermondsche hoofdgerecht.
Terwijl Eduard van Gelre in 1352 aan de Regeering der Stad
Roermond
nog uitdrukkelijk gelastte, dat deze niet mocht gedoogen,
dat iemand
zijner onderdanen naar Luik gedagvaard werd, is blijkbaar
later dit
jus de non evocando, dat Roermond eenigen tijd in den meest
uitge-
breiden zin heeft gehad, en wel in 1414 door keizer
Sigismund beperkt
binnen de grenzen der rechtspraak in eersten aanleg.
Vermoedelijk ging men toen zijn hooger beroep wel in Aken
halen, ten-
minste we vinden een oorkonde van het jaar 1476, waarin
wordt mede-
gedeeld, dat voortaan weer recht zou worden gehaald in
hooger beroep
te Aken, volgens het gebruik, dat de voorouders zich nog
herinnerden,
maar dat in onbruik was geraakt. Veel succes had deze
regeling echter
niet, want, daar men verder over de betrekkingen tusschen
Aken en
Roermond niets meer vindt vermeld, kan men met Dr. Walther
Schwabe aannemen, dat deze betrekkingen reeds vroeg zijn
verbroken.
Vonnissen, door een vreemden rechter geveld, zouden
misschien nog
harder zijn geweest, dan die welke de eigen Schepenen
plachten uit te
spreken. De gewone Middeleeuwsche straffen als brandmerken,
geese-
len, het stellen aan den schandsteen en de kaak, afsnijden
van de ooren,
vingers of hand, ons nu bij uitstek wreed voorkomend, werden
veel-
vuldig toegepast.
Verder kende men nog de straf tot het doen van bedevaarten,
welke
straf veelal werd toegepast wegens vergrijpen tegen den
eerbied, welken
men aan de ouders of overheden verschuldigd was, de
verbanning, het
openbare vergiffenis vragen wegens laster en kwaadspreken.
In dit laat-
ste geval n.l. moest de delinquent blootshoofds, in een
linnen gewaad
twee waskaarsen naar de Moederkerk brengen, welke daar voor
het
Heilig Sacrament moesten geofferd worden.
Als een eigenaardigheid kan vermeld worden het verbod,
uitgevaardigd
door den Magistraat, den 8en April 1666, om bouwmaterialen
weg te
nemen, bestemd voor den herbouw der stad na den brand, op
straffe
van op den „Esel“ op de Markt gesteld te worden, en bij
herhaling
„arbitrairlyck aen den lijve“. De z.g. „Esel” was een houten
stellage,
voorstellende een ezel, waarop de delinquent te pronk werd
gesteld.
Deze straf werd ook bij andere misdrijven toegepast en is
eerst in 1794
door de Franschen afgeschaft.
113
De Raitsburgemeester werd uit de schepenen door de
raden gekozen,
de peiburgemeester uit de burgers door de schepenen.
De Raitsburgemeester was behalve voorzitter van den raad
tevens be-
last met de uitvoerende macht en speelde daardoor een groote
rol in
het stadsbestuur.
Maar nog meer is er te vinden in „het alt heercomen“.
Onder meer komen er keuren in voor over de meest
uiteenloopende
onderwerpen. Hieruit is de conclusie te trekken, dat
Roermond in dien
tijd het privilege had eigen stadskeuren uit te vaardigen.
Zoo vinden we o.a. in het alt heercomen een bepaling, waarin
„ymant
die mit quaden ongerechten maten ind gewichte omme gijnge",
gestraft
werd met een geldboete.
Tegen de al te weelderige doop- en begrafenismalen werden
eveneens
boeten bedreigd.
Belastingkeuren zijn er niet in, behalve die van den accijns
op wijn. In
dien tijd had Roermond nog niet het recht, op een paar
uitzonderingen
na, zelfstandig stedelijke belastingen te heffen.
Zoo is het bekend, dat aan de stad kleine inkomsten waren
toegestaan,
waarvoor de burgers dan ook verplicht waren tot het
onderhoud der
muren, torens en poorten, zoo ook tot de verdediging daarvan
bij
te dragen.
Eerst bij brief van 18 April 1366 door Hertog Eduard is aan
Burgemees-
ter, Schepenen en Raden vergund, de gemeente te mogen
schatten, zoo
dikwijls zij zulks tot delging der stedelijke schulden
noodig oordeelden.
Toen Roermond in 1632 onder de macht van de Staatschen kwam,
werden de schepenstoelen geregeld op denzelfden voet als in
de overige
provinciën, alwaar zij annueel waren.
Deze regeling bleef voortduren ook nadat Roermond in 1637
weer
onder de macht van den Koning van Spanje was teruggekomen,
tot
1653. Toen werden zij wederom voor levenslang benoemd door
den
Gouverneur-Generaal der Nederlanden
Uit economische overwegingen besloot de Magistraat van
Roermond
in 1685 de twee reeds vaceerende schepenplaatsen te
supprimeeren;
daartoe werd dan ook een verzoek gedaan aan Karel II van
Spanje.
Schepen Bossman werd in 1689 door den Magistraat naar
Brussel ge-
zonden, om de goedkeuring op het besluit te verkrijgen, wat
evenwel
niet terstond is gelukt, want twee en een half jaar later
ging de Ritz-
burgemeester Jacob van Breugel met hetzelfde doel naar
Brussel, waar-
bij hij dan bovendien aan zijne keurvorstelijke hoogheid of
aan Zijner
Majesteits geheimen raad den treurigen toestand der stad
Roermond
moest schilderen, welke ontstaan was door de voortdurende
oorlogen,
,met als gevolg de passagiën van krijgsvolk, gering trafic,
excessieve
beden en andere landlasten".
In 1697 werd er andermaal door den Magistraat besloten om de
ridderschap en de steden van het Overkwartier te verzoeken
om bij
Z. M. op de suppressie der twee eerst vaceerende
schepenplaatsen aan
te dringen.
Mogelijk is er van hoogerhand niet dadelijk goedkeuring
gevolgd op
115
op het overheidsbestuur hebben gehad, hadden ook in
Roermond geen
groot aandeel in de Stadsregeering. Hun invloed, door een
overeen-
komst van 1449, kwam tot uiting door middel van het corps
der tien-
mannen, oorspronkelijk echter slechts uit zes mannen
bestaande. Hun
aantal werd langzamerhand tot tien uitgebreid omstreeks het
jaar 1596.
De Magistraat benoemde hen voor den tijd van twee jaar; in
de maand
Juli telken jare werden er vijf herbenoemd en wel één uit
ieder der
vijf groote gilden.
Het hoofd der tienmannen noemde men, evenals de hoofden der
gilden
zelf, vrouwenbroeder of deken.
De tienmannen waren tegenwoordig bij het onderzoek en de
vaststelling
der stedelijke rekeningen, bij het vaststellen van alle
stedelijke contri-
buties, waarvan zij de door de ambten of gilden bij te
brengen hoeveel-
heid bepaalden; voorts gaven zij hun advies bij alle
voorkomende zaken
van eenig belang en maakten de gilden bekend met de
besluiten, die
door den Magistraat in hun tegenwoordigheid genomen waren.
In lateren tijd (tweede helft 18de eeuw) moest de
Peiburgemeester
rekening doen aan den „Raedt van de Raden van State ende van
Finantiën" te Brussel, ten overstaan van Magistraat en
Tienmannen.
II.
Roermond viel, als hoofdstad van het Overkwartier van Gelre,
in 1580
de eer te beurt, dat binnen zijn muren het Souvereine Hof
van Gelre
werd gevestigd, en wel in een gebouw ter plaatse waar thans
een deel
der strafgevangenis staat.
Oorspronkelijk was dit Hof, gesticht door Karel V, krachtens
tractaat
van Venlo van 1543, in Arnhem, doch, door de afscheiding van
de drie
Nederkwartieren van Spanje, waardoor Arnhem Staatsch werd,
was
overbrenging van het Hof naar elders noodzakelijk. De
verplaatsing ge-
schiedde krachtens een koninklijke ordonnantie van 5
Februari 1580
naar Roermond en reeds den 8sten April d.a.v. hield de Raad
zijn eerste
zitting, onder voorzitterschap van Willem van Gendt.
De oude ordonnantie betreffende de bevoegdheid van den Raad,
oor-
spronkelijk opgemaakt voor het Hof te Arnhem in 1547, bleef
ook te
Roermond gelden, tot de nieuwe instructie van 1609, welke
door de Sou-
vereinen Albert en Isabella Clara Eugenia in dat jaar werd
uitge-
vaardigd.
De Souvereine Raad, zooals het Hof zichzelf altijd placht te
noemen,
was samengesteld uit een Gouverneur of Stadhouder, een
Kanselier,
twee Raadsheeren costumier of van den korten tabbaard, zes
gewone
Raadsheeren, een momboir of substituut momboir, een gewonen
Grif-
fier, een Griffier der Leenen en eenige ondergeschikte
ambtenaren. De
Raadsheeren costumier waren leden van den Ridderstand; zij
waren
geen juristen, behoefden dan ook slechts in buitengewone
gevallen te
zitten en deden geen rapport in proceszaken. De functie van
den Raad
was vooral die van Hof van appèl voor het Overkwartier;
daarbij kwam
tevens de functie van Hof in eersten aanleg in gedingen
tusschen Hee-
ren, Steden, Ambten of Dorpen in het Vorstendom.
117
Toen de Staten echter het ontwerp der reorganisatie
zagen, smeekten
zij Maria Elisabeth, de Oostenrijksche
Aartshertogin-Regentes, den
Keizer te adviseeren den Raad en den Magistraat van Roermond
te
doen voortbestaan volgens het decreet van 1720. Maria
Elisabeth stoor-
de zich evenwel niet aan de bedenkingen der Staten. Het
ontwerp kwam
dan ook, ondanks alle tegenkanting, tot uitvoering.
Als zoo vaak, waren het ook hier de financiën, die een
beslissenden
invloed hadden. De kosten, welke de inrichting van den
Souvereinen
Raad met zich bracht, waren zoowel volgens Karel VI als
volgens de
Landvoogdes Aartshertogin Maria Elisabeth, te hoog voor de
draag-
kracht van de onderdanen, zoodat tot vermindering van het
getal amb-
ten moest worden overgegaan.
Bij decreet van 2 October 1737 van Weenen, werd de nakoming
van de
punten en artikelen in het ontwerp uitgedrukt, bevolen.
De opperbevelhebber van Roermond riep de Staten, de leden
van den
Raad en van den Magistraat, op last van de Landvoogdes
bijeen, in
welke bijeenkomst de Syndicus het ontwerp moest voorlezen.
Zelfs na
deze officieele afkondiging vanwege het Keizerlijk gezag
werden pogin-
gen aangewend door Staten en Magistraat, de invoering van
het ont-
werp tegen te houden. Zonder resultaat echter, het ontwerp
werd in-
gevoerd.
De inrichting, die zooveel tegenstand gewekt had, kwam nu op
het vol-
gende neer.
De Raad was samengesteld uit een kanselier, twee adellijke
of Costu-
miere Raden en zeven gepromoveerde of in de rechten
gelicencieerde
Raden, voorstellende den Raad en den Magistraat onder den
titel van
Raad van de Provincie en van het Hertogdom Gelre.
De Raad was in twee Kamers verdeeld, belast met de
uitvoering van de
geheele civiele en crimineele rechtspleging. De verdeeling
was echter
niet in, zooals wij tegenwoordig zouden noemen, een kamer
van bur-
gerlijke zaken en een van strafzaken.
De eerste kamer was samengesteld uit den Kanselier, de
oudste der
adellijke Raden, de twee oudste gegradueerde Raadsheeren en
den
Raadsheer, die fiscaal of momboir was. Onder haar
competentie vielen
dezelfde zaken, welke voorheen, zoowel in eerste instantie
als in appél
of herziening door den Souvereinen Raad werden berecht, en
die zaken
in welke de Magistraat in het belang der Stad partij of
belanghebben-
de was.
De tweede kamer berechtte de zaken, welke voorheen door den
Ma-
gistraat werden behandeld. Deze was samengesteld uit: drie
van de zes
gepromoveerde Raadsheeren, jaarlijks voorgedragen door den
geheelen
Raad. Uit deze drie werd een gekozen om de plaats van
Burgemeester
te vervullen. Deze vormde dan met de drie jongste
gegradueerde
Raadsheeren plus den jongsten Raadsheer costumier de tweede
Kamer.
Van de vonnissen door deze Kamer gewezen kon in beroep
worden
gekomen bij de eerste Kamer, voor Kanselier en Raden, die
niet over
de zaak hadden gezeten.
119
afgescheiden van de stadsregeering, welke in haar ouden
vorm zou wor-
den hersteld.
In 1757 werd de uitvoering bij een nieuwe Ordonnantie
geregeld en op
22 Februari, den traditioneelen datum voor overdracht van
ambten,
werd de nieuwe Raad geinstalleerd. Aan den Raad werd ontzegd
zich
directelijk of indirectelijk te bemoeien met politie en
administratie
der Stad.
Het recht van gratie, dat door Karel van Bourgondië (de
Stoute) aan
den Raad van Gelderland was gegeven en steeds was
gehandhaafd ge-
worden, werd door Maria Theresia aan zich getrokken.
De regeling van 1757 bleef in stand tot 1782, toen Joseph
II, zoon en
opvolger van Maria Theresia, er verandering in bracht.
Joseph II, een van de verlichte despoten, gevoelde, dat de
tijd voor
het leenheerlijke stelsel en de Middeleeuwsche
rechtsbedeeling langza-
merhand had afgedaan en hij trachtte dan ook de
rechtsinstellingen aan
te passen aan den geest van den nieuweren tijd.
Zoo nam hij ook den Raad van Gelderland onder handen. In
1782
vaardigde hij een Ordonnantie uit, die op 5 Februari 1783 in
werking
moest treden. Bij deze ordonnantie werd bepaald, dat het
personeel
sterk zou worden ingekrompen; de Raad zou voortaan slechts
bestaan
uit een Kanselier en twee Raadsheeren, van wie een als
Momboir zou
werkzaam zijn, en een Griffier.
Reeds in 1786 vaardigde de Keizer een nieuw Reglement voor
de civiele
rechtspleging uit, dat 1 Mei 1787 in werking zou moeten
treden.
De hervormingsijver van Joseph II bracht hem tot het besluit
ook het
Generaal Gouvernement van de Nederlanden te wijzigen. De
besluiten
betreffende de hervormingen van rechtspraak en administratie
volg-
den elkaar in snel tempo op.
Deze hervormingen zijn echter niet daadwerkelijk ingevoerd.
Ofschoon
goed bedoeld en inderdaad in het belang van de
justiciabelen, waren
zij het juist, die tegen de nieuwe regeling der zaken in
verzet kwamen.
Waarschijnlijk is dit het gevolg geweest van de geringe
toelichting van
de zijde van den Keizer. De invoering van de nieuwe regeling
werd dan
ook uitgesteld, totdat na betere uitlegging de ingezetenen
zich ermede
zouden hebben verzoend.
Wat de nieuwe regelingen zelf betreft, deze zijn zeer
uitvoerig te vin-
den in het proefschrift van J. L. Geradts „Bijdrage tot de
geschiedenis
van den Souvereinen Raad in het Overkwartier van Gelderland
te
Ruremonde", waarop deze in 1860 aan de Leidsche Hoogeschool
tot
Doctor in het Romeinsch en Hedendaagsch Regt promoveerde, en
van
welk uit historisch oogpunt zeer verdienstelijk proefschrift
in dit opstel
een dankbaar gebruik is gemaakt.
Door de opschorting van de uitvoering der nieuwe besluiten
werden
de oproerige gemoederen terstond gerustgesteld, doch toen
men be-
greep, dat er inderdaad slechts van een opschorting sprake
was, werd
de rust weer verbroken en kwam het volk in de Zuidelijke
Nederlanden
zelfs tot een gewapenden opstand, onder Generaal van der
Mersch,
121
te stellen, „bevattende al wat regt en billijk“ zou
zijn, naar gelang de
behoeften van het land.
Tilman Bree aanvaardde de opdracht en de Staten kozen eenige
hun-
ner leden om het ontwerp te onderzoeken. Nadat deze leden
een rap-
port hadden uitgebracht over het ontwerp van Bree,
beraadslaag-
den de Staten er nog eens over, die enkele wijzigingen
aanbrachten,
die door de Commissie zouden worden uitgewerkt.
Inmiddels kwam een nieuwe Kanselier in Roermond, Hendrik
Uwens.
Deze apprecieerde den spoed niet waarmee gewerkt werd, maar
ver-
langde integendeel een rijpelijk overleg. Andermaal kreeg
Tilman Bree
een opdracht, n.l. om een uittreksel te maken uit de
artikelen van het
Ontwerp van de Costumen van Antwerpen, die in onmiddellijk
ver-
band stonden met de bepalingen van het reeds voor Gelre
vervaardigde
ontwerp. Na nog eenige beraadslagingen en onderzoekingen,
besloten
de Staten in hun Kwartiersvergadering het Ontwerp nogmaals
aan de
goedkeuring van den Souvereinen Raad te onderwerpen. Deze
goed-
keuring werd inderdaad verkregen.
Men ontdekte, toen men het ontwerp van Brabantsche
uitdrukkingen
ging zuiveren, nog verschillende duistere punten, die de
Kanselier op
zich nam om te verhelderen.
Na nog herhaald overleg, waarbij ook nog de Raadsheer
Steenhuyzen
uit den Hoogen Raad van Mechelen geraadpleegd is, werd
tenslotte bij
decreet van 19 September 1619 het Ontwerp goedgekeurd en
door de
Aartshertogen Albert en Isabella bekrachtigd.
Het bevatte het Land- en Stadsrecht voor het Overkwartier,
algemeen
bekend onder den naam van „Het Geldersche Landrecht“. De
eerste
druk is in Roermond verschenen bij Jean Hompes. Deze eerste
uitgave
is nog door vier andere gevolgd, respectievelijk in 1665 bij
Gaspard
Duprée te Roermond, in 1667 te Arnhem, in 1740 te Venlo en
in 1783
andermaal te Venlo. De indeeling van het Landrecht was als
volgt:
De eerste vier boeken behandelen het Burgerlijk Recht,
achtereenvol-
gens: personen; verscheidene soorten van goederen, renten,
servituten
of dienstbaarheden; manieren waarop eigendom verkregen wordt
en
contracten. Het vijfde deel behandelt de Burgerlijke
Rechtsvordering,
het zesde de misdrijven en de manier van die te vervolgen.
Uitwerking van den inhoud van het Geldersche Landrecht valt
buiten
het bestek van dit opstel.
Wel kan vermeld worden, dat deze gunstig beoordeeld werd,
zoowel
ten tijde van de totstandkoming, als in veel later tijd.
Hieronder moge
het oordeel volgen van den in 1843 overleden Hoogleeraar te
Bonn,
Dr. Romeo Maurenbrecher, in diens in 1830 uitgegeven werk
„Die
Rhein-Preussischen Landrechte": „Wir haben an diesem
Landrechte
„ein seltenes Rechtsbuch, das vom Volke heraus, mit
möglichts gerin-
„ger Einwirkung des Landesherrn entstanden ist .... Das
Geldernsche
„Landrecht ist das erschöpfendste, gründlichste, treuste,
und mit der
„meiste Methode abgefaste Rechtsbuch seiner Zeit“.
123
niet deelgenomen aan de provinciale landdagen van
Gelderland. Dat
ging trouwens ook niet, omdat de politieke toestand, waarin
het Over-
kwartier toen verkeerde, een geheel andere was, dan in de
jaren 1632-
1637. Het Overkwartier werd immers in de jaren 1702-1716,
voor zoo-
ver het onder Staatsch bewind was, als generaliteitsland
beschouwd.
Na den Spaanschen Successieoorlog werd het Overkwartier
geheel uit
elkaar gescheurd en bleef Roermond bij het Oostenrijksche
deel.
De Staten van dit deel hadden toen nog slechts te
vertegenwoordigen
Roermond met aanhoorigheden: de Dorpen Swalmen, Elmpt,
Nieder-
krüchten, Oberkrüchten en Wegberg.
In 1794, aan het einde van den Oostenrijkschen tijd, waren
de Staten
samengesteld uit: „den Marquis van Hoensbroeck, Graef van
het H.
Roomsche Rijk, Keyzerlijken Kamerheer, Raedsheer van Staet,
intimen
actueel van zijne K.K. en A. Majesteyd, Erfmarechal des
Hertogdoms
Gelder en Graefschap Zutphen; den Graef van Nesselrode,
Erresho-
ven, Raed van Staet, intimen actueel van zijne Kuerv. Doorl.
van den
Paltz, Cancelier van Gulich en Berch, beschreeven van 't
Riddermatig
Goed te Wegberch; den Marquis van Hoensbroeck, Domheer van
Trier, beschreeven van het Riddermatig Goed Oldenburg te
Swalmen;
den Baron van Merwijck, Chambellan en Raed Constumier
beschreven
van het Riddermatig Goed Dilborn te Elmpt, als leden van de
Ridder-
schap; en J. P. Geradts, Burgemeester en J. B. Syben,
Schepen, als ver-
tegenwoordigers van de Stad." Genoemde Syben was tevens
pensionaris
en griffier, en T. G. Coolen was ontvanger van de Staten.
V.
Om dezelfde reden als waarom het Souvereine Hof van Gelre
naar
Roermond werd overgebracht, werd de Rekenkamer omstreeks Fe-
bruari 1580 van Arnhem naar Neuss in het land van Kleef
verlegd.
31 Januari 1581 kreeg deze Kamer aanschrijving zich te
Roermond te
vestigen en aldaar niet alleen de Domeinen van Gelderland,
maar ook
die van Overijssel, Friesland, Groningen en Lingen (toen nog
grooten-
deels in de macht van Spanje) te beheeren.
De Kamer bestond in 1596 uit: een eersten Rekenmeester, een
Raad en
tweeden Rekenmeester, een Raad en meester ordinaris, een
auditeur
ordinaris en een klerk.
Bij een oproer van de Spaansche en Italiaansche soldaten
wegens ach-
terstallige soldij de z.g. alterati, dat in ± 1601 plaats
had, vluchtte de
Rekenkamer naar Maastricht en het Hof naar Venlo, tot er
rustiger
tijden kwamen en beide weer naar Roermond terugkeerden.
Uit een uittreksel uit de „Patente de la Réforme de Collèges
du Con-
seil des Finances et Chambres des Comptes" blijkt, dat door
den Ko-
ning op 7 Juli 1664, de inrichting van de Rekenkamer van
Gelderland
werd vastgesteld als volgt: „un surintendant ou premier,
deux maîtres,
trois auditeurs et un clerq signant et les commissaires
ordinaires de nos
finances à fix".
Op 25 Januari 1681 vereenigde Karel II van Spanje de
Rekenkamers van
125
Johan van Buegel, 1595, 1600, 1607,
1613, 1620 †, opgevolgd door Arnold Heufftz.
Marcelis Koch, 1596.
Johan Goltstein, 1598.
Matheus Butkens, 1599, 1606, 1615.
Mr. Gerhardt Creyaerts, 1601, 1605, 1611, 1617,
1623.
Arnold van Horpusch, 1609, 1614, 1621, 1625, 1630.
Matheus van Dulcken, 1610, 1616, 1629.
Fred. v. Opsinnich genaamd Rhoe,
1612.
Dederik Stijns, 1618, 1628.
Arnold Heufftz, 1619.
Wilhelmus Moeits, 1622, 1631.
Reiner Vostermans, 1624.
Johan Holtbecker, 1626.
Peter Bossman, 1627, 1632, 1642, 1643.
Mathis Maroyen, 1633.
Mathias Creyarts, 1634.
Gerard Puytlinck, 1635.
Hendrik Maroen, 1636, 1644, 1650, 1651, 1652.
Dederik van Ommeren, 1637 (reductio regia).
Franciscus Pollardt, 1637, 1639, 1645, 1646, 1653,
1654, 1665, 1666.
Doctor Barthol. Poyn, 1638.
Godefried van Steyn, 1640, 1641.
Jr. Dederik Hillen, 1647, 1648, 1649.
Johan Spee, 1655.
Gerard van Lom, 1656.
Johan van Winde, 1657, 1658, 1659,
1667, 1668, 1669, 1670, 1679.
Jan Bapt. De Haen, 1660.
Hendrik Goris, 1661.
Peter Claessens, 1662.
Gerard Bordels, 1663, 1664.
Jr. Gerard van Zoutelande, 1671,
1672, 1673, 1674, 1675, 1676, 1677.
Gerard van Baerll, 1678.
Martin van de Velde, 1680.
Peter van Lom, 1681, 1682, 1693,
1694, 1695, 1700-1704, 1717-1720.
|
Johan Reinier Dupree,
1683, 1684, 1685.
Dirk Woestingh,1686,1687, 1688,
1689, 1698 †, opgevolgd door
Godefridus Cnop.
Jacob van Breughel, 1690, 1691, 1692.
Gerard Francois Bossman, 1696, 1697.
Godefridus Cnop, 1699.
Leonard Baenen, 1705.
Guillaume Bongaerdts, 1706, 1707, 1708, 1712.
J. B. Cruysancker, 1709, 1710, 1721, 1722.
L. J. G. van der Smitsen, 1711.
Johan Martin Bossman, 1713.
Johan Josef de Wagener, 1714, 1715, 1716.
Johan Coolen, 1723, 1724, 1729.
Mathias Kroonenbroeck, 1725, 1726, 1731, 1732.
Arnold Joseph van den Bergh, 1727, 1728, 1737-1739.
Christ. Jacobus Cox, 1730, 1735, 1736.
Johan Franc. de Haen, 1733, 1734.
Jac. Hendr. Segers van Loon, 1740-1743
Petrus Dominicus Leclerc, 1744, 1745, 1748.
R. J. van Dunghen, 1746, 1747, 1750.
A. H. Tackoen, 1749, 1751-1767 †,
opgevolgd door Jan Baptist Syben, 1767-1790.
Jacob Peter Geradts 1791-1793.
Frans Johan Albert Ramaeckers, 1794.
J. F. Schommers, president v. d.
Municipalen Raad, 1796-1797.
Jacques Quisthoudt, Maire, 1799-1806.
Henri Joseph Michiels de Kessenich, Maire,
1807-1816.
H. Clout (President Burgemeester). 1816-1819.
|
127
DE ERFVOOGDIJ EN
DE ERFVOOGDEN
VAN ROERMOND
door
J. M. VAN DE VENNE
I.
ET instituut der voogden heeft in de middeleeuwen een
belangrijke rol gespeeld.
Aanvankelijk waren het geen ambtenaren in den
eigenlijken zin doch slechts tijdelijk gevolmachtigden,
hetzij van den grondheer, hetzij van kerken of kerkelijke
instellingen.
Zij traden op in processen en vertegenwoordigden de kerken
bovendien
in wereldlijke aangelegenheden.
Eerst onder Karel de Groote krijgt de voogdij een groote
uitbreiding
en ontstaan uit de bovengenoemde tijdelijke voogdijen de
z.g. be-
schermvoogdijen, vooral bij de immuniteiten. De immuniteit
bestond
aanvankelijk slechts in belastingvrijheid. Later breidde ze
zich uit zoo-
dat degenen, die immuniteits privilegie hadden, alle
verplichtingen der
inwoners van hun gebied tegenover den Staat aan zich
trokken. Verder
volgde dan het uitsluiten der openbare beambten uit het
immuniteits-
gebied en in verband met het recht der immuniteitsheeren op
de ge-
rechtsboeten, heeft deze uitsluiting dan tot de instelling
van immuni-
teitsgerechten geleid. Onder de beambten van deze
immuniteiten en
hunne gerechten treden de voogden in den loop der 9e eeuw
meer en
meer op den voorgrond en vormt zich langzamerhand de voogdij
met
hoogere d.i. crimineele rechtspraak. Verder hadden de
voogden zekere
politioneele, militaire en lagere bestuursbevoegdheden.
Naast de voogden van kerkelijke immuniteiten bestonden er,
begrijpen
wij Brunner (Deutsche Rechtsgeschichte) goed, ook dergelijke
ambte-
naren voor gebieden van wereldlijke grond- en
immuniteitsheeren.
Wat nu was de Roermondsche voogd?
Was het een voogd, die in betrekking stond tot een of andere
kerkelijke
instelling, m.a.w. een beschermvoogd eener kerkelijke
immuniteit, of
was het eenvoudig een plaatsvervanger van den grondheer?
Graaf
Otto III van Gelder deed in 1244 uitspraak in een geschil
tusschen
eenige inwoners der stad en den voogd Theodericus over de
rechten
van- en de rechtspraak over de laten van den laathof
Swartbroeck. De
door den graaf geraadpleegde Roermondsche getuigen
verklaarden o.a.,
dat de voogd geen recht sprak over misdaden, waarop de dood
volgde,
dus niet de hooge justitie uitoefende in dien laathof. Dit
deed de grafe-
lijke vierschaar. Was nu de Roermondsche voogd, zooals wij
hem ken-
nen uit de oorkonden, d.i. van 1191 af, een kerkelijke voogd
geweest, dan
129
Hoe de grens van hier af tot het voogdshuis geloopen
heeft staat niet
vermeld. Heel duidelijk zijn al deze beschrijvingen niet.
Het is in den
loop der eeuwen dan ook herhaaldelijk tot een strijd gekomen
tusschen
de stad en de erfvoogden over jurisdictie, grenzen enz. enz.
Zoo be-
weerde de erfvoogdes Lucie van Vlodrop, dat de geheele
Weerd, vroe-
ger Middelweerd, een eiland, gevormd door de Hornsche (oude)
Maas
en de Roermondsche, behalve wat Hornsch was, tot hare
jurisdictie
behoorde. Een attest echter van circa 1650 zegt, dat de
gronden en goe-
deren in de Weerd, zoover het laatgoederen waren, behoorden
tot de
erfvoogdij, zoover het allodiale goederen waren tot de
jurisdictie van
het hoofdgerecht. Aan de Zuidzijde grensde de erfvoogdij aan
de vroe-
gere schepenbank Hombergen, achter het Hatenboer. Of
Hombergen en
Hatenboer hetzelfde is, zooals Sivré beweert? In een
getuigenis van
2 Aug. 1650 komen Homborgh en Hatenboer als twee
verschillende
plaatsnamen voor. De „Palink“, zooals het in 1650 heet,
behoorde toen
aan het Munster. De tegenwoordige Donck heeft dus ook tot de
erf-
voogdij behoord. Later is ze evenwel tot een afzonderlijk
leen verheven,
zooals wij hierna zullen zien.
Omtrent de rechten van den voogd wordt in de hiervoor
aangehaalde
akten ook gesproken. Ze bestonden in: „kerkegifte”
(patronaatsrecht)
van de parochie- of moederkerk te Roermond, met erfcijns,
laeten en
onderleenen, keurmeden, rechten van verval, van „overdaedt”
en mis-
daad in het gebied der erfvoogdij, zooals dit zooeven
beschreven is.
Verder had de voogd het recht van wind en water, visitatie
van ver-
dronken personen en schepen, alsmede de visscherij en het
veer op de
beide takken der Maas, den Roermondschen en den Hornschen.
Dan de
tienden „rondsomme Ruremunde gelegen“, de landerijen,
weiden, beem-
den, „rijsweerden, middelweerden, sanden tusschen ende voor
syn
erven ende aanwassen". Eindelijk nog de gerechtigheid op het
Elmpter-
bosch en „'t recht aen 't Swartbroeck".
Wij zullen enkele dezer rechten wat nader trachten te
verklaren zoo-
ver dit noodig is.
Met „kerckegiffte“ is bedoeld het patronaatsrecht, een recht
n.l. om den
pastoor ter benoeming aan den Bisschop voor te dragen.
Keurmeden
zijn cijnzen, welke betaald moesten worden wanneer de
eigenaar van
een keurmedeplichtig goed was gestorven, gewoonlijk
bestonden deze
cijnzen uit een stuk vee: paard, koe enz.
Met rechten van „overdaedt en misdaed“ is bedoeld het
bestraffen van
kleinere delicten. In de hiervoor aangehaalde uitspraak van
Otto II,
graaf van Gelder, worden deze rechten, naar hetgeen oude
lieden en
schepenen van Roermond daaromtrent verklaarden, vastgesteld.
In het kort komen deze verklaringen hierop neer: De hoogere
rechts-
macht n.l. de bestraffing van de misdaden, waarop de dood
gevolgd
was, behoorde aan den graaf. Alle andere misdrijven, door
zijn laten
of bewoners der laatgoederen begaan, kon de voogd berechten,
zoover
zij binnen het rechtsgebied der voogdij waren gepleegd. In
verband
hiermede kwam hem het recht van arrestatie en het opleggen
van boe-
ten toe. Ook mocht hij zijn onderhoorigen (d.i. laten)
bijeenroepen om
131
ster is n.l. vermeld een Johannes de Elmpt, heer van
die plaats, en broe-
der der abdis Elisabeth van Vlodrop.
Of met „,'t recht aan 't Swartbroeck" de laathof bedoeld is,
die tot de erf-
voogdij behoorde, is wederom een vraag. Het laatgerecht van
den voogd
was samengesteld uit een stadhouder, welke in de 17e eeuw
ook scholtis
wordt genoemd, laatschepenen of ook wel laten, vier in
getal, een secre-
taris en een bode. In bijzondere gevallen o.a. in 1675,
werden twee
laatschepenen der laatbank Leeuwen „geassumeerd“, d.i. bij
het laat-
gerecht van den voogd gevoegd, om recht te spreken.
Waarschijnlijk zal deze rechtbank gezeteld hebben in het
huis van den
erfvoogd. Aanvankelijk lag dit buiten de Opperpoort. In 1388
echter
ging Godart van Vlodrop, ridder, voogd en zijn zoon Gerard
een ver-
gelijk aan met Johan van den Velde, ridder, drost van
Roermond, om-
trent het afbreken van hun huis, dat op een berg lag buiten
de genoem-
de poort, en het slechten van dien berg. Zij kregen van de
stad daar-
voor 500 Geldersche guldens benevens een oven tichelsteenen.
Deze
overeenkomst werd mede gezegeld door den broeder van Godart,
Rut-
ger van Vlodrop.
De voogd heeft daarna een huis gebouwd aan het einde van de
Voogdij-
straat tegenover de Steegstraat, bij den ouden walmuur.
Eerst in het
begin der twintigste eeuw zijn de gebouwen gesloopt. Een
afbeelding
van het laatstelijk daar gestaan hebbend gebouw vinden de
lezers in
dit gedenkboek. De foto ontvingen wij door de welwillendheid
van
Mevr. M. Palmen-Op de Coul te Valkenburg, de teekening
vervaar-
digde Jhr. E. v. Nispen tot Sevenaer. Wij maken hier
dankbaar melding
van deze hulp. Over de woning van den voogd zijn nog enkele
bijzon-
derheden bekend. Blijkens een visitatie in 1746 gedaan in
verband met
de inkwartiering had zij beneden negen vertrekken. Hierin
konden 152
man gelegerd worden. In 1673 was het grootste gedeelte
verhuurd aan
de gravin van Falckensteyn. Niettemin werd er toen de
„marquis de
Morbek" (sic.) ingekwartierd, met 36 paarden en muilezels en
± 20
knechten.
Reeds vroegtijdig vinden wij laten der erfvoogdij vermeld.
In 1390
komen voor Kursken Berken, Derich Johanszoon van gen Raede
en
Heyn Venne en in 1450 Steven Kellener, rechter, Goessen van
gen
Eynde en Lemmen Walschaert. Zij noemen zich laten der
„voeghdien
tot Ruremunde des hoeffs tot Assel". De akten betreffen een
goed
gelegen „Op gen Raede” in het kerspel Assel. Ook in de jaren
1454 en
nog in 1467 vinden wij ze vermeld als laten der voogdij „tot
Ruremunde
des hoeffs tot Assel" en wel in akten betreffende een rente
gaande
uit een huis op de Swalmerstraat.
Tezelfder tijd n.l. in 1455 komt Steven Kellener als rechter
voor met
Hyen Breukers en Thys Scueben, die zich noemen: laten der
„voegh-
dien tot Ruremunde" zonder de bijvoeging „des hoeffs tot
Assel", in
een akte n.l. betreffende land „in den Paelick“. Latere
akten, verleden
voor rechter en laten der voogdij, aangaande den erfcijns
uit dit land
van 1473, 1500, 1505 en 1510 waren aan den oorspronkelijken
brief ge-
133
eigen goederen te doen ten overstaan van den
„leenzaele“. 3) Het recht
op de landdagen der Staten van het Overkwartier te
verschijnen.
Bovendien ontving de voogd nog 100 gouden pistolen of 900
gulden
Brabantsch, van de stad. Over tienden wordt in dit stuk niet
gesproken,
misschien zijn deze begrepen in het jus patronatus.
II
Wij laten in het tweede gedeelte een lijst volgen van de
voogden. De
eerste, die bekend is, was
Goswinus de Berentrode, (Berentrothe enz.). Als voogd is hij
slechts
ééns vermeld bij een schenkingsakte van Otto, graaf van
Gelder en zijn
vrouw Richardis aan de abdij Werden in 1191. Overigens komt
een
Goswinus de Berentrothe in 1177 als getuige van den graaf
van Gelder
voor. In 1196 behoort hij tot de ministeriales, den
dienstadel van den
graaf. Het laatst vinden wij zijn naam, zonder meer, in
1200.
Zijn opvolger schijnt geweest te zijn:
Theodericus (I), welke als voogd, advocatus, het eerst
voorkomt in
1224. Wel is in 1203 een Theodericus de Ruremunde vermeld
bij de mi-
nisteriales jurati, doch er wordt hier niet gesproken van
voogd. Het
laatst vinden wij hem in 1230 als zoodanig genoemd. Dan
verschijnt:
Goswinus de Strale, als voogd van „Rurnadde“ in 1231. Dit is
tot nu toe
steeds als Roermond beschouwd. De oorkonde, waarin het
vermeld
staat, is evenwel niet in het oorspronkelijke tot ons
gekomen. De over-
gebleven afschriften schijnen slecht geschreven. In van
Doorninc en van
Veen, Acten betr. Gelre en Zutphen 1107-1415, staat hij
vermeld als
Goswinus de Sterke enz. Dit is na controle der handschriften
een ver-
gissing gebleken voor „de Strale”. Het blijft twijfelachtig
of Goswinus
de Strale wel voogd van Roermond geweest is. Ziehier waarom.
In 1230 reeds is Goswinus de Strale in een oorkonde vermeld,
ter-
wijl in datzelfde jaar een Theodericus voogd was. In 1233
heet hij
miles” d.i. ridder en in 1237 is hij ministerialis. Nu
vinden wij reeds
in 1234 een Theodoricus als voogd, terwijl drie jaren later
Goswinus
de Strale nog vermeld is.
Theodericus (II?), komt, met zijne echtgenoote Fridola, in
een oor-
konde bij Sloet, Oorkondenboek van Gelder, als voogd van
Roermond
voor. In 1243 is hij tegelijk met zijn zoon Godefridus
vermeld en het
jaar daarna heet hij in de oorkonde, waarbij de rechten in
den curtis
Swartbroeck worden geregeld, Theodericus, advocatus,
patronus eccle-
siae parochialis in Ruremunda. Het blijft moeilijk de
opeenvolgende
voogden met zekerheid uiteen te houden. In 1263 vinden wij
weer een
Theodericus (III) als „advocatus de Ruremunde". Wel is in
een akte
van 1259 sprake van Theodericus, ridder, patroon der kerk
van Roer-
mond, waarmede geen ander als de genoemde Theodericus kan
bedoeld
zijn. Vijf jaar later komt hij voor in de bekende
schenkingsakte van het
patronaatsrecht der parochiekerk van Roermond, met cijnzen,
tienden
enz. door graaf Otto van Gelder aan het Munsterstift. Dit
recht had
Theodericus, met toestemming van zijne echtgenoote Utilinde
en
die van zijn broeder Godefridus in handen van den graaf, van
135
alliantie in de buurt van Roermond hebben gevestigd en
door huwelijk
of erfenis Vlodrop hebben gekregen, waarvan zij daarna den
naam
hebben aangenomen. Had de schrijver het Middenlimburgsch
plat ge-
kend, dan had hij de van Kerke(n) (Kerreke enz.) niet
behoeven te zoe-
ken in het Rijnland. Immers de plaats Karken bij Vlodrop
heet nu nog
in het plat „Kerke“. Verder was Vlodrop met Karken oudtijds
slechts
één parochie, met de moederkerk te Vlodrop, waarvan de
filiale kerk
te Karken later is afgescheiden. Ziehier hoe wij aan de
veronderstelling
komen, dat de laatste Theodoricus reeds een van Kerken d.i.
Karken
kan geweest zijn. Sivré vermeldt in het Jaargetijdenboek van
den H.
Geest ook dat van Chiso de Beke en teekent daarbij, kort
samengevat,
het volgende aan. Deze Chiso zou een afstammeling zijn van
den
voogd Theodericus en hem vóór 1313 zijn opgevolgd. Hij meent
dit te
kunnen afleiden uit het feit, dat Chiso voornoemd het
pastoorsambt
der parochiekerk van Roermond had verleend aan Johannes de
Schaep-
husen, kanunnik van de O. L. Vrouwekerk te Maastricht. Daar
het con-
vent van het Munster deze pastoorsplaats had verleend aan
Henr. Lu-
dolfi ontstond er een geschil, en is deze laatste als
pastoor gehandhaafd
in 1314 door den aartsdiaken van Luik. Tot zoover Sivré.
Dan vinden wij in „Le livre des feudataires de Jean III de
Brabant",
uitgegeven door Galesloot, vermeld: Theodericus de Kerreke
met zijn
broeders Sigerus en Giselbertus, welke een molen enz. in
leen hielden,
gelegen te „Kerric” d.i. Karken. Verder zijn in een charter
van 1290
achter elkaar als getuigen genoemd: Dirk, voogd van
Roermond,
Gerhard, heer van Kerreke, Reinier van Vlodrop en Sybrecht,
heer van
Beke. Dit zijn zeer waarschijnlijk alle van Kerken's
geweest. Wij ver-
moeden, dat de Chiso van Beek, die de pastoorsplaats vergaf,
een der
twee hiervoor genoemden Giselbertus of Sigerus van Kerreke
geweest
is, een broeder dus van Theodericus van Kerreke en dat deze
laatste
reeds voogd van Roermond was. Chiso van Beek kon, zooals
Sivré te-
recht opmerkt, zijn recht om een pastoorsplaats te vergeven
alleen ont-
leenen aan zijn verwantschap met den Roermondschen voogd,
die het
patronaatsrecht der St. Christoffel bezat.
Alleen staan wij dan voor de vraag, waarvandaan de lelie in
het wa-
pen van den voogd uit het geslacht van Kerken, dat toch een
ander
wapen voerde. Kan deze lelie geen teeken geweest zijn van de
erf-
voogdij als zoodanig, overgenomen van een geslacht, dat
reeds lang in
het bezit daarvan was geweest? Ook het opnemen der lelie in
het
wapen der van Vlodrops later, duidt als 't ware op eene
erfelijkheid der
voogdij in die familie. En dan zou de tegenwoordigheid der
lelie in het
Roermondsche wapen, waarin ze ongeveer terzelfder tijd als
in het
wapen der van Vlodrops, is opgenomen, beter te verklaren
zijn. Het is
echter niet meer dan een vraag!
In de veertiende eeuw verdwijnt de naam van Kerken. Dit zal
wel ver-
band houden met het feit, dat Karken in 1317 door Lutgardis,
weduwe
van Johannis de Kerken, armiger, en door hare kinderen
Cecilia, Lut-
gardis en Johanna, verkocht wordt aan Godfried van
Heinsberg, die
nadien dus heer van Karken wordt.
137
geweest te zijn der familie van Vlodrop. Zijn vrouw was
Elisabeth van
Stamheim, die 14 Juni 1555 stierf en op het koor van het
Munster be-
graven is. Hij zelf moet vóór 6 Mei 1544 reeds overleden
zijn daar hun
zoon:
Gerard van Vlodrop (III), de voogdij op dien datum verheft.
Met zijn
vrouw Lambertine van Thuyll had hij geen kinderen. Zij waren
beiden
reeds overleden vóór 3 Juni 1557 toen:
Lutger van Vlodrop zijn leenplicht vervulde voor zichzelf,
zijne broe-
ders en zusters. In 1560 komt de voogdij echter geheel aan
hem alleen.
Met zijn vrouw Wilhelmina de Ruyter maakte hij in 1592 zijn
testa-
ment. Zijn zoon Johan zou de erfvoogdij krijgen, zijn
dochter Marga-
retha, welke met Herman van Cortenbach was getrouwd, kreeg
met
andere goederen ook het veer over de Maas.
Johan van Vlodrop was na den dood van zijn vader erfvoogd.
Hij ver-
heft de erfvoogdij in 1599. Met zijn vrouw Elisabeth van
Hanxeler had
hij slechts één kind, dat hem na zijn dood in 1608 opvolgt.
Dit was:
Lucia van Vlodrop, zij was in 1608 en 1609 de erfvoogdes. In
dit laatste
jaar trouwt zij met:
Wyrich van Binsfeld, die na zijn huwelijk erfvoogd werd en
het bleef
tot aan zijn dood in 1616, waarna
Lucia van Vlodrop wederom erfvoogdes wordt. Zij hertrouwde
in 1626
met haar neef Jan Willem van Cortenbach, een zoon van den
hierboven
genoemden Herman van Cortenbach en Margaretha van Vlodrop.
Door
dit huwelijk wordt
Jan Willem van Cortenbach in 1626 erfvoogd. Deze was reeds
in het
bezit van een deel der goederen, die tot het leen der
erfvoogdij be-
hoorden, afkomende van zijn moeder. Hij was ook raadsheer in
het
Hof van Gelder te Roermond,en stierf aldaar den 6en December
1647.
Jan Willem van Cortenbach, zoon van den voorgaande verheft
de erf-
voogdij in 1647 in naam zijner moeder. Zij was dus in feite
de erf-
voogdes, doch haar zoon oefende de functie uit tot aan haar
dood.
Deze trouwde den 22sten April 1655 Anna Maria Schenck van
Nydeg-
gen en stierf 1 Augustus 1673. Hij werd opgevolgd door zijn
zoon
Christoffel van Cortenbach. Zijne voogden aanvaardden in
1674 de
erfvoogdij voor hem, daar hij toen nog minderjarig was. Deze
was reeds
door zijn vader zwaar belast en Christoffel heeft er dan ook
niet veel
genoegen van beleefd. Ook hij heeft verschillende processen
moeten
voeren en het kwam vermoedelijk in dezen tijd reeds tot een
splitsing
der goederen van de erfvoogdij. Blijkens zijn in 1712
gemaakt testament
was Christoffel eigenaar van den Molengriend, de visscherij,
het veer,
de Middelweerd en de Donck. Over de nalatenschap zijner
ouders
kwam het tot een conflict met de familie Bouwens van der
Boyen.
Deze maakte daar aanspraak op doordat de zuster van
Christoffel,
Lucia Maria van Cortenbach, gehuwd was met Jan Renier baron
Bou-
wens van der Boyen. Deze laatste familie behield de
erfvoogdij. Op
4 Juni 1693 werd ze ten behoeve van den minderjarigen Jr.
Johan Albert
van der Boyen verheven.
Christiaan van Cortenbach was getrouwd met Agnes van
Zoutelande,
139
ROERMOND ALS
BISSCHOPSSTAD
door
DR. W. GOOSSENS
NDER kerkelijk opzicht staat Roermond aan de
spits der Limburgsche steden. Het heeft namelijk
het groote voorrecht bisschopsstad te zijn en het
kan als zoodanig terugzien op een roemrijk ver-
leden. De huidige bisschopszetel, die er in 1853 ge-
vestigd werd bij het herstel der hierarchie in de
Nederlanden, was niet
de eerste. Ongeveer drie eeuwen te voren was er al een zetel
opgericht,
die echter in de treurige dagen der Fransche overheersching
werd ver-
nietigd. Men spreekt derhalve van een oud bisdom Roermond in
tegenstelling met het tegenwoordige. Onze schets van
Roermond als
bisschopsstad zal dan ook tweeledig zijn en wij beginnen
met:
HET OUD BISDOM ROERMOND.
Dit heeft zijn ontstaan te danken aan den Spaanschen koning
Philips
II, aan wien eenmaal de Zeventien Provinciën der Nederlanden
toebe-
hoorden. Deze vorst wist van paus Paulus IV te verkrijgen,
dat er de
kerkelijke hierarchie opnieuw werd geregeld en tevens
aanzienlijk werd
uitgebreid. Dit gebeurde door de bulle „Super Universi" van
12 Mei
1559. In de plaats van 5 bisdommen kwamen er nu 15 en tevens
3 aarts-
bisdommen. Zoo werd Mechelen een aartsbisschoppelijke zetel
met
zes suffragaanbisdommen, n.l .: Antwerpen, 's-Hertogenbosch,
Gent,
Brugge, Yperen en Roermond.
Roermond was door Philips II als bisschopsstad uitgekozen om
zijne
burgerij eenigszins schadeloos te stellen voor de
rampspoedige gevol-
gen van den grooten brand, die eenige jaren te voren, in
1554, de stad
had geteisterd.
Het duurde echter geruimen tijd alvorens de grenzen van het
bisdom
werden vastgesteld. Eerst op 7 Augustus 1561 verscheen de
bulle „Re-
gimini Universalis", waarin Pius IV het bisdom omschreef. In
hoofd-
zaak komt die omschrijving hierop neer, dat tot het bisdom
zouden be-
hooren: het Overkwartier van Roermond, het ambt van Kessel,
het
kwartier van Nijmegen, het land van Cuyck, het graafschap
Horn en
het land van Valkenburg. Zijn grondgebied kwam dus in het
geheel niet
overeen met dat van het tegenwoordig bisdom Roermond. Dit
im-
mers strekt zich alleen uit over de Nederlandsche provincie
Limburg,
en het oude bisdom bevatte maar een deel daarvan met stukken
van
de provincies Noord-Brabant en Gelderland en van Pruisisch
Gelder.
Ook vormde het geen aaneengesloten geheel, groote strooken
lagen er
tusschen, die er niet toe hoorden, zelfs was de
bisschopsstad geheel
141
niet veel te recht gekomen, en de toelage, die in 1609
uit de Geldersche
kroondomeinen werd toegezegd, was niet voldoende om in het
onder-
houd van den bisschop en in de kosten van het bestuur te
voorzien.
Wanneer men dat alles in aanmerking neemt, dan begrijpt men
volko-
men, dat het dikwijls moeilijk was den opengevallen zetel te
bezetten.
Telt men in de eerste eeuw van zijn bestaan de jaren samen,
dat er geen
bisschop was, dan komt men tot het getal van 34. Eveneens
verwondert
het dan niet meer, dat zes van de veertien bisschoppen naar
een ande-
ren zetel werden overgeplaatst en dat slechts zes hunner een
laatste
rustplaats vonden te midden der hun toevertrouwde
geloovigen, n.l.
vijf te Roermond en een te Venlo.
Door de verheffing van Roermond tot bisschopsstad kwam er
een bis-
schoppelijk hof of paleis, een kathedraal, een kapittel van
kanunniken
en tal van andere kerkelijke instellingen, zooals een
officialaat en een
seminarie. Een klein overzicht daarvan moge hier volgen.
De eerste bisschop, Willem Lindanus, nam in 1569 zijn intrek
in de ge-
bouwen van het opgeheven klooster van den H. Hieronymus. Zij
waren
hem in de omschrijvingsbulle als woning aangewezen en lagen
in de
Lombardstraat (nu Jezuietenstraat) op de plek, waar thans de
Rijks
Hoogere Burgerschool is gevestigd. Ook de tweede bisschop,
Hendrik
Cuyckius, resideerde er tot aan zijn dood in 1609. Daarop
betrokken
de Jezuieten, die kort te voren naar Roermond waren gekomen,
de
bisschoppelijke residentie. Zij was hun afgestaan door
Cuyckius, die
door tusschenkomst van den aartshertog Albert een huis had
kunnen
verkrijgen in de Hegstraat. In deze nieuwe, doch minder
geriefelijke
woning, verbleven de bisschoppen a Castro, Creusen en
d'Allamont,
totdat zij bij den verschrikkelijken brand van Roermond op
31 Mei 1665
met den geheelen inboedel door het vuur werd vernield. Op de
puin-
hoopen verrees het volgend jaar een nieuw en waardiger
paleis door
de zorgen van bisschop d'Allamont. Dit gebouw, dat nu in de
Pollart-
straat is gelegen, werd het verblijf der Roermondsche
kerkvoogden tot
in 1794, toen het door de Franschen tot militair hospitaal
werd ingericht.
Later, in 1824, werd het een gerechtsgebouw en in 1870
eigendom van
den Nederlandschen Staat. Thans zijn het kantongerecht en de
arron-
dissementsrechtbank er in gevestigd. (Zie afb.)
Overeenkomstig de bepalingen, die Paus Pius IV gemaakt had
in de
bulle, waarbij het bisdom Roermond zijn omschrijving en
inrichting
verkreeg, ging men over tot de opheffing van het aloud
kapittel van
Odiliënberg, dat in de 14de eeuw naar Roermond was
overgebracht.
De kerk van den H. Geest, waaraan dat Kapittel verbonden
was, werd
nu de domkerk of kathedraal.
Ze lag op den hoek van de H. Geest- en de Munsterstraat en
is sinds
1821 geheel verdwenen. De waardigheid van kathedraal ging
echter in
1661 voor haar verloren ten gunste van de veel grootere kerk
van den
H. Christoffel, de moeder- of parochiekerk van Roermond.
Deze was
vroeger al een vijftal jaren kathedraal geweest, toen
namelijk van 1633
tot 1637 de bisschopsstad in handen was van de Staten der
Nederlanden
en de H. Geestkerk dienen moest voor den Protestantschen
eeredienst.
143
werden bezoldigd. Verder waren nog daaraan verbonden
eenige procu-
reurs, advokaten en deurwaarders of gerechtsboden. De
officiaal sprak
de vonnissen uit. Hij was een rechtsgeleerde, die bizonder
de wetten der
kerk kende, doch evenals de overige leden der rechtbank geen
priester
behoefde te zijn. De laatste officiaal was de Roermondenaar
Marcellus
Albertus Syben, licentiaat in de beide rechten en kanunnik
van de dom-
kerk. De promotor, ook wel advokaat fiskaal genoemd, stelde
vervol-
gingen in van rechtswege; hij had een taak, die veel
overeenkomst heeft
met die van den officier van justitie in onze dagen.
Tot aan den dood van bisschop Jacobus a Castro in 1639 kwam
het
officialaat bijeen in het bisschoppelijk paleis zelf, doch
daarna in een
aangrenzend gebouw, dat door genoemden bisschop was gekocht
en bij
testament werd aangewezen tot gevangenis en tot zetel van
het officia-
laat. Voor de uitvoering der vonnissen deed men vaak een
beroep op
de wereldlijke macht. Dit gaf wel eens aanleiding tot
moeilijkheden
evenals het verschil van meening over de bevoegdheden van de
kerke-
lijke rechtbank.
Overeenkomstig met de bepalingen van het Concilie van Trente
werd
reeds op de bisschoppelijke synode van 1570 besloten tot de
oprichting
van een priesterseminarie te Roermond. Bisschop Lindanus gaf
zich
zeer veel moeite om dat besluit uit te voeren, doch zonder
groot gevolg.
Hij moest zich tevreden stellen met de inrichting van een
theologische
school, die echter wegens de ongunst der tijden een kwijnend
bestaan
leidde. Zijn naaste opvolgers waren niet veel gelukkiger.
Bisschop
Cuyckius verkreeg wel door ruil in 1599 een gebouw op de
Veldstraat,
waar het seminarie tot zijn opheffing doorgaans gevestigd
bleef, doch
bij gebrek aan inkomsten was er vele jaren geen geregeld
onderwijs
en het aantal leerlingen zeer gering. De meeste jongelingen,
die zich
tot het priesterschap voorbereidden, deden hun studies aan
de hooge-
scholen van Keulen en van Leuven.
Tegen het einde van de 17de eeuw kwam er een groote
verandering
ten goede. In 1695 droeg bisschop Cools het bestuur en het
onderwijs
over aan paters Dominikanen en deze bleven daarmee belast
tot aan de
opheffing van het seminarie door de Franschen in 1797. De
gebouwen
kregen een andere bestemming en dienden eerst tot kazerne,
later tot
infirmerie. De laatste regent, Benedictus Huntjens, trok
zich terug te
Nijmegen, waar hij het theologisch onderwijs voortzette in
het gedeelte
van het bisdom Roermond, dat niet bij Frankrijk was
ingelijfd. Hij was
de verdienstelijke opvolger geweest van den minder gunstig
bekenden
regent Ambrosius Smising, die in de bewogen dagen der
Fransche
omwenteling te Roermond een treurige rol heeft gespeeld.
Deze man
had het bestuur van het Seminarie geheel en al verwaarloosd
en werd
daarom in 1793 door het Kapittel afgezet. Als vurig
aanhanger der vrij-
zinnige denkbeelden van de Fransche Republikeinen had hij
hun komst
te Roermond met vreugde begroet en men verhaalt zelfs, dat
hij er lid
was van een Jacobijnenclub. Het is dan ook niet te
verwonderen, dat
hij in 1797 een der weinige priesters was, die den eed
aflegden van
haat aan het koningschap. Hij verloor daardoor alle achting
en aanzien
145
verruimd. Zoo regelde hij o.a. op verzoek van den prins
van Parma
de kerkelijke aangelegenheden te Breda en te
's-Hertogenbosch. Hij
vergat echter zijn eigen bisdom niet: in de stad Weert
vertoefde hij
vijf maanden en trad er krachtig op tegen de aanhangers der
nieuwe
leer. Te Grave en te Venlo herstelde hij den katholieken
eeredienst,
toen die plaatsen onder het gezag van den Spaanschen koning
waren
teruggekeerd.
De stad Roermond mocht echter niet het einde zien van den
apostoli-
schen arbeid van haar eersten bisschop. In het jaar 1588
werd hij over-
geplaatst op den veel aanzienlijker zetel van Gent in
Vlaanderen. Hij
begaf zich daarheen in de maand Juli, doch verbleef er
slechts zeer
korten tijd, daar hij drie maanden later, op 2 November,
overleed in
den ouderdom van 63 jaren. Zijn graf bevindt zich in de
domkerk te
Gent naast dat van zijn voorganger Cornelius Jansenius. (Zie
afb.)
Onschatbaar is het goede, dat bisschop Lindanus
niettegenstaande de
ongunstige tijdsomstandigheden en de tegenwerking van velen
in het
bisdom Roermond tot stand heeft gebracht. Onvermoeid heeft
hij ge-
werkt aan het uitroeien der misbruiken en met krachtige hand
de ker-
kelijke tucht gehandhaafd bij geestelijken en
kloosterlingen. In woord
en geschrift heeft hij de dwalingen van zijn tijd bestreden
en tal van
afgedwaalden terug gevoerd naar de moederkerk. Zijn optreden
was
wel eens hartstochtelijk fel en zijn pen ongemeen scherp,
doch, ofschoon
niet goed te keuren, is dat te verklaren door zijn vurig
temperament
en zijn groote liefde voor het oude geloof, waarvan dan ook
het behoud
op den Limburgschen bodem grootendeels aan hem is toe te
schrijven.
Het is daarom zeer te betreuren, dat hij geen laatste
rustplaats heeft
mogen vinden in de stad, die gedurende lange jaren getuige
was ge-
weest van zijn werkzaamheid.
Damianus van Hoensbroeck was de voorlaatste der kerkvoogden
van
het oude bisdom en de laatste bisschop, die te Roermond
heeft geresi-
deerd. Ten gevolge immers van de komst der Franschen kon
zijn op-
volger niet meer plechtig geinstalleerd worden en moest hij
ijlings zijn
zetelstad verlaten om ze nooit meer terug te zien. Bisschop
van Hoens-
broeck werd 24 Februari 1724 te Roermond geboren en in de
huiskapel
zijner ouders gedoopt door den toenmaligen bisschop
Franciscus Ludo-
vicus Sanguessa. Hij ontving de namen Philippus Damianus
Ludovicus
Ignatius Victorinus. Zijn vader was Frans Arnold Adriaan
Johan Philip,
markgraaf van en tot Hoensbroeck, graaf van het Heilig Rijk
enz. enz.,
en behoorde tot een oud en aanzienlijk Limburgsch geslacht,
waarvan
de bekende stamreeks opklimt tot in de 14de eeuw. Hij woonde
meestal
te Roermond, doch hij vertoefde ook dikwijls op zijn
kasteelen Hoens-
broeck, Haag bij Gelder, Blyenbeek onder Afferden en
Hillenrade bij
Roermond. Zijn huwelijk met de Oostenrijksche rijksgravin
Anna Ca-
tharina Sophia van Schönborn werd gezegend met vijf en
twintig kinde-
ren, van wie Philippus Damianus het derde kind en de tweede
zoon
was. De toekomstige bisschop deed zijn Latijnsche studies in
het col-
lege der paters Jezuieten zijner vaderstad en volgde daarna
de lessen
147
HET TEGENWOORDIG BISDOM ROERMOND.
De Franschen, die in 1793 waren afgetrokken, keerden het
volgend jaar
terug, zij maakten zich nu voorgoed meester van Roermond en
omlig-
gende gewesten en lijfden weldra alles in bij de door hen
gestichte Re-
publiek. Die inlijving duurde twintig jaar en bracht
intusschen de ver-
nietiging met zich mee van het bisdom Roermond. Toen
namelijk de
Eerste Consul Napoleon Bonaparte aan het hoofd stond der
Republiek,
regelde deze met paus Pius VII de kerkelijke
aangelegenheden. Er werd
in 1801 een concordaat gesloten, ten gevolge waarvan alle in
Frankrijk
bestaande bisschopszetels moesten verdwijnen en nieuwe
bisdommen
werden opgericht in overeenstemming met de departementen,
waarin
de republiek was verdeeld. Zoo werd in 1802 een nieuw bisdom
Luik
in het leven geroepen, dat de departementen omvatte van de
Ourthe
en van de Nedermaas. In dit laatste was Roermond gelegen,
zoodat de
stad weer onder een Luikschen kerkvoogd kwam evenals vóór de
op-
richting van het bisdom in 1559. Opmerkelijk is het, dat
niet het geheele
bisdom Roermond verdween. Het gedeelte, dat op het
grondgebied lag
van de Bataafsche Republiek, bleef ressorteeren onder het
bestuur van
den laatsten bisschop van Velde de Melroy, die zich te Grave
vestigde.
Het is lichtelijk te begrijpen, dat de bewoners van Roermond
de ophef-
fing van den bisschopszetel ten zeerste betreurden. De
Franschen had-
den er reeds alle kloosterlijke instellingen vernietigd en
nu moesten ook
het kapittel, het officialaat en het seminarie verdwijnen.
De kathedraal
werd weer een gewone parochiekerk met het aloude bedehuis
der op-
geheven Munsterabdij als hulpkerk. Voor de stad was die
verandering
des te pijnlijker, omdat ze ook onttroond was als hoofdstad
van het
Overkwartier van Gelderland. Met de Staten was tevens het
Hooge
Gerechtshof verdwenen en het was slechts een magere troost,
dat ze
de hoofdplaats werd van een kanton en dat er een
onderprefect kwam
zetelen voor een der arrondissementen, waarin het
departement van
de Nedermaas was verdeeld.
Zoolang de Franschen er heer en meester waren, bestond geen
kans op
een gunstige verandering, doch ternauwernood zijn ze
afgetrokken, of
de hoop herleeft op den terugkeer van den ouden luister.
Toen het in
1824 bekend werd, dat door koning Willem I onderhandelingen
over het
sluiten van een concordaat te Rome werden gevoerd, deed het
ge-
meentebestuur onmiddellijk stappen in den Haag, om het
herstel van
den bisschoppelijken zetel te verkrijgen. Die poging echter
mislukte,
vooral omdat 's Hertogenbosch met meer recht daarvoor in
aanmerking
kwam. Een nieuwe en gunstiger gelegenheid deed zich voor,
toen in
1839 de helft van de provincie Limburg, die 9 jaar onder
Belgisch be-
stuur was geweest, terug keerde onder het Nederlandsch
gezag. Koning
Willem I wilde zijn Limburgsch gebied niet laten onder het
bestuur van
den Belgischen bisschop van Luik en onderhandelde met den
paus over
een nieuwe regeling. Met alle kracht werd nu, vooral van den
kant der
geestelijkheid, gewerkt, om den bisschoppelijken zetel te
Roermond te
doen herstellen. Het doel werd echter niet volkomen bereikt.
Bij breve
149
Als apostolisch vikaris heeft Mgr. Paredis het bestuur
gevoerd van
1 Januari 1841 tot 27 April 1853, toen hij het voortzette
als bisschop van
Roermond tot aan zijn dood 18 Juli 1886. Groot is de
werkzaamheid,
welke door hem in die lange jaren aan den dag werd gelegd,
en schitte-
rend de resultaten, die hij daardoor wist te bereiken.
Vooral op het
gebied van het onderwijs bracht hij veel tot stand. In zijn
residentie
stichtte hij een Groot Seminarie en een bisschoppelijk
College en te
Rolduc een Klein Seminarie met Normaalschool voor
onderwijzers en
een Hoogere Burgerschool, die de eerste Katholieke school
van dien
aard was in ons land. Ook te Sittard, Venlo, Venray en Weert
deed
hij veel voor de Latijnsche studiën. Met grooten ijver
bevorderde hij het
godsdienstig en zedelijk leven der hem toevertrouwde
geloovigen. Het
aantal parochies werd door hem uitgebreid en ontelbaar zijn
de kerken
en kapellen, die door hem werden geconsacreerd. Door zijn
persoonlijk
voorbeeld moedigde hij de bedevaarten aan, vooral die naar
de Maria-
heiligdommen, en hij beschouwde het als een groot voorrecht,
dat hij
gedurende zijn episcopaat niet minder dan vier genadebeelden
van
O. L. Vrouw had mogen kronen.
Het is bekend, dat de kloosters, die door Joseph II en door
de Fransche
Republikeinen opgeheven waren, onder de regeering van Willem
I niet
mochten hersteld worden. Doch toen Limburg onder het
Belgisch be-
wind kwam, kregen zij hun vrijheid terug, zoodat Mgr.
Paredis bij de
aanvaarding van zijn bestuur er reeds enkele vond, die op
den Limburg-
schen bodem ontstaan waren. Onder zijn hooge bescherming nam
hun
aantal weldra zoozeer toe, dat zij al bij het einde van zijn
episcopaat
over heel Limburg verspreid waren. De eerste kloosterlijke
vestiging te
Roermond was die van de Zusters van Tilburg in 1845, daarop
volgden
de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis in 1852 en de
Ursulinen
van Thildonck in 1853. De Paters Redemptoristen verschenen
er in
1863 en namen er de bediening over van de kapel van O. L.
Vrouw
in het Zand, een Mariaheiligdom, dat aan Mgr. Paredis
bijzonder dier-
baar was. Tijdens den „Kulturkampf“ in Duitschland zette
Mgr. Paredis
de gastvrije poorten van zijn bisdom wagenwijd open voor de
verdreven
kloosterlingen. Zoo kwamen te Roermond de Ursulinen van Sint
Salva-
tor en de Zusters van het Arme Kindje Jezus, de
Carmelitessen en de
Clarissen, in 1884 bouwden er de paters Camillianen een
klooster met
kliniek, zoodat bij den dood van Mgr. Paredis de
kloosterlijke instel-
lingen in de bisschopsstad bijna het aantal van vóór de
opheffing
hadden bereikt.
In het kerkelijk bestuur onderscheidde zich Mgr. Paredis
door een
scherpzinnig verstand en door een onverzettelijken wil. Hij
had een
goeden kijk op personen en zaken en toonde zich krachtig en
vast-
beraden in zijn optreden. Bij het verrichten der
bisschoppelijke func-
ties dwong hij eerbied af en ontzag door zijn deftig en
voornaam voor-
komen, doch in den dagelijkschen omgang kenmerkte hij zich
door een-
voud en gemoedelijkheid. Dan was hij zacht en vriendelijk en
toeganke-
lijk voor een ieder. Het is daarom niet te verwonderen, dat
hij zeer ge-
zien en geëerd was bij de geestelijkheid en het geloovige
volk, vooral in
151
geveild, kochten die kloosterlingen het terug en lieten
het later tegen
een jaargeld over aan haar rentmeester Jan Schoenmaeckers te
Raer bij
Meerssen. Het gelukte Mgr. Paredis den eigendom van de
familie
Schoenmaeckers tegen een bescheiden bedrag te verkrijgen en
tevens
de nog overgebleven kloosterlingen te bewegen van haar
rechten af te
zien. Edelmoedige giften van geestelijken en geloovigen
hadden hem
daartoe in staat gesteld, zoodat hij nog in October 1841 het
Groot-
Seminarie plechtig kon openen. Aan de straatzijde liet hij
nieuwe ge-
bouwen zetten, die echter vóór eenige jaren afgebroken zijn
en ver-
vangen door het tegenwoordig ruimer en doelmatiger gebouw
aan de
Swalmerstraat en de Bethlehemstraat. (Zie afb.)
Presidenten van het Groot-Seminarie waren achtereenvolgens:
Hen-
ricus Joseph Oomen, 1841-1859, Petrus Franciscus Hubertus
Canoy,
1860-1865, Petrus Joannes Hoefnagels, 1865-1904, Paulus
Mannens,
1904-1928, en Gulielmus Augustinus Hubertus Bauduin, 1928-
Bij het herstel van het bisdom Roermond was de St.
Christoffelkerk
weer Kathedraal geworden. Het duurde echter nog eenigen tijd
alvorens
daaraan een Kapittel werd verbonden. Dit geschiedde eerst
nadat paus
Pius IX in 1858 de noodige volmacht had verleend tot de
oprichting
van Kapittels in de Nederlandsche kerkprovincie. Den 10den
Februari
1859 stelde nu Mgr. Paredis het Kathedraal Kapittel in
bestaande uit
9 kanunniken, die 25 Maart daaropvolgend in de prachtig
versierde
kathedraal plechtig werden geinstalleerd. De kanunniken
zouden ook
raadgevers en helpers zijn van den bisschop, doch onder
menig opzicht
verschillen zij van die in het oud bisdom Roermond. Zoo zijn
zij wegens
gemis aan prebenden niet verplicht bij de kathedrale kerk te
resideeren
of er alle dagen koordienst te verrichten. Dit laatste
gebeurt maar eens
in de maand. Aan hun hoofd staat een proost en verder is er
nog onder
hen een theologaal en een penitencier, terwijl de
pastoordeken van de
St. Christoffel als lid van het kapittel den naam draagt van
plebaan.
Tot proost van het kapittel zijn sinds de oprichting
benoemd: Henricus
Joseph Oomen, 1859, Carolus Theodorus Schrijnen, 1859-1870,
Ste-
phanus Moonen, 1870-1877, Franciscus Antonius Hubertus
Boermans,
1878-1886, Petrus Joannes Hoefnagels, 1887-1904, Georgius
Theodo-
rus Carolus van Meyel, 1904-1908, Andreas Josephus Deutz
1908, Her-
manus Leonardus Antonius Sevriens, 1909-1911, Paulus
Mannens, 1911
- 1928, en Laurentius Natalis Le Bron de Vexela, 1928 -.
153
den, - boven Maas en Waal, - ook al is er nog geen
volledige orga-
nisatie of vaste aanstelling van inlandsche priesters.
Waarom?
In de periode van 500-750 is Zuid-Nederland bekeerd of
minstens
geëvangeliseerd; ook de gouw tusschen Maastricht en
Roermond.
We zijn op het frankisch domein der Merovingers. Pepijn
geeft de cella
van Susteren aan Willibrord voor de „Peregrini“, en het
monasterium
of de Cella van Dulberg *) aan de drie genoemde
Iro-Schotsche geloofs-
predikers, van de Columbaansche richting; en hij geeft deze
meer als
een veilig toevluchtsoord, een refugium en rustplaats,
zooals ook later
Lotharius II het opvat (in 858), als hij Berg of St.
Petrus-Munster
opnieuw schenkt, en nu aan de kanunniken van Utrecht, die
vluchtten
voor den Noorman en den Deen (Danos).
De band met Utrechts Kerk was er en zou nog lang blijven be-
staan. Wél was er altijd arbeid genoeg over tot beter
kerstening,
tot meer beschaving bij de gedoopte Franken, wél zal
Willibrord
die dit terrein overigens veilig wist in de zorgen van zijn
vriend Lam-
bertus, zich nu en dan bij Roermond hebben opgehouden,
tijdens een
zijner reizen naar Susteren, Eyck en Echternach, - hoewel
dit niet eens
noodzakelijk was, daar Roermonds villa niet aan den kortsten
ver-
keersweg lag, - maar wij gelooven niet, dat hij daarom de
parochie
heeft gesticht. De begraafplaats en de titulus waren er
reeds, of min-
stens een oratorium van de villa.
Evenwel kan de kanonieke stichting der parochie, en daarmee
de
definitieve omschrijving der grenzen, iets na 800 hebben
plaats gehad,
en het „district décimable" opnieuw zijn vastgesteld juist,
omdat het
geen vrije kerk was, maar een eigenkerk. Deze zal ons
hoofdzakelijk
moeten bezig houden; zij geeft ons den sleutel voor veel
vraagstukken.
Ieder zal van ons verwachten, dat wij de hoofdaandacht laten
vallen op
de kerstening, die uitging van den St. Petrusberg, later St.
Odiliënberg.
Maar wij moeten hier breken met verschillende opinies en
gissingen.
Want een grondige studie van het oude kerspel is nog niet
gemaakt,
noch door Sivré, noch door Meerdink, zelfs niet door Habets.
Omdat
evenwel een grondige behandeling van hetgeen een zorgvuldig
en lang-
durig onderzoek van den „fundus” opleverde, in een zoo
beperkte bij-
drage niet mogelijk is, en de rest onbevredigd zou laten,
dunkt het
ons van meer belang hier een brok geschiedenis te geven uit
een onbe-
kend tijdvak, dan in enkele bladzijden 10 à 11 eeuwen
vluchtig te door-
loopen, te meer daar hetgeen na 1559 voorviel, als meer
bekend wordt
verondersteld, op enkele uitzonderingen na.
Blijven wij dus bij die kerspelkerk, en hare oude
rechtspositie; bij het
feit van hare afhankelijkheid; bij haar eerste ligging en de
verplaatsing
naar de markt; bij hare verhouding tot de voogdij en de
gemeente; en
handelen wij alleen over de zorgvuldig bewaarde
onverdeeldheid der
parochie en hare bezittingen, dan hebben wij stof in
overvloed, en kun-
nen wij gevoeglijk de op zich zelf zeer interessante
beschrijving van
altaren, beneficiën, kerkdienaars, van herstellingen,
beeldstorm en
branden aan anderen overlaten of elders daarop terugkomen.
*) Oelberg.
155
den, om er van hoogerhand een bidplaats te doen bouwen
ten behoeve
der hoorigen.
De villa of het domein van den fiscaalambtenaar lag
bovendien dicht
genoeg bij een rivier met tollen, om er handelsverkeer te
brengen, en
de snelle uitbreiding en ontwikkeling der kerngemeente te
verhaasten.
Was de voogd er niet geweest, de ontwikkeling ware nog veel
sneller
gegaan. Een groot gedeelte van den bodem werd eerst niet in
pacht
uitgegeven. De markt werd aanvankelijk beheerscht door den
voogd.
De opinie, dat de „Moderkircke” op het kerkhof, naast het
Castrum
van den Voogd een „eigenkerk” was, hebben wij voor vier jaar
het
eerst uitgesproken. En nu nog bevestigt elk onderzoek ons in
dat ver-
moeden. Zij had reeds een lang verleden achter zich, vóórdat
de grond-
slagen van het grafelijk Munster werden gelegd.
Eeuwenlang duurde die staat van dienstbaarheid, waarin de
parochie
verkeerde. Het feodaal regiem en feodaal verband waren te
sterk. En
deze kerk, opgenomen in het allodium van den landheer die
als voogd
de rechtsmacht en het bestuur uitoefent, moet als een type
van „eigen-
kerk" in Nederland beschouwd worden. Zij stond daar op
landsheer-
lijken grond, d.w.z. is gesticht op een fundus van het
koninklijk domein,
welks ambtenaar, een leekevoogd, zijne bemoeiing vanzelf tot
die kerk
moest uitstrekken, waar het ging om de inkomsten en
bezittingen, de
dotatie van zijn kerk, hem in precarie of als beneficie
gegeven.
Dit feit is van belang en niet weg te cijferen uit het
geheele verloop
der geschiedenis. Het werpt een vreemd licht op het ontstaan
van dit
leekenbeneficie, n.l. hierin, dat hij twee derde van de
kerkegift, juister
van de kerketienden, voor zich nam en bij de
pastoorsbenoeming, bij
iedere vacature, het collatierecht uitoefende, d.i. het
recht om een naar
zijn inzicht geschikten candidaat te presenteeren voor de
plaatselijke
zielzorg, al zou deze ook soms niet resideeren.
Dit duurde vanaf het begin, en met een kleine onderbreking
tot circa
1800. Erfelijk moet de voogdij aanvankelijk niet geweest
zijn. Maar
na 900 werd de positie van den patroon en zijn familie
vaster.
Was dit usurpatie, en een inbreuk op het canoniek recht, of
kon hij
gronden laten gelden, die dit gedrag aannemelijk maakten?
Hij kon zich hoogstens op één grond beroepen n.l. dat het
een fiscaal-
tiende gold, die sinds onheuglijke tijden, m.a.w. reeds
tijdens de stich-
ting der kerk, bij haar fundatie en dotatie, den tijdelijken
beheerder van
het koninklijk domein, en later zijn opvolgers toekwam. Het
streven
van sommige families wordt zoo te meer verklaarbaar, om dit
recht
erfelijk te maken. (vgl. Dr. Widera: Archiv f. Kath.
Kirchenr. 1930. Bd.
110, 71-75 en 35. Kap. 5. Zehntbezüge der Laien.)
Waarin bestond nu de kerkegift van de Moederkerk? Behalve de
groote
tienden, was minstens één mansus vereischt. Vele kerken
hadden vier
mansi in eigendom.
Al heeft er een fusie plaats gehad tusschen het heerengoed,
- de immu-
niteit - en het vrije gedeelte der Roergemeente, dit
wijzigde in niets
het rechtsgebied van den pastoor. De grenzen zijn in het
kerkelijk recht
een wezenlijk bestanddeel van de parochie. Bij het aanwijzen
der doop-
157
le. Heeft den pastor een stuk akkerland groot 89 roeden
gelegen in
het Ruremondsche veld, hetgene een deel maakt van 't corpus
der pas-
torije en is verpacht aan Leonard Abels, jaerlijks voor 2
malder gerst
enz
2e. Heeft den pastor een stuk akkerland onder 't district
van Rure-
monde over de maese gelegen. Omtrent d'oude maese, groot 264
roeden,
30 voeten, hetgeen deel maakt van 't corpus der pastorye,
enz." -
Eerst van lateren datum zijn de cijnsen van een zestal
huizen krachtens
oude schenkingen en fundaties, contributies van
beneficianten en rec-
toren van altaren, en broederschappen, offers van de gilden,
enkele
legaten, renten uit kapitalen van fundatiën, en van
stadswege o.a. het
kerkebrood, dat later in een geldcollecte langs de huizen is
omgezet.
HET ZEGEL. - SCHEPENZEGEL DER PAROCHIE.
De kerspelkerk bezat eertijds een stempel van de beeltenis
van St.
Christoffel, den eersten patroon, staande en met een aureool
om het
hoofd; hij draagt op den rechterschouder het kind Jezus, dat
in de
rechterhand een wereldbol draagt.
De H. Christoffel houdt in de linkerhand een tak of
boomstam, zonder
bladeren, waarop hij steunt; de patroonheilige komt ten
halven lijve
achter een gevierendeeld schild te voorschijn; dit is
beladen no. 1 en 4,
met een molenijzer, no. 2 en 3 met een heraldische lelie.
Het omschrift
is: Insignis ecclesie parochialis Ruremondensis. Middellijn
is 3.5 c.M.
Dit zou het oude schepenzegel zijn. Zonder den
patroonheilige was het
kerspel niet denkbaar. Hij was de beschermheer van het
grondgebied.
DE MILITAIR EN DE PRIESTER.
Het zijn twee boeiende figuren, stille, maar taaie
persoonlijkheden, die
binnen hunne immuniteit genesteld, onze aandacht en onze
studie vra-
gen. Een voogd, die zich niet laat verdringen of verdrijven,
en een
investitus die binnen de kerspelgrenzen alléénheerscher
blijft met als
zijn trouwe schaduw, zijn nevenfiguur, even onaanvechtbaar
als hij zelf;
die vele gasten op zijn grond ziet komen en verdwijnen, oude
en nieuwe
kloosterorden, gilden, vrome stichtingen, begijnhoven,
adellijke abdis-
sen, gasthuizen, kapittels en bisschoppen; beeldstormers en
heiligen,
aristocraten, raadsheeren, rechters en magistraten.
Maar de parochie verandert niet of nauwelijks van aanschijn.
Haar
samenstelling is zooals haar herder: één en ondeelbaar. Een
tamelijk
kleine kudde naar verhouding van den bodem, waar de
bezittingen van
beiden, voogd en beschermeling lagen. Zij deelen te zamen de
kerke-
gift, de dos ecclesiae, eeuwenlang.
Zelfs als de groote „seigneur“, de kerkvoogd het moet
opgeven, en,
- éérst noodgedwongen in 1388 - de stoffelijke behuizing
verplaatst
naar de Steeg, en eindelijk, circa 1800 met al zijn
voorrechten van het
„ancien régime" uit het stadsbeeld moet verdwijnen, plaats
maken voor
de revolutie, met achterlating van zijn wapenbord, dan nog
blijft aan
159
De gemeenschappelijke zetelplaats, Inop, met den
laathof en de ge-
meenschappelijke bezittingen blijven intusschen nog
onaangeroerd.
Maar er zal van nu af een stille strijd zijn over rechten,
die gehand-
haafd moeten worden tegenover nieuwe gasten.
Er was inmiddels veel veranderd in de hitte van den
investituurstrijd,
het groote conflict van Imperium en Sacerdotium der 11de
eeuw.
Omstreeks 1050-1100 ontging aan de plaatselijke landheeren
de volle-
dige en vrije beschikking over de fabrica, de kerkfabriek,
en over de
kerkegift, bestaande in landerijen en onroerende goederen.
Zij ging
over in de handen van den bisschop als leenheer onder den
invloed
van het feodale stelsel. De prinsbisschoppen, ook die van
Luik en
van Utrecht, waren Suzerein over alle kerkegoed, binnen hun
dio-
cees, reeds vóór, maar meer nog ná den investituurstrijd. Op
denzelf-
den titel kwam eveneens de praktische beschikking aan den
pastoor,
die feitelijk bekleed was met een kerkelijk leen of
beneficie (investitus).
De Pausen noemden zich later de uitdeelers en beheerders van
alle
kerkelijke beneficiën, en duldden geen inmenging van de
wereldlijke
macht.
Nog later, omstreeks 1200 en daarna, dank de nieuwe
stroomingen,
gewekt door de Pausen, en dank de gemeentelijke emancipaties
werd
het eigendom der Kerk immobiel, ten bate van de gemeenschap
der
parochianen, en dezen waren vertegenwoordigd door de
magistri fabri-
cae, de kerkmeesters of provisoren
Ook in het dorp Roermond moet het verloop ongeveer aldus
geweest
zijn, onder één voorbehoud evenwel. Het collatierecht en de
kerke-
tiend bleven feitelijk in de hand van den Voogd tot 1268.
Ondanks den
bouw van het Munster, ondanks het vrijmaken der gemeente
bleef de
domaniale kerk, de eigenkerk nog lang den stempel dragen van
haar
eersten juridischen toestand, en van de oude verhoudingen
tusschen
patroon en plebaan. De patroon wierp zijn schaduw over de
parochie
nog tot 1400 en eeuwen daarna.
Het proces dat elders spoediger afliep, duurde hier lang.
Vooreerst
reeds door de ligging van het kerkje, naast het heerenhuis,
buiteninop,
de gewijde plek op den Christoffelberg, bij de dingplaats op
het atrium
of kerkhof. Eén periode was afgesloten. De 12de eeuw bracht
de eerste
veranderingen. De 13de nog meer.
De positie van den heer was vroeger sterker geweest. Het
inkomen
raakte eenigszins los van de kerk: de grootgrondbezitter was
hij, en
niet de pastoor, nóch de fabrica.
Het eigenkerkenrecht was nu vervangen door het
patronaatsrecht.
Bezit de kerkheer (voogd) nog de kerk, dan is het bloot
eigendoms-
recht, dus niet meer het absoluut gebruiksrecht, waardoor
hij het totaal
inkomen geniet. Maar mét de bevoegdheid tot benoeming (jus
presen-
tationis) heeft hij een flink deel van de tienden. Deze
beide rechten kon-
den afzonderlijk bestaan, en daarom ook in twee handen zijn.
(Dr. Post).
Maakte nu de kerspelkerk in 1232 niet de groote zwenking
mee, die de
gemeente tot stad verhief, - er kwam voor haar een datum van
méér
gewicht voor het beheer en de bediening der moederkerk. Een
gedeelte-
161
genieten, - schijnbaar onbestreden, - en dit duurde zoo
voort tot
aan het Concordaat van Napoleon van 1802.
Laat dan de akte van September van het jaar 1268 echt zijn,
laat het
dan waar zijn, dat de eerst rechthebbende patroon en
collator van het
beneficie der parochiekerk, samen met zijn vrouw Utilinde en
zijn
broeder Godefridus, als getuigen, abdiceerde ten bate der
abdis, - door
Gelders graaf aangesteld, - het ging in elk geval niet van
harte.
Hij zal, voor zijn persoon, de meening hebben gehad, nu te
moeten
zwichten, en de schenking geschiedde „in puram et perpetuam
ele-
emosynam"; hij wilde misschien noodgedwongen „faire bonne
mine à
mauvais jeu". Zijne opvolgers zullen het echter hier niet
bij laten, en
na een eerste benoeming door de abdis zal de familie
revendiceeren,
als op een oude costuyme, een traditie.
Een nieuwe twistappel was echter op het terrein van de
villa, - nu
stad sinds 1232, - geworpen.
In het plaatsen van de adellijke abdij op Roermonds bodem,
zien wij
en zoo zagen het ook de patroon en de pastoor, - naast de
vrome
en religieuze motieven van zijne moeder Richardis, en die
zijner echt-
genoote, tevens een politieke zet van den Gelderschen graaf,
die vazal
is van den bisschop van Utrecht, en in 1204 zijn bezittingen
tusschen
Roermond en Maastricht opdraagt „in eleemosynam" aan den
bisschop
van Luik, en ze weer van hem in leen ontvangt. Monniken zijn
het wel
niet, die daar komen, maar adellijke jonkvrouwen, onder het
toezicht
van den Cistercienserprior van Camp en dien van Villers.
En de graaf versterkt zoozeer de machtspositie dezer abdij
in de stad en
haar omgeving, en verrijkt haar zoodanig met goederen, dat
hij den
voogd terugdringt en op zijn eigen terrein in het nauw
brengt, om zelf
vasten voet te krijgen ten overstaan der Luiksche Kerk. De
graftombe
en het emporium der abdis en der jonkvrouwen stempelen het
Munster
tot een grafelijk monument, waarbij de parochiekerk als de
mindere
verdwijnt. De graven resideeren er wel niet zoo vaak, maar
van nu af
stonden er twee Heerenkerken tegenover elkander in Roermond.
Eerst
stond de leek, de judex en de ambtenaar boven den pastoor;
nu staan
graaf en voogd als twee leekenmachten tegenover elkander.
Tot beter inzicht hiervan is een algemeene terugblik noodig.
In tegenstelling met de meer voorname Rijkskerken, bleven de
kleinere
„eigenkerken” onopgemerkt. Toch passen zij evenals Roermonds
paro-
chie in het raam der groote geschiedenis. Bij de opkomst der
„Seniores
of seigneurs" - een andere naam voor de territoriaalheeren -
worden
vele landparochies ook in Limburg, de eigenkerken van den
heer. D.i.
zij worden quasi als bezit en eigendom beschouwd en ook zoo
behan-
deld, omdat zij liggen op den grond van den heer, ook al is
zijn familie
niet altijd de schenker of stichter geweest. Het bezit van
altaar en
kerk wordt zelfs gesplitst en is vaak in twee handen. En dit
zal ons te
minder verwonderen, als wij zien hoe een eeuw lang sommige
abdijen
en bisdommen, - vanwege het rijke grondbezit of om de
machts-
positie van een bisschop die tevens vazal was van den
koning, - een
economisch en zelfs een politiek instrument worden in de
hand der
163
goed worden opgenomen in het parochieverband. Zelfs de
vicarie en de
eigen broederschappen van O. L. Vrouw, van St. Jacob, - het
gilde der
boogschutters - verdwenen binnen de muren van de
Christoffelkerk.
Een roemloos verdwijnen. Want over de brug, aan het smalle
riviertje
en naar Herten toe was weinig gelegenheid tot expansie,
weinig vertier;
Maas en Roer zetten alles blank. Met de textielindustrie
verplaatsten
zich de parochianen; alleen de volmolens en oliemolens
bleven in de
gekanaliseerde Roer. Bovendien bij de belegering van de stad
moest
St. Jacob het vaak het eerst ontgelden.
Anders ware de voorstad de geschikte bodem geweest om een
tweede,
vrije en onafhankelijke parochie, los van den voogd, op te
richten.
DE PASTOORS.
De pastoors door Theodoricus en de latere patroni aangesteld
resideer-
den niet altijd in Roermond, maar lieten zich vaak vervangen
door
vicarii perpetui. Het schijnt dat de pastoorsplaats of het
beneficie
van St. Christoffel, zeker na 1200, zoo niet eerder,
geregeld in handen
komt van een doctor decretorum, van meesters in de rechten
en de
theologie, van candidaten uit de lagere aristocratie. De
investitus heeft
den titel van magister, canonicus of staat soms vermeld als
de lijfelijke
broeder van den Voogd, dus uit den dienstadel, de familie
van ministe-
riales gesproten.
Een echt staaltje uit den feodalen tijd hebben we (van
1298-1312) in
de keuze van zekeren Godefridus met den titel van decanus
ecclesiae
B. M. V. Aquensis. Hij was broeder van Theodoricus de
Ruremon-
de. Maar deze Godefridus was benoemd pastoor en resideerde
blijk-
baar in Aken niet in Roermond. Dit maakte de
familieregeering wel
minder zichtbaar, doch de emolumenten bleven in ééne hand.
In elk
geval was hun maatschappelijke positie in deze periode beter
en hoo-
ger dan in die voorafgaande aan den investituurstrijd,
waarin soms de
leekenpatroon een der hoorigen uit zijn domein als zijn
gewillig crea-
tuur tot pastoor verhief, weinig lettend op diens
natuurlijke hoedanig-
heden en canonieke geschiktheid met al de gevolgen daarvan.
Het ver-
wondere niemand, dat dergelijke zaken, die onder de
Merovingers en
Karolingers voorkwamen, zich ook in Roermonds „villa“ hebben
af-
gespeeld.
Welk overwicht hadden de eerste kerspelpriesters in den
omtrek?
In oudheid en naam stond Susteren op kerkelijk gebied boven
Roer-
mond. Hoofdplaats van het gulden landdekenaat Susteren, -
even-
als dat van Wassenberg „aureum concilium" genoemd, - was
deze
plaats dus de eerste in rang. Maar op de rij af konden ook
de andere
pastoors landdeken zijn. Zoo zien wij in 1230 Johannes,
plebanus in
Linne en landdeken van het Capittel van Susteren te Roermond
samen
met Gerardus, pastoor van Roermond deelnemen aan een synode
die
daar gehouden werd onder voorzitterschap van Henricus van
Dyck,
aartsdiaken van Kempenland (Campinia). Wat er verhandeld
werd
165
zelfstandig omhoog te werken, te emancipeeren En na
veel wrijvingen
tusschen villa en vicus, op de markten uitgevochten, zou de
industrie
met haar producten zegevierend te voorschijn komen en
consequent
voortaan een beter Godshuis voor zich opeischen. En nog zou
intus-
schen honderd jaar lang de herder van inop met zijn kerkje
in den-
zelfden staat blijven. De agrarische „villa” bleef achter
bij den vicus.
Op 1 Juni 1383 noemt de nieuwe pastoor Joannes Cursenbrand
zijn
parochianen nog met den ouden naam: „mijne kirspelluden,
daeraff ick
myne begrafenisrechten mag nemen ..
De Minderbroeders waren immers in de stad verschenen! Tot
het bre-
ken van het taaiste conservatisme moest echter nog een
groot, hoewel
niet bloedig beleg, dat van 1388 den doorslag geven. Daarna
volgde
een tweede beleg van Brabanders en Luikenaars, van 1397, met
een on-
middellijk daaruit voortvloeiend conflict, dat zich
concentreert rondom
den Christoffelberg en de kerk. Juist in die jaren,
1380-1410, maakte
Rome's Kerk haar felste crisis door. Het Westersche Schisma
bracht
overal gisting en onrust.
DE SLOOPERSHAND 1388-1400.
Dat was het tweede groote keerpunt in het parochieleven. De
gemeente
was nog niet op het hoogtepunt van haar welvaart en
uitbreiding geko-
men. Doch verder zou de omwalde stad voorloopig niet
groeien, tenzij
in een opeengehoopte bevolking, daar de geestelijke stiften
een tamelijk
groote oppervlakte besloegen.
Men kon gaan bouwen; maar de vrijgemaakte gemeente, nu sterk
tegen-
over den voogd, zou het werk bekronen met een zeer
bescheiden monu-
ment, arm aan ornamentatie. En geen wonder. Als men de
Memorie-
boeken en Necrologieën van 't H. Geestkapittel en der
Munsterkerk,
e.a. kloosters eens nagaat, dan blijkt waarheen de legaten
en giften der
bezittende klasse gewoonlijk gingen. Schatrijk zijn
Roermonds paro-
chianen denkelijk niet geweest, toen zij de eerste
begrooting aannamen
van een kerk, die eenmaal, d.i. binnen twee en een halve
eeuw de
kathedrale kerk moest worden.
Maar daarvan had men toen nog geen flauw vermoeden. Roermond
stond onder Luik. Misschien gingen de sympathieën nog
grootendeels
uit naar de Minderbroederskerk en het Munster, die én voor
velen
gunstiger gelegen waren én zoo langen tijd in de nooden der
parochia-
nen moesten voorzien.
Doch men brak af, en zat in het puin, sinds 1390. De
magistraat was
eenigszins voorbarig te werk gegaan. Al is het heele geval
niet erg dui-
delijk, dit blijkt nochtans uit enkele stukken van dien
tijd, dat men
kort na het beleg van 1388 tot een onrechtmatige daad was
overgegaan
en „de alde inopperkerk” had afgebroken, zonder de
kerkelijke autori-
teiten te raadplegen, die van oudsher, steunend op de
traditie en uit
piëteit voor een bestaand kerkgebouw, op dit punt zeer
streng waren.
Het voorwendsel, dat toch spoedig wel een grond van
redelijkheid
bleek te hebben n.l .: om kenlicke grote noitsaicken, bleek
in Luik niet
167
RAPPORT EN ADVIES.
(A.o. 1390 of 1389) door den Commissaris van den Luikschen
Bisschop.
I.
- „Als stof ter beraadslaging in de onderhavige kwestie van
Roermond,
zijn er dunkt mij, hoofdzakelijk drie punten te behandelen:
-
le. het bouwen van een (nieuwe) kerk met pastorie binnen den
stads-
muur;
2e. het opnieuw plaatsen van een kapel op de plek, waar men
de vorige
parochiekerk heeft neergehaald, en
3e. het hervormen der begijnenkerk of het betrekken derzelve
binnen
de stad.
Om met het laatste punt te beginnen, - mij dunkt, gelet op
de uitgaven,
die de stad reeds dragen moet, en op de onkosten die zij nog
zal moe-
ten maken, dat het raadzamer is, de begijnenkerk op de
plaats waar
zij ligt te herstellen, en dan de begijnen daaromheen in een
engere
(meer beperkte) ruimte hare woningen te laten plaatsen, en
haar dus
op grooteren afstand van de stadsgrachten te laten wonen;
(en dit tot
een dubbel doel) zoowel om het brandgevaar te vermijden, als
vanwege
het beleg; daar tusschen de Roer en de wallen de legers zich
niet durven
noch kunnen neerzetten (kampeeren).
Dáár zouden ook de begijnen in grooter vrijheid en met meer
gods-
vrucht zich aan haar gebed en arbeid kunnen wijden. Wanneer
men
echter de onkosten niet behoeft te vermijden, dan zou men ze
binnen
de stad moeten plaatsen.
Omtrent het tweede punt, n.l. opnieuw eene kapel te plaatsen
(op
de plaats der afgebroken kerk - inop -) valt op te merken,
dat de
kapel wel gemakkelijk is te herbouwen, maar dat het moeilijk
zal vallen
haar te doteeren (begiftigen) n.l. met het oog op een
dagelijks aldaar
te celebreeren H. Mis
De oplossing die men heeft uitgedacht, om in die kapel het
altaar
van O. L. Vrouw te laten staan, dat binnen de parochiekerk
gedoteerd
is, kan niet doorgaan, vanwege de vermindering (den afbreuk)
aan den
goddelijken eeredienst gedaan, en de vermindering der
altaren, die
aan de parochiekerk verbonden zijn.
Er blijft dus niets anders over, dan de genoemde kapel met
vaste jaar-
lijksche inkomsten te begiftigen ten bate van den
dienstdoenden pries-
ter, ofwel: den pastoor der parochiekerk een zeker aandeel
der inkom-
sten toe te wijzen, opdat hij die kapel als zijnde de
dochter en „de
appendix" der moederkerk òf zelf zou bedienen, òf door een
ander
zou laten bedienen.
Dit laatste zou allicht gemakkelijker zijn voor de stad en
aangenamer
en meer welkom aan het volk, en ook meer zekerheid geven
voor de toe-
komst; opdat er geen gebrek ontsta aan dagelijksche H.H.
Missen, die
daar gedaan moeten worden, tot hulp en tot gedachtenis der
overlede-
nen, die dáár begraven liggen." (Het oude kerkhof bleef:
buiteninop).
„Op deze wijze zou die plaats meer in eere en godsvrucht
blijven, meer
169
gen (overgelaten) opdat én alle dagelijksche rechten
van kerk en pasto-
raat (temptata) onderzocht en herzien, en in elk onderdeel
verbeterd
en hervormd worden, alles tot eere en lof van den Almachtige
en van
Hem, die gezegend is in alle eeuwen der eeuwen." --
II. ADVIES.
„Tot beter begrip van de nu volgende beweegredenen dient men
te we-
ten, dat er in de stad twee meeningen zijn over de juiste en
geschikte
plaatsing en ligging der kerk
De eene, die houdt, dat de kerk beter zou staan omtrent het
midden
der stad op de plaats, waar het hospitaal ligt. En de andere
meening is,
dat zij geschikter staan zou op een uithoek van de stad
naast den
walmuur en bij de markt.
Zij nu, die de kerk willen geplaatst zien bij de markt,
steunen op de
volgende beweegredenen:
Want, zoo zeggen zij, dit gedeelte der stad, - en dat is
bijna de helft -
heeft geen enkele kerk. Evenzoo: omtrent de markt woont (nu)
het
grootste deel der bevolking; verder zou dáár een
plaatsruimte voor de
nieuwe kerk gemakkelijker kunnen worden aangekocht. En de
voor
den bouw benoodigde materialen veel gemakkelijker worden
aange-
voerd. Daar zal de hoektoren van den stadsmuur de kerk tot
onder-
steuning en bescherming verstrekken. Daar zal de kerk meer
bereikbaar
zijn voor hen, voor wie zij dit vroeger ook geweest was, en
dichter bij
de plaats van het pastoorshuis, waar het eenmaal stond.
Vandaar uit
zullen ook de gestorvenen gemakkelijker ter begrafenis naar
het kerk-
hof gedragen kunnen worden.
Om te besluiten en samen te vatten; tot genoemd terrein is,
naar men
zegt, het grootste deel n.l. burgemeester, schepenen en raad
geneigd,
zoowel om de hier aangehaalde redenen, alsook om hier niet
aange-
haalde redenen en die misschien eenigszins verdacht lijken;
(forte
suspectas).
Daartegenover staan zij, die trachten de kerk omtrent het
midden der
stad op de plaats van het gasthuis ('t Hospitaal, op den
Steenweg) te
leggen; en zij worden gedreven door betere, meer geldige
redenen, die
minder verdacht zijn.
Vooreerst; zou dáár een meer passende kerk ter eere Gods
kunnen ge-
plaatst worden, en meer overeenkomstig de eer der Geldersche
graven,
der Luiksche bisschoppen, en de eer van de stad.
Daar zou de grond voor kerk en kerkhof tegen minderen prijs
verkre-
gen worden. Daar is een plek, verwijderd van alle rumoer,
dat de gods-
vrucht en den goddelijken eeredienst verhindert en stoort.
Item: naar
die plek schijnen de sympathieën van het meerendeel der
parochianen
uit te gaan; iets wat bij een verdere navraag en bij
nauwkeurig onder-
zoek zou blijken.
Verder: evenzoo; een parochiekerk vereischt een kerkhof ter
ruimte
van dertig passus (voet) in den omtrek, gemeten vanaf het
kerkgebouw,
iets wat veel minder op de eerste plaats schijnt
verwezenlijkt te kunnen
worden."
171
De tekst van dit stuk spreekt duidelijk genoeg voor
zich, om nog veel
commentaar te eischen. Toch is er stof tot beschouwing. Het
verraadt
de verschillende meeningen, die in de stad in omloop waren
om-
streeks 1400. Bijzondere opmerking verdienen de volgende
punten.
1°. Het is geen conservatief man, die aan het woord is, hij
heeft een open
oog voor de bezwaren der oude terreinen, de voordeelen van
een nieu-
we plaatsing, en is tegen een parochiekerk, gelegen aan den
uithoek.
Hij kiest partij; en al blijkt zijne meening niet gevolgd te
zijn, al wonnen
de marktbewoners en voornamelijk de magistraatspersonen het
pleit,
hij heeft blijk gegeven een goeden kijk te hebben op een oud
Roer-
mondsch probleem. In hoofdzaak draait zijn advies omtrent de
centrale
ligging eener parochiekerk, en derzelver voordeelen. Hij
beschouwt
die zelfs als „dé ideale ligging“, afgezien van het
praktisch nut.
Maar aan een andere oplossing dacht hij vermoedelijk nog
niet. Of zou
de landdeken, of de aartsdiakenrapporteur, die dit verslag
uitbracht
en wiens wenschen en plannen, - afstuitend op de oude
traditiën der
stad, - tenslotte niet in vervulling zijn gegaan, zou hij
(vragen wij ons
af) of een ander tijdgenoot toen reeds de gedachte met zich
hebben
rondgedragen aan een mogelijke splitsing der parochie, of
een vaag plan
hebben gevormd, de stad in twee parochiale wijken in te
deelen, n.l.
tusschen die der oude bestaande kerk, buteninop, aan den
Maasoever,
buiten den muur, en één nieuwe in het centrum, om zoo beide
partijen
èn de behoudsgezinde èn de vooruitstrevende te bevredigen en
te
verzoenen. 't Is mogelijk dat iemand toen reeds zoo
vooruitstrevend
was. Maar eigenlijk was daarvoor Roermonds bevolking toch
niet tal-
rijk genoeg, en ook niet rijp.
Het begrip van de ééne en ondeelbare parochie met hare even
ondeel-
bare rechten, dit begrip zat nog te diep, ook bij den
adviseur, en was
in dien tijd in de stad overheerschend en heilig. Het wordt
tegen het
einde van het verslag tweemaal naar voren gebracht met de
woorden:
„unica ecclesia, fundamentum aliarum; unica et sola
necessaria." Dan:
niet alleen de taaie overlevering der oude burgerfamilies,
(niet alleen de
investitus, de pastoor zelf), maar ook de voogd die zijn
belangen had,
zou zich waarschijnlijk sterk tegen een verlegging verzet
hebben. Men
had weer buiten den Voogd gerekend, en de invloed van dezen
was
nog groot genoeg om zich te doen gelden.
Verder waren daar nog de abdis van het Munster (rechtens de
eigen-
lijke patroon, - in feite bleef dit de Voogd), en het
kapittel van de
H. Geestkerk, die nog een woordje konden meespreken, en van
wien
het te betwijfelen valt of zij zeer ingenomen waren met zulk
een mo-
gelijke verschuiving der parochie naar het centrum. Het
oogenblik was
nog niet gunstig in 1400. Het was toen nog te vroeg. Maar de
tijden
veranderden. En de tijd na de reformatie, de tijd van
herstel onder
Lindanus bracht de kwestie zeker op het tapijt, toen men
uitzag naar
een geschikte kathedrale kerk voor den bisschop.
Voorloopig bleef men bij het oude. En de eerste drukte van
de bouw-
loodsen begon zich te vertoonen aan de Kraanpoort,
buteninop, en
op de markt. Het oude kerkhof bleef in eere waar het lag
sinds 900.
173
DE BRIEF VAN 23 APRIL 1410.
EEN NIEUW RAADSEL?
„De oudere „dochter” van de „jonge” moederkerk.” Deze
woordspeling
en tegenstelling mogen wij maken als we zien hoe de rollen
in enkele
jaren zijn omgekeerd, en tegen het gewone verloop der
plaatselijke
historie en tegen het gebruik der canonieke wetten, de
nieuwe kerk
moederkerk wordt van de oude kapel buteninop, nu nog te
herbouwen!
Toch geeft de uitdrukking in den brief van 14 Juli 1389,
bovenaange-
haald, daartoe aanleiding: als wij daar hooren van de
„Capella appen-
ditia, filia matricis ecclesiae". Nu reeds is de herbouwde,
oude kerk van
den voogd gedegradeerd tot een afhankelijke of bijkapel,
dochter van
de nieuwe moederkerk, die nog moet verrijzen. Er waren geen
groote
voorschotten of fondsen. De materialen waren hoofdzakelijk
brikken,
en rijk beloofde het uitzicht zeker niet te worden, evenmin
als het
inwendige, al wordt in den aflaatbrief het werk „magno
decore laudiflue
constituti" genoemd. Maar er was toch méér noodig voor het
meu-
bileeren en ornamenteeren dan hout en steenen. Het bouwen
ging
traag in die tijden. Bij ieder geldgebrek werd het werk
gestaakt. Zoo
moet ook deze bouw vaak hebben stil gelegen. De bouw was
voltooid als
Kruiskerk in 1453. De Hertog van Gelder liet nog eens in
1492 munt *)
slaan om de stad zelf gelegenheid te geven uit den nood te
komen, daar
de parochiekerk arm was en géén centen heeft! Intusschen
moesten
zich de parochianen behelpen en zoolang de nieuwe St.
Christoffel in
aanbouw was een plaatsje zoeken in de St. Joriskapel aan den
Steen-
weg, welke niet ruim was, in de St. Jacobskapel over de
brug, in de
H. Geestkerk, in die der Minderbroeders vooral, de meest
populaire
kerk, en in het Munster, voorzoover de koordiensten der
stiftsdames
het toelieten.
Maar om tot meer spoed aan te moedigen en tevens tot
vrijgevigheid
te prikkelen, nam men het gewone middel van dien tijd te
baat. De
geloovigen werden uitgenoodigd, - niet gedwongen, - door een
ver-
meerdering van aflaten en geestelijke gunsten het werk te
verhaasten,
en door hun bijdragen en offers in geld, bij die gelegenheid
gestort,
het huis Gods, toch ook hun eigen parochiekerk, sneller te
voltooien.
Een kardinaal, twee aartsbisschoppen en drie bisschoppen
gaven daar-
om, - denkelijk op verzoek van Luiks bisschop, - een aflaat
van 140
dagen en 40 quadragenen aan alle geloovigen die door hun
aalmoezen
tot den nieuwen bouw van de St. Lambertus en St. Christoffel
bijdra-
gen. Dit is de korte inhoud van den aflaatbrief van 23 April
1410, die
tegelijk met een confirmatie en transfixbrief op 1 December
van dat-
zelfde jaar werd uitgegeven door Joannes van Beieren, den
electbis-
schop van Luik, en waarover nog niet veel licht geschenen
heeft.
Maar het meest belangwekkende, en tamelijk wel onbekende in
den
tekst was het vermelden van een beeltenis van Maria, welke
in de
oude kerk zeker een voorwerp van veel vereering moet zijn
geweest;
*) Meerdink : bl. 38-39.
175
ao. 1224. - Albertus, investitus.
ao. 1232 (het vermoedelijk stichtingsjaar der stad). -
Gerardus, pastor
in Ruremunde.
ao. 1259-1272 + - Rutgerus, investitus de Ruremunde.
1272. - Magister Daniël.
Hij was vóór 1272 pastoor of investitus in Herten, werd in
dit jaar op Vrijdag
na O. L. Vr. Hemelvaart benoemd door de Munsterabdij; -
leefde nog in 1283.
1298. - Mathias, investitus de Ruremonde.
Hij bedankte omstreeks 1298.
1298-1312. - Godefridus, decanus Ecclesiae B.M.V. Aquensis
Broer van den voogd Theodericus.
1313. - Henricus Ludolphi, presbyter de Ruremunde.
Benoemd bij sententie van den aartsdiaken Neapolio de Filiis
Ursi, terwijl
Joh. van Schaephuysen, de candidaat van den Voogd, door
denzelfden N.
niet ontvankelijk werd verklaard. - Dñs. Adam, vicarius
perpetuus.
1361. - Godefridus van Elmpt.
1383-1389. - Johannes Curssenbrand.
1389-1412. - Joannes de Stralen.
Canonicus Leod. et investitus parochialis in Ruremunde.
Tijdens zijn pastoraat valt de afbraak van de oude kerk in
„Buteninop”, welke
tegen het kerkelijk recht in geschiedde door den magistraat
van Roermond.
II.
1412-1423. - Mathis Peuten.
1423-1443. - Petrus an den Grave, de Stralen.
cfr. Stichtingsbrief v. h. begijnhof.
1443-1457. - Theodericus Beers: alias Derick Berssen.
Hij treedt op als getuige, 1443, bij een akte van overdracht
van den tol van
Asselt.
1457-1492. - Hermanus v. d. Damme.
cfr. Maasgouw 1922 Jg. 42. - Dr. J. S. v. Veen en: Concordia
der Confrat.
B.M.V .; zie Register-Broederschap O. L. Vr. Op der Porten.
1928.
1492-1526. - Johannes Benedicti (of Johan van Reyd).
item: Maasgouw 1922, p. 95.
Op 3 Dec. 1515 vroeg hertog Karel v. Egmont de pastorie te
confereeren aan
den zoon van een zijner raadsheeren. Deze ontving die, maar
ruilde ze met
Dirck v. d. Put.
1526-1538. - Theodoricus in den Winckel, (of Dirck in den
Winckel).
1538-1549. - Theodoricus de Putheo (Dirk van de Put).
persoon of rector personatus eccl. par. S. Christ.
Coadjutor, Joes Kaetz.
1549-1585. - Dederick Haen.
Eerst coadjutor van D. v. d. Put - Proces met de abdis.
1586-1592. - Wichardus Wichardi.
cfr. Verdrachsboek fol. 47 vo. - 4 Dec. 1586.
177
het Hof van Gelder (1580). Dan bracht de benoeming van
Lindanus
in deze parochie, die zoo lang onder Luikschen invloed had
gestaan,
eenigen schrik bij volk en clerus. Dit zou veranderen,
ondanks pastoor
en 't kapittel van Berg, dat in 1361 de H. Geestkerk betrok
en opnieuw
in 1660 van residentie veranderde, om de moederkerk in
beslag te nemen.
De „wereldsche Patroon” en de sollicitanten voor het
pastoraat be-
palen soms het lot der kerk en haar beheer voor langen tijd.
Al spoedig
is er een geschil tusschen den eersten bisschop en pastoor
Dede-
rick Haen.
We kunnen gerust aannemen, dat, al blijft de magistraat
steeds op ge-
spannen voet leven en processen voeren met den patroon,
niemand,
noch bisschop, noch pastoor zijn presentatierecht meer zal
betwisten.
Hij wordt voortaan getolereerd. Hoe taai en hoe vasthoudend
zelfs in
deze overlevering van rechten en ook in feite de
voogdenfamilies ble-
ven, blijkt nog uit enkele handelingen van lateren datum.
Alleen de
abdis, Maria Margaretha de Wijenhorst, gaf zich niet zoo
gemakkelijk
gewonnen. Op 9 Januari 1685 komt nog eens een formeel
protest los,
waarin zij verklaart: 1°. „dat niet den Heere erffvoogd
deser statt, maar
sij is, de oprechte ende waerachtige patrone der cathedrale
kercke
alhier." -
En daarom, volgens punt 3 van dezelfde protestatie:
„gedenckt sij
niet den Heer Coomans, als pastoir te erkennen, of m.a.w. te
attri-
bueeren de qualiteit van pastoir". Als argument dient de
abdicatie van
1268, en de bevestiging ervan in 1272, en verder het feit,
dat twee
eeuwen lang (1313-1538), de abdissen haar recht vreedzaam
hebben
uitgeoefend.
Het mocht niet baten. De Erfvoogd, wiens wapen op de
kerkornamen-
ten - koorkap en kasuifel - is aangebracht, gebruikt bij de
benoemin-
gen zijn invloed, is er zich van bewust. En van den anderen
kant doen
pretendenten en sollicitanten bij eene vacature reeds als
echte cliënten
een beroep op den toekomstigen patroon.
Twee korte vermeldingen uit 1614, die wij aantroffen in het
bisschoppe-
lijk archief van Roermond toonen dit duidelijk.
Er was eene vacature na het vertrek van Past. Martinus
Luncenius
(Floris Prims noemt hem Leunckens in de Geschiedenis van de
St. Joris-
kerk te Antwerpen) (zie: lijst van Pastoors). Blijkens een
brief van 8
April 1614 biedt Wyricus van Binsfeld, Erfvoogd, aan den
pastoor van
de St. Petruskerk te Aken het pastoraat van Roermond aan
tegelijk met
de pastorie van Cranenburg. En blijkens een brief van 7
September
van datzelfde jaar roept een ander candidaat zijne
begunstiging in.
De pastoor van Maeseyck, Joannes a Lapide, verzoekt den
patroon
Wyric van Binsfeld, die familie is van den Heer de Bouchout,
- zijnen
vroegeren beschermheer, - en doet tevens een beroep op hem,
om aan
den Bisschop gepresenteerd te worden voor de vacante plaats
in Roer-
mond. Het schijnt dat de eerste candidaat uit Aken, ondanks
de voor-
keur die hij had, van het aanbod geen gebruik maakte. Want
op 27 Sep-
tember 1614 werd Joannes a Lapide geïnstalleerd, en nam hij
bezit van
de pastorie waar hij bleef tot 23 Juli 1634. En toch blijft
het een
179
pastoir, want den pastoir aldaer sal moeten hebben een
pastoreel huys,
eenen coster, competentie en misschijn noch eenen capellaen
„Dat door het assigneeren der huysen dewelcke souden hooren
onder
de nieuwe pastorye groote dispuyten en tumulten connen
vallen onder
de borgers.'
,Dat dese membreeringhe eenen grooten „origo litium" in het
vervolgh
can couseeren onder de twee pastoirs wegens hunne
gerechtigheden."
,Dat de kercke van het begijnhof eigentlyck maer is een
capelle en te
kleyn voor een parochie kercke."
,Dat dese kercke soude connen dienen voor de Swartsusters,
die geen
kercke en hebben en aen de gemeente wegens het oppassen der
siecken
grooten dienst doen, en bij de kercke van het begijnhof van
achteren
aenschieten." (Zie: Bijdrage over de Kloosters:
Faliezusters).
Eindelijk, de laatste grond, waarmee pastoor van Daell
besluit, moest
blijkbaar niet minder zwaar wegen, dan de andere. Het is een
indirect
beroep op den leekenpatroon, van wiens weerstand de pastoor
zeker
is en waarop alles zal afstuiten. - „En dat den patron diser
pastorye
is eenen wereltschen, den welcken in dese membreeringhe niet
en sal
toestemmen." (sic!)
Hadden patroon en pastoor reeds met elkaar gesproken?
Het raadsverslag dat hierop volgt, spreekt met geen woord
van deze
zaak. (Zie Donderdagsche Protocollen, ao. 1774).
Pastoor van Daell noemt de begijnhofkapel te klein voor het
doel.
Toch liet men die gedachte niet los; zij maakte indruk bij
het Ordina-
riaat. Zoo bleef de oude parochie „één en ondeelbaar" en de
vraag bleef
rusten totdat een volgende poging in het jaar 1782 gedaan
werd, maar
nu op grooter schaal.
DE PAROCHIANEN.
Welke was de houding en het aandeel der parochianen zelf in
dit
parochievraagstuk. Hebben de putbewoners van sommige wijken
zich
ook ooit betuigd of hun invloed laten gelden bij de
wereldlijke over-
heid, en de noodige stappen gedaan om een verdeeling of de
oprichting
eener nieuwe vicarie door te drijven?
Dit zou niets ongewoons zijn; in dien tijd greep men méér
naar dit
machtsmiddel. Het blijkt uit een brief van den
gevolmachtigden mi-
nister in den Raad van het Hof van Gelder te Roermond,
waarin ge-
zegd wordt dat de parochianen recht hebben in beroep te gaan
bij den
wereldlijken rechter: „d'appeler au juge séculier”, in het
geval dat de
Bisschop verklaard heeft, dat er geen noodzaak is om een
nieuwe cure
of vicarie op te richten. De brief is van 1774.
Verder wordt nog verwezen naar een brief van 25 Maart 1755,
getee-
kend „Charles de Lorraine“, waarin naast het recht van de
Bisschop-
pen om over de noodzakelijkheid van een nieuw op te richten
post van
zielzorger te oordeelen en hunne verklaring te geven, -
erkend wordt
het recht der belanghebbende inwoners om te appelleeren van
dit dio-
cesaan gericht op dat van den wereldlijken rechter. In dezen
tijd moet
181
het getal der geloovigen, maar in casu ook den afstand
van de Moeder-
kerk, die zoo ver lag.
Het contact zij van dien aard, dat de band met de doopkerk
niet steeds
losser wordt, door een bijna uitsluitend bezoek van andere
kerken. En
nu deed zich juist pijnlijk het gevolg voelen van de
afgelegen plaats
der moederkerk van 1400.
De rapporteur van 1390 begon eenigszins gelijk te krijgen in
1780. Al
was zij dus „unica in oppido en sola necessaria in urbe," -
gelet op het
aantal communicanten, - een moederkerk, moest om allen
volmaakt te
bevredigen, wat méér centraal gelegen zijn, tenzij het
Munster in het
middelpunt de taak overnam.
Zoo adviseerde ongeveer de bisschoppelijke commissaris circa
1400.
Maar toen had de Magistraat niet gewild en de marktbewoners
wonnen
het pleit. De kwestie bleef van nu af aan de orde.
In 1774 afgelast door Pastoor van Daell werd ze opnieuw
gesteld in
1782 door den nieuwen bisschop, den opvolger van Henricus
Joannes
Kerens.
1782-1785-1793. PROVISIONEEL PLAN.
Een tweede eenigszins verbluffende ontdekking was het, toen
ons, na
de eerste vondst in Dusseldorf gedaan, omtrent de kerk van
1400, een
teekening in handen viel, een goed uitgewerkt plan, dat te
Brussel in
het Staatsarchief berustte, en dat als een losse bijlage was
ingesloten
in het dossier der kloosterinventarisatie, (afd. Kartuizers)
op last van
Josef II gedaan. Eenigszins verbluffend, want deze
verrassende vondst
illustreerde weer even duidelijk de totale vergetelheid,
waarin de ge-
schiedenis der Roermondsche parochie op een zoo belangrijk
punt was
vervallen. Geheel onbekend was die teekening of kaart, welke
in drie
kleuren het nauwkeurig grondplan bevatte der stad, en
bestemd was
voor een nieuwe indeeling der gemeente in drie parochies. En
dit plan
werd nog opgemaakt na of omstreeks 1785. - Bijlage, foto VI.
Wel was er te voren een plan tot splitsing geweest, en in
den gemeente-
raad besproken. We kennen dat van October 1774 uit de
verklaringen
van pastoor van Daell, maar als niet zoo rijp doordacht, en
zeker niet
zoo ingrijpend als dit laatste ontwerp zich voordoet. De
idee tot deze
drievoudige indeeling is vermoedelijk geopperd door bisschop
Philippus
Damianus, Markies van Hoensbroeck, die schrander en
voortvarend
genoeg was, om tot zulk een reorganisatie over te gaan. Zijn
regeerings-
tijd viel van 1775-1793.
In 1774 had Pastoor van Daell de wenschen en pogingen uit
den boezem
der gemeente en van den magistraat opgekomen, nog ver van
zich
afgeworpen o.a. met een beroep op den voogd (+ 21 Aug.
1780).
Zijn opvolger Antonius van den Steenwegh trad in zijn
voetspoor en in
zijn geest. Op 23 October 1782 richt bisschop Damianus van
Hoens-
broeck een brief tot de meesteresse van het begijnhof,
waarin haar kort
en klaar wordt aangekondigd het plan tot oprichting eener
curaete
vicarie in de naaste toekomst. Zij zouden moeten plaats
maken voor
183
TIJDENS EN NA DEN FRANSCHEN TIJD.
De parochie kwam onder het nieuwe bisdom Luik, van 1801 tot
1840.
Het aantal communicanten bleef gelijk het was, circa 5000.
De poging der „naoberschap“ van de Minderbroederskerk om dit
ge-
bouw weer te doen openen voor den eeredienst en tot hun
parochiekerk
in te richten, mislukte geheel. Zij doen dan een beroep op
het keizer-
lijk decreet van 1807. In den smeekbrief volgt dan hunne
wensch en
een verzoek: nml. „een derde kerk, als zijnde gunstiger
gelegen, tot
eene annexe van de Moederkerk te verheffen." Zij adresseeren
zich
daarom met een uitvoerige uiteenzetting tot den raad der
stad. Het
verzoek ging naar koning Willem I, en was onderteekend met
de namen
van 29 naburen. Tot groote teleurstelling van de Neerstraat,
het Swart-
broek en de Beckerstraat werd afwijzend beschikt. De
gemeente en
de pastoor hadden den gouverneur des konings, de Brouckère,
intus-
schen voorgelicht met hun advies; men schrikte terug voor de
onkos-
ten, die gemaakt moesten worden voor de gehavende
Minderbroeders-
kerk - toen nog niet als een Rijksmonument erkend -; en tot
het
onderhoud van een geestelijke waren de „naobers“ niet in
staat. Het
plan was hiermee van de baan. En het bleef zooals het was:
één kudde
en één herder.
KAPEL IN HET ZAND.
De gemeente trok zich ook het lot aan van de bewoners van
het Ge-
broek, van „ingen Sande“ en van het Muckenbroek, de oude
grafelijke
curia van vóór 1200, en van degenen die om den afstand de
oude Moe-
derkerk niet licht konden bereiken. Daarom zette de
Magistraat eene
kapel neer vlak aan de grens van de gemeente, niet ver van
het oude
gericht de Galgenberg.
Van 1400 tot 1863 leidt de Kapel in het Zand, als bescheiden
succursaal-
kerkje, geen zelfstandig bestaan, doch is geheel afhankelijk
van de
Moederkerk, op wier grondbezit zij is gebouwd. Volgens van
Krugten
was het grondbezit van den Voogd.
De bodem, waarop zij staat, maakt, als de uiterste hoek deel
uit van het
vroegere „Vrouwenveldt“, dat zelf weer een stuk land is van
het uit-
gestrekte Roermondsche Veld, den „ager publicus“ van de
stad.
Over den eigenlijken oorsprong der eerste kapel ligt in
zoover een
duister, dat men nog niet juist weet uit te maken, wat
eerder bestond,
de kapel, en deze dan bedoeld als begraafkapel en hulpkapel
met tijde-
lijke zielzorg voor de omliggende hoeven: Armenhof,
Kloosterhof,
Thuserhof, Heistershof, enz. iets wat in de Middeleeuwen
dikwijls het
geval was, - ofwel dat het later beroemde wonderbeeld de
eerste
aanleiding tot de stichting is geworden? Uit het eenig
bekende docu-
ment van 1418 blijkt positief, dat de kapel alleen om den
omwonenden
het vervullen hunner godsdienstplichten te vergemakkelijken
gebouwd
werd. Bovendien: het blijft in elk geval zéér vreemd, dat in
de stich-
tingsbrief van 1418, met geen woord wordt melding gemaakt
van het
wonderbeeld of van eenig Mariabeeld, noch door den
Magistraat noch
185
Zoo blijkt verder, dat het verloop der Roermondsche
parochiegeschie-
denis in kerkelijk en wereldlijk opzicht er eene is van zeer
langzame
emancipatie. De oudste kern van een gemeente blijft - als ze
niet
gehéél afsterft - eeuwenlang, en soms tot aan het slot der
ontwik-
keling eenzaam als verslapen en verdroomd liggen, in zekere
werk-
loosheid. Buteninop is stil als een graftombe. Maar dit
proces van
decentraliseeren en uitgroeien in een andere richting is
hier zoo traag
gegaan, dat ook nu nog de oude kerk, al is zij niet
geisoleerd van het
stadsleven, stil in een uithoek bleef liggen. Het vernieuwde
snelver-
keer langs de Maasbrug, die het Maasveer van den Voogd
verving, heeft
in dit punt veel hersteld en aangevuld, wat vroeger ontbrak
na den
aanleg van het station.
We kunnen in deze emancipatie van het oude Kerspel, welke
nog niet
geheel tot de uiterste consequentie is doorgevoerd, dus
minstens drie
stadia onderscheiden.
In deze drie stadia heeft de Katholieke gemeente gekend:
le. op de villa: de Eigenkerk van den Voogd, een dorpskerk,
van Ro-
maansch bouwtype, misschien enkele malen vernieuwd of
vergroot, dit
is de kerk van Inop, aanvankelijk misschien een vestingkerk,
- in
castro - en binnen de immuniteit;
2e. de kerk van den graaf, het Munster van 1218, als
tegenwicht, en
als eerste symbool van de vrijmaking, welke in 1232 tot
stand kwam;
3e. de kerk der burgerij en der gilden; - een tweede
emancipatie van
groote beteekenis. - En deze werd na 1660 in gemengd beheer
genomen,
als kerk van den bisschop, de cathedrale of zetelkerk van
Roermond.
Dit zijn de voornaamste data. Tusschen die perioden liggen
wel veel
andere historische data van groote beteekenis voor het
gemeente- en
parochieleven; maar die lieten toch de parochie in haar
wezen, een en
onverdeeld voortbestaan, opdat de rechten van den investitus
onver-
kort zouden blijven, evengoed als die van den Voogd, den
oudsten
meester van het district.
Achtereenvolgens verrijzen op den bodem der parochie de
andere kapel-
len: St. Jacob, St. Joris, H. Geest, H. Catharina, St.
Cornelis, het Zand,
begijnhoven, kloosterkerken, Bethleëm, de Cluyse, Mariawee,
Minder-
broeders, Hiëronymieten, Jezuieten. Zij verdwenen
achtereenvolgens
van het tooneel zooals zij gekomen waren. Sint Christoffel
behield het
terrein; op het Zand en het Veld kwam nieuw leven. Geen plan
tot
verdeeling heeft ooit ingang kunnen vinden.
,Unica in oppido".
Unicus in civitate; het leek wel een oude, eerbiedwekkende
profetie,
waarvan een nagalm is blijven hangen rondom den rijzigen
toren!
187
orde overgenomen te hebben, en het verwondert ons dan
ook geenszins
dat zij omstreeks 1217 het voornemen koesterde haar land te
verlaten,
om elders in een klooster dier orde te treden, daar deze in
het graaf-
schap nog geen enkel klooster bezat. Zoo staat Richardis
voor ons als
een waarlijk heldhaftige vrouw die alles wilde verlaten,
zelfs haar land,
om in een streng klooster haar leven aan God te offeren.
Doch God
zelf had anders beschikt.
Richardis' zoon Gerard, die Otto in 1207 was opgevolgd in
het bestuur
van Gelre, wilde op alle mogelijke wijze beletten dat zijn
moeder het
land verliet, en zon op middelen, in het graafschap zelf een
vrouwen-
klooster van de Cistercienserorde te stichten. In de
stichtingsoorkonden
van de Munsterabdij geeft graaf Gerard een tamelijk heldere
uiteen-
zetting van de uitvoering der plannen die hij ten opzichte
van zijn
moeder had.
Aan de monding van de Roer bezat de graaf van Gelre een
uitgestrekt
„praedium” of buitengoed. Welnu dit buitenverblijf met een
kerk die
erbij hoorde, boerderijen en landerijen, vermaakte graaf
Gerard aan
zijn moeder, opdat deze er een klooster van de door haar zoo
beminde
orde zou stichten en alzoo niet gedwongen zou zijn om buiten
het
land te gaan. Dit is de stichtingsgeschiedenis van het
adellijk nonnen-
klooster van Roermond. Van waar echter Richardis, die
dadelijk aan het
hoofd van het klooster staat, de zusters heeft ontboden die
het convent
moesten stichten is niet bekend; toch meent men om gegronde
redenen
te kunnen aannemen dat deze uit een Belgische abdij gekomen
zijn.
In het jaar 1219 deed graaf Gerard persoonlijk de noodige
stappen bij
het generaal kapittel om het klooster te Roermond in het
juridisch ver-
band der orde te doen opnemen. Het bestuur der orde droeg de
zaak
ten onderzoek aan de abten van Villers en Camp op, en reeds
het vol-
gend jaar wordt het klooster „Monasterium Sanctae Mariae in
Comi-
tatu Gelrensi" officieel in de orde opgenomen en korten tijd
hierna
onder het visitatierecht van den abt van Camp geplaatst.
Richardis is
al zeer spoedig de titel van abdis toegekend. Den eersten
October 1220
werden de voorloopige kerk en het klooster door den bisschop
van Luik
ingewijd en in 1224 toen de tegenwoordige Munsterkerk voor
een groot
gedeelte voltooid was, door Engelbertus, aartsbisschop van
Keulen en
familielid van Richardis, plechtig geconsacreerd. Nu alles
zoover gere-
geld was, kon zich in de jonge abdij het Cistercienserleven
normaal
gaan ontwikkelen.
Om den lezer een saaie opsomming te besparen van acten en
char-
ters om het religieuze leven in de Munsterabdij te
belichten, geven
we liever een beschrijving van het Cistercienser leven
zooals het objec-
tief in de voorschriften van de orde voor ons ligt, en
waarvoor genoeg
bewijzen aanwezig zijn dat ze gedurende de allergrootste
periode in
de Roermondsche abdij onderhouden werden. Dit is te meer
interes-
sant, daar zoodoende de tegenwoordige Roermondenaar zich een
beeld
kan vormen van het nijvere en devote leven dier adellijke
monialen.
De adellijke joffers dan onzer abdij dienden God volgens een
strengen
regel en stonden onder de geestelijke leiding van een
strengen vader;
189
aan het vergaderd convent. Hieruit kan men afleiden,
dat zoolang de
abtvisitator een man was van diepe religieuze overtuiging,
zoolang ook
een verslapping van de regeltucht in het dochterhuis zoo
goed als
buitengesloten was. We kunnen dan ook constateeren dat,
vermits
Camp gedurende verschillende eeuwen een zoowel geestelijk
als tijde-
lijk bloeiende abdij was, dit ook in Roermond het geval was
en hier
niet eerder een hervorming noodzakelijk geacht werd, dan
tegen het
midden der 17de eeuw, toen ook Camp een goed deel van zijn
glorie
verloren had. De abt van Camp zond ook steeds enkele zijner
monniken
tot biechtvaders en geestelijken naar de Munsterabdij.
Men zal zich misschien al eens de vraag gesteld hebben wat
wel voor
de zusters der Munsterabdij de bron van inkomsten moge
geweest zijn.
Vooreerst moest elke candidate voor het klooster een
zoogenaamde
,dos” of bruidschat bij haar intrede aan de abdij vermaken,
en deze
zal voor onze zusters niet gering zijn geweest als men
bedenkt dat
slechts dochters van den hoogsten adel in de abdij van
Roermond haar
intrede mochten doen. Verder bezat de abdij al vanaf haar
stichting,
door schenking van graaf Gerard een groot aantal landerijen,
die door
de leekebroeders der abdij bewerkt werden. Daarbij had de
abdis het
recht van „tienden” in vele der Roermond omliggende
plaatsjes en
bezat zij het patronaatsrecht van een groot aantal parochies
in het
graafschap. Overigens werden alle mogelijke ambten binnen de
muren
des kloosters beoefend door eigen volk. Ik vond vermeld 'n
„frater
calcearius" (broeder schoenmaker), „frater sartor" (broeder
kleerma-
ker), 'n „pistrinus” (broeder bakker) enz. Dit alles wijst
op een bloeiend
economisch leven in de abdij.
In de Cistercienserorde verdeelde men het jaar, in navolging
van oude
monastieke gebruiken, in twee groote deelen; van Paschen tot
14 Sep-
tember en van dezen laatsten datum tot Paschen. Was de
eerste de tijd
waarin men geen bepaalde vasten onderhield, de tweede was de
tijd
van de groote religieuze vasten. In deze twee groote
perioden verliep
het religieuze leven der adellijke nonnen der Munsterabdij.
Indien we hier het kloosterleven der Munsterabdij
uiteenzetten, moet
men goed in het oog houden dat in elk klooster perioden
voorkomen,
waarin men zich niet zoo zeer hield aan de oorspronkelijke
strengheid
van den regel. Gewoonlijk neemt men aan dat vanaf de
stichting tot
o. g. den overgang van de 15e tot de 16e eeuw het tijdperk
van den
algeheelen bloei was. Daarna is de discipline in
voortdurende schomme-
ling, om gedurende de 17e eeuw grootendeels in verval te
geraken.
Ten andere vallen echter in deze eeuw ook de meeste
hervormingen
der kloosters. Ik meen dit alles ook voor de Munsterabdij te
kunnen
aannemen. Wat wij hier dus beschrijven zijn feiten en
toestanden uit
de eerste 3 eeuwen van het bestaan des kloosters; in later
eeuwen is
wel het kloosterleven als zoodanig hetzelfde gebleven, doch
de gestreng-
heden en onthoudingen zijn niet meer zoo veelvuldig en groot
als
voorheen.
Men moet het religieus enthousiasme kennen dat de vrome
middel-
eeuwers bezielde en ten andere de geestelijke vreugde voelen
die de
191
Een andere zeer geliefde taak dier vrouwenkloosters was
de op-
voeding der vrouwelijke jeugd, waar zich de religieuzen met
alle toe-
wijding aan overgaven. In de adellijke kloosters vond men
zoodoende
de keur der meest hoogstaande families van het land, die
onder de
wijze leiding der monialen onderwezen werd in alle takken
van vrouwe-
lijke bezigheden, die zij later als burchtvrouwen moesten
verstaan. Ook
te Roermond vinden wij dezen schoonen arbeid door de zusters
beoefend.
In de uren voor den middag werd ook nog elken dag een
plechtige
hoogmis gecelebreerd, voorafgegaan en gevolgd door de
tertiën en
sexten. Omstreeks twaalf uur gebruikten de zusters
gezamenlijk het
middagmaal in den grooten refter. De maaltijden waren steeds
frugaal,
d.w.z. men hield zich aan de voorschriften van den regel,
die het ge-
bruik van vleesch aan alle gezonden verbiedt. Het gebruik
van visch
en eieren was toegestaan, doch hiervan werd vooral in het
begin een
spaarzaam gebruik gemaakt. In nauw verband hiermede staat de
in het
necrologium zoo dikwijls voorkomende uitdrukking: „in
pitantia" of
„de qua habemus portionem". Een eigenaardigheid in de
middeleeuw-
sche kloosters was immers, dat de maaltijden der
kloosterlingen bijna
steeds schenkingen waren. Menigeen deed, na het sterfgeval
van een zij-
ner naastbestaanden in de kloosters gebeden verrichten,
waarvoor dan
een bepaalde som gelds of een jaarlijksche schenking in
naturalia ge-
stort werd, waarvan den religieuzen dan op een bepaalden dag
in het
jaar een maaltijd met eieren of visch en wijn gegeven moest
worden.
Daarvandaan ook dat deze „Pitantia” nauwkeurig in de
calendaria
der kloosters werd opgeteekend. Toch ziet men uit dit alles
dat de
maaltijden der joffers van de Munsterabdij niet al te
weelderig wa-
ren. Eerst in het laatst der 15de eeuw schijnt men op
sommige dagen
vleesch gebruikt te hebben.
In den middag omstreeks twee uur bad men nog de nonen,
waarna
weer enkele uren aan de verschillende werkzaamheden besteed
werden.
En bij het vallen van den avond kwam weer de heele
kloostergemeente
in de kerk bijeen om er plechtig de avondgetijden of vespers
te zingen.
In den vollen avond zullen nog de completen gebeden worden
en dan
op het laatste oogenblik van den dag, als weer de donkerte
de abdijkerk
vult, worden voor het beeld van O. L. Vrouw enkele lampen
ontstoken
en het geheele koor der Godgewijde maagden jubelt het „Salve
Regina“,
als om de „Abdis van Cistercië“, zooals de H. Maagd naief in
de orde
genoemd werd, den laatsten avondgroet te brengen.
Korten tijd hierna heerschte in de abdij diepe stilte en
genoten de
zusters welverdiende nachtrust, om den volgenden dag weer
haar
zegenrijke taak van gebedsoffer te kunnen brengen.
Dit was in groote trekken het leven der adellijke zusters
van onze stad.
Geen lezer zal er aan twijfelen of een dergelijk leven moet
van grooten
invloed zijn geweest ook op de de abdij omwonenden.
Na deze bestudeering der innerlijke structuur, zullen wij
even onze aan-
dacht schenken aan uitbreiding en invloed van het adellijk
stift. Reeds
193
van 24 marken gouds afstond aan den Rector van het
altaar der zestien
heiligen „inder kircken sent Marien greden“. Op het einde
der veer-
tiende en in het begin der vijftiende eeuw komt de Abdij nog
in het
bezit van verschillende goederen gelegen in de omstreken van
Roer-
mond. Ook in de stad zelf ontwikkelt de Abdij zich zeer
sterk. Wij
lezen dat in 1380 de magistraat van Roermond aan het convent
van de
Cistercienser Orde aldaar alle rechten afstaat die hij bezit
„op der alder
Roeren, van onsen dyck nederwaert van Hennen Gruyssen tune
bis
aen den voerwech van des Cloesters ham."
Bij belangrijke werken wordt veelal de hulp der Abdij
ingeroepen, en
deze is steeds gaarne bereid deze hulp te verleenen voor
maatschap-
pelijke doeleinden. Zoo o.a. voor den bouw en het onderhoud
van de
brug te „Leyverloe”. In 1415 verklaart de magistraat van
Roermond
dat de Abdis en het convent van O. L. Vrouw aldaar „uit
sunderlinghe
vrintscapp" hem toegelaten hadden om „die eerde te graven
ende te
nemen aen haeren acker, die geheiten is der Molenberch", ten
einde
„,onsen dijck tusschen der Masen ende den Hamme dairmede te
maken
ende te hoghen". In 1416 werd door het Cistercienser Convent
een
bijdrage verleend ter versterking van den kerktoren van
Maasniel „die
nedergaen wolde" en zulks geschiedde naar het getuigenis der
over-
heden van het kerspel alleen uit gunst en niet uit
verplichting. In 1421
schonk de Abdis en het Cistercienser Convent van Roermond
een
zekere hoeveelheid hout tot het voltooien van den kerktoren
van Echt.
Onschatbare diensten heeft de Abdij aan onze stad bewezen
door
leniging van maatschappelijken nood en ellende. Moest elke
aan de
poort kloppende arme al volgens de kloostervoorschriften als
Christus
zelf ontvangen worden en werden dientengevolge dagelijks een
groote
menigte armen aan de kloosterpoort verzorgd, op sommige
tijden en
dagen nochtans ontvingen de stadsarmen op speciale wijze
onder-
steuning: alle Maandagen werden door de zusterportierster
tien por-
tiën van vijf pond en tien portiën bier elk van vijf potten
aan de armen
verdeeld. Bij de verkiezing eener nieuwe Abdis schonk deze
steeds
de voor dien tijd niet onbelangrijke som van vijftig gulden
aan de
stadsarmen. Dikwijls ook belegde men een vaste som gelds die
moest
dienen tot ondersteuning der behoeftigen.
Moge uit dit alles blijken de zeer groote invloed der
Munsterabdij
op het economisch en maatschappelijk leven, op
godsdienstiggeschied-
kundig gebied was deze wellicht nog grooter.
Vele kerken van het bisdom waren afhankelijk van de Abdij
doordat
deze er het patronaatsrecht over uitoefende. Hiertoe
behoorden reeds
vóór het einde der dertiende eeuw: Venray (1220), Gelder
(Nieuwkerk
en Aldekerk), Wetten (1221), Echt, Herten (1246) en Roermond
zelf.
In 1272 stelde de Abdis en het convent als bezittende het
patronaats-
recht der St. Christoffel aldaar, Daniel, priester te
Herten, voor, om
tot pastoor van genoemde kerk te worden benoemd. In 1298
werd op
voordracht van de Abdis en het convent te Roermond,
Godefridus,
deken der kerk van O. L. Vrouw te Aken, tot pastoor van de
parochie-
kerk van Roermond benoemd.
195
treurd hebben toen op 31 Mei 1665 een gedeelte der stad
afbrandde
en ook het geliefde Munster een prooi der vlammen werd:
..... elf hondert huysen
Met negen Kercken, en daer by
Vyf Kloosters,'t Noenhoff een
Abdy .....
Een groot deel der Abdijgebouwen werd door den brand
vernietigd,
waardoor het klooster veel aan invloed en macht moest
inboeten.
De verdere geschiedenis verhaalt ons van: legerinkwartiering
in de
Abdij, van onaangenaamheden met 's lands bestuur daarover en
over
immuniteiten op ander gebied, van oneenigheden in het
klooster, van
meeningsverschil met de geestelijkheid, enz. enz. alles
teekenen van
een, althans voor het inwendige, kwijnend bestaan. Van den
ouden
roem is niet veel meer te bespeuren!
Toen op het einde der 18de eeuw de Fransche troepen Roermond
binnentrokken, om alles omver te werpen wat maar eenigszins
op
ancien régime geleek, voelden de kloosterlingen zich niet
langer veilig
binnen de muren van Roermond, en we zien haar dan ook begin
Juli 1794 de stad verlaten. Maar nog niet had het laatste
uur voor het
oude Munster geslagen. In Juni 1795 kwamen de Abdis en de
Zusters
terug en betrekken zij haar oude woonplaats. Er moet in dat
jaar een
verschrikkelijk gebrek aan levensmiddelen zijn geweest, en
een oude
kroniek der stad teekent aan dat de burgers en de armen
zooals voor-
heen weer tot de Abdij hun toevlucht namen, waar de Abdis
dan ook,
voor zoover het haar mogelijk was, den nood der burgers
lenigde. Doch
niets kon het klooster meer van een zekeren ondergang
redden. Den
18 September 1796 werd ook hier de Fransche wet
gepromulgeerd, die
alle kloosters en geloften als strijdig met de vrijheid
verbood. In Januari
van het volgende jaar al komen drie Fransche commissarissen
in de
Abdij, en melden de zusters de aanstaande opheffing van het
klooster.
En 17 Februari 1797 was het noodlottige tijdstip
aangebroken, waarop
de laatste telgen van de glorieuze Abdij in den naam der
vrijheid haar
oud en trouw klooster moesten verlaten - een pijnlijk en
obscuur ein-
de van een grootsch bestaan. - De religieuzen zijn
teruggekeerd naar
haar ouderlijke woningen, terwijl de Hooggeboren Vrouwe
Abdis Maria
Josepha de Broick haar laatste dagen in de stad Roermond
zelf heeft
gesleten, en begraven is te Herten, plaats waar het Munster
een zoo
belangrijken invloed heeft gehad sinds eeuwen her.
HET BEGIJNHOF.
Roermond zou geen stad zijn met een in de middeleeuwen
wortelende
geschiedenis, als het geen begijnhof had gekend. De annalen
der stad
verhalen dan ook, dat meester Daniel pastoor der parochiale
kerk in
het jaar 1279 aan de begijnen, die verstrooid onder het
gebied van zijn
parochie woonden, toestond zich op eene plaats buiten de
stad nabij
de St. Nicolaaskapel te vereenigen, aldaar een kerk en
woningen te
bouwen en een afzonderlijk kerkhof aan te leggen. Tusschen
de jaren
197
broeders is gefundeerd op een algeheel vertrouwen op de
Goddelijke
Voorzienigheid; zij weigeren vaste inkomsten en elk bezit;
zelfs de
huizen, die zij bewonen zijn niet hun eigendom en verreweg
het groot-
ste deel van hun levensonderhoud bestaat in de gaven, die
zij op hun
„termijn” van de menschen ontvangen als loon van hun arbeid
of als
aalmoes. De arbeid waartoe elk Minderbroeder is bestemd, is,
zooals
trouwens bij elke religieuze orde, op de eerste plaats de
zelfheiliging,
waarbij dan als een karakteristiek middel dienst doet een
zoo volledig
mogelijke onthechting van het aardsche, in eenvoud en
blijheid. Boven-
dien behoort echter tot de taak der Minderbroeders elk
apostolisch
werk, waarbij het heil der zielen kan gebaat zijn. Uit deze
beschouwing
blijkt al dadelijk, dat er tusschen Minderbroeders en
bevolking een
innige verhouding bestaan moet, een verhouding van
wederzijdsche
hulpvaardigheid, van sympathie en vertrouwensvollen omgang
en zoo is
het te verklaren dat ook thans nog de Minderbroeders
Roermond,
nadat zij deze stad reeds meer dan een eeuw geleden - door
geweld
van buiten, niet door den wil des volks - moesten verlaten,
beschou-
wen als een eigen stad, waarin zij zich thuis voelen, en is
het heel
natuurlijk, dat zij hier bij voortduring van elke overheid
en van heel
het volk dezelfde genegenheid ondervinden als door de
eeuwen. De
aloude Minderbroederskerk - thans Ned. Hervormde kerk -
staat
nog altijd als een monument van den ouden niet verbroken
band.
Over de stichting en den stichtingstijd van het
Minderbroederskloos-
ter te Roermond bestaat meeningsverschil. Sommige schrijvers
nemen
n.l. twee verschillende stichtingen aan: een vroegere, die
weer te niet
ging, en een latere in 1308, die bestaan bleef tot den
Franschen tijd.
In ieder geval staat vast dat in 1308 de minderbroeders zich
voor
goed vestigden aan de tegenwoordige Minderbroedersstraat.
Het offi-
cieel getuigenis daarvan is de omzendbrief van den Keulschen
provin-
ciaal Gerardus de Pomerio van 20 Februari 1308, (volgens
Keulschen
stijl 1307). In dezen brief wordt medegedeeld, dat graaf
Reinald van
Gelder had aangedrongen op de stichting van een
minderbroeders-
klooster te Roermond. De provinciaal had daarom broeders uit
alle
custodieën naar Keulen ontboden, om met hen te overleggen en
de ter-
mijngrenzen te bepalen voor het geval dat de stichting werd
aangeno-
men. Hierbij is het de vermelding wel waard, dat uit het
Keulsche
hoofdklooster o.a. tegenwoordig was Fr. Joannes, Lector, met
wien nie-
mand anders kan bedoeld zijn dan de beroemde doctor subtilis
van de
minderbroedersorde de Z. Duns Scotus.
Deze korte woorden over de stichting. Moeilijker wordt het
in een
paar woorden opvallende gebeurtenissen te noemen welke in
staat zijn
haar beteekenis voor Roermond door de eeuwen te
illustreeren. Ver-
richten de kloosterlingen hun taak volgens den eigen regel,
en leven
zij volgens den geest van hun stichter, dan zal men immers
over het
algemeen maar heel weinig feiten zien opgeteekend. Stof om
de onder-
linge verhouding te schetsen tusschen klooster en
stadsbestuur, kloos-
terlingen en bevolking zou de oplossing van .... voorkomende
mee-
199
Overkwartier op 19 Mei 1664 den eersten steen legden
van het op te
richten gebouw tot uitbreiding van het klooster.
In de verschillende kerken der Stad verleenden de paters
assistentie
en deden zij speciaal „op de hoogtijden sermoen”
P. Reinerus a Lintris stierf in 1572 den marteldood.
P. Bernard Surius schreef het wereldbekende boek van „den
God-
vrughtighen Pelgrim ofte Jeruzalemsche Reyse" dat
herhaaldelijk her-
drukt en vertaald is. De eerste uitgave is van 1650, de
laatste van 1789.
18 Mei 1647 werd pater Surius door Roermonds burgerij
feestelijk
ingehaald terugkomend van het H. Land, waarheen hij 15 April
1644
was afgereisd
Dat de Minderbroeders ook op wetenschappelijk terrein
werkzaam
waren bewijst verder een rij van theologische theses, die in
de jaren
1683-1781 niet alleen in het klooster, maar ook in de kerk
werden
verdedigd, waar behalve de Minderbroeders ook anderen niet
onwaar-
schijnlijk de lessen volgden.
Ten slotte een herinnering aan P. Gulielmus van Ham, 16
December
1800 en P. Petrus Wouters 8 Mei 1805, te Roermond overleden.
Nadat zij met andere geestelijken in 1798 gevankelijk waren
wegge-
voerd, schijnen zij na herkrijging van hun vrijheid in
Roermond te
zijn teruggekeerd, om daar hun werkzaamheden te hervatten.
Van een
nieuwe kloosterstichting is echter geen sprake meer. Wel
wendde men
in 1818 pogingen aan de kerk weer geopend te krijgen, maar
tevergeefs.
De Minderbroeders zouden te Roermond niet meer terugkeeren,
al
was daar nog eenmaal sprake van namelijk in 1904, toen Dr.
Cuypers
een oogenblik daarin het eenige middel tot behoud der
monumentale
kerk meende te zien.
TERTIARISSENKLOOSTERS.
„'t Is ongelooflijk - aldus Paus Leo XIII in zijn encycliek
Auspicato
- met welk een zielsdrift en vervoering bijna de menigte tot
Franciscus
getrokken werd. Men volgde hem in dichte scharen, werwaarts
hij
heenging en niet zelden smeekten hem uit steden, uit
volkrijke plaat-
sen alle burgers zonder onderscheid, dat hij hen plechtig
onder zijn
regel zou opnemen. Daardoor is de Heilige er toe gebracht
het genoot-
schap van de Derde Orde in te stellen, dat elken stand van
menschen,
elken leeftijd, beiderlei geslacht moest opnemen, zonder de
banden
van het gezin en van de huiselijke zaken te verbreken."
Deze orde is de z.g. wereldlijke Derde Orde, waarvan er ook
te Roer-
mond vereenigingen bestaan in het Groot-Seminarie, de
Bisschoppe-
lijke Kweekschool, in de Munsterkerk en in de kerk van het
H. Hart.
Uit deze door Sint Franciscus gestichte wereldlijke Derde
Orde groeide
een kloosterlijk samenleven van Broeders en Zusters, die
denzelfden
regel bleven volgen; ontstaan er uit zijn die talrijke
congregatiën van
Broeders Franciscanen en Zusters Franciscanessen, die ook in
onzen
tijd op gebied van onderwijs en elke soort van charitatief
werk zoo
vruchtbaar arbeidzaam zijn. Het is ook uit deze door Sint
Franciscus
201
In 1483 werd de zusters toegestaan tot meerdere
veiligheid het klooster
over te brengen binnen de stad „op den Dryesch bij den
Striecke“. Het
klooster werd opgeheven in 1784, nadat het meer dan 400 jaar
bestaan
had en de religieuzen door het voorbeeld van een heilig
leven velen
hadden gesticht.
De Zusters gaven - zooals vermeld staat - onderwijs aan de
meisjes
van de stad „in den godsdienst en in alles wat dit geslacht
past". In
de kerk van deze kloosterlingen werd op 17 Januari bijzonder
gevierd
het feest van den H. Antonius Abt.
Aan het nieuwe klooster herinneren de namen
Godsweerderstraat,
(straat waaraan het klooster grensde) en Godsweerdersingel.
HET KAPITTEL VAN DEN H. GEEST.
Dit kapittel van seculiere kanunniken had zich in 858 uit
Utrecht te
Odiliënberg gevestigd. In 1361 kwamen deze kanunniken die
toenmaals
in Berg aan geweld, afpersingen en knevelarijen waren
blootgesteld
naar Roermond alwaar de Magistraat hun de kapel van den H.
Geest
afstond, welke daarna tot kollegiale kerk werd verheven. In
1561, bij
de oprichting van het Bisdom Roermond, werd het kapittel tot
een
diocesaan kapittel verheven.
DE KARTUIZERS.
Het Seminarie aan de Swalmerstraat ingaande valt iemands
blik on-
willekeurig op het schoon gebrandschilderd venster met de
beelden
van een Kartuizermonnik en een ridder uit de middeleeuwen.
De eene
is Dionisius de Kartuizer, de andere Werner van Swalmen.
„Wer-
nerus de Swalmen domum fundavit" luidt het onderschrift.
Na zijn terugkomst van eene naar het H. Land ondernomen reis
bouw-
de deze van edelmoedigheid en levendigen godsdienstzin
vervulde
edelman op zijn eigendom bij de Steeg een kapel en een
hospitaal en
schonk daaraan de tienden die hij bezat te Posterholt voor
het onder-
houd van den rector en den hospitalarius. De kapel noemde
hij Bethle-
hem ter herinnering aan die welke hij in het H. Land had
gezien.
Vervolgens bouwden Werner en zijne huisvrouw Bertha van
Geilen-
kirchen en zijn broeder Robinus van Swalmen, kanunnik bij
het Sint
Servatiusstift te Maastricht, daar een klooster bij voor
kloosterlingen
van de orde van den H. Bruno, kartuizers genaamd, naar de
plaats
der stichting n.l. Chartreux, in het latijn Cartusia, bij
Grenoble. Dat
klooster begiftigden zij bij diploma van 25 Juli 1376 met
goederen,
voldoende voor het onderhoud van een prior en twaalf
monniken.
Deze goederen, welke jaarlijks 500 goudgulden opbrachten,
werden
door de vorsten van Gelderland en in het bijzonder door de
hertogen
Reinald en Arnold aanmerkelijk vermeerderd.
Bij beide stadsbranden ging dit klooster in de vlammen op en
het had
te lijden van den beeldenstorm.
203
DE DOMINICANESSEN.
Dit waren Begijnen van den derden regel van St. Dominicus.
Zij woon-
den aanvankelijk buiten de Opperpoort ter plaatse genaamd
Meulen-
bergh, waar de Roer in de Maas stroomt, in eenige „schamele
wonin-
gen". Dit begijnhof is gesticht door Godard van Vlodrop,
voogd van
Roermond, en bevestigd door Maria Gravin van Gelder en
Zutphen bij
diploma van 1401 Sint Petersdag. De geestelijke leiding had
aanvan-
kelijk de pastoor van Roermond, sedert 1482 de dominicanen
prior
van Aken en sedert 1498 die van Maastricht.
Door een overstrooming van Maas en Roer in 1530 werden de
wonin-
gen weggespoeld en vluchtten de Zusters in de stad waar de
Magis-
traat ze onder drang van hoogerhand toeliet. Zij bouwden
zich een
klooster aan de Veldstraat waarvan de kerk in 1537 werd
gewijd ter
eere o.a. van „Mariawee“, de zeven smarten van Maria,
tengevolge
waarvan het klooster den naam Mariawee kreeg en de zusters
ook
„Smertezusters“ heetten. In 1599 ruilden de zusters het
klooster voor
dat van St. Theobald aan de Zwartbroekstraat waar de
Beggaarden
waren gevestigd geweest. Het klooster aan de Veldstraat werd
bestemd
tot Seminarie.
In 1647 werden de zusters toegelaten tot den tweeden regel
der orde.
Het klooster werd in 1783 opgeheven.
DE KRUISHEEREN.
De orde van het H. Kruis in 1211 te Huy door den Zaligen
Theodorus
de Cellis gesticht, verkreeg ruim twee eeuwen later een
klooster in
Roermond.
Twaalf burgers dezer stad stichtten in 1409 een Broederschap
van den
H. Paus en Martelaar Cornelius, en bouwden, met behulp van
den
stadsraad, te zijner eere een kapel. Toen ze aan deze kapel
een klooster
wilden verbinden, vonden ze in Jan van Merode, Prior van het
Kruis-
heerenklooster te Venlo, een ijverigen steun. Met machtiging
van Paus
Mart. V en toestemming van Matth. Peuten, Pastoor van
Roermond,
werd de kapel in 1422 door Joannes a Lapide, Deken van St.
Servaas te
Maastricht, aan de Kruisheeren overgedragen. Onder Nic.
Lencken
(Lentgen) den eersten Prior, betrokken ze het klooster, dat
aan de
Maasnielsche poort, uit aalmoezen werd gebouwd.
Aanvankelijk gekleed in zwarten lijfrok, grauw scapulier en
grooten
zwarten mantel met kap, droegen de Kruisheeren, ná de
verordening
van Paus Clemens VIII een wit habijt, zwart scapulier, met
roodwit
borstkruis en kleinen zwarten schoudermantel. Op Zaterdag en
Zondag
kwamen vele geloovigen naar het klooster biechten, terwijl
de sup-
prior vele jaren, tot kort voor de opheffing van 't
klooster, belast was
met de zielzorg voor 't garnizoen. Ook een deel der
ziekenzorg was
den kloosterlingen toevertrouwd, bijzonder de dienst in het
Hospitaal
der Swartzusters (Broodbongerd), 't eenige klooster zonder
eigen kapel
en gelegen in de nabijheid der Kruisheeren. Gedurende de
Vasten
205
's menschen keuze, noch louter toeval, doch veeleer
hoogere bestem-
ming voor dit liefdewerk schijnt te hebben aangewezen. De
plek gronds
toch, waarop wij ons hier bevinden, is een gewijde plek. Zij
was in
vroeger eeuwen de stille rustplaats van zoovele heilige
mannen, die in
den dienst des Heeren, van uit het destijds hierbij gelegen
klooster,
hun weldoenden invloed over gansch Roermond deden gevoelen.
Hun
gebeente*) rust thans in de schaduw van het heiligdom van O.
L. Vr.
in het Zand en op hun vorig graf is als ware uit hunne
assche dit
gebouw der liefde verrezen, van waaruit, hun geestelijk
voorbeeld na-
strevend, leekenvereenigingen hunne weldaden zullen
verspreiden."
HET KLOOSTER VAN DEN H. HIERONYMUS.
Bij testament van 18 December 1438 stichtte Jan van Leuven
burger en
inboorling van Roermond in de Lombardstraat ter plaatse waar
de
R.H.B.S. is gevestigd het klooster van den H. Hieronymus,
een klooster
van reguliere kanunniken uit de Congregatie van Windesheim
en daar-
enboven een College genaamd het „Roermondsche Huis” te
Keulen
voor acht studenten, zes uit Roermond en twee uit Erpel bij
Keulen.
Tot uitbreiding hunner woning (het huis de Lombard met
belendenden
eigendom was eng en klein) kochten de kanunniken een tiental
nabu-
rige huizen aan. De eerste steen werd gelegd in 1438 en de
laatste ge-
bouwen werden voltooid in 1466.
De stichter overleed te Keulen 23 December 1438 en is in het
koor der
Kartuizerskerk begraven.
Het klooster ging te niet na een bestaan van omtrent 120
jaren. De
gebouwen werden in 1554 door brand vernield en waren nog
niet geheel
hersteld, toen bisschop Lindanus er in trok en ze in een
bisschoppelijk
paleis werden herschapen.
BROODBOOMGAARD.
Dezen naam hoort men nog noemen ter aanduiding van de plaats
waar
vroeger aan de Schoolstraat een kloostertje van zusters, die
zich aan
ziekenverpleging wijdden, is gevestigd geweest.
Godsboomgaard is
anders de meer officieele naam. Broetsusteren zooals de
zusters ge-
noemd worden zal wel met cerstgenoemden naam verband houden.
Het ontstaan is te danken aan een tweetal jonge dochters,
die haar
leven met het verzorgen van zieken doorbrachten. In het jaar
MCCCC
mo LXII des donredaegs nae Sint Galeyndagh Confessoris
worden
deze zusters door den Magistraat erkend en toegelaten „tot
seven
personen tue ind niet meer", zulks nadat hij ze eerst had
verstooten,
omdat zij „buyten consent en de wille des pastoirs en de
stadt eyne
orden**) aangenoemen en dair ijnne getreden zijn".
In 1605 waren de zusters op eene na uitgestorven en werd met
de
*) Dit gebeente werd bij
de ontgraving van de fundamenten gevonden en door de
zorg der Vincentiusvereeniging naar het R. K. kerkhof
overgebracht. **) Van den H. Augustinus.
207
Het eerste klooster was dat van San Damiano buiten de
muren van
Assisië. Franciscus schreef voor de zusters een zeer korte
leefwijze.
Door handenarbeid voorzagen zij in haar onderhoud, en leden
zij ge-
brek, dan bedelden de Minderbroeders voor haar het noodige.
Op verzoek van P. Arnoldus ab Ischa, den toenmaligen
Provinciaal
der Minderbroeders, gaven Raad en Schepenen 4 Juni 1614 hun
toe-
stemming tot het stichten van een Clarissenklooster,
nochtans „onder
expresse conditie, dat nu noch in toecomende tijden in
denselven
cloisterken buyten onsen oft onser naecomelinge consent ende
wille
boven seventhien persoenen, te weten derthien ingesloeten
Jouffr.
ende vier buytensusteren en sullen sijn oft aengenoemen
werden mo-
gen, daar mit die borgerie deser stadt niet te seer belast
werden."
Op 16 Juni arriveerden eenige Clarissen uit Brussel onder
geleide
van Catharina Munters, eerste abdis.
Aanvankelijk woonden zij in particuliere woningen of bij de
Domi-
nicanessen in Mariawee tot het klooster in de Neerstraat
door de
goede zorgen van Gilles van Elshout, hoofd van de Geldersche
Reken-
kamer, voltooid was.
Op 31 Mei 1665 werd ook het Clarissenklooster door het vuur
ver-
nietigd.
De zusters verdeelden zich toen bijna allen over de
Clarissenkloosters
van Brussel, Antwerpen, Mechelen en Leuven. Het volgend
jaar, toen
de brandschade hersteld was, keerden zij terug. Geheel
verstorven
en aan Gode toegewijd, door de burgerij ondersteund en
bemind, leef-
den zij verder in ongestoorde zielevrede, totdat de
kloostergebouwen
- door het besluit van Jozef II - in 1786 publiek werden
verkocht.
Toch zou Roermond nog eens de Clarissen terugzien, waarover
later.
Dit klooster lag aan de Oostzijde van de Neerstraat,
ongeveer in het
midden tusschen de Pelser- en de Paredisstraat.
DE URSULINEN.
Het klooster der Ursulinen te Luik stuurde in 1644 vijf
harer medeleden
naar Sittard om aldaar een nieuw klooster te stichten. Dezen
verlieten
echter weldra die stad om zich te Roermond te vestigen
alwaar zij
op 12 Augustus 1646 haar nieuw klooster aan de Steegstraat
betrokken.
De toelating door den Magistraat dateert van 11 Mei 1646 en
staat
ten name van Soeur Agnes de la Nativité. gnt Bosman
superieure der
religieusen Ursulinen binnen Sittardt. Zij zouden er volgens
overeen-
komst met het stadsbestuur vijf verscheiden scholen houden.
De leer-
lingen zouden er leeren: „lesen ende schrijven neerduyts
ende latijn
en spreecken francoys. Item naeyen, spellewercken,
bordueren, steken
etc. Item singhen, musiek, spelen op de luyt, clavesinghel,
op de viole,
op de spinette etc. Item worden se onderwesen in de
Christelijke lee-
ringhe, maniere van bidden, bichten ende communiceeren ende
hoe
sy hen met haere ouders ende vrienden moeten comporteeren,
onder-
houdende daartoe bequaeme maniere eenighelijck naar sijnen
staet."
„De tafelieren” zoo luidt het verder, „die bij haer woonen
betaelen
209
is de stichting van deze Franciscaansche
Derde-Orde-Zusters te Roer-
mond begonnen.
De aanleiding tot deze stichting is geweest de brand van
1665 welke
ook de kerk van den H. Geest vernietigde. En „dese kercke
aldus
afghebrandt synde soo hebben de Eerw. heeren Bisschop en de
cano-
nicken goedt ghevonden te veranderen van Residentie ende syn
ge-
trocken in de parochiekercke van den H. Christophorus
wesende de
hooftkercke van de stadt". Verschillende kloosterorden
wenschten
nu op de plaats van de vroegere kerk een klooster met tempel
te bou-
wen. Maar ten slotte werd op voorstel van „Joannes Albertus
van de
Winckel Opper-Cancelier van den Ed. en Souvereynen Raede van
Gelderlandt" voorgesteld de afgebrande kerk met bijgelegen
terrein
af te staan aan de Religieuzen Penitenten Recollectinen „de
welcke
door bidden van almoessen oft anderssins niet en souden
wesen tot
eenighen last aan de stadt, maar contrarie aen de selve
dienstigh door
het leeren der jonckheyt enz." Onder de conditien, waaronder
den
Poenitenten werd toegestaan zich te Roermond te vestigen
waren o.m.
deze: dat het klooster ten hoogste 24 religieuzen mocht
hebben en dat
„daerinne de Ruremontsche kinderen bequaem synde voor andere
sullen worden geprefereert"; verder ook tegen welke onkosten
zij „de
Ruremontsche kinderen bequaem synde ende goeden yver
hebbende,
om sich in hunne order te begeven, gehalden sullen sijn aen
te nemen".
Verder waren zij verplicht te zorgen dat „tenminste alle
daeghen twee
missen, ende alle son- en heylighdaegen, een singende
hoogmisse
tot dienst en gerief der gemeinten deser stadt" zouden
gecelebreerd
worden.
Einde Augustus 1666 werden de 7 eerste religieuzen voor deze
nieuwe
stichting aangewezen. De overste zelf van Stockhem, Moeder
Elisa-
beth de St. Didace, werd overste van het huis te Roermond.
Met haar
kwamen o.a. mede „Zr. Maria Bernardina van 't H. Cruijs,
gheboortig
van Ruremonde, tevoren ghenoemt Sophia Tillen" en „Zr. Maria
Joanna van 't H. Cruijs, oock gheboortig van Ruremonde, te
voren
ghenoemt Eva Deuchen".
In 1702 moesten zij de kerk afstaan aan de Hervormden, maar
kregen
die in 1715 terug.
De Zusters die zeer boetvaardig leefden, bij dag en nacht de
koor-
getijden hielden en een streng slot onderhielden, leefden
verder rustig
totdat op 22 Februari 1787 een keizerlijk bevel de
suppressie gebood
van het klooster.
DE CARMELITESSEN.
In het begin van November 1699 vestigden zich de
Carmelitessen in
de gebouwen der voormalige Rekenkamer aan de Hegstraat,
tegen-
woordig de Lindanusstraat. Zij werden ook Theresianen
genoemd, om-
dat de H. Theresia de stichting hervormde. Het leven dat zij
voerden
is bijzonder streng. Zij hebben niettemin zonder
onderbreking streng
vastgehouden aan hare kloostertucht.
211
van alle zijden aanvraag kwam om filialen, zoodat de
stichting lang-
zamerhand werd wat zij nu is: eene congregatie die 100
huizen en 3689
leden telt, verspreid over Nederland, België, Engeland,
Oost- en West-
Indië. De religieuzen wijden zich aan onderwijs en alle
soorten liefde-
werken: kinderverzorging in bewaarscholen en
montessorischolen, op-
voeding en onderwijs van meisjes in lagere scholen, U.L.O .-
scholen en
huishoudscholen, ook in Zondagsscholen en patronaten; verder
verple-
ging van zieken aan huis en in hospitalen, verzorging van
weezen,
ouden van dagen en hulpbehoevenden. In West-Indië (Suriname)
wor-
den door de Zusters ruim 200 melaatschen verpleegd, mannen,
vrouwen
en kinderen.
Op 8 November 1845 kwamen de eerste Zusters van de
Congregatie
van Tilburg te Roermond en openden er 14 dagen later een
koste-
looze handwerkschool. 27 September 1846 begon de eerste
lagere school
en 9 Mei 1847 werden de bewaarscholen opgericht.
In de raadsnotulen van 15 December 1846 staat de benoeming
van
mejuffrouw Maria Digna Aarts opgeteekend tot onderwijzeres
bij de
bijzondere lagere school eerste klasse tot het geven van
onderwijs in
Duitsch, lezen, schrijven en rekenen uitsluitend aan arme
behoeftige
meisjes en „zonder hoegenaamd eenige retributie van 's Lands
of
Stadswege." Ook van de kinderen mocht geen vergoeding worden
ge-
vraagd. De kinderen moesten om toegelaten te worden een
bewijs
van onvermogen overleggen. In 1853 kwam echter het verlof
ook be-
talende kinderen aan te nemen en 1 Mei 1862 kinderen uit
meer ge-
goeden stand, die meer uitgebreid lager onderwijs wenschten.
In 1858 begon een burgernaaischool en in 1860 werd een nieuw
gebouw
gezet voor de armenbewaarschool. In 1906 werden de scholen
voor
lager onderwijs, die nog steeds onder één hoofd stonden,
gesplitst in
St. Annaschool en Mariaschool, de eerste voor kosteloos
onderwijs
de laatste met muloklassen in een nieuw gebouw.
5 December 1894 werd onder leiding en met financieelen steun
van
eenige liefdadige heeren de soepkokerij opgericht waar in de
winter-
maanden drie maal per week porties erwtensoep werden
uitgedeeld.
In de oorlogsjaren had deze uitdeeling dagelijks plaats.
Daarna bleef
alleen kindervoeding in den winter over.
In Januari 1906 werd naast de Zondagsschool, die sinds jaren
bestond,
voor de weekavonden een naaipatronaat opgericht voor de
volkskin-
deren, dat in 1919 werd uitgebreid tot volkshuishoudschool.
Deze stond
eerst onder het bestuur van eene vereeniging van Dames, doch
werd
later overgenomen door het bestuur der Zusters van Liefde.
De eerste
primitieve inrichting heeft zich uitgebreid tot een
volledige huishoud-
school, waar de jonge meisjes van stad en omstreken
onderwijs ont-
vangen in alle soorten huishoudelijke bezigheden en vakken
van alge-
meene ontwikkeling, met schooldiploma's voor
huishoudkundige, huis-
houdster, hulp in de huishouding, naaldvakken, dienstbode
enz.
Sinds 1922 leidt de school ook op voor de staatsdiploma's
leerares.
213
mond vestigen aan de Voogdijstraat ter plaatse waar
vroeger het kloos-
ter Godsweerd stond. In de Annalen der Stad kan men lezen
van den
verkoop door het R. K. Godshuis van een aldaar gelegen huis
aan
vrouwe Maria Angelina van Noten, voorzitster der Vereeniging
van
St. Ursula te Sittard. Zij richtte er een externaat en een
internaat op.
De stichting maakte eerst moeilijke tijden door. Onder het
wijs bestuur
echter van de Overste Mère Augustine (Maria Madeleine
Lienaerts)
1857-1892 breidde de inrichting zich zienderoogen uit.
In 1865 werd een normaalschool opgericht, welke geregeld 20
tot 30
leerlingen telde.
In 1878 werd een vleugel bijgebouwd, welke de kapel en
eenige zalen
bevatte.
In 1882 werd de voorgevel vernieuwd.
De toename van het aantal gediplomeerde leerkrachten hield
gelijken
tred met dat der leerlingen.
In 1894 onder het bestuur van de Overste Mère Marie Chantal
(Wil-
helmina Johanna Wentink) 1893-1924 werd een nieuw, ruim en
modern
ingericht externaat gebouwd, dat later nog aanmerkelijk
moest worden
vergroot. In 1905 verrees de nieuwe kapel en werd ook het
pensionaat
uitgebreid. Dit laatste geschiedde andermaal in 1914.
In 1916 traden deze Ursulinen toe tot de diocesane unie,
welke zich
in 1928 aansloot bij de Romeinsche.
De Normaalschool is thans opgeheven, doch den 15 September
1919
is een R. K. H.B.S. voor meisjes geopend waarvan de klassen
goed
worden bezocht.
Het pensionaat had tot voor den oorlog een internationale
beroemd-
heid. De bevolking bestond zelfs op zekere tijden voor het
grootste
deel uit Engelsche, Fransche, Duitsche en Belgische meisjes.
Het gebouwencomplex wordt thans omsloten door Voogdijstraat,
Godsweerderstraat en Begijnhofstraat.
HET REDEMPTORISTENKLOOSTER aan de Kapel in 't Zand.
De Congregatie der Redemptoristen werd den 9 November 1732
ge-
sticht door den H. Alfonsus de Liguori. Den 1sten Januari
1832 werd een
klooster gesticht te Wittem. In 1836 preekte de bekende
pater Bernard
te Roermond. Willem II erkende de congregatie 22 November
1840.
In de veertiger en vijftiger jaren werden van uit Wittem
herhaaldelijk
octaven gepreekt te Roermond, tot dat 19 October 1861 de
overgave
der kapel aan de Paters werd geteekend. 14 Juni 1863
vestigde zich
Pater Swinkels in het huis van den vorigen Rector. Eenige
dagen later
volgden de eerste paters en broeders die aan de nieuwe
stichting ver-
bonden waren.
Den 15en Maart 1864 werd na een pontificale H. Mis in de
Kapel door
Mgr. Paredis de eerste steen gelegd van het nieuwe klooster
dat den
eersten Maart 1866 voltooid en door de kloosterlingen
betrokken werd.
In 1870 werd aan het klooster het in 1928 naar Nijmegen
overgebrachte
juvenaat verbonden. Behalve de missies, retraiten en andere
geestelijke
215
sche leerlingen bezocht werd. De Pruisische regeering
echter bemoei-
lijkte hoe langer hoe meer haar werkkring. In het buitenland
opgeleide
candidaten mochten niet meer tot het staatsexamen voor
onderwijze-
res worden toegelaten. Ook de opvoeding van leerplichtige
kinderen
tot het 14e jaar werd ten slotte in het buitenland
onmogelijk gemaakt.
Zoo waren de Zusters gedwongen haar pensionaat te sluiten.
Toch
konden zij zich gedurende den wereldoorlog verdienstelijk
maken door
verzorging van Belgische vluchtelingen en scharen van
kinderen uit
Duitschland, Oostenrijk en Hongarije.
1 Februari 1920 werden in de klaslokalen van het vroegere
pensionaat
een lagere school en een bewaarschool geopend.
Tevens werd in 1925 een Hollandsch noviciaat opgericht.
DE ZUSTERS VAN HET ARME KIND JEZUS.
In een afgelegen schooltje met rumoerige Akensche
straatkinderen,
waaraan Clara Feij haar zorgen besteedde, vindt deze
congregatie haar
oorsprong. Op den vooravond van Maria Lichtmis 1844 betrok
Clara
na een zesjarig leekenapostolaat met drie harer trouwe
medewerksters
een huis waar zij voortaan als religieuzen zouden leven en
na 20 jaar
telde de congregatie reeds 300 zusters over 20 huizen
verdeeld. Thans
telt ze bijna 2000 leden, waarvan ruim 260 in ons land. Het
moederhuis
is te Simpelveld gevestigd.
In 1876 vestigden de zusters zich te Roermond in de Steenen
Trappen.
Ook zij leidden Duitsche meisjes op tot onderwijzeres en
hadden een
pensionaat gelijk de Ursulinen van St. Salvator. Zij wijdden
zich tevens
aan de opvoeding van weeskinderen. Sedert 1908 worden haar
de
voogdijkinderen toevertrouwd
De weesjes waren aanvankelijk tot aan de uitbreiding der
inrichting
ondergebracht in het perceel hoek St.
Jansstraat-Ursulinenwal. De Zus-
ters hebben vroeger ook lager onderwijs aan stadskinderen
gegeven,
eerst aan de Paredisstraat en tot September j.l. aan de
kapel.
CARMELITESSEN.
31 Augustus 1882 werden kapel en klooster der Ongeschoeide
Car-
melitessen aan den Venloschen weg plechtig ingezegend. Ook
deze
zusters waren slachtoffers van den Kulturkampf. Uit Neuss
afkomstig
hadden zij eerst 6 jaar ten huize Paarlo bij St. Odiliënberg
gewoond
Voor den bloei van haar klooster te Roermond pleit het, dat
van hier
uit nieuwe stichtingen werden ondernomen, reeds vrij spoedig
naar
Luxemburg en later naar Nijmegen en Arnhem.
Dit is het eenige onder de nieuwe kloosters waar slechts
zelfopoffering,
gebed en versterving in stille eenzaamheid worden beoefend
en van
waaruit niet tevens een sociale roeping wordt vervuld.
DE KLEINE ZUSTERS VAN ST. JOZEF. Stichting van Mgr. Savel-
berg te Heerlen.
Deze zusters zijn sinds 15 September 1890 in het
Bisschoppelijk College
en sinds 18 April 1898 in het Groot Seminarie huishoudelijk
werkzaam.
217
binnen het jaar tot twintig steeg en op 31 Augustus
1931 reeds 948
pupillen hun opvoeding te danken hadden aan deze stichting.
Op
1 Januari 1931 waren 162 jongens in het gesticht aanwezig.
Onder hen
bevonden zich behalve de Nederlandsche 32 Belgische, 15
Oostenrijk-
sche en 37 Duitsche kinderen benevens 25 kinderen die onder
het
Nederlandsche consulaat te Aken ressorteeren.
Voorzitter der Vereeniging is thans de H. E. Heer Mgr. L. Le
Bron de
Vexela, Plebaan-Deken der stad.
De opvoeding is toevertrouwd aan de Congregatie van de ARME
BROEDERS VAN DEN H. FRANCISCUS te Bleijerheide, gemeente
Kerkrade.
In 1902 werd Emile Combes ministerpresident in Frankrijk met
de
portefeuille van Binnenlandsche Zaken en Eeredienst. Onder
zijn be-
stuur vond de sluiting der kloosters en de door geestelijke
orden be-
heerde scholen plaats. Roermond heeft daaraan zijn
Retraitenhuis te
danken.
DE CONGREGATIE DER DOCHTERS VAN ONZE LIEVE
VROUW (Filles de la Sainte Vierge) werd in 1675 door de
eerbied-
waardige Catharina de Francheville te Vannes in Bretagne
gesticht.
Het doel is in haar huizen vrouwen te ontvangen van elken
leeftijd en
allen stand die de oefeningen van een retraite wenschen te
maken. Bij
de eerste Fransche revolutie werd de congregatie opgeheven.
Na het
sluiten van den vrede met de kerk bloeide zij weer op en
werd de
opvoeding van jonge meisjes aan haar werk toegevoegd. Na de
Com-
beswetten vonden de zusters gastvrijheid in België en
Holland.
Het was einde 1905 dat de Dochters van O. L. Vrouw zich te
Eysden
kwamen vestigen alwaar zij een retraitenhuis voor vrouwen
openden.
10 Juni 1906 werd er de eerste retraite gegeven. Het werk
maakte
opgang en in Mei 1911 kocht de congregatie de villa Malman
aan de
Kapellerlaan, welke na verbouwing en vergrooting tot
retraitenhuis
werd ingericht.
8 September 1931 vierde „Huize Maria” te Eysden den 25sten
verjaar-
dag zijner eerste retraite, tevens de eerste in het Land.
Naast een gelukwensch van Z. H. Paus Pius XI mocht de
Overste van
Z. H. Exc. Mgr. Schrijnen, bisschop van Roermond, een blijk
van waar-
deering ontvangen, onder het aanbod aan de congregatie van
het be-
stuur van een nieuw op kosten van het Bisdom te Heerlen
opgericht
huis.
Op het voorbeeld van Huize Maria zijn in de verschillende
bisdommen
verscheidene retraitenhuizen zoowel voor mannen als voor
vrouwen
opgericht, welke alle in vollen bloei zijn en op hun wijze
mede helpen
het geloof en het Christelijk leven te behouden en te
vermeerderen.
Een kort woord nog over enkele kloosterlingen die in de
jongste ge-
schiedenis „tot ons kwamen en weer van ons gingen".
219
DE HERVORMDE GEMEENTE
TE ROERMOND EN HAAR
KERKGEBOUW
door
F. ADRIAANSE
IJ het verdrag van Venlo (1543) tusschen Karel V
en Hertog Wilhelm van Cleef was door den Keizer
beloofd, dat in Gelre „niemand met ongewoonlijke
Rechtsvordering zou worden bezwaard". Het was
dan ook in verband met deze belofte, dat een De-
putatie uit de Staten van Gelderland in 1560 aan de
Gouvernante het
verzoek deed „om van alle Onderzoeking en Inquisitie wegens
de
Religie in haar Landschap bevrijd te blijven, als niet
overeenkomende
met het Verdrag van Venlo." Op grond van ditzelfde Verdrag
meende
de Stadsoverheid van Roermond zich tegen de aanstelling van
een Bis-
schop in hare stad te moeten verzetten. In het jaar 1563
heeft de kanse-
lier van het Hof te Arnhem, Adriaan Nicolaasz, met brieven
des Ko-
nings en van de Gouvernante voorzien, opzettelijk een reis
naar Roer-
mond gedaan, om de Overheid met zachtheid tot het aannemen
van
een Bisschop te overreden. Ondanks langdurige beraadslaging
met
dezen Kanselier kwam men tot geen resultaat. De Overheid
ging daarna
met de andere kwartieren van het Hertogdom te rade en
schreef o.a.
aan dat van Zutfen: dat zij één Lid waren van het geheele
Vorstendom,
hetwelk volgens het Verdrag van Venloo onscheidbaar was voor
het
Lighaam, doch besloten tevens: „dat, schoon genoomen zij al
een Bis-
schop zouden moeten aanneemen, zulks niet dan onder louter
bedwang
zyn zoude". Het werd ondertusschen 11 Mei 1569, vóór de
plechtige
inhaling van den nieuwen Bisschop Wilhelmus Damasus van der
Lindt
(Lindanus) kon plaats hebben.
Uit het optreden van de Overheid van Roermond in de jaren
voor 1569
is het dus te begrijpen, dat de nieuwe Religie hier meer
ingang kon
vinden, dan wanneer de scherpe plakkaten van Karel V of
Philips II
waren toegepast. Zoo verhaalt Knippenberg: dat bij een
kerkvisitatie
in 1560 te Roermond gehouden, door den Aartsdiacon van
Kempen-
land, Wilhelm van Poictoi, gebleken was, dat de
Roomsch-Katholieken
wel duizend minder waren dan voorheen. Hij voegt hierbij,
dat men zich
deswege niets te verwonderen had, vermits in Roermond reeds
eenigen
tijd te voren door de ketters predikatiën waren gehouden.
Bekend is,
dat op 10 Augustus 1566 (St. Laurensdag) een vreemd
Luthersch pre-
dikant, Ludovicus Ornaeus, nabij de stad des voor- en
namiddags be-
gon te preeken. Tevergeefs poogde de Magistraat aan de
inwoners door
het sluiten der poorten, het bezoek der preeken te beletten.
Maar er
221
van den predikant in aanmerking genomen, de stad voor
deze reis niet
met ruiters en knechten zou bezetten. Hij wist echter niet
of de Land-
voogdes vrede zou nemen met de zoo lang uitgestelde
verdrijving van
den predikant, weshalve hij den raad gaf: „om met alle
demoedicheit
tot genedichlichen verdrach te moegen geraeken, flitech aan
te houden,
zoo als andere steden gedaan hebben".
In begin van Juni 1567 preekte de predikant opnieuw in de
nabijheid
der stad, op Guliksch grondgebied, (Muggenbroek). De
Magistraat
echter deed de poorten sluiten om te verhinderen, dat de
predikant
andermaal met geweld binnen de stad gebracht zou worden.
Omstreeks
500 personen hadden zich ter bijwoning van het sermoon
derwaarts
begeven, maar bij hunne terugkomst vonden zij zich deerlijk
teleur-
gesteld; hun stadgenooten weigerden hen te ontvangen en
hielden de
poorten gesloten. Ook het verzoek om slechts tot het afhalen
hunner
vrouwen en kinderen binnen gelaten te worden, werd hun
geweigerd.
De Magistraat deed echter deze laatsten bij elkander komen
en zond
hun die toe, door ze met koorden over de stadsmuren af te
laten.
Ondertusschen was een streng onderzoek naar de onlusten op
bevel
van Alva ingesteld, en begaven zich twee raadsleden van het
Hof van
Gelder naar Roermond, ten einde den Magistraat de
verplichting op te
leggen om over de gevangen beeldstormers, onder bijstand van
hun
beiden, oordeel te vellen. Er zouden daartoe: „goede corte
Justitie nae
gestaltenisse und nae eijsch ijeders gevangens misdaet doen
ende ad-
ministreren, alle overvloedige dilationes afsnijdende und
weder leggen-
de". Welke vonnissen zijn uitgesproken is niet bekend. Wel
is in het
archief der gemeente aanwezig een vrij volledig verbaal van
verhooren
van een der beeldenstormers, den wederdooper Juriaen
Velport, af-
komstig van Gulick. De uitgewekenen werden gedagvaard om
voor
Alva en zijn raad te verschijnen en rekenschap zoo over
hunne vlucht
als over hun daden gedurende de ongeregeldheden te geven. De
niet
verschijnenden werden tot eeuwige verbanning veroordeeld met
ver-
beurdverklaring van al hun goederen. Hun aantal bedroeg 120
perso-
nen. Op 16 November 1569 schonk de Koning een eerste en op 8
Maart
1574 een tweede meer algemeene amnestie; van deze laatsten
waren
echter hier acht zwaar beschuldigde personen uitgesloten
o.a. de men-
nonisten predikant Wald.
Nadat op 24 Juli 1572 de stad door den Prins van Oranje was
inge-
nomen, keerde ook de reeds hiervoren vermelde predikant
Dibbetz
terug. Zijn verblijf zou echter niet van langen duur zijn,
want reeds
op 12 October d.a.v. werd Roermond weder bezet door de
Spanjaarden
onder Jan van Barlaymont. Omtrent de vlucht van dezen
predikant
vinden wij het volgende vermeld. Toen de Spanjaarden de stad
weder-
om bezet hadden, kwamen de soldaten het huis van Dibbetz
instuiven
met het voornemen om hem levend te verbranden (buiten
twijfel uit
weerwraak voor den door 's Prinsen troepen gepleegden
gruwelijken
moord op de Karthuizers). Zoo iets wel voorzien hebbende had
Dibbetz
zich in een kist verstopt, die in zijn woonhuis stond en op
welke zijn
vrouw was gaan zitten. Nadat de soldaten het geheele huis
doorzocht
223
1637 gaf de Stad zich over aan den Prins-Kardinaal. In
het Verdrag met
de burgerij wegens deze overgaaf lezen wij als wensch van
den Magis-
traat en burgers: „Dat alle borgeren ende inwoonderen, synde
van de
gereformeerde religie, vryheijt van conscientie sullen
moogen genieten,
ende daer by gemainteneert blyven, sonder dat sy luyden
dyenthalve
eenige recherche ofte stoornisse onderworpen sullen syn".
Waarop
ter zijde is vermeld: „Syne hoocheyt en verstaet desen art.
niet te
accordeeren". Verder staat in het Verdrag: „Dat oock beide
predi-
canten van de gereformeerde religie, Marsilius Rotarum en
Wernerus
Lachius, onder dese voorgaende articulen sullen begrepen
syn". Ter
zijde staat dan vermeld: „Dese twee predicanten sullen
begrepen wesen
in het teegenwoordigh tractaet van reconciliatie naer luydt
ende in-
houdt van dyen".
Sedert 1637 bleef Roermond aan Spaansche zijde en werd bij
den Mun-
sterschen vrede in 1648 nog nader daaraangesloten.
Wij komen thans aan het jaar 1702, toen Roermond door de
Geallieer-
den werd veroverd en waarbij alstoen wederom de H. Geestkerk
(kerk
der Poenitenten) voor den openbaren eeredienst der
Hervormden is
bedongen geworden. Er werden twee predikanten aangesteld,
Johannes
Schutter en N. N. van Krimpen. Deze toestand heeft geduurd
tot
Maart 1716, toen de stad, tengevolge van het
Barrière-Tractaat van 1715,
aan Keizer Karel VI werd ingeruimd, waarmede, daar de
uitoefening
van den hervormden eeredienst werd verboden, tegelijk de
Hervormde
Gemeente is te niet gegaan. De leden hebben zich naar elders
begeven;
de laatste protestantsche Roermondsche familie die van hier
vertrok
was die van de Vermaasens, en wel in 1739.
In 1737 waren reeds op order van den Raad van State naar
Venlo over-
gebracht de zilveren bekers en verder toebehoor van het H.
Avond-
maal, alsmede de effecten der Diaconie, nadat dezelve
eenigen tijd te
Stevensweert waren geweest. Ook was reeds in 1716, even voor
de ont-
ruiming der Stad, het orgel, hetwelk de hervormden hadden
laten ma-
ken, op order van de Edelmogenden, hoewel niet zonder groote
tegen-
stribbeling van den Magistraat, van Roermond weggehaald en
naar
Venlo overgebracht.
Tusschen de jaren 1716 en 1815 ligt een eeuw, waarin veel,
zeer veel
veranderde, doch het staat vrijwel vast, dat in dien tijd
geen, of althans
een zeer gering aantal protestanten hier woonden. Een
kerkelijke ge-
meente was er in elk geval niet
Na den val van Napoleon en bij de stichting van het
Koninkrijk der
Nederlanden, werd alhier in 1817 een garnizoensgemeente
gesticht en
in verband hiermede uitgezien naar een kerkgebouw. Het oog
viel daar-
bij op de bij het Departement van Oorlog in gebruik zijnde
voormalige
Minderbroederskerk. Dit gebouw was reeds tijdens het
Fransche be-
stuur een militair magazijn voor de berging van hooi en
stroo. Uit een
door een aantal bewoners van de Minderbroedersstraat en
omgeving
in 1818 aan de Overheid ingediend verzoek om deze kerk voor
dit
stadsgedeelte als parochiekerk te doen gebruiken, blijkt
zulks niet
alleen, doch tevens, dat die bewoners vóór het in gebruik
nemen als
225
ruim f 31.600 .-. De burgerlijke gemeente zou hierin
zes jaar lang
f 250 .- per jaar subsidie geven en voor gelijken tijd voor
f 200 .-
per jaar huren het niet voor den eeredienst in gebruik te
nemen ge-
deelte, voor het daarin vestigen van een museum voor
kunstindustrie.
Alles wees erop, dat deze restauratie haar beslag zou
krijgen, toen
plotseling in 1904 het College van Kerkvoogden en Notabelen
besloot
om het kerkgebouw niet meer te restaureeren, doch af te
breken en het
vrijkomend terrein ten deele als straat en ten deele als
bouwterrein
te verkoopen. Men probeerde toen het terrein aan het Rijk te
verkoo-
pen voor het daarop bouwen van een nieuw postkantoor. De
daarover
gevoerde onderhandelingen zijn o.m. afgestuit op het feit,
dat de stich-
ting van een postkantoor daar ter plaatse de slooping van
een fraai
monumentaal gebouw zou tengevolge hebben. Toen daarna het
College
van Kerkvoogden en Notabelen andermaal het besluit nam tot
afbraak,
heeft wijlen Dr. P. J. H. Cuypers in de
gemeenteraadsvergadering van
5 November 1904 de noodklok geluid en besloot de
Gemeenteraad op
zijn voorstel om bij het Kerkbestuur er met klem op aan te
dringen,
dat het geen gevolg zou geven aan het noodlottig denkbeeld,
maar als-
nog de plannen van het vorige Kerkbestuur in uitvoering te
nemen.
Op 6 Mei 1905 besloot gemeld College om tot restauratie over
te gaan;
hierdoor bleef het monumentale gebouw, hetwelk thans een
sieraad
is voor de stad, behouden. Op 21 December 1908 was de
restauratie
voltooid en kon het kerkgebouw weder voor den eeredienst in
gebruik
worden genomen.
227
stuurder van het vrouwenklooster in den Nieuwenhof te
Maastricht, in
1516 een algemeene Latijnsche school opende. De scholaster
van St. Ser-
vaas verzette zich echter tegen de oprichting dezer school.
Pater Abra-
ham had evenwel den stedelijken magistraat aan zijn zijde en
deze
schonk, bij de overdracht van de school aan de stad, den
12den Augus-
tus 1516, zijn goedkeuring aan de oprichting van het nieuwe
onderwijs-
instituut. De vraag was nu nog, welke partij door den Paus
in het gelijk
gesteld zou worden. Het stadsbestuur diende bij den H. Vader
het ver-
zoek in, het oprichtingsbesluit te willen bekrachtigen. Het
antwoord
liet niet lang op zich wachten. Bij breve van 20 April 1517
erkende
Leo X het bestaan der beide Latijnsche kapittelscholen en
daarnaast
dat van de Latijnsche stadsschool. De pauselijke
privilegebrief is ook
voor de kennis van het leerplan der school belangrijk;
hierin wordt ge-
sproken van godsdienstonderricht, grammatica en andere, niet
ge-
noemde, wetenschappen.
Met de rectoren, in wier handen de leiding van het onderwijs
berustte,
scheen men het niet bijzonder te treffen; immers den 5den
October
1517 werd reeds tot de aanstelling van den derden rector
overgegaan.
Deze, de bekende Latijnsche dichter en schrijver Christianus
Ischyrius
of Stercken, beroemd geworden door zijn Latijnsche bewerking
van het
zinnespel „Den spyegel der salicheyt van Elckerlijc”, bleef
in functie tot
1532. Toen werd hij ontslagen, daar de Raad der stad
vernomen had,
dat de rector heimelijk naar een andere betrekking had
omgezien. Zijn
afzetting viel de stedelijke regeering niet moeilijk, daar
de school onder
leiding van Ischyrius niet tot bloei gekomen was.
Voorloopig werd nu de Latijnsche stadsschool opgeheven en
eerst her-
opend in 1551, toen de aankomst van den geleerden
Christianus Furnius
te Maastricht het stadsbestuur hoop gaf, dat de school onder
leiding
van dezen geleerden en ervaren onderwijsman betere dagen zou
bele-
ven. Deze Christianus Furnius was vermoedelijk geen ander
dan de
bekende schrijver en dichter Christianus Cellarius, die
geboortig was
uit Isenberge bij Furnes of Veurne in West-Vlaanderen. Tot
aan zijn
dood in 1554 heeft hij de school bestuurd. Toen werd de
stadsschool
opnieuw, maar nu voorgoed opgeheven.
Vinden wij dus in Limburg, in vergelijking met andere deelen
van ons
land, reeds zeer vroeg onderwijsinstituten, voor Roermond
dateeren
de oudste berichten eerst van 1343.
Op Kerstdag van dat jaar, - zoo blijkt ons uit een rekening
- versche-
nen de scholieren voor Hertog Reinoud, op de burcht van
Montfort,
om voor hem te zingen. Hoe eenvoudig dit gegeven ook zij,
toch kunnen
wij er, door het in 't licht der algemeene Middeleeuwsche
onderwijs-
toestanden te zien, eenige conclusies uit trekken omtrent
den aard der
hier vermelde school.
Het aantal scholen was sinds den tijd van Karel den Groote,
dien krach-
tigen bevorderaar van het onderwijs, steeds toegenomen.
Kloosters en
kapittels, parochies en steden beijverden zich de jeugd te
onderwijzen
in de wetenschappen en kundigheden, die vereischt werden om
later
met eere een plaats in de maatschappij te bekleeden, hetzij
in den gees-
229
van Heidelberg telde in 1391 een Roermondenaar onder
zijn hoorders.
Van 1384 tot 1460 bevonden er zich zes aan de universiteit
van Praag.
Van meer beteekenis nog was het feit der stichting van een
eigen con-
vict te Keulen, het „Huis van Roermond“, het „Collegium
Ruramunda-
num" of „Hieronymianum”, ten behoeve van de studie der
theologie.
Doctor Johannes de Lovanio, (Jan van Leuven), proost van
Xanten,
die te Roermond het klooster van den H. Hieronymus voor
Reguliere
Kanunniken stichtte, was ook de stichter van dit convict,
waar Roer-
mondsche jongelingen, bij voorkeur uit de familie van den
stichter,
zouden kunnen studeeren, zoodra zij den leeftijd van twaalf
jaar bereikt
hadden. In 1614 is het „Collegium Ruramundanum” met het
Lauren-
tiaansch gymnasium vereenigd; uit het vermogen van het
opgeheven
college is de studiebeurs „Ruramundanum” ontstaan. De
Lovanio over-
leed te Keulen den 23sten December 1438. Zijn lijk werd naar
Roer-
mond gevoerd en in het Karthuizerklooster begraven. Het
Hieronymus-
klooster ontving in 1509 van Hugo de Pollart, van Roermond,
kanunnik
te Aken, tweehonderd Akensche guldens voor de opleiding van
een
armen student tot geestelijke.
Telkens valt het bij de onderwijsgeschiedenis op, hoe nauw
de band
was tusschen godsdienst en wetenschap, hoe steeds het
leeraarsambt
der Kerk zich toonde in de zorg van de priesterschap voor de
ontwik-
keling zoowel van toekomstige priesters als leeken, voor
godsdienstig
zoowel als profaan onderwijs.
De zestiende eeuw was een tijd van vooruitgang voor het
onderwijs
hier ter stede. Zoo nam de magistraat den 29sten December
1553 het
belangrijk besluit een „particulier school” op te richten.
De oude
stadsschool voldeed blijkbaar niet meer aan de eischen des
tijds; men
verlangde onderwijs in humanistischen geest.
De laatste rector der oude school, Paulus Chimarrheus, trad
in 1553 af;
wij vinden hem later, na den dood van zijn vrouw, terug als
priester;
hij overleed als pastoor van Sittard en landdeken van
Susteren.
De nieuwe school werd een Latijnsche, een „particulier
school", zooals
men vond te Emmerik, Dusseldorp, Wezel, Nijmegen en
Deventer. In
laatstgenoemde stad ontvingen tal van beroemde mannen hun
oplei-
ding, waaronder in dit verband te noemen is de Roermondsche
huma-
nist Johannes Murmellius. Deze geleerde, in 1480 te Roermond
geboren,
volbracht zijn studiën aan de school van Deventer onder
Alexander
Hegius. In 1500 werd hij conrector aan de Domschool te
Munster, daar-
na rector aan de Ludgerischool dier stad, in 1513 rector te
Alkmaar,
vanwaar hij in 1517 naar Zwolle trok en van hier naar
Deventer, waar
hij den 2den October van dat jaar overleed
De oprichting der nieuwe school geschiedde onder de
auspiciën van
een speciaal daartoe door den magistraat aangestelde
commissie. Moge-
lijk is deze na de oprichting gecontinueerd of anders door
een blij-
vende schoolcommissie vervangen, althans in 1592 werden twee
school-
provisoren genoemd. De oprichtingscommissie had zoo spoedig
moge-
lijk voor de aanstelling van een rector, conrector en andere
leeraren te
zorgen, opdat de opening der school met Paschen 1554 zou
kunnen
231
nissen of processies door de stad. Ook hadden de rector
en overige
leeraren er voor te zorgen, dat de scholieren zich bij het
in- en uitgaan
van de kerk eerbiedig gedroegen en niet „als jonge zwijnen
ordeloos
door elkaar liepen en een ongewoon leven maakten". Ook in de
kerk
hielden rector en leeraren toezicht op de leerlingen. Om
alles hier in de
grootste orde te doen plaats vinden werd uitdrukkelijk
voorgeschreven,
bij welke gedeelten der H. Mis het kruisteeken of een
hoofdbuiging
gemaakt of op de borst geklopt diende te worden. Ook rustte
op den
rector de plicht, toe te zien, dat de leerlingen op
geregelde tijden te
biechten gingen en, sinds het bereiken van den
dertienjarigen leeftijd,
tot de H. Tafel naderden.
De lessen moesten geregeld overhoord worden en ten opzichte
van den
leerling, die zijn les niet behoorlijk kende, mocht de
rector gebruik
maken van zijn tuchtigingsrecht. Er werd den leeraren
evenwel op het
hart gedrukt, zich in het kastijden te matigen en dit nooit
in drift te
doen, integendeel met vaderlijke liefde tegenover den
schuldige te werk
te gaan. Vooral had de praeceptor zachtmoedigheid te
betrachten ten
opzichte van de leerlingen der laagste klasse.
De rector had alle verboden of gevaarlijke lectuur uit de
school te we-
ren; mocht hij er dergelijke geschriften aantreffen, dan
moest hij ze
verbranden en de ouders van den leerling, door wiens toedoen
ze de
school waren binnengeslopen, waarschuwen.
Schoolverzuim en telaatkomen moest door den rector met
kracht be-
streden worden. Ook andere moreele fouten moest hij trachten
te ver-
beteren en den jongelingen steeds eerbied voor oudere en
achtenswaar-
dige lieden inprenten. Het toezicht van den rector op de
leefwijze der
leerlingen strekte zich ook uit tot buiten de school; hij
moest b.v. na-
gaan, hoe zij zich op de straat gedroegen.
De school telde vijf klassen: die der Nullanen,
Rudimentariërs, Etymo-
logisten, Syntaxisten en Prosodisten. In overleg met de
geestelijke
Overheid en provisoren moest de rector voor iedere klas een
lesrooster
en een lijst der te gebruiken boeken samenstellen. Als
Latijnsche gram-
matica werd die van Verepaeus voorgeschreven. Na het Latijn
werd
ook aan de studie van de moedertaal aandacht geschonken;
eenmaal
per week zou er een vertaling uit het Nederlandsch in het
Latijn ge-
maakt worden.
In de laagste klas moest de praeceptor toezien, dat de
leerlingen de
lessen met oplettendheid volgden, waartoe het aanwijzen van
het voor-
gelezene in de boeken, desnoods met ijzeren of houten
stiften, indien
dit practischer bleek dan met den vinger, als zeer dienstig
beschouwd
werd.
Tweemaal per jaar, op het feest van den H. Gregorius (12
Maart) en op
dat van den H. Remigius (1 October), werd in
tegenwoordigheid van
provisoren en andere genoodigden verslag uitgebracht over de
vorde-
ringen der leerlingen.
Geen jongeling, uit een andere school afkomstig, mocht door
den rector
worden toegelaten, tenzij hij een getuigschrift van het
hoofd dier school
medebracht. Zijnerzijds mocht de rector geen zijner
leerlingen, die naar
233
zijn. De onderwijzers mochten scholieren bij zich in
huis nemen, doch
niet jongens en meisjes in dezelfde woning.
Verder treft men tal van bepalingen in dit schoolreglement,
die ook
in de, voor de Latijnsche school geldende verordening,
vervat zijn en
dus geen afzonderlijke vermelding behoeven.
Inmiddels was Roermond in 1559 tot zetel van het nieuw
ingestelde
bisdom van dien naam verheven. Van het persoonlijk
initiatief en toe-
zicht van den Bisschop viel nu veel meer te verwachten dan
toen de
stad deel uitmaakte van het bisdom Luik. Reeds de eerst
bisschop
van het nieuwe diocees, Wilhelmus Lindanus, die door
politieke om-
standigheden eerst in 1569 van zijn zetel bezit kon nemen,
heeft aan
deze verwachtingen ten volle beantwoord. Een moeilijke taak
wachtte
den Bisschop echter! Meer dan vroeger gold het thans zorg te
dragen,
dat de jeugd tot degelijke katholieken werd opgevoed. De
ketterij toch
maakte juist in deze tijden ontelbare slachtoffers. Om dit
doel te berei-
ken zou Lindanus, - zooals blijkt uit een schrijven van 1580
-, het
onderwijs te Roermond gaarne hebben toevertrouwd aan de
Jezuïeten,
de krachtige ijveraars der contrareformatie. De ijverige
bisschop heeft
echter de verwezenlijking van dit ideaal niet meer mogen
beleven.
Ten zeerste gingen Bisschop Lindanus ook de Zondagsscholen
ter harte,
waarvan de oprichting door het provinciaal Concilie van 1570
te Meche-
len was voorgeschreven. Deze scholen dienden om de rijpere
jeugd, die
de kinderscholen ontgroeid was of deze niet bezocht had, te
onder-
richten, vooreerst in den godsdienst, vervolgens in
schoolwetenschap.
Ook te Roermond blijkt zulk een Zondagsschool te hebben
bestaan.
In 1571 werd zij door Bisschop Lindanus van eenige nieuwe
leermees-
ters voorzien, doch ging reeds het volgende jaar, bij de
inname der stad
door den Prins van Oranje, te niet. Of de pogingen, door
Lindanus in
1583 en 1586 aangewend, om tot een wederoprichting te komen,
met
goeden uitslag bekroond werden, is niet na te gaan.
Op het provinciaal Concilie van Mechelen was nog een andere
onder-
wijsaangelegenheid besproken: het uitvoeren van het decreet
der Kerk-
vergadering van Trente betreffende het oprichten van
seminaria in de
verschillende bisdommen. In de diocesane synode, door
Bisschop Lin-
danus den 6den September 1570 te Roermond samengeroepen,
werden
de, te Mechelen genomen besluiten, afgekondigd en tot de
oprichting
van een priesterseminarie besloten. Gebrek aan geld belette
den Bis-
schop evenwel tot de uitvoering van dit plan over te gaan en
eerst
onder zijn opvolger, Cuyckius, kwam het seminarie tot stand.
Het werd
gevestigd in de Veldstraat, in het gebouw geheeten de
„Kluis“, tot dus-
ver door Dominicanessen bewoond, doch door dezen tot dit
doel in
1599 in ruil voor het St. Ewaldsklooster aan den Bisschop
afgestaan.
Roermond had nu zijn seminarie, doch de geheele zeventiende
eeuw
verkeerde dit in kwijnenden toestand. Hierin kwam eerst in
1695 ver-
andering, toen de Dominicaner bisschop Cools het onderwijs
in het
seminarie overdroeg aan de Orde der Dominicanen. Het getal
der stu-
denten steeg nu aanmerkelijk: studeerden er b.v. in 1667 zes
aan het
235
de Paters naar het bisschoppelijk paleis, hun door den
bisschop Jacobus
a Castro daartoe afgestaan.
Beroemde mannen zijn er aan het college verbonden geweest en
wel
niet het minst in den eersten tijd van zijn bestaan. Pater
Poirters, de
befaamde dichter, was er in 1644 praefect der studiën;
Johannes Bol-
land, de geleerde stichter en medewerker der „Acta
Sanctorum”, was
er een der eerste Professoren; Otto Zylius, die vermoedelijk
de leiding
heeft gehad bij de samenstelling van het merkwaardige,
zeldzame
boekje „Ruremunda Illustrata”, een werkje dateerend van
1613, be-
vattende bijdragen in de klassieke talen door de „rhetoren”
van het col-
lege. De Jezuïeten doceerden de vijf „kleine scholen” met
inbegrip van
poësis en rhetorica. Bij schoolfeesten werden door de
leerlingen onder
leiding der Paters drama's in de klassieke talen of in de
volkstaal op-
gevoerd. Uit dit alles blijkt, dat het college onder de
uitmuntende lei-
ding der Jezuïeten een hoogen bloei bereikte en de stad tot
sieraad
strekte. Wel werden de gebouwen, waarin het gevestigd was,
bij den
grooten brand van 1665 een prooi der vlammen, zoodat de
studiën ge-
staakt moesten worden, doch na korten tijd werden zij weer
hervat.
Het Jezuïetencollege bleef tot aan de opheffing der Orde in
1773 be-
staan. De school werd toen onmiddellijk door den Staat
overgenomen
en aan het bestuur van seculiere geestelijken toevertrouwd;
de Jezuïe-
tenkerk werd in 1777 op last der Hooge Regeering afgebroken.
In het
vervolg droeg de school den naam van „Koninklijk College“.
De op-
voeding op dit college schijnt, ook wat den godsdienst
betreft, in goede
handen te zijn geweest. Een hooge eer was het, zoowel voor
het college
als voor de stad, - en de Roermondenaars zijn niet in
gebreke geble-
ven, hun vreugde te uiten in een luisterrijke feestviering
-, toen een
oudleerling van het Koninklijk College, Gysbert Joannes
Alexander
van der Vrecken, in 1787 als „primus van Leuven” te Roermond
zijn
intocht mocht houden.
Toch schijnen er reeds tijdens Keizer Jozef II plannen te
hebben be-
staan om het college op te heffen. In een brief van 22
October 1787 aan
het Hof van Gelderland verweert zich I. B. de Stuers,
„conseiller
mambour" van Gelderland, tegen de beschuldiging, dat hij de
voorgeno-
men opheffing van het college door zijn adviezen en
rapporten zou
hebben begunstigd en wel ten bate van het college te Weert.
Hij legt
daarbij een keizerlijke missive over, waarin hij van dit
feit gedechar-
geerd wordt. Enkele jaren later is het inderdaad tot een,
zij het dan
ook tijdelijke opheffing van het college gekomen en wel door
omstan-
digheden, waarbij voor een oogenblik het lot van het college
met dat
van het seminarie samenviel.
Toen namelijk de Patriotten in 1790 Roermond binnenvielen,
wilden
zij zich vestigen in de gebouwen van het Koninklijk College.
De Roer-
mondsche burgerij zag evenwel de roerige bende ongaarne in
het mid-
den der stad, waarom den Patriotten, met goedkeuring van den
Bis-
schop, het seminarie in de Veldstraat werd afgestaan,
terwijl de ge-
bouwen van het Koninklijk College, dat opgeheven werd, bij
besluit
van de Staten van het Overkwartier, die zich zelfstandig
verklaard
237
ven van den 8sten September 1798 aan de municipale
administratie gaf
het departementsbestuur van de Nedermaas hierover zijn
teleurstelling
in duidelijke bewoordingen te kennen. Het Bestuur had moeten
onder-
vinden, dat bij een oproep voor het vervullen van
onderwijzersbetrek-
kingen zich in verschillende plaatsen niemand had
aangeboden. Het
meende de schuld hiervan te moeten geven aan de
municipaliteiten,
die de oude scholen, waar nooit over de republikeinsche
instellingen
gesproken werd, den leerlingen integendeel denkbeelden van
„fana-
tisme" werden verkondigd, handhaafden en beschermden.
De revolutietijd werd gevolgd door het Napoleontisch bewind,
voor
de onderwijsgeschiedenis karakteristiek door de krachtige
staatszorg
voor deze zijde van het cultureele leven. Zooals op andere
terreinen,
waar zich Overheidsbemoeiing deed gelden, is hier in de
uniforma-
tie, centralisatie en wettelijke regelingen de hand van
Napoleon ken-
baar. De Wet op het Openbaar Onderwijs, den 1sten Mei 1802
door
het wetgevend Lichaam aangenomen, onderscheidde écoles
primaires,
écoles secondaires, lycées en écoles spéciales. Roermond
werd door de
Fransche regeering bedacht met écoles primaires en
secondaires. Op
de eerste werd elementair onderwijs gegeven, op de laatste
waren
Latijn, Fransch, geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde de
studie-
vakken. Den 26sten Juli 1802 richtte de onderprefect van het
arron-
dissement aan den maire van Roermond het verzoek, hem van
advies
te dienen betreffende de bestaansmogelijkheid eener école
secondaire
te Roermond. Het duurde tot den 2den April 1804, dat de
Regeering
te Parijs het besluit nam tot de oprichting der school. Het
gebouw van
het vroegere college werd bestemd tot huisvesting van het
nieuwe
onderwijsinstituut. Een „bureau d'administration" werd
belast met het
bestuur en het financieel beheer van het college, het
toezicht op de
handhaving der orde en op de studie. De overdracht der
gebouwen
van het vroegere college aan het Bestuur der nieuwe school
vond den
2den November plaats door Girard, den ontvanger der
domeinen. De
uitvoering dezer besluiten heeft echter nog lang op zich
laten wachten;
de opening der school vond eerst den 1sten December 1808
plaats. Tot
professoren werden benoemd Daris, Laisné, Houtappel en
Sommers.
Daris was bovendien „principal“. Het schoolgeld bedroeg zes
en dertig
francs per jaar.
Ook het Lager Onderwijs deelde in de belangstelling der
Overheid. In
1807 hechtte de prefect van het departement zijn goedkeuring
aan het
voorstel van den „Conseil municipal" tot oprichting van een
école pri-
maire. In 1811 zijn er, blijkens een rapport van den maire
over den toe-
stand van het Lager Onderwijs drie écoles primaires: de
school van
Hubert van Dalon in de Neerstraat, waar Fransch,
Nederlandsch en
rekenkunde onderwezen werden, die van Henricus Bellers in de
Neer-
straat, waar men Nederlandsch, de beginselen van het Latijn
en gods-
dienstleer onderwijst, en die van Jacques Schepmans, bij de
Markt, met
als leervakken Fransch en rekenkunde. In 1814 wordt ook nog
de onder-
wijzeres Marie Brammertz vermeld.
Na den val van het Keizerrijk werd Roermond bij het nieuwe
Konink-
239
steun, die aan het bijzonder onderwijs onthouden werd,
bevredigend.
Rudolf Pieters, een bekwaam wiskundige, wiens rekenboekjes
nog jaren
lang gebruikt werden, was er het hoofd van. Hij was een zeer
gods-
dienstig man, dien zelfs Mgr. Paredis met zijn vriendschap
vereerde.
Bij gelegenheid van het bezoek van Koning Willem II in 1841
vervaar-
digde hij een dichterlijken „Welkomstgroet“. Op de
grondslagen, door
hem gelegd, werd voortgebouwd door zijn broer Jan, die hem
in 1844
als hoofd der school opvolgde. Tot de opheffing der school
in 1863 bleef
Jan Pieters er het hoofd van. Inmiddels was in 1852 door de
Broeders
van de Onbevlekte Ontvangenis de „Eerste Openbare School"
geopend.
Na de opheffing der Rijksschool werd er een „Tweede Openbare
School" opgericht in de „Penitenten”. Reeds in 1867 werd dit
school-
gebouw afgekeurd en op 22 December 1868 nam de Raad het
besluit
tot den bouw van een nieuwe school in de Nieuwstraat; het
vroegere
gebouw zou dienen tot uitbreiding van de „Eerste Openbare
School".
Omstreeks het midden der eeuw nam het aantal inrichtingen
van onder-
wijs snel toe. Sinds 1841 mocht Roermond zich weer beroemen
op zijn
priesterseminarie, gevestigd op de plaats van het voormalige
Karthui-
zerklooster. In Januari 1843 werd de Teekenschool geopend,
in de eer-
ste plaats bestemd voor leerlingen van het College, doch ook
toeganke-
lijk voor handwerkslieden. Twee jaren later richtten de
Zusters van
Liefde uit Tilburg door tusschenkomst van Deken Moonen een
lagere
school voor meisjes op, waar eenige jaren later
bewaarscholen aan wer-
den toegevoegd. In 1853 kwamen de Ursulinen zich andermaal
hier
vestigen om onderricht aan meisjes te geven. Door het
parochiaal kerk-
bestuur werd het „Klein College“ opgericht. In 1878 waren er
in het ge-
heel twee openbare en tien bijzondere lagere scholen, die
tezamen vijf-
tienhonderd twee en veertig leerlingen telden, waarvan
elfhonderd twee
en zeventig uit Roermond afkomstig.
Wij moeten thans nog spreken van het Bisschoppelijk College,
het in-
stituut, waarin wij de voortzetting zien der oude Latijnsche
scholen. De
eerste Directeur, door Mgr. Paredis aangesteld, was de
latere Vicaris-
generaal van het Bisdom, Mgr. Hoefnagels. Reeds na drie
jaren werd hij
opgevolgd door den Directeur Jacobs, onder wien de
Congregatie van
Onze Lieve Vrouw tot stand kwam met als eersten moderator
den be-
kenden letterkundige, Professor Brouwers. In 1865 betrok het
College
het nieuwe gebouw, dat de gemeenteraad in 1864 besloten had
er voor
op te richten op het terrein „achter de meelwaag“ geheeten,
terwijl het
oude gebouw in de Jezuïetenstraat door de Rijks Hoogere
Burgerschool
in gebruik werd genomen. Inmiddels was de Heer Jacobs in
1864 opge-
volgd door den Directeur Rijkers, die het College tot 1880
bestuurde.
Vermeerdering van het aantal leerlingen noodzaakte tot
uitbreiding der
gebouwen; tevens werd een kapel gebouwd, die den 17den
Augustus
1868 door Mgr. Paredis plechtig werd ingewijd.
Nog eens zou wegens gebrek aan ruimte een ander gebouw
moeten
betrokken worden, wel een getuigenis van den gestadigen
bloei van het
College. Inmiddels hield de interne ontwikkeling gelijken
tred met den
materieelen groei. Een Vondelsgilde werd onder de studenten
opge-
241
Gymnastiekonderwijs: Gemeentelijke Gymnastiekschool.
Lager en Uitgebreid Lager Onderwijs: Bisschoppelijke
Kweekschool
voor jongens, (De Rijkskweekschool werd in 1930 opgeheven),
Voor-
bereidend Bisschoppelijk College, St. Aloysiusschool, Klein
College,
R. K. Parochiescholen, St. Vincentiusschool, St.
Josephschool, Maria-
scholen, St. Annaschool, School van het H. Hart,
Arme-Kind-Jezus-
school, St. Ursuladagscholen, St. Ursulakostscholen, St.
Salvator-
school, Lindanusschool, St. Alphonsusscholen, St.
Theresiaschool, Pro-
testantsche school, Openbare School.
Voorbereidend Lager Onderwijs: Bewaarschool van het H. Hart,
St.
Ursulabewaarschool, Bewaarschool St. Salvator, St.
Annabewaarschool,
Mariabewaarscholen, Bewaarschool Kapel in 't Zand,
Protestantsche
Bewaarschool.
243
wier bestuurders compareeren onder den naam „meesters
der huis-
armen", werd eerst in 1447 gesticht, zoodat deze de leiding
van het
gasthuis eerst kort voor 1455 kunnen verkregen hebben. Het
is zeer
goed mogelijk, dat de broederschap van den H. Geest, wier
taak door
de meesters der huisarmen werd overgenomen, mede het beheer
over
het gasthuis had. Afdoende blijkt dit echter niet. Omstreeks
1520
schijnt er weer een bestuursverwisseling te hebben plaats
gehad, want
van af dien tijd treden er meesters of provisoren op, door
den magis-
traat benoemd uitsluitend voor het beheer van het gasthuis.
Was de oorspronkelijke bestemming het verplegen van zieken
en arme
passanten, in later tijd werden ook ouden van dagen
opgenomen, de
z.g. proveniers. De eerste bestemming is echter nooit
verloren gegaan;
tot aan de opheffing van het gasthuis werden in een
afgescheiden ge-
deelte der gebouwen, „Beyer of Beyart“ genaamd, passeerende
vreem-
de armen ter verpleging opgenomen. Zoo werd nog in 1587 aan
het
gasthuis een schenking gedaan „in behoef der vrembde armen
soe
tsavents dair in opstrecken und logieren thot der selver
armen einige
refrissirunghe". Hun verblijf in het gasthuis mocht maar van
zeer
korten duur zijn. Belast met het toezicht op de
vreemdelingen had de
magistraat bepaald, dat geen vreemde langer dan drie dagen
in de stad
mocht verblijf houden.
De instelling heeft aanzienlijke bezittingen gehad. Een
20-tal charters en
de eenige bewaard gebleven rekening over het jaar 1589
leggen er ge-
tuigenis van af. De hoeve „Gasthuishof“, heden ten dage nog
eigendom
van het R. C. Godshuis, is afkomstig van het oude gasthuis.
De oudst
bekende schenking dateert van 8 September 1278. Om den
bijzonderen
inhoud mag de charter hier vermelding vinden. De pastoor
Daniel, de
scholtis Godefridus, genaamd de Golderade, en schepenen van
Roer-
mond, verklaren, dat de echtelieden Hendrik en Hilla ter
bekoming
van vergiffenis hunner zonden al hun roerende en onroerende
goederen
geschonken hebben aan het gasthuis van Roermond.
Het gasthuis is blijven bestaan tot op het einde der 16de
eeuw. In de
Donderdag's protocollen wordt op 21 Mei 1592 vermeld, dat
met toe-
stemming der provisoren de magistraat besloot het gasthuis
op den
Steenweg met zijn armen en al zijn bezittingen te
„tranfereeren“ in
Pollartzgasthuis op den Schuitenberg. Daar echter eerst
moest onder-
handeld worden met de erfgenamen van den stichter van dit
gasthuis,
viel de beslissing eerst vier jaar later. Op 14 Februari
1596 had op het
„Raetzhuys” een bijeenkomst plaats, waarbij buiten den
magistraat
tegenwoordig waren Petro Broeningen „pastoer unser parochie
kircken
in nahmen des capittels der Cathedrale kircken", de „edelen
und ert-
veszen" Lambrechtsen Pollarts, Johannen van Lom und
Andriesen
Pollartz" als bloedverwanten van den stichter, benevens alle
proviso-
ren van Pollartzgasthuis. Overwegingen van bezuiniging
hebben in
hoofdzaak tot deze beslissing geleid. Betreffende de
gebouwen wordt
besloten, dat deze ten hoogsten prijs zullen verkocht worden
om
met de opbrengst Pollartzgasthuis uit te breiden en te
voorzien van
een nieuwe Beyer voor de arme passanten. Op 29 Augustus 1596
schij-
245
Uit verschillende gegevens blijkt, dat de „heilige
geyst” waarvan hier
sprake is, vereenzelvigd moet worden met de broederschap van
dien
naam. Over hare organisatie en werkwijze is al heel weinig
overgele-
verd. Het jaargetijdenboek van het kapittel van den H.
Geest, in wiens
kerk de broederschap in 1373 een tweetal jaardiensten
stichtte, spreekt
van broeders en zusters, zoodat blijkbaar ook vrouwen lid
konden zijn.
Heeft er eenige band bestaan met de hospitaalbroeders van
den
H. Geest en is de kapel van den H. Geest door den magistraat
in 1361
aan het kapittel van St. Odiliënberg afgestaan, door deze
broederschap
gebouwd? Ziedaar eenige vragen, die door gebrek aan gegevens
onbe-
antwoord moeten blijven. Onder haar meester Peter Ywaens
treedt
de broederschap van den H. Geest in 1448 voor het laatst op
om daarna
uit de geschiedenis der instellingen te verdwijnen en hare
taak aan een
nog jonge stichting over te laten.
Het is een typisch verschijnsel in tal van plaatsen, dat een
oude instel-
ling zich moeilijk weet aan te passen aan nieuwe toestanden
en niet
in staat blijkt om nieuwe nooden in voldoende mate op te
vangen.
Een andere organisatie treedt naast de oude, die na korteren
of lange-
ren tijd geheel verdrongen wordt. Zoo iets is ook in
Roermond gebeurd
en heeft een nieuwe instelling in het leven geroepen,
waarvan de stich-
tingsbrief in afschrift in het cartularium is bewaard
gebleven. De pro-
logus in dit boek is aan deze gebeurtenis gewijd, wel een
bewijs hoeveel
gewicht men er oudtijds aan gehecht heeft. Uit de
omschrijving van
het doel blijkt duidelijk, dat een bepaalde categorie van
armen niet viel
onder de bemoeiingen der oude broederschap en dat hun
verzorging
geheel was overgelaten aan het particulier initiatief. De
verlatenheid
dezer armsten der armen bracht Gerard van Steghen burger der
stad
er toe een schoone bladzijde toe te voegen aan de
geschiedenis der
Roermondsche armenzorg.
Op „onser liever Vrouwen avont Visitationis" van het jaar
1447 schenkt
hij met toestemming zijner echtgenoote, Kathrynen Ushovens,
10 malder
rogge uit zijn hoeve te Asselt „in behueff der huysarmen
bennen Rure-
munde die achter stat bynnens huys sieck liggen ende geyn
broet ge-
wynnen en konnen ende anders niet en hebben dannen huen omme
goedts wille seyndt ende brenght". De omschrijving laat niet
toe met
volle zekerheid vast te stellen, welke armen bedoeld worden,
al gaat
de gedachte als van zelf uit naar de pestlijders, die in de
door den
magistraat buiten de muren gebouwde pesthuizen door de
stads-
„plecheers" verpleegd werden.
Om de 10 malder jaarlijks „te heffen ende te boeren” en ze
„om goidtz-
wille den armen te brengen ende te deylen" waren door den
stichter
vier mannen aangezocht, aan wien de erfpacht wordt
overgedragen
„,vuer huen ende vuer die naekoemlinge die ten ewigen dagen
tue Rec-
toers der armen syn sullen", terwijl tevens nog bepaald
werd, „dat
haer eyn van huen vyeeren sterfft dat dan die ander drye
alle wege
van stonden aen eynen anderen gueden eersamen man tot huen
kyesen
ende nyemen sullen die van gueder consientien is".
Zelf magistraat en zeer welgesteld, koos Gerard van Steghen,
de eerste
247
Viel dit onderzoek te zijnen gunste uit, dan was de
provenier verplicht
onder eede te verklaren welke bezittingen hij had om deze
vervolgens
in tegenwoordigheid en met toestemming zijner naaste
„Vrunde“ aan
de armenmeesters op te dragen onder voorbehoud van genot en
gebruik
gedurende zijn leven. Na zijn overlijden vielen zijne
bezittingen ten
gunste der „Huisarmen“, tenzij door den provenier wettige
afstamme-
lingen werden nagelaten, wier rechten onverkort bleven.
Mochten de
bloedverwanten weigeren in de opdracht toe te stemmen, dan
werd de
prove niet toegewezen. Ten slotte werd nog bepaald, dat
alleen burgers
voor proven konden in aanmerking komen; met een vreemde
echter,
die in de stad een tijd gewoond en zich goed gedragen had,
zou behoor-
lijk consideratie genomen worden. Opvallend, dat de
magistraat de ver-
houding alleen regelde voor de proven, of moet het zoo
begrepen wor-
den, dat hier gewoon de algemeene regel van toepassing werd
ver-
klaard?
Van den aanvang af heeft de instelling der huisarmen gestaan
in het
middelpunt der belangstelling, niet slechts van de burgerij,
maar ook
van de omliggende plaatsen. De legger der bezittingen en
inkomsten,
samengesteld in 1591, vermeldt over de periode 1366 tot 1598
niet min-
der dan 146 schenkingen, waarvan er slechts enkele dateeren
uit den
tijd der oude broederschap. De werkzaamheden breidden zich
dermate
uit, dat in 1504 reeds een bestuurswijziging noodig wordt
geacht, die in
dezen zin wordt aangebracht, dat het aantal meesters wordt
terug-
gebracht tot drie en in de plaats van den vierden een
„deiner oder
rentmeester" wordt aangesteld, die belast was met het beheer
der goe-
deren en met de dagelijksche werkzaamheden, waardoor de
eigen-
lijke dienst der meesters ophield. Deze verandering werd
door den
magistraat aangebracht, die mede op dit tijdstip reeds de
benoeming
der meesters aan zich getrokken had, wat te opmerkelijker
is, daar
blijkens de stichtingsakte Gerard van Steghen zijn
instelling buiten
directe inmenging van den magistraat had willen houden.
Bij het oude gasthuis werd reeds aangestipt, hoe ongeveer
gelijktijdig
met de overname der „huisarmen van den H. Geest" de
bestuurders
ook optreden als meesters van het gasthuis. Toen ± 1520 de
bestuurs-
scheiding plaats had, bleef de instelling der huisarmen in
het gasthuis
gevestigd, wat blijkbaar aanleiding heeft gegeven tot
meeningsverschil
omtrent onderhoudsplicht der gebouwen. Deze geschillen
werden tus-
schen beider besturen in 1553 in dier voege geregeld, dat de
„Huis-
armen" voor den vervolge zou belast zijn met het onderhoud
van de
halve gasthuiskapel en het gasthuis met het onderhoud van de
andere
helft plus van al de andere gebouwen.
De groote beroeringen in de tweede helft der 16e eeuw zijn
niet spoor-
loos aan de instelling voorbij gegaan. Te zeer belast met
overheids-
zaken konden de armenmeesters hare belangen niet voldoende
behar-
tigen. Menigvuldige klachten brachten den magistraat er in
1587 toe
een onderzoek in te stellen, waarbij hij tot de bevinding
kwam, dat over
de periode 1566-1587 niet alleen geen enkele schenking
gedaan was,
maar ook dat de uitkeeringen zeer onregelmatig hadden plaats
gehad, ja
249
ling veilig den Franschen tijd. Wel dreigde een
oogenblik gevaar, toen
op grond der wet van 7 frimaire an V moest worden overgegaan
tot
oprichting der centrale „Bureaux de bienfaisance", waarin
opgelost
werden alle plaatselijke instellingen, de gestichten
uitgezonderd. Men
mocht er echter in slagen om voor Roermond den ouden
toestand
te behouden, en het centrale bureau, dat hier werd
opgericht, heeft
slechts beteekenis gehad voor de omliggende gemeenten,
opgenomen in
het canton de municipalité de Ruremonde. Het K.B. van 7
December
1822, waarbij ontbinding en likwidatie dezer centrale
bureaux gelast
werd, heeft, ofschoon in letterlijken zin niet op Roermond
van toepas-
sing, tot gevolg gehad de afscheiding der „Huisarmen“, daar
het blijven
voortbestaan in centraal verband met het Hospitael-Generael
geacht
werd in strijd te zijn met den geest van het K. B. Onder de
nieuwe
benaming van „Bureau van weldadigheid“ werd de afscheiding
op
1 Januari 1824 voltrokken, terwijl door den gemeenteraad het
bestuur
werd opgedragen aan een commissie van vijf leden.
Een belangrijk verlies werd door de instelling geleden door
het decreet
van 21 Augustus 1810, hernieuwd bij K. B. van 23 Juni 1816,
waardoor de
gemeentebesturen ontslagen werden van alle verplichtingen
tegenover
instellingen van weldadigheid en die tot gevolg had, dat al
de oudtijds
gestichte proven zijn verloren gegaan.
Bij de invoering der Armenwet van 1854 werd het bureau van
weldadig-
heid na veel discussie gerangschikt onder de
gemeenteinstellingen.
Waar gebleken is, dat zeker reeds vanaf 1500 de instelling
der „Huis-
armen" geregeld en bestuurd werd door de burgerlijke
overheid, was
aan de hand der wet een andere classeering onmogelijk.
Bij besluit van den gemeenteraad van 23 Mei 1856 werd een
reglement
vastgesteld, waarbij de naam gewijzigd werd in „Algemeene
Armen-
instelling". Het bestuur bleef toevertrouwd aan een College
van vijf
regenten, die benoemd en ontslagen werden door den
gemeenteraad,
aan wien rekening en begrooting ter goedkeuring moesten
worden voor-
gelegd. Het verleenen van onderstand werd aangepast aan de
wette-
lijke voorschriften omtrent armenzorg, uitgeoefend door
burgerlijke in-
stellingen met het gevolg, dat de oude instelling, die
eeuwen lang de
voornaamste was, voor den vervolge slechts een aanvullende
taak en
een secundaire beteekenis kreeg.
Het huidig geldende reglement van 20 September 1913 heeft
niet veel
wijziging meer aangebracht, doch het ruimere standpunt der
armenwet
1912 ten opzichte der burgerlijke armenzorg en de groote
subsidies
van gemeentewege verleend, hebben de Algemeene
Armeninstelling
weer doen treden in de oude plaats. Voortgekomen en gegroeid
uit het
bescheiden initiatief van Gerard van Steghen in 1447 is de
Algemeene
Armeninstelling heden ten dage feitelijk het orgaan, belast
met de
overheidsarmenzorg.
POLLARTZ-GASTHUIS.
Magister Johannes Pollart, doctor in de beide rechten,
proost van
St. Walburg te Arnhem en eerder proost van het kapittel van
den
251
terwijl 2 jaar later het gasthuis gesloten werd en de
beide overgebleven
armen naar het gasthuis op den Steenweg overgebracht werden.
Deze
toestand zal wel niet zonder invloed geweest zijn op de
beslissing van
1592 om de beide gasthuizen te vereenigen. Sinds deze
vereeniging
komt het gasthuis meestal voor onder de benaming
„Oudmanhuis".
De gebouwen werden vergroot en vertimmerd, doch de
werkzaamheden
blijken niet erg gevlot te hebben, want 31 Augustus 1600
krijgen de pro-
visoren de aanmaning te zorgen voor den winter gereed te
zijn. Bij de
fusie werd uitdrukkelijk vastgelegd, dat ook voor den
vervolge de in-
stelling geregeld bleef door den fundatiebrief uit 1482.
Daar de regel van Pollartzgasthuis slechts toeliet
proveniers op te
nemen, werden de zieken van het oude gasthuis niet
overgenomen.
Wat is er met dezen gebeurd? Het is wel geen toeval geweest,
dat juist
in 1592 door den magistraat de reparatie gelast werd van het
„Sieckhuys
bie der Speulport". Over deze inrichting is niet veel
bekend. Waar-
schijnlijk op kosten der stad gebouwd, werden de provisoren
door den
magistraat benoemd, totdat in 1606 beheer en onderhoud
opgedragen
werden aan de meesters der „Huisarmen“. In 1655 maken de
provisoren
van het weeshuis aanspraak op het vervallen gebouw.
De nieuwe Beyer gebouwd naast het gasthuis behield zijn
bestemming
tot in 1674, toen hij door den magistraat aan den koning
afgestaan werd
voor hospitaal „tot gerieff van Syner Majesteits volcheren
van oorloge".
Tegelijk met de veranderingen werd een kleine kapel gebouwd,
zoo
ingericht, dat de vreemde armen beneden en de proveniers
boven de
H. Mis konden hooren, doch daar ze door hare ligging voor op
straat
veel ongerief veroorzaakte en nooit in gebruik was geweest,
werd ze
in 1625 weer afgebroken.
Onder de vele bezittingen behoorde een derde gedeelte der
tiend van
Sevenum, waarvoor het gasthuis leenroerig was aan
Broeckhuysen.
Ook bij deze instelling schijnt het usance geweest te zijn,
dat een
provenier bij opname zijn goederen aan het gasthuis opdroeg.
In 1754 werd het oudmanhuis bij het Hospitael-Generael
gevoegd. De
gebouwen op den Schuitenbergh, onttrokken aan hun oude
bestemming,
dienden daarna tot huisvesting van invaliden en, nadat ze in
den Fran-
schen tijd gebruikt werden als vergaderplaats der
vrijmetselaren, in de
vijftiger jaren der vorige eeuw door het R. C. Godshuis
verkocht.
DE BEIDE WEESHUIZEN.
Vóór de stichting dezer inrichtingen zorgde de stad zelf
voor de arme
weezen, die bij burgers in de stad werden uitbesteed. De
kosten werden
gezamenlijk gedragen door de stad, Huisarmen en Gasthuis.
A. JONGENSWEESHUIS. Bij den stadsbrand van 1665 zijn alle
documenten verloren gegaan, zoodat de stichting eenigermate
in het
duister ligt. Een register uit 1714 vermeldt, dat de eerste
schenkingen
gedaan werden op 12 en 14 Mei 1630 door kanunnik Willem
Randen-
raedt en Petrus Kannegieter met verdere toevoeging: „synde
dese de
253
door de stichters verzocht was voor zich en zijne
afstammelingen het
provisorschap te willen aanvaarden. Den anderen provisor zou
de
magistraat benoemen „uyt den schepenen off raedstoel“ met
dien ver-
stande dat een bloedverwant der stichters vóór anderen in
aanmer-
king kwam, zooals de stichters zelf den eersten keer
aanwezen „onsen
broeder ende swaeger der Lt. Johan Spee scepen deser stadt
ende
heuffgericht".
Met de dagelijksche leiding in huis en de opvoeding der
kinderen wa-
ren twee of drie ongehuwde vrouwen belast, die „int
spiritueel onder
d'opsichte ende correctie" stonden van den pater rector der
Jesuiten.
Deze weesmoeders, aangesteld door de provisoren, moesten aan
dezen
rekening en verantwoording afleggen over het gebruik der
inkomsten
der stichting, die aan haar werden afgedragen.
In de stichtingsakte wordt uitdrukkelijk bevolen, dat de
kinderen „in
geen andere religie als de roomsche catholycke alleen
saligmaeckende
sullen worden opgetrocken". Zoo van dezen regel mocht worden
afge-
weken, zouden de bezittingen terugvallen aan de
oorspronkelijke schen-
kers of hunne erfgenamen.
In 1719 werd aan deze instelling een belangrijke schenking
gedaan door
Mathilde Bors, kleindochter der stichters, ten behoeve van
zes weezen
uit Nijmegen. Opmerkelijk is hoe ook kanunnik Bors en
Dorothea Bors,
broeder en zuster van Mathilde, ondanks al hun ijver voor
het Hospi-
tael-Generael toch een bepaalde voorliefde aan den dag legde
voor de
grootouderlijke stichting. De eerste benoemde het weeshuis
tot zijn
universeel erfgenaam, terwijl de tweede al haar roerende
goederen
legateerde. Tot de eigendommen behoorden mede de
uitgestrekte lan-
derijen van van der Steen's goed te Bocholt in België,
waarvan de
laatste in 1930 verkocht zijn.
Evenals de beide voorgaande instellingen werd ook het
meisjesweeshuis
in 1754 bij het Hospitael-Generael gevoegd.
----------
Met de stichting van het Hospitael-Generael werd de
magistraat ten
opzichte der armenzorg voor den verderen duur van het
Oostenrijksch
bewind uitgeschakeld, om welke reden hier iets volgen mag
over zijne
taak vóór dien tijd. Behoudens de gevallen, waarin de
magistraat zelf
optrad, omdat er niet van elders in voorzien was, beperkte
zijn taak
zich tot het houden van toezicht en het treffen in het
algemeen van
maatregelen om een goede armenzorg mogelijk te maken. Het
toe-
zicht omvatte o. m. benoemen der bestuurders, controleeren
van
rekeningen en vaststellen van reglementen, terwijl onder de
alge-
meene maatregelen vooral van belang zijn de ordonnantiën
tegen de
bedelarij. Ook op dit stuk weer werd onderscheid gemaakt
tusschen
eigen en vreemde armen. Terwijl de eersten aalmoezen mochten
vra-
gen, indien ze voorzien waren van een „teecken“, dat
jaarlijks op het
stadhuis moest gehaald worden, werden de tweeden geweerd en
was
het hun verboden langer in de stad te verblijven dan voor
vreemde-
lingen toegelaten was. Overtreding van dit voorschrift werd
vooral
255
placcaet bij ons uyt te geven wij geheelijck willen
beletten de bedelerije
binnen de Stadt Ruremonde, sal het Hospitael-Generael sorge
hebben
van te voorsien aen alle noodtsaeckelijckheden der armen".
Deze ge-
dachtengang is nog verder uitgewerkt in het keizerlijk
placcaet van
9 October 1739 over de bedelarij in Roermond, aanvangende
met deze
woorden: „Beslooten hebbende van binnen onse stadt van
Ruremonde
op te rechten een algemeen Gasthuys, om daerinne te nemen de
mach-
teloose armen, dewelcke door hunnen ouderdom, ofte
gebreckelijck-
heden niet in staet en sijn hun broodt te gewinnen, om door
desen
middel met krachte bij te staen de waerachtige armen". Het
motief tot
oprichting blijkt dus niet zoo zeer geweest te zijn het
scheppen van
een nieuwe inrichting waar armen een liefderijke verpleging
zouden
vinden, dan wel om door opsluiting en afzondering van
invalide armen
een betere armenzorg mogelijk te maken. De oprichting gaat
derhalve
zeer veel lijken op een politiemaatregel. Geheel in deze
lijn wordt niet
alleen de opname in het Hospitael-Generael bevolen van de
gezonde
bedelaars, maar wordt ook het geheele toezicht op de
bedelarij den ma-
gistraat onttrokken en opgedragen aan de bestuurders der
instelling.
Er werden opgenomen „kinderen, de lamme ofte kreupelen, ende
de
persoonen, dewelcke door hunnen hoogen ouderdom niet meer in
staet
syn hunnen cost door den arbeydt te winnen alsmede de
gesonde
bedelaers, deselve altemael afscheydende in besondere
quartieren vol-
gens hunnen verscheyde ouderdom en geslagte".
Allen moesten in huis worden bezig gehouden met het spinnen
van vlas
en wol en deze verder bereiden voor de fabriek, doch er
mocht geen
werk gedaan worden, wat in de stad reeds door de ambachten
beoefend
werd. Een aparte afdeeling werd ingericht voor zieken,
waarvoor het
reglement van 4 December 1734 gelden bleef. De bedeeling
buiten het
gesticht verrichtten de bestuurders als beheerders der tafel
van den
H. Geest, welke, zooals bij de „Huisarmen“ reeds vermeld is,
werd aan-
gehecht.
Het bestuur over het Hospitael-Generael werd opgedragen aan
een
„congregatie" van tien directeuren, te weten: „ses uyt
crachte van hunne
ampten ende vier bij verkiesinge". Tot de eersten behoorden
„van den
cant der geestelijcke", de bisschop, een kanunnik, aan te
wijzen door het
kapittel, en de pastoor, en „van den cant van de
weireltlijcke“ de cancel-
lier, een raadsheer uit de eerste kamer door deze aan te
wijzen en de
regeerende burgemeester. De tweeden werden benoemd door de
con-
gregatie en, belast met de dagelijksche leiding in huis,
waren ze ver-
plicht maandelijks ten stadhuize te vergaderen, welke
vergadering mede
bijgewoond werd door den kanunnik, den burgemeester en den
pas-
toor. De voltallige congregatie vergaderde vier maal per
jaar op vaste
Zondagen om de gewichtige zaken af te doen.
Belast met de zorg voor alle armen werden ook de inkomsten
der armen
zooveel mogelijk in het Hospitael-Generael gecentraliseerd.
De direc-
teuren moesten viermaal in het jaar door de stad
collecteeren en wa-
ren gemachtigd om te trachten de kloosters, broederschappen
of parti-
culieren te bewegen de aalmoezen, die ze verplicht waren te
geven,
257
slechts voor het oud manhuis werd in dit opzicht een
andere regeling
getroffen, wat dus zeggen wil dat naar de verdeeling der
stichtingsakte
van 1482 de bestuurders dezer instelling het recht hadden
zes oude man-
nen in het Hospitael-Generael te plaatsen.
Sinds 1754 werd vóór den Franschen tijd nog herhaaldelijk
wijziging
in het bestuur gebracht; zoo stelde het decreet van 12 Mei
1789 het aan-
tal directeuren weer op tien. Toen bij decreet van 10
vendémiaire an
IV „les départements réunis" bij Frankrijk werden ingelijfd,
was de
eerste furie der revolutie eenigermate geluwd. Het decreet
van 23 mes-
sidor an II (19-24 Maart 1793), dat eenvoudig alle
instellingen van wel-
dadigheid ophief en verkoop van hare goederen gelastte, was
reeds
achterhaald door het decreet van 9 fructidor an III, terwijl
enkele dagen
later het decreet van 2 brumaire an IV volgen zou, door
welke decreten
de wetgeving van het jaar II werd opgeschort tot een nieuwe
regeling
getroffen was onder gelijktijdige handhaving van den
bestaanden toe-
stand. Deze nieuwe regeling kwam tot stand bij de wet van 16
vendé-
miaire an V (7 October 1796), waarbij de „hospices civils“
in het leven
geroepen werden en al beteekende deze wet nog niet ten volle
een terug-
keer naar normale toestanden, het patrimonium pauperum werd
ten
minste definitief aan zijn bestemming teruggegeven. In ieder
geval bood
deze regeling de gelegenheid in die streken, waar de wetten
uit het jaar
II nog geen toepassing gevonden hadden, om - mits locale en
depar-
tementale bewindvoerders niet tegenwerkten - den ouden
toestand
zooveel mogelijk te behouden. Later werd de materie opnieuw
geregeld
bij decreet van 7 germinal an XIII (28 Maart 1805), waarbij
de oude
reglementen en stichtingsbrieven weer in eere hersteld
werden en dus
teruggegrepen werd naar den toestand van vóór de Fransche
revolutie,
zonder echter te herstellen wat inmiddels reeds gewijzigd
was.
Deze gang van zaken maakt het vrij moeilijk om precies den
invloed
van den Franschen tijd vast te stellen. Enkele feiten echter
treden on-
miskenbaar naar voren. Vooreerst is er wijziging in het
bestuur der in-
stelling gekomen, op het voetspoor der wet uit het jaar V
„Hospice
civil de Ruremonde" genoemd, welke benaming na den Franschen
tijd in de Hollandsche vertaling van Burger Hospitaal wordt
overge-
nomen. Het bestuur moest worden opgedragen aan een
administratieve
commissie van vijf leden, welke commissie voor het eerst
benoemd
werd op 21 fructidor an V (7 September 1797). Het toezicht
werd in
handen der gemeentelijke administratie gelegd en nader
geregeld in
de wet van 16 messidor an VII, waarbij de commissie al heel
weinig
bewegingsvrijheid gelaten werd. Behalve de rekening was
ieder besluit
van meer algemeene strekking aan goedkeuring onderworpen. De
wet-
geving uit het jaar XIII droeg de taak der gemeentebesturen
ten op-
zichte der instellingen in haar geheel over aan den
sous-prefet van het
arrondissement.
Daar de Fransche wetgeving uit het jaar V naast de hospices
civils en
de bureaux de bienfaisance geen andere zelfstandige
instellingen kende,
is een tweede belangrijk gevolg geweest, dat de aangehechte
instellin-
gen, uitgezonderd dan de Huisarmen of Tafel van den H.
Geest, in
259
slechts in zooverre wijziging bracht door het toezicht
van het centrale
rijksgezag te verleggen naar de plaatselijke autoriteiten,
welke toe-
stand sindsdien ongewijzigd bleef.
Het reglement van 1856, door den gemeenteraad vastgesteld op
23 Mei
van dat jaar, veranderde den naam in dien van „Roomsch
Katholiek
Godshuis", een benaming die na den Franschen tijd in de
praktijk ge-
bruikt werd. Als bestemming wordt aangegeven de opname
binnen
het gesticht van uitsluitend Katholieke oude zieke of voor
het werk
ongeschikte mannen en vrouwen en van kinderen boven zeven
jaar.
Slechts een eventueel overschot op de inkomsten mocht worden
aan-
gewend voor bedeeling buiten het gesticht. Het mag
verwondering wek-
ken, dat in dit reglement voor het eerst wordt vastgelegd,
dat het Gods-
huis alleen bestemd is voor katholieken, terwijl in het
decreet van
1738 iedere aanduiding in dat opzicht ontbreekt. Toch is dit
zeer ge-
makkelijk te verklaren. De bepaling bleef in 1738
achterwege, omdat
onder het Oostenrijksch bewind protestanten niet waren
toegelaten
en dus van zelf ook van opname waren uitgesloten. Men
behoefde
derhalve daaromtrent geen bepaling te maken.
Door de oprichting van het Louisahuis in 1858 is het doel
van het
Godshuis weer opnieuw afgebrokkeld, immers van toen af kwam
de
afdeeling ziekenverpleging te vervallen. Vandaar dan ook dat
het hui-
dige reglement van 20 September 1913 de opname van zieken
niet meer
vermeldt en het doel als volgt omschrijft: „De inkomsten
worden aan-
gewend tot verpleging van ouden van dagen, die niet gehuwd
zijn en
den 65-jarigen leeftijd hebben bereikt en van weeskinderen
of halve
weezen van beider kunne, die behooren tot den R. K.
Godsdienst en
in deze gemeente geboren en alhier woonachtig zijn of elders
zijn ge-
boren en ten minste vijf jaren onafgebroken hun woonplaats
te Roer-
mond hebben gehad."
LOUISASTICHTING.
Op 15 December 1850 overleed te haren huize in de
Paredisstraat
freule Louisa de Pollart een der laatste afstammelingen uit
het nobele
geslacht, welks naam reeds sinds 1482 door de stichting van
Pollartz-
gasthuis nauw aan de Roermondsche instellingen verbonden
was. Bij
testament was door haar bepaald, dat hare nalatenschap na
aftrek van
lasten en legaten moest gebruikt worden om een gesticht in
het leven
te roepen voor weezen of voor religieusen om zieken te
verplegen. De
keuze werd overgelaten aan haar neef Jhr. Christoffel Petit
door haar
benoemd tot algemeen erfgenaam en belast met de uitvoering
van het
testament. Deze liet zijn keuze vallen op een instelling
voor zieken-
verpleging, doch werd geruimen tijd in de uitvoering
verhinderd door
een proces tegen hem gevoerd door de erfgenamen bij versterf
van
moeders zijde van freule de Pollart. Toen eindelijk deze
procedure in
1856 te zijnen gunste beëindigd was, haastte Jhr. Petit zich
de be-
schikking zijner tante te volbrengen. Het beschikbare
vermogen bleek
de belangrijke som van f 125.000 .- te bedragen. Waar het
blijkbaar
261
vereeniging is sinds 1880 gevestigd in een met den steun
der geheele
burgerij verkregen eigen gebouw in de Kruisheerenstraat. De
uitbrei-
ding der stad maakte het werk voor eene conferentie te
zwaar, zoodat
in 1925 werd overgegaan tot splitsing der vereeniging in
drie afzonder-
lijke conferenties, waardoor naast de oude, wier terrein
beperkt werd
voor de stad, voor het rectoraat de taak overgenomen werd
door de
conferentie van O. L. Vrouw in het Zand en voor de parochie
in het
Veld door de conferentie van het Heilig Hart, terwijl de
vereeniging
onder het centraal bestuur kwam van een Bijzonderen Raad
De Damesvereeniging van de H. Elisabeth, als zoodanig
officieel gecon-
stitueerd in 1873 heeft feitelijk reeds bestaan vanaf 1852,
in welk jaar
door mej. Catharina Cloquet de eerste grondslag dezer
instelling ge-
legd werd. Om de meerdere duurzaamheid werd de vereeniging
in
1924 omgezet in eene stichting. In 1925 werd een
zelfstandige stichting
opgericht voor de Kapel in het Zand.
De toenemende specialiseering der armenzorg leidde in de
latere jaren
tot oprichting van het R. C. Armbestuur in de parochie van
den
H. Christophorus, het Opvoedings- en Ambachtsgesticht St.
Jozef, de
Commissie van Liefdewerken voor de R. K.
Werkliedenvereeniging
het plaatselijk Comité der Centrale Commissie voor de
uitzending van
Nederlandsche kinderen naar buiten, de Hulp in de
Huishouding van
de R. K. Vereeniging „Het Limburgsche Groene Kruis“, de
Vereeniging
Liefdewerk tot kinderbescherming en de Vereeniging
Weldadigheid.
Van Protestantsche zijde werden gesticht de diaconieën der
Protes-
tantsche Gemeente en van de Gereformeerde Kerk. Als jongste
loten
aan den ouden boom ontstonden de stichting „de Stille Armen"
en
het „Liefdewerk Stille Armen van de vereeniging van den H.
Vincen-
tius van Paulo", welke beide stichtingen haar oorsprong
vonden in
de geheel speciale nooden ontstaan sedert en door den
grooten oorlog.
263
Daarin worden genoemd, wolwevers, smeden, brouwers,
schoenmakers
en schippers; deze worden dan „groote ampten" genoemd.
Over den uitgebreiden lakenhandel van Roermond wordt in
verschei-
dene stukken gewag gemaakt.
Reeds 24 Juli 1347 verpacht Hertog Reinald van Gelre aan de
stad
Roermond eeuwig en erfelijk het gewanthuis aan de Markt
gelegen,
voor een jaarlijksche erfpacht van drie pond oude grooten.
Een frag-
ment van dit in 1780 bijna geheel afgebroken gebouw bevindt
zich nog
in den zijgevel van het huis Heijnen, thans bewoond door de
Dames
Gez. Lommen. Een foto van 1905 toont ons muurtraceeringen,
waaruit
men mag besluiten, dat het gebouw omstreeks 1300 werd
gesticht.
Een teekening van Jan de Beijer uit 1736 toont ons het
monumentale
gebouw, toen bekend als de Grauwe toren, door sommige
schrijvers
aangenomen als verbastering van Graventoren.
Dat zoo'n gebouw in dien tijd als lakenhal kon worden
gesticht, bewijst
wel de groote beteekenis van de wolnijverheid hier ter
stede. Tot in
Dortmund en Osnabrück vinden wij op het laatst der 14de eeuw
spo-
ren van den handel der Roermondsche lakenkooplieden.
Roermondsche
burgers genoten te Venlo tolvrijdom voor het gewant, dat
stroomaf-
waarts werd verscheept. Op het einde der 15de eeuw stonden
er aan de
Roer volmolens behoorend aan de stad en de Roermondsche
Karthui-
zers, en toen in 1494 de Karthuizer volmolen afbrandde, werd
door de
stadsregeering op hetzelfde stuk grond een nieuwen volmolen
gebouwd,
„omdat die drapperije ind gewantmaken eijn principaal stuk
ende ge-
meijn naronghe is dair onse stat op steyt" enz.
Het brouwersampt heeft ongetwijfeld zijn groote beteekenis
en aanzien
te danken aan het groot aantal brouwerijen, dat Roermond nog
in de
15de eeuw telde.
We lezen dat in stukken, die over het gruitrecht handelen.
Als giststof
werd vroeger gruit gebruikt en het recht die gruit te maken
behoorde
den landheer, die het recht echter kon verkoopen of
beleenen.
Het was een monopolie, dat alle brouwers hun gruit haalden
op het
gruithuis. De voordeelen aan dit recht verbonden waren zeer
groot.
Toen in 1410 Reinald IV Roermond met het gruitrecht
beleende, be-
taalde de Magistraat voor dit recht 3000 Geldersche en 650
Rijnsche
guldens, een bewijs van den grooten omzet van de
Roermondsche bie-
ren. Later - in 1472 - kreeg Roermond van Hertog Arnold als
beloo-
ning voor zijn trouw en bewezen diensten het voorrecht, dat
in het
ambt Montfort slechts Roermondsch bier mocht gebrouwen,
getapt en
verkocht worden. Slechts Echt en Nieuwstad waren daarvan op
zekere
voorwaarden vrijgesteld.
Nog in 1621 telde het brouwersampt te Roermond 30
brouwerijen.
Over het schoenmakersampt in vroegere eeuwen is weinig
bekend. In
1390 wordt echter de „Schomekerstraat“ genoemd, waaruit wel
blijkt,
dat toen reeds verschillende meesters - evenals bij andere
ampten -
daar samen hun bedrijf uitoefenden.
Onder de handelswaren, die in 1372 binnen Roermond werden
ver-
scheept, worden ook huiden genoemd. In 1436 wordt reeds de
Pelser-
265
Uit het laatst der 16de eeuw dagteekent ook de stichting
van het Sacra-
mentshuisje (het tegenwoordig Sacramentsaltaar) in het
noordelijk
koor der kathedraal. De aanleiding ertoe kwam eigenlijk door
het in-
storten van het gewelf boven het Sacramentskoor. Op 5
December 1591
werd dat gewelf op last van den Magistraat vernieuwd door
Thiery
Doneux van Luik voor 450 gulden brabantsch en het voorrecht
van
burgerschap.
Op 20 Mei 1593 werd over het maken van een nieuw crucifix en
het
Sacramentshuisje in de Moederkerk onderhandeld met Mr. Peter
den
Bildtsnijder van Aacken, die op 6 Mei 1595 voor het
Sacramentshuisje
600 daler en voor „een nieuw crucifix met twee bilden“ 110
daler
ontving.
Vermoedelijk ook wegens werkzaamheden in de moederkerk werd
op
16 Mei 1598 aan Meester Anthonisz 'd Ametzaga den schilder,
op voor-
stel van meesters en broeders der O. L. Vrouwe broederschap,
het
burgerschap geschonken.
Als schilder en graveur was toen ook te Roermond werkzaam
Johan
van der Linden, genaamd Boen of Boener; hij was kerkmeester
der
Moederkerk. Op 18 Februari 1599 verzocht hij aan den
Magistraat van
Roermond betaling voor de altaartafel, die hij voor het
Lievevrouwe-
koor in die kerk had geschilderd en welke hij Pinksteren
1598 had
afgeleverd.
Soms ontstonden er in de ampten moeilijkheden bij welk
„groot“ ampt
de beeldsnijders konden worden toegelaten.
Zoo werd 5 November 1620 Lambert Moelen, beeldsnijder hier
geves-
tigd, gemolesteerd door het schrijnwerkers- en
goudsmidsampt. Hij
moest toen zijn intrede in het schrijnwerkersampt koopen en
de Ma-
gistraat beval het goudsmidsampt hem terug te geven, wat men
hem
had afgenomen. Later werd hij echter volgens de statuten tot
het goud-
smidsampt toegelaten.
Vermoedelijk is het aantal ambachtslieden in de kunstvakken
gedu-
rende de 17de eeuw vrij aanzienlijk gebleven. Op 7 November
1658 en
15 Augustus 1672 lezen we althans over de meesters en
toetreding der
gezellen van het St. Lukasambacht.
Maar ook toen was er al concurrentie. Op 12 April 1685 moest
de
Magistraat aan de religieuzen in de kloosters verbieden voor
hunne
werkzaamheden vreemde schilders en beeldhouwers te
gebruiken. Dit
wijst op achteruitgang. Gedurende de 18de eeuw leest men er
weinig
over. Eerst tegen het einde der 18de eeuw omstreeks 1790
maken de
Donderdagsche Protocollen weer gewag van een
kunstenaarsampt.
Omdat Roermond in de 19de eeuw weder een belangrijk centrum
van
kunstambacht en -nijverheid zou worden, houde men ons de
uitweiding
over deze ampten ten goede.
Over de organisatie der gilden onderling, over de verhouding
der amp-
ten tot de stadsregeering en de rechten en plichten van
gezellen en
meesters tegenover de overheid worden we, vóór de
hernieuwing der
amptsbrieven - het eerst in 1540 - slechts spaarzaam
ingelicht.
In de oudste bekende ordonnantie over de Roermondsche ampten
n.l.
267
naamden tweeden raad en dat waren de bovengenoemde
zesmannen,
die later overgingen in de tienmannen.
In 1527 wordt zelfs gesproken van „twintichmannen“: dit
schijnt echter
een uitzondering te zijn gebleven.
De ontwikkeling van dit instituut van vier tot zes en later
tot tien ver-
tegenwoordigers in den Raad laat wel zien een streven naar
meer macht
en medezeggingschap en een opkomen van meer democratische
elemen-
ten in het stadsbestuur.
Dat opdringen van onder naar boven is vooral merkbaar in de
tweede
helft der 16de eeuw. Het is niet onmogelijk dat deze
stroomingen voort-
kwamen uit de vrees voor een nieuwe regeering en zelfs voor
den nieu-
wen bisschop (Lindanus), met medewerking van Koning Philips
tot
Roermonds kerkvoogd benoemd.
In dat verband is wel opmerkelijk een mededeeling van 30
December
1566 waarin wij lezen, dat werkmeestersgezworenen met de
tienman-
nen der stad Roermond met inwilliging van de meesters der
ampten
vier afgevaardigden benoemen om op het consistorie te
Antwerpen
over de nieuwe religie te gaan beraadslagen.
Ook het verleggen der kermis, waartoe de Magistraat van
Roermond
op 17 December 1596 besloot, was niet geschied zonder
voorkennis van
bisschop Cuyckius, de tienmannen en de meesters der groote
ampten.
Van zulk overleg lezen we ook in December 1609, als de
tienmannen ten
stadhuize worden geroepen om met den Magistraat te
overleggen hoe
de belastingen het best kunnen worden geind.
Merkwaardig is ook de mededeeling in een gemeentelijk
archiefstuk
van 10 Juni 1632, dat Burgemeester Petrus Bossman bij de
capitulatie
der stad daarin eerst heeft willen toestemmen na daarover de
tienman
nen „representeerende het corpus van de geheele gemeynte" te
hebben
gehoord.
Maar niet altijd was er overleg. Dikwijls lezen we over
meeningsver-
schillen, over stil verzet en een enkele maal zelfs van
oproer der ampten
tegen de stadsregeering. Verzet was er op 22 Januari 1671,
toen van-
wege de bezwaarlijke tijden de accijnsbelastingen der ampten
verhoogd
werden. De ampten protesteerden maar zonder gevolg. Daaruit
ont-
stond ontevredenheid, die zich uitte in geheime
vergaderingen en onge-
oorloofde bijeenkomsten, waartegen de Magistraat vanuit
Brussel werd
gewaarschuwd. In brieven van 1673, 1677 en 1690 wordt
herhaaldelijk
gewezen op het vergaderen der tienmannen onder hun
vrouwenbroeder
zonder voorkennis van het stedelijk bestuur.
Tot aan de opheffing der gilden worden regelmatig in de
Donderdag-
sche Protocollen de benoemingen der tienmannen meegedeeld.
Op
21 Mei 1790 wordt in een resolutie nog vastgesteld, dat de
tienmannen
Maandags ten raadhuize zullen verschijnen om met de raden
over de
financien enz. te vergaderen; voor hunne bemoeiingen wordt
den
raedtstienmannen” 100 gulden toegezegd.
Ook toen werd echter meermalen vergaderd zonder den
Magistraat.
Dat wordt in een vergadering van het stedelijk bestuur op 8
Juli 1791
nog bevestigd door een verbodsbepaling en op 10 November
1791 door
269
Meermalen lezen we voorschriften van den Magistraat,
die de volg-
orde in de processies regelen. Bij overlijden en uitvaart
van een der
amptsbroeders of diens nabestaanden, waren de amptsbroeders
ver-
plicht de Requiemmis bij te wonen en het lijk naar de
grafplaats
te volgen.
Arbeid op Zon- en feestdagen was op zware boete verboden.
Aan het hoofd van elk ampt stonden twee of meer meesters,
soms
dekens, hoofdlieden of gaffelmeesters genoemd, die
gewoonlijk voor
een jaar werden gekozen. Op de zittingen en kerkelijke en
openbare
feesten droegen zij als onderscheidingsteekenen op de borst
de zilveren
gildeplaten. Ook kende men ze aan hun kovels of kappen, die
wel door
elken amptsbroeder werden gedragen, maar bij de meesters
dikwijls op
bijzondere wijze waren versierd.
Om in het ampt te worden opgenomen, moest men zijn van
onbespro-
ken levenswandel en goed gedrag en verder te goeder naam en
faam
bekend staan. Bovendien moest de in het ampt tredende gezel,
na een
tijd als leerjongen te hebben gewerkt, „ingeboren,
ingehylickt oder in-
gegolden burger" zijn. Voor zoons en schoonzoons van
amptsbroeders
werden die voorwaarden in den regel gematigd.
Om zijn vakkennis te toonen moest een gezel, vóór hij tot
meester werd
bevorderd, een proef afleggen. Daarbij werden waarborgen
gesteld om
te voorkomen, dat hij door anderen werd geholpen, of andere
onge-
oorloofde handelingen werden verricht.
Ten slotte moest de nieuweling nog bijdragen in de kas, de
armen met
een gift gedenken en soms een kwantum bier geven om de
amptsbroe-
ders te onthalen. Tot versiering der gaffels - de huizen en
lokalen waar
het ampt vergaderde - en ten gebruike bij brand - moesten
lederen
brandemmers worden gegeven, met het wapen of kenmerk van het
ampt. Ook behoorden wijn, was en zelfs rundvleesch en rogge
tot het
aandeel, soms door den nieuw aangenomen meester
verschuldigd.
Alleen de meesters waren eigenlijk leden van het ampt.
Leerlingen en
gezellen waren wel onderworpen aan de voorschriften van den
ampts-
brief, maar bezaten niet altijd het voorrecht van
lidmaatschap.
In die amptsbrieven waren de boeten op overtredingen
beschreven en
ook de ordemaatregelen, waaraan allen moesten gevolg geven.
Dat gold voornamelijk de orde op de gaffels, het weren van
onmatig-
heid bij maaltijd en gelag, het tegengaan van onderkruiperij
in werk
en levering, den verkoop van goede en deugdelijke waren, de
rangorde
in de processies, de uitoefening der godsdienstplichten, het
onderhoud
van kapel en altaar en steeds ook de verplichting tot
aantreden op de
vastgestelde loopplaats, als het ampt daartoe door
Burgemeester en
Raad werd bevolen.
Daarbij had elk ampt nog bijzondere bepalingen in zijn
amptsbrief.
Bij de bakkers, die „op den coop backen of voor loon" -
zooals het in
den vernieuwden amptsbrief van 15 November 1601 heet - is
het ver-
boden zemelen onder de rogge te mengen. Zij moeten zich voor
den
prijs van het roggebrood of voor het gewicht van het
witbrood houden
271
moest hij eerst aan den Raad of den tijdelijken
Ritsburgemeester wor-
den voorgesteld en bekwaam en geschikt worden bevonden.
Eerst daar-
na werd hij toegelaten tot het maken van een proefstuk, dat
niet bij
name wordt genoemd, maar waarvan de keuze wordt gelaten aan
de
amptsmeesters, die daarbij naar eer en geweten zullen
handelen.
Onder het timmerampt behoorden ook de „cuypers en ramekers“.
De
jaarlijksche feestdagen waren St. Joseph en Sacramentsdag.
In de pro-
cessies moesten de jongste meesters „in eerlicken habijt" de
toortsen
dragen op boete van een pond was. In den vernieuwden
amptsbrief
der gewantmakers van 1555 wordt getuigd van den
achteruitgang dezer
nering. Daarom wordt er in voorgeschreven en toegelaten, dat
uitslui-
tend zij, die tot het ampt gerechtigd zijn, laken mogen
maken, in hun
eigen huis bereid en dat zij in het groot met den ganschen
doek ver-
koopen. Zij, die lakens willen verkoopen in het openbaar of
onder-
hands, zullen daartoe het ampt moeten „koopen“.
Ten behoeve der burgers nam de Magistraat nog andere
maatregelen
bij den verkoop van den stadsvolmolen aan de Roer op 28
October 1549.
De molen moest steeds volmolen blijven. Er mocht geen hooger
loon
worden bedongen als bij den molenaar te Swalmen en de
stedelijke
gewantmakers moesten vóór de vreemden worden geholpen.
Om bedrog te voorkomen en den goeden naam van het
Roermondsche
laken hoog te houden moesten de werkmeesters vlijtig
toezien, dat
elk laken op behoorlijke breedte geworpen en geweven werd.
Laken,
niet op de vereischte breedte, mocht buiten de stad niet
onder den naam
Roermondsch laken worden verhandeld. Slechts door
vreemdelingen
en op vrije jaarmarkten kon zulk laken worden gekocht, maar
nimmer
door amptsmeesters of gezellen, op boete van een goudgulden,
een deel
aan den heer, een deel aan het ampt en een deel aan de stad.
Eenzelfde verdeeling der boeten komt ook voor bij andere
ampten. De
gewantmakers teerden op Sacramentsdag en op Sint Severus,
hun pa-
troon. Het weven was op dien dag niet toegelaten op boete
van „een el
swartbreyt".
Wanneer de linnenwevers - die teerden op St. Catharinadag -
hun
rekenschap aflegden, moesten drie of vier amptsmeesters
daarbij aan-
wezig zijn. De vervallen boeten moesten dan aan het
stadsbestuur wor-
den bekend gemaakt.
In den smedenamptsbrief, die 27 November 1597 werd
vernieuwd, wordt
voorgeschreven, hoe de meesters moeten handelen, indien er
argwaan
bestaat, dat zij gestolen ijzer zouden koopen. Ook wordt
bevolen, dat
elk meester zijn eigen merk of teeken zal voeren, wat ook op
de gaffel
bekend moet zijn en daar moet worden opgeteekend. Die
merkteekens
gingen van vader op zoon over en bij ontstentenis van
kinderen op de
naaste bloedverwanten. In het smedenampt waren ook opgenomen
de
,boirwerckers“, die we heden pompenmakers zouden noemen.
Voor de
houten buizen van de pompen was het gebruik van goed, hard
en droog
hout voorgeschreven. Het benoodigde staal moest wel „gebout
en geen
stafstaal zijn. Hier wordt waarschijnlijk het later
zoogenaamde pak-
273
In de stad mocht geen werk verkocht worden buiten de
stad gemaakt;
slechts op vrije markten werd dit verbod niet gehandhaafd.
In latere jaren kwam ook het cremerampt tot grooten bloei.
De ver-
nieuwing van den amptsbrief dagteekent van 12 Januari 1613.
Men leef-
de toen onder het Twaalfjarig Bestand en nu de krijg rustte
leefde de
handel op. Naast de gewone bepalingen, die ook in andere
amptsbrie-
ven voorkomen, lezen we hierin afzonderlijke voorschriften
voor de
„cannegyters“, die ook in dit ampt konden worden opgenomen.
De tin-
nen kannen werden onderscheiden in „fijnwerck, grauwerck
ende half-
werck". Het fijnwerck droeg tot keur de kroon, het grauwerck
- dat tot
gehalte had drie pond tin op een pond lood - werd gemerkt
met de lelie
en op het halfwerck - een pond tin op vijf pond lood - werd
het eigen
merk van den meester geslagen of de beginletter van zijn
naam.
In de kannen mochten geen „pegelen” worden gesteld, pennen
of pijlen
om de maat te verkleinen. Zij werden met de eigen stadsmaten
be-
proefd en geijkt. Bij overtreding in maat, gewicht en
gehalte werden
tamelijk zware geldboeten geheven, soms tot zes goudguldens.
Ketelboeters en dergelijke beunhazen mochten langs de straat
geen tin-
werk venten en te koop aanbieden, tenzij op vrije
marktdagen.
Bij de cremers behoorden ook de hoedemakers, waarvoor enkele
voor-
schriften in den amptsbrief waren opgenomen. Om den handel
binnen
de stad te doen bloeien en te bevorderen, werd in den
amptsbrief aan
vreemde kooplieden en schippers, mits tegen betaling van de
gewone
accijnsbelasting, toegestaan aan vreemdelingen in 't groot
te verkoopen.
De koopwaren voor dezen groothandel toegestaan waren o.a.
zout -
niet minder dan 25 zakken - Hollandsche en andere kaas,
stokvisch
per duizend, haring, bokking, schelvisch, honing,
labberdaan, bollick
en andere gezouten visch, teer, zeep, olie, pek en traan;
voorts allerlei
waren, die per vat verpakt waren met het last en raapkoeken
per
twaalfduizend. Werd kleinhandel gedreven - onder de
toegestane hoe-
veelheid - dan werden de cremers beboet. Bij uitzondering
was dit toe-
gestaan aan meesters en gezellen van het cremerampt.
Alle koopwaren, die met het gewicht werden verkocht en niet
vielen
onder het gewantmakersampt of andere ampten, behoorden tot
het
cremersampt b.v. linnendoek, werk, vlas, cannefas,
spellewerck, zeem-
leder van buffels, bokken en schapen en verder alle vreemde
lederwaren
o.a. corduaansch leder.
Uit deze opsomming blijkt wel de beteekenis van den
buitenlandschen
handel van Roermond o.a. met de Oostzeekusten en
Skandinavië.
Na den Munsterschen vrede begonnen handel en scheepvaart op
de
Maas te herleven. Op 24 October 1658 krijgen de schippers en
huur-
vaarders de vernieuwing van hun amptsbrief. Toch bleek reeds
gedu-
rende den tachtigjarigen oorlog meermalen van bemoeiingen
van de
stedelijke overheid met het schippersampt. In 1576 lezen we
over het
kraangeld, dat de schippers bij het gebruik der kraan
verschuldigd wa-
ren. Om de lossing der koopwaren te bevorderen, begon men in
1592
met den aanleg van een nieuw havenhoofd in de Roerhaven. In
1598
275
gedeeld om hout te varen van Linne tot Ool, tenzij in
geval van oorlog
of watersnood.
Wilde een koopman toch laten vlotten op Zon- en feestdagen
van Ool
tot Beesel, dan moest hij op het loon een toeslag geven van
achttien
stuivers voor den arme. Hout voor Venlo mocht door de
Roermondsche
huurvaarders slechts gebracht worden tot Kessel achter de
Weerd.
Ook werd geregeld het aanwerven van gezellen voor
verschillende
vrachten, het medevaren en op- en afvaren van vreemde
gezellen b.v.
van Luik of Dordrecht. Ook de hoeveelheid hout waarvoor een
schip-
persgezel noodig en aansprakelijk was werd voorgeschreven.
Vracht en
arbeidsloonen werden slechts vastgesteld met goedkeuring van
den
Magistraat en konden evenzoo slechts met diens goedvinden
veranderd
worden naar gelegenheid des tijds en rekening houdend met de
zware
lasten van het ampt in den vorm van havengeld, tolrechten,
licenten
en „schippersteuer"
Na deze bijzonderheden over de inwendige aangelegenheden der
amp-
ten resten nog enkele mededeelingen over de langdurige
vervalperiode
der gilden. Dit tijdperk, reeds vóór 1600 ingeluid, heeft
langzaam mede-
gewerkt tot den ondergang dier instellingen in 1795
gedurende de Fran-
sche Revolutie en het Fransche bewind in deze streken.
Bij beschouwing van de vervalperiode der ampten is men
geneigd het
eerst te denken aan het decreet van 10 November 1795,
waarbij onder
dwang een einde werd gemaakt aan deze instellingen. Toch is
dat niet
geheel juist.
Alle gezaghebbende schrijvers zijn het erover eens, dat op
het einde
der 18de eeuw, de gilden in hun organisatie waren verouderd
en niet
meer van hun tijd. De oorzaak van het verval lag ook bij de
gilden zelf.
Op het tijdstip, waarop het instituut - dat vroeger zoo
vruchtdragend
had gewerkt - zich niet meer voldoende wist aan te passen
aan ver-
anderde inzichten en stroomingen, moest het wel verdwijnen.
De geest
van eendracht en samenwerking, van saamhoorigheid en
offervaardig-
heid, die de Middeleeuwsche gilden kenmerkte, vindt men na
1550 zel-
den meer terug. Vooral in den aanhef der amptsbrieven worden
wij
nog aan dien goeden geest herinnerd.
In den amptsbrief der bakkers van 22 Februari 1540 lezen we
nog:
hebben wij bakkers een goede ordonnantie en eendracht
gemaakt als
van ouds gewoonte is geweest en zijn samen overeengekomen en
ertoe
overgegaan goede vriendschap en broederlijke minne te hebben
en te
houden als hierna beschreven staat en verder lief en leed
samen te
deelen zoover het ons ampt aangaat of zal aangaan".
Maar als men in latere amptsbrieven de verbodsbepalingen en
de boe-
ten op allerlei overtredingen leest, vraagt men zich af, wat
van die
goede verstandhouding en eendracht is overgebleven.
Verder heeft ook het eigenaardig stelsel van bevoorrechting
en mono-
polie, dat de ampten zelf in het leven hadden geroepen, ten
slotte ook
tot hunnen ondergang medegewerkt.
Vooral de bepaling, dat zoons vanzelf het ampt der vaders
konden
erven, dikwijls met gedeeltelijke vrijstelling der
meesterproef, kweekte
277
stand en bij het sluiten van den Munsterschen Vrede.
Vooral de scheep-
vaart bloeide toen op.
Maar dat meerdere verkeer bracht van zelf weer concurrentie
met
andere plaatsen. Zoo kon men bij den bouw van het stadhuis
omstreeks
1700 de hardsteenen balusters vanuit Luik geheel gereed
laten aan-
In dien tijd lezen we, dat zich hier ook scheepmakers
vestigden om
voeren.
schepen en ponten te herstellen. Ook steenhouwers vragen
burgerrecht,
voornamelijk komend uit het Luikerland.
In den loop der 18de eeuw krijgt ook de dienst der
posterijen grooter
beteekenis. Marktschepen en vrachtkarren op Luik, Venlo en
Antwer-
pen dragen er toe bij, dat het isolement van vroeger niet
blijft ge-
handhaafd. Maar het gildewezen wordt er niet door bevorderd,
het
verliest integendeel in beteekenis.
Al deze verschijnselen hebben ten slotte - met nieuwe
opvattingen in
den volksgeest van uit Frankrijk overgekomen - het einde der
ampten
zeker verhaast. Zelfs als gesloten vereeniging verloren de
gilden hunne
beteekenis. Dat bleek vooral uit de nalatigheid bij de
vervulling der
kerkelijke plichten. Het wordt soms zoo erg, dat de ampten
eerst na
herhaalde aanmaning van den Magistraat ertoe kunnen
besluiten om de
allernoodzakelijkste herstellingen uit te voeren voor
instandhouding
der koortjes in de kathedraal.
Nog enkele bestaande koortjes en altaren in de Kathedrale
kerk her-
inneren ons aan den voorbijen roem der ampten. Van de
gaffels is niets
meer te vinden. Enkele resten van het vroeger gewandhuis
werden
reeds vermeld. Zelfs de plaats der gaffels is niet met
zekerheid op te
geven. Slechts van de cremers en schippers is bekend, dat
zij hun gaffel
hadden boven de Vleeschhal - gebouwd in 1669. De wevers
hadden
een vergaderlokaal in de buurt van de Maasnielerpoort bij
bakker
Andriessens, zooals in 1787 wordt vermeld.
Een van de laatste herinneringen, het Kolendragershuisje aan
de Werf,
werd voor enkele jaren afgebroken, om plaats te maken voor
burger-
woningen.
De Heer W. J. van Eldijk, Neerstraat, is in het bezit van
het kruis,
dat vroeger prijkte op het altaar van het Cremerampt. Als
voetstuk
dient een scheepje; op het zeil de voorstelling van het
„Ecce Homo”
Van gildepenningen heeft Roermond - dat overigens een
prachtcol-
lectie munten heeft - niets, tenzij enkele looden afslagen,
vermoedelijk
uit later tijd.
Op 21 Mei 1790 zien we in de Donderdagsche Protocollen het
einde der
ampten reeds aangekondigd. Een resolutie werd genomen,
waarbij de
samenstelling van het stadsbestuur werd veranderd. De
tienmannen
werden beëedigd en tevens met f 100,- 's jaars bezoldigd. In
de op-
somming der gilden worden nog genoemd: huyrvaarders,
kooldragers,
gewandmakers, brouwers, schoenmakers, smeden, kremers,
conste-
naers, timmerlieden, schrijnwerkers, corvers (mandenmakers),
kleer-
makers, pelsers en bakkers. Op 8 Juli 1791 wordt nog eens
uitdrukkelijk
voorgeschreven, dat de tienmannen niet mochten vergaderen
zonder
279
Het bestuur der putten was opgedragen aan twee of meer
putmeesters.
Soms werd bij ontstentenis ook een putmeesteresse gekozen.
In een reglement van 24 Mei 1697, dat de verkiezing van
putmeesters
regelt, wordt over de taak der putmeesters een en ander
medegedeeld.
Zij mochten nu en dan omgaan voor geldinzameling. De gelden
moesten
worden aangewend voor herstel en onderhoud van den put of de
pomp;
overschotten mochten gezamenlijk worden verteerd. Op vele
putten
nam men het besluit, om in plaats van bier een som geld te
vragen,
welke bate dan zou kunnen worden aangewend tot het maken van
een
steenen pomp. De Magistraat droeg dan ook bij: dit blijkt
o.a. uit de
volgende beschikking aangaande „de nabuyren van St.
Rochusput”
(onder aan de Markt).
„Die Raede der Tweede Caemere gehoort de nabuyren van St.
Rochus-
put over de conventie door de selve ingegaan van de
Lycktrouwende
Erffenisbieren ende vernere casuelen te appliceeren tot het
stellen van
eene nieuwe steenen pompe, inhereerende der selver
loffelijcke resolu-
tie, verclaeren, dat het geldt alreede daervan geprovenieert
ende berus-
tende onder den accysmeester Janssens ten eersten sal worden
ge-
employeert tot den incoop der noodige naemsche steenen en
dat de
vernere casuele penningen sullen worden gedeponeert in
handen van
den voorz. accysmeester Janssens, permitterende des niet te
min dat
de nabuyren sullen mogen alle jaeren in den vasten avont
verdrincken
alleen twee tonnen bier, sonder meer totdat het loffelick
voorhebbende
werck sal sin voltrokken; actum in den Raedthuyse binnen
Ruremonde,
den 12 Februari 1750"
Een jaar later werd door de bewoners van St. Rochusput aan
de stads-
regeering een voorschot in geld gevraagd. Zij kregen daarop,
onder
deugdelijke garantie, een bedrag van vijftig pattacons tegen
een jaar-
lijkschen interest van vier ten honderd, terwijl op den
eersten vervaldag
in Maart 1752, 25 pattacons moesten worden afgelost. Tot
borgen moes-
ten zich stellen alle putbewoners met hunne roerende en
onroerende
goederen als onderpand. De overeenkomst werd bekrachtigd 11
Maart
1751, waarbij nog bepaald werd, dat voor de juiste en
spoedige betaling
der verschuldigde penningen elke huiseigenaar per huis werd
aangesla-
gen voor twee schellingen te beginnen met Vastenavond 1751
en een
huurder met één schelling. Daarmee moest worden voortgegaan,
tot het
geheele voorgeschoten bedrag was aangezuiverd. Om zeker te
zijn dat
alle gelden voor het doel werden aangewend, verbood ook de
Magis-
traat aan de putbewoners gedurende dien tijd met Vastenavond
bier
te drinken of andere onkosten te maken.
Aan de naburen van den put in de Steeg, die eveneens de
vrijkomende
gelden voor een steenen pomp wilden besteden, werd op 26
Februari
1751 ook een hoofdelijke omslag opgelegd, die echter voor de
eigenaars
per huis een schelling bedroeg en voor de „huyrlingen“ een
halven
schelling; daarbij werd aan hen wèl gepermitteerd om met
Vastenavond
een ton bier te drinken, daaronder inbegrepen het bier, dat
jaarlijks
door de Carthuysers aan den put gegeven werd.
Op 18 Februari 1768 kregen ook de bewoners van den Ploechput
op den
281
Cloisterspoirte aff, Item den Cloesterswandt soe wijet
der thot die
hamputh gehoert, die puth achter St. Cornelis, Item die puth
op die
veldtstrate tegens marienwehe, nu het seminarium.
9. Tot den poel van die Canell hoert der puth an loms oert,
Item den
dresch, die schoelstrate ten beyden sijden, die veldstrate
bis thot den
puth an die Cluse, die Swalmerstrate bis an 't Carthuseren,
Item achter
die carthuseren bis an loms oert, die hoghe heghstrate, St.
Jansputh, die
brughstrate, die kaelstrate, St. Joestputh, die leuff, der
merckt, thot
aan hushoversputh, Item der puth achter die hoghe kirck op
den over
mit die wernerstrate.
10. Item thot den poell an der Voigdijen gehoeren die
nabaren onder
der Carthuserputh geseten, Item die Steegh then beyden
sijden, mit
den puth op den streeck aen den puth in die lomberstraete."
Uit andere stukken van het Gemeentearchief blijkt, dat vóór
1600 be-
stonden: Den Mercktput, St. Joostput, St. Rochusput, St.
Niclaesput,
Beggardeput, Puytlingsput, Hamersteinsput, Straesborgsput,
Stoxput,
St. Jansput, Carthuyserput en Haemput.
De poelen waren zeer primitief; men kan ze vergelijken met
de drink-
plaatsen voor paarden en vee, die men in vele Limburgsche
dorpen
nog aantreft. Bovendien vingen deze poelen behalve
hemelwater ook
alle afval en vuil op uit straten en wegen. Ze waren niet
ommuurd en
dit gaf bij duisternis en ontbreken van straatverlichting
dikwijls aan-
leiding tot ongelukken.
Om al deze ongemakken te voorkomen en te beperken moest men
de
poelen schoonhouden of vegen, zooals het heette. Later ging
men de
poelen bemuren. De naburen vroegen en kregen daarvoor steun
van
de stadsregeering.
In de tweede helft der 17de eeuw lezen we dat verschillende
poelen
werden dichtgeworpen of overwelfd. Voorzoover ze bronwater
hielden
werden er pompen op geplaatst. Datzelfde geschiedde ook met
de put-
ten, die in de stad verspreid lagen en bij de wijken
behoorden. Daartoe
werkte ook mede de ondervinding, die men had opgedaan bij
den groo-
ten brand van 1665, toen vooral door de gebrekkige
bluschmiddelen
een groot gedeelte van de stad in vlammen opging en vanzelf
ook vele
putten werden onbruikbaar gemaakt
De putten waren aanvankelijk heel primitief, rond of
vierkant gemet-
seld, voorzien van een boom tot ophalen van den emmer. Later
kregen
ze een windas met zwengel. En het is niet onwaarschijnlijk,
dat ook de
putvloten daarbij waren opgeborgen. Dit waren groote houten
kuipen,
die op sleden bij de putten gereed stonden om in geval van
brand naar
de plaats van den brand te worden gevoerd.
De in het begin zeer eenvoudige houten en looden pompen
werden later
vervangen door ijzeren en arduinsteenen pompen. Van deze
laatsten
is de monumentale pomp in de Steeg tot nu toe bewaard
gebleven. Het
opschrift van die pomp luidt: „Concordes elegere Joannem"
d.i. „de
vereenigde buren kozen Joannes als patroon".
IJzeren pompen, omstreeks 1880 gegoten door de firma
Giesbers, Bui-
tenop, vond men tot voor korten tijd nog in de meeste
straten. Thans
283
schutters moesten trouw zweren aan den landheer, aan
Scholtis, Bur-
gemeester, Schepenen en Raad en ook aan de burgerij.
De verdere voorschriften waren vastgesteld als die van de
ampten.
Daarin was ook de orde geregeld op de schietbanen, bij het
vogel-
schieten en bij de begrafenis van overleden gezellen. De
voorschriften
golden ook de ordebewaring op de gaffel en het betalen van
de ver-
tering bij samenkomsten.
Deze confrerie was waarschijnlijk onvoldoende gebleken want
in 1582
en 1586 lezen we nog over de oprichting van burgervendels.
Op 14 Juli
1586 werd door Ridder Cigoigne een burgervendel opgericht,
sterk 150
personen, dat bekostigd werd uit de licenten, een belasting
voorname-
lijk op de scheepvaart. Als burgerwacht was aan dit vendel
geen lang
bestaan beschoren, want reeds 30 Juni 1591 werd het door
ridder
Cigoigne - zooals men schrijft - tot zich genomen. Het werd
toen
bekostigd en gecommandeerd zooals de Duitsche huurtroepen of
solde-
niers. Van toen af werd het geen burgervendel meer genoemd.
Als bijzondere gunst werd op 24 April 1617 aan het
Cremerampt ver-
gund uit de amptsgezellen een schutterij op te richten. De
verordening
geeft aan hoe sterk de schutterij zal zijn, hoe ze zich te
gedragen heeft
in de processie, waar vergaderd zal worden en in hoeverre
andere
amptsgezellen kunnen worden toegelaten.
Blijkens mededeeling in de Donderdagsche Protocollen bestond
deze
confrerie nog op 11 April 1720 en werd ze genoemd de
broederschap
van St. Jacob. Later werden de leden niet alleen uit de
cremers, maar
ook uit andere ampten aangeworven, wat blijkt uit een
mededeeling
van 29 October 1767, die zegt, dat de confrerie van St.
Jacob geen cre-
merschutterij meer was, zooals voorheen. De schutterij
bestond nog op
30 Mei 1794; toen werd Henricus Helwegen genoemd als
vaandrager
van de confrerie van St. Jacob den Meerdere.
Behalve deze schutterij, die ook wel genoemd werd „de oude
schutten”
waarschijnlijk om haar langjarig bestaan, treffen we in de
Donderdag-
sche Protocollen hier en daar nog een andere confrerie aan
n.l. de „jonge
schutten". Daarop heeft waarschijnlijk betrekking een
mededeeling van
25 Mei 1679, toen aan de jongelieden der stad werd
toegelaten een com-
pagnie op te richten. Zij schoten naar den vogel en trokken
ook op
in de Sacramentsprocessie.
Er werd geschoten op twee plaatsen buiten de stad. Op 13
Maart 1656
lezen we, dat toen werd geschoten op de St. Jansbleek
tusschen St. Jans-
en Craenpoort. Later schoot men ook op een stuk grond aan de
kapel.
De broederschap van St. Jacob werd op 27 Juli 1750 begiftigd
met een
stuk land achter de kapel tusschen Gebroek en
Heinsbergerweg, om
daarvan het vruchtgebruik te genieten, zoolang de Magistraat
het zou
goedvinden.
De confrerieën waren in later tijd eigenlijk meer
liefhebberijgezel-
schappen. Maar zooals hierboven reeds bleek uit de
oprichting van
burgervendels, was de verdediging der stad opgedragen aan
alle weer-
bare mannen der burgerij.
Gedurende een groot gedeelte van de 17de en 18de eeuw was de
stad
285
ROERMONDS HANDEL
EN VERKEER TOT DEN
FRANSCHEN TIJD
door
DRS. M. J. C. W. BOURS
OSITIEVE gegevens uit de vroegere Middeleeuwen
zijn er over dit onderwerp niet. Men kan slechts
gissen, dat de bewoner dezer streek niet geheel lijde-
Mu lijk toezag op het verkeer dat zich bewoog langs de
door Karel den Groote herstelde heerbanen, en op
den handel die passeerde naar St. Denis e.a. Fransche
markten; naar de
wijn- en houtrijke streken langs Maas en Rijn te bereiken;
naar de
ontluikende kolen- en metaalwinning in het Luiksche. Wij
weten dat
in de 12de eeuw Luik, Namen, Hoey, Dinant en Maastricht
reeds een
levendigen handel kenden in metalen, huiden, wijn, kalk en
steen, maar
een eenigszins aequivalente handel valt er in onze streken
niet aan
te geven.
Toch moet die handel in de 12de eeuw hebben bestaan, want
als Roer-
mond kort na het derde decennium der 13de eeuw zijn
stadsrecht krijgt,
is dat een bewijs van rivierhandel en marktbedrijvigheid:
beide juist
opkomstóórzaken van belangrijke vestigingen.
Onze stad lag vrij gunstig, al moeten we toch even
glimlachen om
Slichtenhorst, die zoo weidsch Roermonds ligging teekent:
„openende
als een deur naar de landen van Luik, Namen en geheel
Frankrijk, en is
Oostwaarts naar Keulen, Zuidwaarts naar Luik, Westwaarts
naar den
Bosch, en Noordwaarts naar Nijmegen vijftien of zestien uren
gaans."
Alvorens enkele gegevens op te sommen, waaruit wij richting
en aard
van den handel kunnen vinden, dienen enkele algemeene
opmerkingen
vooraf te gaan. De tijd, waarin de eerste te vermelden
gebeurtenissen
vallen, zag in handelsopzicht een grooten ommekeer. Eind
13de eeuw
komt de Ommelandsvaart - om Denemarken heen door de Sont -
steeds meer in gebruik; het overladen tot verder vervoer
naar Lübeck
over land vervalt. Zoodoende neemt het vervoer van
massagoederen
als bier, hout, graan, en later potasch toe. De
zeevaarttechniek ont-
wikkelt zich snel; de zeeschepen worden grooter; het
waterverkeer
valt grootendeels uiteen in twee deelen: zee- en
rivierverkeer.
De overzeesche handel raakt bijna uitsluitend in handen van
de groote
steden aan de riviermonden: Dordrecht en Kampen vooral zien
hun
opkomst en uitzetting. De kooplui dezer steden zijn de
drijvende
krachten tot het eind der 14de eeuw, zooals in de 15de eeuw
de Hol-
landsch-Zeeuwsche steden dat werden. Daar vormden zich de
groote
287
gens en karren in 't heele gebied van hertog Walram van
Limburg.
Bovendien mochten ze met dien wijn e.a. waren de Maas vrij
op en af
varen door hetzelfde gebied. Er is dus Zuidwaarts naast
landhandel
ook rivierhandel te constateeren. 't Geen logisch is, daar
van uit Maas-
tricht een vrij levendige handel werd gedreven Noordwaarts.
Latere
oorkonden wijzen zeer duidelijk op handel Zuidwaarts tot
Luik toe.
Bovengenoemde feiten wijzen op een zich in verschillende
richtingen
bewegenden handel. Roermondenaars handelden tusschen
Dordrecht en
het tegenwoordige Limburgsche gebied, tot Luik toe; zij
legden even-
zeer een drijvend verband tusschen de IJsselsteden en onze
streken;
tusschen Dordrecht, de IJsselsteden en het hoogere
Rijngebied tot zelfs
achter Keulen. En ten slotte handelden zij regelrecht van
uit ons gebied
op de Rijnstreken, te land niet alleen, maar ook te water.
Wat de
handelslijnen betreft die niet langs Roermond zelf loopen,
het verkeer
dus van Dordrecht en de IJsselsteden regelrecht op het
hoogere Rijn-
gebied: misschien is daar vooral vrachtvaart bedreven, en
niet voor
eigen rekening gehandeld. Ook werd echter de vrachtvaart
beoefend
van Dordt regelrecht naar onze streken, zooals duidelijk
blijkt uit oor-
konden als van 1348.
En welke waren nu de artikelen die vervoerd werden? Van
Dordrecht
uit laadde men koren, zout, zaad, olie, haring en bokking,
terwijl men
laken en hout voor haringtonnen stroomaf voerde. Ook later
bleef
houtvervoer naar Dordrecht bestaan, waar Roermondenaars hun
hout-
opslagplaats hadden. Stroomaf ging uit het Luiksche wijn,
houtskolen,
steenkolen, kalk, schors, ijzer, lood, potten en kruiken,
wollenstoffen,
rots- en molensteenen, huiden. Ook bier, misschien wel deels
import
uit steden als Duisburg, maar zeker ook brouwsel uit de
eigen zoo
bloeiende brouwerijen.
In het verkeer met de IJsselsteden stond eveneens zout en
haring, en
ook andere versche en gezouten visch op den voorgrond,
terwijl ook hier
laken stroomaf ging naar de Zuiderzeesteden. Uit de
Rijnstreken bracht
men noord- en westwaarts voor een groot deel dezelfde waren
als uit
't Luiksche: steenkolen, bouw- en rotssteenen, molensteenen,
schors,
potten en kruiken, ijzer en hout, en natuurlijk veel
Rijnwijn; daarnaast
't laken en bier uit 't Keulsche.
Ten slotte komen we tot de handelsbetrekkingen van onze stad
met
het Rijngebied in handel van de eene streek naar de andere.
Bewijzen
dat men over land Oostwaarts trok op mercantile tochten zijn
er te
over. Maar 't gaat om de vraag of de Roermondenaar den zoo
lan-
gen weg over de Maas tot Heerewaarden, dan de Waal op langs
Nijmegen en zoo Duitschland in, verkoos boven den weg over
land.
De meerdere veiligheid te water en de mogelijkheid om
grootere las-
ten te vervoeren pleiten hiervoor reeds op zich. Daarom zal
het vrij-
geleide, dat Neuss in 1360 gaf aan de burgers van Roermond
waar-
schijnlijk, en het verlof aan de Gelderschen gegeven om
hoogerop
dan Keulen te varen, zeker slaan op den rivierhandel; al zal
het ver-
drag van 1361 met Xanten misschien deels op landhandel
slaan.
Meylink vermoedt dit directe waterverkeer; en een sterken
steun
289
handel op de Oostzee beheerschte. Áanvankelijk vrij
ruim in de toe-
kenning van previlegies ook aan nietstrikte leden van hun
bond (waar-
van in de 14de eeuw slechts een klein getal steden lid was),
wordt de
Hanze in de 15de eeuw een gesloten geheel, zoodat alleen de
koop-
lieden der verbonden steden de voorrechten genieten. Reden,
waarom
men er meer belang bij had volgerechtigd lid te zijn. Bij
deze ontwik-
keling kan 't ons niet verbazen dat Roermond pas in 1441 in
de Hanze
wordt opgenomen, al zijn er reeds vroeger relaties aan te
wijzen. In
1388 wendt Lübeck zich tot Nijmegen, Arnhem, Zutphen en
„Rormun-
de", teneinde de tusschenkomst van hun hertog te verkrijgen
tot bij-
legging van een geschil tusschen Keulen en Dortmund. In 1392
is er
sprake van Roermondsch laken te Dortmund (uit dit stuk
blijkt tevens
dat Roermond commissiehandel kende). Ook op een
Osnabrücksche
tollijst van einde 14de eeuw komt „Ramundsch” laken voor. In
Reval
zelfs ontmoette men Roermondenaars.
In 1420 vraagt Keulen - dat een zekere leidende plaats
inneemt onder
de Hanzesteden dezer streken - aan Roermond, Zutphen en
Arnhem,
dat zij er bij Nijmegen op aan zullen dringen het geschil
met Keulen
bij te leggen: zij staan immers als „hanzesteyde“ in
„verbuntnisse, bro-
derschaff ind reichte des gemeynen koufmans van der
Duytscher
hensze". In 1431 is Roermond op een bijeenkomst van
Hanzesteden
in Nijmegen. Het jaar 1441 is zeer belangrijk omdat dan
geplaatst wordt
het volgerechtigd lid worden van onze stad, die door Arnold
Drosdal,
„borgermeester to Remunde", vertegenwoordigd is op den
Hanzedag te
Lübeck. Naast een opdracht, om met Arnhem „de straten alumme
nach
alle ereme vermoghen (te) beschirmen", lezen we in de
Hanserecesse:
„Item darsulves vor den gemenen steden worden in de henze
entfan-
„gen unde angenemet twe stede alse Remunde unde Arnam". Zou
dit
de officieele erkenning niet zijn, omdat deze woorden toch
niet kunnen
slaan op een reeds bestaande lossere relatie! Van Rudolf van
Utrecht
hadden de deputé's der 4 Overkwartiersche steden en enkele
kleinere
steden van Gelder vrijgeleide gekregen voor deze reis naar
den Lübecker
Hanzedag. In 1448, 1449, 1450 en 1451 zien we Roermond
optreden als
Hanzestad. In 1450 werd het contingent gewapenden door
Roermond
te leveren op 5 bepaald; evenveel dus als Rostock en
Hannover.
Ongeveer midden 15de eeuw en een kwart eeuw daarna zijn er
in de
Hanze netelige kwesties aan de orde. Lübeck, vooral Danzig,
zijn gebe-
ten op Engeland. Engelsche vrijbuiters kapen ook
Hanzeschepen. Re-
pressailles blijven niet uit. Tot een openlijke breuk komt
't, als in 1467
Engelsche schepen in de Sont worden gekaapt en Engeland
einde Juli
1468 de Hanzeeigenaren van het Staalhof te Londen gevangen
zet. Hier-
onder waren ook Roermondenaars, en de magistraat dezer stad
doet
moeite hen vrij te krijgen. Vooral Danzig en Hamburg treden
heftig
op, Lübeck blijft kalmer. Keulen - dat steeds, ook in
Hanzeverband,
zeer veel zijn eigen politiek dreef - kreeg zijn
vertegenwoordigers reeds
een dag na de gevangenneming vrij, terwijl de anderen pas in
Februari
1469 vrijkwamen. Men nam Keulen, dat zeer oude rechten in
het Staal-
hof had, zijn politiek zeer kwalijk. En toen in 1474 de
Hanzekooplui in
291
mond. Keulen klaagt n.l. over de min vriendelijke
behandeling van
zijn afgezanten te Utrecht, Roermond verklaart echter daar
niet aan-
wezig geweest te zijn. Tegelijk vroeg Keulen dat men het in
't bezit
van gebruik der „Geldhalle” te Londen zou laten, en dreigt
met re-
pressaillemaatregelen als men het er uit mocht willen
verdringen.
t Geen toch gebeurde. In de jaren 1476, 1484 en 1494 was
Roermond
op de Lübecksche hanzedagen; op de laatste werd de quote van
Roer-
mond vastgesteld op 20 Rijnsche guldens: een teeken te meer
van volle
Hanzerechten.
In de 16de eeuw schijnt de onderlinge liefde der in
„broderschaff“ ver-
bondene steden herhaaldelijk te minderen. In Juli 1525 zal
er te Lübeck
een groote hanzedag plaats hebben. Van te voren vragen
Keulen en Duis-
burg aan Roermond e.a. steden of zij geneigd zijn naar
Lübeck te trekken,
en vooraf onderling overleg te plegen. Roermond vindt't
goed, en schijnt
er zelf niet heengegaan te zijn: Keulen deelt immers later
de aldaar
gevallen besluiten mee aan Roermond, doch voegt erbij:
Lübeck wil
jullie persoonlijke meening toch ook wel hooren. Kort daarna
(23 Octo-
ber) deelt Roermond mee, dat het met de besluiten accoord
gaat. In
1529 ontbreekt Roermond te Keulen: Nijmegen, Tiel, Zutphen,
Venlo
zijn er. Op den hanzedag in 1554 worden er te Lübeck
statuten gemaakt
voor een kantoor te Londen, en hier is sprake van Roermond
als hanze-
stad: ook hier weer schijnen de steden dezer streken eerst
in Keulen
overleg gepleegd te hebben. In 1564 komen de Londensche
zaken weer
ter tafel, als te Wesel o.a. Nijmegen, de Zuiderzeesteden,
Roermond
en Venlo confereeren over het behoud der previlegiën van de
Hanze in
Engeland en hun factory aldaar.
Roermond scheen zich nog al te voelen, daar het toch in 1556
aandringt
op het uitsluiten der kleinere steden! Toch krijgt het van
Wachtendonk
en Gelder in 1557 volmacht om hen op den a.s. Hanzedag te
Lübeck
te vertegenwoordigen.
Geleidelijk echter schijnt voor Roermond het belang van het
Hanze-
lidmaatschap niet groot meer. Immers in 1562 bericht deze
stad, met
Nijmegen, Zutphen en Arnhem, aan Lübeck dat de reiskosten
daarheen
te groot zijn in verhouding tot het profijt! Zij hebben
bezwaar om nog
te komen, tenzij ze tegemoetgekomen worden in een conflict
met Keu-
len, en de Hanze het onrecht opheft dat ligt in het verbod
van Keulen
dat de kooplui van genoemde steden in Keulen geen handel in
wijn,
ossen e.a. koopwaren mogen drijven met vreemde kooplui.
De stemming van Roermond wordt er niet beter op, als blijkt
in 1603,
en vooral in 1604 als Lübeck zegt dat Roermond - en ook
Venlo -
„propter defectum mandati a fruitione privilegiorum (uit
gebrek van
volmacht, van het genot hunner previlegies) excludiert
werden", als
ze hun volmachten niet opzenden ter confirmatie hunner
Hanzevoor-
rechten door den koning van Denemarken en Noorwegen. Toch
blijken
de beide steden niet te zijn „verhanst", want Roermonds
contributie
wordt in hetzelfde jaar nog bepaald, terwijl we ook bewijzen
vinden
van zijn lidmaatschap tot 1669, het jaar waarin de laatste
Lübecksche
Hanzedag in de geschiedenis der Hanze wordt gehouden.
293
al echter trok Venlo eens partij van de zeer gunstige
gezindheid van
hertog Karel van Gelre, die Roermond het stapelrecht ontnam
in 1523,
na een geschil net Venlo.
Bij het bespreken van stapelrechten, dient men te
onderscheiden wat
het stapelrecht zelf behelst. Het kan zijn ofwel het
voorrecht dat alle
of bepaalde waren, die langs een grooten handelsweg vervoerd
worden,
'n stad moeten aandoen en daar te koop gesteld worden; ofwel
maakt
het stapelrecht van de stad het centrum van het omringende
gebied,
zóó dat de plattelanders hun waren in die stad ter markt
moeten bren-
gen, waardoor een handelsmonopolie ontstaat in
landbouwproducten,
naast het sterke industriemonopolie. Toch komen ook
ietsandere vor-
men voor, en wel te Venlo. Deze stad krijgt n.l. in 1343
officieel toege-
wezen het recht van stapel op den rechteroever der Maas van
Venlo
tot Mook, tengevolge waarvan op dit eind alleen dan
koopmansgoede-
ren mogen worden geladen, uitgeladen, ten verkoop aangeboden
en
gekocht, indien eerst die waren te Venlo waren ontladen en
te koop
gesteld. Laadde men daar waren, dan moest men die daarna bij
even-
tueel langskomen te Venlo stapelen. Dit voorrecht wil dus
den handel
van een streek meer concentreeren in de stad, en omvat
bovendien een
zekere bepaling ten opzichte van een grooten handelsweg.
Een dertigtal jaren later (1372) krijgt ook Roermond zijn
stapelrecht,
maar van een heel anderen aard. Willem van Gulik bepaalde,
dat het
„eynen stapel solde hebben in haire stadt", dat „alle guet,
dat aen hair
stat koympt den strome op of neder, dair sal blijven liggen
acht daghe
lanck, ende des merckts dair wairden, uytgescheyden die
luyde die
geseten waren in den lande van Gelre en Gulick".
De Geldersche en Guliksche schippers waren dus vrij van den
stapel-
dwang: wel een sterke beperking. Hier is dus direct geen
sprake van
een concentratie van den streekhandel. Toch kende Roermond,
zooals
later blijken zal, ook dézen vorm van stapel.
Of Roermond te zeer in troebel politiek water heeft willen
visschen,
door Willem van Gulik zeer ruime voorrechten op allerlei
gebied af te
dwingen, weten we niet. Wel zien we dat reeds in 1523
Roermond in
geschil met Venlo ligt, en ingevolge de beslissing van den
hertog „des
stapels afstain" moet, en alle schepen dus ongehinderd moet
laten pas-
seeren. Bij de beslissing van den hertog werd bepaald, dat,
als Roer-
mond later betere argumenten kon aanvoeren, het die mocht
laten
gelden.
De previlegies van Venlo nemen in later tijd zelfs toe, want
we zien
hoe in 1579 Philips II voor twaalf jaar het stapelrecht van
Venlo ver-
nieuwt: en nu is er sprake van den anderen vorm: alle
schepen op en neer
varend van Venlo tot Mezières moeten te Venlo stapelen. Het
is het
stapelrecht in den boven het eerst genoemden vorm, met de
beperking
dan, dat 't alleen geldt voor de schepen die van het Zuiden
komen. Dit
recht bestaat zeker nog in 1629, blijkens een protest van
Roermond
tegen den plicht om langs de Maas aangevoerde waren te
moeten stape-
len. Zelfs in 1765 bestaat het blijkbaar nóg: want van dat
jaar dateert
een vertoog van den Roermondschen magistraat, die aan Venlo
een af-
295
dienst doen om de trekpaarden op het wisselende lijnpad
te brengen.
In de 16de eeuw waren er Roermondsche burgers die twee
coppeleyen
bezaten; o.a. een zekere Engelen, van Wessem geboortig, die
zich te
Roermond liet poorteren. Hij kocht in Holland raapzaad op,
stapelde
het te Venlo, en liet er daar olie uit slaan, die hij naar
Maaseyck voer-
de, alwaar hij twee magazijnen bezat. Ook dreef hij met een
associé
handel in graan. Deze kocht dit in Holland en Gelderland,
terwijl En-
gelen het te Zaltbommel of Venlo laadde en voor gezamenlijke
rekening
naar Maastricht, Visé en Luik bracht. Omdat echter schepen
en jaag-
paarden uitsluitend eigendom van Engelen waren, was de winst
van de
terugreis, met een lading steenkolen, kalk en ijzer, alleen
ten bate van
dezen laatste.
Moeilijkheden speciaal voor Roermond leverde de Maas op door
haar
wispelturigen loop in de buurt der stad. Tegen het midden
der veer-
tiende eeuw liep de Maas ongeveer een half uur van Roermond,
zoodat
schepen die de stad moesten naderen, door de Roer moesten
opvaren.
Ongetwijfeld een ongewenschte toestand. Was dit de oude
toestand?
Zeer waarschijnlijk niet; niet alleen om de
ontstaansmogelijkheden van
steden in 't algemeen, maar vooral omdat begin 16de eeuw
wéér ge-
klaagd werd, dat de Maas „verne van de stad begosde te
loopen", ter-
wijl ook de 19de eeuw weer veel moeite gaf met de Maas.
Ter oplossing koos men den meest eenvoudigen weg. Men
besloot de
Maas te verleggen, die bij het dorpje Ool westwaarts afboog,
voorbij
't kasteel Horn liep, om een klein half uur beneden Roermond
weer
in de gewone bedding uit te komen. 22 Mei 1342 sloot de
Roermond-
sche magistraat een contract met den heer Willem van Horn en
Altena
over de doorgraving, terwijl hertog Reinoud den dag daarna
zijn hooge
goedkeuring hechtte aan het energieke plan. De uitvoering
hiervan
bracht de Maas bij Roermond waarschijnlijk gedeeltelijk in
een arm
der Roer, en het Hatenboer, oorspronkelijk door de Roer
alleen van
Roermond gescheiden, kwam nu aan den overkant der Maas te
liggen.
Het scheepvaartverkeer passeerde nu weer vlak langs de stad;
aan de
Werf kon nu weer gelost en geladen worden; de stedelijke
ambtenaren
vonden een makkelijker controle op de
scheepvaartverordeningen, wat
betreft het lossen, het meten, den aard der wateren,
tolgelden en stapel.
Stukken uit het begin der 17de eeuw klagen weer over
verlanding der
haven. Weer gaat men de Maas dwingen dichter bij de stad te
komen.
In 1601 zijn er reeds plannen, die een begin van uitvoering
krijgen. In
1603 wil men weer beginnen, maar met de uitdrukkelijke
bepaling van
eerst eens goed te overleggen, en alle mogelijkheden te
controleeren.
In 1605 is men aan 't werk; zoodat in Augustus 1608 de
„nieuwe ge-
gravene Maese" er is, en in 1609 ook de haven kan vernieuwd
worden.
Lang was men over de accommodatie der scheepvaartwegen niet
te-
vreden, want na 1650 is men weer bezig met doorgravingen,
die het
contact van Maas en Roer moeten verbeteren. Deze laatste
schijnt voor
Roermond van veel belang geweest te zijn, voornamelijk
natuurlijk
als rustige ligplaats voor de schepen, maar ook als
binnenhandelsweg:
immers eind 16de eeuw constateert men pogingen om op de Roer
zelf
297
plaatst, soms tot vijftig toe, zooals op het marktschip
van Roermond
op Venlo in 1576. Tijd van afvaart en aankomst, aanlegplaats
en vaste
vrachttarieven werden bij de verpachting der marktschepen
geaccor-
deerd.
Het postwezen schijnt pas later tot ontwikkeling te komen.
In 1692
werden pogingen aangewend om, ten vervoer van personen met
hun
bagage, correspondentie en pakketten, een postwagen te laten
loopen
tusschen Venlo-Maastricht en Venlo-Nijmegen. Tegen het
midden
der 18de eeuw is er een regelmatige dienst, en wel zóó, dat
de pachters
het uitsluitend recht van vervoer ontvingen. Men reed van
Venlo over
Roermond, alwaar voor 't eerst de paarden werden gewisseld,
naar
Stevensweert; daar de Maas over naar Maaseyck, en zoo over
Stockem
(tweede paardenwisseling) naar Maastricht. Van 1 April tot
30 Septem-
ber vertrok men 's morgens om 5 uur en was 's avonds te
bestemder
plaatse. Terwijl men Dinsdag en Vrijdag van Venlo naar
Maastricht
reed, werd op Woensdag en Zaterdag teruggereden. Van 1
October tot
31 Maart reed men in aansluiting op de aankomst- en
vertrektijden
van de postkoets Venlo-Nijmegen en vice versa. Naast deze
vaste
dagen en tijden waarop moést gereden worden, kon men ook op
andere
dagen en tijden een postkoets huren als er tenminste drie
passagiers
waren, of als een of twee personen voor drie wilden betalen.
In het kader der scheepvaart vooral waren van veel belang de
ampten
der „Cooldragers” en „huerverders". De aankomende schipper
was ver-
plicht van de diensten der in 't Cooldragersampt
georganiseerde lossers
en laders gebruik te maken, terwijl ook bepalingen, wien zij
het eerst
moesten helpen, niet ontbraken. Hoe deze cooldragers vooral
vochten
voor een concentratie van den heelen streekhandel in de
stad, zullen we
later zien. Men meent, dat het ampt der „huerverders” zijn
ontstaan
te danken heeft aan de noodzaak, om bij vaste beurtdiensten
op tijd te
varen, waarvoor te allen tijde dus hulpkrachten ter
beschikking moes-
ten staan. Een feit is echter, dat later de werkzaamheden
der huerver-
ders veelsoortiger zijn. We zien ze in de 16de eeuw al
(1563) houtvlotten
de Maas afboomen tot Kessel, alwaar de Venlosche
amptsbroeders
ze overnamen. Hun relatie met den houthandel vinden we ook
in 1591
en aangrenzende jaren. Luiksche handelaars - in goede
verstandhou-
ding met de Roermondenaars - gebruikten in de 17de eeuw voor
hun vaart naar de Vereenigde Nederlanden naast hun eigen
varens-
gezellen. bij voorkeur Roermondsche „huerverders” en zij
protestee-
ren er heftig tegen, dat Venlo hun aldaar Venlosche
huerverders
wil opdringen. We zien de leden van dit ampt dus duidelijk
optre-
den op verdere reizen, zooals trouwens ook in de 18de eeuw
her-
haaldelijk voorkomt voor de vaart op Dordrecht. Scherp zag
de georga-
niseerde er op toe, dat hij niet samenwerkte met den
ongeorganiseerde,
ofschoon de schipper zich toch wel de aanmonstering van
nietampts-
leden permitteerde, indien hij maar het verplichte aantal
leden van
bedoeld ampt had aangenomen.
Na in het voorgaande beschouwd te hebben de richting, aard
en wer-
kingssfeer van Roermonds handel en verkeer in ruimere
uitgestrektheid,
299
van den opslag te Linne en Asselt. Toch moet het in
1612 dit octrooi
van 1579 weer verdedigen te Brussel, en ondanks protest
wordt dit
voorrecht der stad in 1615 bevestigd.
Men schijnt dit stapelrecht ondanks vele strubbelingen te
hebben ge-
handhaafd tot den Franschen tijd toe. Want uit de jaren
1787-1794 zijn
er verschillende stukken, die dit bewijzen, en het waren
vooral de leden
van het „cooldragers"- en het „cremerenampt" die vochten
voor het
behoud. In Ool waren kolen uitgeladen en verkocht; de
vermetele schip-
per werd gevangen; twee zijner schuiten nam men in beslag,
en een
boete werd hem opgelegd. De tienmannen der gilden betitelen
dit stede-
lijke voorrecht als het „praerogatief, privilegie ende Recht
van Stapel,
„om- en opslagh wederzijds den Oever der riviere de Maese,
ende in
„de uytgestrecktheyd van den geheelen ampte van Montfort,
ende de
„plaetsen en dorpen binnen de uytgestrektheid, of in
denselven ampte
„geënclaveerd“! Het klonk plechtig genoeg, maar het neemt
niet weg,
dat de heele serie aan het request ten bewijze toegevoegde
stukken
toch den indruk wekken, dat ze zelf twijfelden aan de
rechtmatigheid
hunner aanspraken. Het bewijsmateriaal omvatte stukken van
1579
of tot 1787 toe. Zeer frappant is het zijdelingsche
heenwijzen naar het
stapelrecht van 1372, dat toch heel iets anders omvatte!
En men gaat zelfs zoover dat opgeëischt wordt het voorrecht,
dat in het
geheele ampt Montfort geen handel in granen mag worden
gedreven
tenzij in de stad Roermond, en dat zelfs geen graan van de
eene kar op
de andere mag geladen worden buiten de stad!
Het was wel goed, dat er een einde ging komen aan zulke
overdreven
concentratie, al werd die dan ook iets verzacht door de
bepaling dat
men elders aan de Maas mocht lossen en verkoopen, als eerst
de stede-
lijke magistraat verlof had gegeven, alle accijnzen en
tollen waren be-
taald en het loon der cooldragers was voldaan.
In de bovengenoemde stukken uit de jaren 1571 en volgende
werd ook
geklaagd over het zich vestigen van ambachtslui in de
dorpen: de indus-
trie diende ook in de stad geconcentreerd.
Hier mag zeker gesproken worden over de lakennijverheid, die
zoo
uitgebreid was, dat er reeds in de 14de eeuw een lakenhal
schijnt te
bestaan. We ontmoetten de Roermondsche wantsnijders reeds in
1375
op de markt te Kampen. Enkele jaren later blijkt Roermondsch
laken
te Venlo tolvrij te zijn. En de kwaliteit was goed: want in
1463 wordt
voor rekening van de Koningin van Schotland laken gekocht te
Roer-
mond; dit moest naar Nijmegen, en vandaar naar Arnhem worden
ge-
voerd. Tijdens den 80-jarigen oorlog werd tot steun van de
eigen indus-
trie, en benadeeling van den vijand de invoer van Engelsch
laken, kar-
sayen en stametten verboden in Gelderland (1592). Toch wijst
die blijk-
baar bestaande invoer op achteruitgang van de eigen
industrie, hetgeen
klopt met het feit dat na den brand van 1554 de
lakenfabrikanten
elders heen gingen. Roermond produceerde zelfs niet genoeg
meer voor
eigen gebruik, want in 1607 schrijft de Magistraat van
Roermond aan
die van Neer, Rade (Venray), Horst, Weert, Nederweert,
Stramproy,
Maaseyck, Susteren, Sittard en Heinsberg dat zij voortaan
allerhande
301
meten der waren aan de Werf, als straf kon worden
opgelegd een aam
bier; tot verzachting der straf mocht de beboete meedrinken.
Ook in
de 17de eeuw blijft Roermond zijn industrie beschermen, als
blijkt
uit het verlof dat een Luiker koopman in 1607 vroeg om bier
naar
Roermond te mogen brengen ten verkoop, terwijl reeds in 1604
Roer-
mond verlof vroeg - en waarschijnlijk ook verkreeg: zie 1607
- om
invoerrecht te mogen heffen op bier. Wel kwam later het
bierprevilegie
in groot gevaar. Toen n.l. in de dertiger jaren de
Staten-Generaal in
Limburg den baas speelden, en Roermond na den val van
Maastricht in
1632 ook veroverd was, hadden verschillende plaatsen o.a.
Maasniel,
Merum en Ool bierbrouwerijen opgericht, reeds elf in getal,
terwijl er
vroeger slechts twee waren. Roermond klaagt in 1637 dat
„deser stadt
nahringe" daardoor geheel te niet gaat, en vraagt om scherpe
maat-
regelen. De Staten-Generaal zullen wel min kans gehad hebben
hulp te
verleenen, want in 't zelfde jaar viel de stad in handen der
Spanjaar-
den. De militaire chefs der troepen, die nadien in Roermond
legerden,
richtten in de stad meer militaire cantinen voor wijn en
bier op dan
vroeger, zonder dat voor het aldaar gedronkene de stedelijke
accijns
werd betaald: 'n soort exterritoriaal gebied dus! De
landvoogd echter
maakte op verzoek der stad een einde aan dezen militairen
willekeur.
Hoe streng de stad haar previlegie bewaakte - en tegelijk
hoe hoog
het bier in achting stond - blijkt uit een zeer typeerend
feit uit 't jaar
1618. Jacobus Canisius, pastoor te Montfort, was eerst
kapelaan ge-
weest in Roermond, had toen trouw zijn plicht vervuld, en
zich vooral
zeer verdienstelijk gemaakt door het bezoeken der
pestlijders. Tot
eeuwigen dank schonk de stad hem met royaal gebaar vrijdom
van
accijns voor 't bier tot eigen gebruik.
Een groote rol in de stedelijke handelspolitiek spelen ook
de jaar- en
weekmarkten. Het meeste belang hadden blijkbaar de
zoogenaamde
vrije jaarmarkten: zoolang deze duurden, - en hier zien we
een soort
veiligheidsklep op de al te strenge concentratie van handel
en nijver-
heid in de stad - vervielen de monopolies en strenge
voorschriften
der gilden over handelsrecht en warenkeuring. De
plattelanders - ook
personen uit andere steden - mochten dan vrij de stad
inkomen, onge-
acht hun eventueele schulden of ander debet in civiele
zaken; alleen
voor schulden op die markt gemaakt kon men vervolgd worden.
Vrij-
geleide werd geborgd aan alle komenden, meestal gedurende 3
dagen
voor en na de marktdagen, en vaker werden, ten teeken der
vrijheid,
aan de stadspoorten kruisen opgericht. Was de plattelander
over 't
algemeen vrij om ter markt te trekken, toch was het geen
uitzonde-
ring dat er ook dwang op hem werd uitgeoefend. Bovengenoemd
vrij-
geleide schijnt wel noodig te zijn geweest, evenals
bepalingen over
marktvrede en wegenveiligheid. Hoe onveilig het soms was
voor de
marktbezoekers, zelfs in de onmiddellijke omgeving der stad,
blijkt
uit een geschiedenis in 1670. Marktbezoekers uit het ambt
Wassenberg
werden tusschen de Stad en de Kapel overvallen en
geplunderd: daar-
om zou de stad voortaan op de marktdagen Woensdag en
Zaterdag
303
wel tegenover het klooster van de Cruysbroeders. De
volgende jaren
zou de varkensmarkt altijd gehouden worden op 6 en 7
December
aan de Nielderpoort. In 1608 werd door den trouwkatholieken
vorst
bepaald, dat een jaarmarkt, vallend op een Zondag of Geboden
Feest-
dag verplaatst werd naar den dag ervóór of erná, terwijl die
van 6 De-
cember voor altijd verhuisde naar den 9en van die maand. Of
zich ook
nu weer hetzelfde afspeelde als boven, zoodat practisch het
„gemeyne
volk van buten Ruremunde" bleef komen op Sint Nicolaasdag?
In 1658
besluit men deze jaarmarkt maar weer altijd op 6 December te
houden;
alleen als op dien datum een Zaterdag of Zondag viel,
verhuisde de
jaarmarkt naar 9 December.
Roermond kende ook zijn weekmarkten. In 1573 worden er
gehouden.
In 1587 stelde de magistraat - er was groot graangebrek in
die dagen
- een vrije wekelijksche graanmarkt in. Dit moet wel gebeurd
zijn met
goedvinden van Philips, want twee jaar later geeft de vorst
- nadat
eerst stukken waren gewisseld over het octrooi tot het
houden er van
- aan de stad een wekelijksche markt op Woensdag, en wel
voor paar-
den e.a. vee. Deze weekmarkt werd verleend tegelijk met de
twee
bovengenoemde jaarmarkten op 25 Januari en 20 Juli; Philips
wilde
Roermond tegemoetkomen wegens de doorgestane ellende en den
brand
die de stad verwoestte. De steden Venlo, Weert, Gelder,
Erkelenz en
Straelen hadden, desgevraagd, geen bezwaar tegen dit
previlegie.
De eerstgenoemde graanmarkt van 1587 toont ons een
praktische han-
delspolitiek ten opzichte van den kleinen burgerman. Van 9
tot 11 uur
mochten n.l. alleen burgers en inwoners van Roermond graan
koopen
voor hun huisgezin, hun particulier gebruik. Na 11 uur pas
kwamen
de graanhandelaars en de grootverbruikers: bakkers en
brouwers, aan
bod, 't zij ze stadgenoot waren of niet. Om nu te voorkomen
dat de
prijs voor het kleine particuliere quantum hooger liep, dan
voor den
grootverbruiker, werd bepaald, dat zelfs na 11 uur, ieder
particulier,
als in zijn tegenwoordigheid door een in- of uitheemschen
graanhande-
laar, bakker of brouwer koren werd gekocht, van dien koop
een deel
mocht nemen tegen denzelfden prijs! En geen nood, dat
gegadigden de
boeren op de buitenwegen tegemoet gingen, of thuis
opzochten, ten-
einde te koopen buiten de markt! Dit werd strafbaar gesteld,
terwijl
de boeren van hun kant gedwongen werden hun koren naar de
stad te
brengen. Om nu ook weer de boeren en de vreemde
korenhandelaars te
trekken, kon men na den markttijd - dus als Roermonds burger
ver-
zadigd was - het koren uit de markt nemen, en ook elders
heen
voeren, tenminste als 't eigendom was van de handelaars, en
niet meer
van de boeren of onderdanen van Zijne Majesteit. Wellicht
kon de
handelaar dus rekenen op een niet te hoogen prijs, omdat de
boer zijn
waar natuurlijk liever kwijt was.
Verder zijn er weinig gegevens. Wel blijkt dat er in 1670 op
Woensdag
en Zaterdag markt wordt gehouden, terwijl in 1692 de
paardenmarkt
op Vrijdag wordt gehouden, en wel onder bijzondere
condities. Alle
paarden immers uit de heele provincie Gelderland moéten naar
Roer-
mond gebracht worden ten verkoop op de wekelijksche
Vrijdagsche
305
HET WAPEN VAN
DE STAD
door
MR. R. DE NERÉE TOT BABBERICH
ET stadswapen, dat men op verschillende publieke
gebouwen uitgebeeld ziet en waarvan het wapen-
schild in het stadszegel, dat men in afdruk op alle
officieele stukken der gemeente kan aantreffen,
handhaaft tot op den huidigen dag in de gekozen
emblemen, d.z. de heraldische figuren, de oude traditie, die
stads oor-
sprong, opkomst, bloei en ontplooiing vastknoopt aan de
eerste Roer-
mondsche wereldlijke grondheeren, die de stad gehad heeft.
Het in
2 gelijke deelen horizontaal verdeeld schild vertoont
namelijk een loo-
penden naar rechts (heraldisch) gekeerden leeuw met
opgeheven rech-
terklauw, waaronder de heraldische lelie. De leeuw stamt van
het oude
geldersche gravengeslacht, de heraldische lelie was het
embleem der
oude voogden. Reeds in een stadszegel, nog in afdruk
voorhanden, uit
het jaar 1336, worden deze beide wapenfiguren, zij het dan
ook dat de
leeuw staande met uitgestrekte klauwen wordt afgebeeld,
aangetroffen,
zoodat dit zegel der stad thans bijna een 6 eeuwen als
officieel cachet
wordt gebruikt. Hoewel dus op zich zelf reeds zeer oud,
bezit het
gemeentearchief nog een mooi oud archivale, een document van
1278,
waaraan het oudst bekende schepenzegel der stad hangt en dat
ons
alleen in het schild den staanden leeuw, vergezeld met de
zoogenaamde
blokken of turven, laat zien met het randschrift „Sigillum
Burgensium
de Ruremonde". Het is het wapen van den gelderschen graaf
Reinald I
+ 1326, die dit zegel had aangenomen.
Wij zullen dadelijk zien, wat wellicht de reden geweest kan
zijn, waar-
om de magistraat na 1278 dit eerste schepenzegel liet varen
en daarvoor
een ander ging aannemen.
Vóóraf iets van de thans nog vigeerende wapenfiguren, die
wij boven
in het zegel van 1336 vermeldden. De heraldische lelie, die
de Roer-
mondsche voogd Theodorich als embleem voerde en waarmede hij
o.a.
in 1282 de huwelijksacte van graaf Reinald II van Gelre
bezegelde, toen
hij met de dochter van den graaf Guy van Vlaanderen,
Margaretha,
zou gaan trouwen, is de in het oude graafschap Gelre
veelvuldig voor-
komende wapenfiguur van germaanschen oorsprong, ook wel de
„gleve”
genoemd. Verschillende oudgeldersche riddermatige geslachten
van
dien tijd, waarvan er nog over zijn, hebben dit embleem in
hun wapen
gevoerd o.m. de geslachten Eyll, Asselt, Wachtendonck,
Oisterwick,
Korff en andere. Om in dit wapenfiguur de „lys", wat de
„fransche"
lelie is, te zien, is naar mijne meening verwerpelijk. Het
laatste wapen-
embleem, dat de fransche koningen in de 11de en 12de eeuw
als hun
307
van de kleinere geslachten als Valkenburg, Brederode,
Schenck, e.a. die
ook daaraan meededen. Al deze leeuwen werden nu van
lieverlede ter
onderscheiding verschillend, zoowel in voorstelling als
heraldische
kleuren, voorgesteld en een zeer aardig specimen van deze
leeuwen
laat thans nog het officieele wapen zien, dat het gewest
Limburg met
zijn 4 leeuwen voert. Zoo kan men thans nog de klauwende, de
ge-
kroonde, de halve, de een- en dubbelstaartige leeuwen in de
wapens
weervinden, zoo ziet men nog de gouden, zilveren, zwarte,
groene,
roode en blauwe leeuwen. Zoo spreekt men nog van den
nassauschen
leeuw, dien ons koningshuis voert en dien men in het
rijkswapen terug-
vindt. Maar uit den booze is om aan Nassau het oerrecht van
den
heraldischen leeuw te geven. Deze geldersche leeuw van het
Roer-
mondsche wapen heeft wederom op zijn beurt in zijn
voorstelling en
uitbeelding de noodige veranderingen ondergaan. Otto II +
1271, de
vader van graaf Reinald I + 1326, koos in zijn wapen een
klimmenden
of klauwenden leeuw van goud in een veld van azuur,
ongekroond en
éénstaartig en voegde daar nog later de gouden blokken of
turven aan
toe, wat thans nog is het nassausche wapen en waarom men
zoolang
gemeend heeft, dat de oergeldersche graven Nassauers geweest
zou-
den zijn. Reinald II + 1343, Otto's kleinzoon met den
bijnaam van den
„Zwarte” en sinds 1339 eerste hertog van Gelre, kroonde den
leeuw
en gaf hem een dubbelen staart. Althans dit is zijn
officieel wapen
geworden. Maar dit wapen was het oerwapenschild van het
hertog-
dom Limburg en het vermoeden ligt wel voor de hand, dat
Gelre, toen
Reinald I na met de erfdochter van den hertog van Limburg
getrouwd
te zijn geweest, als vruchtgebruiker van dit hertogdom ook
wel vaak
naast zijn titel van graaf van Gelre dien van hertog van
Limburg voer-
de, dit in het wapen wilde vasthouden. Bij de onvastheid der
wapen-
emblemen in dien tijd en bij de zucht naar hooger aanzien,
waar een
hertog ten opzichte van een graaf de hoogere was, is dit wel
te ver-
klaren en dit temeer, waar het hertogdom Limburg in
mannelijke des-
cendentie uitgestorven, vacant was geworden en de graaf van
Gelre
als echtgenoot van de erfdochter Margaretha voor haar als
hertogin
van Limburg moest optreden en hem buitendien door den Keizer
het
hertogdom was toegezegd. Wij weten nu dat de bloedige slag
bij Woe-
ringen 1288 aan deze aspiraties een einde heeft gemaakt en
het hertog-
dom Limburg naar Brabant overging. Het geldersche
gravengeslacht
stierf nu uit met Eduard + 1371 en het hertogdom Gelre kwam
door
het huwelijk van Maria, de jongste dochter van Reinald II +
1343 aan
diens echtgenoot Willem van Gulick + 1402, die hertog van
Gelre werd.
Deze laatste plaatste nu in het geldersche stamwapen naast
den gel-
derschen leeuw den gulikschen leeuw van sabel in een gouden
veld,
maar in omgekeerde houding, links Gulick, rechts Gelre, tot
eindelijk
zijn opvolger Reinald IV + 1423 de leeuwen van plaats deed
verwisselen
en Gelre links (met omgekeerden leeuw), Gulick rechts
plaatste, wat
sindsdien het geldersche wapen is gebleven en nog als
zoodanig dienst
doet, met als helmteeken een breede waaier van witte
pauwenoogen,
die wij in het Roermondsche stadswapen nog terugvinden.
309
zelfstandig geheel te vormen, dat, steunend op de
langzamerhand ver-
kregen voorrechten in de gegeven privilegia, deze vasthield
en daarvoor
opkwam en hardnekkig verdedigde. In dit stedezegel van 1336
zien
wij dit nu op aardige wijze vertolkt. De stadsmagistraat
heeft met zijn
zegel een voorstelling willen geven, die den oorsprong en
het ontstaan
van de stad zinnebeeldig in de herinnering der burgers wilde
vasthou-
den. Beziet men nu dit stedezegel, dan kan men daarin de
mispel-
bloemen, het oude geldersche embleem, dat de geldersche
graven in
1336 niet meer voerden, terugvinden. In een rand van
gothische orna-
mentiek vindt men deze terug, terwijl ook de latere
geldersche leeuw
wordt aangetroffen. De relatie, die Roermond weleer aan de
voogden
verbond, heeft men niet willen vergeten en men bracht daarom
ook de
heraldische lelie in het wapen aan. Men kan nu den
gedachtengang der
ontwerpers duidelijk voor den geest terugroepen, die zich
een „sigil-
lum" kozen, waarbij zij weliswaar het geldersche verband
niet los-
lieten, maar daarnaast wilden te kennen geven, dat ook
oudtijds de
voogden de locale machthebbers waren geweest en deze geest
van
onafhankelijkheid wordt nog eenigszins geaccentueerd, waar
wij im-
mers weten, hoe deze voogden langzamerhand door de graven
zijn ver-
drongen, op zijde gezet en als plaatselijke gezaghebbers aan
de graven
ondergeschikt werden.
Het spreekt vanzelf, dat in het gemeentearchief van Roermond
en ook
elders eene groote menigte zegels, waarin het stadswapen
voorkomt,
wordt aangetroffen, die over de 7 eeuwen van het verleden te
verdeelen
zijn. Hoe meer men teruggaat, hoe zeldzamer deze worden. Wij
zullen
er uit iedere eeuw een nemen en daarvan ook de
randschriften, die ge-
wichtig zijn, weergeven.
1. Vooreerst het oudste schepenzegel van 1278, waarover wij
reeds
schreven. Het hangt aan een perkament document van 8
September
1278 ten raadhuize aanwezig en achter glas ingeraamd. In dit
document
verklaren de toenmalige parochus (pastoor) Daniel, die heel
waarschijn-
lijk voor den voogd zal opgetreden zijn, en de schout
Godefridis de
Greverode, die den graaf verving, alsmede de schepenen van
Roer-
mond, die voor de stad optraden, dat het echtpaar Hendrik en
Hilla
al hun hebben en houden met hun huis en 12 sterlingsche
marken, om
vergiffenis hunner zonden te bekomen, wegschenken aan het
hospitaal
te Roermond. De schepenen waren Henricus de Crugten,
Henricus
genaamd Sontag, Conradus de Wesheym, Gerardus genaamd
Scotto,
Sibertus genaamd Mere, Joannes zoon van Mattie (Mathias?),
Gos-
winus genaamd Busen, Henricus zoon van Gervasius en
Engelbertus,
dus 9 schepenen. Aan het document hingen 2 eenigszins
beschadigde
zegels in groen was van den pastoor en dat der schepenen.
Het schepen-
zegel is 7 c.M. in middellijn en is een 3-hoekig wapenschild
(gothisch)
bezaaid met de blokken en daarin de klimmende, éénstaartige
leeuw,
met omschrift „Sigillum Burgensium de Ruremunde”
2. Het eveneens tevoren gememoreerde zegel van 1336. Het is
een
driekhoekig wapenschild omgeven door 6 mispelbloemen in
gothische
ornamentiek. Het schild is doorsneden, boven de klimmende en
klau-
311
als de stad Roermond, die op een hoogen ouderdom kunnen
bogen,
een wapen te geven of te laten aannemen, dat oudtijds de
eenling ge-
bruikte om zijne riddermatige heraldische insignia op de
tournooien
te laten zien, zoodat het m.i. minder juist is, waar de stad
Roermond
q.q. toch nooit op tournooien kon uitkomen, schuilt er in
deze wapen-
beschrijving een heraldische storende fout. Het helmkleed,
dat de ge-
harnaste ridder op de tournooien en in den oorlog gebruikte
en van af
zijn helm, waarop het sieraad uitkwam, naar achteren over
het paard
heenhing, had meestal slechts een kleur met het metaal. Van
deze beide
was het metaal (goud of zilver) de binnenkant, de kleur
(azuur, sabel,
keel, sinobel en purper) de buitenkant van het helmkleed,
zoodat, wil
het Roermondsche wapen daarmede overeenstemmen, het lofwerk,
wat
het oude helmkleed identificeert, inwendig zilver en aan den
buiten-
kant van azuur zou moeten aangegeven worden.
Waar nu Roermond, naar ik meen, nog geen officieel
geregistreerd ge-
meentewapen bezit, gelijk de meeste Nederlandsche gemeenten
dit wel
bezitten, zou daarmede, wanneer de registratie eens wordt
aangevraagd,
rekening kunnen gehouden worden en het niet onaardig zijn,
wanneer
het gemeentebestuur, mede ter herinnering aan het 7e
eeuwfeest der
stad, een zegel aannam in een eenvoudige goedheraldische
opvatting,
die evenals in de 14de eeuw in de uitgebeelde wapenfiguren
de traditie
van het verleden bewaarde.
313
trachtte te verkrijgen, een recht, dat haar dierbaarder
was dan de terug-
gave der geleende penningen.
1486. Veertien jaren na bovengenoemde oorkonde mocht
de stad,
blijkens een vroeger in de verzameling Guillon aanwezig
register, ook
halve stuivers (tenzij er gelezen moest worden „een en
halven strs")
aanmaken: er was n.l. te lezen in 't „Register van de
Pampieren ende
Documenten raekende de stadt Ruremonde, die sigh bevinden in
het
groote Coffer binnen de archyven aldaar" van een „Octroy van
te mo-
gen munte slaen van eenen halven strs de anno 1486 sub
letter DD".
1492. Zes jaar later krijgt de stad andermaal
uitbreiding harer be-
voegdheid. Karel van Egmond nu overweegt in een giftbrief
van den
8sten Mei 1492 „dat wij uit sunderlinger gracien ind
mercklicker oirsa-
ken wille, ons dairto bewegende, so wij verstaen onse
moderlicke kirck
onser stat van Ruremunde arme is, ind geyne renthen en heeft
tot
gehalt ind gemeynen bouwe in onse stat vurscreven die halden
moet,
ind so dieselve onse stat (mit) waternoide ..... oick
sweirlick belesticht
is ..... ", zoo staat hij de stad toe om ten „alle tijt alst
hon nutt dunckt
in behoiff der stat" ..... binnen Roermond te mogen munten
„sylveren
gelde, oft pennyngen, den meisten pennynck van der weirden
tot enen
alden braspenninck toe ind dair onder, halve, dordeylen off
virdelen
ind kleyne gelt, ind onder onsen naem, wapen ind helmteyken
off onder
tytel ind wapene onser stat van Ruremunde vurscreven ..... "
's Vor-
sten vrijgevigheid gaat zoover, dat hij afstand doet van het
hem toe-
komend gedeelte: „Ind sulck profijten van sleeschat dair van
komende
sullen sijn in behoeff onser stat ..... " Onder „sleeschat“,
waarschijnlijk
af te leiden van slegeschat, of te wel slagschatting, wordt
verstaan
een heerlijk recht, een schatting, door den leenheer geheven
wegens het
recht van muntslag.
1505. In dit jaar gaf de Hertog toestemming om
gedurende een half
jaar bovendien goudgeld te munten „onder onsen naem ende
wapenen."
- Roest, Essai de classification des monnaies ..... de
Gueldre, 1893,
p. 208.
1525. Hertog Karel doet waarlijk voor zijn
voorgangers niet onder;
in een stuk van Maart 1525 verzucht hij, dat de stad
„vermytz kriegh
ind oirlouch in groiten schulden in schaiden verloipen ind
gekomen"
is, dat het zijn plicht is hierin tegemoet te komen. Hij
besluit dan ook
„om oeren schaide ind schulden te vurkommen" de stad toe te
staan
aan te munten „golden ind sylveren pennyngen” van hetzelfde
type als
de hertogelijke. Wel worden er eenige beperkingen aan toe
gevoegd:
1° tot wederopzegging en 2° de Roermondsche munten moeten te
onderscheiden zijn van de Geldersche, waartoe in de gouden
en zilve-
ren rijders het stadswapen duidelijk geplaatst moet staan
„recht onder
id peert", terwijl de Clymmergulden - zoo genoemd naar de
twee klim-
mende leeuwen in het wapen van Gelderland - elders van dit
ken-
teeken moet zijn voorzien. Een vrijgeleide voor allen, die
goud en zilver
naar de Roermondsche Munt brengen, wordt den 3en April
verstrekt.
Hoelang van dit recht gebruik is gemaakt, weet ik niet;
eerst in 1593
vernemen wij iets: de Raad besluit in haar zitting van 5
Augustus „der
315
welijks weer aan slag of er dreigde „retardement ofte
beletsel in den
aengevangen munte"
Wat was er geschied?
1607. De Rekenkamer klaagt bij brief van den 24en
October 1607 er-
over, „dat men voor over seeckeren tijt geslaghen ende
gemunt heeft
binnen der stadt Ruremunde ende noch dagelijcx soude slaen
ende
munten oortkens van coper onder den naem titre ende wapenen
van
heure hocheden .... in exorbitante quantiteyt ende veel meer
als van
noede soude moeghen sijn .... daeraff dat sij bevinden dat
mennichte
in Brabant tot Brussel ende elders syn worden gesonden ....
". De
Rekenkamer vraagt dan op welke ordonnantie en op wiens last
dit ge-
schiedt. Den 28en reeds wordt copie gezonden van het octrooi
„dat wir
van over veul jaeren daervan syn hebbende" en verder
verzekert de
stad, dat de munt haar geen voordeel heeft afgeworpen,
integendeel;
dat een gedeelte der opbrengst gaat aan de kerk, dat de stad
zeer ver-
armd is door den oorlog en de inkwartieringen. Twee jaar
later (29 Oct.
1609) wordt door de Aartshertogen de uitgifte van oorden
verboden te
's-Hertogenbosch, Maastricht en Roermond, omdat „onse landen
en ste-
den overvuelt" worden met kopergeld: de Roermondsche Munt
wordt
stilgelegd tot nader order. De stad zal zich wel beroepen
hebben op
haar oude privilegiën, maar Aartshertog Albert blijft van
oordeel, dat
het munten te Roermond onnoodig is en hij voegt eraan toe
„dat wij
geïnformeert zijn doer de generaels van onse Munte, dat de
munten
bij U geslagen is verre onder de weerde ende den voet die
herwaerts
overe wordt gehouden.
Voorwaar geen roemrijk einde dezer periode.
Het wordt tenslotte een afwisselend munten en stilliggen;
den 4en April
1612 zijn Burgemeesters, schepenen en raad weer eens met
Meester
Jacob van Nederhoven „veraccordeert wegens het munten" en
men
tracht zich de voorspraak te verzekeren van G. Haghen, den
agent der
Staten van het Overkwartier te Brussel, wien echter niet
ontgaat de
„swaericheyt ....
dat de geslaegen munt van de oortkens niet en is
conform het reglement .... " De stad verzekert nog eens, dat
haar oort-
kens niet slechter zijn dan andere en dat bovendien uit het
privilegie
tacite is af te leiden, dat oordjes geslagen mogen worden.
1613, 1616. Het wordt een heen en weer geschrijf en
de 26e April
1613 eer de toestemming gegeven wordt. Een volgende
instructie en
ordonnantie dagteekent van 13-V-1616, zoodat men mag
aannemen,
dat toen weer munt geslagen werd. In April 1612 had de
Magistraat
reeds overleg gepleegd met den waardijn Daniels en den
muntmeester
Jacob van Nederhoven; als oudste muntgezellen worden genoemd
Vaes
Belten en Geurt Teuwen. De Munt moet in die jaren weer volop
ge-
werkt hebben en men wilde zelfs nog meer typen aanmunten,
blijkens
een verzoekschrift van den Magistraat aan het Hof van
Gelderland om
vergunning tot het mogen aanmunten van stooters, 1/2
stooters en min-
dere munten.
1633. Den 2en Mei 1633 wordt met Jan Vossinx,
muntmeester, ver-
accordeert te munten „6000 marck doeyten op den voet van de
Prov.
317
Juli om den Generaals van Zijner Majesteits Munte
octrooi te vragen
om te mogen slaan „swaere halve stuyvers, stuyvers,
dobbelstuyvers,
drystuyvers ende sesstuyverspenningen." De beslissing der
hooge Hee-
ren is mij niet bekend; het volgend jaar is er sprake van
een raåds-
besluit tot het munten van „copere deuten ofte myten". Dat
er in dit
decennium gemunt is, blijkt uit de verantwoording over de
jaren 1661
en 1666; in laatstgenoemd jaar is er sprake van den munter
Jan Bis-
schops, en van den graveur Sr. François Steuaert te Luik
wegens „ge-
leverde voeten en opperysers .... alsook voor 't snijden oft
graueren
derselve." Met Steuaert bleek men in 1654 reeds in
briefwisseling.
1680. Bij brief van den 2en April laat de Rekenkamer
vragen naar de
overeengekomen jaarlijksche afrekeningen, welke vermoedelijk
in het
vergeetboek waren geraakt, want er wordt besloten „een
generaele
reeckeninge van de munte sedert den jaere 1613" op te maken;
van
den anderen kant teekent de stad protest aan over de
bemoeiingen van
de Rekenkamer. In November '80 worden nog eenige honderden
pon-
den coperen plaatjes uit Holland - doorgaans betrekt men het
koper
uit Aken - besteld; in afwachting van 's Konings antwoord,
was men
dus weer lustig aan het werk. Den 22-X-1682 kwam echter een
schrijven
van den Marquis d'Alcaretto, Grana, enz. als Lieutenant
gouverneur
et Cape Général des Pais-Bas, zijn „Chers et bien Amez" van
Roer-
mond onaangenaam verrassen; hij schrijft, dat hij vernomen
heeft, dat
zij duiten slaan „ne pesant pas six .....", weshalve hij
namens den Ko-
ning tot nader order moet verbieden het verder aanmunten van
duiten.
De burgemeesters van Roermond roepen nu de hulp in van den
Mar-
kies van Hoensbroek te Brussel om eindelijk - het is al Mei
'86 ge-
worden - de zoo lang begeerde oplossing te krijgen; de stad
is nu vol
van Fransche duiten, waar de koning, noch de stad eenig
voordeel
van hebben.
Den 15-II-1687 wordt andermaal de nood geklaagd, thans over
gebrek
aan kleingeld bij l'agent van der Sterren. Het antwoord van
van der
Sterren is niet bemoedigend. „Ce ministère est inflexible",
schrijft hij en
hij raadt aan op een andere manier dan door den gewraakten
„Duiten-
slach" aan geld te komen. Hij geeft verder in overweging
zich te wenden
tot den Koning in Spanje.
Het lang verwachte antwoord des Konings d.d. 2 Oct. 1694
bereikte
eindelijk den Roermondschen Magistraat; het advies van den
Raad van
Gelder klaagde over gebrek aan kleingeld, waardoor men op
vreemde,
de Fransche duiten en de Luiksche liards, was aangewezen,
die een on-
voordeelige valuta hebben; het koninklijk antwoord voorziet
in deze
behoefte, maar anders dan men in Roermond hoopte: „de
s'adresser
à notre conseil des finances, pour par eux faire fabricquer
la quantité de
petites monnayes de cuivre qu'ils pourront avoir de besoin
.... "
De Raad kon er nog niet overheen en besluit, dat de „hr.
Borgemr. Lom
sal mogen presenteeren eene somme van 100 ducatons voor een
ver-
eeringh aan den agent Blokeau bijaldien hij .... kan
procureeren de op-
heffinge van de interdictie" (10-III-1695). Een zakelijk en
duidelijk ge-
steld request, gesteund door den Raad van Gelre, mocht niet
baten:
319
ZEDEN, GEWOONTEN EN
GEBRUIKEN TE ROERMOND
door
J. HUIJSMANS
AN de oude zeden en gebruiken, die het dage-
lijksch leven in vroegere tijden zooveel kleur en
aantrekkelijkheid gaven, is te Roermond weinig
meer overgebleven.
Een schets van wat verdwenen is, moeten we put-
ten uit de oude landrechten en costuymen, uit de Limburgsche
wijs-
dommen en het gewoonterecht. En niet het minst het leven in
de
buurtschappen of de putten, die oude tradities nog taai
handhaven,
kan ons daarbij leiding geven. Ook de feesten van het
kerkelijk jaar
en de heiligenkalender brengen ons nog vrome en merkwaardige
ge-
bruiken voor den geest.
De putten als buurtvereenigingen vormden den schakel
tusschen de
stadsregeering en de burgerij; ook als bestuursorgaan
hielden zij veel
in stand, wat anders onherstelbaar zou verdwenen zijn. Op de
putten
vierden de burgers feest bij geboorte en doop en bij
priesterwijding
en bruiloft. Maar ook bij ziekte en rampen, bij sterven,
uitvaart en
begrafenis deelde men er leed en smart en gaf men er blijk
van door
algemeene deelneming.
Reeds in de eerste weken van het kerkelijk jaar vinden wij
hier een
oud gebruik nog in wezen. Omstreeks 30 November, St.
Andries-
dag, stellen Burgemeester en Wethouders van Roermond voor
het loo-
pende jaar de St. Andrieseffractie vast. Deze wordt in een
te Roermond
verschijnend dagblad afgekondigd. Rekening houdend met de
moge-
lijkheid van betaling der pachtprijzen in natura, worden de
prijzen van
bepaalde granen en erwten bij voorgeschreven eenheden van
maat en
gewicht vastgesteld. Volgens sommige lezingen is het gebruik
zeer oud.
Hier wordt het vóór den Franschen tijd - in 1787 - al
vermeld.
Het gebruik bestond ook op andere plaatsen. In vroegere
eeuwen lezen
we dat de Roermondsche Karthuizers aan den Pastoor der
Moeder-
kerk een cijnsbelasting schuldig waren, die op St.
Andriesdag verviel.
Ook de adellijke Munsterabdij moest eveneens op St.
Andriesdag aan
den Pastoor een cijns betalen ter waarde van 5 malder tarwe,
5 malder
rogge, 5 malder gerst en 5 malder haver. Nog in 1762 werd
deze cijns
betaald.
Als vage herinnering aan de „bandagen” der vroegere ampten
vieren
de smeden op 1 December nog St. Eloy; dan wordt niet gewerkt
en de
dag tot feestdag gemaakt. Hetzelfde doen de metselaars en
leidekkers
enkele dagen later op St. Barbaradag, 4 December.
St. Nicolaas wordt hier gevierd als op andere plaatsen.
Vroeger was
het feest van meer beteekenis, omdat er toen jaarmarkt werd
gehou-
321
ding daarvan de dag tot feestdag gemaakt, zooals ook
van Roermond
op 15 Juli 1599 wordt verhaald.
Maria-Lichtmis werd vroeger gevierd door de zoogenaamde
Licht-
processie, die, zooals uit sommige stukken blijkt, ook door
de gilde-
leden moest worden bijgewoond, fakkel of kaars dragend.
De rekeningen van de Moederkerk liepen tot Lichtmis, waarbij
wel-
licht de talrijke verplichte offers der ampten, vooral in
was, van in-
vloed zijn geweest. De burgerkapiteins, waarover later nog,
werden
met Lichtmis op wijn onthaald.
De stadsbestuurders hadden St. Peter tot patroon en vierden
den dag
van St. Petrus ex Cathedra of St. Pieterstoel als feestdag.
Dan werden
ook de nieuwe burgemeesters gekozen. De jonggezellen van den
St.
Brunoput werden in het Karthuizerklooster onthaald en kozen
zich op
St. Pietersavond onder elkander een burgemeester, zooals de
Donder-
dagsche Protocollen „naar den alden gebruick“ op 18 Februari
1610
vermelden. De tractatie bestond toen uit „4 verdel wijns“.
De vroed-
schap vierde den feestdag met een uitgelezen maaltijd,
waarbij het
soms nogal royaal toeging. Dan werd beperking
voorgeschreven, evenals
voor de gildemaaltijden, die ook, ondanks de dikwijls
slechte tijdsom-
standigheden, meermalen in brasserijen en onmatigheid
ontaardden.
De verkiezing van den Peyburgemeester geschiedde met zeker
cere-
monieel, dat volgens de Donderd. Protocollen van 20 Februari
1738
al van voor onheuglijke tijden werd gevolgd. De leden van
den Ma-
gistraat kwamen 10 uur 's morgens op het stadhuis bijeen en
hoorden
om 11 uur in de kathedraal de Mis van den H. Geest. Door de
boden
met hunne staven werden de raadsleden in plechtigen stoet
naar de
kerk gebracht. Na de H. Mis nam men samen het middagmaal.
Den volgenden dag werd een H. Mis van Requiem gehoord voor
de
afgestorven raadsleden, waarna de vergadering op het
stadhuis werd
voortgezet. De nieuw gekozen burgemeester werd door de boden
naar
het stadhuis geleid en legde daar den eed af met de hand op
een voor
hem liggend kruisbeeld. Het was ook gebruik, dat op St.
Petersdag
meiden en knechten werden ingehuurd en dan een drinkgeld
ontvin-
gen, den meepenning, ook huurpenning of Godspenning genoemd.
Van Palmzondag lezen we, dat hier vroeger de gewoonte
bestond,
den intocht des Heeren binnen Jeruzalem door een omgang uit
te beel-
den. Men had zelfs een afzonderlijke broederschap, die -
evenals in
het land van Loon, - het beeld van den Zaligmaker, zittend
op een
ezel, in den stoet meevoerde.
De gewijde palm werd aan de Hoochkerk uitgedeeld op een
daarvoor
bestemde plaats, die in de kerkrekeningen met name daarvoor
was aan-
gewezen. Palmzondag herinnert ons ook aan den palmbessem,
aan den
palmbos of de Mei op het dak van het nieuwgebouwde huis, ook
aan
het palmstruikje op de vier hoeken van het korenveld; vrome,
zin-
rijke gebruiken, die hoewel verminderd, hier nog voortleven.
Het is traditie, dat op Witten Donderdag de winkeliers en
nering-
doenden in hun etalages met het beste en het schoonste uit
hun voor-
raad voor den dag komen. Vooral de slagers doen dan hun
best. En
323
Tusschen de processiezondagen valt Sacramentsdag,
tevens de laatste
kermisdag van Roermond. Reeds door sommige ampten werd deze
dag
als feestdag gevierd. Maar niet altijd als kermisdag. Eerst
onder Phi-
lips II, op 4 Juli 1597, kreeg de stad het octrooi om de
kermis te ver-
plaatsen van Dinsdag na Pinksteren naar
Drievuldigheidszondag.
Op 24 Juni wordt St. Jan gevierd. In de Donderdagsche
Protocollen
lezen we dikwijls het verbod om St. Jansvuren te stoken en
St. Jans-
kronen op te hangen. Om deze kronen danste het volk. Over
het ont-
staan van dit gebruik wordt verschillend geoordeeld. Sommige
schrij-
vers brengen het in verband met den heidenschen cultus van
het
Zonnewendefeest, dat ongeveer in dien tijd, als dag en nacht
even lang
zijn, wordt gevierd. 't Is niet onmogelijk, dat hier een
vroeger hei-
densch gebruik door de invoering van het Christendom werd
ge-
kerstend.
25 Juli brengt ons de patroondagen van St. Jacob en St.
Christoffel.
De eerste werd als patroon der visschers, vroeger meer dan
nu, vereerd;
de voorstad St. Jacob dankt aan dezen heilige haar naam. St.
Chris-
toffel, de stadspatroon, werd in vroeger tijden als
noodhelper en be-
schermer in pestziekten aangeroepen. Thans is hij de
geestelijke be-
schermer der automobilisten en heeft daarmede het aanzijn
gegeven
aan de jaarlijksche autozegening, door den Deken der
Kathedrale Kerk.
Op 26 Juli vereeren nog de kleermakers en naaisters St. Anna
als
patrones.
Met Augustus en September zijn we genaderd tot de
Lievevrouwe-
dagen, n.l. Mariatenhemelopneming en Mariageboorte, ook wel
Hooge
en Lage Lieve Vrouwendag genoemd. Dan is aan de Kapel in 't
Zand
de toeloop van pelgrims het grootst. Tusschen beide dagen 15
Augustus
en 8 September valt ook St. Bernardusdag op 20 Augustus, die
veel
Duitsche pelgrims naar de Munsterkerk ter vereering trekt.
De Lieve-
vrouwedagen worden in de Kapel in 't Zand met octaven
gevierd; deze
octaven dateeren reeds van 1613.
Wij herinneren hier aan het gebruik, dat nog in eere is bij
de pel-
grims, om - voor men het heiligdom verlaat - driemaal
biddend rond
de kapel te trekken. Deze traditie wordt sedert een tiental
jaren ook
nagevolgd door de bewoners van de wijken aan de kapel op den
dag
der sluiting van de zomerbedevaarten.
Een zinrijk gebruik op Mariatenhemelopneming is nog de
zegening
van den kruidwisch. Vóór de Hoogmis worden in de kerk
meegebrachte
bundels van bloemen en kruid (kruidwisch) als behoedmiddel
tegen
donder en bliksem en ziekten en kwalen door den priester
gewijd.
De wisch bevat vooral de koningskaars, hemelbrand of
toortsbloem, in
Limburg de kruidwisch bij uitnemendheid.
Bij de Lievevrouwedagen wijzen we ook op den nog bestaanden
bede-
tocht der zeven maagden. Is een zieke in doodsnood, dan
trekken
zeven jongedochters van den put onder het bidden van den
rozen-
krans naar de Kapel in 't Zand. Daar wordt de putkaars
aangestoken
en driemaal biddend rond de Kapel getrokken. Tot heil van
den zieke
325
verrijst een eereboog, smaakvol van frisch dennegroen
opgericht, met
een „Hulde” of „Welkom” en ook wel met een transparant,
chronicon
of jaarvers, toepasselijk op den feestdag en de bijzondere
levensom-
standigheden der jubilarissen.
Wijlen Jos. Luyten, Roermondenaar in hart en nieren, heeft
tallooze
malen belangeloos zulke jaarverzen voor de putfeesten
samengesteld.
Voor de onkosten wordt op den put door de kinderen, ook wel
door
de putmeesters, geld ingezameld.
Op den morgen van den feestdag hooren de feestelingen met
hunne
familie en vrienden een H. Mis en worden dan in plechtigen
stoet door
bloemen strooiende bruidjes, onder leiding der putmeesters
naar hun
woning geleid. Aan den ingang van den put spreekt een der
putmees-
ters een welkomstwoord; daarna trekt de stoet verder tot aan
de wo-
ning der feestvierenden. Voor het huis staande nemen dan de
jubi-
larissen het geschenk van den put in ontvangst, dat wederom
door een
der putmeesters, met een toepasselijke aanspraak, dikwijls
geestig, ook
wel op rijm, maar altijd hartelijk en welgemeend, wordt
aangeboden.
Den geheelen dag duurt het feest voort en alle putbewoners
nemen er
meer of minder deel aan. Tot op heden is het nog
gebruikelijk, dat
geestelijke en wereldlijke autoriteiten, de Pastoor-Deken
met Heeren
Kapelaans, Burgemeester, Wethouders en Secretaris, van hun
belang-
stelling door persoonlijk bezoek doen blijken. Voor de
nooddruftigen
blijft gewoonlijk een geschenk in geld vanwege de Gemeente
niet
achterwege.
Ook bij verjaardagen van oudere en verdienstelijke burgers
vierde de
put feest. Groote putfeesten werden o.a. gehouden bij
gelegenheid
van den zeventigsten verjaardag van wijlen Dr. Cuypers, door
den
O. L. Vrouw Zwartbroekput.
Treffend is hoe de putbewoners een jeugdig priester, die
voor de eerste
maal het H. Misoffer opdraagt, eeren en plechtig op den put
ontvan-
gen en huldigen.
Evenals bij een gouden bruiloft, wordt de gewijde feesteling
in plech-
tigen stoet naar de ouderlijke woning geleid. Door een der
putmees-
ters wordt hem dan voor het ouderhuis het putcadeau
aangeboden.
Het bestaat gewoonlijk uit een der paramenten voor den H.
Dienst
of uit een miskelk. Door alle bewoners, zonder onderscheid
van stand
en geloof, wordt hiertoe in den regel bijgedragen. Door den
jeugdigen
priester wordt dan een dankwoord gesproken en de
priesterzegen over
de aanwezigen gegeven. De jeugd ontvangt versnaperingen, en
put-
meesters, vrienden en belangstellenden gaan den feesteling
te zijnen
huize gelukwenschen.
Eertijds was het gebruikelijk bij huwelijk, bruiloft en
priesterwijding
een bedrag in geld af te zonderen, waarvoor bier, het
zoogenaamde
voebier, kon worden gekocht. Men vierde 's avonds tezamen
feest en
de putmeesters zorgden voor orde en regel en voor het
betalen der
rekeningen. Ook nu nog blijft zoo'n tractatie niet
achterwege, maar men
houdt zich niet meer uitsluitend aan bier, maar ook aan de
heden
meer in trek zijnde versnaperingen.
327
salvo's gelost en aan het volk werd bevolen te roepen:
„vivat ende
voorspoedelick gouverneere de Heere keurvorst van Beyeren".
Aan
den keurvorst werden dan de 12 apostelen (wijnkannen) met
witten
besten wijn aangeboden.
Bij uitvaart en geboorte van vorstelijke personen werden
ongeveer in
denzelfden geest omslachtige plechtigheden voorgeschreven.
Niet alleen in blijde stonden, maar ook in de droevige uren,
die elk
menschenleven meebrengt, stonden de putbewoners elkander
bij.
Vroeger werd bij een bediening de priester met de H.
Teerspijze aan
den ingang van den put door vier putmeesters met een
baldakijn en
enkele anderen met fakkels en kaarsen opgewacht, om het H.
Sacra-
ment naar de woning van den zieke te vergezellen. Na de
plechtigheid
werd de priester met Ons Heer wederom met hetzelfde
ceremonieel
uitgeleid naar den uitgang van den put. Evenzoo geschiedde
onder de
octaven der hooge kerkelijke feesten, als de priesters aan
de zieken
de H. Communie brachten. Nog vroeger geschiedde die
bediening zelfs
in plechtige processie en brachten de putmeesters den
priester met het
H. Sacrament - onderbroken door het ziekenbezoek - van het
begin
tot het einde van den put, waar dan andere putmeesters de
eervolle
taak overnamen.
Bij overlijden van een putbewoner wordt dit eerst aan de
buren aan-
gezegd, die dan den nabestaanden hun deelneming met het
sterfgeval
komen betuigen.
Aan een begrafenis nemen behalve de mannelijke
bloedverwanten en
vrienden ook de mannelijke buren deel. Allen volgen het
lijk, dat door
de priesters, misdienaars en zangers aan het sterfhuis wordt
afgehaald,
naar de kerk, waar een H. Mis van Requiem wordt gezongen.
Van de naaste betrekkingen draagt de jongste in jaren de
zoogenaam-
de „voorrouw“, d.w.z. deze volgt onmiddellijk achter het
lijk, al of niet
vergezeld van een der lijkdienaren. Daarna volgen in enkele
rij de
naaste bloedverwanten en vervolgens in breederen stoet
verdere fa-
milie, buren en vrienden.
Bij het aanheffen der Prefatie gaat men ten offer. De naaste
betrek-
kingen voorop, gaan alle mannen die aan de lijkstatie
deelnemen naar
het altaar en leggen hun offer op een daarvoor bestemde
schaal. Elk
keert dan naar zijn plaats terug en ontvangt soms in het
voorbijgaan
van koster of lijkdienaar het bidprentje van den overledene.
Enkele tientallen jaren geleden werden de overledenen nog
zooge-
naamd „uitgebeld“. Op de hoeken der straten luidde een
lijkdienaar
met zwarten rouwmantel en luifhoed een zware bel en verzocht
dan
een Onze Vader te bidden voor de zielerust van hem, wiens
sterven
werd afgekondigd. Later werd dit gebruik beperkt tot den put
en thans
is het al geruimen tijd afgeschaft. Luifhoed en rouwmantel
werden
vroeger ook door de naaste verwanten bij de uitvaart
gedragen.
Thans zijn ze vervangen door hoogen hoed en rouwkleeding.
In het huis, waar een doode boven aarde staat, worden de
venster-
luiken gesloten en de gordijnen neergelaten. Vroeger stond
aan het
sterfhuis de zwarte doodsplank met het manende opschrift
„Memento
329
malen herhaald, waarna werd teruggereden en op het
hoogste gedeelte
van den aanwas eenige rijshouten ten teeken van eigendom
werden
geplaatst. Dit geschiedde in het bijzijn van vele getuigen
en omstanders,
met het doel de handeling des te beter voor het nageslacht
te laten
onthouden en te bewaren.
Bij het plaatsen van grenssteenen waren vele getuigen
tegenwoordig.
De jeugd, die, zooals nu nog, overal bij was, werd dan
getrakteerd,
maar niet dan na eenige oorvijgen te hebben ontvangen. Weder
om de
handeling aan jeugdige personen duidelijker in het geheugen
te pren-
ten, opdat zij het zich zouden herinneren, wanneer zij ouder
geworden,
over die grenzen tot getuigen zouden worden geroepen.
Aan het oud-Geldersch Landrecht - 1740 - ontleenen we nog
het
volgende. Bij het in bezit nemen van een kasteel of
heerlijkheid, in een
kerspel gelegen, luidde men de klokken om het volk naar de
kerk te
roepen. In bijzijn van de plaatselijke overheid werd door
den nieuwen
landheer aan het volk meegedeeld, dat hij door het luiden
der klokken
te kennen gaf, bezit te hebben genomen van het goed en wel
voor
zich en zijne erfgenamen en dat verder allen hem als heer
moesten
erkennen en de pachters aan hem - den landheer - cijns en
pacht
moesten betalen. Van deze verklaring werd schriftelijk acte
opgemaakt.
Vervolgens ging hij naar de poort van het kasteel of den
heerenhof
en schoof den grendel heen en weer of liet den klopper
vallen, waarbij
hij wederom verklaarde het goed voor zich en zijne
nakomelingen in
bezit te nemen. Buiten het huis werden takken van de boomen
gekapt
en eenige aarde uitgestoken en uitgespreid wederom onder het
uit-
spreken der formule van inbezitneming. Bij inbezitneming van
een
hoeve, schoof men in bijzijn van de plaatselijke overheid
het haalijzer
boven den haard op en neer of werd riet gestookt om rook te
doen
opgaan onder het uitspreken der reeds genoemde verklaring.
Op de
hoeve werd gegeten en gedronken en van het verloop der
handeling
acte opgemaakt. Bij inbezitneming van een heerlijkheid onder
hooge
jurisdictie werd te voren de plaatselijke overheid beëedigd
en in de
kerk een „Veni Creator” gezongen. De kroniekschrijver, die
in manus-
cript deze gebruiken opteekende sluit met het volgende
rijmpje: „het
is een geldersch alt gebruyck, hun werck te croonen met een
kruyck".
Daarbij doelende op de vroegere gewoonten, alle
plechtigheden van
eenige beteekenis te besluiten met eten en drinken, zooals
we reeds
zagen bij het kiezen der burgemeesters.
Bij publieke verkoopingen en ook wel bij aanbestedingen van
openbare
werken was vroeger het gebruik, dat de verkooper of besteder
door
middel van een brandende kaars het goed afmijnde of de
gunning deed.
Was het laatste bod gedaan, dan werd de kaars ontstoken,
terwijl
de afslager voortging met het afroepen van den laatst
geboden koop-
prijs. Bood men tijdens het branden nog hooger, dan werd de
kaars
uitgeblazen en de veiling begon opnieuw. Zoo duurde het
voort tot ten
laatste de telkens nieuw ontstoken kaars aan verval van
krachten be-
zweek. De laatste bieder was koopman. In de Donderdagsche
Proto-
331
berg) was een last, dien de halfer van het Hof der
Abdisse (Kloosters-
hof?) verplicht was te dragen. Aan diezelfde verplichtingen
wordt her-
innerd in een bekendmaking van 19 Juli 1783, met dit
onderscheid
dat het gericht toen werd geplaatst op den Boonenberg bij
den Roer-
derweg.
Deze gebruiken doen ons denken aan oude vroondiensten,
waartoe de
bewoners der omliggende gehuchten verplicht waren. Een
mededee-
ling van 21 October 1712 aan de inwoners van Roer om de
publieke
wegen te herstellen herinnert ook aan zulke oude
heerendiensten.
Wij eindigen dit beknopt overzicht over de zeden en
gewoonten in
Roermond met de vermelding van enkele voorschriften van
omstreeks
1700, die wellicht berusten op plaatselijke gebruiken en min
of meer
overeenstemmen met nog van kracht zijnde verordeningen.
Zoo moest iemand bij bouwen en timmeren zorgen, dat om de
8 dagen gruis en puin werd opgeruimd. Puin moest buiten de
stad
worden gevoerd naar aanwijzing van den Magistraat.
Timmerlieden
konden bouwhout hoogstens acht dagen laten liggen op den
weg.
Zaterdags moest de straat worden gereinigd en niemand mocht
het
vuil voor eens andermans erf vegen. Dinsdags en Vrijdags
moesten de
straten worden geveegd. Tweemaal per week kwamen karren rond
om vuil op te halen. Het was de jeugd verboden met
sneeuwballen
te gooien en met steenen te smijten, en het spelen onder de
Hoogmis
op de Markt was eveneens verboden.
Als men dit leest, blijkt, dat in dat opzicht niet veel
veranderd is en
het oude niet zoo ver van het nieuwe verwijderd is.
Binnen het bestek ons toegestaan, hebben wij hiermede aan
onze op-
dracht voldaan en nemen afscheid van den welwillenden lezer.
333
ligenfiguren, zooals onze wonderdadige Lieve Vrouw van
't Zand, en
die in onze putkapelletjes vereerd, verzorgd en gekleed
worden, met
recht meesters mogen worden genoemd.
Alle levenwekkende kracht van oude overleveringen moet hier
wel
tengevolge van de maatschappelijke en economische
wisselvalligheden
in de eerste helft der 19de eeuw geheel uitgestorven zijn.
In de laatste 80 jaren moest voor de beeldende kunsten ook
hier een
nieuwe grondslag gelegd worden, voordat weder eene gezonde
over-
levering zich kon ontwikkelen.
Was het de Roervallei die de aanraking met de Oostelijke
buren be-
vorderde, te oordeelen naar het eigenaardig Rijnlandsche
karakter van
den Munsterbouw te Roermond, terwijl de Maastrichtsche
bouwwer-
ken door alle eeuwen heen, van meer onmiddellijke
aansluiting aan de
monumenten van den stroomopwaarts gelegen Maasbodem
getuigen?
Het Roerdal heeft niet alleen in vroeger eeuwen het contact
met het
Rijnland levendig gehouden, maar ook in de 19de eeuw zal 't
langs de
Roer zijn, dat het pad voert van den stamvader, wiens zonen
en doch-
ters persoonlijk of door hunne kinderen en kleinkinderen de
verschil-
lende kunsttakken zullen doen herleven, en medewerkers van
Oost en
ook van West naar onze stad aantrekken.
Wij hebben daarmede het oog op Joannes Cuypers, welke
omstreeks
1810 gehuwd was met Joanna Bex uit Schinveld.
De voortdurende aanraking met Gods heerlijke natuur is een
gunstige
factor voor de ontwikkeling van evenwicht, vastberadenheid,
uithou-
dingsvermogen, door 't geloof gesteund. De daar uit traditie
gevormde
karakters kunnen den grond leggen waaruit pioniers in de
groote men-
schencentra voortkomen.
De stap van dezen stamvader van Vlodrop naar Roermond was
niet
zoo groot, als die welke zijn jongste zoon Petrus Cuypers in
1865 zoude
doen van Roermond naar Amsterdam. Zijn vader voelde zich tot
de
kunst aangetrokken en beoefende de schilderkunst als
liefhebberij.
Een oudere zoon, Henri, werd decoratieschilder, terwijl op
een na de
jongste zoon, Frans, als talentvol portretschilder van de
Antwerpsche
Academie terugkeerde.
Petrus ontving echter van zijn Schepper die gaven, welke een
buiten-
gewoon vruchtbare loopbaan mogelijk maakten. Hij was een
geboren
kunstenaar, een overtuigd Christen, eerlijk en
vooruitstrevend. Zijn
temperament was levendig, zijn denkbeelden onuitsprekelijk
rijk aan
fantasie, terwijl hij daarbij een zelden voorkomend gevoel
voor even-
wicht bezat. Hij was een organisator, een heerscher, een
mensch om
een stuk historie te maken. Een man, die overtuigd was, dat
hij die
gaven moest gebruiken en zoo hoog mogelijk opvoeren om zijn
plicht
te vervullen tegenover den Almachtigen Schenker van alle
goed. Die
stempel drukt op al zijn daden.
Met die grondgedachte heeft hij gestreden met en ondanks
zijn phy-
sieke zwakheden, zijn geheel, lang, vruchtbaar leven. Door
zijn liefde
335
Hij bracht kleur, vreugde en stemming in de Godshuizen.
Men hoefde
niet langer te bidden in wit gepleisterde kerken, waar de
geest van
puritanisme zijn stempel had gedrukt. Voortaan leefde er
traditie, ge-
schiedenis, met vrome blijheid.
In 1855, op de eerste wereldtentoonstelling te Parijs,
exposeerde Cuy-
pers behalve architecturale teekeningen ook een preekstoel,
door zijn
kleine gilde vervaardigd in de ateliers van den heer
Stoltzenberg.
Zijn werk werd opgemerkt door Prins Bonaparte, later
Napoleon III,
eerevoorzitter der tentoonstelling, die de waarde van dit
werk spoedig
erkende en het een eereplaats liet geven. Al zijn vorsten nu
juist niet
steeds bevoegde kunstbeoordeelaars, zoo kan men zich toch
voorstellen,
dat een spontaan erkennen van zijn verdiensten door den
prins, voor
Cuypers een mooi oogenblik in zijn leven beteekende.
Ook toen reeds moet Cuypers evenals bij belangrijke blijde
gebeurte-
nissen in later leven ervaren dat de kunstenaar door 't leed
tot rijpheid
moet worden gebracht.
Bij thuiskomst moest hij vernemen, dat zijn jonge vrouw,
wier gezond-
heid wankelend was geworden na de geboorte van een tweede
doch-
tertje, dat zij moesten verliezen, overleden was ...
Diep was het ver-
driet en groot het offer. Nu de vreugde van zijn leven was
uitgedoofd
werd zijn werk, zoo mogelijk nog meer dan te voren, de
groote kracht
die hem schraagde .... Hoe gemoedelijk men in dien tijd
dacht over
de hooge eischen, die gesteld moeten worden en die van zelf
voort-
vloeien uit de verantwoordelijke positie van een architect,
blijkt wel
uit de volgende episode uit het leven van den jongen
Cuypers.
Hij ging naar Antwerpen op 17-jarigen leeftijd en kwam
afgestudeerd
terug toen hij 21 jaar was. De Munsterkerk, een historisch
monument,
was onderkomen van binnen en van buiten, en zelfs nog niet
afgebouwd,
moest ze hoog noodig gerestaureerd worden. Monseigneur
Paredis
vroeg den jongen Cuypers zijn oordeel te geven over den
toestand.
Evenals in alle andere Godshuizen had de 18de eeuwsche
witkwast
allen natuursteen en eventueel aanwezige schilderingen met
vele lagen
witkalk overdekt; uitwendig had de mergelsteen in ruim 6
eeuwen heel
wat moeten lijden van den tand des tijds. Natuurlijk bracht
't toen ook
eenigszins de gemoederen in beweging en tegenover de
welwillendheid
van zijnen Bisschop kwamen ernstige bezwaren van den kant
van be-
kende kunstliefhebbers opdagen.
Van dat oogenblik tot 't begin der restauratie van ons
Munster zijn
jaren verloopen, om de gewone reden: de geldelijke middelen
ontbra-
ken. De stichtingen weleer aan de Munster-Abdij verbonden
waren
door de beroering der tijden lang vervreemd.
Het restauratieontwerp werd door kunstliefhebbers te
Roermond
krachtig bestreden. Tegenover de vrije fantasie van den
architectres-
taurateur, die zich zelf voelde inleven in het monument, uit
een zoo
frissche periode, met een klaar inzicht in constructie en
edelen vorm,
kwam reeds toen tot uiting die andere opvatting van
restauratiewerk,
welke zich geheel laat leiden door de archeologische kennis,
en slechts
337
daarvoor was zijn artistieke natuur te sterk, te
emotioneel, om op één
punt, op één formule te blijven hangen. Zijn geest was te
beweeglijk,
om niet met telkens nieuwen ijver een compositie te maken
van onder-
werpen, voorstellingen, meubelen, hoewel met dezelfde
bestemming,
maar waaraan, in verband met de verschillende omgevingen,
telkens
een ander karakter werd gegeven. Zie b.v. Hoofdaltaren,
tevens H.
Hartaltaar in de Vondelkerk, in Helmonds H. Hartkerk, en in
den
Noordhoek te Tilburg. Een vijftiental jaren later wordt
getracht het
streng „liturgisch” altaar te verwezenlijken zooals er een
in St. Petrus-
Banden te Boxtel op origineele wijze is uitgevoerd in
gothische omge-
ving als variant van de oplossing, die te Aarle-Rixtel in
klassieke om-
geving stond.
In de latere periode is over de gansche lijn de oude
strijdvraag „in
welken stijl?" uitgeschakeld en het juister begrip, dat elk
werk zijn
karakter, stijl in zich zelf moet medebrengen, aanvaard.
Pynakels,
kruisbloemen en hogels behooren tot het verleden. En ook
wanneer
in een zoogenaamd „neogothische” omgeving wordt gewerkt,
zullen
meubel, schildering of sculptuur vrij mogen spreken van
dezen tijd.
Zoo moet er een voortgaande evolutie zijn in het werk,
waarvan het
levensbeginsel de middeleeuwsche verhoudingen steeds meer
nadert,
en zelfs verder terug grijpt om in het zoeken naar
verwantschap van
de 13de eeuw naar de 12de eeuw op te klimmen.
Met den naam Lücker worden voor ons geroepen drie
opeenvolgende
geslachten van kunstenaars. Den 11den October 1849 vestigde
Jozef
Lücker zich te Roermond, waar hij in 1850 bij Stoltzenberg
werk vindt.
Voor een aanduiding van zijn werk en een karakteriseering er
van,
citeeren wij Ir. Rembert: „Tüchtiger Zeichner und starker
Kolorist.”
Zijn eerste groote werk op 27-jarigen leeftijd was een
triptiek in de
voormalige Bockhalle (nu Reichshalle) in Crefeld,
voorstellingen uit
het leven van Wilhelm Tell. De „Rüttli Schwur” is hiervan 't
voor-
naamste stuk dat wel naar aanleiding van de democratische
beweging
van 1848 zal zijn ontstaan. Van plaatselijke beteekenis was
ook een
schilderij van 1849 „De Parade der Burgerwacht“, waarop de
meeste
der toenmalige Crefelder Autoriteiten in portret zijn
voorgesteld.
Na de associatie van Stoltzenberg met Cuypers blijft hij, nu
onder
directie van Cuypers, in de bekende ateliers in Roermond
werkzaam
tot zijn dood 18 December 1900.
In den loop der jaren schilderde hij altaarstukken en
staties voor
Brugge, Amsterdam, Roermond, Neerbosch, Sittard, Venlo,
Voorscho-
ten, Breda, Nijmegen, Tilburg, Luik, Rolduc, Groningen, Heeg
(Fries-
land), Netterden enz. Ik noem alleen de plaatsen, die Ir.
Rembert ge-
vonden heeft. Deze karakteriseert dit werk aldus: „Hier
hatte er unter
den Einfluss von Cuypers meist einen vorgeschriebenen Weg
wan-
deln müssen, weshalb er auf diesem Gebiet weniger persönlich
wirkt."
Daarnaast echter teekende en schilderde „Grandpa Lücker“
talrijke
genrestukken en portretten, waarvan er op een
tentoonstelling in Cre-
feld een groot aantal aanwezig waren. Ontelbare
zelfportretten dienden
hem tot studie en hierin komt zijn echt schilderstalent tot
volle ont-
339
overdroeg aan mannen, die daarna lange jaren in
Roermond zelfstan-
dige ateliers hebben bestuurd, namelijk de beeldhouwers Oor,
Lenaerts
en Houtermans. Den naam Capiau ontmoeten wij tot 1907.
Nieuwendijks meest belangrijke werk was de figuurgroep van
schen-
ker en zanger, die aan de Oostzijde van de Hal op
Haarzuylens het
balkon schraagt, en meerdere van de daar geplaatste
historische figuren.
Jean Geelen heeft vele jaren lang de schetsen van Dr.
Cuypers vlot ge-
modelleerd en gekapt tot voldoening van den Meester.
Onder de ornamentisten ontmoeten wij B. van Binnenbeke, die
uit
Vlaanderen een groot plastisch gevoel en nauwkeurige
vakkennis had
medegebracht, welke voor vijftig jaar in Noord-Nederland
zeldzaam
was. Elk nieuw motief sneed hij vlot in hout of kapte het in
steen.
Ook de Roermondenaar Pauly werkte gedurende 40 jaar met
liefde
alle ornamentale composities zorgvuldig uit, en mocht daarna
met pen-
sioen naar de groote Scheldestad gaan. Aug. Hermans vond
zijn ont-
wikkelingsgang, als leerling, later als leeraar en eindelijk
als bestuurslid
der Roermondsche School voor nuttige en beeldende Kunsten.
In de
ateliers en ook zelfstandig arbeidde hij afwisselend aan
kartons voor ge-
brand glas zoowel voor Dr. Cuypers als Ir. Jos. Cuypers,
terwijl de laat-
ste hem ook menige decoratie van burgerlijk karakter,
calligraphisch
werk, enz. toevertrouwde.
De beeldhouwer Jean H. Leeuw, zoo bekend om zijn uiterst
fijn be-
werkt portret in relief van Koningin Sophie, waarvoor hij
het ridder-
kruis van de Eikenkroon verwierf, was de vader van twee
begaafde
zoons Henri Leeuw, schilder, en Oscar Leeuw, architect, die
zich reeds
op jeugdigen leeftijd te Nijmegen vestigden.
Twee andere kunstenaars, die van uit Roermond hunne loopbaan
naar
buiten zochten, zijn de architecten Joseph Lucas en
Jentjens. Toen
Dr. Cuypers omtrent 1873 tot Dombaumeister van Mainz werd
aan-
gesteld door Mgr. von Kettler, nam hij van zijn bureau te
Amster-
dam Joseph Lucas mede naar Mainz als dagelijksch opzichter
der her-
stelling van het oostelijk koor. Al spoedig werd Lucas
benoemd tot
officieel architect van het Aartsbisdom, in welke betrekking
hij van
den Berlijnschen Rijksdienst menigmaal scherpe kritiek moest
onder-
vinden. Hij stierf op middelbaren leeftijd.
Omtrent dienzelfden tijd bracht Dr. Cuypers zijn leerling
Jentjens
naar de positie van „Fürstlicher Baumeister von
Löwenstein-Erbach
u.s.w." te Aschaffenburg.
Reeds vanaf de eerste jaren dat Cuypers met Stoltzenberg
samenwerkte
werd M. Lauweriks, een begaafd teekenaar en modeleur, aan
deze
werkplaatsen verbonden. De samenwerking met dezen
sympathieken
Vlaming, die de plaats van den Utrechtschen beeldhouwer
Georges zoo
veel beter vervulde, was zeer intens. Toen 't gezin Cuypers
de gebou-
wen aan den Maastrichterweg in 1865 verliet en zich aan 't
Leiderdor-
perpad buiten de Leidschepoort in de polderstreek bij
Amsterdam ves-
tigde, toog het gezin Lauweriks mede en betrok daar een deel
van
huize „Nabij Buiten." Op 't architectenbureau van Cuypers
kon men
daar den beeldhouwerteekenaar aan 't werk vinden, in 't
zelfde lokaal,
341
van de Munsterkerk heeft het overgroote gedeelte van
zijn kerken
vooral in Brabant eene vormontwikkeling die aansluit bij de
Neder-
Rijnsche voorbeelden uit den overgangstijd van de Romaansche
naar
de Gothische bouwkunst. Zijn romantieke opvatting kan
blijken uit
de voldoening waarmede hij op later leeftijd verklaarde:
Alle denkbare
gewelfstelsels heb ik hier of daar in mijn kerkbouw
toegepast. Daar-
toe zijn te rekenen een 40-tal kerken en kloosters.
De bouwmeester C. Franssen, te Tegelen geboren in 1860,
vestigde zich
vroegtijdig in Roermond. In zijn uitgebreide praktijk, welke
zich over
Limburg en Brabant uitstrekte, ontmoeten wij zoowel scholen
als kloos-
ters, pastories, nieuwe kerken en vergrootingen van
middeleeuwsche
kerken. Steeds bleef hij tot aan zijn onverwacht overlijden
in Januari
1932 aan neogothische of romaansche grondvormen de voorkeur
geven,
aan het na hem komend geslacht overlatend, andere inzichten
onder
omstandigheden te huldigen. Deze bouwmeester bezat eene voor
den
Limburger ongewone geslotenheid van karakter, die zich
natuurlijk
afspiegelt in de soberheid en den ernst zijner bouwwerken.
Een groote
mate van zorg besteed aan de technische uitvoering, kan
daarmede op
natuurlijke wijze gepaard gaan. Wellicht bereikte hij met ±
100 het
hoogste aantal opdrachten onder de kerkenbouwers van de 19de
en
20ste eeuw.
Bij den bouw van de parochiale Votiefkerk van het H. Hart in
het
Roermondsche Veld heeft architect Franssen als motief
gekozen den
gothischen centraalbouw rond een achthoekige kern. Zonder
twijfel
heeft de mogelijkheid om de silhouette van zulk een bouw tot
rijk
lijnenspel te ontwikkelen, dat, gezien van uit de oude stad
over het
hoog gelegen Roermondsche Veld, zeer aantrekkelijke beelden
te voor-
schijn roept, tot deze compositie doen besluiten.
Tot de volgende generatie van bouwkundigen, voor zooveel die
niet
meer tot de levenden behooren, noemen wij den in Roermond in
1859
geboren architect Eduard Cuypers, die zich omtrent 1885 te
Amsterdam
vestigde. Hij was de tweede zoon van den hiervoor genoemden
Henri
Cuypers, decoratieschilder.
Als typische werken uit de groote reeks die door zijn zeer
gezocht
architectenbureau werden uitgevoerd zijn o.m. aan te wijzen:
de kliniek
en wonnig van Dr. Mondes de Leon aan de Sarphatistraat te
Amster-
dam en de woning van Mr. Texeira de Mattos daarneven. Voorts
het
station der Ned. Spoorwegen te 's-Bosch, het buitenverblijf
„de Hooge
Vuursche", de Amsterdamsche Bank te Maastricht, benevens
verschei-
dene groote ziekenhuizen.
In vele opzichten mag zijn loopbaan beschouwd worden als een
tegen-
hanger van dien van architect Weber. Ruime opdrachten, goede
ver-
zorging van het interieur, met veel smaak, wordt ook de
geheele kleur-
behandeling van alle gebouwen verzorgd
Als kunsthistorisch detail is 't van waarde, dat, als
erkenning van wat
de talentvolle moderne jonge garde in de Amsterdamsche
bouwkunst
van het vak heeft geleerd, zij, de jonge collega's, op de
begraafplaats
343
der hedendaagsche Christelijke kunst, door zijn beide
zoons Albin en
Paul en zijn kleinzoon Fons Windhausen.
Zijn oudste zoon Heinrich, geboren 11 September 1857, die
eveneens
in Roermond werkte, was een zeer bekend portretschilder.
Onder lei-
ding van zijn vader ontwikkelde zich in den talentvollen
jongen reeds
vroeg de zin voor de schilderkunst. Door zijn gemak van
schilderen
en fijnen smaak voor coloriet wist hij het reeds op
jeugdigen leeftijd
zeer ver te brengen. Zijne portretten, waarvan er zich vele
in adellijke
families bevinden, werden algemeen geroemd. Hij stierf 20
Februari
1922 te Roermond.
De gunstig bekende orgelbouwer A. Franssen bouwde het nieuw
orgel
voor de kathedraal, waarvan het atelier voor Christelijke
beeldhouw-
kunst (Prof. Thissen) de houten betimmering leverde. Op 12
October
1916 had de inwijding plaats, waarna een bespeling volgde
door de
orgelvirtuoozen Jos. Luyten en E. Franssen.
Enkele feiten behoeven wij hier slechts aan te stippen om
bij de oudere
generatie de goede herinneringen op te wekken aan het groote
aandeel
dat muziek steeds in 't leven van Roermond heeft ingenomen.
Als de
geschiedenis der Koninklijke Harmonie, die op 7 December
1846 door
Z. M. Koning Willem II uit het, in 't begin van 1800
gestichte Philhar-
monisch gezelschap, werd omgedoopt in Koninklijke Harmonie,
wordt
nageslagen, zal een beeld niet alleen van 't muzikale leven
in Roermond,
maar ook van zijn contact met alle andere kunsttakken ons
een begrip
kunnen geven van de hooge stemming die in het derde kwart
onze
goede stad bezielde.
In October 1860 gaf men een weldadigheidsconcert voor de
Vereeniging
van St. Vincentius à Paulo, bij welke gelegenheid mevrouw P.
Cuypers-
Alberdingk-Thijm, bezitster eener krachtige, genotvolle
altstem in
Roermond haar talent, dat te Aken en Rotterdam reeds de
aandacht
had getrokken, ten beste gaf. Evenzoo was hare medewerking
van zeer
bijzondere waarde bij het eerste Vondelfeest in de 19de eeuw
in ons
vaderland gevierd, en wel op den 5den Januari 1862 in de
Ateliers van
Bouw- en Beeldhouwkunde buiten de Kapellerpoort, met
medewerking
van drie muziekgezelschappen en de stafmuziek van 't 5de
Regiment
Dragonders. J. W. Brouwers, (Margraten Jan. 1831 - Bovenkerk
1890)
professor van het Groot College, later hoofdredacteur van
„de Tijd"
te Amsterdam, en ook bij nietkatholieken een bekende pastoor
te
Bovenkerk, leverde bij die gelegenheid letterkundige
bijdragen.
In 1887 geeft het zanggezelschap de Echo der Maas van het
atelier
Cuypers en Stoltzenberg een concert te Heinsberg voor de
restauratie
der kerk.
De voortdurende bloei der Koninklijke Harmonie en de wijze
waarop
zij steeds een zeer werkzaam aandeel neemt in alle
gebeurtenissen
van 't Kerkelijk en Burgerlijk leven, mag als een getuigenis
gelden voor
de gunst waarin de muziek steeds bij de Roermondenaars heeft
gestaan.
Als typische figuren, die optreden als de vertegenwoordigers
van deze
edele kunst, denken we allereerst aan Louis Guillaume, die
zijne schoo-
ne taak met vertrouwen mocht overdragen aan zijn zoon Max.
Daar-
345
zamelde feitenmateriaal, in verband met wat het thans
levende geslacht
bevestigt. Roermond als centrum van Midden-Limburg was de
baker-
mat van vele kunstenaars, die, dank zij hun natuurlijken
aanleg en de
stuwing der omgeving, gepaard aan den steun die de School
voor
Nuttige en Beeldende Kunsten, benevens de praktische
beoefening
der kunstambachten hun gaf, zich in velerlei richting hebben
ont-
wikkeld.
Om een oordeel te kunnen uitspreken omtrent het al of niet
bestaan
van eene Roermondsche School van Architectuur of
Schilderkunst is
de gezichtskost op de werken nog te gering.
347
Als wij nu ons dagelijksch „plat“ spreken, van wat voor
een taal bedie-
nen wij ons dan eigenlijk? M.a.w. hoe staat het „Remunjs“
geregistreerd
in den burgerlijken stand van de taalwetenschap?
De gezamenlijke talen der wereld worden ingedeeld in enkele
groote
groepen, talenrassen zoo ge wilt. De Indogermaansche talen
maken
deel uit van één dezer „rassen”. (Indogermaansche talen is
een verza-
melnaam voor de meeste talen van Europa en een deel der
Aziatische).
Een nadere verdeeling onderscheidt hierin weer eenige
taalfamilies, om
ze zoo maar eens te noemen. Het zijn: de Balto-Slavische
talen, de Indo-
Iraansche talen, het Armenisch, het Albaneesch, het
Tochaarsch, het
Grieksch, de Italisch-Keltische talen, de Germaansche talen.
Bij de
Germaansche talen tenslotte, spreekt men weer van een
Noord-, Oost-
en West-Germaansche groep.
Met de laatste moeten wij ons nu even nader bezighouden. Zij
omvat
(historisch beschouwd): het Angelsaksisch (waaruit het
Engelsch ge-
groeid is), het Friesch, het Saksisch, het Frankisch, het
Hessisch en
Thüringsch, het Alemannisch en Beiersch.
Het Alemannisch en Beiersch zijn de voornaamste dialecten
van het
zgn. Opperduitsch, dat met het Hessisch en Thüringsch + een
gedeelte
van het Frankisch het Hoogduitsch taalgebied vormt.
Daartegenover
staat een Nederduitsch taalgebied, dat gevormd wordt door
het andere
gedeelte van het Frankisch + het Saksisch.
Wij zien dus, dat het Frankisch taalkundig in twee gedeelten
uiteen
valt. Het geografisch zuidelijke deel, dat Hoogduitsch is,
wordt Opper-
en Middelfrankisch genoemd; het noordelijke, het
Nederduitsche dus,
heet Nederfrankisch. De grenslijn verloopt grootendeels in
Duitsch-
land. Slechts in het Z.O. van Limburg overschrijdt zij, over
een kleine
afstand, onze landsgrens. Nederland (voorzoover niet Friesch
of Sak-
sisch) is dus, op dat kleine stukje na, geheel
Nederfrankisch. Friesch zijn
de provincies Friesland en Noord-Holland (grootendeels);
Saksisch zijn
Groningen, Drenthe, Overijsel, Gelderland (gedeeltelijk).
Het overige
gedeelte van ons land, dus Zuid-Holland, Zeeland, Utrecht,
gedeelte van
Gelderland, Noord-Brabant, Limburg (uitgezonderd het
uiterste Z.O.),
bovendien het Vlaamsche gedeelte van België, is
Nederfrankisch 1).
Zoo hebben wij dan eindelijk, zoowel geografisch als
taalkundig, het
gebied afgebakend waarin het Roermondsche dialect zijn
plaats vindt.
In gedachte meen ik nu echter van verschillende kanten te
hooren:
,Maar waar blijft in deze groepeering ons Nederlandsch dan,
het Alge-
meen Beschaafd Nederlandsch, dat door het geheele land
gesproken
wordt?'
Hoewel niet bepaald tot ons onderwerp behoorend, wil ik deze
vraag
en met dit materiaal en andere resultaten aan de
taalwetenschap groote diensten
bewijzen. Want wat voor den taalgeleerde de kennis der
moderne dialecten beteekent.
is aan elken insider voldoende bekend.
1) Voor de nauwkeurige grenzen van Friesch, Saksisch en
Frankisch, in ons land,
verwijs ik belangstellenden naar de prettige,
overzichtelijke kaart, die zich bevindt
in : Van Ginneken, Handboek der Ned. Taal (dl. I) of in :
Van Ginneken en Endepols,
De regenboogkleuren van Nederlands taal.
349
Zoo ook werd oorspr. t aan het begin van een woord tot
ts: Ndl. tijd -
Hgd. Zeit.
De lijn, die de grens van deze (en nog andere)
klankveranderingen aan-
geeft, draagt den naam „Benratherlinie”. Wij zagen reeds,
dat slechts
het uiterste Z.O, van Limburg binnen dit gebied valt.
Hoezeer het
Roermondsch dan ook naar het Duitsch georiënteerd is in
vergelijking
met het Algemeen Beschaafd Nederlandsch (A.B.N.), op dit
punt staat
het aan den kant van het laatste. Wij spreken van aiten -
sjloapen -
teiken - tied.
Die Hoogduitsche klankverschuiving heeft echter nog lang
nagewerkt
en enkele klankwijzigingen hebben zich verbreid buiten die
scherp ge-
teekende grens. Het verst doorgedrongen op Nederfrankisch
gebied is
de uitspraak „ich“ en „ouch” voor „ik” en „ook”. De
grenslijn van dit
verschijnsel heet „Uerdingerlinie“. Deze neemt een grooter
stuk van
Limburg mee. Zij doorsnijdt het ongeveer op de hoogte van
Panningen
in de richting Oost-West. Venlo valt er juist buiten. Alle
plaatsen ten
Zuiden van deze lijn - dus ook Roermond - hebben echter
„ich”
en „ouch".
Ik wijs ook nog even op het gebruik van „mich” tegenover
A.B.N.
„mij” 1).
De zgn. „Panningerlinie“ valt, van Duitschland uit, met de
Uerdinger
samen tot aan het dorp Panningen. Daar buigt zij plotseling
naar be-
neden en doorsnijdt geheel onze provincie in de lengte. Bij
Wessem
gaat zij de Maas over en vervolgt haar loop verder op den
rechteroever
ongeveer parallel met de rivier. Zij vormt de grens van het
gebied, waar
de oorspronkelijke s in de verbindingen sp, st, sl, sm, sn
en sw, aan het
begin van woorden, tot sj wordt. Roermond valt er weer
binnen; men
zegt er:
sjpelen - tegenover A. B. N. spelen
sjtool - stoel
sjloan - slaan
sjmieten - smijten
sjnoor - snoer
sjwummen - zwemmen (vroeger swemmen)
Het Maastrichtsch staat in dit opzicht (met het Venloosch
weer) aan
den kant van het Nederlandsch.
Grooter is het gebied, waar de s in de verbinding sch als sj
wordt uit-
gesproken. De grens hiervan vormt de zgn.
„Panningerzijlinie“. Deze
valt ook tot Panningen met de Uerdinger samen, maar buigt
zich daar
niet zoo scherp ervan af. Zij loopt veel Zuid-Westelijker
dan de Pan-
ningerlinie en omvat nog een stuk van het Belgische
taalgebied. In
Ndl. Limburg valt Weert er juist buiten. Men spreekt daar,
in overeen-
1) Voor het juiste verloop van deze grenzen op
Nederlandsch gebied verwijs ik
belangstellenden nogmaals naar de reeds genoemde kaart van
Van Ginneken. Een
uitgebreid artikel hieromtrent (ook met kaart) van Prof.
Dr. Schrijnen in „Limburg's
Jaarboek" XIII 4e afl.
351
en men beluistert met heel andere ooren de welluidende
klanken van
onze moedertaal.
Wij hebben reeds gesproken over „ich“ en „mich”. Het
persoonlijk
voornaamwoord in zijn geheel is echter wel een nader toezien
waard.
Vergelijken wij het maar eens met het A. B. N .:
ik : ich - mij : mich - jij : doe - jou : dich - hij : hai -
wij : veer
ons : ós - jullie, u : geer - jullie (4e nmv.) : uch - zij :
zie - hen : hör
Het meest opmerkelijke is wel het gebruik van het oude
„doe“, dat zoo
intiem, hartelijk klinkt.
Van de andere pronomina stip ik even aan:
uw (bezittelijk) : eur - hun (bezittelijk) : hőr - wie
(vragend) : waim
iemand : eemes - iets : get - niemand : neemes
Ik heb er zelf reeds terloops op gewezen, dat het
Roermondsch (en
dit geldt voor de Limburgsche dialecten in het algemeen) zoo
naar het
Duitsch is georiënteerd. Als men de verschillende
voorbeelden, die ik
boven heb aangehaald, met het Duitsch vergelijkt, blijkt dit
al zeer
duidelijk. Let men daarbij ook nog eens op den woordenschat
van ons
dialect, en vooral op de overeenstemmende beteekenis van
vele woor-
den, dan springt deze samenhang tusschen Limburgsch en
Duitsch meer
en meer in het oog. Maar heeft men daarom het recht om te
zeggen,
wat wij zoo vaak te hooren krijgen (òf uit domheid òf als
plagerij):
„jullie taaltje is zoo'n beetje verbasterd Duitsch!"? En is
die overeen-
komst alleen een gevolg van het feit, dat wij zoo dicht bij
de grens van
het groote Duitsche rijk wonen?
Heele gebieden van het Saksisch in ons land grenzen toch ook
aan
Duitschland! Neen, die samenhang heeft een diepere reden,
hij is his-
torisch.
Dat het Limburgsch Frankisch heel nauw verwant is met dat
aan gene
zijde van de grens, hebben wij in het begin van dit opstel
gezien. De
Rijnlandsche dialecten nu hebben ook hun aandeel gehad in de
tot-
standkoming van het Algemeen Beschaafd Duitsch. Wat deze dus
daarin gebracht hebben, vinden wij terug in onze Limburgsche
dialec-
ten, die hun oorspronkelijk karakter zoo zuiver bewaard
hebben.
Zooals ik bij de bespreking van de voorafgaande feiten reeds
telkens
heb opgemerkt, zijn deze eigenaardigheden niet specifiek
Roermondsch.
Het zijn klankverschijnselen in groote lijn, die ons dialect
deelt met vele
andere Limburgsche tongvallen. Slechts een kleine
nuanceering in de
uitspraak van klinker of medeklinker stempelt een woord pas
tot „ech-
Remunjs".
Nu zullen wij echter even onze aandacht schenken aan enkele
bijzon-
dere klanken, die meer speciaal aan het Roermondsch eigen
zijn. Waar-
mee dan toch weer niet gezegd is, dat zij in geen enkel
ander dialect
zouden voorkomen. Taalverschijnselen laten zich nu eenmaal
niet bin-
353
Heerlensch is bijv.: hónk : Roermondsch hóndj : Ndl.
hond
vrunk : vrundj : vriend
hank : handj : hand
beng : benj : banden
zung : zuunj : zonde
(ich) ving : (ich) vinj : (ik) vind
mangel : manj : mand
bingen : binjen : binden
lenger : lenjer : landen
vingen : vinjen : vinden
Als wij ons nu nog eens op het gebied der klinkers begeven,
worden wij
al dadelijk getroffen door de groote verscheidenheid en
rijkdom, die
het Roermondsche dialect hierin ten toon spreidt. Niet
alleen bezit het
alle klanken, die het algemeen beschaafd Nederlandsch kent,
maar
daarenboven heeft het nog te beschikken over 6 andere.
Buiten
de ă (trap - zat - barg) en de ā (sjaap - naas - kaad),
de (lekker - bekker - get) en de ē (kees - sjeep - beer),
de i (litsen - sjtil - pitsen) en de ie (kies - riep -
sjliepen),
de o (los - sjtoppen - kos) en de o (moos - sjtool - vlook),
de u (nut - sjtumpel - kuns) en de uu (buus - muus - kuul),
de ei (reipen - sjtein - heit),
de ou (loupen - douf - houp),
de oe (boete - sjtoep - roete)
de eu (deur - neutelik - breuk),
de ui (kuiper - sjpuit - kluit)
hebben wij nog een andere korte o, die ik aanduid door ó:
bóntj -
dóm - sjpóns - lóng. U hoort toch wel het verschil in
klinker, als u
deze woorden eerst in het Roermondsch en daarna in het
Nederlandsch
zegt? Bij los, sjtoppen, kos was dit verschil niet aanwezig.
Naast de u leeft er in ons dialect nog de klank, dien men
bijvoorbeeld
in het Duitsche woord „Glöckchen“ hoort:
lös, duidelijk onderscheiden van lus
bös, bus (= bosschen)
höt, hut
Tusschen de é en de i voegt zich bij ons nog een é: vés -
hél - téllen
sjéllen. Het is geen è en ook geen i, want u hoort duidelijk
onderscheid
tusschen
eenerzijds hékske en hekske en anderzijds wét en wit
zék zek - més mis
nét net - sjéllen sjillen
355
eu - veule (veulen) en veulen (voelen)
meug (meug, smaak) en meug (moe)
ui - gluif (geloof - geb. wijs) en (ich) gluif (ik geloof)
vónk (vonk) en (geer) zónk (jullie zonken)
(geer) vónk (jullie vingen) en (geer) zónk (jullie zongen)
é - sjtél (stel - subst.) en (ich) sjtél (ik stel)
oa - troag (trog) en troag (traag)
loaten (loten) en loaten (laten)
ő - hőr (haar - pers. vrnmw.) en hör (hun - bezittel.
vrnmw.)
ai - vair (veerpont) en vair (veer)
haiske (kleine handschoen) en haiske (haasje)
In het juiste gebruik hiervan ligt een van de grootste
moeilijkheden
voor 'n vreemde (speciaal 'n „Hollander"), die ons dialect
wil aanleeren.
Ik meen goed te doen (en misschien vele van mijn lezers een
genoegen
te verschaffen) met aan het einde van dit opstel, dat
getracht heeft een
overzicht te geven van het belangrijkste taalmateriaal dat
den Roer-
mondenaar ten dienste staat, ook een kleine „show” te houden
van
wat deze hiermede aan karakteristieks heeft weten op te
bouwen. Met
andere woorden: een greep te doen uit de typische
Roermondsche
woorden, spreekwoorden en uitdrukkingen. Zeer vele heb ik
ter zijde
moeten leggen, omdat zij voor publiciteit in dit milieu niet
geschikt
waren! Want wie maakt juist de sprekende, kernachtige
zegswijzen?
De man van de straat! Maar daarom is er ook vaak een luchtje
aan!
Met enkele van de hier gegeven voorbeelden ga ik al buiten
het be-
schaafde taalgebruik, maar om het bijzonder teekenende of
humoristi-
sche van de uitdrukking, meende ik ze mijn lezers - die ze
met dezelfde
bedoeling lezen, waarmee ik ze heb opgeteekend - niet te
mogen ont-
houden. Opdat het geschrevene zich hier en daar niet te cru
aan uw
oogen opdringe, heb ik de woorden, waar „poor aan is“, met
de begin-
letters aangeduid. 'n Goed verstaander ..... nietwaar?
'ne baatsje. - böken.
aik - Göl zeen.
'n fezej. - 'nen halfgehange.
Waat 'n höt!
'n kwaaj - koekkernulkes.
Det is 'ne neutelike santes! - 'ne löbbes.
Zich tetsjen. - 'n neetoor.
uigen. - oamezeik
Det gaait 'm! - Det is 'ne sara!
'n v. tmoel. - Sókkerkörkes.
'nen huikloas - Zich taggen.
'n ermooitspens - 't Is groavigheit!
In den hoak zeen. - 'ne kliejesj .. ter.
Eine alles aafloeksen. - 'ne kwakból.
357
Zich de luns oet trékken.
Kap en kogel verzoepen.
Doe nejts mich gein oore aan!
Doe bös in ei rief joar jónk gewais!
Eemes de vairse loaten zeen.
Ich höb dich in de neut!
Dai is van Naat ziene kantj!
Ich höb 't zoo drök es de pan in de vasteloavend!
Zoepen wie 'ne ketter.
Dai heurt de pierelinge neesten!
Haai dien aai sjloefe veur de gek!
Hai leet reube good moos zeen.
Ich bön dich zoo meug es kaai pap!
Hoap dood, laif lang.
Dai is zoo gauw es ein sjtr .. vleeg!
Vraiten wie 'nen heimejjer.
D'n aivevöl is 'm aan 't lief.
Röpsen wie 'n koe.
Hai hait de sjöp gesjoaren, en veer de verkes.
Det is voel bótter aan ei berós mets!
Dai hait de rooi weer van de v ..!
Doe leers nog moere sjaaven!
Dai is oet de hél gekroapen, wie der duuvel sjloapde.
Voel brood in de tes höbben.
Waat de kop vergit, mótten de bein misneeten!
Kieken es ein loes tösse twee naigel.
Kattepuukels maken.
Weiten woo haas hiep.
Doe bös nog neet (in) Ool euver!
Det zeen sjnieders van ein noalj.
Det is maar ein klein ruutje oet 'n vinster.
Dai hait zie breudje gekoch.
Nairing is gein erf.
Ein mik es 'ne sjliepsjtein.
Doa zit de sjpeelman nog op 't daak.
Det is bótter aan de galg geklets.
Neet te völ zeen, maar euversjeeten.
'ne Kop we 'ne ver.
Det sjtik nog in wiej zek!
ne sjtroathélge.
Det zeen mer gemaakde menkes!
Eemes get opbinjen.
Veur 't noadgare zitten.
Muuskebellen.
Örges ein hendje van höbben.
Örges op sjtoan te prikken.
.en oeteketoet, 't vertélselke is oet,
de kat, die lek de sjóttel oet!
359
die de Godsweerd van het vaste land scheidde, werd nu
bebouwd en
zoo breidde de nederzetting zich geleidelijk oostwaarts uit.
Wellicht
had toen de loop der Roer zich reeds verplaatst en was de
oude loop
ten Oosten van den Christoffelberg gedeeltelijk
dichtgeslibd.
Er is echter nog een tweede centrum van Roermonds groei aan
te wij-
zen. Dat is de abdij op eenigen afstand oostwaarts, waar
thans de
Munsterkerk ligt. Het oudste bericht erover is van 1218; wij
meenen
echter te kunnen aantoonen, dat zij reeds vroeger bestond.
Ook zij
werd een middelpunt, waaromheen zich een bevolking vormde.
Door
de uitbreiding dezer twee centra en hunne samensmelting werd
de
eigenlijke stad gevormd. Tot in het begin der XIIIde eeuw is
ons niets
ervan bekend. Slechts eenmaal wordt de plaats vermeld in
1130.
In 1213 werd Roermond door keizer Otto IV geplunderd en
verwoest.
De stad heette toen „villa optima" van Graaf Gerhard III van
Gelre
en was dus nog niet ommuurd, zooals de naam „villa”
aanwijst. In de
stichtingsoorkonde der Munsterkerk van 1224 wordt Roermond
door
Gerhard III „oppidum” genoemd. Zij was derhalve toen reeds
een
versterkte plaats. Dit doet ons vermoeden dat de eerste
bevestiging
van de stad is aangelegd kort na 1213. Deze was wellicht
slechts een
aarden omwalling, want in 1232 verhief Otto II van Gelre
Roermond
tot een „civitas”, omringde het met een muur en schonk het
alle rech-
ten eener vrije stad. De ommuring van 1232 sloot den
Christoffelberg
buiten. Zij werd gelegd langs den oostelijken oever van den
meerge-
noemden Roertak, die nu daar ter plaatse als vestinggracht
diende en
wellicht aan het zuidelijk einde reeds dichtgeslibd was.
Daarover gaf
de Opspoort of Inopspoort toegang tot Op; mogelijk was er
echter nog
een brug. De Christoffelberg was toen alleen door de smalle
Roer om-
geven, terwijl de loop van de Maas een half uur westwaarts
was gele-
gen. Werd deze berg binnen de omwalling begrepen, dan zou
dit ge-
deelte moeilijk te verdedigen zijn geweest. Van dezen muur
van 1232
bestaan nog eenige overblijfselen. Ten Noorden en ten Westen
van de
kathedraal is nog een gedeelte van den lateren stadsmuur uit
de XIVde
eeuw behouden. Deze is in baksteen opgetrokken, maar rust op
een
ouderen muur van blokken kolenzandsteen, overeenkomend in
con-
structie en materiaal met de eerste omwalling van Maastricht
uit 1229.
De Rattentoren, in oude geschriften ook Klokkentoren
geheeten, *) -
een hoektoren uit de XIVde eeuwsche ommuring ten Noordwesten
van
de kathedraal - bevat nog eenige resten van de oude
ommuring. Iets
ten Oosten van dezen toren is nog een klein gedeelte van een
halfronden
toren der oude omwalling. Verder naar het Oosten bevond zich
vroe-
ger de Wernertoren. Men vermoedt dat deze ook een hoektoren
was
en de muur zich verder uitstrekte in Noordoostelijke
richting.
Het Roermond van 1232 was een kleine stad. Of het
Munsterstift buiten
of binnen de muren lag is nog niet uitgemaakt. Het komt ons
voor, dat
Otto II de rijke stichting zijns vaders wel binnen de
versterking zal
hebben gesloten. De voormalige Minderbroederskerk -
tegenwoordig
*) Dit is althans de meening van den Heer Sivré. De
toren op den N.O. hoek der
stad was de Kattentoren.
361
digingsmuur. Daarvoor was de muur van 1232 te zwak. Er
moest een
nieuwe muur worden gebouwd, sterker, hooger en ook grooter
van
omvang om de uitgebreide stad in te sluiten.
Den bouw van dezen muur stellen wij dan ook in dit tijdperk,
d.i. in
den loop der 14de eeuw. In verband met den bouw der St.
Christoffel-
kerk stellen wij den nieuwen muur vóór 1410; zelfs vóór
1388, omdat de
Christoffelberg eerst dàn als verdedigingshoogte kon gemist
worden,
wanneer oostwaarts een sterke verdedigingsmuur lag. Wij
stellen den
bouw nà 1342 toen de Maas verlegd werd, omdat dit werk in
het opge-
zette verdedigingsstelsel wel het eerste moest zijn.
De hooge toren der St. Christoffelkerk, op geen 6 M. afstand
van den
stadsmuur gelegen, werd een hooge waarnemingspost, van
waaruit de
Maas in beide richtingen en het land in verren omtrek konden
worden
bespied.
Wellicht is de oude Roertak later weer gedeeltelijk
ontgraven. Op de
kaart van Jacob van Deventer van 1559 komt hij voor als
onderdeel
der stadsgrachten en staan slechts de grachten in de
nabijheid van Maas
en Roer in verbinding met die rivieren. Van de hoogere
gronden afko-
mende beekjes, die deze grachten hadden kunnen vullen, zijn
er in
Roermond niet. De grachten moeten dus droog zijn geweest.
Wel wa-
ren zij breed en diep, blijkens een nog overgebleven
gedeelte nabij de
Venlosche poort. Eene beschrijving van het beleg van 1637
noemt deze
een diepe en van boven breede gracht, zonder water. Een
merkwaardige
kaart van dat beleg wijst ook droge grachten aan en laat
zien dat de
„vorstat” verdedigd was met een bastion en kanonnen. Van de
afge-
broken Kraanpoort is bekend, dat zij het jaartal 1595 droeg.
De vestingmuren zijn voor een gedeelte afgebroken in 1782.
Een ander
gedeelte werd in 1819 en volgende jaren geslecht. Gespaard
bleven de
N.W .- toren, thans Rattentoren, en een tweede, in den loop
der vorige
eeuw verdwenen. Behalve deze twee bestaan er onder den
grond, langs
den Pastoorswal en meer noordwaarts, nog enkele
overblijfselen.
De Rattentoren is cilindervormig, alleen het onderste
gedeelte over een
hoogte van ongeveer 4 M. is eenigszins kegelvormig. Inwendig
is hij
verdeeld in twee overwelfde verdiepingen. De bovenverdieping
was
met den bovenkant van den aansluitenden vestingmuur
verbonden,
zooals nog te zien is. Van buiten is de toren geheel vlak en
van slechts
enkele openingen voorzien. Vlak tegen den toren is op den
muur, naar
buiten uitstekend, een privaat! Het bovengedeelte is
verdwenen be-
halve enkele overblijfselen van kanteelen en een bogenfries.
De toren
is als de muren gebouwd in vlaamsch verband met baksteenen
van
0.28 M. lengte.
Bovengrondsch is het verloop van den 14de eeuwschen
vestingmuur
niet meer te volgen. De genoemde kaarten geven daarover
inlichtingen,
ook over de plaats der torens en poorten. De kaart van het
beleg diende
blijkbaar voor strategische doeleinden en geeft ook de
plaats aan, waar
Ernst Casimir is gesneuveld, in afwijking van de meening,
die men
daarover vrij algemeen in Roermond heeft.
363
Pastoor Herman van Damme gaf toen vergunning tot
stichten, bouwen
en doteeren van een altaar ter eere van het H. Sacrament.
Toen is waar-
schijnlijk ook het noordoostelijk koor: het Sacramentskoor
voltooid.
Door de O. L. Vrouwebroederschap werd in 1489 het
zuidoostelijk koor,
het z.g. O. L. Vrouwekoor gebouwd. Bij den bouw der kerk is
bijge-
dragen door de burgers en den magistraat. Ook uit boeten op
overtre-
dingen en geringe misdaden werden de kosten van den bouw
bestreden.
Hertog Arnold van Gelre schonk aan Roermond het privilege om
klein
geld te mogen slaan met de bepaling „dat het profijt dat
dairaff queme"
ten goede zoude komen aan den bouw der moederkerk.
Wanneer een kunstlievend vreemdeling aan een Roermondenaar
vraagt,
welke monumenten der bisschopsstad het aanzien waard zijn,
dan
wordt hem onmiddellijk geantwoord: de Munsterkerk; doch de
Kathe-
draal wordt niet genoemd. Vraagt de vreemdeling naar de
Kathedraal,
dan zet de Roermondenaar groote oogen en een verbaasd
gezicht op en
zegt: „Die brikkenoven!” Booze tongen vertellen dat eens een
kunste-
naarsvereeniging op eene kunstreis ook Roermond heeft
bezocht en de
Kathedraal niet heeft gezien. Niemand is profeet in zijn
eigen vader-
stad, zelfs St. Christoffel niet!
Ongetwijfeld munt de Munsterkerk in rijkdom en sierlijkheid
van vor-
men uit boven de uiterlijk zoo eenvoudige Kathedraal; maar
de con-
ceptie, het plan van St. Christoffel, staat verre boven die
van het Mun-
ster. De geheele kerk, toren inbegrepen, zooals zij door den
ontwerper
werd geteekend, is eene eenheid, de uitdrukking ééner
gedachte. Het
was een knap architect, die haar ontwierp. Dat ééne,
grootsche plan
is ook uitgevoerd. 't Is te betreuren dat latere
verbouwingen zooals het
N.O .- en Z.O .- koor, de kapellen van den zijbeuk e.a., de
oorspronkelijke
kerk zóó hebben gewijzigd, - wij zouden willen zeggen
verknoeid.
De hoofdvorm der kerk is een Grieksch kruis. De hoofdbeuk,
om-
streeks 53 M. bij 10,80 M. is in 't Oosten begrensd door de
hoofdabsis
en in het Westen door den toren, die even breed is als de
middenbeuk.
Tusschen kruising en koorabsis evenals tusschen kruising en
toren lig-
gen vier travées. Het dwarspand heeft dezelfde breedte als
de hoofd-
beuk, doch slechts drie travées ter weerszijden van de
kruising. De
koorsluitingen ten Oosten van den hoofdbeuk en aan beide
einden van
het dwarspand zijn 58 met twee zijden van den achthoek
evenwijdig
aan de as. De zijbeuken gaan langs den toren heen, zoodat
deze inge-
sloten ligt. De oorzaak van den vreemden vorm der kerk - een
Grieksch kruis - en van de eenigszins abnormale plaats van
den toren
is de stadsmuur, die uitbreiding naar het Westen belette.
Voor de 4
zijkoortjes (zie Plan kathedrale kerk), nemen wij in het
oorspronke-
lijke plan vóór 1458 sluitingen aan gelijkvormig aan die van
den hoofd-
beuk. En zoo vertoont de St. Christoffel in haar oostelijk
gedeelte over-
eenkomst met de O. L. Vrouwekerk te Trier. De heer Architect
Weber,
hersteller der kerk, was van meening dat de vier kleine
koortjes recht-
hoekig afgesloten waren.
Het Sacramentskoor van 1458 heeft een sluiting gelijk die
van den
hoofdbeuk en de absis ervan is overwelfd met een eigenaardig
ster-
gewelf.
365
dien tijd prijkt de toren met een platte afdekking. De
tegenwoordig
bestaande klokken dateeren van 1892.
Het inwendige der kerk was vroeger gepleisterd en
gepolychromeerd.
Onder het bestuur van den tegenwoordigen Deken is het
pleisterwerk
grootendeels weggenomen en het metselwerk ontbloot. Daarbij
bleek,
dat de ronde zuilen van hardsteen zijn tot aan de geboorte
der gewelf-
bogen. Deze bogen zijn van mergel evenals de gewelfkappen;
het met-
selwerk is van baksteen.
Onder de voornaamste kunstwerken, die de kathedraal bezit
noe-
men wij:
le. Den preekstoel in eikenhout, een XVIIde eeuwsch
meesterwerk
met twee trappen, afkomstig uit de voormalige
Minderbroederskerk.
Onder de rijk versierde kuip ziet men een groep van bijna
levensgroote
figuren, van welke één, voorstellende den Minderbroeder
Joannes à
Capistrano, de kuip steunt.
2e. De koorstoelen, waarvan de achterste rij XVIde eeuwsch
met
merkwaardige humoristische gesneden kopjes; de voorste rij
is nieuw.
In 1930-1931 zijn de eikenhouten ruggen der koorstoelen door
den
tegenwoordigen Deken hernieuwd, voorzien van de wapens der
Roer-
mondsche Bisschoppen.
3e. Zes biechtstoelen in eikenhout, evenals de preekstoel
XVIIde
eeuwsch en ook uit de Minderbroederskerk afkomstig. Ze zijn
rijk ge-
beeldhouwd; bij elken biechtstoel staan twee levensgroote
figuren van
Franciskaansche heiligen.
4e. Het Sacramentsaltaar in het N.O .- koor, einde XVIde
eeuw. Het
is van natuursteen. In het middengedeelte vlak boven de
altaartafel is
een klein tabernakel tot berging der pyxis, daarboven een
tweede, hoo-
ger tabernakel, tevens ingericht tot expositietroon en
bewaring der
monstrans.
5e. Twee gesneden eiken communiebanken, begin XIXde eeuw.
6e. Een groot kruisbeeld, ± 1200, afkomstig van de abdij van
Dalheim.
7e. Twee sierlijke vrijstaande groote wijwatervaten in rood
marmer.
Verder noemen wij nog: goud-, zilver- en koperwerken; rijke,
gebor-
duurde kerkgewaden, en een aantal oude, meest alle
gerestaureerde
schilderijen.
DE MUNSTERKERK.
Over de stichting der Munsterkerk heeft men gegevens in de
volgende,
historisch vaststaande feiten.
1. Knippenbergh vermeldt dat nabij het praalgraf van Gerard
III en
zijne echtgenoote een opschrift stond, met de woorden: „die
met zijne
echtgenoote Margareta, op aandrang van zijne moeder Richarda
van
Nassau, de eerste abdis van deze plaats, een monasterium
stichtte
in 1218."
2. In 1219 werd in het algemeen kapittel der Cisterciensers
behandeld
een verzoek van den graaf van Gelre om een monasterium te
bouwen.
3. In 1220 wijdde, volgens het „liber privilegiorum" van het
Cistercien-
367
al te mogen verwijzen naar de bijgevoegde afbeeldingen,
die meer nog
en beter dan uitvoerige beschrijvingen een inzicht geven in
den sier-
lijken rijkdom der kerk, zoowel uitwendig als inwendig en in
welke
ook de architect de bouwgeschiedenis en de architectonische
vorm-
geving zal kunnen lezen.
In het midden van afb. Plan Munsterkerk hebben wij
aangegeven eene
schets van den platten grond der kerk van vóór 1213, zooals
wij ons dien
voorstellen. Ons oog valt al spoedig op eene bijzonderheid
van den plat-
ten grond der tegenwoordige kerk. De hoofdabsis is
halfcirkelvormig,
de twee absiden aan de zijden van het transept zijn
veelhoekig. Vanwaar
dit verschil, dat men toch bij een nieuwbouw niet zoude
verwachten?
Fundeeringen worden niet weggebroken zoo niet volstrekt
noodzake-
lijk. Dat kost onnoodig geld. Men heeft de nieuwe absis
opgetrokken
op de fundeering van de absis der oude kerk.
In de eerste periode van de verbouwing en vernieuwing door
Richarda,
welke verbouwing zich uitstrekte tot en met de eerste travee
van de
zijbeuken, bleef het muurwerk van de absis waarschijnlijk
zooveel mo-
gelijk behouden, evenals dat der bestaande twee aansluitende
kleine
torentjes. Beneden werden drie kleine absiden tegen de absis
aange-
bracht en het bovengedeelte der absis en de torentjes werden
omgeven
door een mantel in de rijke vormen van den toenmaals
heerschenden
Rijnschen bouwstijl. Tegen den noordelijken en zuidelijken
kant van
het transept werden veelhoekige absiden aangebracht,
uitwendig geheel
overeenkomend met het uiterlijke der hoofdabsis en inwendig
bene-
den voorzien van sierlijke nissen, en boven van diepliggende
vensters,
voor welke een smalle loopgang, die ook voor de
bovenvensters der
hoofdabsis doorgaat. De ruimten op de eerste verdieping der
torentjes
werden omgebouwd tot kleine kapellen - voorzien van een
altaar -
en voorzien elk van twee zeer sierlijke vensteropeningen
uitziende naar
het koor en naar de zijbeuken. De eene was bestemd voor de
abdis; de
andere, bereikbaar vanuit de abdij, diende als ziekenkapel.
Tegen den westmuur van het transept, boven de zijbeuken ziet
men
binnen de kerk aangebouwd twee sierlijke, kleine absiden,
geheel in
steen, afgedekt met een kegeldak en rustend op een
kraagsteen. Zij
zijn ontstaan doordat men de laatste vakken van de galerijen
boven de
zijbeuken heeft omgebouwd tot kleine kapellen, van welke de
altaren
plaats vonden in de kleine aangebouwde hangende absiden. De
oude
kleine, eenvoudige venstertjes dier kapellen werden
veranderd in hoef-
ijzervormige lichtopeningen volgens den stijl van den tijd.
Van uit de
genoemde kleine kapellen zijn de loopgangen vóór de vensters
der
absiden bereikbaar.
Boven de viering rijst de achthoekige koepel omhoog, waarvan
het een
lantaarndragende dak koepelvormig is met in en uitspringende
hoe-
ken. Het verschil tusschen het dak voor en na de restauratie
is uit de
bijgevoegde afbeeldingen voldoende zichtbaar.
De tweede periode van den bouw van Richarda omvat den bouw
van
het schip en van den westbouw. De hoofdbeuk - vanaf het
transept
tot aan den westbouw - heeft twee vierkante gewelfvakken;
met deze
369
vlakte van de tribune te klein voor de behoefte.
Daaraan werd te-
gemoet gekomen door aanbouw van een voorbouw in het midden
tegen
den westelijken muur der kerk. De benedenverdieping van
dezen voor-
bouw werd een waarschijnlijk open portaal waarin een ingang
naar de
kerk. De oorspronkelijke ingang der kerk was de
tegenwoordige aan
de noordzijde. Waarschijnlijk is een tweede ingang geweest
recht tegen-
over de genoemde aan de zuidzijde, alleen toegankelijk van
uit de abdij.
De tribune kan nog toegankelijk zijn geweest onmiddellijk
van uit de
bovenverdieping der aansluitende abdij
De sierlijke gothische gewelven boven de tribune zijn
aanmerkelijk
hooger opgevoerd dan de gewelven der kerk. Voor verdere
architecto-
nische détails moeten wij verwijzen naar de afbeeldingen.
De vraag of de kerk twee westelijke torens heeft gehad,
zooals zij thans
na de restauratie bezit, heeft indertijd stof tot vele
discussies gegeven.
De meeningen waren zeer verdeeld. Sommigen waren van meening
„neen”, anderen van meening „ja”. Ingenieurs van den
Waterstaat, ar-
chitecten, Burgemeester en Wethouders en andere deskundigen
en niet-
deskundigen hebben hun licht laten schijnen. Zelfs Viollet
le Duc is er
bij te pas gekomen - deze was van meening: „ja”. - Een
krachtig argu-
men voor „neen” was: „De Cisterciënsers mochten geen torens
aan
hunne kerken hebben, hetzij een kleine op de viering". Toch
wijzen èn
grondplan èn opbouw der kerk duidelijk op twee westertorens,
ter
plaatse n.l. waar de tegenwoordige staan. De tegenspraak
verdwijnt
echter, wanneer wij aannemen dat er vóór de tegenwoordige
kerk eene
andere heeft bestaan. Deze, geen Cistercienserkerk, had wèl
twee
torens. Doch bij de verbouwing door Richarda of haar
opvolgster, heeft
men een groot gedeelte van den ouden westbouw met de
bestaande
torens bewaard en den nieuwbouw daaraan aangepast, de plaats
der
torens van boven door een gevel afgesloten en zoo voldaan
aan de
voorschriften der orde. De centrale toren op den westbouw -
zie afb.
Munsterkerk bij het artikel van Mr. R. de Nerée tot
Babberich - is
van lateren tijd (18de eeuw).
De Munsterkerk is van 1864 tot 1891 gerestaureerd door Dr.
Cuypers.
Zij is inwendig rijk gepolychromeerd en voorzien van
gebrandschil-
derde vensters, die het inwendige van de kerk wel wat donker
maken.
Onder den koepel, in het midden der viering, is het graf van
Gerhard III
en zijne echtgenoote Maria van Brabant. Op het rijke,
gebeeldhouwde
onderstuk rust de krachtig geprofileerde zware dubbelzerk
van gepo-
lijst zwart marmer, waarvan de eenigszins verdiepte
oppervlakte de
levensgroote beelden van den stichter en diens echtgenoote
draagt.
Het monument is door de milddadigheid van Z. K. H. Prins
Frederik
der Nederlanden in 1873 geheel hersteld. Het grafschrift van
den steen
is verdwenen, doch eene nauwkeurige copie er van werd door
den
Heer C. Pijls in het gemeentelijk archief gevonden en berust
aldaar.
Het bevat o.a. de woorden:
Richardae de Nassovia, natae ducisse Juliacensis,
Richarda droeg dus haar „mansnaam": van Nassau, doch was
geboren:
hertogin van Gulik.
371
Het gebouw is een driebeukige hallenkerk van 6 traveëen
en een waar-
schijnlijk iets ouder koor van één travee en een 58
koorsluiting. Zware
vierkante hardsteenen pijlers scheiden de beuken. De
middenbeuk is
aan de westzijde gesloten door de loodrecht afgesneden
westelijke helft
van den vroegeren toren, thans portaal. Aan de westzijde is
de kerk
afgesloten door drie puntgevels; op het dak in het midden is
een dak-
ruiter geplaatst. Bij de restauratie zijn de traceeringen
vernieuwd en is
de kerk beschilderd met ornament naar gevonden voorbeelden.
De
kerk zelf, te oordeelen naar hare inrichting als hallenkerk
en naar hare
vormen, moet dateeren uit het laatste gedeelte der XVde,
wellicht uit
de eerste helft der XVIde eeuw. De toren kan blijkens het
bouwmate-
riaal uit het tijdperk der stichting - 1372 - dagteekenen.
De kerk bevat aan kunstwerken o.a. twee zilveren
avondmaalskelken,
een zilveren avondmaalskan en een zilveren schaaltje uit de
XVIIIde
eeuw. In het koor liggen eenige grafzerken uit de XVde,
XVIde en
XVIIde eeuw.
HET KARTHUIZERKLOOSTER, THANS GROOT SEMINARIE.
Volgens Slichtenhorst stichtte Graaf Gerhard III in de
eerste helft der
XIIIde eeuw ook een karthuizerklooster te Roermond en
Knippenberg
verhaalt, dat ridder Werner van Swalmen, terugkeerend van
een pel-
grimstocht naar het H. Land op een hem toebehoorend terrein
in „de
Steegh" een kapel liet bouwen naar het model van de kerk,
die hij te
Bethlehem had gezien. Op 23 Juli 1376 schonken Werner met
zijn huis-
vrouw en zijn broeder hun stichting met al hun goederen aan
de vol-
gelingen van den H. Bruno. Het klooster bleef steeds den
naam Bethle-
hem dragen en werd in 1380 definitief in de orde der
Karthuizers in-
gelijfd. Het bleef bestaan tot 1783, toen het door Joseph II
werd
gesupprimeerd. Het werd toen betrokken door nonnen uit
Houthem.
In 1841 werd het ingericht tot Groot Seminarie van het
Bisdom Roer-
mond.
Van de oorspronkelijke gebouwen bestaat niets meer. In den
loop
der tijden zijn ze alle vernieuwd. De kerk is het oudste der
bestaande
gedeelten. Zij moet o.i. dateeren uit het laatste gedeelte
der vijftiende
of het begin der zestiende eeuw. Door het ontbreken van de
oorspron-
kelijke gewelven is juiste dateering moeilijk. De kerk is
eenbeukig met
5/8 koorsluiting, geheel in baksteen, met spaarzame
toepassing van
natuursteen. Aan de Noord- en Zuidzijde heeft ze een
achtkant trap-
torentje. De oorspronkelijke gewelven zijn verdwenen,
waarschijnlijk
ingestort bij de belegering van 1632 of bij den brand van
1665. Ze zijn
vervangen door een gewelf op ellipsbogen van hout en
pleisterwerk. De
oorspronkelijke spitsboogvensters zijn vervangen door
renaissance-
rondboogvensters. De orgeltribune, de orgelkast en de
ingangsdeur
schijnen uit de 18de eeuw. Het orgel zelf is modern. Boven
de ingangs-
deur is een in eikenhout gesneden bovenlicht met het
Oostenrijksch
wapen. Het inwendige der kerk is voor eenige jaren
eenvoudig, doch
smaakvol beschilderd, geheel naar den vroegeren toestand in
de
18de eeuw.
373
HET PRINSENHOF, THANS LOUISAHUIS.
Deze deftige stadhouderlijke woning - het Prinsenhof - viel
in 1665
ook als slachtoffer van den brand. Reeds den 3den Juli - de
brand
was 31 Mei uitgebroken - richtte de stadhouder, Prins graaf
d'Isengien,
een verzoek aan de Gedeputeerden der Staten van het
Overkwartier
tot herbouw der woning. Den 5den Augustus besloten de Staten
daar-
toe volgens het plan van den architect Bertholet. Eerst in
1700 was het
gebouw geheel voltooid.
In 1740 was kolonel Rulle stadskommandant. Deze vond het
Gouver-
nementshuis te groot en door hem werd nu in overleg met Mej.
Doro-
thea Bors aan de Aartshertoginne verzocht, het
gouvernementshuis
tegen het huis van Mej. Bors te ruilen. Dit laatste lag aan
de Markt en
was voor kommandantshuis zeer geschikt. De ruil geschiedde 7
Sep-
tember 1747. Zoo werd het Prinsenhof Hospitaal-Generaal, wat
het
gebleven is tot 1930.
Het huis, aan het Munsterplein gelegen, is een groot,
eenvoudig, vier-
kant gebouw aan de langszijden met negentien, aan de smalle
zijde met
vijf vensters. De voorgevel komt uit op een binnenplaats,
door een hek
van het Munsterplein afgesloten. Daar liggen tegenover het
hoofd-
gebouw de vroegere stallen en koetshuizen. In het midden der
beide
langsgevels is een dubbele trap in hardsteen en boven de
kroonlijst ter
plaatse en ter breedte van drie vensters een fronton. Het
gebouw is van
baksteen, de vensteropeningen zijn omgeven door hardsteenen
banden.
Behalve de kelderverdieping heeft het gebouw twee
verdiepingen onder
een krachtige kroonlijst en een zadelvormig leidak, met
schilddaken
aan de smalle einden.
Het inwendige is geheel verbouwd, maar bevat nog uit
vroegere perio-
den de groote tweevleugelige eiken hoofdtrap met vierkante
balusters,
beneden een zwart marmeren consoleschoorsteen waarop in
eiken ge-
profileerde boezembekleeding. Op de bovenverdieping een
schouw op
twee zwart en wit marmeren zuilen en pilasters en nog een
schouw op
rood marmer getorste zuilen en pilasters met eikenhouten
boezem-
bekleeding.
De stichting bezit o.a. een eiken kast met dubbele deuren
met inleg-
lijsten en voorts nog twee schilderijen voorstellende het
eene kanunnik
Bors en het andere diens zuster Dorothea.
HET STADHUIS.
Met de stichting van een raadhuis voor Roermond zal
vermoedelijk
wel begonnen zijn eerst geruimen tijd nadat de plaats
stadsrechten
had gekregen. Er is wel eens beweerd, dat het vroegere
raadhuis
met zijn front gericht was naar den kant der Swalmerstraat.
Ter
plaatse waar thans de Sociëteit Concordia is gelegen, dacht
men
zich dan een voorhof en waar nu de voorgevel van het
Stadhuis is
gebouwd, zou dan de zijgevel van het alleroudste
magistraatsgebouw
hebben gestaan. Misschien kan de omstandigheid, dat de
kelders
375
vleugelige hardsteenen bordestrap, overdekt door een
balcon, rustend
op twee zuilen met hoofdgestel.
Midden op het dak staat een achthoekige koepeltoren. De
raadszaal,
links van den ingang heeft een vernieuwde balkzoldering en
een Ré-
genceschouw, waarin 'n haardplaat met het Oostenrijksche
wapen. Het
schoorsteenstuk erboven stelt keizer Karel VI voor, in 1719
door Jacob
Sytterich geschilderd. Aan de wanden prijken verder nog acht
levens-
groote portretten van vorsten der Oostenrijksche Nederlanden
o.a.
van Maria Theresia. Een piedestal draagt de buste van H. M.
Koningin
Wilhelmina, een werk van den beeldhouwer August Falise. De
burge-
meesterskamer, rechts van den ingang heeft een stucplafond
met het
jaartal 1723, waarschijnlijk het jaar waarin de restauratie
van het stad-
huis geheel voltooid werd. In de secretariskamer achter de
raadszaal
hangt o.a. een schilderij, voorstellende de H. Geestkerk
tijdens de af-
braak in 1821.
Op de bovenverdieping rechts ligt de groote ontvangzaal. Men
vindt er
o.a. een levensgroot portret van H. M. Koningin Wilhelmina
door Albin
Windhausen en het portret van Dr. P. J. H. Cuypers door Jan
Kruysse,
geschenk van de stad op den negentigsten verjaardag van
Roermonds
grooten burger. De verschillende zalen bevatten o.a. nog
gewasschen
penteekeningen van stadsgezichten door Jan de Beyer e.a. Op
de
archiefzalen worden bewaard een onvoltooid stadsgezicht
omstreeks
1800 in waterverf uitgevoerd door een Fransch genieofficier,
en een
vrijheidsbeeld uit den Franschen tijd, ter herinnering aan
de Con-
stitutie van het jaar VIII. Verder bezit het archief nog
enkele
haardplaten, verschillende merkwaardigheden uit de
stadsgeschiedenis
en de stadsbibliotheek. Op de balconkamer is de verzameling
onder-
gebracht bestaande uit Romeinsch, Germaansch, Middeleeuwsch
en
Renaissanceaardewerk en een mooie collectie munten en
penningen.
De gevelsteenen, consoles en bouwfragmenten, vroeger ook op
het stad-
huis bewaard, zullen thans een plaats vinden in een der
gevels van
het nieuwgebouwde museum.
Wij vermelden hier nog als stadseigendom de bekende
drinkbekers. De
oudste beker, uitgevoerd in verguld zilver en dateerend van
1588, is
een geschenk van hertog Johan Willem van Gulik uit
erkentelijkheid
voor de eer aan hem en zijn gemalin Jacoba van Baden bewezen
bij
een bezoek aan Roermond op 8 Maart 1588. Op het deksel staat
een
ridder, die in de rechterhand een vaandel en in de
linkerhand het
Guliksche landwapen draagt. De andere, eveneens van verguld
zilver
is de zoogenaamde Moffenbeker, ook wel eens Nederhovenbeker
ge-
noemd. De naam herinnert aan de bezetting van de stad door
de hoog-
duitsche soldaten onder overste Pollweiler van 1572 tot
1578. Er was
toen gebrek aan geld om aan de soldaten de toegezegde soldij
te kun-
nen betalen. Daardoor was de magistraat genoodzaakt al het
zilver
in de stad en in kerken en kloosters te versmelten en
daarvan munt
te slaan. Van het overgeschoten zilver werd de beker gemaakt
en als
herinnering aan de bezetting „Moffenbeker” genoemd. Johan
van Ne-
derhoven was de toenmalige muntmeester der stad, die met de
aan-
377
klooster behoorend berust op het Rijksprentenkabinet
een gewasschen
teekening door Jan de Beyer. Een foto hiervan is als
illustratie opge-
nomen. In den tuin ligt een merkwaardig kapelletje met
kruisgewelf
op platte ribben afgedekt; het gebouwtje toont een fraai
front en om-
blokte rondboogdeur waarvan de sluitsteen een bisschoppelijk
wapen
draagt. Op twee gevelsteentjes staat het jaartal 1696.
Van het vroeger bestaande Begijnhof is niets meer
overgebleven. Nadat
het reeds door de Begijnhofstraat was doorsneden, zijn de
laatste huis-
jes, uit de 2de helft der 17de eeuw, in 1929 gesloopt.
Alleen een 17de
eeuwsch kruisbeeld onder afdak thans in den tuin der
Ursulinen ge-
plaatst, is alles wat van het vroegere Begijnhof is
overgebleven.
Van de particuliere gebouwen noemen we nog het zoogenaamde
huis
Drehmanns in de Brugstraat 7. De gevel, van omstreeks 1500,
is van
baksteen en bergsteen opgetrokken, vier verdiepingen hoog en
drie
vensters breed, thans ten deele gecement en geverfd. De
onderpui is
gemoderniseerd evenals de vensters van de eerst verdieping.
De kruis-
kozijnen der tweede verdieping zijn geprofileerd en met
rondbogen
in rijke blinde traceering overspannen. De dakverdieping
heeft een
trapgevel, waarin weer een kruiskozijn met versierden
rondboog en aan
weerszijden een halfrond overtoogde driedeelige nis met
rijke tracee-
ring. Overblijfselen van hoekpinakels stonden op
uitkragingen, die zijn
Het huis „De Steenen Trappen“ heeft een 17de eeuwschen
baksteen-
weggekapt.
gevel, is boven een onderverdieping twee verdiepingen hoog
en heeft
een drie verdiepingen hooge, iets vooruitspringende
middenrisaliet van
vier vensters breedte onder een frontongevel met cartouche,
waarin 1666
en de voorletters van den stichter Peter van Boshuysen. De
zijvleugels
zijn elk twee vensters breed. In het midden geeft een
tweevleugelige
bordestrap toegang tot de hoofddeur. In den gevel zijn
hardsteenen
kruisvensters geplaatst, de muurkanten geblokt,
consolekroonlijst over
de risaliet doorloopend en deuren met gesneden bovenpaneelen
(1724).
Aan de kraanpoort, hoek St. Nicolaasstraat heeft het huis
Tonnaer
een voorgevel van vier vensterbreedten met
segmentboogvensters, met
hardsteen omraamd en met een sluitsteen versierd. De
topgevel bevat
een gevelsteen (1764), is met lijsten gedekt en draagt
siervazen op de
hoeken en op den top. De deuringang heeft een gebeeldhouwd
kalf
en gesneden bovenlicht Lodewijk XV en een gesneden deur met
koper-
beslag.
Het huis „Au cheval blanc" in de Marktstraat 18, bewoond
door den
Heer Loven, heeft een rijken hardsteenen gevel met
kroonlijst, en is drie
vensters breed en drie verdiepingen hoog. Boven het
middenvenster
van de eerste verdieping het jaartal 1767. De deuren en
vensters van
den beganen grond en de eerste verdieping hebben
geprofileerde omlijs-
tingen en versierde bovendorpels. De bovenvensters hebben
getoogde
omlijstingen en sluitsteenen met acanthuscartouches.
Wij noemen verder nog een merkwaardigen achtergevel aan de
Kraan-
poort met achthoekigen traptoren uit de 16de eeuw; enkele
eenvoudige
huisgevels in de Luifelstraat waarvan een het jaartal 1665
draagt, en
379
PUBLIEKE WERKEN
IN LATEREN TIJD
door
J. A. KUIJLAARS
OERMOND, het aardige midden-Limburgsche
stadje, vertoont in de nauw samengetrokken kern-
bebouwing, de regelmatige en weloverwogen be-
bouwingsblokken, de rondloopende singels, nog
sterk het karakter van de voorheen versterkte
plaats. Eerst nadat de stad werd ontmanteld kon zij zich
onbelemmerd
ontwikkelen; voordien werd alles tusschen de stadsmuren en
vesting-
grachten samengedrongen.
Bij resolutie van de Oostenrijksche Regeering van 31
December 1781
werd aan de stad gelast de vestingwerken te slechten, en den
toren en
het gewelf van de Brugpoort onmiddellijk af te breken. Het
zou echter
nog tal van jaren duren, vooraleer de ontmanteling geheel
zou zijn vol-
tooid. Nog in 1842/43 werd een gedeelte der muren gesloopt,
terwijl
enkele oude restanten thans nog herinneren aan de oude
vesting. De
Oostenrijksche Regeering stond in 1781 de binnen- of droge
gracht met
de strook grond langs den muur aan de stad af. De verdere
vesting-
gronden werden verkocht. De aan de stad gekomen bezittingen
gingen
echter in 1795 weder verloren. Daarna heeft Koning Willem I
bij Ko-
ninklijk Besluit van 24 Juli 1819 La. M. de stad weder
hersteld in het
bezit van de stadsgrachten, muren, torens, enz., op den voet
zooals
zulks gedurende de jaren 1782 tot 1795 had plaats gehad. Op
1 Septem-
ber 1819 werden deze bezittingen door den „Procureur des
Domaines"
bij procesverbaal aan den Burgemeester Clout overgegeven.
Na de ontmanteling der stad werd uitleg van de bebouwing
beter mo-
gelijk, maar toch zou het nog geruimen tijd duren eer de
groei der stad
in die mate toenam, dat aan de verkregen vestinggronden
behoefte
ontstond voor stadsuitbreiding. Daaraan gaan nog vooraf een
verrui-
ming en nieuwe bebouwing van de Kloosterwandstraat, destijds
ge-
naamd Achter Kloosterwand, en de vorming van het
Munsterplein. Uit
den aard der zaak hing de nieuwe vormgeving van dit
stadscentrum
ten nauwste samen met de restauratie van Roermonds
pronkjuweel
op bouwkundig gebied, de alom bekende Munsterkerk, door den
jeug-
digen Roermondenaar, architect P. Cuypers. Op het
tegenwoordige
Munsterplein stonden destijds een oude Brouwerijstal, het
oud Arrest-
huis en de Meelwaag, terwijl een nauwe steeg, genaamd Achter
de Meel-
waag, zich bevond ter plaatse waar nu de Christoffelstraat
ligt. In 1857
werd door Charles Guillon, notaris en raadslid, een rapport
uitgebracht
over den aanleg van een plein om de Munsterkerk. Dit plan
omvatte
in groote trekken het latere Munsterplein. In 1861 kocht de
Gemeente
381
gelegd. Deze wandelingen werden beplant met twee, drie
en plaatselijk
zelfs met vijf rijen boomen. Van de beplanting van deze
wandelingen
zijn nog afkomstig de groote lindeboomen langs den
Roersingel, geplant
in 1820, en de oude lindeboomen bij de Protestantsche Kerk
en op het
terrein van het klooster der zusters van St. Salvator, de
restanten van
de in 1835 aangelegde wandeling op den Krankenwal.
De singelaanleg dateert van 1868, in welk jaar de wal
tusschen de Niel-
derpoort en de Kapellerpoort aan den openbaren dienst werd
onttrok-
ken. In 1869 werden de eerste bouwplaatsen verkocht en wel
31 stuks.
Tien jaren later worden aan de markt gebracht de
bouwterreinen op
het voormalige Kruisheerenplein. De opbrengst van deze
bouwterreinen
liep wel zeer uiteen; kleine hoekjes voor het verkrijgen van
meer ge-
wenschte grensregelingen werden verkocht voor 20 cent per
vierkante
meter; de normale opbrengst schommelde echter om de f 3 .- ,
terwijl
op het oude Kruisheerenplein zelfs terreinen werden verkocht
voor
f 19.30 per vierkante meter. Voor 1879 zeer zeker een mooie
prijs.
In dienzelfden tijd kreeg ook het Stationsplein zijn
tegenwoordigen
vorm en indeeling. Na den bouw van het station in 1863 was
het
Stationsplein onverhard gebleven. Van de Hamstraat en van de
Veld-
straat leidde een veldweg naar het station. Nog in 1879
vindt corres-
pondentie plaats tusschen het gemeentebestuur en de
staatsspoor om
verbetering in dezen toestand te krijgen. In 1884 komt dan
een over-
eenkomst tot stand tusschen de Gemeente en den Staat over
ver-
legging van overwegen en over bestrating van het voorplein
van het
Stationsplein met behakte keien. Bij deze overeenkomst
behoudt de
Staat zich het recht voor te allen tijde den overweg bij
kilometerpaal
46/8 (de Veeladingstraat) te doen vervangen door een
doorgang onder
den spoorweg, en de aansluitende wegen in verband met dien
door-
gang voor zooveel noodig te doen verleggen. Mocht men
hieruit al wil-
len lezen dat de Staat van 1884 van oordeel was het gewoon
verkeer bij
de overwegen niet onbeperkt te mogen belemmeren, de latere
regee-
ringen erkennen dat standpunt geenszins, als gevolg waarvan
de tunnel-
kwestie nog niet is opgelost. Als uitvloeisel van de
overeenkomst van
1884 werd in 1885 het Stationsplein bestraat en werd aldaar
plantsoen
aangelegd. De bestrating vond plaats met behakte keien.
Hiermede
werd een nieuw tijdperk ingeluid: de tot dusver te Roermond
voor de
bestrating overal toegepaste veldkeien, ook wel
„kinderkopjes“ ge-
naamd, werden genegeerd. Zij zouden echter nog tot 1930
gelegenheid
behouden op andere plaatsen de voetzolen van de
Roermondenaars te
pijnigen. Het Kruisheerenplein was na den verkoop der
bouwterreinen
in 1879 spoedig bebouwd, en nadat in 1881 de laatste
bouwplaatsen aan
den Zwartbroekwal waren verkocht, werd de singelaanleg op
den ouden
Godsweerderwal ter hand genomen. De vaststelling van deze
plannen
vlotte echter niet zoo goed als in de voorafgaande jaren met
de plan-
nen voor den Boulevard tusschen Nielder- en Kapellerpoort
het geval
was geweest. Tegenover het plan van Burgemeester en
Wethouders
werd gesteld een plan van het raadslid Corsten, hetgeen tot
zeer scherpe
383
digde gronden daartoe waren aangekocht volgde in 1907
de doortrek-
king van de Begijnhofstraat over het Begijnhof naar den
Godsweerder-
singel. Tegelijkertijd werd de Godsweerderstraat tot aan
dien singel
doorgetrokken en ontving het Wilhelminaplein zijn
tegenwoordige ge-
daante. Ten behoeve van de doortrekking van de
Begijnhofstraat moes-
ten enkele der huisjes van het Begijnhof worden afgebroken.
Dit was
het begin van de volledige slooping van dit historisch
hofje. De eene
helft van hetgeen daarna nog resteerde heeft plaats moeten
maken
voor de R. K. Meisjes H.B.S., de andere helft voor de nieuwe
school
van het Klein College, twee moderne schoolgebouwen van den
archi-
tect Ir. J. Franssen. Zoo ontstond hier een centrum van
onderwijs-
inrichtingen, dat minder behoefte aan verkeerswegen heeft
dan
een zakencentrum; want komt men in het laatste steeds
verkeers-
wegen te kort, in dit onderwijscentrum kon in 1931 de
verbinding in
het verlengde van de Begijnhofstraat naar den
Godsweerderssingel
weder aan het openbaar verkeer worden onttrokken, om te
worden ge-
voegd bij het terrein van de zich steeds uitbreidende
Nijverheidsschool,
die zonder deze bijvoeging aan het einde van hare
expansiemogelijk-
heid zou zijn gekomen.
De ontwikkeling van de verkeersmiddelen in de tweede helft
van de
negentiende eeuw was voor Roermond al vrijwel gelijk aan die
in andere
streken van ons land. Eerst de grootewegenaanleg, daarna
treden de
spoorwegen op den voorgrond, gevolgd door de tramwegen,
waarna
ten slotte in den laatsten tijd het autoverkeer
allesoverheerschend
wordt.
De aanleg van de groote wegen, speciaal die van den weg
Roermond-
Weert, deed de behoefte gevoelen aan een beter
communicatiemiddel
over de Maas bij Roermond dan de Rijksveerpont opleverde.
Deze be-
hoefte werd zoo sterk aangevoeld, dat onder dagteekening van
17 De-
cember 1840 door een vijftal heeren, met name Jhr. Chr.
Petit, Rob. Mag-
née, J. L. Baudrihaye, G. Bongaerts en F. W. Milliard aan
het Rijk voor
99 jaar concessie werd verzocht voor den aanleg van een
pontonbrug.
Gelukkig voor den tegenwoordigen tijd is deze concessie niet
verleend.
In 1849 volgde een nieuw verzoek om deze concessie, hetwelk
eveneens
werd afgewezen, waarna in 1856 het gemeentebestuur zich tot
het Rijk
wendde met het verzoek voor Rijksrekening een schipbrug te
willen
bouwen. Ook dit verzoek werd afgewezen, en daarbij werd
medege-
deeld, dat volgens het gevoelen van het Departement van
Oorlog
s Lands defensie niet gedoogde, dat er vaste bruggen over de
Maas
zouden worden gelegd, op andere punten in het Hertogdom
Limburg
dan te Maastricht en te Venlo, de eenige plaatsen bij de
Maas, alwaar
vestingwerken waren. Voorwaar een somber geluid voor het
naar een
betere verbinding snakkende Roermond. Maar ondanks dit
weinig
hoopgevend resultaat van de poging van 1856 zou de Gemeente
vrij
spoedig in het bezit komen van de verlangde concessie,
wanneer zij
zelve den bouw van een brug, en nu geen pontonbrug, doch een
vaste
brug, wilde ter hand nemen. De spoorweg tusschen Venlo en
Roermond
385
spoorbaan Eindhoven-Weert-Roermond en verder in de
richting Dü-
ren. In Juni 1858 vragen J. Suermondt en P. J. Landry met
nog 10 ande-
ren concessie met rijkssteun voor den aanleg en de
exploitatie van de
spoorwegen, die Rotterdam en Vlissingen met den linker
Rijnoever en
Maastricht moeten verbinden. In Januari 1859 sluit daarbij
aan een
uitvoerige memorie van de Kamer van koophandel en fabrieken
te
Roermond, betoogende, dat de Zuiderlijn zal moeten loopen,
zooals
trouwens reeds door de Regeering voorgesteld, rechtstreeks
van 's-Her-
togenbosch over Helmond, Asten naar Roermond, en niet langs
Hel-
mond-Venlo. Deze memorie legde bijzonder den nadruk op
Roermond
als industrieplaats. Destijds waren alhier gevestigd: een
papierfabriek
met drie stoomwerktuigen en waterkracht; een wolspinnerij en
ver-
verij met stoom- en waterkracht; vijf fabrieken van wollen,
halfwollen
en katoenen manufacturen; drie meelfabrieken met stoom- of
water-
kracht; een grootsch atelier van beeldhouwkunst; een fabriek
van
stoomwerktuigen; een fabriek en ververij van adrianopelrood
garen
met stoomkracht; een ijzergieterij; fabrieken van
brandwaarborgkasten;
een fabriek van goudborduurwerken; een fabriek van looden
buizen
met stoomkracht; fabrieken van behangselpapieren. Deze
fabrieken
verschaften aan meer dan 3.500 personen werk, zoodat in dien
tijd Roer-
mond met recht zich op zijne belangrijke industrie mocht
beroepen.
Niettemin kwam de Zuiderlijn over Roermond niet tot stand.
De ver-
binding in de richting van den Rijn werd over Venlo geleid.
Roermond
kwam te liggen aan een lijn van Venlo naar Maastricht. In
1863 werd
het station Roermond aan deze lijn gebouwd.
In 1869 werd concessie verleend voor de spoorlijn
Antwerpen-Glad-
bach, welke lijn in 1879 zou gereed komen, een verbinding,
welke voor
Roermond zeer aan beteekenis zou toenemen, na de
totstandkoming
van de verbinding Eindhoven-Weert.
Nog meerdere pogingen werden in het werk gesteld om een
verbin-
ding in de richting Heinsberg te verkrijgen. Zoo werd in
1872 door de
Belgische Maatschappij Banque des Travaux Publics een
concessieaan-
vrage ingediend voor een lijn Eindhoven-Roermond-Heinsberg-
Jülich, terwijl daarna in 1882 nog een comité, gesticht op
verzoek van
den Landraad te Heinsberg, trachtte een verbinding
Roermond-Heins-
berg-Linnich-Jülich-Düren tot stand te brengen. Deze
pogingen
bleven echter zonder succes. Niettemin heeft Roermond reden
tot te-
vredenheid over zijne spoorwegverbindingen, welke het in
recht-
streeksche verbinding brengen met: westelijk en noordelijk
Neder-
land via Eindhoven; oostelijk en noordelijk Nederland via
Venlo; zuide-
lijk Nederland via Sittard; België via Hamont, Antwerpen; en
Duitsch-
land via München-Gladbach.
Nadat de spoorwegen tot stand waren gekomen ontstond de
behoefte
aan aanvullende lokaallijnen. Reeds in 1882 ontving de
Gemeente een
aanvrage om concessie van den aannemer J. Hillen uit Grave,
ten be-
hoeve van een verbinding Venray-Horst-Helden-Kessel-Roer-
mond. De concessionarisinspé was blijkbaar zeer bevreesd
voor andere
387
mond-Vlodrop. De verdere aanleg stagneerde nu
tengevolge van den
oorlogstoestand, doch niet zoodra was de vrede hersteld, of
de werk-
zaamheden werden met kracht voortgezet, en kort na elkander
volg-
den de openingen van de trambanen naar Meijel in 1919,
Deurne in
1920 en Roosteren in 1922. Het tramlijnennet om Roermond was
toen
gereed. Inmiddels was in 1920 de C.L.S.M. geliquideerd en
overgegaan
in de Limburgsche Tramweg Maatschappij, de Maatschappij,
welke het
geheele tramwegnet in Midden- en Zuid-Limburg exploiteert.
Bij den aanleg der diverse tramlijnen was het noodig enkele
belangrijke
wijzigingen in de stad aan te brengen. De breedsporige
tramlijn naar
Roosteren kon het tracé van de smalspoorbaan van de lijn
naar Vlodrop
over den Willem-II-Singel niet volgen. Het was toen noodig
deze lijn
om te leggen door Kruisheeren- en Mariagardestraat. De
Mariagarde-
straat werd bij die gelegenheid verbreed, en van een steeg
tot een
behoorlijke straat omgevormd. De andere belangrijke
wijziging was de
omlegging van de trambaan langs den huidigen
Wilhelminasingel in
verband met de ophooging van de Maasbrug, waarvan reeds
eerder
gewag werd gemaakt. Zoo is de tram de aanleidende oorzaak
geweest
van den aanleg van den Wilhelminasingel en het daarlangs
gelegen
plantsoen, hetwelk naast de Kapellerlaan de wandeling van
Roermond
is geworden.
In het midden der negentiende eeuw, in het tijdperk van
bloei der
Roermondsche industrie, was er op de Maas een niet
onbelangrijke
scheepvaart. Zoo vermeldt de Kamer van Koophandel en
Fabrieken
te Roermond in een memorie over de richting der Zuiderlijn,
uitge-
geven in 1859, dat het vervoer te water toentertijd bedroeg
aan
ontvangen goederen per stoomboot 4.400.000 Ned. ponden, per
gewone
schepen 13.100.000 Ned. ponden, aan verzonden goederen per
stoom-
boot 3.840.000 Ned. ponden en per gewone schepen 3.400.000
Ned. pon-
den. Het Gemeentebestuur laat zich in dien tijd dan ook
voorlichten
over de maatregelen te nemen in het belang van de
scheepvaart door
den Ingenieur van den Rijkswaterstaat J. L. Schneitter, die
in 1853
een rapport uitbrengt over een in de Stadsweide aan te
leggen haven.
Dat scheepvaart in dien tijd op de Maas mogelijk was, was
wel een
gevolg van den zeer geringen diepgang der schepen, welke nog
niet 1 M.
bedroeg. Ondanks den geringen diepgang der schepen ondervond
de
scheepvaart toch nog aanzienlijken hinder van de ongelijke
waterstan-
den op de Maas. Zoo wordt in het jaarverslag der gemeente
over 1865
ernstig geklaagd over de bevaarbaarheid der Maas. In dat
jaar was de
Maas gedurende 9 maanden onbevaarbaar geweest. Roermond trof
het
dat jaar dan ook wel bijzonder slecht, want juist het jaar
te voren had
de stad zich de belangrijke uitgave van f 22.000 .- getroost
om den kaai-
muur aan de Werf te verhoogen en door te trekken langs de
Looskade.
Na de totstandkoming der spoorwegen, welke een geregelden
af- en
aanvoer konden waarborgen, verdween de scheepvaart op de
Maas ten
slotte geheel en al. Slechts een kleine opflikkering kon
worden gecon-
stateerd in 1918, toen de Regeering, gedwongen door den nood
der
389
tricht, via Weert met Antwerpen en via München Gladbach
met Düssel-
dorf. De tramlijnen verbinden de naaste omgeving met
Roermond, en
wel de dorpen Horn, Beegden, Heel, Thorn, Ittervoort,
Baexem, Heijt-
huijzen, Roggel, Meijel, Melick-Herkenbosch, St.
Odiliënberg, Poster-
holt, Vlodrop, Herten, Linne, Maasbracht, Echt en Roosteren.
De ge-
kanaliseerde Maas verbindt Roermond via het kanaal
Wessem-Neder-
weert met de Zuid-Willemsvaart en de Belgische waterwegen,
via het
Maas-Waalkanaal met den Rijn en de Duitsche waterwegen, en
voorts
rechtstreeks met het uitgebreide Nederlandsche
waterwegennet. Uit-
stekende wegen voor gewoon verkeer verbinden Roermond met
Nijme-
gen en Maastricht; de verbinding met Weert-Eindhoven wordt
verbe-
terd; de kortste weg van Zwitserland langs den Rijn naar het
centrum
van Nederland voert via Heinsberg over Roermond. Deze bij
uitstek
gunstige verbindingen moeten bevorderlijk zijn aan de
industriëele ont-
wikkeling van Roermond.
De geweldige ontwikkeling van het automobielvervoer in den
laatsten
tijd bracht voor Roermond de noodzakelijkheid mee de
straatverhar-
ding te moderniseeren. In het midden der negentiende eeuw
was
de straatverharding in Roermond van het karakter als thans
nog
alleen in de slechtst geplaveide dorpen wordt aangetroffen.
Het
verhardingsmateriaal bestond uitsluitend uit de beruchte
veldkeien,
niet alleen voor de rijwegen, doch ook voor de voetpaden,
voor zoo-
ver althans van voetpaden sprake was.
Rioleering ontbrak ook nagenoeg geheel. In 1849 was voor
Roermond een
rioleeringsplan ontworpen door Remont, welk plan later bij
de uitvoe-
ring is aangehouden, zij het ook, dat het door Ir. van den
Berg in 1867
werd herzien. Een rioleering, zonder welke thans geen
samenleving
meer denkbaar is, was in die dagen nog een vrij onbekend
begrip, waar-
omtrent in onze oogen zeer eigenaardige meeningen werden
verkon-
digd. Wanneer in 1866 in den Raad aan de orde is de
uitvoering van een
gedeelte van het plan Remont om een kanaal te leggen van het
Begijn-
hof naar de Roer, en dit voorstel sterk verdedigd wordt door
den heer
Michiels, merkt de Burgemeester op, dat het onmisbare der
kanalen
voor de gezondheid wel wordt betwist (raadsvergadering van
18 Decem-
ber) !! En bij een discussie in den Raad op 26 Maart 1867
over hetzelfde
onderwerp, betoogt een der raadsleden, dat men geen kleinere
kanalen
moet maken dan 1.5 M. hoogte, aangezien kleinere kanalen
niet kunnen
worden gereinigd !! In 1867 en volgende jaren werd het
grootste deel van
het stadscentrum van rioleering voorzien. Daarbij werd toen
reeds in
de Hamstraat onder den grond een zooveel lager gelegen
straatverhar-
ding aangetroffen, een gelijke ervaring als in 1923 bij de
rioleering van
de Pollardstraat werd opgedaan. De rioleering werd
geleidelijk voort-
gezet, en tevens werden trottoirs aangelegd, welke werden
bestraat met
platines. Voor de rijwegen bleven de veldkeien nog behouden.
De strijd
tegen deze „kinderkopjes“ zou lang duren.
Reeds in 1858 besloot de Raad een aanvang te maken met
belegging
van de straten met paveisteenen. Niettemin werden de eerste
be-
391
deze zijde langzamerhand kwamen te ontbreken. Zoo
werden in 1899
de z.g. woningen van den Volksbond gesticht aan de overzijde
van de
spoorbaan nabij de Veelading. De woningbouwvereenigingen,
welke na
de totstandkoming van de woningwet in 1901, nieuwe en betere
arbei-
derswoningen stichtten, bouwden het overgroote deel hunner
woningen
in het Roermondsche Veld. Ook de ambtenarenbouwvereeniging
„Eigen
Haard" bouwde er in 1920 een complex van 80
middenstandswonin-
gen, zoodat aldaar een stadsdeel ontstond van rond 500
woningen met
kerk, scholen en nu sedert kort het nieuwe
Laurentiusziekenhuis. De
verbinding van dit belangrijke stadsdeel met de oude stad
ondervindt
momenteel nog hinder van den spoorweg, welke beide
stadsdeelen
scheidt, doch een oplossing van deze moeilijkheid is in 't
zicht.
Aan de algemeene ontwikkeling van de gasindustrie in de
tweede helft
der negentiende eeuw heeft het particulier initiatief zeer
veel bijgedra-
gen. Zoo werd ook voor de gemeente Roermond concessie
gevraagd
voor de stichting van een gasfabriek door de Heeren
Burghoff, Magnée
en Co .; bij Koninklijk besluit van 24 Februari 1848 No. 41
werd aan
genoemde Heeren vergunning verleend tot het aanleggen van
een „gaz-
etablissement", doch de gevraagde exclusieve vergunning werd
niet ver-
leend. Van de verkregen vergunning werd geen gebruik
gemaakt. In
1859 besluit daarop de Gemeente zelf een gasfabriek te
bouwen. De
nieuwe fabriek zou in Februari 1861 in bedrijf worden
gesteld.
De straatverlichting, die nog pas in 1853 was verbeterd door
de over-
name van 63 olielantaarns van Nijmegen, dat reeds toen gas
kreeg, werd
nu omgebouwd in gasverlichting. De nieuwe straatverlichting
werd door
de bevolking geestdriftig begroet, en de Maas- en Roerbode
van 2 Maart
1861 was er zoo door begeesterd, dat zij het heuglijke feit
mededeelde
in de volgende bewoordingen:
„Het was een hoogst aangename verrassing voor onze
stadgenooten
„j.l. Donderdagavond eensklaps de heerschende duisternis
herschapen
„te zien in eene geheel en al ongewone klaarheid, doordien
namelijk het
„reikhalzend verbeide gaslicht alstoen voor de eerste maal
zijn glanzen-
„de stralen over Roermonds pleinen en straten verspreidde,
terwijl
„mede in vele societeiten, herbergen en particuliere huizen
met het
„nieuwe verlichtingssysteem een aanvang kon worden gemaakt.
Zeer
„natuurlijk is het, dat de meeste ingezetenen dien avond een
togtje door
„de stad ondernamen om zich over het effekt der nieuwe
verlichting te
„vergewissen. Haasten wij ons te zeggen, dat men in zijne
goede ver-
„wachting ten deze niet teleurgesteld is geworden; iedereen
moet tot de
„overtuiging gekomen zijn, dat dit systeem om de
duisternissen te ver-
„jagen boven elk ander de kroon spant. Het gaslicht was dan
ook zeer
„zuiver en helder en droeg in zulke mate de goedkeuring weg,
dat
„menigeen, die de gasverlichting in andere en grootere
plaatsen gezien
„heeft, de ronde verklaring aflegde, nooit geene betere te
hebben aan-
De fabriek onderging tijdens haar bestaan drie groote
verbouwingen.
,getroffen."
Toen in 1873 de gasafgifte van 65000 M3. in den aanvang tot
140.000 M3.
393
de zaak rusten, en het zou nog duren tot den 30sten
Juli 1898, voordat
door Burgemeester Raupp de eerste steen kon worden gelegd
voor een
slachthuis volgens de plannen van den architect G. Osthoff.
Op 19 De-
cember 1899 werd het slachthuis geopend en konden de 56
slachterijen,
welke in de stad bestonden, worden gesloten. Het
Roermondsche
slachthuis was het eerste slachthuis in Nederland, waaraan
tevens een
koelhuis was verbonden.
Ruim 25 jaren heeft dit slachthuis vrijwel ongewijzigd
dienst gedaan.
Het gebrek aan voldoende koelruimte werd echter toen zoo
nijpend,
dat tot uitbreiding van het koelhuis en vernieuwing der
koelmachines
moest worden overgegaan. In nauwe samenwerking van den
Directeur
van het Slachthuis met den dienst van Publieke Werken, en op
koeltech-
nisch gebied geadviseerd door Ir. Mink, kwam in 1929 een
groote uit-
breiding van het koelhuis tot stand, zoodat Roermond in het
belang der
volksgezondheid thans de beschikking heeft over een goed
geoutilleerd
en uitstekend werkend openbaar slachthuis.
De vrij geregelde constante waterstand op de Maas sedert de
voltooiing
van de kanalisatie maakte het mogelijk aan den oever van de
Maas
even boven de stad een bad- en zwembassin uit te graven.
Deze in
1920 gereed gekomen, en in 1929 nog uitgebreide inrichting
met talrijke
kleedkamers en waterleidingdouche, gelegen in een mooie,
rustige
natuur, biedt een prachtige gelegenheid voor de beoefening
van de
zwemsport, waarvan dan ook een druk gebruik wordt gemaakt.
De telefoon wordt in Roermond geëxploiteerd door den
Rijkstelefoon-
dienst, terwijl de radiodistributie wordt verzorgd door de
Federatie
van R. K. Radio-Vereenigingen in het Bisdom Roermond, St.
Servatius.
Onder het bestuur van burgemeester Raupp werden verscheidene
van
de tegenwoordig voor den openbaren dienst bestemde gebouwen
ver-
nieuwd of gesticht. Het openbaar slachthuis werd daarvan
reeds ge-
noemd. In 1903 werd in de Hamstraat het tegenwoordige
commissariaat
van Politie gebouwd, in 1904 werd het gebouw der
Teekenschool aan
den Godsweerdersingel opgetrokken en in 1905 werd een groote
ver-
bouwing van het raadhuis uitgevoerd. Aan het gebouw der
teekenschool
is zeer goed de invloed van den architect P. Cuypers waar te
nemen;
de andere werken werden ontworpen en uitgevoerd onder
leiding van
den dienst van Publieke Werken.
Het raadhuis, gebouwd tusschen 1692 en 1700, werd in 1905
ingrijpend
gewijzigd. De kantoorlokalen werden bij die gelegenheid
gebouwd, ter-
wijl ook het representatief gedeelte een grondige wijziging
onderging.
In 1909 werd gesticht het Rijkskantorengebouw aan de
Begijnhofstraat,
welk gebouw in 1921/22 belangrijk werd uitgebreid. In dit
gebouw, dat
door de Gemeente aan het Rijk is verhuurd, zijn
ondergebracht alle
rijksdiensten met betrekking tot het belastingwezen, het
kadaster en
het hypotheekkantoor. Deze samenvoeging van verscheidene
diensten
395
SOCIALE INSTELLINGEN
NA DEN GILDENTIJD
door
FRED. HOEN PR.
N het bestek van dit Gedenkboek kan een socio-
grafie van Roermond in de 19e eeuw uiteraard
slechts zeer beknopt zijn. Hoe interessant en leer-
zaam het onderzoek op dit weinig ontgonnen ter-
rein der sociologische en psychologische verhoudin-
gen in de voorgaande eeuw ook moge zijn voor den sociograaf,
hier
is slechts plaats voor een zeer summier overzicht van die
verhoudingen
in het begin en het midden dier eeuw, die, behoudens de
inwerking van
enkele locale factoren, een weerspiegeling zijn van de
algemeene econo-
mische toestanden in ons land. 1) Voor eene beschrijving van
de sociale
instellingen, die ontstaan zijn tegen den uitgang der vorige
en het begin
onzer 20ste eeuw, toen een vereenigingsleven zich begon te
openbaren
dat verder strekkende doeleinden had dan gezellig samenzijn
of in-
standhouden eener ziekenbus, blijft dan ook nog wat plaats
beschik-
baar.
Als met één pennestreek had de Fransche wet van 1791, hier
afgekon-
digd den 19 Brumaire IV (10 November 1795), alle „Gilden en
Corpora-
tiën" afgeschaft. Nochtans, eeuwenoude sociale instellingen,
die zoo
diep geworteld stonden in het volksleven, het economische
zoowel als
het godsdienstige, worden zoo maar niet weggevaagd. Ook hier
kwam
spoedig de reactie. Lodewijk Napoleon vaardigde voor Holland
op
30 Januari 1808 een wet uit, die aan de gemeenten de
bevoegdheid ver-
leende de gilden te herstellen, maar tevens de daaraan
verbonden na-
deelen trachtte te vermijden: de deelneming was verplicht,
maar het
poorterschap, het afleggen van proefstukken e.d. was geen
voorwaarde
tot toelating. Ofschoon toen in onze stad, als deel
uitmakende van de
„Departements réunis", de Fransche wetgeving gold, waren de
gilden bij
de Restauratie nog geenszins dood, maar toch verbleekte
langzamer-
hand hun economische werkzaamheid en bleven ze alleen
finantieel
voortbestaan. Een Kon. Besluit van 26 Juli 1820 bracht een
liquidatie-
regeling der gildefondsen: het bleven steunfondsen voor de
bedrijfs-
genooten. Godsdienstige gildegebruiken hebben zich nog weten
te
handhaven tot in de 20ste eeuw. Zoo het vieren van de
Patroonfeesten.
Tot voor enkele jaren nog was de dag van den Schutspatroon
der ver-
schillende ambachten in onze stad voor de vakgenooten een
vierdag.
's Morgens werd een plechtige H. Mis opgedragen, waaronder
patroons
en knechts gezamenlijk „ten offer” gingen en 's avonds was
er feest.
In het begin der 19de eeuw en nog tientallen jaren later
werd de
1) c. f. De arbeidende klasse in Nederland in de 19de
eeuw, door Dr. I. J. Brugmans.
397
gaarne zag als den grooten weldoener der arbeiders, die
werkgelegen-
heid en dus brood gaf, in die, tengevolge van de
Napoleontische oor-
logen en de verschillende bestuurswisselingen, verarmde
tijden.
De arbeiders werden gerekend onder „de arme volksklasse“ en
de
ondernemer, die trouwens geen exorbitante winsten maakte,
droeg het
karakter van een philantroop. Overigens ontbrak het dezen
„armen”
aan de noodige ontwikkeling, om tot eenig serieus
vereenigingsleven
te kunnen komen.
Het oudste (werklieden-) „Reglement voor schrijnwerkers,
timmer-
lieden, metzelaars, leyendekkers en andere werklieden in
dagloon
werkende", opgesteld door de „Regering der Stad Ruremonde“
in de
Vergadering van 6 April 1820, bepaalde een arbeidstijd voor
de zomer-
maanden van 12 uur, voor de overgangsmaanden van 10 uur en
voor de
wintermaanden van 712 uur en stelde de loonen vast op
respectievelijk
voor meesters 2 gulden, 1 gulden en 15 stuivers, 1 gulden en
10 stuivers,
voor knechten 1 gulden 15 stuivers, 1 gulden 10 stuivers, 1
gulden 5 stui-
vers, waarvan 5 stuivers voor den meester wegens
surveilleeren en ver-
strekken van gereedschappen. Dit alles in Cleefs geld (1
gulden =
461/2 cts.).
In dien tijd begon zich alhier in den vorm van huisindustrie
een
textielnijverheid te ontwikkelen, die zich tegen het midden
der eeuw
tot belangrijke grootbedrijven uitbreidde. 1) In 1825
richtte het Bureau
van Weldadigheid een spinnerij of spinfabriek in om „het
weldoende
oogmerk van onzen geëerbiedigden vorst betrekkelijk de
vernieling der
bedelarij te bereiken" door den armen werk te verschaffen.
Na een drie-
jarig bestaan werd ze reeds opgeheven wegens het werken met
verlies.
In 1841 wordt bericht dat het weven bij de arbeiders thuis
geschiedt,
in de fabriek heeft slechts de voorbereiding van het weven,
benevens
het verven plaats. De wevers zijn onafhankelijk van de
fabriek, heb-
ben geen vaste dienstneming en werken meestal in „gehuurde
kamers“.
In 1848 waren er volgens de opgave van het Bureau van
Weldadig-
heid op een bevolking van ruim 7000 zielen, ondanks de ruime
werk-
gelegenheid, toch nog 1657 geheel of gedeeltelijk bedeelden.
Het sterfte-
cijfer was abnormaal hoog. In 1847, een jaar, waarin in 't
heele land de
sterfte een recordhoogte bereikte, was het aantal
overlijdens 243. Het
euvel van drankmisbruik bestond hier gelijk elders, in die
tijden,
ondanks de lage loonen. Ook bestond het euvel der gedwongen
win-
kelnering. In 1841 zeggen Burgemeester en Wethouders dat de
„ge-
woonte tot nadere afrekening der arbeidsloonen eenig crediet
in
goederen te openen slechts facultatief is en tot geen
misbruiken aan-
leiding geeft." Ook bestond de veertiendaagsche betaling. In
1849
klaagt het Provinciaal verslag over gebrek aan werkvolk te
Roermond
voor de fabrieken van wollen en katoenen stoffen, doordat
men er
niet in slaagt het landvolk tot fabrieksarbeid over te
halen. Daarnaast
1) De wever P. M. Kaysers, in dienst bij de firma
Claus, bood in 1848 aan Zijne
Majesteit Willem II twee linnen broeken zonder naad aan,
als een bewijs zijner
vakkennis. Burgemeester en Wethouders adviseeren Z. M. hem
een gratificatie toe te
kennen, gelijk in het naburige Pruissen bij een dergelijk
geval ook geschied is.
399
woordige Munsterplein, zouden afgebroken worden, vroeg
de St. Vin-
centiusvereeniging in het belang der door haar beheerde
spijskokerij
de „Meelwaag“ het laatst aan de beurt te laten komen, „om
zoodoende
deze spijskokerij zoo voor de armen als voor de werkende
volksklasse
bij te houden. Wat de werkende klas betreft kunnen de
vrouwen. die
anders veel tijd verliezen en voor dezelfde hoeveelheid
spijs meerdere
uitgaaf moeten aanwenden, den vollen dag aan fabriek of
anderen
arbeid aanwenden."
De verdwijning dezer industrie na de zestiger jaren is niet
zoozeer
een symptoom van verval dan wel van verplaatsing. Immers
terwijl
de Twentsche textielnijverheid juist in de zestiger jaren
begon op te
bloeien en steeds toenam naarmate de beschermingsmaatregelen
wer-
den verminderd en afgeschaft, ging deze industrie hier te
gronde bij
gebrek aan protectie tegen de concurrentie van het
insluitende buiten-
land. Daarbij kwam het gebrek aan communicatiemiddelen,
vooral te
water, wegens verzanding der rivier en de wateraftappingen
in België,
waardoor omstreeks de zestiger jaren de scheepvaart
herhaaldelijk ge-
stremd werd. Over dit laatste uitten de gemeenteverslagen
reeds tien
jaren vroeger gerechte klachten. Ook werd de behoefte aan
een betere
haven gevoeld. Burgemeester Beerenbroek had zich reeds in
zijn boven-
vermelde installatierede eenigszins bezorgd getoond:
„vergelijken wij
den toestand van Roermond met dien van voor 25 jaren, men
zal moe-
ten erkennen dat handel en nijverheid eene vlugt hebben
genomen,
welke niet was te voorzien en waarvan zich de weldadige
werking, voor-
al bij de neringdoende en arbeidende klassen, heeft doen
gevoelen; maar
zal die vooruitgang duurzaam wezen, sluiten wij dan de oogen
niet
voor de versnelde middelen van gemeenschap, die hier en
ginds in onze
nabijheid zijn tot stand gekomen, noch voor de verschillende
spoorweg-
lijnen, die reeds ontworpen zijn of zullen worden."
Wat den handeldrijvenden middenstand betreft, ontmoeten we
tegen
het midden der 19de eeuw telkens klachten als deze:
„kwijnende als
minder bescherming ontmoetende en tengevolge van de vele
concur-
rentie in de stad, van mededinging van elders of door
kramers of ven-
ters, die al niet in de gemeente dan toch de
plattelandsgemeenten
doorkruizen; op de dorpen heeft zich van lieverlede een
kleinhandel
gevestigd, eene vermindering van vertier voor de stad
medebrengende".
Als van ouds gingen de burgers zich dan op het boerenbedrijf
toeleg-
gen, vooral bij den opbloei van den landbouw na 1840. Zoo
kreeg de
oude Geldersche hoofdstad een echt landelijk karakter en
werden er
in 1852 niet minder dan 353 melkkoeien gehouden, die door 2
koe-
herders, die 40 c. per dag verdienden, naar de stadsweide
gedreven en
daar gehoed werden. In het middaguur togen dan de melksters
naar
den „Doolhof” waar het vee werd samengedreven. Ook mestte
menig
burger zich een krulstaart.
Als in de zestiger en zeventiger jaren, na jarenlange actie
van Gemeen-
teraad, Kamer van Koophandel en een plaatselijk „Comité voor
Spoor-
wegen" de lijnen Venlo-Roermond-Maastricht (1863) en
Antwerpen
-Roermond-Gladbach (1879) alsmede de vaste brug over de
Maas,
401
was gebleken, dat een tachtigtal krotten voor
verblijfplaats van men-
schen totaal ongeschikt was gebleken. In de laatste jaren
werd ook het
vrijwel onbewoonbaar geworden Begijnhof opgedoekt, waarbij
men m.i.
een fout beging, door de grootendeels onsociale bewoners
wederom in
één wijk samen te brengen.
Gaan we nu over tot het geven van een overzicht der sociale
organisa-
ties en instellingen in onze stad, die ontstaan zijn in den
jongsten tijd
en die nu nog bestaan.
ORGANISATIES.
Als een gevolg van den Wereldzendbrief „Rerum Novarum” van
Z. H.
Paus Leo XIII z.g. in 1891 verschenen, werd op 23 April 1893
hier ter
stede de R. K. Volksbond opgericht, die o.a. ten doel had de
beroeps-
belangen der leden te behartigen, de goede verstandhouding
tusschen
patroons en leden te bevorderen, verzekeringsfondsen te
stichten en
middelen te beramen tot werkverschaffing aan de leden. Het
door Z. H.
Exc. Mgr. Boermans benoemde bestuur, bestaande uit den
Hoogeerw.
Heer P. Corten, Plebaan-Deken, Eere-Voorzitter, en de Heeren
Mr.
Regout, Voorzitter, E. v. d. Broek, Secretaris, Fr. Nicolas,
Penning-
meester en Jos. Höppener, A. Hendriks, F. Janssens en H. v.
d.
Marck, leden, met de geestelijke adviseurs Prof. Dr. W.
Bauduin en
Rector Vrancken, pakte onmiddellijk aan. Reeds op 2 Juli
1893 werd
een Ziekenfonds opgericht voor uitkeering bij ziekte voor
loonder-
ving en kosten voor geneesheer en apotheker. Na een
algemeene ver-
gadering op 7 Augustus 1893 steeg het ledental van den
Volksbond
van 685 tot 893 n.l. 317 patroons en 576 gezellen. Datzelfde
jaar
werd overgegaan tot oprichting van een Bouwcommissie, ten
doel
hebbende het bouwen van arbeiderswoningen. Het bestuur was
samen-
gesteld uit de Heeren: Jos. Cuypers, architect, Voorzitter,
Felix
Janssens, 2e Voorzitter, Arthur Schreurs, Secretaris, H.
Willemsen,
Penningmeester, A. Hendriks, J. F. Scheuller en E. v. d.
Broek, leden.
De statuten werden koninklijk goedgekeurd op 29 Mei 1894 en
versche-
nen in Staatsblad No. 48. Door Katholieken uit Roermond werd
inge-
teekend voor een bedrag groot f 15.000,-, zoodat de
Bouwcommissie
met hare werkzaamheden kon beginnen. In hetzelfde jaar werd
een ter-
rein gekocht, waarop een vijftiental woningen werden
gebouwd. Tot
op heden wordt deze huizengroep Volksbond genoemd. Op 16
April
1895 had de eerste steenlegging plaats, welke plechtigheid
geschiedde
door nu wijlen Mgr. Dr. W. Everts en Dr. P. Cuypers. De
woningen
kwamen in September van dat jaar gereed en werden alle
verhuurd
aan leden van den Bond. Op 1 October waren alle bewoond. De
stede-
lijke Gezondheidscommissie stelde een onderzoek in en
schreef in haar
jaarverslag van 1895 o.m. als volgt:
„Den Roomsch Katholieken Volksbond komt de eer toe, het
initiatief
te hebben genomen tot den bouw van woningen voor arbeiders.
De
Gezondheidscommissie, wier taak het in de eerste plaats is,
het wel
en wee der talrijke volksklasse ter harte te nemen, brengt
daarvoor
403
welke afdeeling een reminiscentie aan den gildentijd
opriep toen zij
in de Votiefkerk van het H. Hart haar eigen St. Rafaëlaltaar
stichtte,
de afdeeling St. Paulus voor personeel in Overheidsdienst,
de afdee-
lingen van Transportarbeiders, Bouwvakbond St. Jozef, R. K.
Mijn-
werkersbond en de afdeeling Metaalbewerkers.
Naast deze R. K. Arbeidersorganisaties bestaan nog enkele
bij het
N.V.V. aangesloten vakorganisaties van arbeiders met te
samen 100
leden, gecentraliseerd in den Bestuurdersbond, benevens een
uiteraard
kleine groep Protestantsch-Christelijk en neutraal
georganiseerden.
De organisatie van den Middenstand kwam eerst veel later tot
stand
en had met groote moeilijkheden te kampen. De Roermondsche
Ver-
eeniging tot bevordering van Handel en Nijverheid heeft
jaren lang op
velerlei wijzen de middenstandsbelangen behartigd. Zij werd
in 1921
opgeheven, wijl ondertusschen de R. K.
Middenstandsvereeniging op-
gericht en tot eenigen bloei gekomen was. De weg dezer
organisatie
liep niet over rozen, ofschoon zij verschillende acties,
vooral gedurende
de oorlogsjaren 1914-1918 met succes gevoerd heeft. Een
Coöperatieve
inkoopvereeniging moest geliquideerd worden en de
organisatie zelve
ging te niet. Heropgericht op 27 Januari 1930, bloeide zij
snel op en
telt thans 215 leden en twee vakafdeelingen: de R. K.
Kappers- en de
R. K. Bakkersvereeniging. De leden van den R. K. Slagersbond
zijn
meestal individueel lid van de R. K.
Middenstandsvereeniging. Sinds
een paar jaren zijn de jongere middenstanders georganiseerd
in den
Katholieken Jongen Middenstand, met als voornaamste doel de
ontwik-
keling der leden.
De Gemeentelijke Handelscursus in 1908 geopend, biedt den
jongen
middenstand eveneens gelegenheid zijn kennis te verrijken.
Voordien
heeft de Roermondsche Vereeniging tot bevordering van Handel
en
Nijverheid van af 1899 in een tweetal localen der Openbare
Lagere
School Handelsonderwijs gegeven. Bij gebrek aan geld werd
dit onder-
wijs in 1902 gestaakt.
Een afdeeling van den Limburgschen Land- en Tuinbouwbond
bestaat
aan de Kapel in 't Zand
Voor de behartiging der algemeene Vrouwenbelangen werd de R.
K.
Vrouwenbond in 't leven geroepen, die zijn actie op een
breed arbeids-
veld ontplooit.
Afdeelingen van „Voor Eer en Deugd“ voor mannen en vrouwen
ko-
men op voor gezonde volkszeden en tegen de openbare
zedenontaarding.
In zijn streven hieraan verwant is de R. K. Bond voor groote
gezinnen.
De organisatie van de bevolkingsgroep, die algemeen tot den
Werk-
nemenden Middenstand gerekend wordt, dateert uit de periode
na 1900.
Als oudste dient genoemd te worden de afdeeling Roermond van
den
R. K. Onderwijzersbond. Sterk uitgegroeid is in de laatste
jaren de
Algemeene Roomsch Katholieke Ambtenarenvereeniging (Arka)
met
hare verschillende groepen. Tot deze categorie behooren nog
de orga-
nisaties van R. K. Handelsreizigers St. Wiro, van Kantoor-
en Winkel-
bedienden St. Franciscus van Assisië, van R. K. Post,
Telegraaf en
Telefoonpersoneel St. Petrus, de R. K. Politiebond en de R.
K. Bond
405
wen Buitenop, kwam in 1914 in 't bezit van het
gebouwencomplex
van het vroegere Pensionaat St. Louis, waarin het 170
jongens van
6-18 jaar bergt. In het vroegere Pensionaat „De Steenen
Trappen"
werd in 1908 een dergelijk gesticht voor meisjes gehuisvest
door de
Zusters van het Arme Kind Jezus, met 150 pupillen.
SOCIALE INSTELLINGEN.
In 1911 werd door een Comité genaamd „De Katholieke Actie"
het
Katholiek Vereenigingsgebouw „Het St. Christoffelhuis“
gesticht, als
centrale voor het Katholiek Vereenigingsleven. Het waren
vooral de
toenmalige Kapelaans A. van de Venne en P. Corten, die zich
hierbij
verdienstelijk maakten. Dezelfde personen, n.l. twee uit de
verschil-
lende georganiseerde bevolkingsgroepen, die het
bovengenoemde Co-
mité vormden, constitueerden zich in 1920 tot het Comité der
Katho-
lieke Sociale Actie (Kon. goedgekeurd 1 April 1921). Dit
Comité der
K.S.A. nam tot 1932 de exploitatie der R. K. Arbeidsbeurs op
zich, riep
een leeszaalcomité in 't leven en besloot op 10 December
1920 tot
stichting eener R. K. Openbare Leeszaal. Aanvankelijk in het
St. Chris-
toffelhuis gehuisvest, heeft deze leeszaal met
uitleenbibliotheek thans
een gebouw gehuurd op 't Munsterplein. Sinds dit jaar, 1932,
is de naam
van dit Comité: „Katholiek Roermond.”
Het Landbouwhuis. De Limburgsche Land- en Tuinbouwbond onder
den naam „Limburgsche Landbouwbond“, den 15 Januari 1901
opge-
richt, heeft zijn zetel te Roermond. Tot 1911 had hij echter
geen kan-
toor. In voornoemd jaar werd besloten een lokaal te huren in
het
Christoffelhuis. Weldra bood dit lokaal geen voldoende
ruimte meer
en werd omgezien naar een huis, waarin meerdere lokalen
beschikbaar
waren. Op 21 Januari 1914 werd besloten een pand te huren op
het
Stationsplein, dat den naam kreeg van „Landbouwhuis“. In
1919 deed
zich de gelegenheid voor een geschikt pand te koopen n.l.
het Hotel
„du Lion d'or" in de Neerstraat. Op 1 December van dat jaar
werd het
eigen kantorengebouw plechtig ingezegend door Mgr.
Schrijnen. In
dit Landbouwhuis, met zijn vele kantoor- en vergaderlokalen
hebben
haast alle onderafdeelingen en instellingen, zooals
verzekeringen, coö-
peraties en commissies van den L.L.T.B. haar zetel. De
voornaamste
op economisch gebied is wel de aan- en verkoopvereeniging
„Land-
bouwbelang". Nog in dit jaar, 1932, is de kantoorruimte door
bijbouwen
aanmerkelijk uitgebreid. Ook het orgaan van den Bond „Land
en Vee”
heeft er zijn bureau.
R. K. Landbouwwinterschool. In het voorjaar van 1923 werd
door
den L.L.T.B. een ruim pand (gedeelte van een voormalig
Ursulinen-
klooster) in de Steegstraat aangekocht, waarin 23 October
van dat
jaar de R. K. Landbouwwinterschool geopend werd na de
plechtige
inzegening door Mgr. Dr. Mannens, vicarisgeneraal van het
Bisdom.
407
door vrijwillige bijdragen van donateurs in stand
gehouden. De rente
van dit fonds, dat thans ruim f 2200 .- kapitaal bezit,
wordt besteed
voor steun aan onvermogende leerlingen. Vooral de
Roermondsche
Spaarbankvereeniging heeft in de laatste jaren dit fonds
mild bedacht.
In de laatste jaren moesten herhaaldelijk leerlingen worden
afgewezen.
Nu terrein is verkregen is ook nieuwbouw reeds overwogen.
Met het
oog op de tijdsomstandigheden zullen deze plannen voorloopig
moe-
ten blijven opgeschort.
De vereeniging hoopt dit jaar het 25-jarig bestaan te kunnen
vieren
door een tentoonstelling van werkstukken en teekeningen van
de leer-
lingen der beide scholen.
SOCIAAL-ECONOMISCHE INSTELLINGEN.
Kamer van Koophandel en Fabrieken. In 1829 werd bij Kon.
Besluit
van 21 Augustus te Roermond eene „Kamer van Koophandel en
Fa-
brijken" opgericht en den 14 September d.a.v. geïnstalleerd.
Toen echter
de Gemeenteraad der stad Roermond in verband met het Kon.
Besluit
van 9 November 1851, uitgenoodigd zijnde om te beslissen
omtrent de
vraag „of al dan niet in die stad eene Kamer van Koophandel
gevestigd
zou blijven", in zijne vergadering van 11 December 1851 met
meerder-
heid van stemmen (6 tegen 5) besliste geen nieuwe zoodanige
Kamer
meer te verlangen, werd deze op 1 Juni 1852 ontbonden. Al
spoedig
bleek de Raad de nadeelige gevolgen van het ontbreken eener
Kamer
van Koophandel geducht te voelen. Hij haastte zich dan ook
in zijn
vergadering van 17 Februari 1853 terug te komen op het
dienaangaande
genomen besluit en nam „de uitgebreidheid van handel en
fabrijken
en het wenschelijke en noodzakelijke eener dergelijke Kamer
overwo-
gen hebbende" met algemeene stemmen het besluit de vestiging
binnen
deze stad eener nieuwe Kamer aan te vragen. Bij Kon. Besluit
van
1 April 1853 is dan ook bepaald, dat in de gemeente Roermond
eene
Kamer van Koophandel zal gevestigd worden, bestaande uit 7
leden.
De installatie vond plaats 1 Juli 1853 door Burgemeester
Karel Theo-
door Leurs en als eerste Voorzitter werd gekozen de Heer
Jean
Mathieu Nacken.
Eene lang en vurig verwachte reorganisatie van de Kamers van
Koop-
handel werd een feit door de wet van 26 Maart 1920. Het land
werd
verdeeld in 36 districten, waarvan Midden-Limburg er een
was, met
als zetel der Kamer Roermond. Elke Kamer bestaat uit een
afdeeling
Grootbedrijf en een afdeeling Kleinbedrijf. In het
Handelsregister die-
nen alle handelszaken te zijn ingeschreven. Wat de taak der
Kamers
betreft, de Wet geeft haar een aantal verplichtingen,
benevens tal van
bevoegdheden.
Aan een historisch overzicht van haar werkzaamheden door den
tegen-
woordigen Voorzitter, den Heer H. M. F. Smeets, ontleenen we
het
volgende: „Het is onmogelijk, ook maar in 't kort op te
sommen het-
geen voor het verkrijgen van betere verkeerswegen, als van
aanleg
van spoor- en waterwegen, van goede postverbindingen, van
opheffing
409
De Coöperatieve winkelvereeniging Het Centrum, is
gevestigd in haar
pand aan de Hendriklaan, met kantoren, bakkerij en winkel en
een
winkel in de Hamstraat.
De Coöperatieve Roermondsche Groenten-, Fruit- en
Aardappelvei-
ling heeft eigen kantoor en veilingsgebouw aan de
Ernst-Casimirstraat.
De Coöperatieve Melkinrichting en Stoomzuivelfabriek St.
Christoffel
beschikt over eigen gebouwen aan den Maastrichterweg, nabij
de Mi-
chielsbrug.
Aan de Kapel bestaan nog de Coöperatieve Maalderij „Ons
Belang”
en een afdeeling van de Boerenleenbank.
De Stroomverkoopmaatschappij heeft hier een bijkantoor en
een scha-
kelstation. In 1931 werd de nieuwe, sierlijke
hoogspanningslijn der
S.V.M. van Staatsmijn Maurits naar Roermond in gebruik
gesteld.
SOCIAAL-HYGIENISCHE INSTELLINGEN.
Werd aan de volksgezondheid in 't begin der 19de eeuw niet
veel zorg
besteed, toch was er van 't begin der eeuw af in onze stad
een gemeente-
lijke keuringsdienst voor vleesch en levensmiddelen, die ter
markt ge-
bracht werden. Voor de reiniging der straten werd door den
Raad op
12 Juni 1818 eene verordening vastgesteld, waaraan wij het
volgende
ontleenen: „gezien het oud reglement van 28 January 1698, de
nadere
van 17 Mey 1806 van 14 Mey en 28 Juny 1811, gezien de
schriftelijke
kennisgeving in dato 10 dezer maand Juny van den Heer P. F.
Merts,
Doctor deser stad, dat uit de onzuiverheid der goten en
straten zware
ziektens zouden kunnen ontstaan, heeft de Raad vastgestelt
en stelt
vast bij deze: - volgt een serie artikelen - over het vegen
en spoelen
van goten, ziepen en straten en het ophalen van huisafval -
welke ver-
plichting elken dag door het luiden van de klok van het
stadhuis zal
worden aangekondigd"
In den Belgischen tijd werd reeds aanstonds een plaatselijke
Gezond-
heidscommissie ingesteld, zooals blijkt uit een schrijven
van Burgemees-
ter en Schepenen der stad van 14 Sept. 1831: nous nous
empressons de
vous présenter les personnes suivantes pour former la
commission lo-
cale sanitaire, dont parlent les articles 47 et 52 de
l'arrêté du 17 Août
dernier, bulletin no. 85; savoir: Ms Leurs Charles Théodore,
docteur en
médicine, Demaes Joseph, adm. des hosp. civils, Mertz Henri,
sécrétaire
de la ville, van Haelen, docteur en médicine et en
chirurgie, Paredis,
curé primaire et Pitaffe Louis, pharmacien
Men vindt melding gemaakt van de „medische politie“ en in
1866 van
een „choleracommissie", die adviseerde tot het bouwen van
arbeiders-
woningen. Op 18 October 1856 besloot de Gemeenteraad tegen
de instel-
ling van een Gezondheidscommissie te zijn. In de zitting van
30 Juni
1890 werd een voorstel Romen tot instelling eener
Gezondheidscom-
411
Vervolgens ontwierpen, in opdracht van het
Gemeentebestuur, in 1849
de bouwmeester Jonkergouw en in 1852 de stadsbouwmeester
Cuypers,
plannen voor een abattoir, doch tot bouwen kwam het niet.
Nogmaals in 1886 besloot de Raad tot oprichting van een
Slachthuis,
doch ook nogmaals bleef de zaak rusten, totdat in 1888 de
Gemeente-
raad eene Commissie benoemde ten fine van advies.
Nadat in 1892 de Plaatselijke Gezondheidscommissie een zeer
belang-
rijk rapport had uitgebracht omtrent den toestand der
slachterijen en
van de vleeschkeuring in deze Gemeente, en daarbij tevens
had aan-
gedrongen om tot oprichting van een abattoir over te gaan,
bracht de
benoemde commissie in datzelfde jaar een breedvoerig verslag
uit om-
trent slachthuisbouw en exploitatie, en concludeerde
daarbij, dat het
gewenscht scheen zoo spoedig mogelijk tot oprichting van een
slacht-
huis alhier over te gaan. In 1893 vereenigde de Raad zich in
principe met
deze conclusie en noodigde de commissie uit, om te zien naar
een ge-
schikt terrein voor het beoogde doel.
In Maart 1895 stelde de commissie voor een terrein te
koopen, gelegen
aan het Deemsel, doch op aandrang van de plaatselijke
Gezondheids-
commissie besloot de Raad in December van genoemd jaar tot
aankoop
van het terrein, waarop thans de inrichting is verrezen.
In Juni 1896 boden Burgemeester en Wethouders den
Gemeenteraad
eene rentabiliteitsberekening en eene door wijlen den
bouwkundige
Osthoff te Berlijn vervaardigd voorloopig ontwerp aan; in
Januari 1897
verleende de Raad hieraan zijne goedkeuring, en ten tijde,
dat onze
veel geliefde Koningin Wilhelmina 's Lands regeering
aanvaardde, werd
de bouw aanbesteed en de eerste steen gelegd, en aan het
einde der
19de eeuw, werd het Openbaar Slacht- en Koelhuis dezer
Gemeente,
„de eerste inrichting van dezen aard in Nederland," geopend.
Een waterleiding kreeg de stad in 1898 toen de particuliere
maatschappij
„de Naamlooze Vennootschap Industrieele Maatschappij de
Roer-
mondsche Waterleiding" haar pompstation en watertoren onder
Herten
in gebruik nam.
Nadat sinds jaren de roep was opgegaan naar een
Badinrichting, werd
eindelijk in den Raad het besluit genomen een dergelijke
hygiënische
inrichting voor de bevolking te stichten. In 1928 werd nabij
de „Roode
Brug" aan de Maas, een gemeentelijke Bad- en Zweminrichting
geopend,
welke in een dringende behoefte bleek te voorzien.
Eene afdeeling van het Nederlandsche Roode Kruis leidt
geschoolde
krachten op voor hulp bij ongelukken enz.
SOCIAAL-CHARITATIEVE INSTELLINGEN
zijn in rijke verscheidenheid opgericht, naargelang de
behoefte zich
voordeed. Als oudste dienen genoemd te worden de
Drankbestrijders-
vereenigingen: Mariavereeniging, die in 1931 reeds haar
zilveren be-
staan herdacht, het Kruisverbond, een Meisjesbond, een
afdeeling van
den neutralen Volksbond tegen Drankmisbruik en vlak bij de
grens der
gemeente het Sanatorium Schöndeln van de Dr.
Ariëns-Vereeniging.
413
nen- en buitenland op kermissen en tentoonstellingen
wel bekend, en
verdienden groote fortuinen. Anderen bleven tot die
bescheiden groep
van „reizende menschen” behooren, die de kermissen afreizen
met orgel
of harmonica, met draaimolen of schiettent, met schommel of
kraam
en bezorgden aan de inwoners der aloude „illustre hooftstadt
van Gel-
derlandt" een epitheton, waarin het woord orgel of harmonica
voor-
komt. Het dient echter ter eere dezer bevolkingsgroep
gezegd, dat
verreweg de meesten onder hen, ondanks de groote
beroepsgevaren,
waaraan zij zijn blootgesteld, steeds tot de eerzame burgers
der stad
konden gerekend worden.
Civitas Ruraemundensis Deo Duce
crescat et floreat.
415 |
|
meentebestuur
zijne taak op - niets anders over, dan doel-
bewust een welvaartspolitiek te voeren, die niet slechts op
langen termijn, maar ook reeds onmiddellijk, hare vruchten
voor de bevolking kan afwerpen.
Méér kan niet worden gedaan, maar wij verrichten ons werk
met dankbaarheid in het hart en met een bede op de lippen:
wij danken God voor den zegen, dien Hij in de vervlogen
eeuwen ons zoo rijkelijk heeft geschonken en wij bidden
Hem, dat Hij in de komende tijden het goed moge maken
met de grijze stad van St. Christoffel!
WASZINK.
Roermond, 25 Juli 1932.
Feest van St. Christoffel.
6
begrafenis zijn de kransen en bloemen der medeburgers
haar tribuut
van medelijden voor haar of hem, die naar haar doodenakker
wordt
weggedragen. De bruidstooi zijn de meibloemen, die zij
brengt voor het
nieuwe hymen en bij een geboorte lacht zij om haar geluk en
de nieuwe
levenssappen. Men hoort haar jolijt in de vroolijkheid harer
burgers
en zij waart somber rond bij twisten en krakeelen.
Haar hoofd en verstand zijn de vroede vaderen, die in wijs
beleid voor
allen zorgen en de arbeid, handel en nijverheid harer
burgers is haar
actief bedrijvig leven, waardoor zij voortbestaat. Haar hart
is overal,
waar de liefde der burgerij voor de stad tot uiting komt,
waar haar
rechten en belangen worden verdedigd. Haar afkeer gaat uit
naar ieder,
die haar kwetst, naar alles wat haar schaadt.
Tweemaal brandde haar stad bijkans tot den bodem af, maar
haar
levensdrang bouwde de stad weer op. Zij werd vaak zwaar
gekwetst
door militair geweld, wanneer haar wallen werden bestormd,
de stad
werd ingenomen en er bloed vloeide harer burgers. Zij
herstelde, genas
en bloeide weer op. Het wel en wee van ruim 20
menschengeslachten
kent zij van generatiën, die kwamen en gingen. Zij zag 700
jaar neer
op het doen en laten eener burgerij in al haar
schakeeringen. Zij zag ge-
slachten opkomen en weer ondergaan, nieuwe komen, andere
verdwij-
nen. Zij leeft, juicht, jubelt, maar lijdt ook met en door
haar burgers.
Zij is jong en oud tegelijk. Zij wordt ouder en kwijnt,
wanneer de
gemeenschap sociaal en economisch kwijnt, niet mee kan. Zij
wordt
jonger, wanneer eene nieuwe frissche geest de welvaart van
allen be-
vordert, vitaliteit brengt voor de spirit of live, een
nieuwe geestelijke
en materieele activiteit met versch bloed opstuwt. Geboren
werd zij
in een tijd, toen velen harer zusters het levenslicht zagen.
Zij was een
kind uit een huwelijk van liefde en verstand. Haar vader was
een
Geldersche dynast en hare moeder de aanhankelijkheid en
toewijding
harer burgers.
Er zijn nu mijlpalen aan den weg van dit leven, waarbij men
goed doet
even stil te staan en een blik achterwaarts te werpen. Zoo'n
mijlpaal
is het jaar 1932
Er zijn er, die reeds in 1931 dezen mijlpaal zullen zien,
maar een
klein dubium deed naar 1932 overhellen. Wij missen helaas
vooralsnog
het gewichtig document, waarbij de „civitas Ruraemundensis"
werd
gesticht, maar tal van zekere gegevens, die men in de
bijdragen, die vol-
gen, vindt aangehaald, laten weinig twijfel meer over, dat
de giftbrief,
waarbij Roermond hare stedelijke rechten kreeg zeker tot op
1232 is
terug te voeren. Kort nadat de jonge graaf Otto II tegelijk
met andere
oppida van zijn gebied ook Roermond tot stad met
stadsrechten be-
giftigde, schijnt dit kostbaar stedelijk archivale verloren,
althans zoek
geraakt te zijn. In ieder geval was het niet meer voorhanden
toen de
Roermondsche Magistraat op 1 November 1351, dus ruim een
eeuw
daarna, in het zoogenaamde „alt heerkoomen“ de reeds lang
verkregen
stedelijke rechten en vrijheden voor het nageslacht te boek
stelde en
dat „alt heerkoomen“ dan ook als een precieus stedelijk
document
der privilegia voor de toekomst wenschte beschouwd te zien.
In dit
8
ROERMOND
TOT 1543
door
MR. R. DE NERÉE TOT BABBERICH
OERMONDS verleden tot aan het tractaat van
Venlo is meer overzichtelijk in 4 tijdvakken te rang-
schikken.
I. De oudste tijden tot aan het begin der achtste
eeuw, toen de propaganda der christelijke leerstel-
lingen van het Zuiden naar het Noorden baan brak.
II. Het tijdvak van 700 tot aan het begin der 13de eeuw,
waarin Roer-
mond als plaats ontstond om daarna onder de machtssfeer der
Gelder-
sche dijnasten te komen.
III. De tijd van 1200 tot 1371, waarin Roermond als stad
ontstond,
stadsrechten kreeg en zich daarna als hoofdstad van het
Overkwartier
van Gelre ontplooide en onder de eigenlijke graven later
hertogen van
Gelre als landsheeren ressorteerde.
IV. Het tijdvak van 1371 tot 1543, waarin de stad Roermond
het wel
en wee van het hertogdom Gelre mee moest maken om ten slotte
door
het tractaat van Venlo als onderdeel van het hertogdom Gelre
inge-
deeld te worden bij de zeventien Vereenigde Nederlanden, die
toen één
landsheer kregen in Keizer Karel V, die tevens als Koning
van Spanje
deze vereenigde gewesten als Kroon- of Erflanden voor den
Spaan-
schen troon bestemde.
I.
Reeds eeuwen voordat Roermond bestond, was de plek, waar
thans de
kern der bebouwing staat, een stuk gronds, dat wel immer,
zoolang
de Maas gestroomd heeft, rechts van haar hoofdbedding heeft
gelegen.
De topografische gesteldheid der omgeving laat, ondanks de
vaak gril-
lige terreinveranderingen, die de Maas in overoude tijden
moet teweeg-
gebracht hebben, dienaangaande niet den minsten twijfel
achter. De
terreinverheffing, waarop zich later de plaats ontwikkelde,
sluit zich
logisch bij het hooger gelegen Leeuwen onder Maasniel aan en
het
lagere land van den Molengriend laat nog duidelijk sporen
zien, dat
wij hier te doen hebben met verzande Maasbeddingen, die voor
langer
of korter tijd wellicht eertijds de hoofdbedding geweest
zijn. De Maas,
die ook vroeger in voor- en najaar aanzwol tot grooter water
en dan
wild en woest haar weg naar zee zocht, werd alleen
gebreideld door de
hoogere oeverzoomen als door een van nature gegeven
bedijking. Zoo-
als men thans nog dien breeden waterplas bij hoogen
waterstand kan
aanschouwen, zoo zagen de oudste bewoners van Roermond dien
ook
in vroeger tijden. De hoogten bij Beegden en Horn links, met
het hoo-
10
Deze herhaalde volksverhuizingen waren dus wel weinig
geschikt om
iets bestendigs bij de samenvloeiing van Maas en Roer te
stichten. Men
kan er slechts naar gissen, welk landelijk beeld Roermond
toen te zien
gaf. Geschiedkundig neemt men aan, dat Rome's macht in het
Noorden,
dus ook voor deze streken, ophield in het begin der 5de eeuw
om
plaats te maken voor de Franken, die oorspronkelijk vanuit
het oosten
van Europa naar het westen doordrongen en daarna vanuit
West-
Europa van zuid naar noord hun macht uitbreidden. De
Frankische
invloedssfeer lag dus in het algemeen westwaarts van de Maas
tot aan
zee en werd oostelijk begrensd langs een lijn, die tusschen
Maas en Rijn
is door te trekken langs den IJsel tot aan de Zuiderzee. Het
Roermond-
sche land heeft dus in dezen tijd gestaan onder Frankischen
invloed en
de Salische wetten, terwijl meer oostelijk in het eigenlijke
Germanië
de Saxenspiegel heerschte. In taal en gewoonten was dus de
Frankische
inslag overwegend. Wij kunnen dus deze eerste eeuwen laten
voor
wat zij waren en besluiten met de conclusie, dat Roermond en
zijn
achterland als deel van het zoogenaamde „Germania Inferior“
wellicht
is bevolkt geweest, maar dan zeer sporadisch, met stammen
van oor-
spronkelijken Germaanschen oorsprong, die daarna Frankisch
wer-
den. Van deze stammen nu heeft Tacitus zoo helder en
duidelijk in
zijn „Germania” de zeden en gewoonten beschreven, dat wij
daardoor
iets weten van de oerbevolking, die in onze streken was
gehuisvest.
II.
Toen de Franken hun macht min of meer geconsolideerd hadden,
kwamen ook de priesters, die steunend op de wereldlijke
macht en
hare vastgestelde organisatie, overal de christelijke moraal
gingen ver-
spreiden, kloosters en kerken gingen stichten en den
oorspronkelijken
landsaard volgens de christelijke leerstellingen
veranderden. In dit
tijdvak is Roermond als vlek ontstaan en het is beslissend
geworden
voor zijn latere ontplooiing en maatschappelijken opzet, die
in de
eeuwen daarna roomsch is gebleven en nog tot op den huidigen
dag
het volle roomsche leven laat zien. Reeds eenige eeuwen
terug was
de kerstening van het groote West-Romeinsche Rijk reeds
onder Con-
stantijn begonnen, maar het zou nog eenige eeuwen moeten
duren
voor zich de Frankenkoningen lieten doopen. Tongeren en Luik
wer-
den reeds vrij vroeg christelijke centra en toen Luik zijn
bisschop
kreeg werd van daaruit naar het Noorden de eerste
christelijke predi-
king begonnen. Twee groote leeraars trokken uit en wij
weten, dat
St. Lambertus links van de Maas de kerstening begon, terwijl
St. Wil-
lebrod rechts van de Maas noordwaarts trok en via Susteren,
Emme-
rich naar Utrecht kwam, waar hij Neerlands eersten
bisschopszetel
stichtte. Te Susteren, het oude Suestra, had de groote
apostel der Ne-
derlanden zijn eerste klooster gesticht. Den grond had hij
gekregen
van den in onze streken niet onbekenden Pepijn van Herstal
en uit den
stichtingsbrief van 714 weten wij, dat deze groote
majerdomus der
Merovingers, wier macht aan het tanen was, hem de plek
schonk om
12
thum, Vlodrop, Ascolon, Malicalicol en Curnilo, waarin
wij thans nog
herkennen de gehuchten of dorpen, Roer, Lerop, Linne,
Swalmen,
Vlodrop, Asselt, Melick en Niel of Maasniel. Roermond wordt
nu wel
is waar niet genoemd, waarschijnlijk omdat ter plaatse nog
geen mansus
of hoeve bestond, maar de grond, het „mundium" of hoogte bij
de Roer,
is zoo door de genoemde plaatsen ingesloten, dat er geen
redelijke
twijfel meer bestaan kan of de Roermondsche grond moet mede
tot
Berg en zijne goederen hebben behoord. Deze laatste
schenkingsacte
is nu verder nog van belang, omdat er uit blijkt, dat de
Utrechtsche
bisschop toen reeds voor dit Bergsche bezit een voogd had,
een „advo-
catus" of ook wel „mundiburnus" genoemd. Dit laatste dienen
wij even
goed te onthouden daar wij later den Roermondschen voogd
zien op-
treden, die in de wordingsgeschiedenis van de stad een
groote rol als
grondheer heeft gespeeld, vóórdat de Geldersche graven
optreden.
De banden nu die Berg, dus ook Roermond, aan Utrecht
vastknoopten
hebben nog ongeveer een eeuw bestaan. Toen evenwel de geesel
der
Noormannen begon te verdwijnen door de krachtigere
tegenmaatrege-
len van wereldlijke en geestelijke overheid, kon de
Utrechtsche bis-
schop zijn machtssfeer in het noorden weer herstellen en
daarna zelfs
uitbreiden en ging er voortdurend naar streven zijn
kerkelijk en gelijk-
tijdig wereldlijk bezit af te ronden. Wat Utrecht deed, deed
ook de
bisschop van Luik, die zijn bisschoppelijke heerschappij
noordwaarts
langs de Maas zocht te vergrooten en zoo zien wij uit een
oud diploma
van 30 October 1057, dat beide bisschoppen een convenant
aangingen,
waarbij Luik tegen contrapraestatie van ander bezit, dat in
het
Utrechtsche lag, de kerken van Berg en Linne ontslagen kreeg
van de
„servitia”, de diensten, waaronder in ruimen zin wel de
materieele voor-
deelen van het patronaat te verstaan zijn voor Utrecht door
Berg en
Linne op te brengen. Wanneer men nu verder nog weet, dat
onder het
begrip „kerk“ niet alleen een geestelijk of ideëel maar meer
nog een
oeconomisch materieel bezit in dien tijd wordt begrepen,
waaraan
meer speciaal het parochiewezen met de financieele
voordeelen eener
kerkelijke jurisdictie vastzat, in het algemeen toebehoorde
aan hem,
die de kerk gebouwd had of zijne latere rechtsopvolgers, dan
moeten
wij genoemde transactie zoo opvatten, dat de dorpen Berg en
Linne
met den in cultuur gebrachten grond destijds in Luiksch
bezit overgin-
gen. Merkwaardigerwijze wordt in dit convenant niet gerept
van de
plaatsen, die rechts van Roer en Maas lagen en die wij
tevoren heb-
ben vermeld. Dit is nu mogelijk hieruit te verklaren, dat er
hoogst-
waarschijnlijk in deze plaatsen toen nog geen kerkbouw
geweest zal
zijn en dus de „65" mansi, waarvan wij vroeger spraken, te
Berg en
Linne hunne parochie en zielverzorging hadden. In ieder
geval staat
vast, dat vanaf dien tijd de Luiksche bisschop gelijktijdig
als wereld-
lijk vorst de hooge geestelijke autoriteit ter plaatse werd.
Te Rura d.i. wat thans nog als gehucht bij Roermond links
van de
Roer ligt, lagen dus eenige „mansi", boerenhofssteden,
waarop hof-
hoorigen woonden, die in natura cijnsplichtig waren aan het
Bergsche
klooster. Dit is de eerste vaste nederzetting van menschen
bij Roer-
14
gezien, dat het stichten van kerken naast het
geestelijk doel dat er
mede werd nagestreefd ook voornamelijk beoogde eene soort
van in
bezitname van den grond, een daad van toeëigening van een
braak lig-
gend gebied, dat de parochianen als grondhoorigen tegen de
retributie
van een zeker deel van de opbrengst in natura, in gebruik
kregen.
De kerkbouw is evenwel niet later te stellen, dan de tweede
helft der
11de eeuw. Wij weten namelijk uit een oud nog voorhanden
gegeven
van 1104, dat een zekere Reinwidis, eene „nobilis matrona de
Rurege-
munde", toen Roermond verliet om hare laatste levensjaren
als we-
duwe te Rolduc te gaan slijten, waar Ailbertus het bekende
klooster
van Kloosterrade gesticht had. Gezien nu het feit, dat dit
gebeuren
in dien tijd de vermelding waard was, waardoor dus deze
vrouwe niet
de eerste de beste geweest moet zijn maar eene hooge sociale
positie
heeft ingenomen, en te Roermond vóórdien had gewoond, is het
aan-
nemelijk, dat er reeds gedurende haar leven te Roermond een
gods-
huis is geweest. Dit gegeven is verder het oudste stuk, dat
wij van den
plaatsnaam Roermond hebben en waarin dus voor het eerst de
naam
„Ruregemunde“, wat Roermond is, voorkomt. Ook zonder hetgeen
daarvan gezegd is, wijst ook de plattegrond van den
stadsbouw erop,
dat het hart van Roermond oudtijds bij de Kathedraal gelegen
heeft,
immers het aansluitende marktplein, waarheen de oudste
bestrate toe-
gangsweg, de „Steenweg“, leidde, is daarvoor nog steeds de
stille ge-
tuige. Toen de parochie er was, moest dit geestelijk bezit
onder be-
scherming gesteld worden en daarvoor treedt in de oude
geschiedenis
het instituut der advocatie op. De „advocati", de voogden,
verschijnen
dus nadat de parochie gesticht is op het tooneel. Toen de
christelijke
leer algemeen ingang begon te vinden kregen de kerkelijke
goederen,
waartoe ook de onroerende goederen van een kerk of
geestelijken werk-
kring behoorden, reeds vrij vroeg in de 7de eeuw het recht
van immu-
niteit, dat op eigen verzoek of ook wel, „motu proprio” door
de
Frankenkoningen werd gegeven. De immuniteit hield nu in, dat
deze
goederen min of meer onafhankelijk werden van het wereldlijk
gezag,
zoodat de geestelijken daardoor eene eigen wereldlijke
administratie
kregen en den Keizer als hun directen heer beschouwden. Zij
kregen
of vroegen daarvoor een „mundiburnus" of „advocatus",
gewoonlijk ge-
nomen uit de meest gereede invloedrijke wereldlijke
potentaten, en
deze zoogenaamde „voogd” had dan dit bezit te verdedigen en
te be-
schermen. Aanvankelijk dus „advocati militares“, die met den
sterken
arm naar buiten moesten optreden, werden zij al vrij spoedig
de „advo-
cati judiciales" der geestelijke goederen tevens, waardoor
het geeste-
lijk bezit onder hunne directe administratie kwam en zij
tevens het
patronaatsrecht kregen, wat wil zeggen, dat zij de macht
kregen om den
„parochus” aan te stellen, die de „cura animarum" voor zijn
verant-
woording kreeg. In de 10de en 11de eeuw heeft zich dan ook
dit
instituut zoo ontwikkeld, dat men kan zeggen, dat er
verschillende
geestelijke immuniteiten bestonden, die zoowel in kerkelijk
als wereld-
lijk opzicht onafhankelijk waren geworden en alleen den Paus
en den
Keizer als hunne directe superieuren erkenden. Het spreekt
van zelf,
16
voogden, die in de stukken voorkomen, schijnen tot een
machtig rid-
dergeslacht behoord te hebben, dat zich naar „Straelen“
noemde en
waartoe ook leden hebben behoord, die de adellijke goederen
Beren-
broeck en Berentrode, Daelenbroeck en Vlodrop bezeten
hebben. Zij
komen van 1177 tot 1298 gewoonlijk alleen met hun titels als
„advo-
catus de Ruremunde" voor en daarna is de Voogdij meestal
door ver-
erving overgegaan in de oude geslachten van Vlodrop,
Cortenbach,
Viversem, Bouwens van der Boyen en d'Overschie. De laatste
Roer-
mondsche voogd is geweest een Maximiliaan Emmanuel Marie
Joseph
baron d'Overschie, die in 1819 te Brussel ter ziele ging.
Als merkwaar-
digheid kan nog vermeld worden dat een Roermondsche voogd in
den
bekenden slag bij Woeringen aan Gelderschen kant strijdende
gevan-
gen genomen werd. Het was Theodoricus, de stadsvoogd, die
evenals
zijn voorgangers tot de hooge raadslieden van den
Gelderschen graaf
heeft behoord. Mogelijk is ook, dat de tevoren gememoreerde
adellijke
weduwe Reinwidis, die naar Roermond genoemd werd en die in
1104
naar Rolduc trok, om daar hare verdere levensdagen te
slijten, de vrouw
geweest is van een der oudere voogden, van wien wij verder
niets weten.
Wij kunnen nu dit hoofdstuk besluiten met vast te stellen,
dat Roer-
mond in dit tijdvak is ontstaan doordat er eerst een
parochiekerk werd
gebouwd, waaromheen samenwoning van menschen plaats vindt.
Een
en ander wordt aanleiding voor eene „immuniteit" die een
voogd ver-
langt als grondheer. De plaats breidt zich nu verder uit en
wordt reeds
waarschijnlijk in het einde der 12de eeuw een oppidum, een
plaats
met wallen en muren en poorten voorzien zonder nog
stadsrechten te
bezitten, maar toch gewichtig genoeg om een grafelijke palts
te her-
bergen.
III.
Eerst vlek daarna dorp, werd Roermond in het laatst der 13de
eeuw een
oppidum, een dicht bijeen gebouwde kern in stadsbouw met
wallen
omringd. Het was een geldersche graaf, die deze omwalling
aanbracht.
Dankt Roermond nu aan parochie en voogdij zijn wording en
ont-
staan, aan het oude stamhuis van Gelre heeft het de meeste
verplich-
tingen en naar dit stamhuis gaan dan ook de mooiste
historische her-
inneringen uit. Graaf Otto I + 1207, misschien reeds zijn
vader Hendrik
+ 1182, gaf Roermond zijne omwalling. Gerhard, Otto's zoon +
1229,
schonk Roermond het Maria-Munster, waarvan in de annalen
vermeld
staat, dat deze stichting Roermond „de eerste en meest
groote luyster
gaf". Otto II + 1271, gaf het oppidum den stadsbrief,
Reinald + 1326,
maakte Roermond tot eerste en hoofdstad van het
Overkwartier, een
der 4 gewesten van zijn land, terwijl de eerstgenoemde
graven tot
Gerhard Roermond als residentie hadden uitverkoren en er een
grafe-
lijke palts bouwden.
De geschiedenis van Roermond in dit tijdvak, is dus zuiver
geldersche
geschiedenis, waarin nu Roermond een hoofdrol speelt. Wij
dienen dus
wat meer van dit oude stamhuis van Gelre te weten. Zoo goed
als alle
18
welke „villa“ in 1213 door den gewezen en afgezetten
duitschen keizer
Otto IV te vuur en te zwaard verwoest werd. De reden dezer
brand-
schatting was eene wraakoefening van Otto IV, die zijn
zwager
Gerhard IV 1229, Otto's zoon, wilde straffen omdat deze
laatste te
Frankfort in 1212 zijn stem op den tegenkeizer had
uitgebracht en be-
grijpelijkerwijze in hooge mate daardoor vergramd was. Haast
alle
historici nemen nu aan, dat deze „villa optima de Ruremunde"
de plaats
Roermond geweest is, die moest boeten voor de kwalijk te
Frankfort
uitgebrachte stem. Maar wanneer men zich een oogenblik in
dien tijd
kan verplaatsen en men weet van elders, dat Roermond toen
reeds een
oppidum was of althans zoo genoemd werd en de tuchtiging
door den
afgezetten duitschen keizer toch wel in eerste instantie den
persoon
van den graaf, die notabene zijn zwager was, zal gegolden
hebben, dan
moet men deze „villa optima" enger opvatten en is het
slechts te ver-
talen door de „mooiste, schoonste bezitting", gelijk het in
de oude
geschiedboeken gememoreerd wordt, die de graaf dan te
Roermond
had liggen en deze „villa optima” was de „curia Pott”, de
schoonste
„lusthof“ van den graaf die in 1213 in vlammen opging. Deze
bezitting
moet oorspronkelijk tegen de wallen van het oppidum Roermond
heb-
ben aangelegen en deze „Curia Pott” ook wel „Castrum Pott”
genoemd,
was een burcht of kasteel met grachten afgesloten en toegang
hebbend
tot het oppidum Roermond op gelijke wijze als het „castrum
Gelre",
waaraan de stad Gelre later werd vastgebouwd. Op de
puinhoopen
van deze „curia Pott” verrees later het Maria-Munster en
toen dan ook
bij de restauratiewerken rondom de Munsterkerk
grondpeilingen wer-
den gedaan, stootte men op grondlagen, die de oude grachten
nog dui-
delijk aangaven. Wij weten ook door den nog voorhanden
stichtings-
brief van het Maria-Munster, hoe groot het grafelijk complex
van deze
„Curia Pott” geweest is. Dit praedium besloeg 40 areas
ongeveer 6,5
hectaren gronds en op oude kaarten is nog duidelijk te
onderscheiden,
waar deze gelegen hebben. Zij lagen tegen de zuidzijde aan
van het oor-
spronkelijke oppidum in den vorm van een rechthoek, dus het
com-
plex, dat thans zoo ongeveer wordt ingesloten door
Neerstraat, Paredis-
straat noordzijde van het Munsterplein en Leliestraat tot
aan de Veld-
straat met de Veldstraat als oostelijke begrenzing, en
Kloosterwand-
straat met Bakkerstraat als zuidelijke afsluiting. Beziet
men nu thans
nog den plattegrond van Roermond dan is met het gegeven van
het
grafelijk praedium het oorspronkelijke oppidum van de stad,
d.i. de
eerste omwalling, nog nagenoeg geheel te reconstrueeren. De
wallen
nu daarvan hebben gelegen langs Paredisstraat en Molenstraat
met
aansluiting op de Voorstad St. Jacob, waar de oudste toegang
van Roer-
mond lag. Vandaar met inbegrip van Buitenop, waar oudtijds
de paro-
chiekerk stond, langs de St. Janstraat ongeveer in rechte
lijn naar de
Veldstraat en aan de zuidzijde begrensd door het praedium
van den
graaf, wat later het terrein werd van het Maria-Munster.
Toen Otto II
nu aan dit oppidum stadsrechten gaf in 1232 werd het complex
van
het Maria-Munster reeds onder het oppidum begrepen en lag
het
convent dus toen binnen de stadsmuren en wallen. In ieder
geval staat
20
grond vertoefden, kwamen zij evenwel op den openbaren
grond, dus op
pleinen en markten en handelden zij of maakten zij zich daar
aan
overtredingen schuldig, dan waren zij burgers en vielen
onder de
Schepenbank. Boven dezen eigenaardigen toestand bleef
evenwel de
grafelijke autoriteit als opperheer zweven. Deze „magna
discordia et
controversia" veranderde daarop in een „pax" en „concordia",
gelijk
het in het stuk van 1244 heet. Roermond was dus van oppidum
„civitas“
geworden, een stad met stedelijke rechten. Vroeger onder
direct be-
stuur van den graaf, die zonder medezeggenschap der poirters
het
publiek en gemeenschappelijk belang van allen behartigde,
stelde de
graaf in 1232 bij den giftbrief van het stadsprivilege de
schepenbank
in, eerst met 7 later uitgegroeid tot 9 en 13 schepenen, die
de stads-
administratie kregen en over de burgers recht spraken en
voortaan
het publieke lichaam werd, waarvoor zich alles, wat de
gemeen-
schap raakte, afspeelde. Deze schepenbank werd
oorspronkelijk be-
zet door den graaf, die daarvoor de meest gereede burgers
uit-
koos, maar bij de latere uitbreiding der stadsprivilegia
geschiedde
de bezetting der opengevallen plaatsen door de schepenen
zelf.
De grafelijke schout evenwel, die voor den graaf als
souverein in het
stadsbestuur mede optrad, was de rechter voor de zware
misdrijven en
moest verder de vonnissen, die gezamenlijk door schout en
schepenen
waren geveld, executeeren. Dit begin van eigenbestuur is wel
het essen-
tieele van iederen stedebrief, waarin vaak nog wel andere
bepalingen
staan, als het mogen houden van een markt op een bepaalden
dag in de
week, het zijn of worden van poirter en hoe men zijn
poirtersrecht
verliest, met enkele bepalingen omtrent vererving van
nalatenschappen
van burgers, maar dit alles was onbelangrijk in vergelijk
met het ver-
kregen recht van zelfbestuur, wat immers de kern is geworden
der
stedelijke democratie, die zich van toen af, steeds meer
door latere
privilegia van den landsheer uitbreidde. Het document,
waarbij Roer-
mond zijn stedelijke rechten verkreeg, is helaas niet meer
voorhanden,
maar bij de uniformiteit der stadsbrieven uit die dagen, zal
de stads-
brief van Roermond in wezen wel niet veel verschild hebben
van de
stedebrieven van Harderwijk (1231) of Emmerich (1233), die
uit dien-
zelfden tijd dateeren en wanneer men deze documenten, die
nog be-
kend zijn, er op náslaat, heeft men mutatis mutandis, wat
Roermond
destijds gegeven werd. Toch bezit het stadsarchief in zijn
zoogenaamd
„Alt herkommen” van 1351, waarbij de toen reeds verkregen
rechten en
gunsten als „Jura et Privilegia” zijn vastgelegd door het
toenmalig
stadsbestuur, nog altijd een zeer oud en hoogst merkwaardig
stads-
archivale, dat ruimen blik veroorlooft in de stedelijke
administratie
van dien tijd en daarvoor. De plaatsruimte laat niet toe om
daarop
dieper in te gaan, genoeg zij, dat in dien tijd het dubbel
burgemeesters-
schap - de raads- en peyburgemeester - ontstaan is.
Otto II + 1271, die als knaap de Roermondsche civitas
creëerde, heeft
nu verder Roermond in zijne lange regeering steeds met eene
zekere
voorliefde als „de stad“ van zijn land beschouwd en ondanks
dat Gelre
zich noordwaarts onder zijn bestuur met groote landcomplexen
uit-
22
zegt, dat de hoofdwond, die hij in 1288 bij Woeringen
opliep en niet
genezen wilde, de oorzaak zijner geesteskrankheid geworden
is. Maar
het was weer Roermond, dat zijn wettigen heer ondanks dit
alles niet
wilde loslaten en hem vasthield en er hoogstens in toestemde
dat de
zoon Reinald II als „ruwaard“ voor zijn vader, die de graaf
van Gelre
tot aan zijn dood bleef, optrad. Tijdens het regentschap en
regeering
van dezen Reinald II, die zijn vader in 1326 opvolgde en die
de eerste
hertog van Gelre (in 1339) werd, waardoor het Geldersche
land zeer
in aanzien toenam, heeft ook Roermond als eerste stad in
menig op-
zicht van den voorspoed van het geheele land geprofiteerd,
waardoor
de stad zich kon ontplooien. Reinald II was ook een wijs
bestuurder,
hij verzorgde de verkeerswegen, gaf dijkbrieven uit ter
beteugeling
van het water, hij verbeterde de waterwegen en groef kanalen
en het
is onder zijne regeering geweest, dat de Maas langs Roermond
verlegd
werd. Hij gaf Stad en Land van het Overkwartier door
bemiddeling van
den keizer het zoogenaamde „jus de non evocando", waardoor
men
door eigen rechters berecht moest worden. Hij codificeerde
het zoo-
genaamde „Landrecht” voor zijn rijk, waardoor overal een
zekere uni-
formiteit in de berechting kwam. Dit alles is nog uit de
oude voor-
handen charters na te wijzen en heeft in niet geringe mate
bijgedragen
om rechtszekerheid te krijgen, waardoor de metropool, die
Roermond
zoolangzamerhand geworden was, haar handel kon uitbreiden en
de
reeds opgekomen nijverheid harer burgers kon bevorderen. De
Roer-
mondsche lakenindustrie van het „Gewanthuis“ en het
Roermondsche
bier, de „Gruit”, begonnen toen exportartikelen te worden,
die naam
kregen. En om den handel en nijverheid, die destijds
begonnen te bloei-
en, nog meer en ook elders te vergemakkelijken, kreeg de
stad ver-
schillende tolvrijheden op de rivieren voor den export harer
goederen.
De regeertijd dezer laatste beide Reinalds heeft dan ook
voor Roer-
mond de noodige welvaart der burgers gebracht en het laat
zich be-
grijpen dat de stad een middelpunt werd van een grootere
beschaving,
die de buitenwacht aantrok. Het is verder in dezen tijd, dat
met het
sociale ook het religieuse leven tot uiting kwam en het is
niet toe-
vallig, dat toen verschillende kloosterorden zich binnen de
stadswal-
len gingen vestigen. Wij zien dan ook de Minderbroeders
komen met
de Kartuizers, die door hunne kloosterbouwen en geleerden
met den
aanhang, het stadsaanzien van die dagen naar buiten deden
rijzen en
wijd en zijd bekend maakten. Ook is uit de oude gegevens
bekend
dat in dezen tijd met de huishoudelijke stadsverzorging
begonnen
werd. Markt en Steenweg werden verhard en bestraat, terwijl
het ge-
meentebestuur verschillende bindende voorschriften
vaststelde, die
de openbare orde regelden en de poirters dwongen in het
publiek
iets na te laten of hen verplichtten ten algemeene nutte
actief op te
treden. Tevoren was het interne leven binnen de wallen en
poorten
vrijwel ongebonden en was de schepenbank een rechtsstoel,
die eerst
dan in actie kwam, wanneer de burgers onderling rechtsstrijd
hadden.
Reinald II nu ging in 1343 ter ziele en na hem kwamen zijne
beide
zonen Reinald III en Eduard, die in een onzaligen
broederstrijd om
24
gaande uitbreiding der stadsprivilegia, die iedere
nieuwe souverein
na aanvaarding der regeering gaf en gewoonlijk plaats greep
als de
nieuwe vorst zijne steden opzocht om er gehuldigd te worden,
kreeg
Roermond vóór andere steden in 1311 reeds het privilegie om
zijn
eigen schepenstoel en raden te kiezen, zonder grafelijke
inmenging,
nadat het tevoren bij ditogunst van 1310 het recht „de non
evocando"
waarover wij tevoren spraken, was deelachtig geworden. Deze
beide
privilegia zijn voor later de hoeksteenen geworden zijner
stedelijke
democratie en rechterlijke onafhankelijkheid, zoodat de
burgerij van
Roermond voortaan zeker was alleen door eigen gekozen
magistra-
ten te worden gevonnist. In 1347 krijgt de stad van graaf
Reinald III
de erfpacht van het „gewanthuis“ aan de Markt gelegen, de
„Lakenhal“
van Roermond, waar sindsdien het te Roermond gemaakte laken
onder
Stadszegel zou verkocht worden. In hetzelfde jaar kreeg
Roermond
voor de helft vrijdom van tol te Lobith en Tiel. In 1359
wordt te
Roermond het eerste particuliere bier gebrouwen, doordat
graaf Rei-
nald zijn „gruit” afstaat aan den Roermondschen magistraat,
die van
elk vat een zekeren accijns mag heffen en in 1371 wordt
vrijheid van tol
te Mook en Nijmegen verkregen. De vele verdere gunsten van
Eduard
bestonden hoofdzakelijk in schadeloosstellingen aan Roermond
en zijne
burgers, die door den burgeroorlog van de zijde van Reinald
en zijn
aanhang in hun handel buiten Roermond veel nadeel moesten
boeken.
IV
Na doode van Reinald III + 1371, was het in 4 kwartieren
verdeelde
Gelre zonder opvolger uit het oude stamhuis achtergelaten.
Moeilijk-
heden ontstonden over de successie, die niet zonder strijd
konden op-
gelost worden en eindigden met de erkenning en huldiging van
Wil-
lem, tweeden zoon van den hertog van Gulick, die met Maria
van Gelre,
dochter van Reinald II getrouwd was. Maar deze Willem van
Gulick
+ 1402, en na hem zijn broeder Reinald IV + 1423, die beiden
dus van
moederswege nog Geldersch bloed van het oude stamhuis
bezaten,
stierven ook zonder wettig oir en waren de beide Gulickers,
die na
elkaar hertog van Gelre werden. Na Reinald IV ontstond er
wederom
een Successiekrijg, die eindigde met erkenning van Arnold
uit het huis
Egmond, die van moederswege nog Geldersche parentage bezat.
Het
zijn deze Egmonders, Arnold en zijn zoon Adolf, geweest, die
in de
Geldersche geschiedenis den beruchten familiestrijd te zien
hebben
gegeven, die het land haast bij voortduring in een zee van
wee en
ellende hebben gedompeld. Arnold, de vader en zwakke regent
+ 1473,
door zijn ontaarden zoon Adolf + 1471, met steun der moeder
gevan-
gen genomen en afgezet in 1465, was de verdwaasde hertog,
die door
zijn aanhang verlaten en ten einde raad zijn land voor geld
verpandde
aan een Bourgondiër, waardoor het Bourgondische huis in drie
gene-
ratiën: Karel de Stoute + 1477, diens dochter Maria + 1482,
gehuwd
met keizer Maximiliaan, en haar zoon Philips de Schoone +
1492, Gelre
als een gekocht wingewest beschouwde, totdat na Philips'
dood, weder-
26
rol gespeeld. Zoo kennen wij de bekende verbondsbrieven
van 1418,
toen het kinderloos overlijden van Reinald IV was te
voorzien en na
zijn dood in 1423 het verdrag der steden, waarbij zij zich
voor Arnold
van Egmond uitspraken, waardoor zij zich zelfs den banvloek
van den
Duitschen keizer, die Gelre aan Adolf van Gulick in leen
weggaf in
1425, op den hals haalden.
Toen Reinald III + 1371, gestorven was, koos Roermond met
nog
andere steden partij voor den zoon van Maria van Gelre,
Willem. Maar
vóór het zoover was, hadden er tusschen den Roermondschen
magis-
traat heel wat onderhandelingen met Gulick plaats gehad.
Mechteld van
Gelre, die met Jan van Kleef getrouwd geweest was en de
oudste doch-
ter van Reinald II was, betwistte haar jongere zuster Maria
de erf-
opvolging voor haar zoon en toen Mechtelds aanhang bij
Straelen
in 1374 beslissend was verslagen, werd Willem algemeen als
hertog
van Gelre erkend onder voogdij van zijn vader den hertog van
Gulick.
Meerderjarig geworden in 1377 werd hij regeerend vorst van
Gelre
en na doode van zijn vader Willem + 1393, tevens hertog van
Gulick.
Maar dit tijdig partij kiezen van Roermond in 1372 voor den
jongen
Willem is destijds uit een politiek oogpunt Roermond zeer
voordeelig
geweest. Verschillende nieuwe voorrechten werden zijn deel.
In Gelre
en Gulick kreeg Roermond vrijdom van tol te water en te
land, ver-
meerdering van jaarmarkten, geen schatting of bede meer van
eenig
goed van Roermondsche burgers in Gelre of Gulick, geen
schout van
Roermond zou buiten de burgerij om aangesteld worden, de
geldelijke
verplichtingen tegenover Brabant van stadswege werden door
Gulick
overgenomen en nog veel meer werd gegeven, waardoor Roermond
niet alleen als hoofdplaats van het Overkwartier werd
begunstigd,
maar daadwerkelijk de eerste stad van het hertogdom werd.
Het is
nu juist in dezen tijd, dat Roermond als metropool zich
voorname-
lijk voor handel en verkeer gaat oriënteeren op Gulick en
zich langs
de heirbaan, die naar Gulick liep, het handelsverkeer
ontplooide, dat
eenige eeuwen bloeide. Roermond en Julich werden nu eng
verbon-
den steden, wier magistraten elkaars gasten bij
festiviteiten wer-
den. In 1379 werden Willem en zijne gemalin Catharina van
Beie-
ren dan ook met grooten luister te Roermond gehuldigd en
ingehaald.
Roermond met een bevolking van 6 à 7000 zielen was nu
langzamer-
hand een volmaakte middeleeuwsche stad geworden. De laatste
verleg-
ging der wallen was tot stand gekomen en ook de zoogenaamde
schuts-
wal, die rondom de stad tusschen beide stadsgrachten kwam te
liggen,
was aangebracht. Een zevental stadspoorten de Inopspoort, de
Brug-
poort, de Molenpoort, de Ezelspoort, de Swartbroeckspoort,
de Veld-
of Nielderpoort, de Moerkens- of Venlosche poort met de St.
Janspoort
gaven toegang tot de stad, van welke de Moerkenspoort, de
Nielder-
poort en de Swartbroeckspoort de voornaamste waren voor het
ver-
keer. Ook binnen de wallen had zich het interne leven vlot
ontwikkeld
en een menigte godshuizen waren er gebouwd. Waar nu Roermond
in
de middeleeuwen om de menigte kloosters en kerken, die
binnen de
wallen hebben gelegen, wijd en zijd beroemd was geworden is
het niet
28
grond, waren langzamerhand evenwel zoo talrijk in de
stad geworden,
dat het leekenelement in verdrukking kwam en de magistraat
moest
ingrijpen om verdere uitbreiding te beletten, wat geschiedde
door
schenkingen aan of verkrijging van onroerend goed door de
kloosters
officieel te verbieden en ongeldig te verklaren. Dit schijnt
wel tijdelijk
geholpen te hebben maar toen de stad in 1665 voor de tweede
maal
grootendeels in asch werd gelegd, gingen nog met 1100 huizen
9 kerken,
5 kloosters, het Begijnhof en de Munsterabdij in vlammen op.
Tegelijk met deze intense ontwikkeling op religieus gebied
was ook
het stadsbestuur uitgebreid. Aanvankelijk sinds de stichting
was er de
grafelijke Schout met de 7 schepenen, die feitelijk de
geheele burger-
lijke administratie verzorgden. De schepenbank breidde zich
nu succes-
sievelijk uit tot 9 en 13 schepenen, waarbij nog later de 6
raadsleden
uit de burgerij bijkwamen. En reeds vóór 1351 was de
toestand zoo
geworden, dat buiten de genoemde magistraten er 2
burgemeesters
werden gekozen, de zoogenaamde raadsburgemeester, uit de
schepe-
nen door de raadslieden gekozen en de peyburgemeester, dien
de
schepenen uit de burgerij aanstelden. Beide burgemeesters
bleven
een jaar in functie, traden op St. Pietersstoel (22
Februari) af en op
dien dag moest de peyburgemeester (gemeenteontvanger)
rekening
en verantwoording afleggen van zijn finantieel beheer.
Schout, sche-
penen en raadslieden werden oorspronkelijk door den
landsheer be-
noemd maar later kwamen de privilegia, waarbij de burgerij
haar eigen
magistraat mocht kiezen, die voor het leven zitting had,
terwijl ook
de schout, de grafelijke commissaris, slechts uit de
burgerij mocht aan-
gesteld worden. Toch bleek van lieverlede, dat ook deze
stedelijke
administratie geen bevrediging schonk en locale wrijvingen
en finan-
tieele onregelmatigheden niet kon voorkomen. De 5 groote
gilden of
ampten, die de nijverheid der burgerij verzorgden en buiten
het stads-
bestuur om reglementeerden, waren machtsfactoren in de stad
gewor-
den en kregen grooten invloed op den gang van zaken, wat
niet te
verwonderen is, waar feitelijk deze groepen nijveraars de
geheele bur-
gerij samen onder hare leden telden. Het waren de wolwevers,
de sme-
den, de brouwers, de schoenmakers, de schippers, die in hun
gild of
ampt al de andere ambachtslieden coördineerden en opnamen.
Zoo
behoorden bijv. de metselaars tot de „gewantmekers“
(wolwevers),
de „schroders” (kleermakers) bij de smeden, de timmerlieden
bij de
brouwers, de bakkers bij de „schomekers“ en de schilders bij
de schip-
pers. Dit zeer uitgebreid en inwendig goed geordend
gildewezen met
zijne werkmeesters (leiders), gezworenen en meesters
gebruikte nu het
stadswapen als officieel cachet voor hunne producten van
uitvoer en
verkoop, waardoor de qualiteit moest gewaarborgd worden. Men
had
dus naast het officieele stadsbestuur een officieus bestuur
der gilden,
die de gelden voor de gemeentelijke administratie opbrachten
en het
spreekt nu van zelf, dat, toen er finantieele
onregelmatigheden plaats
grepen of het stadswapen buiten de gilden om voor producten
van
nijverheid werd misbruikt, de gilden luid haar stem
verhieven en mede-
zeggenschap opeischten. In het laatst der 14de eeuw en in
het begin
30
laatste jaarmarkt schijnt geen opgang gemaakt te
hebben. Zij ver-
dween spoedig, men weet zelfs niet meer op welken tijd deze
markt
gehouden werd. Ook gaf deze hertog aan Roermond, toen het
hem als
landsheer aannam, het voor een stad lucratieve stapelrecht,
waardoor
alle goederen, die te water op- of afwaarts passeerden, te
Roermond
8 dagen ten verkoop op de markt of elders in de stad moesten
blij-
ven liggen om daarna verder vervoerd te mogen worden. Van
deze
stapelgoederen moest dan stapelrecht aan de stad betaald
worden, wat
per jaar aan de gemeentelijke inkomsten een aanzienlijke
bijdrage in
geld bracht. Door dit stapelrecht was Roermond, bij het
steeds toe-
nemend transport te water en sinds de Maas langs Roermond
verlegd
was geworden, feitelijk het geheele jaar door een open markt
gewor-
den. Uit de nog voorhanden lijsten van de verschuldigde
stapelrechten,
waarin de koopwaren en handelsartikelen met name genoemd
worden,
is nog duidelijk te zien, hoe druk het handelsverkeer reeds
destijds
was en wat er omging. In 1410 verwierf de stad het
gruitrecht, waar-
mede zij door Reinald IV voor een zware geldsom beleend
werd. Gruit
was het gistprocédé bij de bierbereiding in die dagen en kon
slechts
uit het „Gruithuys“ van den landsheer betrokken worden en
gekocht,
en toen de hop het gruit ging verdringen en vervangen - er
werd
reeds in 1359 hopbier gemaakt - moest de brouwer van ieder
vat bier
een zekere belasting betalen door den landsheer vastgesteld.
Dit regale
kreeg de stad nu bij koop, en later kwam daar nog bij het
mout-
recht van den stadsmolen, waar de „stadsknecht“ dit recht
inde. Het
bierbrouwen was dus een voornaam belastingobject geworden
voor
de stad en werd nog waardevoller toen hertog Arnold in 1472
ver-
ordonneerde, dat in zijn ambt Montfort alleen Roermondsch
bier mocht
gebrouwen en verkocht worden. Het handelsverkeer in den
vreemde
moest zich in dezen tijd door de verschillende privilegia
van vrijen
watertol te Mook, Nijmegen, Tiel, Zaltbommel en voor half
geld bij
Lobith, wat Roermond in 1367 ook nog gekregen had, snel
ontwikkelen.
De archiefstukken van dien tijd laten dan ook eene menigte
handels-
relaties zien met Kampen, Nijmegen, Arnhem, Zwolle, Deventer
en de
meeste Zuidersteden. Stroomopwaarts naar Maastricht en Luik,
was
het geringer door de constante oorlogen en quaesties met
Brabant,
want Maastricht was een Brabantsche stad. Was dit
handelscontact
in het noorden in de 14de eeuw vrij regelmatig en druk, toch
was
Roermond destijds nog niet tot de Hanze toegetreden. Een
Hanzestad
werd het eerst in de 15de eeuw, hoewel zijne relaties met de
Hanze,
waarvan de kern aan de Oostzee lag, met Lubeck als
middelpunt, reeds
tevoren bekend waren en het Roermondsche laken te Reval
gezocht
en bekend was. Uit de Hanzerecessen, meestal te Lubeck
gehouden, we-
ten wij bijv., dat Arnold van Doirsdaell, de Roermondsche
burgemees-
ter, daar in 1441 de stad vertegenwoordigde en dit
geschiedde later
op gelijke wijze in 1476, 1484 en 1494. Roermond heeft dus
tot de Hanze
behoord en werd in dien grooten stedenbond meer tot de
kleinere
Hanzesteden gerekend, wat zijn ligging, niet aan de open
zee, mak-
kelijk verklaart.
32
in den steek, toen het grootste deel van het land dezen
zwakken regent
den rug toekeerde en zich voor zijn zoon Adolf in den
onzaligen familie-
strijd uitsprak, die met het drama van Grave in 1465
eindigde, toen de
zoon zijn ouden vader in een winternacht haast ongekleed van
het bed
lichtte, gevangen nam en opsloot. Ook daarna weigerde
Roermond
Adolf te erkennen en met moeite werd het stadsbestuur in
1467 overge-
haald, nadat Arnold onder dwang afstand gedaan had van de
regeering,
om den zoon als landsheer te huldigen. Eenige jaren later
evenwel,
in 1471, toen de afgezette hertog door Karel den Stoute was
bevrijd
uit zijne gevangenschap en de zoon Adolf als gevangene naar
Kortrijk
was overgebracht, was het weer Roermond, dat den ouden
hertog geest-
driftig inhaalde. Maar het was te laat. Arnold had de
sympathie van
Gelre heel verloren en toen de stenden zich tegen Arnold
hadden
uitgesproken en zij hun stadhouder, den graaf van Meurs, die
voor den
gevangengenomen Adolf regeerde, op Roermond afstuurden om
het
tot toegeven te dwingen, werd Roermond herhaaldelijk met
troepen
bedreigd. Slichtenhorst, de bekende geldersche historicus,
zegt daarvan
in zijn aardig oudhollandsch, dat terwijl Arnold en Vincent
van Meurs
elkaar wederzijds „terghden“ de graaf van Meurs Roermond en
Grave,
welke steden met Gelder Arnold nog aanhingen, ging
„moeskoppen“.
De Roermondsche trouw aan Arnold is dan ook niet voor de
stad zon-
der effect gebleven, want van dezen hertog kreeg de stad
meer gun-
sten dan de andere steden. Er is daarover tevoren reeds meer
gezegd.
In het historisch aperçu vóóraf, hebben wij gezien, dat de
droevige
figuur, die hertog Arnold voor de geschiedenis uitbeeldt nog
de slot-
apotheose kreeg, toen hij het land in 1471 verpandde voor
300.000
rynsche goudguldens aan Karel den Stoute. Dit verpanden, wat
de facto
bij de politieke verhoudingen van dien tijd verkoopen
beteekent, bracht
Roermond onder vreemde heerschappij met al de hatelijkheid,
die
daaraan vastzit. Het Geldersche land bleef evenwel
recalcitrant tegen
de Bourgondiërs en toen Adolf in 1477 voor Doornink
sneuvelde, sprak
het zich uit voor Karel van Egmond, Adolfs zoon, die met
zijne zuster
Philippa onder de directe hoede was gesteld van Maria, de
dochter
van Karel den Stoute en echtgenoote van keizer Maximiliaan
en aan
hun hof werden opgevoed en vastgehouden. Dit erkennen als
lands-
heer van den 10-jarigen Egmonder bracht wederom de grootste
poli-
tieke moeilijkheden en strijd en hoewel Maximiliaan, die de
finantieele
aanspraken van zijn zoon Philips op het hertogdom niet wilde
prijs-
geven en met zijne vrouw Maria in 1478 plechtig te Roermond
werden
ingehaald en gehuldigd als landsheer, was toch alles slechts
schijn voor
wezen, want reeds in 1487, toen Karel van Egmond door
bemiddeling
van den graaf van Meurs eindelijk onder Franschen dwang vrij
kwam,
werd hij onder grooten jubel door de Roermondsche burgerij
ontvangen
en als den wettigen landsheer erkend. Dit erkennen en dus
désavouee-
ren van de Bourgondische aanspraken, berustend op het
convenant
van 1471, bracht Gelre en speciaal het overkwartier met
Roermond
weer in oorlogstoestand met Maximiliaan, die met een groote
troepen-
macht Saksers het Overkwartier binnenviel en Roermond
belegerde
34
mond in 1539 feestelijk werd ingehaald. Maar gedurende
den korten tijd,
dat deze hertog als landsheer optrad, had hij zijn
hertogstitel steeds te
verdedigen, wederom in een successieoorlog, waarbij
voornamelijk de
aartsvijand Brabant, zijne rechten betwistte. Van dien
oorlog is de slag
bij Sittard van den Kollenberg wel de bekendste, waarbij de
Brabanders
duchtig klop kregen. Toen nu keizer Karel, de machtigste
tegenstander
van den hertog, op het tableau verscheen - hij was na 1538
door zijn
krijg tegen de Turken en Algiers en tegen Frans I van
Frankrijk te
gebonden geweest om zich met Gelre te bemoeien - en den
machte-
loozen hertog met een groot leger aanviel, vooraf Düren
verbrandde
en daarna naar Roermond marcheerde, opende de stad,
zwichtende
voor de groote overmacht, de poorten en gaf de sleutels
over, keizer
Karel V als zijn landsheer erkennend en dit geschiedde in
1543. Venlo,
dat daarna aan de beurt was, wilde nog weerstand bieden,
maar gaf
zich op aandrang van den hertog over, die door een
deemoedigen
knieval in de keizerlijke tent voor Venlo, zijn hertogdom
Gulick nog
kon redden, maar voorgoed van Gelre afstand moest doen. Deze
hertog
Willem was dus de laatste hertog van Gelre, dien de steden
en adel
als landsheer nog zelfstandig hadden aangenomen. Door het
tractaat
van Venlo in 1543 was de zelfstandige macht der steden
voorgoed ge-
broken en moesten zij Karel V erkennen, die het land in zijn
staten-
bezit opnamen en als zooveelste titel van zijn macht zich
ook nog
hertog van Gelre noemde.
Roermond, dat in het tijdsgewricht, dat wij thans besluiten,
vrijwel
altijd een hoofdrol in de Geldersche geschiedenis heeft
gespeeld en
eenigen tijd niet alleen de hoofdstad van het Kwartier, maar
feitelijk
de voornaamste stad van het hertogdom geweest is, in omtrek
steeds
het grootst, werd later wat naar het tweede plan gedrukt,
toen de
machtskern van Gelre zich rondom en bij Arnhem ging
concentreeren,
maar het bleef door de eeuwen heen een volbloed geldersche
stad, waar
thans nog de voertaal, de zeden en gewoonten harer burgers
deze her-
komst duidelijk verraden.
36
derland en Zutphen. Het werd de hoeksteen van des
Keizers centrale
macht over deze landen, het beginsel, waarnaar de
staatsregeling van
het Overkwartier opgebouwd was. Voor het kwartier Roermond
tra-
de hierbij op: Johan van Wittenhorst, heer van Horst en
amptman van
het land van Kessel, Dirk van der Lippe genant Hoen, heer
tot Affer-
den, Blijenbeek en Grubbenvorst, Reynier van Vlatten,
amptman te
Düren en Martinus Boegel, heer te Oeijen bij
Broekhuijsenvorst.
De Keizer beloofde alle voorrechten des lands te handhaven;
alle mis-
verstand tusschen de enkele heeren in dit land zou opgeheven
zijn.
Hij zou een goed stadhouder aanstellen, die de landstaal
machtig was
en een kanselarij stichten tot het afdoen der landszaken.
Zooveel mo-
gelijk zouden ingezetenen, die de landstaal spraken, tot
ambtenaren
benoemd worden. Geen schattingen zouden geheven worden, noch
beden gevorderd, dan na goedkeuring der bannerheeren,
ridders en
steden, maar alles onder opperbestuur van den Vorst (zie van
Loon,
placcaatboek I pag. 27). Zelfs werd dit alles nog eens op
den Rijksdag
te Spiers bij open brief vastgelegd. Gelderland en Zutphen
zouden
voortaan bijeenblijven. Het eerste hield op een eigen
hertogdom te zijn.
Een feit is het, dat sedert den Venloschen vrede het
Overkwartier
van Gelderland met het Nederkwartier eene provincie werd der
Spaansche Nederlanden en tot stadhouder kreeg Réné van
Chalons,
prins van Oranje, die naar de bevelen der Centrale Regeering
te Brussel
had te luisteren.
Wat baatte het of de ingezetenen van Gelderland wrokten over
hunne
verloren gegane zelfstandigheid. Integendeel, men ging onder
de krach-
tige regeering van Keizer Karel eene zekerdere toekomst
tegemoet.
Het tractaat van Venlo bracht Karel V nader tot de absolute
monar-
chie, maar bevestigde ook de rechtszekerheid der inwoners.
Wat kreeg Roermond voor zijn gewillig buigen? Niet veel! Het
bleef
de hoofdstad, maar moest het stapelrecht aan Venlo afstaan.
Dit was
het recht om van alle voorbijgaande schepen te vorderen, dat
zij hunne
waren eerst te Roermond enkele dagen opsloegen en ten
verkoop aan-
boden. Het kreeg er echter voor in de plaats bevestiging van
het recht
van den muntslag; ten stadhuize mocht men muntjes van kleine
waarde, peerdtgens van twee stuivers, oertgeens enz. doen
slaan.
18 Mei 1469 bevestigde Hertog Adolf al het recht der
stedelijke munt.
De Jura et Privilegia zeggen: 1492, 8 Mei, Hertog Karel
geeft aan Roer-
mond voor den opbouw der moederkerk het recht van zilvergeld
te
slaan ter waarde van eenen braspenning, onder hertogs naam
of eigen
naam en wapen. Men heeft te Roermond in de opvolgende eeuwen
steeds kleine munt blijven slaan onder toezicht van waardijn
en es-
sayeur door muntgezellen in een achterpand van het stadhuis.
(Over
Muntslag, zie Sivré, Inv. deel I tot en met IV).
Maria van Hongarije, zuster van Karel V en sinds 1530
landvoogdesse,
een vrouw vol geestkracht, beleidvol en werkzaam, steunde
Karel trouw
in zijne algemeene politiek. Wij herinneren er hier aan, hoe
zij in
den zomer van 1549 in Roermond met veel staatsie ontvangen
werd.
Naar „alder gewoente“ kreeg zij een „wellekom” van de twaalf
groote
38
aan den Voogd betaald moest worden. Dit was dus een
leenbank
in 't klein.
Ook had men nog het huijs den Beer op den Steenweg tegen
Lam-
berts huijs van der Craicken van de deur tot den schoorsteen
toe,
waarvan leenhulde ten Gelrischen rechte betaald werd; verder
de vis-
scherij op de Roer ten Gulickschen rechte, de gruijt of 't
recht op
graan voor het maken van bier bestemd, de Ruerenbosch bij de
Roer
en nog kleinere leenen.
Dit alles viel bijna geheel onder Keizer Karels regeling.
Ook in dit
opzicht kwam er meer orde.
Karels regeering was in verschillende richtingen heilzaam
voor het land
en voor het Overkwartier. Maar de opkomende Hervorming
bracht
vele zorgen en verdeeldheid; zij vertoonde zich ook in onze
landen.
Deze en het Anabaptisme trachtte hij te bestrijden door
strenge plak-
katen en velen werden om de nieuwe leer terecht gesteld en
hunne
goederen verbeurd verklaard.
Tot het beoordeelen van den toestand van Roermond in de
XVIde eeuw
moeten wij hier op het doordringen dier geesteswijziging in
Roermond
zelf en in de omstreken, zij het dan ook in korte woorden,
wijzen, waar
deze in dit werk in hare geheele ontwikkeling later gegeven
zal worden.
Vooral helde men hier in den eersten tijd tot het
Anabaptisme over,
dat in de practijk gevaarlijker was door het streven naar
een wereldsch
Koninkrijk Sion, naar een gewelddadige omzetting van het
bezit, en
zich uitte in het miskennen van de grondslagen der geldende
zedenleer.
Door het misdadig en heiligschennend optreden van Jan
Beukelszoon,
een kleermaker uit Leiden, in 1534 te Munster en door de
overrompeling
in Amsterdam in 1535 werd de schrik er bij de Regeering
ingebracht; de
vervolging werd onmeedoogender. De Anabaptisten predikten en
her-
doopten in 1535 nog te Sittard, Dieteren, Ysenbroek, in
1548, trots de
plakkaten van 28 September 1543 en 6 Augustus 1544 tegen de
nieuwe
leer, te Echterbosch, in 1551 te Havert, in 1558 te Sittard,
in 1569 te
Roermond, waar in het eind van dit jaar Jurgen Snijder,
bijgenaamd
Velport, nog om zijn anabaptistische propaganda ter dood
gebracht
werd. Het was zoo diep doorgedrongen, dat in 1580 nog een
Roer-
mondenaar, Jan Willemsen, in het land van Kleef optrad als
Koning
David de Gerechte, het volk aanradend de rijken te berooven,
ging
het niet door geweld, dan door list.
Wij volstaan hier met een overzicht. Het Bestuur van
Roermond was
ook al laks in het uitvoeren der strengere hoogere bevelen
en was
door zijne handelingen bij de regeering niet in hoog
aanzien, wat de
belangen der stad schade toebracht. De tijden waren woelig
en de stads-
regeerders beleefden geen aangename dagen. Ook werden zij
door de
hooge overheid verplicht de fortificatiën der stad op te
maken, waar-
toe dagelijks 125 man uit het Overkwartier opgeroepen werden
om
het graafwerk te verrichten.
Maar men vergat niet zich hier in navolging van andere
steden met
het onderwijs der jeugd te bemoeien en besloot einde 1553
„eene guede
particuliere schole" op te richten. Er waren promotors
benoemd en
40
door Filips II, op en top Spanjaard, koel, afgemeten,
deftig en trotsch,
maar man van beginselen, onvermoeid werkzaam en streng
Katholiek.
§ 2. ONDER SPAANSCH BESTUUR.
FILIPS II, 1555-1596, overleden 1598.
Spanje was de hoofdmogendheid van Europa geworden. De
Bourgon-
dische Kreits, waarover boven reeds gesproken, verviel en
werd in
Stadhouderschappen of provincies verdeeld en met het Rijk
vereenigd;
ze hadden ieder hun landdag en hielden sedert 1558 te zamen
als Gene-
rale Staten vergaderingen. Filips maakte de groote fout om
in 1559
het Hof naar Spanje te brengen en het Bestuur der
Nederlanden aan
zijn halfzuster Margaretha van Parma over te laten, die door
een
Staatsraad bijgestaan werd, met Granvelle als invloedrijkst
lid.
Van uit Duitschland drong het Lutheranisme en Anabaptisme
binnen,
van uit Frankrijk het Calvinisme. Daardoor was er overal
onrust onder
het volk, waartoe de hooge belastingen, de inkwartiering der
Spaansche
troepen en de algemeene verarming het hare bijdroegen. Het
kerkelijk
verval trachtte de bul van Paus Paulus IV d.d. 19 Mei 1559
tegen te gaan,
vooral door de oprichting van 3 aartsbisdommen en 15
bisdommen.
In Roermond werd ook een bisschoppelijke zetel gesticht,
ressorteeren-
de onder het aartsbisdom Mechelen.
In 1562 benoemde Filips tot eersten bisschop van Roermond
Wilhelmus
Damasius Lindanus, geboren 1525 te Dordrecht, theologisch
doctor,
professor te Dillingen, raadsheer enz. Lindanus kon door de
opko-
mende beroerten geen bezit van zijn zetel nemen. Hij was 4
April 1562
gewijd en werd eerst 11 Mei 1569, dus zeven jaar later
ingehuldigd.
Bij zijne inhuldiging waren tegenwoordig zijn vader Damasius
van der
Lindt, zijne broeders, professoren, het kapittel der
Domkerk, de geeste-
lijkheid en de magistraat van Roermond.
De Staten van Holland hadden de plannen tegengewerkt,
voorgevende
dat deze tegen de landrechten streden. Het ligt niet op
onzen weg
den persoon van den ijverigen, onvermoeiden, geleerden
bisschop hier
te schetsen, dat zal een ander uitvoerig doen, maar wij
moeten herinne-
ren, dat zijn apostolische heldenmoed Limburg, Brabant en
een deel van
Gelderland voor het Katholiek geloof behouden heeft. Hij
hield de
onwillige en dwalende magistraten hun plicht voor en
verscheen overal,
met gevaar voor zijn leven, als boeteprediker.
De Hervorming kreeg langzamerhand meer kracht, ook te
Roermond;
de hagepreeken werden achter de Kapel, op het Guliksch,
gehouden.
Op St. Laurensdag, 10 Augustus 1566, preekte een predikant
buiten,
op Zondag 25 Augustus trachtte men hem te vergeefs binnen te
bren-
gen, 8 September predikte hij op de Markt in 't openbaar. De
stad
werd door den stadhouder Karel van Brimen op haar plichten
gewe-
zen, om den voortgang der nieuwe leer te stuiten. De
magistraat gaf
daaraan geen gevolg. De aanhangers der nieuwe leer zonden
afgevaar-
digden uit Roermond naar het Consistorie van Antwerpen, dat
aan 't
42
tot op den huidigen dag aan den ingang der Hoogkerk nog
de ledige
nissen zien, waaruit de beeldstormers de beelden geslagen en
vernield
hebben; ze zijn thans vernieuwd onder toezicht van den
Architect
Caspar Franssen Sr. zaliger.
De hertog van Alva gaf 31 Maart 1567 kennis aan den
Magistraat van
het aftreden der landvoogdesse Margaretha van Parma. Het
onderzoek
te Roermond werd naar alle kanten doorgevoerd.
Alva, de gestrenge, gaf 8 Maart 1569 aan den Stadhouder en
het Hof
van Gelderland last, ten einde „wijt te roijen ende te
extirperen alle
secten, dwalingen ende quaede leeringhen" alle kwade boeken
te ver-
nietigen. Vooral moest men bij alle boekverkoopers den
voorraad
onderzoeken, de kwade in beslag nemen en een lijst naar
Brussel, het
hoofdkwartier, zenden.
Ook aan Roermond werd kennis gegeven, maar men talmde hier
met
het onderzoek. In plaats van 17 Maart begon men eerst met
Augustus.
De deken Theodorus Hoen en de Prior van Someren leidden het
onder-
zoek, in tegenwoordigheid van den Magistraat. Zij
onderzochten den
boekhandel van Gerard In den Iserencraem en vonden er 23
verboden
boeken, o.a. geschreven door Gesner, Melanchton en Erasmus.
We behoeven het wassende en groeiende verzet tegen Alva,
zijne be-
lastingen, zijne vervolging der ketters niet te beschrijven,
ook niet hoe
Egmond en Horne onthoofd werden en Willem van Oranje zich
aan 't
hoofd van den gewapenden opstand tegen Spanje stelde. De
Water-
geuzen onder 's Prinsen vlag veroverden den Briel, de steden
stonden
op en de opstand was in vollen gang.
21 April 1568 op Goeden Vrijdag kwam een bende Geuzen naar
Roer-
mond en wilde het innemen. De stad moest van die avonturiers
onder
den beruchten kapitein Jan Ressen niets hebben en verdedigde
zich
dapper. De Spanjaarden kwamen te hulp, ontzetten de stad,
vervolgden
den troep tot Dalheim en sloegen er velen dood. Jan Ressen
werd door
drie lanssteken afgemaakt. De strijd werd met afwisselend
geluk ge-
voerd. Het meest hinderde aan beide zijden het gebrek aan
geld om de
huurtroepen te betalen. Waar buit te halen was, werd
gestolen, geplun-
derd en gemoord.
De Prins van Oranje was in volle actie. Hij trok in den jare
1572 met
een leger op Roermond aan en hield zijn hoofdkwartier te
Hillenrade.
De stad had een zwakke bezetting en werd op 24 Juli 1572
ingenomen.
Men zag er tooneelen van wreedheid en bloeddorst. Drie en
twintig
geestelijken, onder welke twaalf Kartuizers, werden na tal
van kwellin-
gen vermoord. Oranje - zegt men - kon de Duitsche huurlingen
niet
in toom houden. De bijzonderheden van den Roermondschen
moord op
priesters en geestelijken zijn in extenso beschreven in
Habets, Bisdom,
deel II blz. 66 tot en met bl. 75. Oranje trok verder, maar
Roermond
weigerde hem later te gehoorzamen. Spoedig daarna ontbond
hij zijn
leger.
Einde October kon Bisschop Lindanus terugkeeren. Een deel
der uit de
kerken gestolen voorwerpen kon men te Aken opsporen.
Men wilde de heillooze twisten afsluiten door de Pacificatie
van Gent
44
werkten met mannenmoed tegen de gaandeweg toenemende
verarming,
en lieten niet na de hooge regeering op den dreigenden
ondergang te wij-
zen. In Januari 1585 schreef de Stad weer naar den Landvoogd
om van
den „onmenschelijken last” der lanciers van don Diego
Sarmento be-
vrijd te worden. De Stadscommandant de Warluzel kon haar
niet hel-
pen en verwees naar de Regeering. Maar ook deze kon niet
helpen en
maande tot geduld aan. Want ook het platteland in de
omgeving van
Roermond bad om hulp. 17 April 1586 verklaarden de
Schepenen,
geërfden en inwoners van Asselt en Swalmen, dat „sij, in
diesen ge-
ferlichen kriechstiden und ten tide als 't vurseyde kerspel
genslich ver-
loupen und uitgeweecken was, im hoichsten noeden ter
betalungh van
operlachter contribution geld opgenomen hebben".
Een scherp beeld van den toestand in het Roermondsche
kwartier
levert een perkament van 10 Januari 1585, waarin de deken en
het
kapittel der kathedrale kerk van den H. Geest te Roermond
verklaren,
dat het platteland geheel bedorven is, de ingezetenen tot
armoede ge-
komen zijn, de landerijen onbebouwd blijven en de pachten en
renten
zeer verminderen door de groote contributiën die door de
ruiters in
de Stad verordend, geëxecuteerd en afgedwongen worden,
zoodat het
kapittel zijne bezittingen te gelde moet maken.
Rondom woedde de krijg; 28 Juni 1586 werd Venlo bij verdrag
aan
Alexander Farnese, hertog van Parma, overgegeven, nadat
verschil-
lende jaren Staatschen en Koningsgezinden om het bezit der
stad
gevochten hadden en deze te schande gemaakt hadden, waarbij
het
aan vernielen der kerken, afpersingen, brandstichtingen niet
ont-
brak. In Roermond waren de toestanden er niet beter op
geworden.
Dat er destijds in de stad aan de eerste levensbehoeften
gebrek was,
bewijst de ordonnantie van burgemeijstere, schepen en raedt
van 3 Juni
1587, waarbij zij kond doen „alzoe duer diese tegenwoirdige
oner-
„hoirte duirte en versteigerongh der graenen in alle
nabursteden und
„landen die voet und merckt op rogge und garste den 16
Aprilis lest-
„leden bij hun mitsampt den thienmans genomen und
ingestaldt, langer
„niet gehalden kan werden, overmits dat dairduer diese Stadt
van allen
„genabarsten (naburigen) soeseere van huere nottruft bysher
geblue-
„tet (ontbloot) is" en waarom zij er op wijzen, dat alle
korenhande-
laars er bezwaren tegen maken hun voorraden alhier aan de
gestelde
prijzen van rogge aan 15 gld. en gerst aan 10 gld. te
verkoopen. Het
gevolg van den uitvoer was, dat er in Roermond niets te
krijgen was
„tot groten achterdeijll dieser schemeler gemeinten." Daarin
wilden
„burgemeisters, schepenen en raidt" voorzien en bepaalden
dat ieder
malder rogge aan 18 gulden en ieder malder gerst aan 12
gulden mocht
verkocht worden, onvermengd geleverd. Het brood van 10 pond
zal
121/2 stuver kosten. Wie overvloed van graan heeft, zal dit
aan de stad-
sche bakkers verkoopen en niet aan uitheemschen overdoen, op
ver-
beurte van de geheele koopwaar bij overtreding van het
gebod. Andere
granen als rogge en gerst zijn in deze ordonnantie niet
begrepen „maer
staen op fortuijn van die merckt, wie in nabuersteden und
landen." -
De Regeering bleek wel mede te werken ter voorkoming van den
alge-
46
marckt, waerdoer veel oersaecken gegeven worden tot
kettersche dis-
puten doer die ommeliggende Gulicksche ende andre neutrale
provin-
cien." Tegen dat verleggen der Kermis was weinig bezwaar. De
groote
processie trok toen al, evenals nu nog, in volle pracht door
de versierde
straten der stad.
Na al het strijdgewoel, het overheerschen der soldateska,
verlangde
men vurig naar een vreedzamer tijd en regeerders, die het
heil van het
land zagen in rust en vrede. Deze zouden komen.
Groote mannen heeft het Overkwartier in die tijden toch
opgeleverd.
Wij herinneren aan Surius, van Zijl, Boener, Budelius,
Puijtlinck, Lin-
danus e.a.
§ 3. ROERMOND ONDER DE AARTSHERTOGEN
ALBERTUS EN ISABELLA 1596 -- 1633.
Bij de Unie van Utrecht, vóór reeds genoemd, die wij hier
niet nader
bespreken, gingen de drie kwartieren van Neder-Gelderland in
1579
tot den Statenbond der Vereenigde Nederlandsche gewesten
over. Het
Overkwartier Roermond bleef Spanje getrouw en heette verder
Spaansch Gelderland. Filips was inmiddels tot de overtuiging
geko-
men, dat de Regeerder over de trouw gebleven gewesten te
midden
zijner onderdanen verblijf moest houden. Hij had daartoe het
middel
gevonden door 6 Mei 1598 aan zijne dochter Isabella Clara
Eugenia,
die zou huwen met Albertus van Oostenrijk, den zoon van
Keizer
Maximiliaan, de erfelijke Souvereiniteit der Nederlanden
onder eenig
voorbehoud op te dragen. Hun streven was naar pacificatie
gericht.
Daardoor was hunne regeering zegenrijk en werd veel onheil
bezworen.
Uit de adressen van de landsstenden aan den stadhouder bleek
nog
maar al te vaak, hoe de nood nog altijd gevoeld werd. Door
mis-
gewas waren de schuren ledig, de boeren moesten zaadkoren
leenen en
het brood was duur en schaarsch.
Uit het kerkelijk leven van Roermond stippen wij hier aan,
dat de
Rector Magnificus van de Leuvensche Hoogeschool, Henricus
Cuijckius
Johanneszoon, geboren in 1546 te Kuilenburg, op aandrang van
Koning
Filips II en bevestiging van Paus Clemens VIII tot bisschop
gewijd
werd. Hij werd 28 Juli 1596 te Leuven in de St. Pieterstraat
door den
Aartsbisschop Mathias Hovius gewijd. Hij had de benoeming
tot Bis-
schop van Roermond met schroom aanvaard, want het was met
den
toestand der kerk zeer treurig gesteld, al had zijn beroemde
voor-
ganger Lindanus met alle kracht en ijver aan de verbetering
van het
godsdienstig leven gearbeid. Cuyckius handhaafde de tucht,
herstelde
de vrome gebruiken, was een voorbeeld en een licht voor de
geeste-
lijkheid. Hij ondernam in het najaar van 1599 een
pelgrimstocht naar
Rome, destijds eene moeilijke reis.
Aartshertog Albertus van Oostenrijk werd 1 October 1602 te
Roermond
luisterrijk ontvangen. De Roermondsche Kroniek, uitgegeven
door Net-
tesheim, beschrijft hoe hij in Joncker Baerels huis
ontvangen is, welke
48
64 personen aangeklaagd, van wie er verschillende
achter de Kapel
verbrand werden. Te vergeefs traden P. Spee S.J. en andere
geleerden
daartegen op. De procedures in Roermond vindt men in de
Chro-
niek van Nettesheim blz. 442 en volgende.
Om het leven in onze stad gedurende het 12-jarig bestand te
schetsen
zullen wij hier enkele voorvallen en daadzaken uit de
Stadskroniek
schetsen. De geestelijke leiding van het bisdom berustte
sinds 1611 en
daarna gedurende 29 jaar bij den derden bisschop, Jacobus
van der
Borcht of à Castro, een Amsterdammer. Zijn devies was „Wees
Waak-
zaam".
De Regeering bezat hier de Meelwaag, waar alle meel gewogen
moest
worden tegen een vast recht. Zij verhuurde die voor eeuwig
aan de Stad
voor 70 gulden 's jaars, wat nog al eenig voordeel opbracht.
Alle baten
hielpen. In dit tijdperk van vrede werden allerlei
vredeswerken verricht:
in 1617 het Clarissenklooster gebouwd, in 1619 het aloude
Cremergilde,
dat stil gelegen had, weer opgericht, in 1620 weer nieuwe
klokken gego-
ten. Valt nog te vermelden, dat onder de aartshertogen een
groot en ge-
wichtig werk tot stand kwam, de vaststelling en verzameling
van het
Landrecht in één Wetboek en wel op 19 September 1619. Men
sprak
vóór dien tijd recht volgens de oude gewoonten des lands en
de oor-
konden der voorvaderen, zoodat er geen eenheid was en er
weinig
samenwerking kon zijn. Reeds onder Keizer Karel V en onder
Filips
had men getracht tot eenstemmigheid te komen en alles in één
bundel
samen te vatten. Door den aanhoudenden oorlogstoestand was
men
er niet toe gekomen. Nu het twaalfjarig bestand zijn
weldadigen in-
vloed deed gevoelen en er betrekkelijke rust heerschte, zou
dit gewich-
tig werk tot stand gebracht worden. Er werd te Roermond hard
aan
gewerkt door den Kanselier Uwens, den landsyndicus Tilman
van Bree
met de raadsheeren. Wat wij het Burgerlijk Wetboek noemen,
was
met het Strafwetboek vereenigd. Het wetboek voor het
Landsrecht
was voor dien tijd voortreffelijk ingericht. Het werd voor
de eerste
maal te Roermond bij Johan Hompesch op 17 Mei 1620
uitgegeven
en later dikwijls herdrukt o.a. bij Caspar du Prée in 1665
te Roer-
mond en in 1679 bij Johan Frederik Haegen te Arnhem. Sommige
exemplaren waren voorzien van de portretten der
aartshertogen. Tot
aan de Fransche revolutie zijn deze Stad- en Landrechten de
veilige
gids geweest voor de rechtsprekende collegiën. Overal
heerschte ge-
durende bijna twee eeuwen éénvormigheid in het recht.
Den grooten stoot tot opbloei der stad had na 1224 de
Munsterabdij
gegeven. Zij was dit in de eerste helft der XVIIIde eeuw
nog. De abt
van Camp was opperraadsman en de abdis en de nonnen waren
aange-
sloten aan de Cistercienserorde en hadden vele voorrechten
en schen-
kingen ontvangen. Kerk en abdij waren prachtig gebouwd. Na
eenige
eeuwen wilde men het sieraad van de stad in een gewoon
klooster
omzetten. Maar dat beviel niemand en het gebeurde dan ook
niet.
De aanvallen op het groote werk der Aartshertogen: 't
Maas-Rijn-
kanaal of de Fossa Eugeniana door de Staatschen, toonden aan
dat de
oorlogstoestand weer 't Overkwartier in rep en roer zette.
50
die semptliche burgerij met vliegende vendels
uijtgetogen om sein Co-
nincklycke hoichheit in te haellen, als wanneer hem de
stadssloetelen
deur den burgemeister Frans Pollart sijn gepresenteerd."
Sedert dien tijd bleef Roermond Spaansch, ook na den
Munsterschen
vrede in 1648, tot 1715.
§ 5. ROERMOND ONDER SPAANSCH BESTUUR.
FILIPS IV 1637-1665.
Hoe was de toestand van de stad? Ze zat, evenals alle andere
steden
van het Overkwartier, in schulden. Men nam toen het middel
te baat,
om een omslag te heffen over de eigendommen, een
gemeentelijke
grondbelasting. De schipperij, eens zoo bloeiend in de
Maassteden
Roermond, Venlo, Wessem, Kessel was danig in verval; in
Roermond
waren slechts 34 schippers meer. Zij hadden hun gildekapel
in de groote
kerk, hun gaffel of vereenigingslokaal op de Werf. Het
onderwijs begon
geld te kosten omdat men er meer zorg aan wijdde. Ook koning
Filips IV werkte mede en gaf den Jezuïeten in 1637 een nieuw
octrooi,
eigenlijk een vernieuwing van dat van 1584, waarbij zij
buiten de
academiesteden overal scholen konden inrichten.
Ook had men te strijden tegen de door de opeenhooping van
volk in
huizen, schuren en kelders veroorzaakte besmettelijke
ziekten, die van
1634-1638, zoowel Roermond als de andere steden en 't
platteland
teisterden.
In 1639, na den dood van den waardigen Bisschop à Castro,
overleden
24 Februari 1639, had men weer last den zetel bezet te
krijgen wegens de
zeer geringe inkomsten. De beurzenstichter Peregrinus
Vogels, in 1641
benoemd, stierf voor zijne wijding en de zetel bleef
openstaan.
Wij moeten hier het bloeiend Collegie der Paters Jezuïeten
nog verder
vermelden, dat grooten toeloop had en in het hoofdstuk,
gewijd aan
Onderwijs, vermeld wordt. De Lombardstraat werd later
Jezuïeten-
straat geheeten.
De watersnood van 1643 veroorzaakte veel schade, daar de
Maas door
het gemis van bedijking op vele plaatsen vrijen loop had.
In 1648 eindigde de 80-jarige, voor onze streken noodlottige
oorlog
en kon men zich aan het herstel van de slechte toestanden
wijden.
Reeds vroeger is vermeld, dat Roermond sinds tijden terug
het recht
had kleine munt te slaan „peerdtgens, myten en klein zilver“
met het
wapen van Gelderland en Roermond en de letters R.M. In 1649
begon
men, nadat de munt lang stilgestaan had, weer geld te slaan.
Gelukkig kreeg Roermond in 1651 in Andreas Creussen zijn
nieuwen
bisschop, den vierden in de rij.
In September 1655 kreeg men weer koninklijk bezoek.
Christina
Augusta, koningin van Zweden, kwam over Antwerpen, Leuven,
naar
Roermond, om hare moeder te gaan begraven. Zij werd door den
gou-
verneur van Roermond, den Prins van Isenghien, prachtig
ontvangen.
Zij was eene zeer ontwikkelde vrouw en sprak zeven talen.
Overigens ging alles zijn regelmatigen gang. De
burgemeesters werden
52
Vele besluiten van herbouw der afzonderlijke gestichten
volgden de
naaste jaren. Voor het opbouwen van het „huys van Syne
Excellentie”
trok men als eersten termijn 12.000 gld. uit. Het
Overkwartier moest
100.000 gld. voor dezen bouw bijdragen op last der Staten.
Het Bis-
schoppelijk paleis werd op grooter voet herbouwd. Evenzoo
het ge-
bouw der Steenen Trappen in de Neerstraat; het jaartal 1666
staat
nog in de cartouche in den gevel. In 1669 werd de Vleeschhal
her-
bouwd. De Cellenbroeders uit Maastricht moesten in dien tijd
weer de
pestzieken komen verzorgen, terwijl de Penitenten van
Stockem in de
gebouwen annex aan de H. Geestkerk, hoek Munsterstraat,
kwamen
en de kerk in gebruik namen.
In het jaar 1666 op 24 Februari werd de nieuwe Koning Karel
II (1665-
1700) te Roermond op de Markt plechtig ingehuldigd.
Vanaf het jaar 1667 begon Frankrijks koning Lodewijk XIV
zijne
heerschzuchtige plannen ten uitvoer te leggen, die geheel
Europa in be-
roering brachten en een allerschadelijkst gevolg hadden ook
voor Roer-
mond en het Oostelijk gedeelte van het Overkwartier.
De devolutieoorlog, de Triple Alliantie, de coalitie tegen
de Republiek
der Nederlanden volgden en de oorlog van 1672 ruïneerde
geheele land-
streken. In dat jaar ging het ook op de Nederlanden los en
Gelderland
werd met krijgsgeweld ingenomen en men weet, wat dat in die
dagen
voor de steden, maar vooral voor het platteland zeggen
wilde.
Trouwens de Franschen hadden in 1668 het ambt Montfort al
uitge-
plunderd en vernield en van 1672 tot 1679 leefden de
Fransche troepen
afwisselend ten koste der Overkwartierders. Daarbij kwam nog
dat in
dien tijd de dysenterie of roode loop sterk „grasseerde“,
zooals men in
verschillende sterfregisters zien kan. Zij werd door de
soldatenbenden
ingesleept en door het voedselgebrek vermeerderd.
Keeren wij nu tot de stad Roermond en omgeving en zien wij
hoe het in
die oorlogsjaren van 1670-1674 gevaren is.
Bij al die rampen der stad was er ook verwildering bij de
bevolking
van het platteland te bemerken, en was het met de veiligheid
ook
vanwege de soldaten niet te best gesteld. In 1670 klaagde de
ambt-
man van Wassenberg dat personen op de marktdagen van uit
zijn
ambt naar Roermond gingen en op den Kapellerweg door de sol-
daten van het garnizoen uitgeplunderd werden. Daarom zouden
bur-
gers en vertrouwde soldaten de bezoekers afhalen en
wegbrengen.
Als was de natuur ook in oproer, zoo werden door
menigvuldige stor-
men en onweders in 1670 vele hooge gebouwen geteisterd en
molens
De Bisschop van Roermond Eugenius d'Allemont werd benoemd in
het
omgeslagen.
bisdom Gent. Lancelot de Gottignies volgde hem in Roermond 9
Fe-
bruari 1671 op als zesde bisschop en bleef slechts kort, tot
1673.
Men was om dien tijd wegens de oorlogsgeruchten beducht voor
over-
val. De poorten werden in 1673 versterkt en iedere familie
moest een
man stellen voor het opmaken der wallen. Er was een
soldatenhospitaal
opgericht en het Oudmannenhuis op den Schuitenberg werd aan
den
Koning afgestaan tot gerief der doortrekkende soldaten en
volkeren
54
Prins Jan Frans Desiré van Nassau Siegen, een goed
katholiek, was
sinds 1680 bevelhebber der stad; men kon het met hem goed
vinden.
In 1682 werd door hem de eerste steen van het
Gouvernementsgebouw,
het latere Hospitaal, gelegd.
In 1692 kreeg de stad bezoek van den nieuwbenoemden
gouverneur-
generaal der Nederlanden, Max Emmanuel van Beyeren. In 1698
werd
het stadhuis verbouwd. In 1700 werd de grauwe Toren
gedeeltelijk afge-
broken. Begin 1701 bezetten Fransche troepen het
Overkwartier en
Philips van Anjou werd heer der Spaansche Nederlanden.
Er was weer wisseling in den bisschoppelijken zetel. In 1677
was Regi-
naldus Cools zevende Bisschop geworden tot 1700 en ging toen
naar
Antwerpen; hem volgde op in 1701 Angelus d'Ongnies, achtste
bis-
schop. Zijn borstbeeld staat nog in de kathedraal. De
Dominicanen be-
gonnen toen les te geven in het Groot-Seminarie in de
Veldstraat. Het
Seminarie werd in de eerste 25 jaren al vergroot (zie Habets
III, 561).
§ 7. ROERMOND WEER ONDER STAATSCH BESTUUR.
7 OCTOBER 1702 - 14 NOVEMBER 1715.
Karel II, souvereine vorst der zuidelijke Nederlanden,
overleed 1 No-
vember 1700. Filips van Anjou, dauphin van Frankrijk, werd
zonder
veel omslag opvolger. Op 19 Februari 1702 werd zijn
gevolmach-
tigde te Roermond op het Stadhuis gehuldigd. De tribune vóór
het
Stadhuis was met rood fluweel bekleed, het beeld van den
nieuwen
koning was onder een troonhemel opgehangen en onder het
wapen
van Gelderland het opschrift aangebracht: Concordis animi
sit
Geldria laeta monarcha. De gevolmachtigde was Filips
Emanuel,
Graaf van Hornes, die sedert 1699 in Roermond woonde. Maar
Keizer Leopold I weigerde de beschikking te erkennen, wat
alweer
aanleiding gaf tot een verderfelijken oorlog, den Spaanschen
Suc-
cessieoorlog 1702-1713, waarin natuurlijk weer het
Overkwartier
eene rol moest spelen. De Spanjaarden en Franschen
beheerschten
het Overkwartier, legden schuren, kloostergangen en zolders
vol
mondvoorraad voor menschen en paarden en ammunitie. Hooge
Fran-
sche Heeren als de Hertog van Bourgogne, logeerden hier. De
Staat-
schen waren in 1702 het land van Kessel binnen gerukt,
zoodat nu
door de beide oorlogvoerende partijen de overeenkomsten
geschon-
den werden. Einde Augustus werd Venlo door de Staatschen
belegerd
en ingenomen. Nu volgde de belegering van Roermond. 2
October 1702
werden de eerste loopgraven geworpen van den kant van
Maasniel. De
prins van Horn commandeerde in de stad. Zij was door de
zwakke
bezetting niet te houden en werd 7 October 1702 overgegeven.
De bezet-
ting vertrok naar Leuven.
Het verdrag bepaalde, dat de uitoefening van den Katholieken
en Gere-
formeerden godsdienst gelijk zoude beschermd worden. De
Gerefor-
meerden zouden twee kerken krijgen. De H. Geestkerk aan de
Munster-
straat werd aan de Gereformeerden afgestaan, welke zij tot
1716 behiel-
56
oude gebruiken was. Een maand er na op 26 April was het
weer alge-
meen feest voor de geboorte van een aartshertog; den 2den
September
illuminatie voor de overwinning op de Turken bij Belgrado.
Het stadhuis bleek bouwvallig te worden, men had het in 1698
al her-
steld zoo goed dit ging; het dak werd in 1719 volgens een
plan van Pleun
van Boles hersteld en verfraaid. Er werd een torentje op
gezet met
een globe, naar den smaak dier tijden.
In Roermond bestond nog altijd een afzonderlijk klein
rechtsgebied,
de Voogdij, waarover vroeger al eens is gesproken; de Voogd
was oud-
tijds de vertegenwoordiger en verdediger der kerkelijke
instellingen
geweest. Langzamerhand hadden die Voogden zich weten op te
werken
tot vrije gebieders of bezitters van een gerecht of laatbank
over een
gedeelte der stad. De rechten der voogdij van Roermond waren
in Sep-
tember 1244 reeds bevestigd door Graaf Otto van Gelder,
waartoe ook
nog behoorden de pastoorsbenoeming en een landdagszetel.
De stad vond een gebied in haar gebied lastig en kocht 18
Maart 1721
van den erfvoogd, den baron de Neerysche, de voogdijrechten
voor
honderd gouden pistoletten of negenhonderd gulden Brabantsch
geld.
9 Augustus 1721 had in de Kathedraal eene merkwaardige
plechtigheid
plaats n.l. de wijding van twee bisschoppen, die van Frans
Lodewijk
Sanguessa tot coadjutor van Mgr. d'Ognies en van Z. E.
Santino,
nuntius, tot aartsbisschop van Trebizonde. Frans Lodewijk
Sanguessa
volgde Bisschop d'Ongnies 1722 op als negende Bisschop -
1741.
Roermond gevoelde, dat de tijden niet gunstig waren, de
stadsinkom-
sten geringer werden en besloot daarom de maaltijden ten
stadhuize
in te krimpen, ook die op het koebranden. Wij halen dit aan,
om aan te
toonen, dat Roermond destijds vele veehouders had, die hun
vee op de
groote Stadsweide brachten. De veestapel bedroeg toen 370
stuks. Het
Koestraatje herinnert nog aan dien toestand, terwijl ook een
„stads-
koehart" in de rekening voorkomt.
Op 26 Februari 1726 werden de klokken geluid wegens het
overlijden
van den gouverneur der Nederlanden Max van Beyeren.
24 Juni 1730 werd hier te lande eene aardbeving gevoeld
omtrent
middernacht.
Nog dient herinnerd te worden aan een eeuwen later nog
geprezen
werk, in 1730 tot stand gekomen, n.l. den aanleg van de
Kapellerlaan
of den Kapellerweg op eene breedte van 12 meter 82 cM.
Van het jaar 1734-1737 kreeg Roermond door de milddadigheid
van de
postmeestersfamilie een Hospitaal-Generaal, onder de
bescherming van
de H. Elisabeth van Thüringen.
In het najaar van 1740, na den dood van haar vader, kwam de
erfge-
name van Karel VI, Maria Theresia, op den Oostenrijkschen
troon; zij
was krachtens de verdragen eenige erfgename, maar er waren
nog twee
pretendenten Albrecht, Keurvorst van Beieren en Frederik II
de
Groote, die zonder recht de Silezische hertogdommen wilden
innemen.
Oorlog naar alle kanten was daarvan 't gevolg. De belangen
der vorsten
waren destijds vastgegroeid aan die der volkeren. Wij
behoeven de
Europeesche beroering niet te volgen, Roermond bleef trouw
aan de
58
betoon der stad ingeschreven. Alle ambtenaren en hunne
vrouwen droe-
gen een half jaar zwaren rouw.
In 1770 kreeg Roermond een nieuwen Bisschop, den twaalfden,
n.l. Mgr.
Henricus Joannes Kerens. In 1775 volgde Mgr. Damianus van
Hoens-
broech als dertiende Bisschop van Roermond op; hij was een
groot
kunstbeschermer en muziekliefhebber. Het muzikaal leven in
Roermond
nam toen een groote vlucht. Men vindt dit beschreven in
mijne geschie-
denis der Koninklijke Harmonie.
§ 10. ROERMOND ONDER OOSTENRIJKSCH BESTUUR.
JOZEF II, 1780-1790.
Roermond ontving 17 Juli 1781 bezoek van den nieuwen Keizer
Joseph
II, die zijne moeder Maria Theresia opgevolgd was. Hij
stapte af
in de herberge „de Keizer“ van Cremers in de Neerstraat (nu
ma-
gazijn Cillekens) onder den naam van Graaf van Falckenstein.
De
geestelijkheid met den bisschop aan het hoofd en de
stadsdeputaties
gingen hem begroeten, als den zoon der goede Maria Theresia,
die al de
rechten van Staat, volk en Kerk zou eerbiedigen. Men was
over zijn
„lieftalligheijdt en gespraeckzaemheijdt“ zeer getroffen.
Dat werd ter
eeuwige gedachtenis in het protocol der stad geboekt. Op 20
Augustus
1781 werd de inhuldiging van den keizer plechtig gevierd. De
kanselier
van het Souverein Hof, onder het portret staande, verving
den Keizer.
De schutterijen trokken op, de trommels werden geroerd. Men
hield
een plechtigen dienst in de Kathedraal, men illumineerde en
verbrand-
de vele tonnen teer op de Markt. De verwachtingen omtrent
den Keizer
werden echter treurig beschaamd. Hij wilde hervormen, maar
gebruikte
daartoe middelen, die tegen den volksaard indruischten, het
wezen
en het bestaan der Kerk aantastten en daarom veel verzet
uitlokten.
De wetten en besluiten volgden elkaar met verbazende
snelheid op.
Jozef II schafte de censuur af, hief de kloosters en
geestelijke stichtin-
gen op en wilde de opleiding der geestelijken veranderen. De
lijfeigen-
schap, welke echter hier niet meer bestond, werd in 1784
afgeschaft,
de macht van den adel werd beperkt, het belastingstelsel
herzien. Er
waren goede en kwade practijken bij. Maar het volk verzette
zich en in
de Nederlanden ontstond een geweldige opstand.
Het ligt niet in ons bestek den strijd der Zuid-Nederlanders
na te gaan,
maar het einde was dat Joseph II gedwongen werd zijne
maatregelen
in te trekken, althans te beperken. De voornaamste
gebeurtenissen in
Roermond tijdens het Josephiaansche tijdperk zullen wij hier
laten vol-
gen, voor zoover zij betrekking hebben op de stad en ze niet
elders
beschreven worden.
Reeds lang was besloten de stad van haren engen
vestinggordel te be-
vrijden, dus van de wallen, muren, poorten en droge grachten
te ont-
doen. De stad stond wel als vesting bekend, maar hare muren,
bol- en
hoornwerken gaven geen beveiliging meer tegen aanvallen van
buiten.
Het afbreken der poorten werd na aanbesteding in 1782
begonnen.
De muren werden in de dertiger en veertiger jaren der XIXde
eeuw
60
DE FRANSCHE TIJD
door
DR. W. J. M. BUCH
E revolutie, die in 1789 in Frankrijk uitbrak, sleepte
in haar gevolgen een groot deel van Europa mede.
In alle landen, waarmede de Franschen in oorlog
geraakten en die zij veroverden, voerden zij hun
regeeringsstelsel in en drukten er hun stempel op
het openbaar leven van deze periode. Ook Roermond is hun
onderwor-
pen geweest en diep hebben zij in het leven der bevolking
ingegrepen,
zoodat dit tijdperk terecht, en niet alleen uit staatkundig
oogpunt, de
„Fransche Tijd” der Roermondsche geschiedenis mag heeten.
Gelegen in de Oostenrijksche Nederlanden werd Roermond reeds
van
den eersten oorlog, dien het revolutionnaire Frankrijk
voerde, het
slachtoffer. Den 20 April 1792 verklaarde namelijk de
Fransche Wet-
gevende Vergadering aan Oostenrijk den oorlog en kort daarop
vielen
de Fransche troepen in de Oostenrijksche Nederlanden. Het
begin was
voor de Franschen allesbehalve gelukkig. Graaf Mercy
d'Argenteau,
de bestuurder der Oostenrijksche Nederlanden, was van hun
plan de
campagne op de hoogte gebracht door Fransche royalisten en
spoedig
waren de Fransche legerscharen over de grenzen
teruggedrongen, ach-
tervolgd door het Oostenrijksche leger, terwijl
terzelfdertijd de Oosten-
rijkers en Pruisen naar de Oostgrens van Frankrijk oprukten.
Doch weldra hadden de Franschen zich hersteld en de slag bij
Valmy
op 20 September 1792 noodzaakte de troepen der verbondenen
tot den
terugtocht. Onder Dumouriez vielen nu de Franschen opnieuw
de
Oostenrijksche Nederlanden binnen, versloegen de
Oostenrijkers den
6 November bij Jemappes en bezetten de eene stad na de
andere.
Roermond, in het Noorden van het Oostenrijksch gebied
gelegen, werd
voorloopig met rust gelaten en hierheen dan ook besloot de
Brussel-
sche regeering met haar archieven uit te wijken. 11 November
kwamen
de eerste leden der regeering met hun ambtenaren te Roermond
aan
en de volgende dagen werd het getal vluchtelingen steeds
grooter.
Verschillenden van hen reisden den 16en door naar
Dusseldorp. Gedu-
rende enkele dagen legerden zich 400 militairen te Roermond.
Doch
weldra gevoelde de Brusselsche regeering zich ook hier niet
meer veilig,
zoodat zij den 30 November naar Wesel uitweek.
Inmiddels naderden de Franschen. Er was geen denken aan, dat
de
keizerlijke troepen de stad tegen den overmachtigen vijand
zouden
kunnen verdedigen. Den 11 December vertrokken zij dan ook in
den
vroegen morgen naar Keulen, nadat zij eerst nog de Roode
Brug in
brand hadden geschoten en andere beletselen gesteld om den
vijand
den intocht te bemoeilijken. Veel heeft hun dit blijkbaar
niet gebaat,
want reeds eenige uren later namen de Franschen Roermond in
bezit.
Het stadsbestuur ging zijn opwachting maken bij den
aanvoerder der
62
onder het Fransche bewind geenszins zou verbeteren, -
zooals uit het
vervolg van ons verhaal zal blijken.
Het oude stadsbestuur werd vervangen door een ander, dat
overeen-
komstig de Fransche wetten was ingericht. Van 13 tot 15
Februari
werden er een „maire“, een „procureur de la commune" en vijf
„officiers
municipaux" gekozen.
De nieuwe stand van zaken bereidde de grootste moeilijkheden
aan de
geestelijkheid. De stadscommandant eischte van haar een eed
van
getrouwheid aan de Republiek. Welnu, men wist maar al te
goed, aan
welke vervolgingen de geestelijken in Frankrijk
blootstonden. De Roer-
mondsche geestelijkheid kon dus bezwaarlijk vertrouwen
stellen in de
machthebbers van het oogenblik! Moeilijk was haar positie
echter wel!
De Franschen dreigden dengene, die den eed zou weigeren, tot
een „ver-
rader van de Republiek en van het vaderland" te verklaren.
Een com-
missie uit de Roermondsche geestelijken wendde zich nu tot
den bis-
schop, die in Straelen een toevluchtsoord gevonden had. Het
antwoord
luidde, dat de gezondheidstoestand van den bisschop niet
toeliet, on-
middellijk een besluit te nemen in deze gewichtige
aangelegenheid, die
met zorg diende overwogen te worden en waarin overijling uit
den
booze was.
Inderdaad was de gezondheidstoestand van den bisschop snel
aan het
afnemen en vrij spoedig daarop hadden de diocesanen het
overlijden
te betreuren van Philippus Damianus van en tot Hoensbroeck.
Het was
den bisschop vergund in zijn bisschopsstad te sterven, want
- sinds
verscheidene weken reeds hadden de Franschen Roermond
ontruimd.
De Oostenrijkers hadden België namelijk niet opgegeven. Ook
was de
bevolking hier reeds tot het inzicht gekomen, dat van de
haar door
de Franschen beloofde vrijheid in de practijk weinig terecht
kwam.
Dumouriez vond het dan ook noodig in een schrijven van 14
Maart
1793 de Fransche regeering te waarschuwen, dat zij bezig
was, het volk
tegen zich in het harnas te jagen. Dit schrijven
vermeerderde het wan-
trouwen, waarmede de generaal toch reeds door de regeering
werd
bejegend. Danton en Lacroix vertrokken naar de Zuidelijke
Neder-
landen om Dumouriez ter verantwoording te roepen. Toen zij
hier
aankwamen, was het juist den Oostenrijkers gelukt, Dumouriez
den
18 Maart bij Neerwinden te verslaan. Spoedig hierop volgde
de alge-
heele ontruiming van België door de Franschen.
Roermond was reeds 5 Maart in handen van de Oostenrijksche
troe-
pen gevallen, nadat deze de Franschen den 3 Maart bij
Swalmen en den
4 op het Linderschoor, tusschen Merum en Montfoort,
verslagen
hadden. Het baatte den terugtrekkenden Franschen niet, dat
zij, na de
Gierbrug te zijn overgetrokken, deze in den grond boorden om
aan de
hen vervolgende Oostenrijksche troepen te ontkomen. Zij
werden bij
duizenden gevangen genomen.
Den 6 Maart vervoegde de Roermondsche magistraat zich bij
generaal
Wekheim om haar respect te betuigen, terwijl zij den 21
opnieuw den
eed van trouw aflegde in handen van den kanselier Luytgens.
Jacob
64
Ten slotte verlieten de keizerlijke troepen in den
nacht van 3 op 4
October in alle stilte de stad, waar de Franschen reeds den
volgenden
dag introkken.
De eerste maatregelen der nieuwe machthebbers betroffen het
herstel
der rust en orde. De magistraat der stad kon ongestoord haar
werk-
zaamheden voortzetten. De meeste aandacht vroeg voorloopig
het in-
richten van Roermond als garnizoensplaats. Reeds in October
werd het
bisschoppelijk paleis, tot groote droefheid der bevolking,
als militair
hospitaal ingericht, evenals de daarnaast gelegen
kanselarij. Voor de
verzorging der zieke militairen werden den 2 Februari 1795
de broeders
en knechts van het Franciscanenklooster opgevorderd. Den 4
Novem-
ber 1794 eischten de Franschen de Munsterkerk op als
militaire sme-
derij, doch de burgerij verzette zich hiertegen zoo hevig,
dat zij hiervan
afzagen en de smederij in het Seminarie vestigden.
De Fransche bezetting maakte het de bevolking allesbehalve
gemakke-
lijk. Toen den 2 Januari 1795 generaal Dominicus Josephus
van Damme
te Roermond kwam, eischte hij dadelijk verschillende
leveranties.
Zware belastingen, zoowel in geld als in levensmiddelen,
moesten aan
de Franschen worden opgebracht. De Fransche gasten trokken
zich
daarentegen soms al zeer weinig van hun verplichtingen aan.
De bons,
die zij afgaven, werden dikwijls niet betaald, terwijl de
betaling met
assignaten, - welke de burgers krachtens ordonnantie van 9
October
1794 verplicht waren in betaling aan te nemen -, een ware
ramp voor
de ongelukkige leveranten beteekende. De waarde van dit
papieren
betaalmiddel was in dezen tijd snel dalende. Bedroeg deze
immers in
Januari 1795 nog 18 %, in November van hetzelfde jaar was
zij gedaald
tot 0.87%.
Economisch was de toestand ook in andere opzichten niet
rooskleurig.
De prijzen der granen en overige levensmiddelen stegen tot
een onge-
kende hoogte. En om de maat van ellende vol te maken brak er
in het
laatst van December 1794 een pestziekte uit, welke bijna
twee jaar
duurde en tal van slachtoffers maakte.
Een der nieuwigheden door de Franschen ingevoerd was de
instelling
van het verplichte burgerlijk huwelijk. Van 26 Februari 1795
af moesten
alle huwelijken, om geldig te zijn, voor het stadsbestuur
voltrokken
worden; het kerkelijk huwelijk werd weliswaar niet verboden,
doch
bezat voor den Staat geen rechtsgeldigheid. Hiermede
verdrong dus de
Staat de Kerk uit een deel van wat deze tot dusver als haar
domein had
mogen beschouwen. Naast de kerkelijke doop-, trouw- en
begraaf-
registers kreeg men mettertijd dergelijke registers van het
burgerlijk
gezag. De instelling van den Burgerlijken Stand kan men te
Roermond
laten aanvangen met de lastgeving van den minister, den 12
November
1797, om in ieder kanton te doen verkiezen een ambtenaar,
die de acten
van geboorte, huwelijk en overlijden moest aanteekenen. De
eerste
functionaris was D. Daenen.
Opnieuw werd er, na deze tweede verovering van Roermond door
de
Franschen, op 10 Maart 1795 een vrijheidsboom geplant, een
vrij droeve
vertooning overigens! Niemand toonde zich bereid den boom
naar de
66
de secretarieambtenaren van de municipaliteit van
Roermond een ver-
zoekschrift indienden, waarin zij om de uitbetaling van hun
salaris ver-
zochten: vijf maanden hadden zij gewerkt zonder geldelijke
vergoeding!
Met de inlijving bij Frankrijk begon ook hier ter stede de
godsdienst-
vervolging, gepaard met de invoering van en de propaganda
voor laïcis-
tische beginselen en instellingen. De Fransche revolutie, in
wezen op-
standig tegenover het bestaande Staats- en Kerkgezag, had
van den
beginne af een antikerkelijk karakter gedragen. Volgens
besluit van de
Constituante van 2 November 1789 waren in Frankrijk de
geestelijke
goederen geseculariseerd, terwijl volgens de „civiele
constitutie van de
geestelijkheid" de pastoors en bisschoppen door dezelfde
kiezers geko-
zen werden, die ook de volksvertegenwoordigers kozen. De
Paus ver-
bood het afleggen van den door de regeering gevorderden eed
op deze
civiele constitutie. Een minderheid van geestelijken legde
desondanks
den eed af. Zij heetten voortaan „beëedigde“ of
„constitutioneele”
priesters, waartegenover de aan het Kerkgezag getrouwe
priesters „niet-
beëedigde" of „refractaire" geestelijken genoemd werden.
Voor den
Franschen Staat golden de eersten slechts al de wettige
functionaris-
sen; de anderen werden vervolgd, met kerkerstraf en
verbanning be-
dreigd.
In 1795 was er in dezen toestand wel eenige verbetering
getreden;
voortaan werd van de geestelijken slechts een eed van
onderwerping
aan de Republiek geëischt. Vele priesters keerden nu naar
Frankrijk
terug. Doch reeds in hetzelfde jaar werd de eed weer
verscherpt ten
gevolge van een royalistisch oproer, waarbij ook
geestelijken betrokken
geweest waren. Er moest nu een eed van haat aan het
koningschap en
de anarchie gezworen worden. Ook deze eed werd nog door
velen
afgelegd.
Voor de leeken werd de uitoefening hunner godsdienstplichten
nu eens
toegestaan, dan weer verboden, doch altijd min of meer
bemoeilijkt.
Vaderlandsliefde moest de plaats innemen van godsdienstzin;
stellin-
gen en leuzen, afkomstig uit de rationalistische
wijsbegeerte der acht-
tiende eeuw, moesten de godsdienstige gevoelens en
praktijken ver-
vangen; de viering der Heiligendagen moest plaats maken voor
volks-
feesten met nationale en filosofische namen, als het feest
van de Jeugd,
van de Grijsaards, van de Echtgenooten, van de Dankbaarheid,
van de
Vrijheid, van den Landbouw.
De mentaliteit der republiekeinen komt duidelijk tot uiting
in de „Rech-
ten van den mensch". In navolging van de Amerikaansche
koloniën,
die het eerst zulk een beginselverklaring hadden afgelegd,
had de Con-
stituante den 26 Augustus 1789 een „verklaring van de
rechten van den
mensch en van den burger" aangenomen, waarin de beginselen
werden
uiteengezet, waarop een rechtvaardig en redelijk
staatsbestuur en maat-
schappelijk leven dienden te berusten. Axioma's zijn het,
afkomstig uit
de school der achttiendeeeuwsche filosofen. Volgens de
geestelijke
vaders dezer „rechten” waren deze vanzelfsprekend en van
nature ge-
schikt om elkeen, die er kennis van nam, met eerbied te
vervullen.
In de negatie van deze „rechten van den mensch" zou men de
oorzaken
68
De godsdienstvervolging was in Roermond toen reeds lang
begonnen.
Eerst trof men de geestelijken in hun inkomsten. 2 Juli 1796
werden de
tienden afgeschaft, wat voor de meeste geestelijke
instellingen een aan-
zienlijk verlies beteekende. Bovendien gaf deze maatregel
aanleiding
tot geschillen tusschen de boeren van het omliggende
platteland en de
geestelijkheid; genen beriepen zich op de Fransche
verordening, dezen
op de kerkelijke wetten.
28 September 1796 werd bij proclamatie de opheffing der
kloosters en
de ontheffing der kloosterlingen van hun kloostergelofte
bekend ge-
maakt; volgens de Fransche opvatting waren immers kloosters
en kloos-
tergeloften in strijd met de vrijheid! Spoedig mochten nu
ook de reli-
gieuzen de geneugten(?) der „vrijheid“ smaken. Het begon 4
Januari
1797 met de verdrijving der Carmelitessen uit de
Munsterabdij, waar
zij toentertijd gevestigd waren. Gelukkig vonden deze
Zusters een
onderkomen bij de Weduwe Beckers op de Markt. Deze stond
niet
alleen in haar sympathie voor de vervolgde religieuzen;
telkens als er
in de thans aanbrekende vervolgingsperiode iets ondernomen
zou wor-
den tegen de geestelijkheid of de kloosters, verwekte dit
bij de burgers
medelijden met de vervolgden en wrevel tegen de vervolgers.
Groot was
o.a. de vreugde in de stad, toen een pater uit Weert, die 3
October 1796
gevankelijk te Roermond was binnengeleid, door het
vredegerecht werd
vrij gesproken.
In Februari 1797 verscheen een regeeringscommissaris in de
stad om het
besluit betreffende de opheffing der kloosters uit te
voeren. Achtereen-
volgens werden de verschillende kloosters van hun bewoners
beroofd
en de heilige diensten in de daarbij behoorende kerken en
kapellen
gestaakt.
Tevens begon de bemoeilijking der openbare
godsdienstuitoefening en
de belemmering der priesters in de vervulling van hun taak.
26 October
1796 werd Pastoor Matthei het recht ontzegd, de lijken der
overledenen
uit de sterfhuizen in processie af te halen.
De kerk der Minderbroeders moest 23 Februari 1797 op
aandrang der
burgers, - die er zelfs voor naar Maastricht geweest waren
-, weer
geopend worden en de pastoor der parochie droeg er 26
Februari de
H. Mis op met assistentie van de kapelaans Crebber en
Simons. De
pastoor benoemde nu zijn oudsten kapelaan tot rector van
deze kerk
en wees hier twee paters als biechtvaders aan. Ook stelde
hij een pater
aan tot biechtvader in de kerk van het Begijnhof.
22 Mei 1797 werden de priesters opgevorderd binnen den tijd
van tien
dagen een schriftelijke verklaring van onderwerping aan de
wetten
der Fransche Republiek af te leggen, op straffe van geen
kerkelijke be-
diening op Fransch grondgebied meer te mogen uitoefenen.
Met gevoelens van weerzin namen de geestelijken van Roermond
kennis
van deze proclamatie. Onder de Fransche wetten waren er
immers, die
in strijd geacht moesten worden met den Katholieken
godsdienst. Het
kapittel der kathedraal vaardigde nu twee zijner leden naar
de Univer-
siteit van Leuven, naar den aartsbisschop van Mechelen en
den vicaris-
generaal van Antwerpen af om advies. Het antwoord luidde,
dat de
70
een eed af te leggen van haat aan het koningschap en de
anarchie, van
trouw aan de Republiek en aan de grondwet van het jaar 3.
Twee dagen
later kwam een commissaris uit Maastricht de meubelen en
kerksiera-
den der kathedraal inventariseeren, ten einde tot den
verkoop er van
over te gaan. De kerkmeesters en andere brave burgers hadden
inmid-
dels vele van de kerkelijke eigendommen in hun huizen
verborgen. Den
pastoor werd aangezegd, de pastorie binnen eenige dagen te
ontruimen.
Hij vond een toevluchtsoord in het huis van zijn broer.
Het scheen ten slotte, dat de Franschen toch eenig succes
van hun werk
hadden. 29 September 1797 was de kapelaan van Kessenich, de
heer
Fyten, te Roermond den eed komen afleggen. Rijkelijk werd
hij hiervoor
door de Fransche autoriteiten beloond. Verschillende
parochies boden
zij hem aan, waarvan hij de voorkeur gaf aan die van Thorn,
welks
wettige pastoor Ramaekers voor hem plaats moest maken! Maar
de
parochianen waren allesbehalve ingenomen met den hun
opgedrongen
beëedigden pastoor!
Dat de vroegere regent van het seminarie, Dr. Ambrosius
Schmising,
den 12 December 1797 den eed aflegde, kon bij wie van zijn
verleden
wist nauwelijks verwondering baren. Zijn eedsaflegging heeft
den Roer-
mondenaars heel wat moeilijkheden en onaangenaamheden
berokkend,
doch zij hebben het hem vergolden! Wel werden voor Schmising
de
kerken geopend, als hij er de H. Mis wilde lezen, doch het
aantal per-
sonen, dat zijn Mis wilde bijwonen, was zeer klein. Liever
getroostte
men zich den langen weg naar Melick! Doch toen het volk zich
den
tweeden Kerstdag hierheen begaf, werden er tachtig personen
door
gendarmen en huzaren gevangen genomen en naar het stadhuis
ge-
bracht. Hier werden hun namen opgeteekend, waarop zij op
vrije voe-
ten gesteld werden. Wel werd hun nog gevraagd, waarom zij
niet ter
kerke gingen in Roermond bij pater Schmising en of diens Mis
soms
niet geldig was. Zij antwoordden, over de al of niet
geldigheid der Mis
van Schmising niet te kunnen oordeelen, maar aan de bevelen
van hun
bisschop te gehoorzamen; overigens maakten zij slechts
gebruik van de
„vrijheid” door naar Melick te gaan.
Het werd er met dat al voor den beëedigden priester niet
gemakkelijker
op. Toen hij den 28 Januari 1798 in de kathedraal de Mis
wilde lezen,
trof hij hier velen aan, die den Rozenkrans baden.
Nauwelijks evenwel
hadden zij hem gezien, of zij verlieten de kerk, terwijl de
kinderen hem
uitjouwden; slechts een klein getal geestverwanten bleef bij
hem de
Mis hooren. Onderwijl was de politie gewaarschuwd, dat den
priester
overlast werd aangedaan. Tegen het einde der Mis kwamen de
gendar-
men en teekenden de namen op van degenen, die als de
gangmakers
van het incident beschouwd werden. De koster kreeg last, de
kerk
voortaan slechts op verlangen van den heer Schmising te
openen.
Den 30 Januari werd de kerk weer geopend en tevens bekend
gemaakt,
dat al degenen, die „den wettigen bedienaar van den
godsdienst, den
burger Schmising" of de hoorders van zijn Missen zouden
molesteeren,
gestraft zouden worden met geldboete of arrest. De ouders
van de kin-
deren, die zich hieraan zouden schuldig maken, kregen
inkwartiering
72
gevierd werd, moest hulde aan de volkssouvereiniteit
verbeelden. Een
aantal oude lieden werd dan op het stadhuis ontboden en
moest ver-
volgens, vergezeld van de autoriteiten, processiegewijze
rondtrekken.
Gelukkig maar voor de oudjes, dat de zaak ook een meer
praktischen
kant had en zij bij gelegenheid van dat feest goed onthaald
werden!
De viering van het feest van den Landbouw werd den 28 Juni
1798 de
aanleiding tot een anticlericale manifestatie van de zijde
der Fran-
schen. Bij het feest der Dankbaarheid werd op de Markt een
stellage
opgericht, waarop een in het wit getooid beeld prijkte,
voorstellend
de godin der Vrijheid.
Er ligt ten slotte over vele dier gebeurtenissen een min of
meer humo-
ristisch tintje. Wie gevoel voor humor bezat, moet zich in
die dagen
toch wel menigmaal vermaakt hebben met hetgeen zich in het
eertijds
zoo rustige Roermond afspeelde! Niet altijd waren deze
vertooningen
echter zoo ongevaarlijk! Men denke b.v. aan het gebeurde met
het
St. Christoffelbeeld op de kathedraal! Men had het Kindje
van het
beeld willen afnemen. Toen dit echter niet mogelijk bleek,
zonder het
beeld onherstelbaar te verminken, stelde men zich schadeloos
door een
Jacobijnenmuts, de „bonnet van de Republiek“, op den staf te
plaatsen,
dien St. Christoffel in de hand houdt. Verder werd het kruis
van de
kathedraal, evenals van de overige kerken, verwijderd.
In 1798 richtte de wekelijksche kerkgang zich niet meer naar
Melick,
waar men den pastoor immers had gearresteerd, maar naar
Herken-
bosch, dat weliswaar op Fransch gebied lag, doch, daar het
vroeger
Guliksch geweest was, op andere voorwaarden dan het
departement
der Neder-Maas aan Frankrijk was overgegaan.
Wel blijkt uit deze feiten de loyale kerkelijke gezindheid
van de meeste
Roermondenaars! Er bestond immers te Roermond zelf thans
ruim-
schoots gelegenheid, de Missen van onbeëedigde priesters bij
te wonen:
De eed werd namelijk door steeds meer geestelijken afgelegd,
daar ver-
banning, gevangenisstraf en kwelling van allerlei aard het
lot der onbe-
ëedigde priesters was. Zoo legden in Juli 1798 te Roermond
de geeste-
lijken Jochams, Vincken, De Haen en de subprior van het
opgeheven
Kruisheerenklooster Luytgens den eed af. Tot hun verdediging
konden
de beëedigde geestelijken aanvoeren, dat de Paus zich over
deze aan-
gelegenheid nog niet had uitgesproken. Hun gedrag werd
evenwel afge-
keurd door den bisschop, o.a. in een schrijven van 31 Juli
1798 uit Em-
merik. In de maand Maart van het volgende jaar kwam ook de
pause-
lijke breve aan, die in strenge bewoordingen den eed
afkeurde en de
getrouwheid der Belgische bisschoppen, die zich voor de
goede zaak
de grootste offers getroostten, prees. Deze breve maakte
diepen indruk
op de Roermondsche geestelijkheid, en toen bisschop Van
Velde van de
beëedigde priesters uit zijn diocees een herroeping van den
eed eischte,
gaven velen hieraan gehoor.
Troostvol was deze steun van de zijde der kerkelijke
Overheid voor
het volk, waar de Franschen zich de grootste moeite gaven,
zijn trouw
aan het wankelen te brengen. Zoo werd den 15 Juli 1798 van
de bewo-
ners van het wees- en armenhuis geëischt, dat zij de Mis der
beëedigde
74
de verkiezing van de Roermondsche moedervergadering
voor ongeldig
verklaard. De scissionnairen hadden intusschen de agenda
afgewerkt
en een hunner, Jacques Quisthout, tot president van het
kanton ge-
kozen.
In 1799 kreeg de politieke constellatie in Frankrijk een
geheel ander
aanzien. Napoleon Bonaparte, die zich op jeugdigen leeftijd
van artil-
lerieofficier tot generaal had weten op te werken en als
legeraanvoer-
der in 1796 en '97 op de Oostenrijkers schitterende
overwinningen in
Italië behaald en daarna de Engelschen in Egypte had
bestreden, was
den 8 October 1799 vrij onverwacht hieruit teruggekeerd om
zich den
10 November door middel van een staatsgreep van de regeering
mees-
ter te maken. Volgens de nieuwe constitutie van 13 December
1799,
die het gevolg was van deze veranderingen, werd Napoleon met
den
titel van „Eerste Consul” het middelpunt der nieuwe
regeering, welke
overigens bestond uit twee andere Consuls, het Wetgevend
Lichaam,
het Tribunaat, den Staatsraad en den Senaat.
Een nieuw stelsel van verkiezingen werd ingevoerd voor de
Fransche
vertegenwoordigende lichamen. Alle Franschen, waartoe de
Roermon-
denaars natuurlijk ook gerekend werden, in het geheel
ongeveer zes
millioen, wezen een tiende gedeelte hunner aan voor de lijst
van ge-
meentelijke notabelen; de ongeveer 600.000 burgers, die
daarop voor-
kwamen, benoemden een tiende gedeelte hunner voor de lijst
van de-
partementale notabelen; deze ongeveer 60.000 burgers wezen
weer een
tiende gedeelte hunner aan voor de lijst van nationale
notabelen. Uit
de gemeentelijke notabelen werden de arrondissements- en
gemeente-
magistraten gekozen, uit de departementale notabelen de
departements-
bestuurders en uit de lijst van nationale notabelen koos de
Senaat de
leden van het Tribunaat en van het Wetgevend Lichaam. In dit
laatste
kreeg het departement der Neder-Maas 2 zetels, die bezet
werden door
Hubar en Roemers.
De verdeeling der administratie in departementen en deze
weer in
arrondissementen bleef gehandhaafd, terwijl de beteekenis
van de kan-
tons in hoofdzaak beperkt werd tot de rechtspraak. Voor de
admini-
stratie voerde men het stelsel van gemeenten in, ook voor
plaatsen van
minder dan 5000 inwoners, zooals Roermond. De stad kreeg nu
een
maire, twee adjuncten en een municipalen raad van 20 leden.
De vroe-
gere municipale agenten werden afgeschaft; hun werkzaamheden
wer-
den waargenomen door den maire en de adjuncten. Slechts
eenmaal per
jaar, op den 4 Februari en voor niet langer dan 15 dagen,
mocht de
municipale raad bijeenkomen. Den 9 Juni 1800 werd het nieuwe
ge-
meentebestuur van Roermond door den onderprefect van het
arrondis-
sement geïnstalleerd.
In het godsdienstige leek het bewind van Napoleon
aanvankelijk een
voortzetting van de vroegere anticlericale richting. Maar
allengs trad
er verbetering in. De meeste verbannen priesters mochten
terugkeeren;
slechts werd van hen een eed van trouw aan de grondwet
geëischt. De
viering der décadi werd praktisch niet meer verplichtend
gesteld door
de bepaling, dat de bijwoning der officieele voorlezingen
slechts voor
76
ingehuldigd. Kort daarop begon hij de visitatie van
zijn bisdom; 31 Oc-
tober verscheen hij te Roermond.
Hoe langer hoe meer werd de persoon van Napoleon het
middelpunt,
waarom heel het staatkundig leven zich bewoog. 18 Mei 1804
liet hij
zich tot keizer der Franschen uitroepen en den 2 December
werd hij
door den Paus, die hiervoor naar Parijs gekomen was, als
zoodanig
gezalfd. Het volgende jaar voegde de groote veroveraar aan
den kei-
zerstitel dien van „koning van Italië” toe. In de officieele
stukken, die
te Roermond ontvangen werden, kon men met diepen eerbied
hooren
gewagen van „Zijne Majesteit, den Keizer en Koning, onzen
Doorluch-
tigen Meester". Den 14 Augustus 1805 ontving het
stadsbestuur een
brief van den prefect te Maastricht, waarin een plechtige H.
Mis van
dankzegging bevolen werd, daar de Hemel zich verwaardigd had
aan
Frankrijk een Keizer te schenken, waarvan „la clémence égale
sa valeur
et dont l'esprit égale son courage". Ja, er werd op 15
Augustus 1807 in
den indicateur ter secretarie opgeteekend, dat het dien dag
het ge-
boorte- en naamfeest was van „den grootsten man ter aarde,
onzen
Doorluchtigen Meester". En de Roermondenaars moesten zoo
goed als
andere Fransche onderdanen aan dien Napoleoncultus meedoen;
door
machts- en suggestieve middelen werd deze van regeeringswege
be-
vorderd.
Telken jare kwamen er te Roermond van de prefectuur te
Maastricht
officieele voorschriften betreffende de viering van den 15
Augustus.
Deze datum werd als de geboortedag van Napoleon beschouwd,
of-
schoon latere onderzoekers dezen op 7 Januari willen
stellen. Als
patroonheilige van den keizer werd de H. Neapolis beschouwd,
wiens
naam door de Italianen als Napoleone werd uitgesproken. Het
feest
van dien Heilige viel op den 2 Mei, maar werd met goedvinden
der ker-
kelijke Overheid op 15 Augustus gesteld, den vermeenden
geboortedag
van den keizer. Dit feest moest op hoog bevel in de
Roermondsche
kerken gevierd worden door een plechtige H. Mis met preek,
processie
en Te Deum.
Uit dergelijke en uit tal van andere maatregelen blijkt
Napoleon's in-
menging in kerkelijke aangelegenheden. De bisschoppen waren
in zijn
oogen ten slotte Staatsdienaren, geschikt om onder het volk
orde en
rust te handhaven en het gunstig te stemmen voor zijn
plannen en
ondernemingen. Tal van stukken, door den bisschop van Luik
uitge-
vaardigd, verraden de hand van den prefect van de Neder-Maas
of van
den minister van Eeredienst. Zoo moest de bisschop Napoleon
prijzen
als den redder der menschheid en vooral de door hem gevoerde
oorlo-
gen als rechtvaardig voorstellen. Zelfs moest hij in
September 1805 den
pastoors voorschrijven, dat zij in de kerk, vóór en na de H.
Diensten,
de overwinningsbulletins van het leger moesten voorlezen.
Ook de stedelijke regeering moest herhaaldelijk den lof van
den keizer
verkondigen en alles aanwenden om de vereering van Napoleon
in de
harten der burgers dieper wortel te doen schieten. Telkens
als er een
Napoleonsfeest in zicht was, ontving de Roermondsche
magistraat uit
Maastricht voorschriften over de feestviering. Zoo voor den
15 Augus-
78
adjunct van den maire, - toentertijd Adrien van den
Bergh -, die dit
geld zou uitdeelen aan de armen.
Van zorg voor de armen gaf ook blijk Henri Joseph Michiels
van Kes-
senich, als maire de opvolger van Jacques Quisthout, welke
laatste bij
zijn aftreden het ambt van adjunct kreeg. Vóór zijn
installatie, die op
13 Februari 1808 plaats had, liet de nieuwe maire aan de
armen der stad
driehonderd brooden uitreiken, benevens een gift in geld aan
de ouden
van dagen en kinderen van het hospitium.
Groote zorg droeg de Overheid voor de gevangenen, waarover
de maire
het toezicht hield. De concierge der gevangenis kreeg een in
dit opzicht
nauwkeurig omschreven instructie. Hij moest o.a. den
gevangenen een
goed voorbeeld geven in matigheid, (de gevangenen, die over
geld be-
schikten, konden drank koopen), in zindelijkheid, moest zorg
dragen,
dat iederen ochtend de kamers geveegd, eenmaal per week
geschrobt
en tweemaal per jaar gewit werden. Hij moest zorgen, dat de
zieken-
zaal geregeld ontsmet werd, moest den gevangenen elken
Zaterdag
schoon linnen verstrekken en hun degelijk en voldoende
voedsel geven.
Er werd dus wel naar gestreefd, het lot der gevangenen
menschwaardig
te maken en dat volgens het humane beginsel, dat „er onder
hen vaak
zijn, die meer ongelukkig dan schuldig zijn."
Betreffende de inning der belastingen, die in 1809 meer dan
20.000
francs bedroegen, werd er den 13 November van dat jaar
bepaald, dat
dit door een speciaal daartoe aangestelden ontvanger zou
moeten ge-
schieden. Het ambt werd vergeven aan dengene, die het tegen
de laag-
ste financieele vergoeding wilde waarnemen.
Dienovereenkomstig viel
de keuze op Loomans, die 11/4% van de opbrengst vroeg.
Blijkt dus uit tal van maatregelen, dat de keizerlijke
regeering het wel-
zijn harer onderdanen beoogde, pijnlijk werd men hier
getroffen door
het conflict tusschen Napoleon en den Paus. In 1809 werd
deze zelfs
door den Keizer gevangen genomen en gevankelijk naar Savona,
later
naar Fontainebleau gevoerd. Hier wist Napoleon den 25
Januari 1813
den Paus een nieuw Concordaat af te dwingen, dat zeer
ongunstig was
voor de Kerk. Kort daarop, toen Napoleon het tegen de
afspraak in
had laten bekend maken, herriep de Paus het, waarbij hij
grooten bijval
vond bij de geestelijkheid. Gentsche seminaristen
protesteerden tegen
het onwettig optreden van Napoleon en werden daarom bij een
straf-
bataillon ingedeeld. Over Tongeren, Maastricht en Roermond
werden
zij naar de vesting Wesel gevoerd. Met liefde werden de
seminaristen
te Roermond door de burgerij onthaald en verzorgd. Dokter C.
F. Leurs
behandelde er de zieken onder hen, die naar het hospitaal
werden over-
gebracht, en hij wist bovendien middelen te vinden om hen,
die her-
steld waren, eenigen tijd in het hospitaal te houden en hun
vertrek naar
Wesel zoodoende te vertragen.
Hoogst onaangenaam was ook het militairistisch karakter van
het
Napoleontische bewind. De aanhoudende oorlogen verwekten
onrust
en droefheid. Telkens had men in Roermond oproepingen voor
het
leger, inkwartiering van soldaten, doortocht van
krijgsgevangenen met
de hen begeleidende Franschen. Ieder arrondissement had een
contin-
80
niet kunnen redden! In October is hij in den slag bij
Leipzig door de
legers der Russen, Pruisen, Oostenrijkers en Zweden volledig
verslagen.
Als overwonnene moest de keizer in Frankrijk terugkeeren.
Ook na den ongelukkigen afloop van dezen slag bleef Roermond
hem
gehoorzamen. Nog den 2 December werd er de keizerskroning
van
Napoleon met een plechtige Hoogmis en Te Deum herdacht.
De mogendheden intusschen deinsden er nog voor terug, de
Fransche
grenzen te overschrijden; zij boden den vrede aan op den
grondslag,
dat Frankrijk in het bezit van zijn natuurlijke grenzen zou
blijven.
België wilde men aan Frankrijk laten. Doch de Keizer
aarzelde met zijn
antwoord en weldra was het te laat; tegen het einde van
December 1813
overschreden de verbondenen den Rijn.
Napoleon had van zijn onderdanen nieuwe belastingen
gevorderd en
nieuwe lichtingen van troepen uitgeschreven. Nog hoopte hij
zijn tal-
rijken vijanden weerstand te kunnen bieden!
Reeds in dezen tijd legde Engeland, bij besprekingen
tusschen de ver-
bondenen in hun hoofdkwartier te Langres, zijn bondgenooten
het plan
voor, België met de Nederlanden te vereenigen onder den
prins van
Oranje, ten einde aan de Noordgrens van Frankrijk een
sterken staat
te vormen.
In de eerste dagen van 1814 overschreden de verbondenen de
grenzen
van het Fransche grondgebied, tengevolge waarvan de
Franschen wel-
dra België ontruimden. 11 Januari 1814 traden de Pruisen
onder Von
Bülow de voormalige Oostenrijksche Nederlanden bij
Hoogstraten en
Merxem binnen, terwijl op denzelfden dag de Russen onder
Wintzin-
gerode bij Dusseldorp over den Rijn trokken en eenige dagen
later Luik
innamen.
Den 13 Januari was het hoofdkwartier der Franschen door
Roermond
getrokken en den volgenden dag verlieten zij onder den
Hertog van
Tarente deze stad om er niet weer te keeren. Dienzelfden dag
deelde
de burgemeester Michiels van Kessenich mede, dat den 15
Januari 5000
man van de geallieerde troepen door Roermond zouden trekken
en
den daaropvolgenden dag 2000 man en 800 paarden in de stad
zouden
overnachten; den 17 Januari zouden er 1800 man overnachten.
De bur-
gers moesten zich derhalve gereed houden, aan deze
militairen logies
en voedsel te verstrekken; aan hen, die daarom vroegen, zou
om hun
lasten te verlichten vleesch en brood worden uitgedeeld.
Bij besluit van 4 Februari 1814 stelde de Russische generaal
Wintzinge-
rode voor het departement der Neder-Maas een centrale
gouverne-
mentscommissie in, waaronder dus ook Roermond kwam te
ressortee-
ren. Dit bestuur was echter als voorloopig bedoeld. Immers
12 Januari
1814 was er door de verbonden mogendheden te Basel een
overeen-
komst gesloten betreffende het bestuur der Zuidelijke
Nederlanden,
waarbij het gouvernement van den Neder-Rijn werd ingesteld,
bestaan-
de uit de vroegere departementen van de Roer, de Ourthe en
de Neder-
Maas. Gouverneurgeneraal van den Neder-Rijn werd geheimraad
Sack,
die 10 Maart het bewind op zich nam; Aken was hem door de
mogend-
82
ROERMOND NA DEN
FRANSCHEN TIJD
door
C. PYLS
I. IN NATIONAAL OPZICHT.
E zevende Juni 1815 was voor Roermond een groote
feestdag. Koning Willem I, zich van Brussel naar
's-Gravenhage begevende, koos daartoe den weg over
Luik en Maastricht en bracht dien dag een bezoek aan onze
stad, alwaar Zijne Majesteit geestdriftig en luisterrijk
werd ingehaald.
Nadat de stedelijke regeering den Vorst aan de Roerbrug
hartelijk had
begroet, drong zich de opgetogen menigte om diens rijtuig en
vroeg spon-
taan om de gunst de paarden te mogen afspannen. De Koning
den aan-
drang niet kunnende weerstaan gaf zijne bewilliging en onder
het blijde
gejuich van het jubelende volk trokken duizend armen het
rijtuig langs
de met vlaggen, groen en bloemen versierde straten tusschen
de in
de wapens geroepen en en haie opgestelde burgerij voort tot
aan de
woning van burgemeester Michiels van Kessenich (tegenwoordig
hotel
Kissels) alwaar Zijne Majesteit afstapte.
Zeer stak deze gemoedsstemming der Roermondenaars af bij die
van
1 Januari 1790. „Toen zijn wij alhier door de Staeten
independent ver-
klaert" zegt een kroniek, „ende is sulx ten halftwelf
smorgens door den
Borgemeester Syben gepubliceert sonder eenig acclamatie der
toehoor-
ders." Men voelde als bij intuïtie het hemelsbreed verschil:
toen een
onafhankelijk België .... zonder souverein, thans een
onafhankelijk, alle
Nederlanden omvattend rijk, met aan het hoofd een Koning van
al-
ouden Nederlandschen stam van wien elkeen zich zoo voor
zichzelf als
voor het schoone land de allerschoonste illusies vormde.
Intusschen waren de politieke toestanden in Europa nog
allesbehalve
normaal, en moest de slag van Waterloo nog volgen. Maar
Willem I
zou den droom van Willem den Zwijger en den zijnen tevens in
ver-
vulling zien gaan. Holland en België werden vereenigd tot
één rijk, het
koninkrijk der Nederlanden. In het begin van Maart reeds, na
de be-
kendmaking der onderhandelingen van het congres van Weenen
ten
gevolge waarvan Roermond met België aan Willem I zou
overgaan,
had een deputatie uit Roermond zich gehaast bij Zijne
Majesteit hare
opwachting te maken. Het waren de heeren: „Chevalier
Michiels de
Kessenich, burgemeester, Jean Pollaert, Henri Clout, van
Afferden en
van den Bergh, renteniers en Ant. Burghoff en P. M. Naus,
indus-
trieelen". De opdracht van dit gezantschap was de volgende.
Het
vroegere Fransche departement der Nedermaas zou geografisch
zoo
goed als ongewijzigd een der XVII provinciën van het nieuwe
konink-
rijk uitmaken. Het was toen echter nog een vraag hoe men
deze pro-
84
Het antwoord op die vraag behoort niet tot het bestek
van dit opstel.
In 1830 scheidde zich het zuiden af van het noorden.
Roermond behoor-
de tot het zuiden en kwam toen onder het nieuwe Koninkrijk
België
19 October nog had de Burgemeester aan den Gouverneur
bericht dat
tot 1839.
er niets bijzonders te melden viel. Alleen was 's daags te
voren door
een paar Sittardenaars het gerucht verspreid dat het
garnizoen Maas-
tricht had verlaten in de richting van Breda, hetgeen
aanleiding was
geweest, dat drie of vier personen de Brabantsche cocarde
hadden
opgestoken. Het bericht bleek valsch te zijn en de cocardes
verdwe-
In de raadsvergadering van 26 October 1830 is een circulaire
voorgele-
nen weer.
zen van den commissaris van het provinciaal gouvernement van
België
voor het arrondissement Roermond van den 25sten dier maand,
hou-
dende kennisgeving van de aanvaarding van deszelfs functie,
met uit-
noodiging om, ingeval de regeering mocht aarzelen hare
functie tot de
aanstaande organisatie waar te nemen, daarvan dadelijk
kennis te ont-
vangen en is eenparig besloten tot daaraan te blijven
fungeeren. Zoo
luiden de raadsnotulen. Deze vergadering was echter de
laatste onder
praesidium van burgemeester Jhr. van der Renne. 8 November
d.a.v.
had de eerste onder burgemeester Leclercq plaats. In den
nieuwen raad
was de latere burgemeester dokter C. T. Leurs de eenige die
ook in den
vorigen raad zitting had gehad. 's Anderendaags voegden zich
een
zeventigtal gewapende Roermondenaars bij het legertje van
generaal
Daine, die opdracht had Venlo te bezetten. Na de inneming
van Venlo
keerden zij terug. Een zestigtal anderen hebben in December
d.a.v. de
belegering van Maastricht meegemaakt en zijn na de opheffing
van dat
beleg meerendeels bij de geregelde troepen ingelijfd.
Blijkens schrijven
van den Burgemeester van 26 Maart 1831 heeft Roermond
tijdens de
eigenlijke revolutiedagen geen enkelen vrijwilliger naar
Brussel ge-
zonden.
Onder dagteekening van 14 September 1832 ontving de
gemeenteraad
van den gouverneur der provincie te Hasselt een uitnoodiging
om een
deputatie naar Brussel te zenden ten einde op den 28sten
dier maand uit
handen van den Koning het eerevaandel in ontvangst te nemen
dat
o.a. ook aan Roermond was toegekend. Typeerend voor den
toestand
waarin de stad was komen te verkeeren is wel het antwoord
dat den
gouverneur den 17en d.a.v. werd gezonden. De drapeau
d'honneur werd
beleefd geweigerd. Men beriep zich op den toestand waarin de
stad
door de aanneming door België van de 24 artikelen,
tengevolge waar-
van een gedeelte van Limburg aan Holland zou worden
afgestaan, was
komen te verkeeren en welke door de aanneming van het gedane
aan-
bod slechts verslechterd kon worden. Het zou toch verraad
beteeke-
nen aan het land waaraan de stad was afgestaan en het gevaar
zou
niet denkbeeldig zijn dat het vaandel spoedig aan stukken
zou wor-
den gescheurd en met voeten getrapt.
Als later de economische toestand van Roermond gaat lijden
tengevolge
van de stopzetting van de scheepvaart van de Maas opwaarts
en van
86
noemt men de Limburgsche kwestie. De literatuur
daarover ook in de
stadsbibliotheek is zeer rijk. De lezer lette er wel op dat
de Limburgers
zelven aan die regeling part noch deel hebben gehad en bij
de discussies
daarover in de Staten-Generaal zelfs niet waren
vertegenwoordigd.
Waartoe deze vermelding dient? Een oogenblik geduld. Eerst
even stil-
staan bij een heugelijker gebeurtenis.
Waren de dertiger jaren funest voor Nederland, zij waren zoo
mogelijk
nog funester voor Limburg geweest, dat zich dan ook gouden
bergen
beloofde van den nieuwen politieken toestand, speciaal van
den nieu-
wen Koning, den held van Waterloo, Willem II, en zoo is het
geen won-
der, dat diens ontvangst te Roermond op 13 Juni 1841, bij
zijn bezoek
aan Limburg, zoo mogelijk nog enthousiaster is geweest dan
die van
Willem I. De Raad voteerde met algemeene stemmen een bedrag
van
f 3600,- voor openbare feesten, een bedrag dat naderhand met
ette-
lijke honderden guldens bleek te zijn overschreden.
Uit de raadsnotulen van 29 Mei 1841 noteerde ik
curiositeitshalve het
volgende: „Wordt in den Raad overeengekomen, dat om den
Koning
te ontvangen, de kleeding van de leden van den Raad zal
bestaan
in zwarten rok en pantalon, zwartzijden of satinen vest,
ronden
hoed, witten halsdoek van achter gebonden, hemd met jabot en
dia-
manten speld, zwarte zijden kousen, schoenen met strikken,
witten
neusdoek en cabozetleeren handschoenen, en dat de Raad in
vier of
vijf koetsen den Koning aan de grenzen van de stad zal
tegemoet
gaan". De koninklijke stoet was samengesteld als volgt: Een
deta-
chement marechaussee, een dito lanciers, de stadsregeering
in rijtui-
gen, een detachement lanciers, hunne excellenties de
gouverneur en
de luitenantgeneraal commandant der provincie, een
detachement der
eerewacht, Zijne Majesteit de Koning in rijtuig, een
detachement der
eerewacht, de adjudanten en andere leden van het gevolg des
Konings,
de leden der rechterlijke macht en andere functionarissen in
rijtuigen
en ten slotte twee detachementen lanciers en een van
marechaussee.
De Koning stapte af in de Munsterstraat in het hotel van den
burge-
meester Leclercq. *) Alvorens ten stadhuize aan tafel te
gaan verleende
de Koning den baronstitel aan den arrondissementscommissaris
M.
A. Michiels van Verduynen. Na de opening van het bal met een
polo-
naise in de redoutezaal (Markt 33), om 11 uur des avonds,
ging de
Koning de illuminatie bezichtigen. Tegen 1 uur trok Z. M.
zich terug
ten huize van den Burgemeester wien hij het kruis der orde
van den
Nederlandschen Leeuw verleende. In den morgen van den
volgenden
dag benoemde de Koning Mgr. Paredis apostolischvicaris in
Limburg
tot commandeur derzelfde orde. Om 9 uur verleende Z. M.
audiëntie,
bij welke gelegenheid hij aan den commandant der eerewacht
Frans
baron Michiels van Kessenich een prachtigen ring met
diamanten en
koninklijk naamcijfer ten geschenke aanbood. Daarna heeft de
Koning
nog een bezoek gebracht aan de parochiekerk en het Munster,
in welk
laatste gebouw Z. M. werd rondgeleid door den grooten
weldoener
van dit monument Jhr. K. Simon de Vlodrop.
*) Thans de woning van den
heer Jules Breukers.
88
titeld: „De Limburgsche Kwestie“ door Mr. J. H. G.
Boissevain. (Te
Tiel, bij L. Compagne 1848). De strekking daarvan is de
onvermijde-
lijkheid eener scheiding met Limburg aan te toonen en de
schrijver
slooft zich uit om Nederland ervan terug te houden „deze
jammerlijke
strook gronds, welke den titel van hertogdom voert, zijn
sympathieën
niet heeft, noch iets bijdraagt tot zijn bloei en welvaart,
uitsluitend
tot de Roomsche kerk behoort, een uitwas van het land, dat
zijn beste
sappen verteert" enz .... „tot een Nederlandsch gewest te
verheffen."
Ik laat dit alles voor rekening van den schrijver, meen
echter te mogen
vaststellen, dat daar niet veel meer bij hoeft, om den lezer
te doen be-
sluiten: ik kan er in komen.
Maar het Frankforter Parlement verliep, de Unieplannen
gingen in rook
op en de Bondsdag werd in Mei 1851 hersteld. Tengevolge
echter van
den slag bij Königgrätz of van Sadowa, 3 Juli 1866, viel ook
de Duitsche
Bond uiteen. Luxemburg werd neutraal en Limburg vrij. Bij
tractaat
van Londen van 11 Mei 1867 werd zulks geconstateerd en onze
grond-
wet van 1887 liet bewust „hertogdom" voor Limburg weg.
Niettemin
heeft deze kwestie in de Provinciale Staten van Limburg in
de jaren
1905 en 1906 nog heel wat stof opgejaagd eer in het laatste
jaar door
het gewestelijk bestuur werd besloten de benaming
„hertogdom” weg
te laten en daarvoor „provincie" in de plaats te stellen.
Het leed was
Den 16den December 1918 werd met algemeene stemmen en onder
ap-
geleden.
plaus door den raad der gemeente Roermond, zulks in verband
met sedert
den wereldoorlog ontstane internationale verhoudingen, de
navolgende
motie aangenomen: „De Raad der gemeente Roermond, in
openbare
vergadering bijeen op 16 December 1918, gezien de toenemende
propa-
ganda in een deel der buitenlandsche pers voor de geheele of
gedeel-
telijke inlijving van Limburg bij een ander land,
protesteert met kracht
tegen die actie, spreekt als zijn onwrikbaren wil uit, dat
Limburg blijve
bij Nederland, besluit deze motie ter kennis te brengen van
Harer Ma-
jesteits Regeering en gaat over tot de orde van den dag".
In meer dan een opzicht hoorde men, vooral sedert den
naöorlogschen
tijd, spreken van: „ontdekking van Limburg.” Een gelukkig
verschijnsel!
Terecht schreef Mr. R. de Nerée tot Babberich in het ter
gelegenheid
van het zilveren regeeringsjubileum van Hare Majesteit
Koningin Wil-
helmina door het genootschap Limburg uitgegeven Gedenkboek:
„Lim-
burg heeft voor de geschiedenis van ons volk, vooral in de
laatste jaren,
een zeldzaam gelukkige rol gespeeld; en banden zijn er
gelegd van on-
verwachte sterkte, van ware saamhoorigheid en broederzin
.... Was
het niet het Limburgsche zwarte goud, dat Holland warmde en
ver-
lichtte en 's lands nijverheid voor ondergang behoedde?"
Bij diezelfde heuglijke gelegenheid schrijft J. S. van Veen
uit Arnhem
terzelfder plaatse: „Voor drie en een halve eeuw zijn
Gelderland en
zijn Overkwartier van elkander gescheiden. In een hoogere
eenheid
hebben zij elkander teruggevonden en van die hoogere eenheid
is
Oranje het symbool".
Dat Limburg in de laatste decennia zoozeer de aandacht trok,
daaraan
90
geduurd eer men er algemeen toe kon besluiten van de
nieuwe reeds
onder Jozef II aangelegde en door Bisschop Hoensbroeck
ingezegende
begraafplaats gebruik te maken. Liever wendde men zich naar
Melick,
Odiliënberg, Herten, Horn of Maasniel alwaar nog gelegenheid
was om
de lijken althans op een „kerkhof“ ter aarde te bestellen.
In de kerk
begraven mocht natuurlijk daar ook niet meer. Wie zou zich
thans een
geordende samenleving zonder burgerlijken stand en zonder
bevol-
kingsregister - want ook dit dateert uit den Franschen tijd,
evenals
de nummering der huizen - kunnen voorstellen? Beide
instellingen
toch dragen in belangrijke mate bij tot de maatschappelijke
orde en
zijn van de voornaamste steunpunten der
overheidsadministratie.
Het is hier wel de plaats om even rond te zien en enkele
dingen vast
te leggen. De lezer zal zich dan gemakkelijker een
voorstelling kunnen
maken van wat voorbij is en wat sedert den aanvang der
nieuwste ge-
schiedenis is veranderd.
Dat Roermond is opgekomen met de kloosters en met de
kloosters ten
onder gegaan, is tijdrekenkundig en cum grano salis opgevat
juist. Wat
het eerste betreft zie men in mijn opstel over de kloosters
de beteekenis
voor Roermond voornamelijk van de Munsterabdij. Wat het
laatste
aangaat is het waar, dat Roermond bij den aanvang der
nieuwste ge-
schiedenis in den letterlijken zin van het woord „une ville
morte”
was. De genadeslag was aan de vroeger zoo bloeiende en rijke
stad
toegebracht in de laatste paar decennia der 18e eeuw. Het
verval begon
echter reeds vóór den Spaanschen tijd. In den
Oostenrijkschen tijd is
de beteekenis der stad al tot een minimum gereduceerd en de
gewone
burger hoe langer hoe meer tot armoede vervallen. Toen tegen
het einde
der 18de eeuw nu ook nog de kloosters met den bisschopszetel
en het
kapittel verdwenen, de stad als vesting was opgeheven en met
de op-
heffing der hooge staatscolleges verschillende aanzienlijke
families de
stad verlieten, waren van het oude aanzien nog slechts
steenen resten
als getuigen over.
In den Franschen tijd werden te Roermond de volgende
openbare in-
stellingen gevestigd. De souspréfecture (in het groote huis
op de Markt
genaamd De Beurs), de parochiekerk met twee hulpkapellen, de
recht-
bank van eersten aanleg met het vredegerecht, het
arrondissements-
ontvangerskantoor, het brievenpostkantoor, de
paardenposterij, de
contrôle op de directe belastingen, het bureau central de
bienfaisance,
de strafgevangenis, het douanekantoor, het registratie- en
hypotheek-
kantoor, het hoofdkantoor voor de „vereenigde rechten” en
het kan-
toor van den waarborg voor gouden en zilveren werken.
Bovendien
werd Roermond weer garnizoensplaats en lag er een brigade
marechaus-
see onder bevel van een luitenant. Dat bleef allemaal zoo
goed als
ongewijzigd onder de nieuwe regeering.
Het grondgebied der stad was door de Franschen uitgezet ten
behoeve
van het kadaster dat in 1818 klaar kwam, d.w.z. dat het
grondgebied
na meting en schatting in secties en nummers werd in kaart
gebracht
en geregistreerd, zulks niet alleen ter verzekering van het
eigendoms-
recht, maar ook ten behoeve van de grondbelasting. Er was
voordien
92
over een houten brug over de Roer om van Buitenop het
veer te berei-
ken. Over de Oude Maas lag een houten brug. Ook de
Michielsbrug be-
stond sedert 1805 en verleende toegang tot het Hattemerveld
en het Bui-
ten van den heer H. J. Michiels, die deze brug voor eigen
rekening bouw-
de. En dan de Roode brug of de brug over de Hambeek in den
weg naar
Maastricht? Toevallig is die er op het oogenblik niet. Zij
was door de
Oostenrijkers bij hun vlucht voor de Franschen vernietigd.
Een pont
bood overzetgelegenheid ten koste van betaling ten bate van
de do-
meinen. Het veer over de Maas werd in 1822 verpacht voor f
1050 .-;
de overzetgelegenheid over de Hambeek voor f 1025 .-.
In de ten behoeve van de nieuwe haven in 1819 aangelegde
Roerkade
hebben naast het puin van het hier afgebroken gedeelte der
stadsmuren
volgens de overlevering oude grafzerken mede tot
ophoogingsmateriaal
gediend. „De Ster“ een haven in de Voorstad St. Jacob was
sedert ten
doode opgeschreven.
Om de topografische beschrijving voort te zetten bemerken
wij ter
loops, dat in de gehuchten aan de Kapel in 't Zand, Roer en
de Weerd
in b.v. 1826 samen slechts 34 huizen lagen met
onderscheidenlijk 57, 64
en 41 zielen. In de stad lagen toen 819 huizen met 4662
zielen. Bon en
Kruis waren nog door een arm van de Maas gescheiden. Over de
Brug,
buiten de Kapeller- en buiten de Venlosche poort stond een
windmolen.
Op de Roer lagen vooraan stroomopwaarts links een pel-,
looi- en olie-
molen, rechts een spinfabriek en verderop links een
meelmolen en rechts
een papiermolen. Achter het Klein Hellegat lag het Steel, de
Kartuizers-
boerderij. De Doolhof, een in 1813 aangelegd park met mooi
plantsoen
en met borduur van naamschen steen afgezette bloemperken
strekte
zich uit van Buitenop langs een met boomen beplanten dijk
tot aan den
weg die van uit de St. Jansstraat naar de Stadswei liep.
Buitenop en
Over de Brug, de „voorsteden", werden tot de
stadsagglomeratie gere-
kend. Verschillende huizen lagen leeg, waren tot pakhuizen
ingericht of
afgebroken. De Markt, de schoone markt in 1744 door de Beyer
ver-
eeuwigd, was wel anders dan thans, maar de meeste van de
door den
brand van 1665 gespaarde oude gevels, waren toch reeds
verdwenen,
al waren het nog meestal gesloten huizen die er lagen.
Speciaal de
Grauwe Toren was inmiddels geheel afgebroken. De
Postwicksboog
zou nog toegang verleenen tot de Kerkstraat tot 1906, het
jaar dat ook
de Voogdij met kapel aan het tegenwoordig Wilhelminaplein
zouden
verdwijnen. Van al de oude kloosterkerken diende nog slechts
de Mun-
sterkerk voor den eeredienst. De Minderbroederskerk diende
vooreerst
nog tot profane doeleinden en de H. Geestkerk zou eerlang
worden
afgebroken. Waar het Kruisheerenklooster en dat van
Mariagarde had-
den gelegen, tusschen Kloosterwandstraat, Hamstraat,
Kruisheeren-
straat, Mariagardestraat en Schuitenberg, was nu een open
ruimte, op
de Kruisheerenplaats of het Kruisheerenplein na, dat voor de
oefenin-
gen van het garnizoen diende, als tuingrond bij
particulieren in gebruik,
evenals de plaats ten Noorden van de Karmelitessenstraat.
Het Mun-
sterkwartier - de oude abdij van dien naam - was door een
ring-
muur afgesloten. Daarop lagen behalve de kazerne het „Oud
klooster“
94
afvoer duidt. Het ophalen van haardasch en straatvuil
kon niet beletten
dat de straten niet steeds zindelijk uitzagen zulks vanwege
het vele vee
dat nog in de stad werd gehouden. Met houten of ijzeren
deksels voor-
ziene putten en houten of steenen pompen leverden drinkwater
als van-
ouds. Als vanouds ook was Roermond de marktplaats voor de
dorpen
uit de buurt. Het grondbezit was door secularisatie der
kloostergoede-
ren, voorzoover het niet nog domeingoed was, in particuliere
handen
overgegaan. Voor de gaffels der gilden waren de societeiten
in de plaats
getreden. Aan den opbloei der industrie droeg niet weinig
bij dat na
het najaar 1816 tot einde 1820 zich hier 115 jonge mannen
uit Pruisen
kwamen vestigen, een feit dat door de opheffing van het
gildewezen
mogelijk was gemaakt. Ook de vestiging van andersdenkenden
was
thans mogelijk. Aan de vestiging van protestanten is een
afzonderlijk
hoofdstuk gewijd. De eerste Joodsche familie kwam hier wonen
27 De-
cember 1817. Het was de slager Karel Falck met zijn vrouw en
twee
kinderen. 17 Juni 1853 werd de nieuwe synagoge aan de
Hamstraat
plechtig ingewijd. Voordien hielden de Israëlieten hun
godsdienst-
oefeningen in een pand dat toebehoorde aan de weduwe H. J.
Thissen,
thans de autogarage Royal. De gemeente bezit een wetsrol van
herte-
leer en een antieke koperen lichtkroon. In 1830 telde ze 29,
in 1840 99,
in 1850 141, in 1870 164 leden. Dit aantal dat niet zoolang
geleden nog
90 bedroeg is thans tot ongeveer 50 gedaald. Overigens
behoort de
beschrijving van kerkelijke geschiedenis niet tot dit
opstel, evenmin als
o.m. die van onderwijszaken en sociale aangelegenheden en is
zulks
met publieke werken slechts wel het geval tot aan de
zestiger jaren.
Als ik mijn taak in dien geest opvattend de beschrijving der
stadsge-
schiedenis na den Franschen tijd onderneem, dan wensch ik
allereerst
een eeresaluut te brengen aan de schutterij en het garnizoen
en ver-
volgens een in memoriam te wijden aan het oudgeldersch
archief, beide
voor goed tot het verleden behoorende Roermondsche
gedenkwaar-
digheden.
Van 1816 tot 1830 lagen hier achtereenvolgens in garnizoen:
tot 1819
een bataljon infanterie nationale militie plus een eskadron
van het 4e
regiment lichte dragonders en van 1819 tot begin September
1830 een
eskadron van het regiment lichte dragonders. En in 1830 nog
van medio
September tot einde September bij wijze van temporaire
plaatsing het
depotescadron van het regiment lichte dragonders no. 5 en
van 6 Oc-
tober tot 12 October een detachement van ± 100 man van dat
regi-
ment en ± 150 man infanterie. In Juni 1839 een compagnie
infanterie
uit Maastricht, 1 November 1839 een escadron huzaren, 1
April 1841
een escadron lanciers, 1 November 1843 een escadron jagers
te paard
(Limburgsche Bondscontingent), 1 April een escadron
lanciers, No-
vember 1844 een escadron jagers te paard (Limburgsche
Bondscontin-
gent), 1 Juni 1845 een escadron dragonders, in November 1845
twee
escadrons dragonders, 1 April 1848 bovendien een compagnie
infante-
rie en 1/2 sectie artillerie, 1850 een escadron dragonders.
Van 1855 tot
1860 geen garnizoen; 1860 twee escadrons dragonders, 1 Mei
1861 staf
en twee escadrons dragonders, 1 November 1867 staf en twee
esca-
96
het toentertijd in wanorde achtergelaten oud
gemeentearchief thans
kosteloos voor de gemeente inventariseert. *)
Als wij ons thans even op het terrein van publieke werken
begeven,
dan past allereerst een herinnering aan de poorten, torens,
muren, wal-
len en grachten, welke in dit tijdperk na een eervol
eeuwenoud en
stormachtig verleden een roemloos einde hebben gevonden. Op
1
Januari 1861, zoo meldt het verslag, telde Roermond 1000
huizen bijna
alle van tuinen voorzien. „De omtrek over de wallen, die
thans door
het afgraven en beplanten in aangename wandelplaatsen zijn
herscha-
pen, welke soms teekenachtige punten en vergezichten
aanbieden, is
een half uur gaans .... De stad is thans nog bijna geheel
omringd
door grachten. De laatste wallen - met name tusschen
Maasnielder
en Kapellerpoort - waren in 1843 reeds geslecht." Wat de
beplanting
betreft besloot men in 1863 reeds tot rooiing van populieren
op den
Minderbroederswal en van linden op den wal aan de Venlosche
poort,
omdat ze het uitzicht belemmerden. Er werd aan herinnerd dat
terwille
van bewoners van de „Zwamakerstraat” boomen op de weide
waren
gerooid. Overigens waren de wallen als wandelwegen door
„barrièren'
voor rijtuigen en paarden afgesloten en van rustbanken
voorzien.
Het langst heeft de Exterentoren, vulgo de Kruit- of
Polvertoren, het
uitgehouden, die nog onder burgemeester Brouwers maar niet
weg te
krijgen was. 29 December 1853 werd besloten tot afbraak van
toren en
huis aan de Nielderpoort. Van afbraak van muren wordt het
laatst in
het gemeenteverslag over 1836 volgenderwijs melding gemaakt.
„De
muren tusschen Kapelder en Maasnielderpoorten zijn in 1832,
1833 en
1835 afgebroken. Nu zijn de wallen genivelleerd en de
laatste lente met
vijf rijen Italiaansche populieren beplant uit eigen
kweekerij. Nog een
stuk muur en van de Venlosche tot de Ezelspoort zal één laan
zijn."
De langst bewaard gebleven poorten zijn de Maas- of
Kraanpoort en
de Venlosche poort geweest. De eerste is in den winter van
1835/1836
afgebroken. Zij was niets bijzonders, zegt het
gemeenteverslag, en be-
gon bouwvallig te worden. „Het inkomen der stad eerst somber
is nu
aangenaam. Het afbreken heeft in werkloosheid voorzien en
niets ge-
kost, daar de afbraak de kosten ruimschoots heeft vergoed."
De laatste
is in 1839 afgebroken.
Met opzet gaf ik een overzicht van de wegen welke over
Roermonds
grondgebied liepen. Een gevolg mede van den Franschen tijd
is ge-
weest, dat men cosmopolitischer is gaan denken. De tijd dat
de bis-
schop Roermond niet kon verlaten zonder op vreemd d.w.z.
niet-Oos-
tenrijksch terrein te komen, was immers voorbij. De
Franschen had-
den van de lappendeken, waarop de Iandkaart geleek, welke
het door
hen tot het departement der Nedermaas omgevormde gebied
voor-
stelde, één geheel gemaakt, zonder andere dan
gemeentegrenzen
en dit gewest, (met een brokstuk van het departement van de
Roer), thans Limburg genoemd, strekte zich uit van
Maastricht tot
*) Deze beslissing is van den toenmaligen minister van
onderwijs, kunsten en weten-
schappen, Mr. M. A. M. Waszink, onzen tegenwoordigen
burgemeester.
98
volgenden winter reeds bezweek een gedeelte van den weg
onder de
kracht van den stroom. Het is interessant te vernemen hoe de
bewoners
van de Brugstraat en Over de Brug en andere
medebelanghebbenden
tegen de richting van den nieuwen Maastrichterweg over het
Hattemer-
veld hebben geageerd. Mijn rantsoen noopt mij helaas tot
beknoptheid.
22 November 1849 besloot de gemeenteraad tot aanleg van den
Elmp-
terweg. Dit werk werd weer geheel op eigen kosten
uitgevoerd.
In den aanvang der vijftiger jaren kwamen de
verbindingswegen met
Pruisen over Melick en Herkenbosch, Vlodrop en Posterholt
mede tot
stand. 6 Maart 1848 had de stad daartoe de Kapellerlaan
(1150 el lengte)
aan de Provincie afgestaan met voorbehoud van de boomen en
ver-
plichting om verder den weg tot Melick te verharden met een
bedding
van 20 duim kiezel minstens ter lengte van 400 el en kiezel
af te
staan ten behoeve der verbinding met Pruisengrens over
Melick, Odi-
liënberg en Posterholt. Op de begrootingen 1850 en 1851 vond
ik boven-
dien telkens f 2000,- tot dit doel uitgetrokken. De gemeente
verzette
zich naderhand tegen een aanschrijving van Gedeputeerde
Staten tot
rooiing der middelste rijen boomen der Kapellerlaan op grond
van
dezen gratis afstand en omreden de Kapellerallee de
schoonste wan-
deling der stad uitmaakte. Als nadien de bewoners der laan
om rooiing
der buitenste rijen boomen vroegen, beriep de gemeente zich
op het
sedert den aanleg der laan in 1730 verkregen eigendomsrecht
op een
strook gronds buiten de buitenste boomenrijen.
Opmerking verdient het dat men ook toen reeds meende dat het
Rijk
of c.q. de Provincie de kosten der traversen door de stad
van de
intercommunale wegen zou dragen.
De kiezelwegen waren klaar, maar inmiddels was Roermond
reeds bij
zijn nabuursteden zoo ten Oosten als ten Westen zeer ten
achter ge-
komen door het gemis van „ijzeren wegen” welke intusschen op
ver-
schillende punten onzer landsgrenzen moesten doodloopen.
België had
na zijn afscheiding weldra een spoorwegnet en directe
verbinding met
Parijs en Berlijn. De aanneming der 24 artikelen hebben de
totstandko-
ming van een spoorwegverbinding van de Schelde over Roermond
naar
den Rijn omtrent een halve eeuw vertraagd. Bij zijn
installatie zeide Bur-
gemeester Beerenbroek o.m .: „Vergelijken wij den toestand
van Roer-
mond met dien van voor 25 jaren, men zal moeten erkennen dat
handel
en nijverheid eene vlugt hebben genomen, welke niet was te
voorzien en
waarvan zich de weldadige werking, vooral bij de
neringdoende en ar-
beidende klassen, heeft doen gevoelen; maar zal die
vooruitgang duur-
zaam wezen sluiten wij dan de oogen niet voor de versnelde
middelen
van gemeenschap, die hier en ginds in onze nabijheid tot
stand zijn
gekomen, noch voor de verschillende spoorweglijnen, die
reeds ontwor-
pen zijn of zullen worden; wel stel ik mij niet voor dat al
die projekten
uitvoering zullen erlangen, maar mogt het gebeuren dat deze
of gene
wordt uitgevoerd zonder dat deze stad aan het spoorwegnet,
dat om
zoo te zeggen alle staten van Europa bedekt, wordt
aangesloten, dan
geraken wij in eenen staat van isolement, die bij lateren
tijd de aller-
noodlottigste gevolgen voor onze belangen kan na zich
slepen."
100
met de Limburgsche zustersteden is, dat, terwijl Weert
1 Januari 1853.
Maastricht en Venlo onderscheidenlijk met 1 Mei en 1 Januari
1866
en Sittard met 1 Januari 1880 tot heffing van een
hoofdelijken omslag
of belasting naar het inkomen overgingen, Roermond daartoe
eerst
op 11 December 1909 heeft besloten. Ik zal hier maar weinig
van
zeggen; stilzwijgen, wat dit punt betreft, zou echter een
onvergeef-
lijke leemte in dit opstel beteekenen. Belasting betalen
behoefden
tot aan den Franschen tijd de geprivilegieerde standen niet.
Men
kan zich voorstellen dat men het hatelijk heeft gevonden van
zulk
een privilegie beroofd te worden. Allen gelijk voor de wet
had ech-
ter ook in dezen gelijkheid gebracht. Dat deze gelijkheid
een zware
last werd voor den kleinen man is een gevolg van de
mentaliteit
der wetgevers uit dien tijd. Accijnzen werden door het Rijk,
accijn-
zijn werden door de gemeente geheven op alles en nog wat.
Wat
dit voor de gemeentekas beteekende wordt alleraardigst
geillustreerd
door een rapport dat burgemeester Leclercq in de dertiger
jaren
opmaakte in zake kazerneering van 600 man. In de
Munsterkazerne
zouden 360 man kunnen worden ondergebracht, in de oude
Griffie
(tegenwoordige gevangenis) 330 man en in het oud seminarie
(aan de
Veldstraat) 150 man benevens de infirmerie, heet het. De
gemeente
had echter geen geld om de kazerne in orde te brengen en
deed daar-
om een beroep op de burgerij om de benoodigdheden voor te
schieten.
De Burgemeester berekent daarbij de voordeelen voor de
Gemeente
aldus: 600 man verteeren minstens f 54.750,- of fr.
115.873,- dat is
een kwartje per man per dag. De officieren te weten 1 majoor
aan
fr. 4000,-, 4 kapiteins aan fr. 4 × 2000 is fr. 8000,-, 1e
luitenants aan
12 × 1400 is fr. 16.800,- en de onderofficieren samen fr.
3600,- vertee-
ren totaal fr. 32.400, -. Het rechtstreeksch voordeel voor
de gemeente-
kas bedraagt aan accijnzen naar rato van een liter per man
per dag op
2160 H.L. bier aan 75 centimes per H.L. fr. 1620, -. Ieder
man ontvangt
voor zijn rantsoen 1/4 K.G. vleesch per dag, dat is voor 600
man 182 K.G.
of per jaar 54.600 K.G. à 3 centimes per K.G. maakt fr.
1668, -. Item
het broodrantsoen van 34 K.G. per dag maakt 450 K.G. per dag
en per
jaar 164.250 K.G. aan 1 centime per K.G. is fr. 1642, -. Dan
de rijks-
vergoeding volgens K. B. van 26 Juni 1819 ad fr. 10.150,- of
totaal
fr. 15.050,-, waarbij nog komt een bedrag van fr. 180,- voor
belasting
op den wijn n.l. 17 officieren aan 8 liter wijn per dag of
2920 liter of
rond 30 H.L. per jaar, aan 6 fr. per H.L. Verder bedraagt
het rantsoen
per paard 31/2 K.G. haver, maakt per jaar voor 300 paarden
105.600 K.G.
of 7665 H.L. aan 50 K.G. per H.L. aan 8 centimes per H.L. =
fr. 613,20.
Het rantsoen hooi bedraagt 5 K.G. en stroo 412 K.G. maakt
voor 300
paarden 1500 K.G. hooi en 1350 K.G. stroo per dag of resp.
547.500
en 492.750 K.G. per jaar, samen 1.040.250 K.G. aan 12
centimes per
100 K.G. = fr. 1248,30. In dit alles, besluit de
Burgemeester is niet be-
grepen wat de inwoners aan kamerhuur en de ambachtslieden
aan loon
verdienen.
Hieruit ziet men hoe het gemeentebestuur zich het voordeel
voor de
102
indirecte belastingen kleven, waardoor het vrije
verkeer wordt belem-
merd en de prijzen der belaste voorwerpen ten nadeelen van
den ver-
bruiker worden opgedreven".
De afschaffing der accijnzen zelfs in 1865 is voor den
gemeenteraad
geen aanleiding geweest zijn financieele politiek te
wijzigen. De ge-
meente ging teren op de opbrengst der gasfabriek. Waren in
1868 ter
gelegenheid van het landbouwhuishoudkundig congres hier
schitteren-
de feesten gevierd, in 1890 stemde men dat congres af: „het
gras had
minder opgebracht, de kolen (men denke aan het gas) waren
duurder."
Mr. Louis Baron Michiels van Kessenich toonde in een memorie
op
de gemeentebegrooting van dat jaar aan, dat geen verhouding
meer was
tusschen gewone inkomsten en uitgaven en drong aan op een
inkom-
stenbelasting, terwijl zijn tegenstanders meer rechten
wilden heffen en
voordeelen halen uit een waterleiding en een slachthuis. Bij
de begroo-
ting 1893 zeide de heer Michiels „zoolang er overschotten
uit vroegere
leeningen en baten waren heeft men onbezorgd geleefd zonder
te den-
ken, dat eens die batige sloten zouden verdwijnen en zonder
bedacht
te zijn op tijdige versterking der middelen."
Burgemeester Raupp, pas in functie, zegt dienaangaande bij
de behan-
deling der begrooting 1895 o.a. het volgende: „Wat toch
heeft plaats
gehad gedurende een reeks van jaren? De gemeente ging
diverse geld-
leeningen aan tegen een rente van 41/2% en nam op zich na
een bepaald
aantal jaren, aan te vangen met jaarlijksche aflossingen;
doch zie, als
de tijd van aflossing was aangebroken, besloot men nog maar
wat uit te
stellen met te voldoen aan de opgenomen verplichtingen, want
er wa-
ren geen fondsen om te betalen wat men schuldig was. Men
herhaalde
dit zelfs tot 3 maal toe. Geldleeningen welke thans reeds
alle geheel
hadden behooren te zijn afgelost bestaan nog in haar geheel
en de ge-
meente bleef hooge renten betalen, zoodat de schuldeischers
dat uit-
stel op uitstel wellicht zeer aangenaam vonden. Getuigt die
handel-
wijze echter van een goede financieele politiek? Is het niet
eenigszins
baatzuchtig dat men de lusten der werken geniet, doch ze
door het
nageslacht laat betalen? Hij wil de beantwoording dier
vragen aan ande-
ren overlaten. En wijders naast hooge winsten,
voortvloeiende uit de
exploitatie der gasfabriek, werd weinig of niets uitgegeven
voor open-
bare werken. De rekeningen der laatste 5 jaren toonen aan
dat slechts
f 600,- 's jaars op dezen post verwerkt is. En in het jaar
1893 de kapi-
tale som van zes gulden en 50 cents! Mag men op die wijze
blijven
voortgaan, met andere woorden achteruitgaan?"
Bij de begrooting 1897 zeide dezelfde burgemeester: „Bij
Koninklijke
Boodschap van 11 September 1896, is bedoeld wetsontwerp (de
bekende
wet van 1897, regelende de financieele verhouding tusschen
Rijk en
gemeenten) aan de Tweede Kamer aangeboden en de op 25
Augustus
uitgesproken vrees blijkt maar al te zeer gegrond. Immers
krachtens
de wet van 26 Juli 1885 (Stbl. no. 169) ontvangt de gemeente
Roermond
van het Rijk jaarlijks f 23.104,7812; overeenkomstig het
ontwerp van
wet, zou zij slechts een jaarlijksche uitkeering ontvangen
van f 1,02
per inwoner, en dus circa f 10.000,- minder dan thans, ware
het niet,
104
werd dit ontwerp, eenigszins gewijzigd, door den koning
vastgesteld;
deze wijzigingen bestonden in het volgende: het kiescollege
zoude
bestaan uit 18 leden, van welke een derde gedeelte om de
drie jaren
aftrad; de leden van den raad zouden voor het leven benoemd
wor-
den, maar de eerste benoeming zou door den koning
geschieden. Het
college van burgemeester en schepenen moest om de zes jaren
ver-
nieuwd of herbenoemd worden, in dier voege dat één schepen
na twee
jaren, de tweede na vier jaren en de burgemeester na zes
jaren zoude
aftreden. Den 19den Februari werd het nieuwe bestuur
ingevolge dit
reglement benoemd.
Thans volgt de Belgische tijd. Ingevolge een besluit van het
voor-
loopig bewind te Brussel werd op den 30sten October 1830
door
de notabelen der stad een stedelijk bestuur gekozen,
samengesteld
uit een burgemeester, twee schepenen en zes leden van den
raad en
moest het oude bestuur daarna zijne taak nederleggen. Dit
bestuur
werd, nadat de Belgische gemeente wet op den 30sten Maart
1836 was
uitgevaardigd, door een ander vervangen, dat uit elf
raadsleden be-
stond, waaruit de koning een burgemeester en twee schepenen
be-
noemde. De raad, rechtstreeks verkozen door de meerderjarige
bur-
gers, die minstens 30 franken in de rijkscontributiën
betaalden, zou
zes jaren zitting hebben en om de drie jaren voor de helft
aftreden.
Na 1839 bleef de Belgische gemeentewet van 30 Maart 1836,
wat betreft
het getal leden van den raad, van kracht; de vacaturen
werden echter
aanvankelijk door koninklijke benoemingen en sedert 1
Januari 1843
volgens het bovenvermelde reglement van 5 Januari 1824
aangevuld, tot-
dat eindelijk den 29sten Juni 1851 de thans bestaande wet,
regelende
de samenstelling, inrichting en bevoegdheid der
gemeentebesturen, tot
stand kwam en de verkiezing voor het nieuwe bestuur in
September
van dat jaar plaats had. 1 October d.a.v. had onder
voorzitterschap van
C. F. Leurs de eerste bijeenkomst plaats van den nieuwen
raad welke
verder bestond uit de heeren Bongaerts, logementhouder,
Nijs, contro-
leur van den waarborg, Guillon, notaris, Weickmans, essayeur
van den
waarborg, Jhr. Michiels van Verduynen, rechter, Frencken,
brouwer,
Baudrihaye, koopman, Burghoff, koopman, Beerenbroek, lid Ie
Kamer,
ridder Ned. Leeuw, Dirix, notaris, Mr. Thissen, procureur en
Mr. Le-
clercq, ridder Ned. Leeuw, president
arrondissementsrechtbank.
2 September 1919 zou de eerste vrouw in den Raad zitting
nemen en de
eerste S.D.A.P.'er resp. Mej. M. Haan (nu Mevr. Wed.
Lodewijk-Haan)
en de heer J. C. Sleebe.
De gemeenterekening 1815 houdt in aan gewone inkomsten: fr.
32.933.73.
Hierin zijn begrepen aan opbrengst van gemeenteeigendommen
fr. 10.085,85, van accijnzen fr. 5970,51, aan
meelwaagbelasting fr. 10.616,60
en aan directe belastingen fr. 579,55, namelijk opcenten op
grond- en
personeele belasting. De uitgaven over dat jaar beliepen fr.
26.931,01
waarvan fr. 11.685,33 voor inrichting van kazernen.
De rijksaccijnzen werden anders dan te Maastricht en Venlo
en even-
als ten plattelande bij admodiatie of uitkoop geïnd, dat is
naar kohie-
106
De invoering van het metriek stelsel, mede een vrucht
van den Fran-
schen tijd, vorderde maar langzaam terwijl, als de
Nederlandsche gul-
den de officieele was, de Kleefsche minstens de officieuze
mocht heeten
Hiervandaan de onmogelijkste fracties bij de berekening der
accijns-
belasting b.v. als deze in Nederlandsch geld moest worden
uitgedrukt.
Interessant is het om te zien hoe geldverzendingen ten
behoeve van
de schatkist plaats hadden. Dat schildwachten de wacht
hielden bij den
betrokken agent laat zich begrijpen evenzeer als de
vereischte tegen-
woordigheid van den burgemeester ter verifieering van het
verzondene.
Waar men echter versteld van staat, dat is het aantal zakken
en het
heterogene karakter van den inhoud als b.v. een bedrag van f
25.000,-
naar Maastricht moest worden gezonden. Van de verpachting
der ac-
cijnzen was men in den Franschen tijd teruggekomen. De
bruggeld-
heffing aan de Roode brug, de openbare verlichting en later
de tol-
geldheffing op den Elmpterweg echter werden aanbesteed. In
1863 be-
sloot de Raad tot opheffing van vaste arbeiders. Het is wel
geen wonder
dat dit jaar tevens het eerste is dat in de openbare
raadszittingen de
verkiezingen ter sprake komen en een politieke strijd is
ingeluid, die in
deze gemeente jaren lang met groote heftigheid zou worden
gevoerd,
eerst op wilde wijze, maar sedert 1875, als wanneer bisschop
Paredis
zijn herderlijk gezag in de weegschaal wierp, meer
principieel.
Als de lezer vindt dat de toestanden nog al aartsvaderlijk
waren, dan
vergete hij vooral niet dat ze elders over het algemeen
zeker niet beter
waren. De negentiende eeuw heeft op menig gebied de reinste
meta-
morphose gebracht zoo hier als elders. Geen eeuw heeft
zooveel ingrij-
pende veranderingen in de materieele levensvoorwaarden der
mensch-
heid tot stand zien komen als deze. Handwerk werd vervangen
door
machinalen arbeid. In nijverheid en middelen van verkeer
vonden
stoomkracht en electriciteit toepassing. De laatste honderd
jaar brach-
ten meer verandering in de technische procedé's dan heel de
bekende
geschiedenis. Gaarne zou ik met den lezer den
ontwikkelingsgang wat
Roermond betreft op den voet volgen, doch helaas, dat is mij
niet ge-
gund. Hier als overal echter hebben vooral de pers en het
vereenigings-
leven op politiek en vooral op sociaal en economisch gebied
wonderen
van vooruitgang gebracht. Wat het vereenigingsleven betreft
daarover
schrijft een kundiger hand dan de mijne in dit boek. Over de
pers nog
een enkel woord.
15 Maart 1685 is in onze annalen reeds sprake van
„Saeterdaegsche
gasetten" gedrukt bij Linnert Ophoven alhier. Maar, o
ongunst der
tijden, haar was blijkbaar geen voorspoedig bestaan
verzekerd, im-
mers wij vernamen er verder niets meer van. Losse
publicaties is
het eenige van dezen aard dat sindsdien nog te Roermond ter
perse
gaat. Bij Gruyters in de Schoenmakersstraat verschenen begin
der 19e
eeuw de twee Fransche tijdschriften: „Recueil de Nouvelles“
en „L'Es-
prit du Temps ou Annales politiques et litteraires". In de
eerste helft
der vorige eeuw was een courant voor den doorsneemensch nog
iets
ongewoons. Hier werden bladen voornamelijk uit Brussel en
Maastricht
gelezen. Plaatselijke nieuws- en advertentieblaadjes omtrent
het mid-
108
RECHTERLIJKE EN ADMINISTRA:
TIEVE COLLEGES IN ROERMOND
1232-1794
door
MR. ELISABETH F. J. A. ADRIAANSE
I.
E verheffing van Roermond tot stad in 1232 was
voor haar inwoners niet alleen in zooverre van be-
lang, dat de „villa Ruremunde" ommuurd werd en
daardoor niet langer open lag voor iederen vijandelijken
inval, maar
ook juridisch werd hun positie veel verbeterd. De
verheffingsbrief door
Graaf Otto II van Gelre, bijgenaamd „de Manke“ of „met den
paarden-
voet", aan Roermond gegeven, is niet meer aanwezig, zoodat
nooit meer
met absolute zekerheid is te zeggen wat er in stond en welke
verdere
privileges bij gelegenheid van haar verheffing de nieuwe
civitas van den
Landheer verkreeg. Doch omstreeks denzelfden tijd verleende
Otto II
ook nog aan Arnhem, Harderwijk, Goch en Wageningen
stadsrechten,
welke stadsprivileges onderling zeer groote overeenkomst
vertoonen.
Met behulp van deze privileges en verschillende stukken van
allerlei
aard uit later tijd is men er langzamerhand in geslaagd een
vrij volledig
beeld te krijgen van de inrichting van het bestuur en de
rechtspraak,
zelfs van de eerste tijden van Roermond als „civitas".
Vrij volledig, want van de gegevens is, vermoedelijk door de
groote
branden, die Roermond in 1554 en 1665 geteisterd hebben,
heel wat
verloren gegaan.
Het merkwaardige van de verheffing van Roermond tot stad is,
dat
deze geschiedde door een daartoe onbevoegde. Otto II had
zich het
verleenen van privileges aangematigd, zonder daartoe recht
te hebben,
wat moge blijken uit de verklaring van Hendrik VII,
Roomsch-Koning,
welke deze uitsprak op den in 1310 te Spiers gehouden
Rijksdag, dat
geen vorst of heer eenige plaats mocht begiftigen met
vrijheden of pri-
vilegiën, zonder uitdrukkelijke toestemming van den Koning,
tot wiens
rijk het gebied van bedoelden vorst of heer behoorde.
De verschillende privileges, die de Geldersche graven hadden
verleend,
werden dan ook bij die gelegenheid door den Keizer ongeldig
verklaard,
waarbij tevens aan den Graaf werd gelast de verschillende
diploma's
terug te vorderen en te vernietigen, terwijl hij zorg moest
dragen, dat
er geen een achterbleef, opdat de steden er zich later niet
op zouden
kunnen beroepen. Als gunst kreeg nu de Graaf het door hem
aangema-
tigde recht: het verleenen van privileges. Van deze gunst
maakte
Reinald I terstond gebruik door de steden nieuwe
verheffingsbrieven
te verleenen. Van verschillende steden, zooals Arnhem,
Nieuwstad,
110
te hebben. Zoo zien we in charters van 1240 en 1268 nog
een zevental
schepenen optreden, doch reeds in 1278 is het aantal hunner
tot negen
gestegen en nog later in 1307 schijnen er niet minder dan
dertien sche-
penen te zijn geweest. Maar daarmee was dan ook het maximum
be-
reikt; meer dan dertien schepenen vindt men nergens vermeld.
De namen dezer schepenen waren: Goeswinus de Roderburg,
Henricus
de Crugten, Hermannus de Crana, Conradus de Utenrade, Arnt
de
Hushoven, Johannes Gunteri, Hermanus Domini, Wilhelmus
Gunteri,
Joannes Conradi, Gudo Wolframus, Mathias, Lambertus en
Theodori-
cus. De naam van den toenmaligen schout was Wilhelmus,
dictus Uves
de Parle.
Tot zoover wat betreft het aantal der Roermondsche
schepenen; over
hun functie, wijze van benoeming en zittingstijd moge hier
nog een en
Oorspronkelijk bedisselden Schout en Schepenen alle belangen
van de
ander volgen.
burgerij van Roermond, zoowel de administratie in den meest
uitge-
breiden zin, als de rechtspraak, waarbij de Schout fungeerde
als de
vertegenwoordiger van den Hertog in rechtszaken over
vreemden en
in halszaken. Vermeldenswaard is hierbij, dat door Arnoud
van Gelre
12 Maart 1461 een privilege werd verleend aan de „clercken
ind schoelre
die tot Ruremonde studieren ind ter schoelen staen", dat zij
niet aan
den gewonen wereldlijken rechter zouden zijn onderworpen,
zoodat
hun meesters alleen het recht hadden hen te straffen voor al
hun begane
feilen, met uitzondering van doodslag, geweld en aanslag op
de rechters
of magistraten en voor de schulden die zij eventueel bij de
burgers der
stad zouden hebben gemaakt. Voor deze laatste feiten alleen
kwamen
zij voor de Schepenbank.
De instelling van deze grafelijke Schepenbank maakte een
ander gra-
felijk ambtenaar, den voogd, gedeeltelijk overbodig. Over de
functies
van den voogd kan men van meening verschillen, maar zeker
is, dat hij
rechtspraak uitoefende. Deze rechtspraak nu verloor de voogd
ten deele
door de instelling der grafelijke Schepenbank.
Dat de bevoegdheid van deze rechtsprekende organen niet
scherp om-
lijnd was en er daardoor wel geschillen zijn voorgekomen,
blijkt wel
uit een oorkonde uit het jaar 1244, waarin Otto II, graaf
van Gelre, uit-
spraak deed in een geschil, gerezen tusschen Theodoricus,
voogd van
Roermond, en eenige inwoners der stad over de rechten van en
de
rechtspraak over de mansionarii of litones, behoorende tot
de curtis
Swartbroeck. Nu beweerde Theodoricus over deze litones of
hoorigen
de crimineele rechtspraak te hebben, wat betwist werd door
de be-
doelde burgers. De graaf kwam tusschenbeide en benoemde een
com-
missie, bestaande uit oude schepenen en ingezetenen, om een
oordeel
over deze kwestie te geven.
Nu verklaarde deze commissie, dat de hooge jurisdictie
toekwam aan
de grafelijke schepenbank en de lage jurisdictie aan den
voogd. Theo-
doricus had wel het recht om alle andere gevallen van
buitensporig-
heden en misdrijven zijner laten of bewoners van de
laatgoederen te be-
rechten, maar niet die van vreemdelingen en van personen
buiten de
112
De schepenen werden hoogstwaarschijnlijk door den
Landheer voor
hun leven benoemd, aanvankelijk tenminste, later is daarin
verandering
gekomen en verkregen zij het recht van coöptatie. Maar niet
alleen
kwam er verandering in de wijze van benoeming der
stadsbestuurders,
hun aantal werd ook uitgebreid. Zoo vinden we reeds in het
jaar 1329
gesproken van „burgemeesters, die scepenen en de rait van
Roermond".
Het betrof hier een overeenkomst over het onderhoud van twee
dijken,
welke in de Roer gelegd waren.
Dus reeds binnen een eeuw, wanneer precies is niet meer met
zekerheid
te zeggen, maar stellig in 1329, bleek de aanvankelijke
eenvoudige regee-
ringsvorm niet meer voldoende en onderging het stadsbestuur
een mer-
kelijke uitbreiding. Ook deze nieuwe functionarissen werden
waar-
schijnlijk aanvankelijk door den Landheer benoemd, doch in
een privi-
lege, door Reinald III in 1371 aan de stad geschonken, werd
hierin ver-
andering gebracht en vergunde deze aan „syne lieve stat van
Rure-
monde ende aen syne scepenen ende rait aldair, dat zich die
vurss.
scepenen ende rait alse nu ontsetten suelen ende moegen
eynen anderen
gansen stoel van scepenen ende raiden weder kiesen, welcke
sullen
blijven sitten onontsatt also lange als sy leven". Bij
openvallen van een
zetel, hetzij door overlijden of vertrek, mochten zij „eynen
nieuwen
kiesen ende setten alsoe dicke alse des to duen is." Vóór
het verleenen
van dit privilege zal het dus wel de Landheer geweest zijn,
die deze
bestuurderen benoemde.
Zoo bestaat er ook nog een stuk, van den len November 1351
datee-
rend, met den volgenden omvangrijken titel: „Dyt is onser
stat van
Ruremunde alt heerkommen, recht ende gewoente, dat ons alle
onse
alde heren ind ouch dese lesten van derretijt dat onse stat
yerst gevrijt
wairdt, geswoeren ind geloift hebben onverbreicklich te
halden then
ewelicken dagen tue, alsoe lange als onse stat staen sall",
waarin wel
een verkiezingsregeling van burgemeesters en raden te vinden
is, maar
van een zoodanige der schepenen gezwegen wordt.
Weer een bevestiging van de veronderstelling dat de Landheer
eertijds
de schepenen benoemde.
Dit stuk van 1351 is een in vele opzichten merkwaardig en
belangwek-
kend stuk, waarin bestaand gewoonterecht in schrift wordt
gebracht.
Ten eerste blijkt eruit de samenstelling van het
Roermondsche stads-
bestuur. Dit bestond uit een schout, dertien schepenen, zes
raden en
twee burgemeesters, welke beide laatsten op „sent Peters
avont ten
setell" (21 Februari) telken jare hun rekening moesten
afleggen voor
schepenen en raden. Na het afleggen van de rekening traden
beide
burgemeesters af en werden nieuwe gekozen.
Beiden waren echter terstond herkiesbaar. De eene was de
raits- of
ritzburgemeester, de andere de peiburgemeester. De eerste
presideerde
den raad, vertoont dus in zijn functie overeenkomst met den
tegen-
woordigen burgemeester, en den laatste kan men vergelijken
met den
tegenwoordigen ontvanger; hij had de zorg over de inkomsten
en uit-
gaven van de stad.
114
de besluiten van den Magistraat, dat staat vrijwel vast
zelfs, maar niet-
temin was in 1691 door het overlijden van den schepen Johan
Reinier
Duprée het getal schepenen reeds tot negen geslonken, en na
dien tijd
vindt men ook geen hooger aantal vermeld
Gedurende de jaren 1737-1757 was de Magistraat samengevoegd
met
het Hof van Gelre, hetgeen hieronder nog nader zal worden
besproken.
Behalve de hiervoren reeds genoemde leden van het
stadsbestuur,
Schout, Schepenen en Raden, en twee Burgemeesters, waren er
ook nog
twee Secretarissen en het college der Tienmannen.
Reeds in het oude stuk van 1351 wordt melding gemaakt van
een schrij-
ver, doch dan duurt het lange tijd voor we weer iets van
dezen functio-
naris vernemen. Tot hij in de eerste helft der 16e eeuw
opnieuw in de
bronnen opduikt en dan wel onder den naam van secretaris.
Dan is er
ook niet een, maar zijn er twee secretarissen. Gewoonlijk
waren dit
geschoolde juristen, al of niet in het bezit van een
akademischen graad.
Hun functie is een voortdurende; zij traden niet zooals de
Burgemees-
ters telken jare af, doch werden evenals de Schepenen voor
het leven
benoemd. Vaak werd het ambt van Schepen en Secretaris door
eenzelf-
den persoon vervuld. Hoe precies de verdeeling der
werkzaamheden
der beide stadssecretarissen is geweest, is niet meer
nauwkeurig na te
gaan. De oudste hunner was nevens secretaris der stad tevens
secretaris
van de Staten van het Overkwartier.
In de z.g. Donderdags-Protocollen, zoo genoemd naar den
wekelijk-
schen vergaderdag der Roermondsche Raden, een soort notulen
van die
vergaderingen, vinden wij een besluit van 1694, om één
secretarisplaats
na den dood van den secretaris Arnoldt Collart te
supprimeeren. Even-
wel staat in diezelfde protocollen, dat in het jaar 1698 nog
oneenigheid
was over het vergeven van de tweede secretarisplaats der
stad. Men
hield zich blijkbaar niet aan dat oude besluit.
Nu daareven de Donderdags-Protocollen ter sprake kwamen, is
hier
wel gelegenheid, er een paar woorden over tusschen te
voegen. Het zijn
de handelingen van den Magistraat van Roermond, aangeteekend
door
den Secretaris; zij zijn uitstekend bewaard en nog volledig
intact. Zij
geven ons een beeld van het Stadsbestuur vanaf 1596 tot den
Franschen
tijd. Het hing van het oordeel van den boekenden Secretaris
af of iets
al of niet in de Handelingen werd opgenomen. Het is daardoor
natuur-
lijk mogelijk, dat er voor ons nu belangrijke
aangelegenheden, niet in
zijn vermeld; de Protocollen geven geen getrouw spiegelbeeld
van de
handelingen van den Magistraat. Niettemin krijgen we er wel
een in-
zicht door in de verschillende werkzaamheden van het bestuur
der stad.
Men krijgt zoo nu en dan den indruk, dat de Roermondsche
burgers
zich niet beijverden de geboden en verboden van hun overheid
op te
volgen, daar we soms jaar in jaar uit de herhaling van zoo'n
zelfde
verordening vinden. Zoo b.v. het verbod om St. Martinusvuren
te sto-
ken of St. Janskransen te hangen en stroodaken te hebben en
meer
dergelijke.
De Gilden, die in het algemeen in deze streken geen grooten
invloed
116
De functies van den Raad waren ook van administratieven
aard en
onder dat opzicht dient vermeld te worden het registreeren
van regle-
menten en ordonnantiën van den Vorst komende; hij beval er
de ge-
wone afkondiging van en gaf ze vervolgens over aan de
beambten van
de heerlijke geregten om afgekondigd te worden. Als leenhof
behartigde
het de rechten van den souverein als leenheer, o.a.
registreerde het de
verheffingen, overdrachten en bezwaringen van leengoederen.
Als nieuwe bepaling in de instructie van 1609 komt o.a.
voor, dat de
partijen eventueel voor den Raad zouden moeten verschijnen
om daar
zoo mogelijk, wat men tegenwoordig zou noemen, een schikking
te
De nieuwe instructie bevredigde noch de Staten, noch de
Steden, waar-
treffen.
om de Aartshertogen den Raad opdroegen een voorstel tot
verbetering
te doen. Men kantte zich vooral tegen de vonnissen door de
rechters
ten plattelande gewezen. Daarom werd den 16den September
1613, na
overleg met den souvereinen Raad, de Gedeputeerden van den
Ridder-
stand en van eenige Steden, op aanraden van den Geheimen
Raad een
ordonnantie over de Revisie uitgevaardigd, volgens welke de
vonnissen
in burgerlijke zaken, door Schepenen of Wethouders, Regters
van de
eerste instantie gewezen, bij de eerste kamers van den Raad
voor hoo-
ger beroep of revisie vatbaar waren, indien zij de som van
tweehon-
derd gulden in kapitaal te boven gingen.
Na den Spaanschen Successieoorlog werden aan het Geldersche
Over-
kwartier aan alle kanten stukken ontnomen, zoodat na het
sluiten van
de verschillende tractaten het Oostenrijksch Overkwartier
van Gelder-
land zich niet verder uitstrekte dan Roermond en
aanhoorigheden, de
Dorpen Swalmen, Elmpt, Niederkrüchten, Oberkrüchten en
Wegberg,
de Heerlijkheid Daelenbroek, bestaande uit de dorpen Herten
en Maas-
niel, de Heerlijkheid Weert, bestaande uit de Stad Weert en
aanhoorig-
heden, de dorpen Nederweert en Leveroy en de Heerlijkheden
Wes-
sem en Meyel. In de verschillende afgesplitste deelen werden
aparte
Gerechtshoven opgericht, terwijl in het Oostenrijksch
gedeelte de Sou-
vereine Raad bleef bestaan, in het decreet van Karel VI in
1720 Provin-
ciale Raad van Gelre genaamd, welke benaming echter nooit
door den
Raad is aanvaard. Deze bleef zich tot zijn opheffing
Souvereine Raad
noemen.
De Raad werd toen als volgt samengesteld: een Kanselier
(tevens Luite-
nant der Leenen), twee Raadsheeren van den korten tabbaard
en drie
Raadsheeren van den langen tabbaard, een Fiskaal en eenige
lagere
beambten.
Er moest altijd minstens één Raadsheer van den korten
tabbaard op de
zitting aanwezig zijn.
De nieuwe regeling voldeed echter evenmin. Het liefst had de
Keizer
(Karel VI) zonder veel omslag Hof en Magistraat van Roermond
tot
één College willen versmelten, doch hij zou daarmee in
botsing zijn ge-
komen met de privileges. Daarom werd eerst toestemming door
het
Generaal Gouvernement te Brussel aan de Staten gevraagd,
welke toe-
stemming door deze werd verleend.
118
De tweede Kamer mocht ten getale van drie of vier
Rechters vonnissen,
om de eerste Kamer steeds voltallig te doen zijn.
De beide Kamers traden ook wel vereenigd op, en wel in
crimineele
zaken en voor de behandeling van de collatiën en provisiën
der be-
De Instructie bevatte verder nog tal van voorschriften
betreffende de
dieningen.
geheimhouding aan de Leden van den Raad, de Griffiers - er
was aan
iedere Kamer een Griffier verbonden - en de klerken ter
Griffie op-
gelegd, wraking van de Raadsheeren op grond van te nauwe
bloed-
verwantschap met de partijen, de tractementen van den
Kanselier, de
Raadsheeren, Griffiers, Ontvanger en Deurwaarders, de
zittingsdagen
- dat waren alle dagen behalve de Zon- en Feestdagen -, de
vacan-
tiën, welke duurden van altera Thoma (22 December) tot
altera regum
(7 Januari), van Palmzondag tot beloken Paschen, terwijl met
goedvin-
den van Kanselier en Raden, ook nog een maand vacantie in
den oogst-
tijd werd gegeven.
De advocaten werden bij den Raad beëedigd.
De wijze van procedeeren komt nog in vele opzichten overeen
met de
huidige; de functies van advocaat en procureur werden toen
algemeen
en zoo ook bij den Souvereinen Raad door verschillende
personen
De advocaten bij het Hof genoten vrijdom van zekere
plaatselijke be-
uitgeoefend.
lastingen. Daar hun aantal echter steeds grooter werd, werd
in de
Ordonnantie van 1683 bepaald, dat slechts de tien oudste
advocaten
dezen vrijdom zouden blijven genieten. Hieruit blijkt wel,
dat het totaal
aantal hunner niet klein was, te meer als men de veel
geringere be-
volkingsdichtheid in aanmerking neemt. Hun aantal is
blijkbaar in
den loop der tijden niet afgenomen, want in een almanak van
1794
vinden wij nog 35 advocaten vermeld.
Ook andere voorrechten en titels waarop de advocaten
aanspraak
maakten in hun hoedanigheid, werden hun in 1695 en wel bij
vonnis
van den Raad ontzegd.
De nieuwe regeling, ofschoon deze er niet kwaad uitzag, en
daarbij uit
economisch oogpunt aanbevelenswaardig was, voldeed niet.
Aan de nieuwe Landsvrouwe, Maria Theresia, die in 1740 als
keizerin
Karel VI opvolgde en in 1744 als Hertogin van Gelre plechtig
werd
ingehuldigd, werden vele klachten gericht over het
onvoldoende zijn
van de nieuwe inrichting. Maria Theresia had daar wel ooren
naar; haar
positie was niet sterk genoeg om talrijke ontevreden
onderdanen te
hebben.
In 1750 vaardigde de Keizerin een decreet uit, waarbij zij
verbetering
in den toestand toezegde. De klachten waren vooral hierop
neergeko-
men. Het personeel was te klein in aantal en de renteniers,
goede bur-
gers en kooplieden waren geheel zonder invloed op het
bestuur en de
bedieningen der stad. Daarom zou de tweede Kamer worden
versterkt
met twee Raadsverwanten, jaarlijks uit den stand der
renteniers,
goede burgers en kooplieden te vervullen. Verder zou de Raad
worden
120
welke opstand in het eind van het jaar 1789 de
Keizerlijke Regeering
noodzaakte het land te verlaten.
Een minder aangenaam avontuur beleefde de Kanselier Luytgens
als
gevolg van den opstand. Hij werd n.l. in November 1789 op
last van
Generaal van der Mersch naar Weert gevoerd en van daar naar
Brussel,
waar hij tot het jaar 1791 in bewaring bleef. Met hem waren
tevens
gevangen genomen de Raadsheer en Momboir Stuers en de
Griffier van
der Renne van den Raad van Gelderland. Zij konden reeds in
Februari
1790 terugkeeren. Door de heerschende verwarring werd de
regeerings-
vorm in deze jaren telkens gewijzigd.
20 Mei 1790 werd de Magistraat weer samengesteld als voor de
rege-
ling van 1783.
Reeds 6 December d.a.v. werd, na het verlaten van de
Brabantsche be-
zetting, te Roermond een manifest van Keizer Leopold II, die
inmiddels
Joseph II was opgevolgd, afgekondigd, dat hij de
Constituties en pri-
vileges, die in werking waren onder de Regeering van Maria
Theresia,
zou handhaven.
Na den terugkeer van den Kanselier Luytgens herstelde deze
zoowel
Magistraat als Hof van Gelre, door het aantal opengevallen
plaatsen
weer te doen bezetten.
Spoedig naderde het einde van het Oostenrijksch Bestuur. In
1793
namen de Franschen reeds voor een korten tijd Roermond in,
waarna
de Oostenrijksche troepen het weer heroverden. In 1794
volgde inlij-
ving bij Frankrijk en daarmee hadden de bestaande bestuurs-
en rechts-
instellingen der Stad afgedaan.
III.
Hier dient nog iets te worden opgemerkt over de voornaamste
rechts-
bronnen, die in de latere Middeleeuwen en in den nieuweren
tijd tot het
Fransche bestuur gegolden hebben.
Zooals we reeds vroeger hebben gezien, was het voornamelijk
ge-
woonterecht, later vooral neergelegd in het Alt Heercommen
van de
Stad Ruremonde en de privileges.
In 1531 vaardigde Karel V een Edict uit waarin hij beval
alle costumen
op schrift te stellen. De Ridderstand en de Steden van het
Overkwar-
tier gaven hieraan gehoor en vormden plannen om een ontwerp
te ma-
ken, welke tot een gedeeltelijke uitvoering kwamen. Doch
verschillende
omstandigheden, de voortdurende binnen- en buitenlandsche
oorlogen
waren oorzaak, dat de uitvoering geen verderen voortgang
had, tot ten
slotte in 1611 de Hooge Regeering ingreep en gelastte, dat
er binnen zes
maanden een ontwerp gereed moest zijn en - de stok achter de
deur -
zoo de Steden en Kastelenijen niet gereed waren, zij een
commissaris
zou zenden, die het ontwerp zou maken.
Nu viel den Syndicus van den Souvereinen Raad, Tilman Bree,
de eer
te beurt, om het oorspronkelijk ontwerp na te zien, en met
behulp van
het gewone recht der naburige landstreken, een nieuw ontwerp
samen
122
IV.
Evenals elders bij en door de opkomst der steden verscheen
ook in
Gelderland het instituut van een standenvergadering of
Staten in dien
tijd. Roermond was reeds vroeg de hoofdstad van het
Overkwartier
en als de grootste stad en de tweede in rang in geheel
Gelderland be-
kend. Reeds onder de hertogen hadden die hoofdsteden deel
aan het
landsbestuur; met haar raadpleegde de vorst over de
gewichtigste aan-
gelegenheden en vaak oefenden zij daarop een grooten invloed
uit
Wanneer er over de algemeene belangen moest gehandeld
worden, wa-
ren zij het, die, nevens de ridderschap, ook de kleine
steden opriepen
om haar raadsvrienden ter landdagvaart te zenden; zij
verzekerden de
uitvoering der kwartiersbesluiten en vertegenwoordigden bij
menige
gelegenheid dat gedeelte van het gewest, hetwelk aan haar
den naam
ontleende. De Staten van Gelre en het Graafschap Zutphen
werden
samen vertegenwoordigd door de Bannerheeren,
gemeeneridderschap
en negentien steden. Elk der vier kwartieren, dus ook
Roermond, had
geruimen tijd zijn bijzonderen landdag. De algemeene
landdagvaart was
ten tijde van Karel V nog geen vast college.
De geestelijke stand had in Gelre geen zitting in de
Standenvergade-
ring; alleen Steden en Ridderschap hadden er hun
vertegenwoordi-
gers in.
Bij decreet van 3 November 1687 vaardigde Karel II uit, dat
de Bis-
schop van Roermond, met den Deken en een Kanunnik,
provisioneel
werden toegelaten in de vergaderingen van de Staten als
Kerkelijke
leden.
Reeds 30 October 1688 decreteerde Karel, dat de Staten
zonder de gees-
telijken konden vergaderen. In 1689 werd dit decreet
nogmaals be-
vestigd. De Bisschop pretendeerde evenwel het recht te
hebben aan de
Statenvergaderingen deel te nemen, waar de Staten een paar
maal tegen-
op kwamen, zoo de laatste maal in 1694. Waarschijnlijk heeft
toen de
Bisschop geen verdere pogingen meer aangewend.
De Staten van het Overkwartier zijn onder de Spaansche en
Oosten-
rijksche dynastie blijven voortbestaan.
In de gewichtige aangelegenheden werden de Staten geregeld
geraad-
pleegd. We zagen reeds, hoe de Staten een daadwerkelijk
aandeel heb-
ben gehad in de totstandkoming van het Geldersche Landrecht.
Zoo
ook behoefden de inwoners van het Overkwartier geen
belastingen te
betalen, die niet door de Staten waren goedgekeurd.
In den Spaanschen tijd vertegenwoordigden de Staten nog een
vrij
groot grondgebied; het overkwartier omvatte toen Roermond,
Venlo,
Gelder, Erkelens, Straelen, Wachtendonk, Echt, Nieuwstad en
62 Heer-
lijkheden.
Volgens de kwartierrecessen 1632-1644 zijn de Staten van het
Over-
kwartier tijdens het Staatsche bewind (1632-1637),
vertegenwoordigd
geweest op den Gelderschen Landdag, die te Zutphen werd
gehouden
in 1633. Van eene vertegenwoordiging op latere landdagen is
er geen
spoor. In de jaren 1702-1716 hebben de Staten van het
Overkwartier
124
Brugge en Roermond tot een enkele Kamer met 4
rekenmeesters, 4
auditeurs en 1 griffier, waartoe genomen werden de oudsten
in bedie-
ning, terwijl de superintendant van Roermond eerste
rekenmeester zou
zijn. De eerste vergadering had plaats te Brussel, 29
October 1681; de
superintendant van Roermond of de eerste rekenmeester woonde
deze
vergadering niet bij. De Kamer van Brugge-Roermond moest in
het-
zelfde gebouw, doch in een afzonderlijke kamer als de
Rekenkamer van
Brabant vergaderen. Van 1681 verdween alzoo de Rekenkamer
uit Roer-
mond. Zij was gevestigd geweest in een gebouw, gelegen aan
de tegen-
woordige Lindanusstraat (Hegstraat).
Den 16den Januari 1684 wijzigde Karel II zijn beschikkingen
van drie
jaren tevoren.
De Geldersche Kamer werd gescheiden van de Vlaamsche te
Brugge
en werd vereenigd met die van Brabant. De superintendant van
Gelder-
land zou eerste rekenmeester zijn, doch na zijn dood zou de
oudste
Geldersche rekenmeester slechts rang en zitting hebben na
dien van
Brabant en Luxemburg.
LIJST van de namen van Burgemeesters van Roermond, in
hoofdzaak
ontleend aan de aanteekeningen van wijlen den Heer J. B.
SIVRE.
(Vanaf 1543 zijn deze aanteekeningen vrijwel
aaneensluitend).
Hendrik op 't Oirt, 1329.
Emont van Effelt, 1351.
Willem Kellener, 1447.
Johan van der Kraecken, 1459.
Dederik Hoifft, 1469.
Arnold Neutkens, 1494.
Johan Mereell, 1523.
Palyck van Camphuysen, 1533.
Hendrik van Wessem, 1534.
Wilh. van Huschaeven, 1543, 1558, 1563.
Arend van Dursdaell. 1544, 1549, 1556.
Reyner Hillen, 1546, 1553
Johan van Lom, 1548, 1557.
Johan Drivener, 1554.
Gadert Mereell, 1555, 1559.
Dederik Hoifft, 1561, 1566.
Johan Hillen, 1562
Johan Buegell, 1564.
Lambrecht van Cruchten, 1560, 1565, 1570.
Gerard Kremer, 1567.
Gerard van Hammerstein, 1568. |
Godard Mereell, 1569.
Dederich Koich, 1571, 1575.
Dederik Puytlinch, 1572.
Johan Vinck, 1573.
Andreas Busch, 1574, 1585 †, opgevolgd door Johan
Hillen de jonge.
Frans van Hueckelhoven, 1576.
Korst Ruitzen, 1577
Blesy van Vegersheym, 1578 (usurpator).
Steffen van Herteveldt, 1579
Dederich in den Maen, 1580.
Jacob van Lom, 1581, 1586, 1591.
Johan Hillen de jonge, 1582, 1587, 1594, 1602.
Arent Goltstein, 1583.
Johan van Nederhoven, 1584, 1589
1597, 1603, 1608 †, opgevolgd door Gerhard Cox
Janszoon.
Mr. Johan van Campen, 1588, 1593, 1604.
Goddart van Cruchten, 1590.
Mr. Gerhart Maissen, 1592. |
126
A. H. Th. Michiels van Verduy-
nen, 1820-1822;
Jos. Janssen, 1822-1823.
Jhr. J. A. F. de Pollart, 1824-1828.
G. T. van der Renne, 1829-1830.
J. L. M. Leclercq, 1831-1842.
Jhr. M. F. J. Petit, 1843-1849.
C. T. Leurs, 1849-1856.
L. F. H. Beerenbroek, 1856-1875.
|
Mr. Hubert Joachim Brouwers,
1875-1884.
H. F. Andriessens, 1884-1889.
G. Diepen, 1889-1891.
Mr. Louis Geradts, 1892-1893.
G. R. C. M. Raupp, 1894-1907.
J. L. Th. Sanders 1907-1927.
J. A. H. Steinweg, 1927-1929.
Mr. M. A. M. Waszink, 1929 -.
|
128
had hij, naar alle waarschijnlijkheid zeker in dien
tijd, ook de hoogere
rechtspraak in zijn gebied moeten hebben. Wij houden hem dan
ook
voor een ambtenaar van den graaf van Gelder, een meening,
die door
Everssen en Meulleners in hunne Gemeentewapens van Limburg
en
door Louis baron de Crassier in zijn artikel over de
erfvoogdij in dl. 18
van het tijdschrift „Limburg”, wordt gedeeld. Voor die
meening zou
overigens nog kunnen pleiten het feit, dat in genoemd jaar
1244 de
voogdij reeds in leen werd gehouden van den graaf van
Gelder. Ten
slotte kwam de positie van den oudst bekenden voogd,
Goswinus de
Berentrode, niet overeen met den rang, dien een kerkelijk
voogd ge-
woonlijk had. Goswinus immers behoorde tot de ministeriales,
d.i. de
dienstadel, van den graaf van Gelder, terwijl de kerkelijke
voogdijen
doorgaans slechts aan beduidend hoogeren in rang werden
gegeven.
Of nu de graaf van Gelder oorspronkelijk de kerkelijke
voogdij over
Roermond heeft uitgeoefend is mogelijk, doch zal, althans
voorloopig,
wel een open vraag blijven, bij gebrek aan bronnen, waaruit
dit op te
maken zou zijn
De voogd van Roermond was evenwel in het bezit van een
gedeelte
der tienden en het vergevingsrecht der parochiekerk van St.
Christoffel.
Hoe hij dan als ambtenaar van den graaf in het bezit daarvan
gekomen
is? Dit zou zoo te verklaren zijn, dat n.l. de graaf, die
oorspronkelijk
dit recht en die tienden had, deze, toen hij zijn
plaatsvervanger, zijn
advocatus, te Roermond aanstelde hem met andere rechten het
bezit
daarvan verleende tot diens onderhoud.
De eerste vermelding, in de nog bewaarde oorkonden, van een
voogd is
uit het jaar 1191, in welk jaar Goswinus van Berentrode als
zoodanig
voorkomt. Wij komen naderhand kort terug op de personen, die
het
voogdambt hebben bekleed. Eerst zal het een en ander worden
medege-
deeld over het gebied der erfvoogdij en de daaraan verbonden
rechten.
Er zijn stukken bewaard o.a. uit de jaren 1599, 1608 en
1678, waarin
de grenzen beschreven worden. In de akte, waarbij Johan van
Vlodrop
het vruchtgebruik der erfvoogdij aan zijn vrouw Elisabeth
van Hanxler
toezegt, worden de grenzen wel het duidelijkste omschreven,
waarom
wij ze hier laten volgen: „van de voorss. erffvoegdye
(bedoeld is het
huis van den erfvoogd in de Voogdijstr.) affgaende, die
rechte syde op
nae de Stege, daervan dat naeste huys eertyts geweest is dat
huys ende
die rosmolen van Salwinkel tegens der vooghdye voorss. over
by der
stadswall gelegen ende dye alsoo volgende, ende dan van daer
die Swal-
mestraete af aen die rechte handt tot op die halffstraete te
weten over
off op die zype, tot op die Opperpoort toe tot buyten Op.
Van den
Visscherstoern aen de Roer ende allen die Maescant aff den
geheelen
stroom tot Leeuwen toe".
De grens liep dus vanaf het huis van den erfvoogd langs het
rechter-
gedeelte der Steeg- en Swalmerstraat, Markt, Kraan- of
Opperpoort tot
den Visscherstoren, die bij de monding der Roer lag.
Blijkens de ver-
klaring van 1678 moest men van daar dan een denkbeeldige
lijn trekken
tot den Hornschen toren voor de vaststelling der grens aan
die zijde.
Met de „Maescant" zal wel bedoeld zijn de oude Maas tot aan
Leeuwen.
130
hun oordeel te vernemen enz. De grafelijke boden hadden
geen recht
om de hoorigen, zich op hunne laatgoederen bevindende,
zonder be-
geleid te zijn door den gerechtsbode der erfvoogdij, te
arresteeren.
De voogd werd na de verleening van stadsrechten aan Roermond
lang-
zamerhand verdrongen door de schepenen, maar behield
niettemin
voorloopig nog een vooraanstaande positie. Hij bleef de
„Praefectus
militum", aanvoerder der gewapende burgers, wanneer dezen
den graaf
moesten bijstaan. Zoo vocht de voogd Theodoricus (IV) met de
Gel-
dersche edelen in den slag van Woeringen in 1288, maar werd
gevangen
genomen.
In de rymkronyk van Jan van Heelu betreffende dat wapenfeit
heet het:
„-- Her Geraert van Kelre, ende van
Rumonde
Die
voget: dese bleven alle gevaen."
In lateren tijd was hij ook lid der Staten van het
Overkwartier van Gel-
der. Als riddermatig lid daarvan was hij niet onderworpen
aan de
jurisdictie van den Magistraat van Roermond, ook al woonde
hij daar.
De visscherij van den voogd begon bij den z.g.
Visscherstoren bij den
mond der Roer, tegenover het „Loyehuys“ en ging dan tot het
dorp
Leeuwen. Voor de zalmvisscherij waren in de Maas z.g.
„weren“ aan-
gebracht. Omtrent het recht van veerovergang der beide
Maasarmen
ontstond herhaaldelijk dispuut. In 1610 maakte de voogd van
Binsfeld
een overeenkomst met de stad Roermond, waarin o.a.
betreffende het
veer het volgende werd bepaald. Burgers die 's Zondags of op
feest-
dagen naar de Weerd of over de Maas gingen „spaceeren“
zouden vrij
zijn van veergeld. Zij echter, die voor hun handel
passeerden, moesten
betalen. De Weerd is dus ook toen blijkbaar reeds het
ontspannings-
oord der Roermondsche burgerij geweest. De echtgenoote van
van Bins-
feld, Lucia van Vlodrop, was het met deze overeenkomst
echter geens-
zins eens en protesteerde er heftig tegen, zoodat wij
vermoeden, dat
ze geen effect zal gehad hebben.
Verder had de voogd de „visitatie van verdronken personen
ende sche-
pen". Wat de personen betreft kwam dit hierop neer, dat de
voogd
recht had op de eigendommen van opgevischte en onbekende
personen
en tweedens, dat hij een recht mocht heffen voor het geven
van toe-
stemming tot begraven. Dit laatste maken wij op uit enkele
gegevens,
welke daaromtrent nog bewaard gebleven zijn. Zoo vonden wij
o.a. in
1608 op 26 Maart, dat Peter Dirsen, schipper van Luik,
waarvan een
kind in de Maas onder het gebied van den voogd was
verdronken, aan
dezen een „erkentenisse“ moest geven van 3 kopstukken, een
munt ter
waarde van ± 76 centiemen. Van deze drie werden er echter
twee terug-
gegeven aan den vader, welke ze op zijn beurt weer aan de
armen moest
geven tot lafenis der ziel. Het derde kopstuk behield de
voogd, doch
ook weer om het aan een arme te geven.
Wat met de gerechtigheid op het Elmpterbosch bedoeld wordt
is niet
duidelijk. Is dit wellicht een recht, dat aan de erfvoogdij
gekomen is
van de familie van Vlodrop? In het necrologium van O. L.
Vrouw Mun-
132
hecht. In geen dezer brieven komt de bijvoeging „des
hoeffs tot Assel"
voor.
Hebben wij hier nu te doen met twee laathoven der voogdij?
Eén te
Roermond en één zich noemende „Hoeff tot Assel(t)."? Men zou
ge-
neigd zijn het aan te nemen. Akten, waarin laten der voogdij
van den
hof van Asselt voorkomen na 1467 zijn ons onbekend en na
1500 heet
het kortweg: laten der erfvoogdij van Roermond, zoodat wij
wel kun-
nen aannemen, dat, zoo er oorspronkelijk al twee laathoven
geweest
zijn, deze later tot één vereenigd zijn.
Verder nog enkele namen van stadhouders, laatschepenen enz.
van
de erfvoogdij. In 1558 was Wilhelm Pelser, stadhouder, in
1584 vinden
wij vermeld de laten: Peeter Joesten, Korst Ramaeckers,
Bernt Pelser,
Leonaerdt van Kuyckhoven en den gerechtsbode Claes van
Brughen.
De burgemeester Johan van Nunhem en Jan van Vucht zijn in
1636
laten, terwijl Corn. Henrici toen het ambt van secretaris
vervulde. Dan
verschijnen in 1632 de advocaat Arnold van den Bergh als
scholtis,
Gerard Spe en Jan van Vucht als laten en de procureur Johan
Craen
als secretaris. De voornoemde licentiaat van den Bergh was
in 1674
nog in functie als schout; laatschepenen waren toen Jan
Claessen en
Christ. van Vucht, secretaris was Mom. In de jaren 1687 en
1695 vinden
wij als zoodanig J. T. Telesius. Peter Eckmans en Peter Slex
noemen
zich in 1690 „schepenen“ der erfvoogdij en de advocaat
Portmans was
in 1706 schout. Dat een gerecht, hetwelk zoo langen tijd
heeft gefunc-
tionneerd zijne handelingen heeft opgeteekend ligt voor de
hand, even-
wel is ons geen enkel stuk, tot het archief der erfvoogdij
behoorend,
in handen gevallen.
De erfvoogdij was niet altijd een ideaal bezit. Proces op
proces is ge-
voerd door den erfvoogd tegen de stad. Dan ging het over de
jurisdic-
tie, dan over de visscherij, het veer, de „aanwassen“. Dan
hadden de
varkens van den voogd op de stadsweide gegraasd, over het
houden van
schapen in de Weerd, over pesthuisjes, welke de stad op den
Molen-
griend liet plaatsen. Een lange rij van conflicten schier
zonder einde.
Eindelijk in 1721 gebruikten beide partijen verstand en kwam
er een ein-
de aan de ruzie, die van 1582 af constant geduurd had. Op 18
Maart van
eerstgenoemd jaar kwam een accoord tot stand tusschen de
stad eener-
zijds en J. A., baron de Neerysche, den voogd, anderzijds.
In het kort
komt dit hierop neer. De laatbank van den erfvoogd wordt
opgeheven;
deze staat zijn recht af aan den keizer, regeerder der
Oostenrijksche
Nederlanden. De jurisdictie over de goederen en bewoners der
erfvoog-
dij, zoo binnen als buiten de stad, komt aan de schepenen.
De voogd
behoudt: 1) het jus patronatus (patronaatsrecht) der
kathedraal (paro-
chiekerk), 2) de „leenzaele”. Hiermede schijnt bedoeld te
zijn de leen-
zaal d.i. het leenhof, dat aan de parochiekerk toehoorde. In
de be-
schrijving der rechten van den voogd uit de jaren 1599 en
1608 immers
staat vermeld: „de kerk giffte van de parochie ofte
moederkercke tot
Ruremunde met erffcijns, laeten ende onderleenen". Dat
laeten ende
onderleenen zou dan slaan op „moederkercke“. Ook behield de
voogd
zich in een schrijven d.d. 26 Maart 1721 voor, de
verpachtingen van zijn
134
wien hij het in leen had als behoorende tot de
erfvoogdij, terug-
gegeven. Hij is daar vermeld als „Theodericus de Ruremunde,
dictus
advocatus", wat wel eenigszins vreemd aandoet. Later zijn
deze rechten
weer teruggegeven aan de voogden, die tot in de 18e eeuw in
het bezit
ervan bleven. In 1271 vinden wij voor 't eerst zijn zegel,
dat in dit boek
wordt afgebeeld. Het vertoont in een zuiver heraldisch
schild, een
prachtige gothieke lelie. Het omschrift luidt: „f S.
Theoderici advocati
de Ruremunde". Het meet in doorsnede 5 c.M. Eenzelfde zegel
hangt
nog aan een charter van 1286, zoodat wij mogen aannemen, dat
deze
Theodericus zeker tot dat jaar voogd was.
Theodericus (IV). Naar zijn zegel te oordeelen is dit een
ander geweest
dan de voorgaande. Dit vertoont ook wederom de lelie, doch
meet
slechts 21/2 c.M. in doorsnede en heeft tot omschrift: „S.
Th. advocati
d'Roremod'." Deze Theodericus komt tot 1303 in vele akten
voor. Zoo
ook in een oorkonde van 12 Juni 1288, waarin hij zich
verzoent met de
stad Keulen, wegens zijn gevangenneming in den slag van
Woeringen. Hij
heeft dus vermoedelijk in Keulen gevangen gezeten. Dan
vinden wij nog:
Bernardus van Beggendorf als Roermondsch voogd. In het
register van
het leenhof de Koppelberg, onder Dieteren bij Susteren,
staat als volgt:
„Item advocatus de Ruremunde Bernardus de Begendorp helt toe
leen
sommigh guet geheytten dy tyende op Graet by Swalmen, van
den
huys van Diteren nunc her Wylhem van Vloederop". Wanneer
deze
Bernardus van Beggendorp voogd geweest is valt moeilijk te
zeggen,
aangezien in dat leenregister geen jaar vermeld is. Wij
vinden wel een
Bernardus van Bekendorp in 1276 en in 1277 een Rutger de
Becgendorp
met Tiezo de Kerrike, beide castellani en ridders. In het
jaar 1276, of
daaromtrent, kan hij bezwaarlijk voogd geweest zijn, daar
dit toen
Theodericus (III) was.
Nu rijst de vraag, tot welk geslacht hebben al die
Theoderici behoord?
Baron de Crassier meent, dat het van Daelenbroeck's geweest
zijn.
Hiervoor voert hij op de eerste plaats aan, dat de
heerlijkheid Daelen-
broeck een leen der erfvoogden (niet der erfvoogdij) was,
waarvan zij
eerst in 1440 ten behoeve van den heer van Heinsberg afstand
deden.
Een ander argument is de gelijkheid van het wapen der eerste
erfvoog-
den en dat der Daelenbroecks n.l. de lelie. Dit is m.i. wel
geen heel
sterk bewijs, daar de families v. Wachtendonk, v. Pellant,
Kriekenbeck,
Asselt, van Eyll, Grefrath en Elmpt eveneens de lelie
voerden. Baron de
Crassier veronderstelt dan, dat de erfvoogdij door een
huwelijk van
eene van Daelenbroeck met een van Vlodrop naderhand aan deze
laat-
ste familie gekomen is. Godfried van Vlodrop, die van
1339-1364 voor-
komt, is de eerst bekende voogd uit deze familie geweest.
Hoewel
hieromtrent geen absolute zekerheid bestaat, zouden wij deze
meening
kunnen deelen voor wat betreft de eerste Theodorici, die
voogd waren.
De laatste echter, die wij naar zegel en oorkonden in het
tijdvak 1288-
1303 kunnen plaatsen, kan m.i. reeds tot het geslacht van
Kerken be-
hoord hebben. Reeds uit de gelijkheid der wapens heeft baron
de
Crassier vrijwel zeker bewezen, dat de latere van Vlodrop's
oorspron-
kelijk van Kerken's waren. Hij meent, dat de van Kerken's
zich door
136
De eerste van Vlodrop, dien wij als voogd aantreffen
is:
Godfried van Vlodrop (I), vermeld in akten uit de jaren
1339-1364.
Als voogd komt hij het eerst voor in 1351. Zijne vrouw was
Agnes
(Nesa) van Apeltern.
Godfried van Vlodrop (II). Hij komt voor van ± 1369 tot ±
1405. Zijn
echtgenoote was Sophia van der Nuerstadt (Nieuwstad). Hij en
zijn
zoon Gerard gingen in 1388 een vergelijk aan met de stad
betreffende
het slechten van hun huis Buiten Inop, waarover hiervoor
reeds gespro-
ken is. In de leenregisters van Gelder staat omtrent de
voogdij voor het
eerst het volgende vermeld: „Die voochdye van Rurmund met
erve,
guede, moilen, visscherien ende allen anderen tobehoren,
ende dat huys
tot Dalenbroicke ontfinck her Godert van Vlodrop ridder ao.
1402." Om
verwarring te voorkomen wijzen wij erop, dat hier alleen
genoemd
is het „huys“ te Daelenbroeck, niet de heerlijkheid, waarvan
hiervoor
sprake is geweest. Godfried werd opgevolgd door zijn zoon:
Gerard van Vlodrop (I), welke de voogdij in 1409 ter leen
ontvangen
heeft. Deze Gerard huwde in 1391 met Elisabeth, dochter van
Godart
van Schönau en van een dochter van ridder Aegidius van de
Weyer. Zij
sloten hun huwelijkscontract op 26 November van dat jaar.
Als huwe-
lijksgoed bracht Gerard o.a. mee den hof van Asselt, met de
tienden
van Graet, laten, keurmeden, visscherij, den tol en het
recht van lijn-
paarden op de Maas. Hier is weer sprake van de tienden van
„Graet“
onder Swalmen, die de voogd, Bernard van Beggendorf, vroeger
in leen
hield van den hof Koppelberg onder Dieteren-Susteren.
In 1412 verkocht hij den St. Christoffelberg aan de stad.
Deze bouwde
hierop een molen. Gerard van Vlodrop stierf in 1423 en
legateerde aan
het Munster een aam wijn en aan het broederschap van O. L.
Vrouw, 5
gouden rijders en een waskaars. Zijn vrouw Elisabeth is in
hetzelfde ne-
crologium, waarin ook haar man vermeld staat, op 19 Augustus
inge-
schreven als „Elisabeth de Vlodrop, geheeten van Wynantray
advoca-
tissa Ruremundensis". Zij behoorde n.l. tot een tak der
Schönau's, welke
heer van Wynandsrade waren. Na haar dood kwam de voogdij
aan:
Willem van Vlodrop (I), broeder van genoemden Gerard. In
1429 is hij
het eerst vermeld. Hij was ook drossaard van Wassenberg en
is tot kort
na Juni 1447 voogd gebleven.
Willem van Vlodrop (II), zoon van Gerard en Elisabeth van
Schönau
volgt daarna op. Hij is zijn ouders niet direct opgevolgd,
vermoedelijk
wegens zijn minderjarigheid. Zijn vrouw was Cecilia van
Hamal-Elde-
ren. In 1450 heeft hij een reis naar het H. Land ondernomen
tegelijk
met den hertog van Kleef. Hij bekleedde de functie van
maarschalk van
Gelder en was ook drossard van het ambt van Montfort. In
1492 op
31 Augustus maakte Willem van Vlodrop voor den onderpastoor
van
Montfort, Bernardus van Dulken, zijn testament. Zijn
echtgenoote was
toen ook nog in leven. Tengevolge van den vroegtijdigen dood
van zijn
zoon Gerard in 1480 volgt hem zijn kleinzoon:
Gerard van Vlodrop (II) op. In 1505 verschijnt hij voor 't
eerst in een
akte als voogd. Hij verheft de voogdij eerst in 1529, de
goederen n.l.
tot de erfvoogdij behoorend, schijnen in dezen tijd
gezamenlijk bezit
138
een dochter van Gilis, maitre de camp van den
gouverneur van Roer-
mond. Zij woonden vermoedelijk te Mulbracht, waar
Christoffel op
24 April 1713 overleed. Hij werd echter in de kathedraal te
Roermond
begraven. Zijn goederen kwamen krachtens het hiervoor
aangehaalde
testament aan zijn zoon Conrardus Antonius. Deze stierf
reeds op
11 Juli 1715 aan de pokken op 16-jarigen leeftijd te
Roermond. De pas-
toor teekent bij zijn doodakte het volgende aan: „ultimus
illorum de
Cortenbach de praefectura" (de laatste der Cortenbachs van
de erf-
voogdij). Zijn goederen kwamen nu, volgens het genoemde
testament.
aan zijn neef Max. Hendr. baron van Cortenbachvan Wissen.
Deze
heeft den Donck op 16 Juli 1716 als een afzonderlijk leen,
„gehoort heb-
bende onder het leen der erfvoogdye", voor het Hof van
Gelder ver-
heven. (Leenregisters thans te Brussel).
Jan Albert baron Bouwens van der Boyen, Baron van Neeryssche
is dus
van 1693 de eigenlijke erfvoogd. Hij vernieuwde zijn eed
voor het Hof
van Gelder in 1700 toen hij meerderjarig werd. Ook hij had
niet on-
verdeeld genoegen van zijn erfvoogdij. In 1712 werd het
tweederde
gedeelte der tienden van Roermond, een bezit van den
erfvoogd, voor
2127 gld. geveild. Om van conflicten met de stad af te zijn
staat hij in
1721, zooals wij zagen, den laathof van de erfvoogdij
daaraan af. Uit zijn
huwelijk met Maria E. A. R. baronesse van Gelder-Arcen had
hij negen
kinderen, welke hij na zijn dood in 1728 in finantiëele
moeilijkheden
naliet. In 1731 werd de voogdij dan ook verkocht en werd de
Stad
Roermond, eigenaresse ervan. Op 9 April 1739 is zij
officieel er-
mede beleend. Een goed jaar later wordt de erfvoogdij echter
wederom
teruggekocht door de voogden der minderjarige
Theresia Carolina Bouwens van der Boyen, welke op 30 Mei
1741 stierf,
en opgevolgd werd door haar zuster:
Antoinetta Petronella Raba Bouwens van der Boyen. Zij was
ook
vrouwe van Helden en stierf reeds op 20 Juni 1744. Daarna
werd haar
zuster
Maria Barbara Luc. Em. Bouwens van der Boyen, baronesse van
Nee-
rysche en Helden, de erfvoogdes. Zij was op 3 September 1722
gehuwd
met baron Karel Jos. d'Overschie. In 1746 was genoemde Maria
Bar-
bara gestorven en volgde haar zoon
Jan Albert Renier Ysebrant baron d'Overschie de Neerysche
etc. haar
op als erfvoogd van Roermond. Deze was gehuwd met Maria
Isabella
Jos. van Nassau-Corroy. Hij stierf op 22 Mei 1774, waarna
Maximiliaan Emmanuel Mar. Jos baron van Overschie van
Neerysche,
de laatste erfvoogd werd van Roermond. Hij huwde 6 Augustus
1800
Maria Th. I. C. L. gravin d'Argenteau d'Ochain, en stierf 30
Mei 1819.
Zijne weduwe hertrouwde Joseph M. J. S. C. Gh. baron van der
Linden
d'Hoogvorst.
Hiermede eindigen wij deze korte uiteenzetting van een
instelling, die
voortgekomen uit de middeleeuwen, tot den huidigen dag nog
in zeke-
ren zin voortbestaat, al is 't ook slechts in den titel van
„erfvoogd van
Roermond", die de familie d'Overschie is blijven voeren.
140
ingesloten door gebied, dat onder het gezag stond van
den bisschop
van Luik. Dat was vooral hierdoor gekomen, dat het zich ten
slotte
had moeten beperken tot die streken, waarvan Philips II de
heerscher
was. De andere vorsten, wier gebied tusschen dat van Philips
verspreid
lag, hielden vast aan hun oude bisschoppen. Zoo maakten o.a.
het twee-
heerig Maastricht, het Guliksche Sittard, het Luiker
graafschap Horn
en het Kleefsche Gennep geen deel uit van het eerste
Roermondsche
bisdom.
Van het begin tot de opheffing zijn er in het geheel
veertien bisschop-
pen geweest. Ziehier hunne namen en bestuursjaren: Willem
van der
Lindt of Lindanus, 1563-1588; Hendrik van Cuyck of Cuyckius,
1596-
1609; Jacobus van den Borgh of a Castro, 1611-1639; Andreas
Creusen,
1651-1657; Eugenius Albertus d'Allamont, 1659-1666;
Lancellot de
Gottignies, 1672-1673; Reginaldus Cools, 1677-1700; Angelus
graaf
d'Ongnies en d'Estrées, 1701-1722; Franciscus Ludovicus
Sanguessa,
1722-1741; Joseph Anselmus Franciscus van Werbrouck,
1742-1746;
Joannes Antonius de Robiano, 1746-1769; Henricus Joannes
Kerens,
1770-1775; Philippus Damianus van Hoensbroeck, 1775-1793;
Johan-
nes Baptista baron van Velde de Melroy, 1794-1801.
Opmerkelijk is het, dat van die veertien bisschoppen slechts
ééne uit
het bisdom zelve afkomstig was, n.l. de voorlaatste:
Philippus Damia-
nus van Hoensbroeck, die een Roermondenaar was van geboorte.
De
eerste drie waren Noord-Nederlanders, de bisschoppen Creusen
en
Kerens Maastrichtenaars, en de overige Zuid-Nederlanders;
van dezen
waren er zelfs vijf te Brussel geboren.
Met uitzondering van Reginaldus Cools, die uit den kleinen
burger-
stand was, waren zij van adel of van deftige, voorname
familie. Vóór
hunne verheffing tot bisschop behoorden zij op vier na tot
de seculiere
geestelijkheid. Reg. Cools n.l. was Dominicaan, Ang.
d'Ognies, Capu-
cijn, Franc. Lud. Sanguessa, Minderbroederrecollect en Henr.
Joh.
Kerens, Jezuiet. De meesten hadden in het Kerkelijk Recht of
in de
Godgeleerdheid een universitairen graad behaald.
De Roermondsche bevolking had slechts één keer het voorrecht
getuige
te zijn van een bisschopswijding, t.w. op 10 Augustus 1721,
toen Franc.
Lud. Sanguessa gewijd werd als coadjutor van bisschop
d'Ongnies. Al
de anderen ontvingen hunne wijding in een groote stad buiten
het
bisdom.
In vergelijking met de naburige bisdommen was het oud
diocees Roer-
mond klein en onaanzienlijk. Daarenboven was het lastig te
besturen,
omdat het in de 17de eeuw voortdurend door oorlogen werd
geteisterd
en in de 18de eeuw zijn grondgebied grootendeels overging
aan Protes-
tantsche Staten, zooals de Republiek der Zeven Vereenigde
Gewesten
en het Koninkrijk Pruisen. Alleen de bisschopsstad met
eenige kleine
plaatsen bleef onder het gezag van Katholieke Oostenrijksche
vorsten,
die in de rechten en verplichtingen traden der Spaansche
koningen.
Ook liet de dotatie van het bisdom veel te wenschen over.
Bij de op-
richting waren weliswaar tal van kloostergoederen aan het
bisdom toe-
gewezen, doch ten gevolge van allerlei omstandigheden was
daarvan
142
Aanvankelijk bestond het Kathedraal Kapittel uit den
bisschop en
negen kanunniken, van wie er drie moesten zijn van adel,
drie doctoren
of licentiaten in het kerkelijk recht en drie doctoren of
licentiaten in
de godgeleerdheid. Later werd het aantal kapittelheeren
uitgebreid ten
gevolge der stichting van nieuwe kanunnikaten door
Peregrinus Vogels,
Nicolaas van Elsrack en Jacobus van Breugel, zoodat er
veertien waren
bij de opheffing van het bisdom.
De kapittelheeren waren verplicht dagelijks de getijden te
zingen in
de kathedrale kerk. Hun kleeding bestond in zwarten talaar
met wit
koorhemd en daarover droegen zij een zwart schoudermanteltje
in den
zomer en een pelsmantel van hermelijn in den winter.
Het kapittel had geen proost. Toen het kapittel van den H.
Geest om-
gezet werd in een kathedraal kapittel, lijfde men de oude
proostdij in
bij het tafelgoed van den bisschop, zoodat de waardigheid
van proost
verviel. Volgens de bulle, die de inrichting van het bisdom
regelde,
moesten er echter vier waardigheidsbekleeders in het
kapittel zijn n.l.
een aartsdiaken, een deken, een scholaster en een
penitencier. De aarts-
diaken komt slechts voor in de eerste vijftig jaren, terwijl
van den
penitencier in het geheel geen spoor te vinden is. De twee
anderen zijn
er geregeld geweest. Van hen stond de deken het hoogst in
aanzien en
de Regeering maakte zelfs aanspraak op het recht hem te
benoemen,
omdat de Koning zich de benoeming van den eersten
waardigheids-
bekleeder na den bisschop had voorbehouden. De scholaster
had niet
meer het bestuur van een school zooals in de middeleeuwen;
hij was als
zoodanig enkel belast met het toezicht op de scholen der
stad en vooral
op die van de kathedraal.
Tot aan de opheffing van het bisdom zijn in het geheel 131
kanunniken
met name bekend. De eerste was bisschop Lindanus en de
laatste Simon
Antoine Magnée, die zijn benoeming ontving, toen de
Franschen reeds
in het land waren. Groot is het aantal geboren
Roermondenaars, die in
het oud bisdom de waardigheid van kanunnik hebben bezeten.
Zij
kwamen voort uit de voornaamste families der stad en onder
hen treft
men zeer verdienstelijke mannen aan zooals Peregrinus
Vogels, den
stichter van nog bestaande studiebeurzen, en Goswijn Frans
de Bors,
den oprichter van het hospitaal generaal.
Daar de bisschop doorgaans verhinderd was persoonlijk recht
te spre-
ken, richtte hij in 1569 te Roermond een kerkelijke
rechtbank op. Deze
droeg den naam van officialaat en was belast met de
behandeling der
geschillen en aangelegenheden van de geestelijken onder
elkaar en van
de geestelijken met leeken. Verder moesten daarvoor alle
zaken worden
gebracht, die betrekking hadden op de tienden, de
beneficies, de testa-
menten, de huwelijken en andere H. Sacramenten.
Het rechtsgebied van het officialaat der bisschopsstad
omvatte alleen
de Geldersche landen van het diocees. Daar de bewoners der
landen
van Cuyck en van Valkenburg niet mochten gedaagd worden voor
rech-
ters, die buiten het land woonden, werden voor hen
afzonderlijke offi-
cialaten opgericht. Het Roermondsch officialaat bestond uit
een offi-
ciaal, een promotor en een griffier of secretaris, die door
den bisschop
144
bij het geloovige volk, om eenige jaren later in
vergetelheid zijn leven
te eindigen.
Wij meenen geen afscheid te kunnen nemen van het oud bisdom
Roer-
mond zonder eenige woorden te wijden aan twee bisschoppen,
wier aan-
denken te Roermond nog bijzonder levendig is, n.l. aan
Willem Linda-
nus en aan Damianus van Hoensbroeck. (Zie afb.)
Willem van der Lindt of Lindanus was de eerste bisschop, die
te Roer-
mond zijn zetel vestigde. Dordrechtenaar van geboorte had
hij reeds
als schrijver en als ijveraar voor het Katholiek Geloof een
grooten
naam verworven, toen hij tot bisschop werd benoemd. Hij
ontving de
H. Wijding te Brussel op 4 April 1563 en het is wel een
teeken der treu-
rige toestanden op godsdienstig gebied, dat er nog zes jaren
moesten
verloopen alvorens hij zich te Roermond kon vestigen. De
gouverneur
en de Staten van Gelderland, de stedelijke magistraat en een
van den
alouden godsdienst vervreemd gedeelte der bevolking waren
niet ge-
negen hem toe te laten. Eerst na de komst van den hertog van
Alva
in de Nederlanden kon hij op 11 Mei 1569 zijn plechtige
intree doen in
de bisschopsstad. In een schitterende processie voerden hem
het Ka-
pittel, de geestelijkheid en de magistraat der stad met een
groote me-
nigte volks onder het luiden der klokken en het daveren van
het ge-
schut naar de rijk versierde kathedrale kerk, waar hij de
Pontificale
Mis zong en bezit nam van zijn zetel. Hij sloeg onmiddellijk
de handen
aan het werk om de kerkelijke tucht te herstellen en om het
voorvader-
lijk geloof, dat langzaam wegkwijnde, op te beuren en het
nieuw leven
in te storten. Hij riep de geestelijkheid bijeen op
jaarlijksche synoden
en trof er nuttige hervormingsmaatregelen, hij zelf nam deel
aan het
eerste provinciaal concilie van Mechelen en hield
persoonlijk de kerke-
lijke visitaties, eerst in het Noordelijk gedeelte en later
in het Zuiden
van zijn bisdom. Daarenboven gaf hij tal van geschriften uit
om de dwa-
lingen te bestrijden en de ware leer te verdedigen.
Het zoo krachtig begonnen hervormingswerk werd echter
jammerlijk
onderbroken in het vierde jaar van zijn bestuur, toen
Roermond ver-
overd werd door de troepen van Willem den Zwijger. Wel was
het den
prelaat gelukt nog tijdig de wijk te nemen naar het Zuiden,
doch toen
hij eenige maanden later, na het aftrekken van den vijand,
terugkeerde,
vond hij de stad grootendeels verwoest, zijn woning
geplunderd en een
groot aantal zijner vrienden gebrandschat of vermoord. Zijn
hofkape-
laan Paulus van Waelwijck was op gruwzame wijze afgemaakt in
het
ijselijk bloedbad, dat de woeste soldaten hadden aangericht
onder de
vrome bewoners van het Karthuizerklooster in de
Swalmerstraat.
De jaren, die nu volgden, waren jaren van onrust en van
voortdurend
oorlogsgevaar: van een geregelde werkzaamheid kon geen
sprake meer
zijn. In 1576 moest hij andermaal Roermond verlaten wegens
de muiterij
der Spaansche troepen. Hij verbleef toen veelal in het
buitenland, be-
zocht Rome en Madrid en behartigde er de godsdienstige
belangen niet
alleen van zijn eigen bisdom, maar ook die van de
Nederlanden en
de omliggende gewesten. Na een afwezigheid van bijna vier
jaar keerde
hij in 1580 terug naar zijn zetelstad. Zijn werkkring had
zich intusschen
146
in de wijsbegeerte te Aschaffenburg en die van de
godgeleerdheid in
het college van den H. Apollinaris te Rome. Na zijn
terugkeer in het
vaderland legde hij zich nog toe op de studie der rechten.
Intusschen
was de jeugdige van Hoensbroeck al geruimen tijd in den
geestelijken
stand getreden en had hij o.a. een kanunnikaat gekregen aan
de dom-
kerk te Spiers. Hij vestigde zich in die stad en won er
weldra alle harten
door zijn rechtschapen en innemend karakter, door zijn
belangloos en
onpartijdig optreden, doch vooral door zijn groote liefde
voor de armen
en de behoeftigen. Men zag hem dan ook zeer ongaarne
vertrekken,
toen hij in 1775 benoemd was tot bisschop van Roermond als
opvolger
van Henricus Johannes Kerens. Na de wijding ontvangen te
hebben uit
handen van den vorstbisschop van Spiers deed hij op 30
October zijn
plechtige intree te Roermond. Met grooten ijver nam hij zijn
bisschop-
pelijke functies waar. Geen inspanning was hem te zwaar,
wanneer het
de belangen gold van zijn diocees. De geestelijkheid en het
volk eerden
hem als een vader en weldoener. Evenals te Spiers zorgde hij
voor de
armen en noodlijdenden en besteedde hij een groot gedeelte
van zijn
inkomsten om hun lot te verzachten. Hij was tevens een
beschermer
van kunsten en wetenschappen, zag zich gaarne door
kunstenaars om-
ringd en bevorderde de beoefening der muziek in de
bisschopsstad. In
den zomer vertoefde hij gewoonlijk op het kasteel Hillenrade
in de
nabijheid van Roermond. Hij kwam dan 's morgens naar de
stad, woon-
de de kerkdiensten bij in de kathedraal, werkte eenige uren
met zijn
secretaris en keerde dan tegen den middag naar het
zomerverblijf terug.
De laatste jaren van het episcopaat berokkenden den bisschop
veel
verdriet en onaangenaamheden. Vooral bedroefden hem de
hervor-
mingsmaatregelen van Keizer Joseph II, die inbreuk maakten
op de
rechten van de kerk. In de Zuidelijke Nederlanden werd ten
slotte
de bevolking zoo ontevreden, dat zij in opstand geraakte en
zich ont-
trok aan het gezag van den verlichten despoot. Roermond
sloot zich
aan bij de partij van den opstand, schafte de gehate
nieuwigheden af
en herstelde alles op den vorigen voet. Joseph II overleed
kort daarna
en de opgestane gewesten keerden weer terug onder de
gehoorzaam-
heid der Oostenrijksche vorsten. Doch slechts voor korten
tijd. In 1792
werd hun Belgisch gebied overweldigd door de Fransche
Republikeinen
en tegen het einde van dat jaar verschenen zij ook te
Roermond. De
bisschop had de wijk genomen naar Pruisisch Gelderland en
bleef er
tot na den aftocht der Franschen in de lente van het volgend
jaar, doch
nauwelijks teruggekeerd overleed hij reeds op 17 April. Zijn
begrafenis
gaf aanleiding tot moeilijkheden, die tot gevolg hadden, dat
de stad
Roermond niet de eer verkreeg het stoffelijk overschot te
bergen van
een zijner beste zonen. Door een plakkaat was er het
begraven in de
kerken verboden en nu liet het kapittel den prelaat
bijzetten op het
koor der parochiekerk van Venlo, dat destijds onder het
bestuur stond
der Staten-Generaal van de Vereenigde Nederlanden. De
grafsteen met
wapens en opschrift, dien de familie liet plaatsen, werd in
1835 dieper
gelegd en door een nieuwen vloer aan het oog onttrokken.
148
van 2 Juni 1840 maakte paus Gregorius XVI van Limburg
een afzonder-
lijk apostolisch vicariaat en tegen het einde van dat jaar
droeg hij het
bestuur daarvan op aan deken Paredis van Roermond met de
waardig-
heid van bisschop van Hirene i. p. i. Aldus werd Roermond
feitelijk
het centrum van het kerkelijk bestuur in Limburg, doch een
formeele
bisschopsstad was het nog niet. Dat werd het eerst in 1853,
toen paus
Pius IX op 4 Maart van dat jaar bij breve „Ex qua die
arcano" de
bisschoppelijke hierarchie in de Nederlanden herstelde. Toen
werd het
bisdom Roermond opgericht als een der vier
suffragaanbisdommen
van de kerkprovincie Utrecht en het kreeg tot grenzen die
van de pro-
vincie Limburg. Mgr. Paredis, de apostolische vicaris, werd
zijn eerste
bisschop. Over dien voortreffelijken leidsman en bestuurder,
die het
grootste gedeelte van zijn leven doorbracht te Roermond,
mogen hier
eenige bijzonderheden volgen. (Zie afb.)
Johannes Augustinus Paredis werd geboren in het stadje Bree,
Belgisch
Limburg, den 28 Augustus 1795. Toen zijn ouders bemerkten,
dat hij
teekenen van roeping tot het H. Priesterschap vertoonde,
lieten zij hem
studeeren, eerst bij den pastoor van Ophoven en later in het
Groot
Seminarie van Luik. Den 7 April 1821 werd hij priester
gewijd door
Mgr. de Méan, aartsbisschop van Mechelen, die zelf in 1817
uit handen
van den laatsten bisschop van Roermond het pallium had
ontvangen.
Daarop volgde reeds 11 Mei zijn benoeming tot kapelaan aan
de Sint-
Christoffelkerk te Roermond, waar hij onder pastoor Matthei
zijn pries-
terlijken arbeid begon. Weldra onderscheidde hij zich door
zijn ijver
in de zielzorg en door zijn goed hart voor de armen. In 1827
werd hij
rector van de hulpkerk van O. L. Vrouw in het Zand en van
daar werd
hij reeds het volgend jaar als pastoor overgeplaatst naar
Herkenbosch.
Ook hier verbleef hij niet lang, daar hij al in Mei 1830
belast werd met
de pastoreele zorg der stad Roermond. De bevolking was met
zijn
terugkeer ten zeerste ingenomen en bereidde hem een
schitterende
ontvangst.
In hetzelfde jaar, waarin Paredis optrad als pastoor in de
veste van
Sint Christoffel, brak de Belgische Revolutie uit en kwam
Limburg, be-
halve Maastricht, voorloopig onder Belgisch bestuur. Die
toestand
duurde ongeveer negen jaren. Het was niet een onder alle
opzichten
gelukkige tijd. De geestelijkheid genoot wel is waar meer
vrijheid, doch
van den anderen kant maakten liberalen en vrijmetselaars het
haar
dikwerf zeer lastig. Pastoor Paredis, die bij het herstel
der dekenaten
in 1833 deken was geworden, wist door beleidvol en
verstandig optre-
den den vrede te bewaren en aller achting en liefde te
verwerven.
Toen onze provincie onder Nederlandsch bestuur was
teruggekeerd,
werd zij tot een apostolisch vikariaat verheven en groot was
de jubel,
toen deken Paredis aan het hoofd daarvan kwam te staan en
tevens
de bisschoppelijke waardigheid ontving. Men was algemeen
verheugd,
niet alleen over de benoeming van een hoog vereerden
geestelijke, maar
ook over het vooruitzicht, dat Roermond weer bisschopsstad
ging wor-
den. Die vreugde uitte zich vooral door een grootsche
feestviering bij
de plechtige bisschopswijding in de Sint Christoffelkerk op
30 Juni 1841.
150
de bisschopsstad. Zijn levenswijs was matig en sober en
daardoor is het
te verklaren, dat hij, ofschoon niet krachtig van gestel,
den hoogen leef-
tijd bereikte van bijna 91 jaren. Hij overleed te Roermond
18 Juli 1886
en hoezeer hij algemeen bemind en geacht was bleek uit de
grootsche
deelneming bij zijn plechtige begrafenis. Hij kreeg een
laatste rustplaats
in een monumentale grafkapel, die voor hem en zijn opvolgers
werd
gesticht midden op de Roermondsche begraafplaats en in de
nabijheid
van het heiligdom van O. L. Vrouw in het Zand. Om zijn
nagedach-
tenis te eeren werd nog in later dagen zijn naam gegeven aan
de Olie-
straat, waar hij als bisschop zijn verblijf had gehad te
midden van het
Roermondsche volk.
Zijn opvolger was Franciscus Antonius Hubertus Boermans
(1886-
1900). Deze was voor de Roermondenaars geen onbekende, daar
hij
eerst 23 jaar als secretaris van Mgr. Paredis en later 8
jaar als plebaan
der kathedrale kerk in hun midden had gewoond. Hij was reeds
in 1885
als opvolger aangewezen, toen hij benoemd werd tot
titulairbisschop
van Thermopylis en tot coadjutor van Mgr. Paredis met recht
van
opvolging. Na zijn dood werd een zoon van Roermond op den
bisschop-
pelijken zetel van zijn vaderstad verheven, n.l. Josephus
Hubertus
Drehmanns (1900-1913). Ook deze was reeds het jaar te voren
aan-
gesteld tot titulairbisschop van Phacusa en tot coadjutor
van zijn voor-
ganger met het recht van opvolging. Na zijn dood werd het
bisdom
gedurende eenige maanden bestuurd door den
vicariscapitularis Mgr
Paulus Mannens, die president was van het Groot-Seminarie.
Eerst in
Maart 1914 werd tot opvolger benoemd Laurentius Josephus
Antonius
Hubertus Schrijnen, die gedurende achttien jaren met
krachtige hand
het bestuur voerde en, door volk en geestelijkheid diep
betreurd, op
26 Maart van dit jaar overleed. Slechts korten tijd te voren
was hem op
zijn verzoek, ter verlichting van zijn zware taak, als
Coadjutor met
recht van opvolging aangewezen Dr. Josephus Hubertus
Gulielmus
Lemmens, titulairbisschop van Cardica. De Heer schenke den
nieuwen
kerkvoogd een vruchtbare werkzaamheid in lengte van dagen!
Ten slotte nog een enkel woord over de bisschoppelijke
residentie, het
Groot-Seminarie en het Kathedraal Kapittel.
Aanvankelijk had Mgr. Paredis geen eigen bisschoppelijk
paleis. Eerst
woonde hij in de St. Janstraat en daarna vestigde hij zich
in een groot
en deftig huis in de Steeg. Eindelijk gelukte het hem een
geschikt pand
met huis en tuin door aankoop te verwerven in de Oliestraat.
Hij
richtte het in tot een waardig bisschoppelijk paleis en
droeg het in
eigendom over aan het bisdom, zoodat het ook de residentie
werd van
zijn opvolgers.
De eerste kerkelijke instelling, die door Mgr. Paredis in
het leven werd
geroepen, was een Groot-Seminarie voor de opleiding en
vorming der
geestelijkheid. Hij vestigde het te Roermond in de gebouwen
van het
voormalig Karthuizerklooster, dat in de Swalmerstraat was
gelegen.
Na de opheffing onder Joseph II was dit klooster tot
verblijf aangewe-
zen aan de Norbertinessen van Houthem-St. Gerlach, om er uit
te
sterven, doch toen het onder het Fransch bewind werd
aangeslagen en
152
UIT HET VERLEDEN VAN
HET KERSPEL RUREGEMUNDE
door
E. JANSSEN C.ss.R.
DE LANDPAROCHIE - DE „MODERKIRCKE“.
E stad is als een Sphinx! Het plaveisel van dezen
bodem en geheel de omtrek zit vol met raadsels.
En het oudste raadsel is de parochie van de „villa"
met haar voogd. Zoolang wij in dien bodem niet veel en diep
kunnen
peilen en graven, zal Roermond een sphinx blijven, die haar
verleden
zwijgend bewaakt.
Het werd voor ons een studie en een ontginning op een zeer
vreemd
terrein, waar geen bouwstoffen waren aangedragen.
Dit geldt vooral voor de thans geheel vergeten oerkerk en
haar onbe-
kende lotgevallen. Want de gerestaureerde grafelijke
Munsterkerk had
als bouwwerk 60 jaar lang zoozeer de aandacht in beslag
genomen,
dat de parochiekerk geheel in de schaduw bleef, en eveneens
alles wat
mét haar ontstaan en samengegroeid was. Misschien zal deze
studie
ertoe bijdragen, om haar weer eens in het centrum der
belangstelling
te plaatsen.
GELOOFSVERKONDIGING. - STICHTING. - PATROON.
De streek rondom „Ruregemund“ moet het eerst gekerstend zijn
door
de Frankische*) missionarissen, die uit het Zuiden kwamen,
en zal ver-
moedelijk gedeeld hebben in het eerste Evangelisatieplan,
dat tusschen
Maas en Roer - o.a. de Jülichergouw, Wassenberg,
Geilenkirchen, ver-
der Erkelenz en de Molengouw omsloot. Keulens diocees reikte
tot
hier; zoodat Ruregemunds parochie in een latere periode komt
te lig-
gen als op een knooppunt tusschen de bezittingen van drie
bisdommen:
- het eene: Maastricht-Tongeren-Luik, in het zuiden; Utrecht
in het
noorden en Keulen, het oudste, in het Zuid-Oosten.
Waterloopen vor-
men meerendeels de grensscheiding van diocees en
landdekenaat.
Er blijkt bovendien na 800 een onmiskenbaar stoffelijk en
geestelijk
verband met Akens Mariastift; een rechtsverband ook met de
Akener
Palts. Terwijl de villa van Echt behoorde aan het Kapittel
van St. Ser-
vaas te Maastricht, had Aken rondom Roermond vele
bezittingen.
Als wij omstreeks 690-700 hier de drie Iro-Schotten, S.
Wiro, Plechel-
mus en Otgerus, den laatste aanvankelijk als diaken,
aantreffen, hetzij
als reisgezellen, of als onmiddellijke voorloopers van S.
Willibrord, -
waarvan wij de twee eersten beschouwen als chorepiscopi
(hulpbis-
schop) zonder vaste residentie, - dan denken wij bij hun
optreden
alhier, aan méér geregelde en gevestigde toestanden dan in
het Noor-
*) en Iersche.
154
De voornaamste punten zijn nog niet, of soms geheel
verkeerd belicht.
Daarom, al is er bij gebrek aan positieve bescheiden en
documenten
een groote lacune in de historie dezer stad, toch wil het
ons voorkomen,
dat het mogelijk is, - naar de Duitsche uitdrukking - dit
„Loch“, _
een groot en „dauernd Loch" - te vullen, maar daartoe is
noodig dat we
én de opvattingen van Sivré, van Everssen en Meulleners e.a.
over dit
oudste tijdvak, én hunne methode loslaten; dat we niet meer
stilzwij-
gend een streep halen door geheel het bestaan en het
karakter van
Roermonds bodem tijdens de Karolingische en ná-Karolingische
perio-
den. Dit gaat o.i. niet meer. Zoo is de stand der kwestie
sinds 1928,
toen wij voor de eerste maal het kerspel in het licht
plaatsten.
INSULA DEI SUPRA MOSAM.
De opgenoemde schrijvers hebben vergeten, dat daar, waar een
Voogd
is, en een insula Dei, tijdelijk staande op naam van de
geheele gemeente,
een Sint Christoffel als kerkpatroon, een kerk met een zóó
groot, nauw-
keurig omschreven „district décimable", (vertiendbaar
district), reeds
in de 11e en 12e eeuw; dat daar deze drie wezenlijke
kenmerken van het
oud kerspel niet later, maar juist vroeger moeten tot stand
zijn geko-
men: m.a.w. een toestand en een instituut, die niet reeds
aanwezig
waren in de 9e eeuw, zouden er ook later niet meer komen.
Overigens in het begrip en in de beschrijving van „insula",
waard en
middelweerd, hebben Everssen en Meulleners, e.a. na hen,
zich ver-
gist. Het gaat hier niet zoozeer om het eiland, - d.i.
alleen maar een
geografisch begrip, - maar om de Christelijke dedicatie of
wijding;
en men denke hierbij aan een insula St. Stephani, -
Stephanswert uit
het Breviarium fisci Caroli Magni - aan de insula Dei bij
Arnhem, aan
Mariënweerd elders, en men late den nadruk vallen op de
geestelijke
schenking, de godsgave, die het oude kenmerk was voor den
gekersten-
den bewoner en den heer: - „De Godsweerd op de Maas.” -
Verder: de verplichting tot het betalen der tienden vestigde
zich defi-
nitief in de eerste jaren der 9e eeuw. Het gebruik zelf
bestond reeds
eerder bij de dotaties onder de Pepijnen. - De kerken nu,
die wij in het
bezit vinden van een groot, goed omlijnd, vertiendbaar
district, kunnen
van niet veel lateren tijd dateeren dan van het
Karolingische tijdvak.
En dat wijzen de grenzen van Roermonds kerspel ook uit. De
opper-
vlakte besloeg circa 1100 bunders, Leeuwen niet
medegerekend.
Letten wij nu op het missiewerk onder de Merovingers, op dat
van
St. Servatius, van St. Lambertus; op de naaste omgeving der
gemeente,
d. i. Herten, Merum, Linne, Wassenberg, Odiliënberg, Asselt,
Maas-
niel, enz. en op de keuze van den Kerkpatroon, den martelaar
St. Chris-
toffel, dan meenen wij de eerste titel- en begraafkerk,
ofwel de eerste
op leekendomein opgerichte bidplaats (oratorium) reeds vóór
800 te
mogen plaatsen.
Zéér vroeg immers was het de gewoonte, wanneer tot het
cultiveeren
van een meer aanzienlijk klooster- of domeingoed met
boschgrond
(rooiland) en weiden vele laten (coloni) zich bij en op dat
goed vestig-
156
en titelkerken voor Roermond en Herten, Maasniel en
Berg, heeft men
vroeg de limieten moeten vaststellen, om te kunnen
constitueeren de
gemeentelijke en geestelijke jurisdictie van kerk en
Schepenbank. Al
gaat de eerste buiten de grenzen der immuniteit waar zij
lag, dit ver-
andert niets aan haar rechtsgebied.
Ook het vermogenscomplex, de kerkegift der parochie, moet
evengoed
als dat van Herten, Maasniel en Berg, vroegtijdig zijn
omschreven, en
onverminderd zijn gebleven, gebonden aan de grenzen van het
kerspel.
Deze vallen grootendeels samen met die der tegenwoordige
gemeente.
HET VERMOGENSCOMPLEX.
OUDSTE BEZITTINGEN DER MOEDERKERK.
Een duidelijk overzicht van de bezittingen der Moederkerk
gaf in het
jaar 1787, in opdracht van de Oostenrijksche regeering:
pastoor A. v. d.
Steenwegh; tegelijk somt hij de lasten op die hieraan
verbonden zijn
Dit is de onveranderlijke kern van het vermogen: de dos
ecclesiae of
kerkegift.
BEZITTINGEN DER MOEDERKERK VAN ST. CHRISTOFFEL.
. „Bezittingen, die bestaen in Heerlijke goederen ofte
gerechtigheden
die een deel uitmaken van het Corpus der Pastorye.
1e. Heeft den canonick ende pastor ofte plebaen: het derde
deel in de
thiende van het Ruremondsche veld, waarvan de Erfvoogt, den
Heere
Baron van Overschie ende Ne(e)rijssche heeft de twee andere
deelen;
des heeft den Erfvoogt twalf malder rogge en twalf malder
gerst vóór-
uyt, wegens 't Vrijveld onder de dominatie van Zijne
keiserlijke Majes-
teit in 't zelve Ruremondsche Veld gelegen. etc.
2e. Heeft den pastor een derde deel van een thiende gelegen
in den Ru-
remondschen Weert onder't gebied van zijne keizerlijke
Majesteit, waer-
van den pastor de thien laetste jaeren getrokken heeft
jaerl. aen gerst
3 malder, aen spelt 2 malder, aen terwe 3 vat en aen
boekweyt 3 vat, enz.
3e. Heeft den pastor een derde deel van een thiendje tot
Leeuwen
onder 't district Maasniel en de dominatie van sijn
keiserlijke Majesteit,
en heeft hiervan jaerlijks: 1 malder rogge, 11/2 malder
gerst en 11/2 mal-
der boekweyt. De grootte des voorss. thiendens is mij niet
bekent.
(Ook in Leeuwen had de voogd bezittingen).
4e. De abdije Munster alhier binnen Ruremunde moet jaerlijks
ab im-
memoriali*) aen den tijdelijken pastor vijf malders terwe
kluppelmaet
welke doen in de ordinaire maete: 4 malder, 4 vat; item vijf
malder
kluppelmaet aen Rogge, uytmakende 4 malder 4 vat; item aen
gerst vijf
malder volle maet en vijf malder haver volle maet, enz."
Bovendien:
II. „In vaste goederen: niet hebbende de natuer van Heerdije
of Heer-
lijke gerechtigheid:
*) Sinds 1268.
158
den uithoek der stad de pastor plebium op zijn post en
wijkt niet, tenzij
om even schuil te gaan voor de revolutie en spoedig terug te
keeren,
en te wachten op een nieuwen staat van zaken, en een nieuwen
bisschop. - Een kleine, haast onmerkbare verschuiving van
kerk en
pastorie in 1400. Dat is alles, wat de plattegrond ons
leert.
De pastoorswal is er nog; hij is bewoond, en hij vernieuwde
zijn aan-
schijn nog in de laatste decennia. Hij geeft den herder
uitzicht op
den „Donck”. Van de Voogdij zijn de laatste sporen
verdwenen.
LEENZAAL. HET PATRONAAT VAN DEN VOOGD.
De „patroon” heeft zijn glorietijdperk van overwicht en van
vrijheid
al achter den rug wanneer 's Graven macht haar hoogtepunt
nadert
in dit gedeelte van Opper-Gelder. Het jaar 1232 mag dan een
jaar van
beteekenis, een mijlpaal in Roermonds geschiedenis geweest
zijn, deze
ontwikkeling - of sprong - van „Villa” tot stad was
voorloopig niet
in staat de kalmte, de loome rust te storen, waarin de
bezitters van
de parochiekerk op den „meulenberg” zich bevonden.
Eeuwenlang had deze haar overwicht en haar kleinen omvang
bewaard,
onder de beschermende hand van den Voogd, wiens bescherming
zeker
wel eens te ver ging. Zelfs de schokkende feiten en datums,
de eerste
berichten, geruchten en teekenen van emancipatie van 1218,
1219, 1220
en 1224 welke aller aandacht vestigden op een nieuwe
onderneming,
een vrome stichting, een nieuwe immuniteit, binnen het
„oppidum” te
plaatsen, het bouwen verder zelfs van het grafelijk Munster,
konden
noch den „advocatus” noch den investitus bewegen hun
eeuwenoud
standpunt van „primi occupantes" en van „possidentes" te
verlaten.
Maar de groeiende burgerij, de handwerkersklasse zag de
beteekenis. En
langzaam zouden beide, - vooral de eerste - in het nauw
gedreven
worden. In de eene en ondeelbare parochie was een wig
gedreven. Na
het eerste klooster, al was het voor adellijke vrouwen
bestemd, zouden
gestadig meerdere stichtingen volgen, van eeuw tot eeuw, en
zelfs in
sneller tempo. Afgezien van de Begijnen, met haar eigen
pastor, en
van de Bogaerden, kwamen de Minderbroeders, de Kartuizers,
de
Kruisheeren, de Reguliere Kanunniken, de Zusters van den
Godsweerd,
die van Mariawee en Mariagaard, en eindelijk de Jezuieten op
het ter-
rein. Het Kapittel van Berg met eigen immuniteit vroeg in
1360 be-
scheiden verlof aan den pastoor om een plaats in de gemeente
bij de
oude H. Geestkapel.
De eerste decennia na 1200 brachten dus het eerste groote
keerpunt.
De bodem van het Kerspel was nu niet meer uitsluitend wat
hij een-
maal was in 700, 800 en 900, d.i. het koninklijk domein, het
leekenbene-
ficie van den Voogd met uitgebreide macht en een zeker
overwicht.
De groote geschiedenis van het Keizerrijk was intusschen
daarover
heengerold, en bracht den investituurstrijd ook in dien
stillen uithoek
van het Luiksche diocees. Deze bracht een stijgende macht
van den
bisschop en den graaf, een steeds veld winnende macht van
schout
en schepenen, en tenslotte de emancipatie van de
handeldrijvende,
de industrieele „kerspelluden".
160
lijke ontvoogding heeft plaats eerst 45 jaar later; en
zij beïnvloedde
de benoeming der persona. De zielzorg en de „cura
reliquiarum" mee
te deelen, den pastoor kerkelijk instellen kwam toch alleen
toe aan den
aartsdiaken. Zijne rechtshandeling komt echter ná die van
den patroon,
- hetzij Munsterabdis of voogd. -
Nu wordt in 1268, in de acte van abdicatie, van hem niet
geëischt dat
hij de decimae (tienden) afstaat, al wordt erkend, dat hij
ze telkens
in leen ontvangt van den graaf.
Ondanks den officieelen afstand, bekend als de abdicatie van
1268 ten
behoeve van de Munsterabdis gedaan, bleef de Voogd zijn
bevoorrechte
positie verdedigen en heeft ze blijkbaar hernomen na een
eerste of
tweede pastoorsbenoeming door de abdis. Het ging immers om
zijn
vermogen, zijn erfdeel, al beweert de Graaf in de oorkonde,
dat de
Voogd alles, cijnsen, tienden e.a. goederen en het
collatierecht, van hem
in leen had: „a nobis tenet in feudum”, en al verzaakt de
Voogd:
ob remissionem peccaminum suorum, et antecessorum ipsius;
d.w.z.
tot vergiffenis zijner zonden en die zijner voorgangers. *)
Het kerkelijk recht deed zich hier gelden. Men voelt den
invloed van
het IVe Concilie van Lateranen en de nawerking der laatste
uitspraken
en beslissingen van **) Paus Honorius III, en Keizer
Frederik II. Maar
hiermee was de kwestie van rechtmatig of onrechtmatig bezit
niet van
de baan. Het bewijs? Dat er altijd eenige onzekerheid en
zekere tole-
rantie omtrent dit presentatierecht bleef heerschen, ook bij
de hoogere
organen, als bijv. bij den bisschop van Luik en den Paus,
blijkt nog uit
de vage en voorzichtige termen, welke Paus Paulus III bezigt
in den
brief van 16 September 1538 waarin een nieuwe pastoor,
Theodoricus
Haen, van het Luiksche diocees als coadjutor van Sint
Christoffel
wordt gesteld naast pastoor Theodoricus de Putheo, wiens
neef en
zusterskind hij was.
Bij het verleenen van dit beneficie herinnert de Paus eerst
aan zijn
recht, n.l. dat hij de uitdeeler en beheerder is van alle
kerkelijke bene-
ficiën, en spreekt dan verder over het leekenpatronaat van
Roermond,
waarmee hij rekening moest houden, maar zóó dat hij niets
positiefs
schijnt te weten uit de genomen informaties, nóch iets wil
uitmaken:
- „qui seu que, - ut a nonnullis asseritur, - de Jure
patronatus dilecti
filii nobilis viri Caroli, moderni et pro tempore existentis
ducis Gel-
driae, seu aliorum laïcorum forsan nobilium, vel" etc.
Voorzichtiger en onbepaalder kan het niet. De paus laat dus
hier de
oude kwestie over het collatierecht open, en maakt niets
uit, blijkbaar
bij gebrek aan zekere gegevens. De woorden duiden er op, dat
er zelfs
geen eenstemmigheid heerschte in Roermond. De traditie en de
pres-
criptie wogen het zwaarst bij den Voogd; hij bleef als
erfgenaam
van de villa, en van den „Saalhof” niet enkel zijn
laatbanck, zijn
dienstmannen beheeren, maar ook rustig twee derde van de
tienden
*) Het geval van Theodoricus stond overigens niet alleen
cfr. M. S. P. Ernst. Hist.
du Limb. T. VI (25) no. XXII, 24 Juni 1268.
** ) P. Alexander III.
162
keizers, vooral onder de Ottonen en de Salische
vorsten. Dit was b.v.
het geval met het prinsbisdom Luik, waaronder Aken en
Roermond
ressorteerden, en ook met Utrecht. En dit kwam wel het
meeste tot
uiting in de 11de eeuw (na 1050) bij den Investituurstrijd
toen het
hoogtepunt van het conflict tusschen Paus en Keizer bereikt
was. De
kleine heeren volgden de groote machthebbers na. De gunst
des kei-
zers maakte velen zijner vazallen - niet allen - tot
slaafsche werk-
tuigen en blinde volgelingen, ten nadeele van de vrijheid
der Kerk.
Eenmaal emancipeerden zich o.a. de graaf van Gelder en de
graaf van
Holland. Een klein monument nu van die tijdelijke
dienstbaarheid der
kerk bleef tot bijna 1400 voortbestaan in de eigenkerk van
den Roer-
mondschen voogd, op den Christoffelberg.
Dit stadsdeel heette van ouds „inop" of „ingenop”
De pastorie of weem -- „domus dotis" *) -- stond dicht bij
het heeren-
huis, de sala, de opperhof, gerichtshof, waarbij nog kwam
een laathof op
het Swaertbroek en een heerenhof op den Donck, in de
Ruremondsche
Weerd. Het Atrium of kerkhof diende als vergaderplaats en
dingplaats
tot lang na 1500.
Naast de kerk, en waarschijnlijk dicht aangemetseld bij het
hoogkoor,
stond gedurende een paar eeuwen een cluyse, waarin nu en dan
een
recluse zich liet insluiten, maar welker bestemming sinds
1500 onzeker
is. (Een tijdlang diende zij voor de Zusters Dominicanessen
van Maria-
wee; later als school). Daar lag het oudste kerkhof. Daar en
in St. Jacob
over de Roer, werd het eerste Kruis geplant. Daar werd de
eerste doop-
vont opgericht, en verrees de eerste Romaansche dubbelkapel
voor den
heer en zijn villabewoners. Was er dan geen „vicus“, geen
vrije grond?
DE VOORSTAD.
We zitten hier nu onmiddellijk in een belangrijke vraag, die
ieder ste-
denkenner zich zelven zal moeten stellen na aandachtige
beschouwing
van het terrein aan weerszijden langs de Roer.
Wat zou het lot en wat zou de ontwikkelingsgang van Roermond
ge-
heel anders geweest zijn, als niet de vrije vicus St. Jacob
met haar
eerste Kruiskapel in zulk een onvoordeelige ligging was
geweest ten
opzichte van het water, waarboven de molenberg uitstak,
terwijl de
villa inop zoo gunstig geplaatst haar over het hoofd
groeide.
Daaruit had anders een zelfstandige parochie, een stadswijk
kunnen
groeien, aan de overzij van de oudtijds losse brug, gelijk
dit in Wijk-
Maastricht en elders het geval was.
M. i. doet de stichting der Kruiskapel of St. Jacob met haar
oorspron-
kelijke bewoners in oudheid niet veel onder voor buteninop.
Maar
er was geen proportie in macht en industrie; de omwalling
n.l. sloot
de levenskansen af, en St. Jacob zou eenmaal, na het
wegtrekken der
Bogaarden, en ao. 1588 bij het leggen van de eerste vaste
brug, voor
*) Wehdomb, 1586 Past. Wichardi.
164
is onbekend, maar het staat vast dat de synode werd
vereerd met de
tegenwoordigheid van den voogd Theodoricus. De landpastoors
van
zulk een district vormden meestal een „fraternitas" een
soort „gebeds-
broederschap", met geregelde vergaderingen.
Bij de boven vermelde acte van afstand van 1268, waaromtrent
we bij ge-
brek aan charters niet kunnen bewijzen, dat de voogd of zijn
familie een
proces begon tot verdediging der privilegiën, rijst van zelf
een andere
vraag: n.l. hoe de pastoor zich bij dat alles hield. Dit is
evenmin te
De toenmalige pastoor van de parochie, Rutgerus (+ 1272)
hetzij resi-
zeggen.
deerend of afwezig, - onderteekende de akte niet; - wel
teekent, doch
meer als getuige, - een Arnoldus, investitus de Egch (Echt).
Zooveel is zeker, dat na eenige tientallen van jaren de oude
verhou-
ding weer bestond, zoodat de vraag gewettigd is, of de abdis
behalve
bij de benoeming van Magister Daniël, - die eerst pastoor in
Herten
was, tot 1272, en van Henricus Ludolphi, in 1313, veel kans
gehad heeft
voor de moederkerk nieuwe pastoors te presenteeren. Alleen
in dat
jaar (1313) won zij het pleit tegen den candidaat van den
Voogd, Joan-
nes de Schaephuysen, Kanunnik van O. L. Vrouw te Maastricht.
Voogd
was toen Theodoricus of Chiso de Beke.
In 1283 rijzen de eerste moeilijkheden over de collatie. De
kwestie werd
in der minne geschikt, en de voogd belooft, dat men de
abdis, en den
door haar benoemden pastoor niet meer zal „molesteeren“. -
Als een
vriendelijke attentie en tegenprestatie van de abdis wordt
op den eer-
sten Dinsdag van Juli 1293, een broer van den voogd,
Godefridus, deken
van het Akener Mariastift, door Godfried (Gerard) van
Nassau, aarts-
diaken van Luik, voor de vacante plaats toegelaten, en nu op
verzoek
der abdis zelve.
Toch zou dit collatierecht nog dikwijls genoeg stof leveren
tot velerlei
conflicten tusschen de twee leekemachten, - wrijvingen, die
éérst in
het jaar 1546 en opnieuw in 1684 uitliepen op langdurige
processen; het
eerste voor Koning Philips II, en het tweede voor het Hof
van Gelder
te Roermond gevoerd, resp. tusschen de pastoors Dederick
Haen en
Coomans en de adellijke abdissen.
Verder laat men blijkbaar van kerkelijke zijde de
voogdenfamilies on-
gemoeid in hun bezit van vermeende rechten. Hierop komen wij
terug
in een volgende periode.
De emancipatie van 1232 was de erkenning van een recht, dat
de meer-
derheid der burgerij zich door handenarbeid feitelijk reeds
lang ver-
overd had. Deze vrijmaking ging niet geheel voorbij aan het
parochie-
leven zonder diepe sporen na te laten.
Van het uiterst stille, onbewogen, rimpellooze leven van een
dorpspas-
toor was de plebanus toch ongemerkt gekomen in de sfeer van
een
bewegelijke, neringdoende burgerij, in het druk vertier van
een handels-
stad, die in anderhalve eeuw tijds tot hanzestad zou groeien
door hare
laken- en wolnijverheid.
Wat den kerkbedienaar niet was gelukt met een beroep op
hoogere
motieven, daarin was de bevolking der parochie wel geslaagd;
zich
166
als geldig excuus te worden aanvaard. De brief van 1
Juni 1391, door
den magistraat uitgegeven, doet ongeveer begrijpen, dat de
kerk veel
te klein was, slecht onderhouden, en bovendien buiten de
omwalling
of stadsmuur gelegen, op den winderigen molenberg, wat
allerlei onge-
rief met zich meebracht.
Maar, wat tevens aangevoeld wordt, is dit. Men wilde uit de
beklem-
ming geraken, en greep de gelegenheid aan, nu de kerk als
mikpunt had
gediend, om deze voorgoed binnen de muren te leggen, verder
van het
veer en de losplaatsen verwijderd. Het was de
schippersbuurt, met
haven en café's.
Van 1344-1404 was Godefridus van Vlodrop prefectus civitatis
of
voogd. Of deze patroon, die zoo vaak geschil had met de
stad, enkel
lijdelijk mocht toezien, en zijn handen in onschuld kon
wasschen, blijkt
niet. Hij zou er voortaan allicht buiten moeten blijven, als
hij niet zijn
aandeel in de groote financieele lasten wilde dragen. Wat
deerde het
hem, als hem het benoemingsrecht niet werd ontnomen, en men
hem
2/3 uit de tienden liet behouden.
Iets beters moest er nu toch komen; dit zag ook hij in. Met
dezen bouw
van circa 1400 waren dus niet zoozeer de voogd en de Graaf
van Gelder
gemoeid, als wel de burgerij, de gemeentelijke autoriteiten
en de pas-
toor zelf; verder de landdeken en de aartsdiaken van
Kempenland.
Den Hertog van Gelder zien wij na 1472 actieven steun
verleenen aan
de voortzetting van den bouw, als het gaat haperen aan
geldmiddelen.
Hij constateert in zijn brief dat de „Moderkircke arm is” en
laat daarom
munt slaan in de gemeente (zie: Bijdrage van Jhr. E. van
Nispen tot
Sevenaer), - item ao. 1492. -
Waar zou men de nieuwe kerk plaatsen? Voor waterschade zou
in elk
geval geen kans zijn, als men bleef op de hoogte van het
marktplein,
boven 't niveau van de Kraanpoort. Hier was bouwterrein
genoeg. Er
lagen aldaar moeshoven of tuinen. Maar daarmee was niet
alles gezegd.
Voor zulk een kwestie liepen toen, nog meer dan heden de
gemoederen
heet, en aan het verschil van opinie, dat van 1390-1400 de
stad ver-
deelde, hebben wij het interessante rapport van een der
bisschoppelijke
commissarissen te danken, waarin de beide strijdige
meeningen en
veler wenschen worden toegelicht, met aan het slot een
eigen, sterk-
persoonlijk oordeel van den commissaris, wien wij thans het
woord
laten.
Het Luiksche officialaat had om advies gevraagd, en zijn man
goed
gekozen. Deze is op de hoogte van den toestand in Roermond
en van de
strevingen onder de burgerij. Men oordeele. Na terloops de
kwestie van
het begijnhof behandeld te hebben, welke eigenlijk ook een
parochie-
zaak was, gaat hij onmiddellijk over tot de hoofdzaak, den
herbouw
eener moederkerk, met als filiaal de herstelde kapel van
buiteninop. -
168
wijding krijgen met het oog op de toekomstige
begrafenissen, en men
zou dan geen reden kunnen laten gelden, dat men een kerkhof
noodig
heeft binnen de stad; want dit ééne zou doorgaan als een en
hetzelfde
kerkhof voor moeder- en dochterkerk beide.
Heel geschikt (op passende wijze) zouden ook zij, die het
wenschten,
in genoemde kapel hunne sacramenten - behalve die van het
doopsel
en het H. Oliesel, - kunnen ontvangen, tenminste in de
veronder-
stelling, en uitgaande ván de vereeniging en annexatie dezer
kapel met
de Moederkerk. (Men houde in het oog dat zoowel de nieuwe
Moeder-
kerk nog gebouwd, en de oude parochiekerk nog gerestaureerd
moet
worden op dit tijdstip).
Wat nu aangaat het eerste voorstel, n.l. om een kerk met
pastorie bin-
nen de stad geheel nieuw op te bouwen; zoo moet men, wat de
kerk
betreft, vooral drie zaken weten:
le. dat men met den herbouw der kerk binnen den
eerstkomenden
zomer een begin zal maken;
2e. men (zal) hoopt haar te voltooien, den toren niet
meegerekend,
binnen drie of vier jaren. (Men moet dit laten beloven.) En
men be-
hoort deze toezegging te doen onder voldoende waarborgen.
3e. zij zal geplaatst worden op een meer geschikte, passende
en meer
eerzame plaats naar de aanwijzingen van onzen heer den
Bisschop van
Luik, met toestemming van den pastoor en na raadpleging van
voor-
zichtige en eerzame parochianen; ongeacht (zonder te letten)
op de vele
opgenoemde plaatsen, en niettegenstaande de
tegenovergestelde mee-
ningen omtrent de ligging der kerk. De redenen die tot een
meer vol-
ledige inlichting dienstig kunnen zijn, worden hieronder
aangehaald.
Eveneens is het met de pastorie; ofschoon sommigen meenen,
dat,
wanneer de kerk naast en dichtbij de markt wordt geplaatst,
het pas-
toorshuis dan heel geschikt op de vroegere (oude) plaats kan
gezet
worden, - toch lijkt het mij niet passend, dat de bruidegom
des nachts
van de bruid is afgezonderd; dat de herder van zijn schapen
worde
afgesloten, zoodat hij niet den wolf, die 's nachts den
schaapstal binnen-
sluipt, zou kunnen afweren
Passend evenmin, dat de woning der zieken voor den
geneesheer ge-
sloten zij (worde), zoodat niet tijdig de medicijn kan
worden toege-
diend.
Daarom besluit ik, dat het pastoorshuis naast de kerk moet
geplaatst
worden, opdat er, én des daags én des nachts een vrije
toegang en door-
gang zij voor den bruidegom om de bruid te vertroosten, voor
den
herder, om de schapen te weiden, voor den dokter om de
zieken te
bezoeken en te verplegen (te genezen).
Over de kleine tienden der tuinen of moeshoven en uit de
landgoede-
ren waarin opnieuw huizen gebouwd worden, valt op te merken,
dat
de kerken hare tienden niet mogen verliezen (perdere non
debere), die
ze trekken uit landerijen en goederen, waaruit zij van
oudsher gewoon
waren deze te halen. -
Eindelijk, wat aangaat de nadeelen van den tijdelijken
pastoor, het
worde aan het oordeel van degelijke rechtschapen mannen
opgedra-
170
- Unica inter alias. - Sola necessaria!
„De parochiekerk als zoodanig de eenige tusschen de andere
kerken der
stad en ook als zoodanig alleen noodzakelijk - de eenige
noodige! -
is tot gemak, voor de behoeften en nooden van eenieder
zoowel der
bedienaars, als van hen, die de kerkelijke Sacramenten
willen ontvan-
gen, redelijkerwijze in een centrum te plaatsen, en dit
zonder aanzien
van personen."
III. BEWIJZEN UIT DE H. SCHRIFT.
,De beste plaats moet aan God vertiend en toegewijd worden.
Vandaar
de middenplaats, die beter is dan de uiteinden („Medius
melior est
extremis"). Het midden moet vooral aan God worden toegewijd;
van-
daar moet de kerk, die Gods huis is, in het midden der stad
worden
gewijd, geheiligd. Hierop slaan de figuren, voorafbeeldingen
en voor-
beelden der H.H. Vaders. Vooreerst: het visioen der stad
Jerusalem,
beschreven bij den profeet Ezechiël. „De stad, in wier
midden ik
een atrium (voorhof) zag, en in het midden van dit voorhof
den tempel."
Evenzoo: de boom des levens, - waarmee God zelf of de Kerk
kan
worden aangeduid, - stond in het midden van het paradijs.
(Genesis
cII) en: „Ik zal mijn woontente in uw midden plaatsen, zegt
de Heer."
(Leviticus c 26) - „Ik zal wonen in het midden van
Jeruzalem" (Zacha-
rias II) - „In het midden van mijn volk zal ik wonen“, (lib.
Regum
IV). Salomon wijdde (heiligde) het midden van den voorhof
lib. II
Paralip VIII; van welk voorhof tezamen met den tempel men
aanneemt,
dat zij midden in de stad Jeruzalem geplaatst waren, volgens
het woord
van psalm 115 „Ik zal mijn gelofteoffers brengen aan den
Heer, ten
aanschouwe van geheel zijn volk, in de vóórhoven van het
Huis des
Heeren, in uw midden, o Jerusalem".
„Unica in Oppido”. - „Sola necessaria".
Uit dit alles wordt het duidelijk, dat bij voorkeur het
midden aan God
moet worden toegewijd en opgedragen (vertiend). En bijgevolg
moet de
kerk die een huis Gods is, en wel vooral moet de doopkerk,
daar zij
het fundament, de grondslag is der andere kerken, en „de
eenig noo-
dige" in genoemde stad, vooral in het midden geplaatst
worden.
Heeft men al deze motieven verstaan en ingezien, dan kan men
ge-
makkelijk van antwoord dienen op de eerst aangehaalde,
tegenover-
gestelde redenen, vooral als men bekend is met de
plaatselijke om-
standigheden. Vandaar worden zij kortheidshalve in reserve
gehouden,
om het antwoord daarop te geven, niet in geschrifte maar
mondeling.
Na al het voorafgaande make men het besluit, dat alles tot
meerdere
eere Gods, om wiens zaak het hoofdzakelijk gaat, strekke,
opdat èn
Zijne genade ons worde ingestort, waardoor onze begeerte
naar aard-
sche dingen meer gelijkvormig worde aan het bovenaardsche en
hemel-
sche verlangen; en zij dientengevolge, in overeenstemming
daarmede,
heilzamer bestuurd worde in eeuwigheid. Amen."
172
2°. De Roermondsche kerkhovenkwestie op blz. 169
aangeraakt was
heel delicaat reeds in de middeleeuwen en zal zich later nog
wel eens
herhalen, totdat Roermond definitief het groote moderne
kerkhof kreeg
buiten de stad, links achter de Kapel in 't Zand. (ao. 1787
op het oude
Er waren overigens begraafplaatsen bijna bij alle kloosters,
kapellen
Bloedkamp).
en kerken of daarbinnen; eveneens bij en in de Kapel in 't
Zand. Ver-
der bij St. Joris, in en bij het Munster, den H. Geest,
Minderbroeders,
Ursulinen, enz. Vele families maakten daarvan gebruik, en
dit gaf in
verband ook met de vrome fundaties bij het graf en bij
plechtige uit-
vaarten en jaargetijden, aanleiding tot conflicten met de
moederkerk,
die de oudste begraafrechten had.
De eerste sporen van zulk een geschil vinden wij in 1311 op
1 Augustus
tusschen den investitus der St. Christoffel, en de
Minderbroeders, even-
als dit elders het geval was. (Habets I 403).
Van latere geschillen en processen tot in de 17de eeuw
getuigen de
akten in het Bisschoppelijk archief, o.a. in 1683 een strijd
met de
Zusters Franciscanessen.
3°. Het verslag, kort na 1389, misschien wel in 1390
opgemaakt, was tot
nu toe onbekend gebleven. Het berust als handschrift in het
Staatsar-
chief te Dusseldorf. Een bijbehoorende Transfixbrief is
verloren gegaan.
Wie het samenstelde? *) In elk geval niet een man van de
ultraconser-
vatieve richting, maar een die rekening houdend met het
sterk gewij-
zigde stadsbeeld van 1400, en met de bevolking van het
centrum veel
meer vrucht zag in een radicale verplaatsing en in eene
afzwenking
van het oudste stadsdeel. Misschien zweefde hem ook een
perspectief
voor oogen, waardoor hij rekende op een nog sterker
uitbreiding. Want
van 1460-1490 ontvangen 150 nieuwe burgers, „die van buyten
inneco-
men syn" het burgerrecht, niet gerekend het dienstpersoneel
en hen die
„vreemdeling” d.i. „butenburgers” bleven. De aanwas ging
betrekkelijk
snel. Geboortecijfers uit dien tijd zijn onbekend.
4°. De doxologie als besluit op de eerste helft van het
rapport doet
mij denken aan een Kartuizer; en dan zou de bisschop van
Luik naast
het advies van den aartsdiaken en den landdeken, ook dat van
een
Roermondsch Kloosterling ingewonnen hebben, om iemand uit de
plaats zelve te hooren, wat zeer goed mogelijk is.
Eenigszins naïef en voor onzen zakelijken tijd zonderling en
onbegrij
pelijk doet in het tweede en derde gedeelte zijn
argumentatie aan, welke
dient om zijn persoonlijke opinie en zijn voorkeur voor de
centrale
ligging der parochiekerk kracht bij te zetten.
Het is een argumentatie met teksten uit het oude- en nieuwe
Testa-
ment, die alle moeten bewijzen dat een tempel in het midden
des volks
moet liggen. Hier speelt het idealisme hem parten, terwijl
overigens in
het voorafgaande de nuchtere geest van een canonist en
practicus aan
het woord is.
*) Volgens een eerste
gissing : Joannes de Lovanio, proost van Xanten.
174
want als er tevoren geen aandacht aan geschonken was,
zou dit beeld
niet plotseling een centrum van cultus vormen in de nieuwe
kerk.
De tekst luidt: „quandam imaginem beate Marie, sita in dicta
parro-
chiali ecclesia preornatam". De woorden bedoelden een zeker
beeld,
- was het een schilderij of een houten beeld, - geplaatst in
de Maria-
kapel, die lag in de parochiekerk. Het O. L. Vrouwekoor
bestond nog
niet; dit dateert eerst van 1489. Wel was er altijd in de
vorige kerk een
„altare B. Marie” geweest. Over de verdere lotgevallen van
dit beeld,
dat indirect aan de parochianen nog eerst ter vereering
wordt aanbe-
volen, wordt later niets meegedeeld.
Vermoedelijk heeft zich rondom deze beeltenis de oude
Broederschap
vereenigd, die wij terugvinden onder den naam van O. L. Vr.
Broeder-
schap Op der Poorten, en over wier oorsprong en oudste
verleden een
sluier hangt. Zij draagt altijd een aristocratisch karakter
en telde maar
13 - hoogstens 18 - leden. De aflaten waren te verdienen op
de feesten
van Kerstmis, 's Heeren Besnijdenis, in de Vasten, op
Palm-Zondag,
Witten-Donderdag, Goede-Vrijdag, Paschen, Hemelvaartsdag,
Pinkste-
ren, Drievuldigheids-Zondag, H. Sacramentsdag,
Allerheiligen, op al
de feesten van O. L. Vrouw, H.H. Petrus en Paulus, Geboorte
v. St. Joan-
nes den Dooper, het feest van St. Lambertus en St.
Christoffel en op
de feesten van kerkwijding en altaarwijding. Dit gold voor
alle altaren
in die kerk aanwezig. De aflaat werd gegeven te Bologna
onder Paus
Alexander V.
In den transfixbrief van 14 December, waarin de bisschop Jan
van
Beieren dezen aflaat bekend maakt, voegt hij er nog een bij
van 30 da-
gen tegen enkele voorwaarden en eene van 10 dagen, voor hen
die een
kort gebed tot zijn intentie in genoemde kerk storten.
In haar eersten vorm vertoonde het grondplan der nieuwe
parochie-
kerk de gedaante van een kruis. De beide zijkoren links en
rechts van
het lange hoogkoor, zijn eerst later aangebouwd n.l. het H.
Sacraments-
koor in 1458, en het O. L. Vr. koor was voltooid in 1489,
terwijl men in
dat jaar bezig was aan den restauratiebouw der Kathedrale of
S. Lam-
bertuskerk te Luik.
Op een vraag over den bouw in 1667 door Antonius de Meo,
secretaris
van het Bisdom gesteld: „cujus structurae et qualitatis",
luidt het ant-
woord: satis egregiae, amplae et elegantis structurae, per
modum crucis
cum triplici choro et cruce in medio, cum insigni
quadrangulari turri ad
finem ecclesiae, etc. Deze kerk heeft den snellen bloei der
gilden en
broederschappen, en daarmee een groote vermeerdering van
altaren
gekend.
PASTOORS: (volgens Sivré.) I van 1200-1400. II van
1412-1932.
I.
Van de pastoors der eigenkerk vóór 1200 is niets bekend
In de periode die loopt van 1224 tot 1389 treffen wij de
volgende namen
van pastoors in de parochiekerk van Roermond aan:
176
1593-1603. - Petrus (van) Groeningen.
1603 - Gangelt.
1607-1609. - Hermanus Bevers.
J. Schaden, Kapelaan, 1608.
1609-1614. - Martinus Luncenius.
a nativit Joann. 24 Juni 1609-1614; vertrok 1614; was
pastoor in Leuven;
in S. Michaël; daarna in Antwerpen, St. Joriskerk; 1627 weer
te Leuven, i. d.
hoofdkerk. + 1634.
1614-1634. - Johannes a Lapide, Braensi; of van den Steyn.
27 Sept. 1614. - + 23 Juli 1634. Zijn kapelaan was: Jacobus
Parisius 1614.
1635-1640. - Theodoor Brouwers.
Benoemd 17 April 1635. Zijn kapelaan was: Albertus
Tonsorius, Vicepastor.
1640-1652. - Joannes van Aken.
+ 1652.
1652-1684. - Johannes Gerardus Brantz. - Venlonensis.
St. Christoffel wordt Kathedraal en kapittelkerk: 1659.
1684-1695. - Casparus Coomans (pastor et canonicus). Proces
met
de abdis.
1684-1695. - Christoffel v. d. Steenwegh, vicepastor ac
pastoratus deservitor.
1696-1726. - Joannes D. Portmans.
1728-1763. - Johannes Albertus Hooffs.
+ 3 Januari 1763.
1763-1780. - Arnoldus Leonardus van Daell.
Aanlegger v. Dagboek der parochie; pastor et canonicus. + 21
Aug. 1780.
1781-1793. - Antonius v. d. Steenwegh, canon. et pastor.
Was eerst vice pastor primarius en deservitor onder P. v.
Daell.
+ 30 Sept. 1793. Joes Matthei: deservitor.
1793-1829. - Joannes Matthei.
+ Nov. 1829.
1831-1841. - Joannes Augustinus Paredis.
1842-1877. - Stephanus Moonen.
+ 1877.
1878-1886. - F. A. H. Boermans.
1886-1903. - P. A. J. H. Corten.
1903 - Hoogeerw. Heer Mgr. L. N. Le Bron de Vexela, Deken en
Plebaan. Proost van het kathedraal kapittel.
NOGMAALS DE „PATROON” VAN ST. CHRISTOFFEL.
Wij moeten al te vlug voorbij gaan langs de vraag hoe de
opkomende
ketterij zich in de parochie vastzette, en verder langs
enkele toch ver-
meldenswaardige feiten, die een meer dan gewone storing
veroorzaak-
ten in het gelijkmatig leven van den plebaan. De
hagepreeken, de beel-
denstorm in St. Christoffel, de straffen van Alva (1568),
het beleg der
stad door Oranje (1572) en de moord op de religieuzen, de
komst van
178
open vraag: wie is nu rechtens patroon, collator van
dit beneficie.
De graaf van Gelder, de Munsterabdis, de Voogd of de
Magistraat?
In een request van 17 Januari 1732 geteekend „ter
ordonnantie van den
Magistraat", wordt o.a. gezegd: niet alleenelyck als
magistraat maer
oock als tegenwoordige patronen der pastorie, de
berechtigden, enz.
Pastoor was toen J. A. Hooffs (1730-1763).
Gedurende ruim een jaar, van 1731-1732, bezat de stad
tegelijk met
de erfvoogdij, het presentatierecht. Pastoor J. R. Matthei
werd na 1794
weer benoemd door den erfvoogd Maximiliaan Emmanuel, baron
van
Overschie en Neeryssche, in diens hoedanigheid van patroon.
(Zie: Bij-
drage over de Voogdij).
Zoo beschouwden zij dus zichzelven. Opnieuw echter, in 1774,
zullen
wij uit pastoors mond een beroep hooren doen op den patroon,
als ware
deze de hoogste instantie, n.l. in de penibele kwestie der
parochieindee-
ling, welke ons thans moet bezig houden. St. Christoffel
voldeed niet
meer aan aller eischen.
GEEN DISMEMBRATIE. - EEN EN ONDEELBAAR.
Sinds lang was er niet gesproken over een splitsing der
parochie, of-
schoon bij de overbrenging van het kapittel in 1659 die
vraag, als een
annexe van het toen hangende probleem, zeker wel eens zal
gere-
zen zijn.
Een eerste duidelijk geluid hieromtrent vernemen wij op 28
October
1774 door middel van pastoor van Daell zelve: Het
gemeentebestuur
ging zich ermede bemoeien. „Vermits ick gehoort hadde, dat
in den
Raedt was spraecke geweest, van eene tweede pastorije op het
begijn-
hof: so hebbe den 28 October 1774 de naevolgende reflexie
overgege-
ven aen den Stadtsburghemeester Sijben, en hem versocht van
daer-
over te willen gaen spreecken den Heere Raedt-Commissaris
Luytgens,
door den Raedt gestelt synde om het advys op te stellen."
In zijne reflexie betoogt Pastoor van Daell;
I. „dat de parochie kercke genoch en overgroot is voor de
geheele
stadt; - dat in deselve kercke de geheele stadt gemackelijck
can gerieft
worden; dat den pastoir door dese membreeringhe geen groot
solaes
te verwachten heeft; eensdeels omdat, die dewelcke van de
omliggen-
de plaetse alhier comen biechten dese kercke van het
begijnhof om
hunne slechte gelegentheyt niet en sullen soecken;
andersdeels, omdat
de borgers van dien candt *) (oostzijde) meest allen gaen
biechten bij
de cruysheeren en minderbroeders, welcken twee cloesters
aldaer ge-
legen syn; dat hierdoor niet alleen de pastorye, maar oock
de costerie
(die geen vaste middelen heeft als omtrindt de vier malderen
vruchten
en 't kerckebroodt) souden lijden in hun incompsten.
I. „dat om eene parochie aldaer te maecken noch veel méér
sal
costen, als eenen tweeden onderpastoir of capellaen te
stellen bij den
*) d.i. o.a. van de dorpen
over de Maas; vooral op Zaterdag en Zondagmorgen.
180
blijkbaar vallen de actie der geloovigen aan de andere
zijde der stad,
rondom het Begijnhof, (den Nieuwenhof) en de Jesuïetenkerk,
en even-
eens van die der Minderbroederskerk, actie waarvan we een
weer-
klank hoorden in het Dagboek van Pastoor van Daell.
Het Hof van Gelder interesseerde zich voor de vraag, de
Magistraat,
de Gemeenteraad evenzoo. Was het noodig?
De staat der inwoners en huisgezinnen moet sinds 1500 bij de
visitaties
méérmalen zijn opgemaakt (cf. Publications 1928). Na eene
„Informa-
tie" genomen in 1645, dus vóór den brand, volgt een verslag
door
Pastoor Joannes van Aecken opgemaakt, die o.a. verklaart, in
zijn
kwaliteit van Aartspriester van het Dekenaat Montfort, dat
Roermond
ligt „in solo fertili” op vruchtbaren bodem, en dat de stad
groot is onge-
veer anderhalf uur in den omtrek, en bevat „ongeveer 400
huizen”
(bedoeld zal zijn van parochianen), „ofschoon er méér
geweest zijn."
Onafhankelijk van den Pastoor geeft Dns. Henricus Maroyen
het
totaal getal van circa 600 huizen; van de burgers echter
circa 400 -
preter clerum, behalve den clerus en de koninklijke
ambtenaren. Op
dezelfde informatie antwoordt een derde, - Ds. Petrus
Bosman: „circa
800 huizen - maar vele zijn in oorlogstijd verwoest."
Joannes Pol-
laert spreekt van 600 woningen.
De H. Geestkerk, - want het ging toen om de verplaatsing van
kapittel
en Bisschoppelijken zetel, - is volgens P. Bosman, maar van
een zwakke
structuur, terwijl de pastoor had verzekerd, de H. Geestkerk
is sterk
gebouwd, doch zeer klein. In 1675 levert de magistraat een
verklaring
af over de vele inkwartieringen en zegt: er zijn eigenlijk
maar 500 bur-
gers, die een derde deel van de stad beslaan, de rest is
bewoond door
de Geestelijkheid, kloosterlingen, leden van den Raad en van
de Reken-
kamer - 't Hof van Gelder. - De burgerij is overbelast.
In 1784 telde Roermond volgens Habets slechts 4323 inwoners,
waar-
onder 223 geestelijken en religieuzen; 3 à 4 kloosters waren
toen reeds
gesupprimeerd. Omstreeks 1845 vinden we de opgave van een
goede
6000 inwoners, (nu niet meer allen katholiek, dus niet enkel
parochia-
nen zooals vroeger). In den Belgischen tijd waren de 5000
bereikt en
reeds gepasseerd. Daartusschenin - 1640-1840 - liggen nu de
jaren,
in welke de beweging tot splitsing het sterkste was, en de
actie voor een
nieuwe vicarie gevoerd werd.
Pastoor van Daell merkt op (2 December 1773) in een suppliek
aan den
Magistraat: „Dat de cure van Ruremonde alleen zonder
onderpastoir
of cappellaen van de geheele stad is gefondeert,
niettegenstaande de
stadt met zyne buytengehuchten gereeckent wordt tot ontrindt
de
dry duysent communicanten."
In 1770 tot 1780 kon dit getal parochianen dus nauwelijks
4000 ge-
weest zijn. De Minderbroederskerk, de H. Geestkerk en de
andere
kleine kapellen voorzagen toen praktisch in den nood,
evenals éénmaal
vóór 1400, ofschoon zulk een toestand niet de ideale is.
Welken maatstaf moest men nu aanleggen voor een nieuw op te
rich-
ten parochie, gelet op het overzicht der geheele zielzorg.
Niet alléén
182
de Vicarie. Uit den brief blijkt, dat dit plan slechts
een onderdeel is
van de hervormingsplannen zijner Keizerlijke Majesteit Josef
II, die
zich ook bezighield met het nieuwe kerkhof der parochie bij
't Zand.
Philipp. Dam. Marquis.
Aan de meesteresse van 't Begynhoff binnen de stadt
Ruremonde,
onder ordinaire Jurisdictie, saligheyd in den Heere.
Aengesien het getal der Begyntjens nu sedert veele jaeren
merckelyck
vermindert is, de fundatiën van 't selve begynhoff seer
gering, ende
't officie van hunne kercke door zyne keys. Majesteijt
gedestineerd is
tot het oprechten van eene curaete vicarie tot voordeel der
Parochie
dezer stadt soo haest den modernen rector of Pastoor sal
overleden
zyn, vinden wy ons genoodtsaeckt, ingevolge d'intentie van
Hooghst-
gezegde majesteyt, U Eerw. te doen weten dat by provisie
geene novi-
tiën meer zullen mogen aengenomen worden, tot dat wij U
eerw. anders
sullen hebben verclaert. Gegeven Ruremonde in ons
Bisschoppelyk pa-
leys, d.d. 23 Oct. 1782.
Ter ordonnantie van .....
Dit klonk als een doodvonnis voor den Nieuwenhof. Zij, de
oudste stich-
ting binnen parochieel verband en met haar eigen karakter
van vroom-
heid, waar eenmaal Peregrinus Pullen zijn onderricht gaf in
het geestelijk
leven, zou dus de kerk moeten ontruimen voor een nieuwe
parochie of
rectoraat. Maar zoover kwam het nog niet. De rector,
waarover het hier
gaat, en op wiens dood men wachtte, om het nu gewijzigd plan
tot ver-
deeling der parochie met curaete vicarie door te voeren, A.
C. Galliot,
was voor bijna 40 jaren (1746) in zijne functie getreden;
hij leefde nog
bijna 5 jaren na datum. (1785)? Na hem volgen nog 2 rectoren
Palms
en Houwaert tot 1798. Pastoor van den Steenwegh leefde nog
bijna
11 jaar, hij stierf op 30 September 1793, na het vertrek van
den bisschop.
Johannes Mathei, die daags daarna, 1 October, als deservitor
optrad,
staat op 19 December voor het eerst vermeld als „canonicus
pastor".
Men stond aan den vooravond der vele omwentelingen die, na
den
stoot in Frankrijk gegeven, zich snel voortplantten ook tot
dit gewest.
Pastoor Mathei zou dit alles meemaken en het herstel nog
beleven; hij
stierf eerst in November 1829 en werd in 1831 opgevolgd door
Joannes
Augustinus Paredis. Geen wonder dat men in de jaren
1793-1815, toen
alles op losse schroeven stond, de zaak der parochieele
splitsing liet
rusten en voorloopig zweeg. Maar zoodra was niet de normale
toestand
wedergekeerd of er liet zich weer een geluid hooren, en nu
direct van
de belanghebbenden uit de burgerij, van inwoners uit de
Neerstraat
en het Swartbroek, die lang ontriefd van hun oude, trouwe en
populaire
Minderbroeders, spoedig dit gemis wilden hersteld zien.
Daarom stel-
den zij een rekest op aan den teruggeroepen koning Willem I.
Het voor-
stel week echter weer af van het Brusselsche plan, dat niet
vermeld
wordt door „de supplianten".
184
door den Pastoor, die het beiden als hun officie
beschouwen een kapel
„van nuwes“ te timmeren. Dit woord is voor een dubbele
uitlegging
vatbaar. De conclusie van Sivré is, dat de magistraat van
Roermond
bij het bouwen en vergrooten der Kapel in 't Zand steeds het
initiatief
heeft genomen. Wij kunnen nog daarbij voegen, dat hij ook
steeds het
volledig patronaatsrecht over die kapel heeft uitgeoefend,
zoodat hij
niet alleen de geestelijke bedienaars aan den bisschop
voordroeg, maar
ook de personen die het kostersambt in de kapel vervulden,
aanstelde.
Hare lotgevallen van 1400 tot op onze dagen zijn uitvoerig
beschre-
ven eerst door den Eerw. Pater H. van Krugten, en daarna
door Pater
Kronenburg in het VIe deel van Maria's Heerlijkheid in
Nederland.
Na 1863 komt de kapel in handen van de Paters
Redemptoristen, aan
wier geestelijke bediening tegelijk de zorg voor het
bedevaartsoord
en de zielzorg der omwonende bevolking werd toevertrouwd. De
eigen-
lijke aanwas der bevolking begon eerst sinds dien tijd en
duurt tot op
heden, gelijken tred houdend met de toename der bedevaarten,
zoo-
dat het „Zand” tot een flinke wijk is uitgegroeid (meer dan
eenig ander
stadsdeel) en de Kapel van het rectoraat een nieuwe
vergrooting nood-
zakelijk maakte, en ook thans na 35 jaren de ruimte 's
zomers nog
slechts met moeite aan de eischen voldoet.
Daarom behielp men zich voorloopig door in 1920 met den
aanleg van
een sierlijk Kruiswegpark te beginnen, een ware plantentuin,
die binnen
7 jaren verrijkt werd met 14 staties, gebeeldhouwd door de
hand van
den Roermondschen kunstenaar J. Lücker; de Calvarieberg is
van Jos.
Geelen. Daar wordt sinds eenige jaren 's zomers het H.
Misoffer in de
openlucht opgedragen voor honderden pelgrims.
De zorg voor de bevolking van het Roermondsche Veld behoorde
tot
1921 grootendeels nog onder de Kapel, en is na het bouwen
van de
H. Hartkerk in 1925 overgegaan in de handen van den pastoor
en aldus
is dit stadsdeel tot een zelfstandige parochie verheven. De
eerste en
eenige parochie, die als tweede binnen Roermonds kerspel
zich ver-
hief naast de aloude „moderkircke“.
Maar de kom der oude gemeente, binnen de Maas en de
spoorlijn,
vormt nog eene parochie, één en ondeelbaar!
„UNICA IN OPPIDO” (OORKONDE VAN 1390).
6 November 1784 „la seule et unique paroisse", „qui unicus
in civitate
existit" (Pastoor Coomans aan den Magistraat 30 September
1687),
„de eenige in de stad"! Dit refrein klinkt door en herhaalt
zich van
1400-1800, en lang daarna bij monde van vele herders. Immers
in den
brief aan den bisschoppelijken commissarisrapporteur van de
Luik-
sche Curie, 1390, wordt zoo de parochiekerk al genoemd. Zoo
was het
altijd geweest; zoo zou het moeten blijven tot op heden; als
men onder
het oppidum verstaan wil de kern der gemeente, omlijnd door
de sin-
gels of oude wallen, en uitsluit de pas later buiten de
spoorlijn ont-
stane stadswijk van het Roermondsche Veld, den ager, die nog
niet
zoo lang bewoond wordt, en haar eigen kerk heeft.
186
ROERMONDS KLOOSTERLEVEN
door
C. PYLS
I. OUDE KLOOSTERS.
DE MUNSTERABDIJ.
LS een oud juweel zoo staat de grauwe Munster-
kerk gevat in het stadsbeeld van Roermond. Ken-
ners der historie zullen menigmaal met weemoed
terugdenken aan een lang verleden, toen deze schoone
romaansche
tempel niet was een kerk als zoo vele andere in de stad,
maar de
Roermondsche Abdijkerk, het kostbaarste kleinood der oude
veste.
Immers, zijn er veel Nederlandsche steden wier geschiedenis
vergroeid
is met een of ander klooster, dat binnen haar muren gelegen
was, Roer-
monds geschiedenis is die der Munsterabdij, en zijn de
tegenwoor-
dige Roermondenaars trotsch op hun Munsterkerk, de vroegere
stads-
bewoners waren het nog veel meer op hun Munsterabdij. Deze
abdij
was het eenige Cistercienserklooster in het tegenwoordige
Limburg;
en is hierom al haar geschiedenis merkwaardig, nog meer is
zij dit
door het feit, dat, waar de meeste adellijke vrouwenstiften
het klooster-
lijk karakter al spoedig verloren, dit in de Munsterabdij
steeds is be-
waard gebleven. Weliswaar is ook dit klooster, zooals elke
menschelijke
instelling, niet bewaard gebleven voor onvolmaaktheid, en
heeft het
korte perioden gekend waar de regeltucht, door samenloop van
om-
standigheden, min of meer geslonken was; in groote lijnen
nochtans
kan men beweren dat de Roermondsche Cistercienserabdij
steeds be-
antwoord heeft aan het devies van den regel van St.
Benedictus: „Ora
et labora; Bid en werk".
Om den jare 1200 regeerde over het graafschap Gelre graaf
Otto I,
die gehuwd was met de vrome Richardis, een dochter van den
hertog
van Beieren. Otto was het echte type van een middeleeuwsch
vorst,
steeds gewikkeld in bloedige veeten en oorlogen, een man die
met het
zwaard in de vuist leefde, maar die ten andere, ondanks alle
krijgsmans-
ruwheid, een vurige Godsliefde in het hart droeg, die hem
huis en land
deed verlaten om in Palestina den Turken 's Heeren plaatsen
te gaan
bevechten. Na een leven vol van oorlogsgeweld, overleed Otto
in het
jaar 1207 en werd begraven in de Cistercienserabdij Camp.
Richardis, Otto's gemalin, was nu vrij een roeping te volgen
die zij in
zich meende te voelen. Zij wilde de rest van haar leven hier
op aarde
geheel aan God wijden, en zocht daartoe een klooster waar
zij in een
leven van gebed én voor haar echtgenoot én voor haarzelf het
eeuwige
leven wilde verdienen. Den tijd dat haar keuze nog niet
gedaan was
woonde zij nabij een klooster te Doetinchem, waar zij een
zeer terug-
getrokken leven leidde.
Van haar echtgenoot schijnt Richardis de liefde tot de
Cistercienser-
188
want de abdij Camp, wier abt het toezicht had op de
ordesdiscipline
der abdij van onze stad, was een klooster waar een zeer
strenge tucht
zoowel voor eigen bewoners als voor de onderhoorige huizen
gehand-
haafd werd. - Waren de vrouwenkloosters binnen het juridisch
ver-
band der orde opgenomen, dan zorgde men er met een bijna
overdreven
ijver voor, dat, voor zoover het mogelijk was, dezelfde
gebruiken en
observanties onderhouden werden als in de mannenkloosters.
Uren van
gebed en arbeid, kleeding, voedsel, vasten, onthoudingen en
stilzwijgen,
al deze voorschriften waren identiek met die der monniken.
De Zusters der Munsterabdij droegen de volgende religieuze
kleeding:
een witwollen habijt, waarover een zwart scapulier, een
lederen gordel
en zwarten sluier. Gedurende het koorgebed en in den tijd
die niet
aan den arbeid besteed werd, droeg men den zoogenaamden
„kovel“;
dit was een zeer wijd wit kleed met lange en breede mouwen.
Aan het hoofd der abdij stond „Mevrouw de Abdis“. Tot teeken
harer
waardigheid voerde zij in kerkelijke functies den kromstaf
en in latere
jaren, toen aan de abten der orde het zoogenaamde jus
pontificalium
was toegestaan, droegen de abdissen eveneens het borstkruis
en den
ring. De abdis bezat algeheele rechtsmacht over al haar
onderdanen;
zoowel de koor- en leekezusters als de donaat- en
leekebroeders der
abdij deden in haar handen de kloostergeloften. Al de
overige ambten
van het klooster werden geheel volgens goedvinden van de
abdis aan
personen en voor den duur dat zij besliste geschonken. Aan
de abdis
ook was de geestelijke leiding der zusters, voor zoover deze
niet direct
het priesterlijk karakter droeg, toevertrouwd. Zij moest de
zusters
onderhouden over de kloosterverplichtingen en in het
geestelijk leven
inleiden.
In het bestuur werd de abdis bijgestaan door de priorin en
de sub-
priorin. Deze beiden moesten waken over de uitwendige tucht
in het
klooster, terwijl aan de subpriorin ook nog de belangrijke
taak was toe-
vertrouwd de zusters de talrijke ceremonies bij den
koordienst aan
te leeren. De tijdelijke belangen werden behartigd door de
„celleraria"
en de „bursaria", waarvan de eerste steeds de noodige
inkoopen voor
het klooster moest doen en het toezicht had op de
leekezusters, terwijl
de tweede de kloostergelden onder haar beheer had. De
geestelijke op-
leiding der jonge novicen was het werk der
novicenmeesteresse, die
een vrouw moest zijn rijp in jaren en deugden.
Elk klooster in de Cistercienserorde stond onder de
jaarlijksche con-
trole van den zoogenaamden Pater „Immediatus”. Bij de
mannenkloos-
ters was dit steeds de abt van het moederhuis, dit wil
zeggen het huis,
dat het te visiteeren klooster gesticht had. Bij de
nonnenconventen
echter werd deze visitator steeds door het generaal kapittel
aange-
wezen. De Munsterabdij was door een speciaal indult van Paus
Gregorius IX onder het visitatierecht van den abt van Camp
ge-
plaatst. Deze onderzocht in een persoonlijk onderhoud met
elk der
kloosterlingen den stand van zaken en schreef zijn
bevindingen en ver-
maningen ter verbetering van misbruiken in de „charta
visitationis",
die elken quatertemperzaterdag van het jaar moest worden
voorgelezen
190
Regel van Vader Benedictus biedt, om het abdijleven
zooals dit in het
Munster moet zijn geleid te kunnen peilen. Het is hier niet
de plaats
daar dieper op in te gaan, maar dit eene kunnen we wel
getuigen, dat
waar een leven zoo vol is van geestelijke schoonheid, dat
het zich in
stoffelijke schoonheid uit, daar wordt een intens geestelijk
leven geleid.
En in de Munsterabdij was dit het geval. Staat de abdijkerk
niet als
een eenig pronkjuweel hier in deze streken? De tot nog toe
bestudeerde
documenten toonen ons dat deze uitwendige schoonheid
waarlijk de
vorm was van een inwendige. De lezer oordeele zelf of het
Cister-
cienserleven niet bijna eindelooze aspecten opent voor
mystieke zielen,
en of de bewondering en vereering die het oud Roermond
steeds
koesterde voor zijn abdij niet gegrond was.
Het leven volgens de Cisterciensergebruiken was inderdaad
een
„schola dominici servitii", een goddelijke krijgsschool,
zooals de
H. Benedictus het kloosterleven zoo schoon definieert, want
de meeste
aandacht en ijver en ook de meeste tijd werden besteed aan
een zoo
plechtig mogelijke viering van het koorgebed.
In den vroegen voornacht had het kleine klokje der
Minderbroeders-
kerk de bruine monniken al naar het koor geroepen, maar in
den
vollen nacht, omstreeks 2 uur, beierden de zware klokken van
de Mun-
ster door de stad, en riepen de zusters uit haar rust ter
kerke om de
metten te zingen. Statig, voorop Mevrouw de Abdis, kwamen de
witte
zusters de kerk binnen en namen haar plaatsen in het
koorgestoelte in.
Na een kort openingsgebed verhieven allen zich op het teeken
der
abdis en dan, soms schreiend, soms jubelend, nu eens
juichend en dan
weer zacht als murmelend klonken de fijne, psalmenzingende
vrouwen-
stemmen door het nachtelijk duister der abdijkerk.
Tegen vier uur eindigden de metten. Een der kapelaans las
dan een
stille H. Mis, die alle zusters bijwoonden en waarin op
sommige feest-
dagen gecommuniceerd werd. Omstreeks half zes werden de
primen
gebeden, die gevolgd werden door het „kapittel“. Hiertoe
verzamel-
den zich alle nonnen in de kapittelzaal waar het
martyrologium en een
hoofdstuk uit den H. Regel werden voorgelezen, en waar de
abdis een
korte toespraak tot het convent hield tot uitleg van den
regel.
Op het kapittel volgde de „arbeid“. De arbeidstijd werd in
de vrouwen-
kloosters der orde gebruikt voor fijnere vrouwelijke werken,
zooals
het vervaardigen van misgewaden en ander borduurwerk, het
over-
schrijven en verluchten van de liturgische boeken enz. Zoo
kwam het
dat tijdens de 13de en 14de eeuw de meeste
Cistercienserinnenkloos-
ters een min of meer artistiek milieu vormden. - Het moet
een verhe-
ven aanblik zijn geweest, als in het auditorium van het
klooster de koor-
zusters ijverig in de weer waren met de haar door de abdis
opgedra-
gen werkzaamheden. Hier hield zich een zuster onledig,
gebogen over
haar schrijftafel, met het zorgvuldig copieeren van een of
ander ge-
schrift der kerkvaders, elders schilderde een zuster
prachtige minia-
turen in de koorboeken; weer anderen borduurden kerkelijke
gewaden,
en zoo vond iedere religieuze een arbeid die haar lief was
en de ledig-
heid uit de kloostermuren verbande.
192
vrij spoedig heeft de Abdij belangrijke ontwikkeling
gekend. De
kerk als heerlijk gewrocht van Cistercienser bouwkunst
ontplooide
zich in al haar schoonheid en warme weelde. In 1245 werden
nieuwe
altaren ingezegend ter eere van St. Andreas en St. Elisabeth
door den
aartsbisschop van Keulen, en in 1265 nog eenige ter eere van
de
H.H. Anna, Jacobus, Mathias, Maria Magdalena, en Ursula en
Gezel-
linnen. De kerk en het klooster waren echter nog niet geheel
voltooid
in dat jaar, zooals blijkt uit het verleenen van een aflaat
aan allen
die bijdragen ad consummationem operis ibidem inchoati.
Tegen het
einde van de dertiende eeuw heeft de Abdij zich belangrijk
uitgebreid
en is het normale type van een Cistercienser Abdij met kerk,
kapittel,
refter enz. op grootsche wijze uitgewerkt, zooals ons bij de
blootlegging
der kloosterruïnen in 1924 ten overvloede is gebleken.
Ook de bezittingen van de adellijke Abdij in de
onmiddellijke nabijheid
en over het geheele huidige Limburg en daarbuiten zijn
gestadig aange-
groeid. Reeds vóór het einde van de dertiende eeuw strekten
zij zich
wijd en zijd uit en omvatten zoowel landerijen, hoven,
bosschen en
akkers te Roermond zelf, te Herten, Dulken, Werden,
Betenrode, Wet-
ten, Hedel, Wessem, Stevensweert en Maasbracht, Budel, Echt
(Berke-
laer en Opwijck), Maasniel, Heugten, Aldekerk onder Gelre,
enz., ja
zelfs tot Coblentz toe (Juxta Confluentiam), als tienden te
Nieuwkerk
en Aldekerk (Gelder), Wittem, Venray, Budel en Stevensweert
en in-
komsten te Gelder, Rode en Wetten en vrijdom van schatting,
tol en tien-
den op de domeinen van Gerard van Wassenberg, Herten,
Asenraai en
Berkelaer. Deze uitbreiding had zich voltrokken door
schenking en aan-
koop van de meest verscheiden personen: het kapittel van
Aken, Dirk
van Altena, Dirk van Heinsberg, Otto van Gelre, het kapittel
van St.
Servaas te Maastricht enz., enz .. Paus Honorius III en
Gregorius IX
hebben bij herhaling al deze bezittingen door pauselijk
schrijven beves-
tigd en beschermd.
Welk een beleidvol en machtig beheer is er niet noodig
geweest tot
het instandhouden van al deze bezittingen in den loop der
eeuwen.
Vele van deze boerderijen en hoven werden bewoond en
ontgonnen
door broeders en bedienden der Munsterabdij en werden op
deze wijze
op hun beurt centra van agrarische cultuur en invloed.
En nog voortdurend lezen we, ook in het vervolg, van
uitbreiding en
aanwas. Eenige grepen uit de geschiedenis mogen den lezer
hiervan
overtuigen. Het gericht van Echt verklaart in 1307 dat het
Cistercienser
Convent te Roermond in het bezit is van tienden van acht
bunders
land genaamd Lottellope, gelegen naast den nieuwen molen. In
1356
verklaren Otto van Buren, ridder en heer van Arcen en Marina
zijn
echtgenoote, ten overstaan van schepenen van Wetten dat zij
„omme
Gaedtswille ende in gerichter elmosen omme heil haerer
zeelen" den
hof, genaamd Sceepdonck, gelegen in het kerspel van Wetten,
aan het
convent van de Cistercienserorde te Roermond gegeven hebben.
In
het jaar 1420 komt de Abdij nog in het bezit van vijf bunder
land gele-
gen boven „Cruchten op der Masen“. Zelfs tot in Keulen was
de Abdij
in het bezit van huizen en hoven, die zij voor een
jaarlijksche pacht
194
Ik zou deze enkele gevallen met zeer vele andere kunnen
vermeer-
deren, maar geef er de voorkeur aan den lezer de belangrijke
relaties
der Abdij even te laten aanschouwen.
In een enkele eeuw (de Dertiende) mocht zij de hooge
waardeering
en bescherming ondervinden van de pausen Honorius III,
Grego-
rius IX, Innocentius III, Innocentius IV, Alexander IV,
Urbanus IV,
Clemens IV, Gregorius X, Nicolaas IV en Bonifacius VIII.
Aartsbis-
schoppen, bisschoppen, prelaten en vorsten overlaadden haar
met gun-
sten en voorrechten; zoo o.a .: Engelbert, aartsbisschop van
Keulen,
Konraad, bisschop van Porto en Rufina, (pauselijk legaat),
Gerard,
graaf van Gelre, en de meeste graven uit dit vorstelijk
huis, Hendrik,
aartsbisschop van Keulen, Hugo, bisschop van Luik, graaf
Hendrik
van Nassau, Koenraad, aartsbisschop van Keulen, Wilhelmus,
abt van
Averbode, Reinald, hertog van Limburg, Sifridus,
aartsbisschop van
Keulen enz., enz.
Ook op andere wijze blijkt overduidelijk de invloed der
machtige
Abdij op godsdienstig gebied, zoodat wij de Munsterkerk het
centrum
kunnen noemen van Roermonds religieus leven. Een sprekend
bewijs
hiervoor ligt in het feit dat de Abdis vanaf het jaar 1554
verplicht is
tien sermoenen te doen prediken op vastgestelde dagen, en
wel op:
de drie eerste Zondagen van de Vasten, 's Maandags na
Paschen,
Hemelvaartsdag, Pinksteren, H. Drievuldigheidszondag, Feest
van
Joannes den Dooper, Feest van Maria Magdalena en tweeden
Kerstdag.
Die invloed en meteen ook de liefde van Roermond voor zijn
Abdij,
zijn glorie en zijn trots, straalt helder uit bij
gelegenheid der jaarlijk-
sche processie, die vanuit de Munsterabdij door de straten
der stad
trok. Het moet een schitterend schouwspel zijn geweest dat
zich voor
de oogen der stadsbewoners ontplooide, als de deuren der
abdijkerk
zich openden en het geheele convent der zusters,
voorafgegaan door
de Hooggeboren Vrouwe Abdisse, gekleed in de wijde witte
kovels
zich in den stoet begaf. Geen moeiten en geen kosten werden
er ge-
spaard, om aan deze processie zooveel mogelijk luister en
praal bij te
zetten. Enkele rekeningenposten uit het laatst der
vijftiende eeuw spre-
ken dienaangaande een duidelijke taal.
Dit medeleven van de inwoners der stad, met het lief en leed
der abdij
blijkt ook nog uit het feit dat toen in het jaar 1683 de
bisschop het
Cistercienser klooster wilde verplaatsen en onderbrengen in
de gebou-
wen der Rekenkamer, wat zoo goed als gelijk stond met haar
opheffing,
dit belet werd door de ijverige bemoeiingen van de Staten en
den
Magistraat. De volgende regels dateerend uit het jaar 1794
teekenen
ook zeer scherp de verhoudingen die bestonden tusschen de
Abdij en
de burgerij. „De Abdije Munster werd gerequireerd tot
werkplaats
voor de smeden; maer door ijver van de borgers is hetselve
belet, en
de smederij is gemaekt in het Convickt."
En zoo heeft de machtige Abdij, als het groote en edele hart
van
Roermond, geleefd en geklopt, - en mèt de stad Roermond zou
ook de
roemrijke Abdij haar ondergang naderen. En hoe zal Roermond
ge-
196
1311 en 1324 echter is het hof reeds naar de stad
overgebracht en het
nieuwe hof gesticht
Wie als begijn wenschte te worden aangenomen moest zooveel
be-
zitten dat zij ten minste haar bier en brood had, dat is
„een malder
rogghen ende een malder gersten"; zij moest „vrij zijn ende
loss” van
alle beloften, hetzij van religie of van den huwelijken
staat, bekend
staan als eene vrouw van „goeden name ende fame” en
gedurende
den tijd van minstens een jaar op het hof hebben gewoond.
Bij de
opneming moesten zij in handen des pastoors „Godt reynicheyt
ghe-
loven" voor zoolang zij in het hof zouden wonen en bij die
gelegenheid
kregen zij haar kleeding. Deze kleeding moest eenvoudig zijn
en be-
staan uit zwarte rokken en falien naar het oud fatsoen; lang
haar en
wereldlijke „heucken van curieus fatsoen met fluweel ofte
zyden ploem-
coorde geboord" waren verboden. In de 17e en nog meer in de
18e
eeuw had het Begijnhof veel van zijn oorspronkelijken bloei
ingeboet.
Het bleef niettemin bestaan tot in den Franschen tijd.
In de zeventiger jaren van de vorige eeuw genoten nog een
tweehon-
derdtal menschen voor weinig of geen aan het Godshuis te
betalen
huur huisvesting in de aloude woningen van het Begijnhof.
Het kerkje van het Begijnhof was 611/4 voet lang, 31 voet
breed en
36 voet hoog. Het werd 28 November 1797 op bevel van het
Fransche
bestuur gesloten en korten tijd daarna afgebroken.
Het zegel waarvan de begijnen zich bedienden had eene ovale
gedaante
en stelde de H. Catharina voor met het omschrift in gotische
letters:
+ S. PVELLAR'NOVE CVRIE RURMDE.
HOSPITAALBROEDERS VAN DEN H. GEEST.
Voor wat aangaat deze orde moge kortheidshalve worden
verwezen
naar het opstel over Instellingen van Weldadigheid.
DE MINDERBROEDERS.
De orde der Minderbroeders is gesticht door den H.
Franciscus van
Assisi (+ 1226). Zij heeft zich reeds in de jaren van dien
grooten
heilige met wonderbare snelheid over heel de wereld
uitgebreid. Tot
een van de oudste stichtingen in de tegenwoordige
Nederlanden be-
hoorde het Roermondsche klooster.
Wie nu nog elk jaar de Minderbroeders - de bruine paters van
Weert
- hun rondgang ziet maken door de straten van Roermond,
heeft zich
wellicht nog nooit ingedacht in het feit, dat daarmede een
traditie
wordt voortgezet van eeuwen; en wanneer thans Roermond zich
op
maakt te gedenken al het lief en al het leed, dat het in 700
jaar door-
maakte, moge een korte herinnering aan hen, die al dat lief
en al dat
leed deelden, niet worden nagelaten.
Om de wederzijdsche verhouding tusschen de Minderbroeders en
de
bevolking te begrijpen moet men in feite een inzicht hebben
in leven
en werken, geest en regel van eerstgenoemden. Het leven der
Minder-
198
ningsverschillen het best kunnen leveren. Nu is het
echter een op-
merkenswaardig verschijnsel, dat zulke geschillen, wat de
Minderbroe-
ders betreft, in de Roermondsche stadsgeschiedenis nooit
voorkomen.
Zoo bij blijde als bij droeve gebeurtenissen daarentegen als
in den
gewonen gang des levens, het is altijd dezelfde innige
verstandhouding,
dezelfde onderlinge waardeering. Was het dan wonder dat
Jozef II, toen
hij de meeste kloosters te Roermond ophief, de
Minderbroeders spaar-
de, en dat zelfs de Sansculotten listig den nacht afwachtten
eer zij
tot hun uitdrijving overgingen, geschrokken als zij waren
van de drei-
gende houding, welke het samengeschoolde volk had
aangenomen,
toen het van dat boosaardig plan had vernomen?
Het is intusschen niet onaannemelijk, dat de bijzondere
sympathie
van Roermonds bevolking voor de Minderbroeders onder meer
ook
een economischen kant had. Wanneer men in de geschiedenis
der Stad
leest, dat er nog al eens geklaagd wordt over een teveel aan
vaste
goederen bij de kloosters en te weinig bijdragen in de
algemeene lasten,
dan kon zulks de Minderbroeders immers niet gelden, die
leefden van
de goede gaven van menschen en stadsbestuur. Wil men
ideëeler gron-
den? Wel dan kan worden gewezen op het regelmatig contact
tusschen
volk en klooster, op het drukke bezoek van hun kerk en
biechtstoelen,
waar de broeders blijkbaar steeds de juiste snaar wisten te
treffen,
zoo in goeden als slechten tijd, zoo bij blijde als bij
droeve gebeurte-
nissen, om de menschen nader te brengen tot God, hun te
dienen tot
steun en troost; op hun verdiensten bij het verplegen van
zieken, welke
verdiensten zelfs door de Franschen werden erkend, toen zij
hen in
1795 als oppassers in het militaire hospitaal riepen.
Niet alleen om de namen van eenige Minderbroeders en enkele
bij-
zonderheden aan de vergetelheid te ontrukken, maar ook om de
betee-
kenis van dit klooster voor de Stad beter te doen uitkomen
moge hier
het volgende nog een plaats vinden
Bij de Minderbroederskerk was oorspronkelijk een
„heiligdomstoren”
aanwezig waarin kostbare reliquieën werden bewaard, die op
bepaalde
tijden aan de menschen werden vertoond.
De Roermondenaar van vroeger koos graag zijn graf in de kerk
en
op het kerkhof der Minderbroeders. Ten teeken hiervan dienen
nog de
veelvuldige grafsteenen in de kerk, welke de namen vermelden
ook van
de aanzienlijkste geslachten
Bisschop Sanguessa was gardiaan in dit klooster, toen er in
1707 het
vierde eeuwfeest werd gevierd, dat een feest is geweest voor
stad
en omgeving
Preekstoel en biechtstoelen in de kathedrale kerk, welke
meesterstuk-
ken uit de Minderbroederskerk afkomstig zijn, zijn
vervaardigd door
broeder Mathias Vincken, die in Rome het beeldhouwen had
geleerd.
In 1662 was de torenspits van de parochiekerk zoo bouwvallig
dat een
vernieuwing geen uitstel duldde. In de geheele stad was
blijkbaar geen
bekwamer architect te vinden dan Broeder Jozef van Halle die
het plan
Het waren de overheden van de Stad, die namens de Staten van
het
moest maken.
200
gestichte Derde Orde, dat Roermond zijn
Tertiarissenkloosters heeft
gehad en nog heeft. Als het eerste daarvan noemen wij:
DE BEGGAARDEN.
In den loop van de 13de en in de eerste helft van de 14de
eeuw ver-
spreidden zich leekengenootschappen van bijeenwonende
werklieden,
meestal wevers over onze landstreken. En in de 14de en 15de
eeuw wor-
den achtereenvolgens Beggaardenhuizen opgericht o.a. te
Maastricht,
Middelburg, Zierikzee, 's-Hertogenbosch en Roermond.
Van den beginne af had elk Beggaardenhuis zijn Regel, maar
om aan
hun instelling meer vastheid bij te brengen en tevens een
onloochen-
baar bewijs te geven van hun rechtgeloovigheid, vonden de
Beggaarden
het raadzaam hier vroeger, daar later zich aan te sluiten
bij een door
de kerk plechtig erkende instelling: de Derde Orde van Sint
Franciscus.
Al die Beggaarden volgden den Regel van de Derde Orde,
zooals deze
uitgelegd was in de Bulle Supra Montem, gegeven door Paus
Nicolaus
IV, 19 Augustus 1289. Zij die onder de Beggaarden wilden
opgenomen
worden moesten eerst in het proefjaar voldoende blijken
geven van
godsvrucht en deugd en deden dan belofte van zuiverheid,
gehoorzaam-
heid en betrekkelijke armoede. Elken morgen moesten de
broeders,
vooraleer hun werk te beginnen, Metten en Lauden bidden en
de
H. Mis bijwonen. Geen wapens mochten zij dragen, noch een
proces
voeren voor de wereldlijke rechtbank. Een klok gaf het
teeken tot
gebed, arbeid en verdere verdeeling van het etmaal.
Bij een bijeenkomst van afgevaardigden van 17
Beggaardenhuizen op
29 September 1346 waren er ook uit Roermond aanwezig. Tot in
het
midden van de 15de eeuw waren deze Beggaarden werklieden,
die met
Franciscus' boetekleed om de schouders en met zijn geest van
blij-
heid en liefde tot God bezield, blij den weversarbeid
verrichtten. Zij
behielden echter hun eigendom en het gebruik van de
goederen, die zij
bij hun intrede bezaten en het loon van hun arbeid.
Het Roermondsche Beggaardenklooster was toegewijd aan St.
Theo-
bald.
Aan hen herinnert de Bakkerstraat, wat een foutieve naam is
voor
Bekkerstraat, een verbastering van Beggaardenstraat. Na de
opheffing
van de Beggaarden werd op de plaats, door hen bewoond, het
klooster
Mariawee gesticht.
DE FRANCISCANESSEN VAN GODSWEERD.
Een convent van Zusters, die den regel van Sint Franciscus'
Derde Orde
volgden, vormde het klooster Godsweerd. De eigenlijke naam
hiervan
was Emmaus, en het lag op een waard buiten de stad, aan de
West-
zijde. Daarheen liep vroeger de Begijnenstraat door de
Begijnenpoort,
ook genaamd Emmauspoort, langs het Minderbroedersklooster.
Aan
den naam Emmaus herinneren nog de naam Deemsel op het
kadaster,
('t Eemsel, Emmaus sacellum) en de Deemselstraat.
202
Van de 23 Kartuizers die in 1572 het klooster bewoonden
kwamen
12 om het leven bij de inname der stad door Willem den
Zwijger.
De eerste prior der Kartuizers was Hendrik Egher of Henricus
van
Calcar, oud hoogleeraar der Universiteit van Parijs en man
van groote
bekendheid. Een bekende prior is voorts Albertus Buer (†
1439), zeer
ervaren in tijdelijke zoowel als geestelijke dingen. Later
was hij prior
der abdij van Bazel, alwaar hij veel invloed heeft gehad op
het Con-
cilie van dien naam. Bartholomeus van Maastricht, die aan
hetzelfde
concilie heeft deelgenomen, een der beroemdste geleerden van
zijn
tijd, was hoogleeraar en rector aan de Universiteit van
Heidelberg
en in de jaren 1442-1446 prior te Roermond. Omstreeks 1600
werd
het klooster bewoond door den bekenden geschiedschrijver
Havensius.
Een van de roemrijkste mannen uit de namiddeleeuwen is
echter
Dionisius de Kartuizer die er 12 Maart 1471 als prior
overleed na een
verblijf aldaar van 48 jaren. Een tweetal aanhalingen mogen
hier vol-
gen, een uit de kerkgeschiedenis van Nederland vóór de
Hervorming
door W. Moll, hoogleeraar te Amsterdam. „Dionisius van
Roermond
wist een Brugman de waardigste stof zijner volkspredikatiën
in den
mond te leggen, en met vorsten en prelaten van verschillende
landen in
correspondentie, toonde hij met de daad, dat de afzondering
der cel
een klaar geestesoog niet beletten kon de krankten waaraan
de Chris-
tenheid alom leed, met een juisten blik te onderscheiden en
tevens
de middelen tot hare genezing te ontdekken".
In „Herfsttij der Middeleeuwen“ haalt J. Huizinga Dionisius
den Kar-
tuizer niet minder dan twintigmaal aan. Ik citeer alleen het
volgende:
„Niet enkel vorsten, ook tal van edelen, geestelijken en
burgers be-
stormen zonder ophouden zijn cel te Roermond om raad; hij
geeft
voortdurend tallooze oplossingen van moeilijkheden,
twijfelingen en
gewetensvragen". En verder: „Zijn arbeidskracht moet
onverwoestbaar
zijn geweest. Zijn geschriften vullen 45 quarto deelen. Het
is alsof de
geheele middeleeuwsche theologie nog eens uit hem
terugstroomt. Qui
Dionysium legit, nihil non legit, heette het onder de
theologen der
16de eeuw."
In de 18de eeuw kwam het klooster tot zijn grootsten
materieelen
bloei. De abdij was toen rijk. Haar meeste goederen lagen in
den om-
trek: Swalmen, Maasniel, Maasbracht, Echt, Posterholt,
Helden enz.
Van haar overvloed bouwde zij kerken, voorzag die van
priesters en
deed zij uitdeelingen aan de armen.
17 Maart 1783 supprimeerde Jozef II ook deze stichting,
waaraan de
namen Swalmerstraat, Wernerstraat, Bethlehemstraat,
Dionisiusstraat
en St. Brunoput, naast de schoone kerk van het Seminarie, de
herinne-
ring echter blijven levendig houden.
In 1786 zijn de eveneens gesupprimeerde adellijke zusters
Norberti-
nessen van Houthem St. Gerlach er komen uitsterven.
Mgr. Paredis kocht het gebouw voor een Seminarie. Bij de
inwijding
19 October 1841 waren nog twee zusters over: Freule de
Flaminge
(† Nov. 1841) en Sibille Bergrath († 1847).
204
werden de Lijdenspreeken zóó over de kerken verdeeld,
dat op Goeden
Vrijdag de meditatie over Jezus' sterven in de
Kruisheerenkerk werd
Meerdere plaatsen uit de kronijk bewijzen de goede
verstandhouding
gehouden.
tusschen de Kruisheeren en de overige zoowel seculiere als
reguliere
geestelijkheid eenerzijds en het wereldlijk bestuur
anderzijds
Van hun kinderlijke liefde voor den Bisschop getuigen o.a.
't gedicht,
opgedragen aan Mgr. Sanguessa bij diens Wijding en de
illuminatie
van het klooster bij den intocht van Mgr. Kerens.
Zichtbaar rustte Gods bescherming op 't klooster en zijne
bewoners.
De groote brand, die 13 Mei 1665 twee derde van de stad
verwoestte,
spaarde de wijk waarin de Kruisheeren woonden. Nóg grooter
zegen
echter mogen we zien in 't feit, dat tijdens de hervorming
alle leden
van dat klooster God en Zijn H. Dienst getrouw bleven,
hoewel ook
zij in de kwelling, den religieuzen, bij de inname van
Roermond aan-
gedaan, moesten deelen. Bekend is, hoe de Prior, na slagen
en mis-
handeling, als een hond onder een kar werd gebonden, hoe hem
bedor-
ven brood en water werd voorgezet en hem eerst voor een
losprijs van
1000 daalders de vrijheid werd gegeven.
Toch moest door Gods toelating onder de vele kloosters, die
de Orde
verloor, ook dat van Roermond vallen. Toen op bevel van
Jozef II
meerdere kloosters in Roermond werden ontruimd, dreigde er
ook
gevaar voor 't convent der Kruisheeren. De Subprior Hendrik
van
Kruchten, hoewel zeer bevreesd, toont in een bewaard
gebleven toe-
spraak nog eenig vertrouwen. „'t Volk zegt, dat we voor 't
algemeen
welzijn arbeiden, zieken helpen, stervenden bijstaan." In
geloof en
eenvoud gaat hij verder, „Wij erkennen Gods straf, we hebben
ge-
dwaald, bidt dat God zijn gramschap van ons afwende." De
Voorzienig-
heid beschikte anders; met aflegging van 't habijt, werden
de Kruis-
heeren den 15 Mei 1784 gedwongen hun klooster te verlaten.
Slechts
de namen Kruisheerenstraat en Cornelisstraat bewaren nog de
her-
innering aan hun verblijf en arbeid in Roermond.
In 1808 wordt de plaats waar de Kruisheeren waren gevestigd
beschre-
ven als volgt:
„Il ne reste maintenant que les démolitions du cidevant
Couvent de ce
nom, sur un terrain de 100 mêtres environ de longueur sur
une largeur
de 80 à 90 mêtres, d'une forme peu régulière, et dont la
moitié du côté
de l'Ouest a servi de jardin et pourra être mise en culture;
l'autre
moitié presqu'entièrement recouverte de décombres ne peut
être utili-
sée qu'après qu'on les aura déblayés.
Ce terrain tient à l'est à la rue dite Hamstraet, du midi à
celle dite
Achtermariengarde, *) du couchant aux jardins dits de Raemen
et au
nord à la maison des héritiers de la Marck."
Bij de inwijding van het Vincentiusgebouw 8 December 1880
zeide ka-
pelaan Notermans o.a. het volgende:
„Hecht en sterk verheft zich dit gebouw op een terrein dat
noch
D. w. z. het gedeelte, dat tegenwoordig
Kruisheerenstraat heet.
206
Kruisheeren overlegd hoe het kloostertje zou zijn te
herstellen. De
gebouwen werden gerestaureerd en de stad zegde 100 gulden
b.b. jaar-
lijksch subsidie toe plus een voeder groot kolen en een
prove uit het
Gasthuis op den Schuitenberg van zestig gulden en twee
malder rogge
's jaars. Bovendien mochten zij op de vier hoogtijden omgaan
en hare
termijnen houden als hetgeen zij met ziekenverpleging
verdienden
voor haar levensonderhoud niet toereikend mocht zijn.
In 1615 als de pest heerschte regelde de Magistraat het
tarief waarnaar
de zusters zich voor haar diensten mochten laten betalen.
Zij werden ook buiten de stad geroepen, maar leden niettemin
gebrek.
Een en ander is af te leiden uit een vergunning welke de
Bisschop
14 November 1699 verleende aan zuster Anna Verbeek en zuster
Adriana Bormans om in het land van Kessel „d'aelmoesen van
de
goede luyden op te haelen hetzij in boter, graen oft
andersints om
dairuyt hunnen noodtdruft te vinden." Ook deze zusters
werden door
Jozef II overbodig geacht. Haar klooster werd in 1785
gesupprimeerd
en den 15 September van dat jaar verlieten zij het convent.
MARIAGAARD.
Het vrouwenklooster Mariagaard was gelegen aan de straat van
dien
naam, die destijds de Nieuwstraat heette. Het werd gesticht
in 1463
door Gertrudis Mans en hare dochters. Deze religieuzen waren
kano-
nikessen der Orde van den H. Augustinus en bezaten vele
eigendom-
men in het graafschap Horn.
De Magistraat der stad gaf den 6en Juli 1463 zijne
toestemming tot
deze stichting, op voorwaarde dat het getal van twee
priesters met
eenen knecht, twintig jonkvrouwen, zoo gewijde als
ongewijde, en
zes of zeven donatrices, nooit zou overschreden worden.
Als overste stond aan het hoofd des kloosters eene priorin.
Het Klooster Mariagaard werd op keizerlijk bevel in 1784
gesuppri-
meerd. De gebouwen werden afgebroken.
De laatste tastbare herinnering aan dit klooster, een poort
van naam-
schen steen, is pas in de Mariagardestraat opgeruimd.
DE JEZUIETEN.
Voor wat betreft de Jezuieten moge steller dezes zich
refereeren aan
hetgeen over hen in het opstel over Onderwijs is
medegedeeld.
DE CLARISSEN.
In den nacht van 18 op 19 Maart 1212 was Clara Scifi naar
Franciscus
in Portiuncula gevlucht, waar zij een arm habijt ontving,
door een
ruw koord bijeengehouden, om voortaan het Evangelie naar de
letter
te onderhouden, gelijk Franciscus zelf.
Dat was het begin van de orde, naar Clara genoemd, het begin
van de
tweede orde door Sint Franciscus gesticht.
208
haer mondcosten, maer 't ghene sy lheeren geschiet haer
ter eeren
Godts. De schole der aermen is ghesepareert van d'andere. De
schole
der maecten*) wordt gehouden op Sondaghe en de
heylighdaghen".
Klooster en kapel werden in 1665 een prooi der vlammen,
werden ech-
ter weder opgebouwd en uitgebreid. Op 21 October 1685 werd
de prach-
tige kerk door bisschop Reginald Cools gewijd en weldra
genoten in
deze inrichting behalve uit Roermond jonge juffrouwen uit
Duitsch-
land en Engeland zoowel als uit Holland en België haar
opvoeding.
In 1712 nam hertogin Henrietta Christina van
Brunswijk-Luneburg
Wolfenbuttel, een tante van de gemalin van keizer Karel VI,
haar intrek
in dit klooster en verbleef er tot aan haar dood, 20 Januari
1753
Den 6 Februari 1718 vierden de Ursulinen het eerste
eeuwfeest harer
orde, de congregatie van Bordeaux. 200 leerlingen woonden
het feest
bij. Des avonds was het prachtig klooster geillumineerd en
geheel de
stad nam deel aan de feestvreugde. Ook de armen werden niet
ver-
geten. De Hertogin de Wolfenbuttel deed onder hen 100
brooden
uitdeelen.
Den 3 October 1741 woonden in het klooster 25 koorzusters en
7
leekezusters.
Jozef II spaarde de Ursulinen om haar verdiensten voor de
samen-
leving. Zelfs de Fransche republikeinen aarzelden tot 23
November
1797 met de opheffing dezer orde.
Den 26 Februari daarna werden de laatste lessen gegeven en
den 13
December 1799 werden de meubelen en de kloostergebouwen
verkocht
voor fr. 300.000 aan Mathieu Moreau.
Op 22 Maart d.a.v. werd de toren van de kerk afgenomen en
ook deze
werd weldra afgebroken. Een gedeelte van de kloostergebouwen
echter
dient heden nog tot particuliere woning, terwijl in het
andere gedeelte
de R. K. Landbouwschool is ondergebracht.
De laatst overlevende Ursuline uit dit klooster overleed den
17 Augus-
tus 1853, nadat den 10 Januari van dat jaar de Ursulinen van
Sittard
de overblijfselen van het door Jozef II in 1784 opgeheven
klooster
Godsweerd aan de Voogdijstraat hadden gekocht om zich aldaar
te
vestigen. Waarover later.
DE POENITENTEN.
In het begin van de 17de eeuw leefde in het klooster der
Grijze Zusters
te Gent Zuster Joanna de Neerinck; haar kloosternaam was
Joanna
van Jezus. Tot overste gekozen, voelde zij zich door Gods
genade
aangespoord om het kloosterlijk slot en een strengere
regeltucht in
te voeren. Na verschillende moeilijkheden overwonnen te
hebben, kon
zij onder leiding en met hulp van den bekenden P. Petrus
Marchant
O.F.M. zich met andere zusters vestigen te Limburg, de
hoofdstad van
het oude hertogdom van dien naam. Naar dit klooster werden
later de
Zusters „Penitenten-Recollectinen van de Reforme van
Limburg” ge-
noemd. Deze Reforme bloeide weldra ook te Stockhem en van
daar uit
*) Dienstboden.
210
Het klooster werd in 1783 gesupprimeerd. De Zusters
vertrokken zon-
der iemand te zien in een gesloten rijtuig naar Frankrijk,
alwaar zij
in een klooster harer orde werden opgenomen. Van Frankrijk
togen
zij, toen het daar niet meer veilig was, naar Brabant en in
Mei 1794
keerden zij ten getale van negen te Roermond terug, waar het
oude
klooster weer voor haar werd ingericht.
Dezelfde maand nog moesten ze het klooster ruimen voor de
Oosten-
rijksche troepen. Mevrouw de Abdis van het Munster verleende
haar
nu een schuilplaats in hare Abdij. Drie jaren daarna 3
Februari 1797
zijn zij ook vandaar moeten vertrekken en zijn zij gaan
wonen op
de Markt.
Pogingen na den dood van Jozef II aangewend om het
onderbroken
kloosterleven te herstellen leden schipbreuk door het
invallen der Fran-
sche revolutie.
Roermond telde een halve eeuw lang geen enkel klooster meer.
„Daar vaart langs heel de
wereld een woeste doodsorkaan
De scheppingen der menschen
verrijzen en vergaan.
De scheppingen des Heeren
behooren mee den dood,
Want Hij alleen is Koning,
Zijn macht alleen is groot!"
II. NIEUWE KLOOSTERS.
Bij Koninklijk besluit van 10 Juli 1845 no. 57 verkregen
Vrouwe Douai-
rière van der Renne van Daelenbrouk geboren Michiels van
Verduy-
nen en eenige andere aanzienlijke Roermondsche dames
vergunning
tot het houden eener particuliere loterij van
bijeengebrachte voor-
werpen, waarvan de opbrengst zoude strekken tot oprichting
van een
gesticht van Zusters van Liefde.
Een der voorwaarden luidde: „Dat bij de vestiging van een
vereeniging
of congregatie van Zusters van Liefde in het op te richten
gesticht
van weldadigheid de verordeningen, in het decreet van den 18
Februari
1809 vervat, zullen behooren te worden toegepast en de
belanghebben-
den zich derhalve daarnaar behooren te gedragen". De
goedkeuring
van het gouvernement was namelijk vereischt voor de
oprichting van
een zoodanig gesticht. Ziedaar het eerste officieele teeken
van nieuw
kloosterleven te Roermond.
CONGREGATIE DER ZUSTERS VAN LIEFDE.
St. Augustinus-gesticht aan de Kloosterwandstraat.
23 November 1832 werd door Mgr. Zwijsen destijds pastoor van
de
parochie 't Heike te Tilburg de congregatie der Zusters van
Liefde
gesticht, waarvan de oorspronkelijke bedoeling slechts was
eene stich-
ting van religieuzen, die opvoeding en onderwijs zouden
geven aan de
arme meisjes der parochie. Het werk vond echter zooveel
bijval dat
212
Sedert September 1931 geven deze Zusters ook lager
onderwijs aan de
Kapel in de plaats van de Zusters van het arme Kind Jezus.
Van 1851 tot 1929 zijn deze Zusters tevens belast geweest
met de huis-
houding en ziekenverpleging in het Hospitaal.
DE BROEDERS.
Door de zorgen van Mgr. Ludovicus Hubertus Rutten werden een
drie-
tal jonge mannen in het religieuze leven opgeleid om met hem
den voor
dien tijd gewaagden stap te doen om in Maastricht het eerste
bijzonder
onderwijs te geven. Den 21 November 1840 werd de bidplaats
in „De
Roode Leeuw" in de Bogaardenstraat ingezegend. Van dien dag
af
rekenen de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis het
bestaan hun-
ner congregatie. Was het begin klein, thans telt de
vereeniging meer
dan 600 leden, werkzaam in 25 huizen.
De handelingen van den gemeenteraad van Roermond van 22 Juli
en
11 Augustus 1852 vermelden den afstand van de stadsschool
(welke
een armenschool zou worden) aan de Christelijke Broeders van
Maas-
tricht, onder toekenning van een jaarlijksch subsidie van f
1000, -.
15 November d.a.v. openden de Broeders de school met 117
leerlingen
in een stadsgebouw. Het volgend jaar brachten zij ze over
naar een
eigen gebouw in de Hegstraat thans Lindanusstraat genoemd.
Hoofd
was Br. Stanislaus (J. Rouw).
Deze werd bijgestaan door vijf Broeders.
Aanvankelijk was bij de Broeders ook ondergebracht de
stichting van
wijlen Z. D. H. den Baron van Wijkerslooth van Schalkwijk
voor mili-
tairen weeskinderen, welke stichting in 1856 naar Weert werd
over-
geplaatst.
Kapel en scholen werden 1 Mei 1854 plechtig ingewijd door
Mgr.
Paredis, bisschop van Roermond.
Van 22 October 1864 tot in 1867 werd het gebouw langs de
Karme-
litessenstraat gesticht bestemd voor klassen der stadsschool
en het
pensionaat St. Louis.
De volgende data verdienen nog vermelding: 21 November 1876
werd
de nieuwe kapel ingewijd, 1 November 1907 de openbare school
omge-
zet in een bijzondere, de St. Jozefsschool en 1 Januari 1908
had de
opening van de St. Vincentiusschool aan de Dionisiusstraat
plaats.
1 October 1914 werd het pensionaat St. Louis overgeplaatst
naar
Amersfoort en betrok de Landweer de gebouwen.
De Broeders wonen sindsdien Willem II Singel 63, van waaruit
de
beide scholen aan de Dionisiusstraat tot heden werden
bediend.
Sedert 1 September 1931 komt ook het onderwijs aan de St.
Aloysius-
school in het Veld voor rekening der Broeders.
DE URSULINEN.
In Januari 1853 kwamen de nieuwe Ursulinen van de stichting
van
J. C. M. Lambertz den heiligen pastoor van Thildonck zich te
Roer-
214
oefeningen welke de Redemptoristen overeenkomstig het
doel hunner
congregatie van uit hun klooster in het bisdom en daarbuiten
preeken,
arbeiden zij aan het zielenheil van de bewoners van het
rectoraat der
kapel en voor den bloei der godsvrucht tot O. L. Vrouw in 't
Zand.
In 1883 werd door de Paters een later in tweeën gesplitste
bewaar-
school opgericht en in datzelfde jaar een leerschool voor
jongens
en meisjes samen. In 1900 volgde een afzonderlijke lagere
jongens-
school, die aan onderwijzers werd toevertrouwd. In 1908 werd
een
nieuw klooster van de Zusters gebouwd en de jongens- en de
meisjes-
school uitgebreid en geheel nieuw ingericht. Ten slotte werd
in 1920
een dubbele MULO-school een voor jongens en een voor meisjes
ge-
opend, terwijl nog voor de meisjes een huishoud- en een
naaischool
tot stand kwamen.
In 1909 was reeds een jongenspatronaat opgericht, waarvoor
in 1911
een nieuw gebouw werd gezet. In dat jaar werd tevens een
meisjes-
patronaat opgericht en in 1917 voor oudere jongens een
gezellenzaal
gesticht met daaraan verbonden avondteekenschool. Het
spreekt van-
zelf dat bovendien ook zuiver godsdienstige vereenigingen
tot stand
kwamen en veel door hen werd gedaan voor den wederopbloei
der
vereering van O. L. Vrouw in 't Zand.
Door de Meiwet van 1875 (Kulturkampf) werden alle
geestelijke orden
en congregaties uit Pruisen geweerd met uitzondering van
diegene die
zich uitsluitend bezig hielden met verpleging van zieken.
Dientengevolge vestigden zich te Roermond de Ursulinen van
St. Sal-
vator, de Zusters van het Arme Kind Jezus en de
Carmelitessen.
DE URSULINEN VAN ST. SALVATOR.
In 1876 kwamen te Roermond de Zusters van St. Salvator uit
Mülheim
a. d. Rijn een filiaal van het klooster te Munstereifel in
het voormalig
land van Gulik waar zij in de 16de eeuw gesticht waren door
Marga-
retha Lynnerie en vestigden zich in haar tegenwoordig
klooster aan de
Zwartbroekstraat, alwaar zij aan haar pensionaat een school
voor lager
onderwijs toevoegden. In 1879 kwamen ook de Zusters uit
Munstereifel
over en het volgend jaar voegden zich bij haar de Ursulinen
uit Dus-
seldorf, die sinds 1875 haar verblijf hadden gehad te
Maastricht. Met
toestemming van Mgr. Paredis vereenigden zich beide
congregaties
in 1881 tot ééne communiteit onder den naam van Ursulinen
van St.
Salvator en ontvingen in 1883 de pauselijke goedkeuring.
Toen het in 1887 de meeste onderwijsorden mogelijk werd
gemaakt
naar Pruisen terug te keeren en scholen te openen (hoogere
meisjes-
scholen) bleven de Ursulinen van St. Salvator niet achter en
richtten
zij een hoogere meisjesschool te Dusseldorf op. Intusschen
bleef het
huis te Roermond voortbestaan al wijdden de zusters zich
sindsdien
aan een meer bescheiden werkkring. Duitsche moeders, vooral
vroegere
pensionaires, vertrouwden graag haar kinderen aan het
pensionaat toe,
dat echter ook veelal door Hollandsche, Belgische, Fransche
en Engel-
216
Verder zijn zij werkzaam le. voor het Groene Kruis; 2e.
het lager
onderwijs; 3e. het R. K. Godshuis en 4e. het St. Laurentius
Ziekenhuis.
Toen de Zusters van Liefde 6 October 1910 verklaarden het
niet op
zich te kunnen nemen geregeld zieken aan huis te verplegen,
werd de
St. Jozefscongregatie daartoe bereid gevonden en nam 21
Maart 1911
de wijkverpleging een aanvang.
Het Groene Kruis was eerst gevestigd in de Pieter
Cuypersstraat, daar-
na sinds 15 April 1925 in de Swalmerstraat en is 22 April
1929 in het
R. K. Godshuis, en eenigen tijd later in het St. Laurentius
Ziekenhuis
ondergebracht.
De school in het Roermondsche veld werd geopend 11 Januari
1926
Er wordt op het oogenblik Fröbelonderricht en Lager
onderwijs in vier
klassen gegeven door 5 zusters en 2 leekeonderwijzeressen.
De toekomstige oprichting van het katholiek bijzonder
ziekenhuis in
het Veld had onverhoopt het gevolg, dat de Zusters, die in
het R. K.
Godshuis en het Louisahuis èn weezen naast ouden van dagen
èn zie-
ken verpleegden, zich uit deze stichting terugtrokken.
Mgr. Driessen, de stichter van het nieuwe ziekenhuis, nam
toen, 22 Juli
1929, de verpleging in het Louisahuis op zich onder
voorwaarde dat
de daar bestaande ziekeninrichting bij de opening van het
nieuwe
ziekenhuis daarheen zou worden overgebracht.
In het R. K. Godshuis, waar de Congregatie eerst 45 zusters
telde,
zijn, nu de school- en ziekenzusters elders wonen, thans nog
ongeveer
15 zusters werkzaam.
Te Roermond bestond, vooral met het oog op de toekomst, het
verlan-
gen naar een katholiek bijzonder ziekenhuis, voor welks
oprichting
en exploitatie men zich tot Mgr. Driessen te Heerlen wendde.
Moeilijkheden werden overwonnen, en de werkzaamheden,
begonnen
in April 1929, werden 10 Mei 1931, dag der officieele
opening, beëindigd.
Er zijn ongeveer 50 zusters met 8 leerlingverpleegsters
werkzaam,
welke voor ongeveer 100 patiënten zorg dragen.
DE VEREENIGING OPVOEDINGS- EN AMBACHTSGESTICHT
St. JOZEF.
Deze is opgericht den 23 Augustus 1902 door Mgr. van Boom en
geves-
tigd te Roermond eerst Buitenop en sedert 6 December 1915
Lindanus-
straat 2, het vroegere pensionaat St. Louis
De vereeniging stelt zich ten doel in de eerste plaats aan
verwaarloosde
jongens van 6 tot 18 jaar eene degelijke Christelijke
opvoeding te be-
zorgen en hun gelegenheid te geven, om onder leiding van
bekwame
meesters een ambacht aan te leeren, waardoor zij in staat
worden
gesteld bij het verlaten van het gesticht op fatsoenlijke
wijze den kost
te verdienen.
De statuten dezer inrichting zijn goedgekeurd bij K. B. van
13 Maart
1903. Op 10 Augustus d.a.v. had de plechtige inzegening
plaats en den
17en Augustus daarna werd de eerste jongen in het gesticht
opgeno-
men. De eerstvolgende maanden volgden zes andere, zoodat het
getal
218
15 Augustus 1884 vestigden zich hoek Willem II
Singel-Kapellerpoort
ter plaatse waar thans de Bisschoppelijke Kweekschool is de
PATERS
CAMILLIANEN vulgo „de Fransche Päterkes“. Zij wijdden zich
aan
ziekenverpleging.
De handelingen van den Gemeenteraad van 2 November 1920 be-
ginnen als volgt:
„De Voorzitter opent de vergadering met een waardeerend
afscheids-
woord aan het adres van de Paters Camillianen wier vertrek
uit de
Gemeente hij evenals alle gemeentenaren levendig betreurt.
Zij deden
in de jaren dat zij hier vertoefden veel goeds zoo voor de
Gemeente
als voor de omgeving en het is te hopen, dat zij, als betere
tijden weder-
keeren hun goed werk zullen komen voortzetten."
Door den Kulturkampf gedwongen verlieten op 21 Augustus 1875
14
koorzusters en 5 leekenzusters het klooster te Munster en
vestigden
zich te Katwijk aan de Maas, vanwaar zij 21 November 1877
naar Roer-
mond vertrokken, alwaar zij zich vestigden in een oud
heerenhuis aan
de Kloosterwandstraat hoek Ramenstraatje ter plaatse, waar
thans het
Postkantoor ligt andermaal de ARME CLARISSEN.
Zij zijn in 1898-1899 weer vertrokken naar Bocholt in
Westfalen.
6 Januari 1903 vestigden zich, komende van Marchienne au
Pont,
Heinsbergerweg 5 „LES SOEURS OBLATES DE L'ASSOMPTION"
in de wandeling de Fransche Zusters genoemd. Zij hebben zich
aan-
vankelijk verdienstelijk gemaakt als ziekenverpleegsters.
Menigeen
herinnert zich nog de Overste Mère Marie-Rose als zoodanig.
Om
verder in haar onderhoud te voorzien hielden zij kostdames
en gaven
Fransche conversatieles.
In den oorlog namen zij vele kindervluchtelingen ter
verpleging op.
Zij zijn 1 October 1920 vertrokken naar Hulsberg waar zij
evenals
te Doenrade een school voor lager onderwijs openden.
25 Januari 1903 hebben zich ook Fransche Zusters gevestigd
Schuiten-
berg 45 namelijk LES DAMES DU SACRÉ COEUR. Zij kwamen van
Ruillé sur Loir. Dezen hielden eveneens kostdames en zijn in
September
1923 verspreid vertrokken.
De laatsten komen ook voor als Zusters der Voorzienigheid,
terwijl
het mij niet met zekerheid is gebleken of de zusters, die na
dien tijd
hebben gewoond Willem II Singel 21 en ook kostdames hielden,
van
dezelfde congregatie waren als de Zusters van de Kapel,
gelijk men
meent, dan wel of het Zusters van de H. Familie waren,
zooals zij in
het bevolkingsregister stonden ingeschreven. Zij zijn in elk
geval met
eerstgenoemden vertrokken.
13 Juni 1916 ten slotte kwamen zich uit Simpelveld hier
vestigen aan
de Kapellerlaan 46 eenige Paters van de CONGREGATIE DER H.H.
HARTEN. Zij zijn in 1920 weer vertrokken, de meesten naar
Simpel-
veld.
220
werd geregeld op Zon- en feestdagen preek gehouden en
op den 5den
September 1566 werd zelfs de predikant heimelijk in de Stad
gebracht,
waar hij den volgenden Zondag op de Markt zijn preeken
hervatte,
zonder dat de herhaalde pogingen der Overheid om hem dat te
beletten
en hem uit de Stad te zetten, eenig gevolg hadden. Ook de
bemoeiin-
gen van Karel van Brimen, Stadhouder van Gelderland, Graaf
van
Megen, om deze preeken te onderdrukken, hadden geen
resultaat. Hij
schreef zelfs den 15den Augustus aan den Magistraat van
Roermond,
in naam der Landvoogdes, dat de Koning de Inquisitie nimmer
in het
land zou invoeren, zoo slechts aan het oproerig drijven der
nieuwe
predikanten werd paal en perk gesteld en de orde werd
hersteld. 't Kon
alles niet helpen. Op den 29sten September verzocht de
Stadhouder,
op bevel der Landvoogdes, den Magistraat van Roermond om
boven-
gemelden Ludovicus Ornaeus, den hervormden predikant, naar
het
voorbeeld van Nijmegen uit te drijven, op straf van de
verbeuring
der stedelijke voorrechten. De wederspannige burgers
antwoordden
aan den Scholtis, die hun dit bevel voorlas, „dat zij wel
goede onder-
danen des konings waren en bleven, maar dat zij toch den
predikant
van het „ „reine Woord Gods“" mochten behouden, totdat hem
iemand
door de H. Schrift van valschheid zoude overtuigen".
Ook het dreigen van den Scholtis met 's Konings ongenade
hielp niet;
integendeel, het verzet nam grootere afmetingen aan.
Zoo werd op het eind van September 1566 de parochiekerk
bestormd
door de gereformeerden, en sloegen dezen nieuwe sloten op de
deur om
voortaan de kerk in hun bezit te houden. Men ontbood zelfs
een predi-
kant uit de Paltz, genaamd Hendrik Dibbetz, en er werd ook
nog, onder
een bijzonderen predikant, de Wald genoemd, een
Mennonietische ge-
meente opgericht. De Magistraat verloor het gezag zoozeer,
dat hem
de sleutels der stad met geweld werden ontnomen. Al deze
onlusten
voerden ten slotte tot een gruwelijken beeldenstorm. Kerken
werden
geplunderd, altaren en beelden verbrand.
Om de leiders van het oproer in bedwang te houden en te
straffen,
stelde de Stadhouder van Brimen aan de Landvoogdes de
opheffing
van de stedelijke privilegiën voor, maar hij kon de noodige
toestem-
ming niet verkrijgen. Want, ofschoon de Landvoogdes deze
uitspattin-
gen der burgers van Roermond ten hoogste afkeurde en
strafbaar noem-
de, meende zij toch, met het oog op de nog talrijk
goedgezinde burgers
der stad, zich van dezen maatregel te moeten onthouden.
In het begin van 1567 herkreeg de regeering haar vorig gezag
en macht
terug. De godsdienstige nieuwigheden werden afgeschaft en de
predi-
kanten in de maand April uit de stad verjaagd. De Magistraat
van
Roermond gaf daarvan omstreeks dezen tijd kennis aan den
Stad-
houder, welke daarop den 15den April antwoordde, dat het
beter ge-
weest ware, wanneer zulks vroeger geschied was, en dat de
Landvoog-
des zich kwalijk daarmede zou tevreden stellen. Daarom
meende hij de
stad geen beteren raad te kunnen geven dan: „van zich te
verdemoe-
dichen, om weder in genade aangenomen te worden". Twee dagen
later
schreef de Stadhouder weer aan den Magistraat, dat hij, de
verjaging
222
hadden en hem niet vonden, lieten zij bij hun vertrek
het oog op de
kist vallen en zeiden tot elkander; „wie weet of die geus
Dibbetz niet
in die kist ligt", waarop de vrouw met onbegrijpelijke
onbedeesdheid
van de kist afsprong en zeide: „zie daar of heer Hendrik
Dibbetz daar
in is". De soldaten door dit optreden misleid lieten de kist
ongeopend
en verlieten het huis. Dibbetz verliet daarop zoo spoedig
mogelijk in
een metselaarspak, met een kalkbak op zijn schouders en een
troffel
in zijn hand, de stad en vertrok naar Duisburg.
Door de veranderde tijdsomstandigheden, mede ook door het
optreden
van bisschop Lindanus, is de protestantsche gemeente na 1572
even
schielijk en spoedig afgenomen als zij voor dien tijd was
gegroeid en
zijn velen, zoo niet de meesten tot de R. K. Kerk
teruggekeerd, terwijl
anderen naar elders vertrokken. Mogelijk zijn er ook nog
eenigen ge-
bleven, want volgens Knippenberg heeft bisschop Lindanus in
1579 en
later in 1583 op ernstige wijze geijverd tegen hen, die niet
in de Mis
kwamen. Dit zou ook strooken met hetgeen ik ergens las, dat
in deze
en latere jaren de hervormden uit Roermond zoo nu en dan
naar Heins-
berg (in 't Gulickerland), op 3 uur afstand van Roermond ter
Kerke
gingen.
Wij moeten thans een reeks van jaren onbesproken voorbij
gaan, daar
in dien tijd omtrent de Hervormden in Roermond niets te
vermelden is.
Wij komen dan tot 1632, in welk jaar op 5 Juni Frederik
Hendrik de
Stad innam. Kort daarop kwamen gecommiteerden van Gelderland
o.m. hier naar Roermond om allerlei zaken te regelen. In het
Verbaal" door dezen opgemaakt, blijkt, dat zij op Donderdag
21 Juni 1632 hier ter stede aankwamen en daags daarna een
onder-
houd hadden met eenige Gecommiteerden van den Magistraat,
dien
zij bij zich ontboden hadden, „ende deselve vermaent,-
ingevolge
van de gemaeckte Capitulatie verdacht te willen zijn op eene
Kercke
daer inne des Sonnesdaegs daer aen volgende die van de
Religie moch-
ten Predigen." Hierop antwoordden de Gecommiteerden van den
Ma-
gistraat, dat de in de Capitulatie genoemde Kerk van St.
Joris (waar
thans het Munsterhotel ligt) daartoe gereed zou zijn. De
Gecommiteer-
den van het Overquartier merkten hierbij op: „dat deselve
veel te
kleyn was ten aensien van 't garnisoen ende d'apparente
Gemeente die
daer solde moegen komen". De Magistraat wees toen de kerk op
het
Bagynhof aan. Omtrent deze kerk zegt het verbaal der
Gecommiteer-
den, dat zij niet grooter was dan „elff passen in 't breet
ende 31 off 32
in de lengde, synde gelegen achter aen de Muyre van de Stad
ende
alsoo ook nyet alleene te kleyn maer ook heel agteraff en
ongelegen".
Voor opgemeld doel vermeenden de Gecommiteerden dat er geen
„be-
quamer ende gelegener plaetse was als de Kerk van den
Heyligen
Geest". Deze kerk werd dan ook in bezit genomen en op den
daarop
volgenden Zondag werd door een predikant, genaamd Leone,
daarin
een predikatie gehouden en „den text van de predicatie
genoemen uyt
den Sentbrieff Pauli tot den Galaten". Van af gemelden datum
konden
de Hervormden hun openbaren eeredienst hier ter Stede
vrijelijk uit-
oefenen. Dit zou echter niet lang duren want reeds op 3
September
224
magazijn, de aanwezige kerkmeubels e.d. hadden gekocht
en zelfs de
daken van het gebouw hadden onderhouden. Op dit verzoek werd
afwijzend beschikt en bij K. B. van 24 Juni 1820, no. 48,
werd een ge-
deelte van gemeld kerkgebouw bestemd en ingericht tot
„openbare
godsdienstoefening voor de Hervormde Gemeente". De
burgerlijke
protestantsche gemeente werd eerst in 1825 georganiseerd;
zij telde
toen 102 zielen en de geestelijke verzorging was opgedragen
aan Ds. J.
Begemann.
Het overige gedeelte van de voormalige Minderbroederskerk,
zoo mede
het nevensliggend terrein of oud kerkhof, werd blijkbaar in
dezen af-
stand niet begrepen. Toch is een en ander sedert bij de
Hervormde
Gemeente in bezit en genot geweest en was men van oordeel,
dat men
daartoe ingevolge vorengemeld K. B. gerechtigd was.
Omstreeks 1860
werd vanwege het bestuur der domeinen bij herhaling bij den
Kerke-
raad aangedrongen om het niet tot den openbaren
godsdienstoefening
ingerichte en gebruikte gedeelte van de Kerk met het
daarnevens lig-
gend terrein, aan den Staat ter vrije beschikking over te
laten. De Ker-
keraad verzette zich hiertegen en beriep zich op verkregen
eigendoms-
recht; wees ook op de toeneming der gemeente en bijgevolg op
de be-
hoefte aan meerdere ruimte. Het Domeinbestuur bleek bereid
om den
Kerkeraad de eigendomsrechten van den Staat, die deze op het
litigiëus
gedeelte van het kerkgebouw en daarbij behoorend terrein
had, aan de
Hervormde Gemeente af te staan tegen betaling der waarde,
door twee
deskundigen te schatten. Deze waarde werd bepaald op f 4700
.-.
En zoo werd bij overeenkomst van 2 April 1864 de Hervormde
Ge-
meente alhier eigenaresse van het geheele kerkgebouw met het
daarbij
behoorend terrein. Bij de wet van 8 Juni 1864 (Stbl. no. 66)
werd deze
verkoop goedgekeurd. Vermeldenswaard is een der voorwaarden
van
verkoop:
„De muren, die deze perceelen aan de eene zijde van de
straat en aan
„de andere zijde van de openbare wandelplaats of wal
afscheiden, zijn,
„voor zooverre die aan het domein toebehooren, onder dezen
verkoop
„begrepen, des nogtans, dat het zich in den voormuur
bevindende kruis
„of Christusbeeld door den Kerkeraad niet zal mogen worden
betim-
,merd, afgebroken of weggenomen.”
Sedert 1864 had dus de Hervormde Gemeente de beschikking
over het
geheele kerkgebouw, doch ondanks de „behoefte aan meerdere
ruimte'
bleef het niet voor haren eeredienst gebezigde gedeelte bij
het garni-
zoen in gebruik als hooi- en stroomagazijn. Velen onder de
thans nog
levende Roermondenaren zullen zich het zeer vervallen
monumentale
gebouw in dien tweeledigen toestand nog herinneren. In 1901
besloten
Kerkvoogden en Notabelen om het vervallen kerkgebouw te doen
res-
taureeren. Subsidiën in de kosten dezer restauratie werden
gevraagd
aan Rijk, Provincie en Gemeente, doch de plannen van de
restauratie,
begroot op f 8800 .- , waren van dien aard, dat zij de
goedkeuring van
wijlen den heer Dr. P. J. H. Cuypers niet konden wegdragen,
daar zij
niet waren in den stijl waarin de kerk was gebouwd. Toen
werden
plannen gemaakt in overleg met Dr. Cuypers, doch de kosten
werden
226
HET ONDERWIJS
door
DR. P. J. M. VAN GILS
AN de oude Abbatia Rodensis, - het huidige Rol-
duc -, is een boekenlijst, uit het begin der der-
tiende eeuw, bewaard. Zij bevindt zich thans in het
Rijksarchief te Maastricht. Geen enkel Rolducsch
boek bleef ons uit die dagen gespaard. Zij zijn bij
den stadsbrand van Aken, - waar zich het refugium of
vluchthuis der
Abdij bevond -, en bij andere gelegenheden verbrand, in
ieder geval
reeds sinds de zeventiende eeuw onvindbaar.
Toch kunnen wij, enkel uit die boekenlijst, tot het bestaan
eener Rol-
ducsche school besluiten. De titels immers der beide
hoofdafdeelingen
luiden: „Hii sunt libri theoloici Rodensis ecclesie" en „Hii
sunt libri
artium liberalium et Philosophorum et Auctorum et Poetarum".
Het
waren dus boeken ten behoeve van de studie der Theologie en
van het
trivium en quadrivium, die in de Middeleeuwen de
voorbereiding tot de
theologische studie vormden.
De „Annales Rodenses” bevestigen deze hypothese. In het jaar
1123
worden vermeld „Scholares pueri, qui tunc in aecclesia erant
educandi"
en daar „asperrimo regebantur magistro"; in 1137 was
Gozwinus te
Rolduc „litterarum officio educatus" en in 1150 heet het van
Meinerus
de Anstela: „transponens in conventus duos ad litteras
filios".
Had nu Rolduc reeds in de dertiende eeuw een bloeiende
school, ouder
waren de scholen te Maastricht.
Er bevond zich hier een Domschool, waarover echter maar
weinig be-
kend is. Zij ontstond ten tijde van den H. Amandus. Toen
deze om-
streeks 650 Rome bezocht had, werd hij op de terugreis door
vier pries-
ters, genaamd Landoaldus, Amandus, Adrianus en Julianus,
vergezeld,
wien hij het onderricht der jonge geestelijken van zijn
bisdom toe-
vertrouwde. De beroemdste dergenen, die aan deze Domschool
hun op-
voeding ontvingen, is wel de H. Lambertus, die eenmaal zelf
op den
bisschopsstoel van Maastricht zou plaats nemen. Met de
verplaatsing
van den bisschoppelijken zetel van Maastricht naar Luik werd
ook de
Domschool hierheen overgebracht.
Dan waren er te Maastricht twee kapittelscholen, behoorende
bij de
collegiaalkerken van St. Servaas en O. L. Vrouw. De oudste
ons beken-
de scholaster van het kapittel van O. L. Vrouw was Adelo,
die in 1133
leefde. De school van St. Servaas stond op het einde der
vijftiende eeuw
onder leiding van Mathias Herbenus, den verdienstelijken
schrijver van
het werk „De Trajecto instaurato”. Beide kapittelscholen
zijn later aan
de Jezuïeten overgedragen
Blijkbaar waren deze kapittelscholen niet voor alle kinderen
van binnen
en buiten de stad toegankelijk en moet hierin de reden
gezocht worden,
waarom de Franciscanenpater Abraham Buren, rector of
geestelijk be-
228
telijken, hetzij in den wereldlijken stand. De
klooster- en kapittelscholen
beoogden met haar onderwijs in de eerste plaats de opvoeding
der toe-
komstige geestelijkheid, doch namen daarnaast ook
jongelingen op, die
een wereldlijke loopbaan wenschten te volgen; de
parochiescholen be-
paalden zich veelal in hoofdzaak tot godsdienstonderricht,
terwijl de
stadsscholen hun leerlingen een volgens de begrippen dier
dagen meer
algemeene ontwikkeling trachtten mede te geven.
Tot welke soort der hier genoemde scholen zal de
Roermondsche school
van 1343 behoord hebben? Welnu, wij kunnen met zekerheid
aannemen,
dat de beide toenmaals in Roermond bestaande kloosters, de
Munster-
abdij en het Minderbroedersklooster, geen scholen hadden,
een kapittel
was er nog niet en de bloeitijd der parochiale scholen was
reeds voorbij;
voorts werd er in den regel in de plaats, die tot stad
verheven was, het-
geen Roermond omstreeks 1231 te beurt viel, weldra van
stadswege een
school opgericht, ofwel de reeds bestaande parochiale school
werd door
het stadsbestuur overgenomen en overeenkomstig de nieuwere
eischen
gereorganiseerd.
De in 1343 genoemde school zal dus een stadsschool geweest
zijn. Haar
ligging is ons niet bekend. Met betrekking tot het
onderwijs, dat er
gegeven werd, valt niets met zekerheid te bepalen; een
enkele aanwij-
zing is er evenwel, al heeft zij geen bewijskracht, dat hier
sprake zou
kunnen zijn van een Latijnsche school. Immers de leerlingen
zongen
voor den Hertog, en de zang behoorde tot de leervakken der
Latijnsche
scholen.
Het bestuur der school zal wel niet anders geweest zijn dan
dat der
middeleeuwsche stadsscholen in het algemeen en dus bij de
stedelijke
regeering berust hebben, welke het onderwijzend personeel
benoemde,
ontsloeg en bezoldigde en voor de aanschaffing der
leermiddelen zorg
droeg.
In 1361, toen het kapittel van St. Odiliënberg naar Roermond
werd over-
gebracht, waar de kanunniken de kapel van de
Hospitaalbroeders van
den H. Geest verkregen, werd de stad een inrichting van
onderwijs
rijker in de school, die aan het kapittel verbonden was. De
gegevens, die
wij over de kapittelschool bezitten, dateeren eerst van
1517. In dat jaar
schonk de Rector van het H. Kruisaltaar van de H. Geestkerk,
Johan
van Heickelom, een jaarrente van één goudgulden ten gunste
van leer-
lingen „in de H. Geest", die elken Vrijdag om elf uur een
responsorie
„Tenebrae factae sunt" zouden zingen.
Vóór de zestiende eeuw werden er in Roermond dan geen
scholen meer
opgericht. Toch zou men zich van de geestesontwikkeling
zijner bevol-
king in den herfsttijd der Middeleeuwen een onjuiste
voorstelling vor-
men, indien men haar schatte naar het aantal en den aard der
onder-
wijsinstituten, die binnen de stad gevestigd waren. Roermond
telde
onder zijn zonen vurige adepten der wetenschap, die hun weg
wisten
te vinden naar de nog jonge Midden-Europeesche
universiteiten, sinds
1426 ook naar die van Leuven. Nauw is de universiteit van
Keulen ge-
opend, (7 Januari 1389), of wij vinden daar, reeds in het
eerste acade-
miejaar, twee Roermondsche studenten ingeschreven. De Alma
Mater
230
plaats vinden. Verder moest zij de leeraarssalarissen
vaststellen en het
openen der school bijtijds in de naburige steden, dorpen en
vlekken
bekend maken. Aan geestelijken, kloosters, broederschappen
en gilden
moest om ondersteuning gevraagd worden.
De school telde zes klassen, waarvan de leiders werden
genoemd: Sep-
timaner, Sextaner, Quintaner, Quartaner, Conrector en
Rector.
Deze school, die aan den Steenweg gelegen was, voldeed op
den duur
niet aan de behoeften. De magistraat besloot dan ook den
27sten Sep-
tember 1589 er een tweede bij te bouwen, aan welk besluit in
1591 uit-
voering werd gegeven. De nieuwe school kwam te staan achter
de
„groote kerk” en werd de „hooge schol” genoemd, terwijl die
op den
Steenweg voortaan de „oude school" heette. De kosten van den
bouw
bedroegen f 2586.
Roermond heeft zich blijkbaar niet te beklagen gehad over
gebrek aan
Overheidszorg voor het schoolwezen. In de jaren 1590-1595
werden er
niet minder dan vier verschillende schoolreglementen
uitgevaardigd.
Zeer belangrijk voor onze kennis van het onderwijs in de
zestiende
eeuw is de verordening, vervat in het dagboek van den
vicarisgeneraal
Gregorius Gherinx, die, sede vacante, het bisdom van 1588
tot 1596 be-
stuurde. Dit dagboek, dat getiteld is „Continuatio diurnalis
sedis vacan-
tis pro 1592", bevat een in het Latijn gestelde verordening
voor de
Latijnsche school en een Nederlandsche voor de Duitsche,
Fransche en
rekenscholen.
Een verslapping van de tucht in de Latijnsche school, welke
de bezorgd-
heid opgewekt had van den vicarisgeneraal, den scholasticus
Sibertus
Romers en de provisoren Camptsius en Masius, gaf dezen
heeren aan-
leiding een nieuw schoolreglement uit te vaardigen, dat „ten
eeuwigen
dage" zou gelden. Men kan niet anders zeggen, of de
bepalingen van
deze verordening waren wel geschikt om tuchteloosheid uit de
school
te weren en de jeugd vroegtijdig aan een geregelde en
godsdienstige
levenswijze te gewennen.
Volgens deze verordening had de rector der Latijnsche school
het
oppertoezicht over de andere in de stad gevestigde scholen,
waarvoor
deze hem een geldelijke vergoeding betalen moesten; de
school van
den H. Geest was hiervan uitgezonderd. De rector had o.a.
toe te zien,
dat door geen onbevoegde een Fransche, Duitsche of
rekenschool te
Roermond geopend werd.
Groote zorg werd er besteed aan de godsdienstige opvoeding
van de
leerlingen der Latijnsche school. De lessen begonnen des
morgens met
het aanroepen van den H. Geest, gevolgd door andere gebeden;
des
namiddags, voordat de leerlingen zich huiswaarts begaven,
werden zij
met gebed besloten. Op Zon- en feestdagen werden gedeelten
uit den
Catechismus van Canisius, verder het Epistel en Evangelie
van den
dag, gewijde hymnen en psalmen voorgelezen en verklaard.
Gemeenschappelijke bezoeken aan de kerk of elders vonden
plaats
onder leiding van den rector, conrector en praeceptor, die
bij zulke
gelegenheden voor een ordelijk gedrag der leerlingen te
zorgen hadden.
Hetzelfde voorschrift gold bij het deelnemen van de school
aan begrafe-
232
een andere school wilde overgaan, een getuigschrift
geven, tenzij hij het
verschuldigde schoolgeld betaald had, bedankt had voor het
genoten
onderricht en met een handdruk afscheid genomen.
Uit geheel de schoolverordening, waarvan wij de voornaamste
bepalin-
gen in het kort weergaven, blijkt duidelijk, dat de
strekking van deze
schoolopvoeding allereerst godsdienstig en zedelijk was. Ten
over-
vloede wordt deze strekking nog in enkele bepalingen met
name uitge-
sproken: De rector moest zijn krachten in het werk stellen
om de
knapen van den beginne af te doordringen van de vreeze Gods
en
gevoelens van vroomheid; vervolgens hun de grondbeginselen
der gram-
matica terdege leeren, opdat zij na eenige jaren rijp zouden
zijn voor
de hoogeschool. De leeraren moesten hun plicht niet slechts
voor het
oog van de wereld vervullen, maar voor God, Wien zij eenmaal
reken-
schap hadden af te leggen; bovendien moesten zij voor oogen
houden,
dat veelal de zonde ook reeds hier op aarde gestraft wordt!
De andere, in het Nederlandsch gestelde verordening, had
betrekking
op de scholen, die naar de vakken, welke er speciaal
onderwezen wer-
den, onderscheidenlijk den naam droegen van Duitsche,
Fransche en
rekenscholen. Dat er te Roermond zulke scholen bestonden,
blijkt uiter-
aard uit deze verordening; overigens kennen wij met name
slechts den
Franschen schoolmeester Peter Semmers, die zich van 1581 tot
1624 hier
ter stede bevond. Hij werd van stadswege gesalarieerd, maar
tegen de
belofte, geen Duitsch of Latijn te onderwijzen, ten einde
aan andere
scholen geen afbreuk te doen.
Er bleek ons reeds, dat deze privaatscholen onder
oppertoezicht van
den rector der Latijnsche school stonden; trouwens ook in
andere op-
zichten was er overeenkomst tusschen de onderscheidene
onderwijs-
instituten. Ook deze privaatscholen ontvingen, evenals de
Latijnsche
stadsschool, in 1592 een reglement van den vicarisgeneraal,
den scho-
lasticus Romers en de schoolprovisoren Campen en Masen naar
aan-
leiding van de misbruiken, die er naar het oordeel dezer
heeren in de
scholen waren ingeslopen. Ook in deze schoolverordening werd
in de
eerste plaats gelet op de godsdienstige en zedelijke
opvoeding der leer-
lingen.
Om een school te openen moest men hiertoe verlof hebben
gekregen
van den Bisschop en de schoolprovisoren en zich aan een
examen heb-
ben onderworpen, waarvan een schriftelijk bewijs verstrekt
werd. Ver-
der moest de suppliant ten overstaan van den Bisschop of
diens vicaris
een eed op het Katholiek geloof, volgens voorschrift van het
Concilie
van Trente, afleggen.
Het was den leerlingen verboden, die van andere scholen te
bespotten
of na te roepen; vooral zou deze onhebbelijkheid zwaar
gestraft wor-
den, als zij den leerlingen van de Latijnsche school of die
van den
H. Geest werd aangedaan.
De leerlingen der Latijnsche school zouden bij de
privéonderwijzers
slechts in rekenen en schrijven les mogen nemen.
Coëducatie was in zooverre geoorloofd, dat jongens en
meisjes dezelfde
school mochten bezoeken; de zitplaatsen moesten evenwel
gescheiden
234
seminarie, in 1718 waren er vijftig. Het meerendeel der
studenten woon-
de bij burgers in de stad. Bisschop D'Ongnies bepaalde
evenwel den
25sten October 1718, ingevolge der besluiten van het
Concilie van
Trente, dat voortaan de wijdelingen, voordat zij tot de
hoogere Orden
werden toegelaten, zes maanden in het seminarie moesten
gewoond
hebben, behalve de studenten uit Roermond zelf, de
licentiaten in de
theologie en degenen, die reeds drie jaar aan een
universiteit studeer-
den; voor dezen was slechts een verblijf van één maand in
het semi-
narie verplicht.
In 1786 zag het seminarie zich in zijn bestaan bedreigd door
de dwaze
maatregelen van den op hervorming belusten keizer Jozef II.
Deze stel-
de voor geheel het gebied der Zuidelijke Nederlanden een
Algemeen
Seminarie in, benevens een filiaal te Luxemburg; de
bisschoppelijke
seminaria werden door hem veranderd in instituten, waar de
in de philo-
sofische en theologische wetenschappen afgestudeerden zich
tot het
priesterschap konden voorbereiden. De bisschoppen waren
volstrekt
niet gesticht over dit ingrijpen van den Keizer in
Kerkelijke Zaken;
het verzet kwam echter van de zijde der studenten, waarvan
er velen
buitenslands gingen studeeren, al verbeurden zij daardoor
het recht,
in hun vaderland een geestelijke bediening uit te oefenen.
Lang heeft het bewind van Jozef II gelukkig niet geduurd.
Kort vóór
zijn dood werd de Keizer door een opstand in de Zuidelijke
Nederlan-
den van zijn rechten op deze landen vervallen verklaard. De
troepen
der Patriotten trokken in 1790 Roermond binnen en hun komst
gaf aan-
leiding tot een wederkeerige wisseling van verblijfplaats
tusschen het
seminarie en het voormalige Jezuïetencollege, van welke
laatste instel-
ling wij thans eerst de geschiedenis willen nagaan.
Na de benoeming van Lindanus in 1588 tot bisschop van Gent,
werd
zijn actie voor de oprichting van een Jezuïetencollege te
Roermond
door de geestelijke en wereldlijke Overheid voortgezet. Den
10en Juli
1601 wendden zich de Staten van het Overkwartier
dienaangaande tot
Albertus en Isabella met het verzoek om een bijdrage voor
dit Gode
welgevallig werk. De Aartshertogen schenen evenwel dit
verzoek niet
te hebben kunnen inwilligen en ook een correspondentie
tusschen den
Bisschop en de magistraat der stad in 1606 leidde tot het
negatieve
resultaat, dat besloten werd, het plan wegens gebrek aan de
benoo-
digde gelden tot gunstiger tijden uit te stellen. Dan echter
stijgen de
kansen vrij snel en nadat den Jezuïeten in 1609 door de stad
een
jaarlijksche subsidie van zevenhonderd gulden was toegezegd,
kon hun
college den 24sten Januari 1611 geopend worden in het gebouw
der
„oude school” op den Steenweg, die den 23sten September 1610
door het
stadsbestuur opgeheven was. De Jezuïeten begonnen hun lessen
met
vijf leeraren: er werden terstond vijf klassen geopend; maar
er kwamen
het eerste jaar weinig studenten. In 1611 telde het huis
zestien Paters en
Broeders. In 1613 waren er driehonderd leerlingen, van welke
velen
tot den Gelderschen en Gulikschen adel behoorden. Het gebouw
op
den Steenweg bleek weldra niet geschikt en na korten tijd
verhuisden
236
hadden, voor seminarie werden ingericht. President van
het seminarie
was toen Dr. Ambrosius Schmising, die zich in 1797 een
treurige be-
kendheid verwierf door den eed op de „Constitution Civile du
Clergé"
af te leggen.
Onder Leopold II werd het Koninklijk College hersteld. Bij
keizerlijke
aanschrijving van den 5en October 1791 werd de gewezen
Jezuiet Erix
voor de rhetorica benoemd op een salaris van f 700, Bouvier
voor de
poësis op een salaris van f 700, de gewezen Jezuiet Detienne
voor de
syntaxis, de priester Thys voor de grammatica, N. Verschuur
voor de
groote en kleine figuur, de drie laatstgenoemde Heeren ieder
op een
salaris van f 600 's jaars. Erix werd prefect en genoot als
zoodanig een
extratoelage van f 200.
Voordat wij onze onderwijsgeschiedenis chronologisch
vervolgen, moe-
ten wij uit den tijd van vóór de revolutie nog enkele
scholen noemen,
die grootelijks tot de vorming der Roermondsche jeugd hebben
bij-
gedragen, al is het historisch bronnenmateriaal in dit
opzicht zeer
beperkt.
Het onderwijs der meisjes was vooral in handen der
Ursulinen, die zich
in 1646 te Roermond kwamen vestigen. De
toelatingsvoorwaarden hiel-
den in, dat zij meisjesscholen zouden openen en daarenboven
's Zon-
dags de dienstboden onderwijzen. Tot 1797 bleven deze
religieuzen hier
werkzaam; toen werden haar kloosters bij de wet van 23
November
opgeheven.
In verschillende vertakkingen en onder verschillende
benamingen werk-
ten ook de geestelijke dochters van den H. Franciscus aan de
opvoeding
der vrouwelijke jeugd. De Clarissen vestigden zich hier in
1617, de Poe-
nitenten in 1666. Ook zij vielen in het laatste kwart der
achttiende eeuw
als slachtoffer der hervormingswoede van Jozef II; de
kloosters der
Clarissen werden in 1784, die der Poenitenten drie jaren
later opge-
heven.
Of de verovering van Roermond door Frederik Hendrik in 1632
nog aan-
leiding heeft gegeven tot het oprichten van protestantsche
scholen, is
niet bekend. Weliswaar besloot de Landdag te Zutfen het
volgende jaar
tot de aanstelling van twee predikantenschoolmeesters, doch
nergens
blijkt, dat dit besluit ten uitvoer gebracht werd. De
krijgskans heeft
trouwens maar weinig tijd hiertoe gelaten; reeds in 1637 was
de stad
weer in de macht der Spanjaarden.
De Fransche overheersching met haar godsdienstvervolging
bracht het
onderwijs onder de censuur der rationalisten, waardoor het
zijn vroeger
godsdienstig karakter weldra verloor. Van bisschoppelijken
invloed
was, sinds de opheffing van het bisdom Roermond in 1801,
natuurlijk
niets meer te bespeuren. Is het te verwonderen, dat het
onderwijs ging
kwijnen? De bevolking van Roermond immers, van huis uit zeer
aan
haar godsdienst gehecht, stelde er geen prijs op, haar
kinderen naar de
godsdienstlooze school te zenden. De Fransche regeering
mocht al ver-
ordenen, dat op de scholen de „Rechten van den mensch" en de
con-
stitutie op het leerplan moesten voorkomen, de burgerij was
niet tot
geestdrift te brengen voor de republikeinsche instellingen.
In een schrij-
238
rijk der Nederlanden gevoegd; het onderwijs viel er dus
voortaan onder
de Nederlandsche onderwijswetgeving. Een Koninklijk Besluit
van den
2den Augustus 1815 regelde het onderwijs op de Latijnsche
scholen.
Wanneer de heroprichting der Latijnsche school, die bij den
val van
Napoleon opgeheven was, plaats vond, is niet met zekerheid
te bepalen;
wij weten slechts, dat zij in 1819 bestond. In 1824
fungeerde de priester
Augustinus Rossié (gest. 1846), die vroeger professor in
Zwitserland
en te Rome geweest was, als rector.
Er werd op het college onderwijs gegeven in Latijn,
Grieksch, Neder-
landsch, Hoogduitsch, geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde
en op bij-
zondere aanvraag in Fransch en Italiaansch. De leerlingen
waren intern
of extern. Aan het hoofd van elk der zes klassen, waarin het
college
verdeeld was, stond een regent. De principaal, die het
college bestuur-
de, benevens de onderprincipaal, fungeerden tevens als
regent eener
klasse. In de eerste klasse werd de rhetorica onderwezen, in
de tweede
de poësis, in de derde de syntaxis, in de vierde en vijfde
de grammatica
en groote figuur, in de zesde de kleine figuur. De
surveillance tijdens,
en voor externe leerlingen ook buiten de schooluren, was
toevertrouwd
aan ondermeesters. De prijsuitdeelingen aan het einde van
het school-
jaar vonden met groote plechtigheid plaats ten overstaan van
geeste-
lijke, burgerlijke en militaire autoriteiten, den Raad van
Bestuur, den
principaal en overige leeraren.
Toen Roermond in 1830 onder Belgisch bewind kwam, bleef het
college
bestaan, doch de Nederlandsche taal moest van de lijst der
leervakken
geschrapt worden; het aantal studenten liep in dien tijd van
tachtig op
veertig terug. De Belgische periode was evenwel van korten
duur; het
jaar 1839 zag Roermond weer binnen het Nederlandsch
staatsverband
terug. De laatste wezensverandering onderging de Latijnsche
school,
toen in 1851 het stadsbestuur Mgr. Paredis aanzocht, haar
over te ne-
men en er het onderwijs te laten geven door geestelijken van
zijn
Vicariaat. Den 25sten April nam Mgr. Paredis dit voorstel
aan en het
college, na het herstel der hiërarchie „Bisschoppelijk
College“ geheeten,
ging onder de Roermondsche bisschoppen een tijd van bloei
tegemoet,
passend bij het verleden van een instituut van zulk een oude
en rijke
traditie.
Onder het Koninkrijk der Nederlanden was de toestand van het
lager
onderwijs aanvankelijk, toen men de naweeën van den
Franschen tijd
nog niet te boven was gekomen, niet zeer rooskleurig.
Behalve de
stadsschool en de „Rijksschool voor Lager Onderwijs“, die in
1820 ge-
opend werd, waren er eenige bijzondere inrichtingen voor
lager en
voorbereidend lager onderwijs, die wegens gebrek aan
middelen in
eenigszins primitieven staat verkeerden. Op het Begijnhof
bevond zich
de bewaarschol van „Tante“ Schonken, in de H. Geeststraat
soort-
gelijke inrichtingen van „Tante” Klör en van Mieke Madam.
Lees-
onderwijs en wel in Gotisch schrift konden de knapen
ontvangen bij
den poortwachter Bellaerts aan de Brugpoort en bij den
gepensionneer-
den onderofficier Van Eykeren op den Steenweg. Het onderwijs
op
de Rijks Lagere School voor jongens en meisjes was, dank zij
den rijks-
240
richt; het werkte onder leiding van een der
professoren. En bij al zijn
streven naar het kweeken van geestelijke cultuur wist het
College zich
bovendien aan te passen bij de eischen der moderne
maatschappij, zoo-
dat in 1888 de eerste leerlingen zich voor het eindexamen
gymnasium
opgaven en sinds het instellen van een Staatsexamen tot
toelating voor
de Universiteit telken jare een aantal studenten de eer van
het College
hooghielden door dit examen met succes af te leggen. Verder
verkreeg
het College in 1901 het „jus promovendi”. Een nieuwe
afdeeling van het
College kwam nog getuigen van zijn maatschappelijk
aanpassingsver-
mogen, namelijk de afdeeling, welke - zooals het programma
zegt -
dient ter voorbereiding tot elke eervolle burgerbetrekking
in de maat-
schappij, maar vooral tot den handel. Van de vruchten, door
het Col-
lege afgeworpen, kunnen ten slotte degenen onder onze
tijdgenooten
getuigen, die er hun opleiding mochten ontvangen. Horatius'
woorden,
door Z. Hoogw. Excellentie Mgr. L. Schrijnen, toenmaals
Directeur van
het college, geciteerd in de rede, die Hij ter gelegenheid
van het vijftig-
jarig bestaan van het College uitsprak, willen ook wij
herhalen: „Exegi
monumentum aere perennius".
Tot voor enkele jaren bezat onze stad nog een inrichting
voor hooger
onderwijs in het Juvenaat der Paters Redemptoristen aan de
Kapel
in 't Zand.
Het werd 26 April 1870 geopend. Verschillende beroemde
mannen zijn
er aan verbonden geweest. Stichter was de toenmalige
Provinciaal Pater
H. Schaap, later apostolisch vicaris van Suriname. De eerste
Directeur
was Pater W. Wulfingh, later eveneens apostolisch vicaris
van Suri-
name. Van de professoren noemen wij Zijne Eminentie
Kardinaal van
Rossum, de bekende historicus Pater J. Kronenburg en Pater
J. Meeu-
wissen, later apostolisch vicaris van Suriname. Een van de
leerlingen
die aan het Juvenaat studeerden, Mgr. Th. van Roosmalen, is
thans nog
apostolisch vicaris van Suriname.
De toename van het aantal studenten maakte in 1897 en 1898
een ver-
bouwing en uitbreiding van de inrichting noodzakelijk; zelfs
moest men
er in 1922 toe overgaan, de klassen te splitsen en de vier
hoogste naar
Vaals over te brengen. Sinds September 1928 zijn echter weer
alle klas-
sen vereenigd op den berg Nebo bij Nijmegen. Het aantal
leerlingen
bedraagt thans ongeveer 150.
Wij eindigen met de vermelding van de onderwijsinstituten,
die zich
thans te Roermond bevinden, opdat onze mogelijke opvolger
bij het
achtste eeuwfeest deze mededeelingen als geschiedbron kunne
gebrui-
ken, zooals wij hebben gebruik gemaakt van oudere
schrijvers.
Hooger Onderwijs: Groot-Seminarie, Roomsch-Katholieke
Leergangen,
Bisschoppelijk College (afdeeling gymnasium).
Middelbaar Onderwijs: Bisschoppelijk College (afdeelingen
H.B.S. met
driejarigen cursus voor jongens en Hoogere Handelsschool),
R. K.
H.B.S. voor meisjes, Rijks-H.B.S., Gemeentelijke
Handelsavondcursus.
Nijverheidsonderwijs: R. K. Huishoud- en Industrieschool,
Teeken-
school, Ambachtsschool, Nijverheidsavondschool.
Landbouwonderwijs: Landbouwschool, Tuinbouwwintercursus.
242
INSTELLINGEN VAN
WELDADIGHEID
door
J. H. F. H. LINSSEN
HET OUDE GASTHUIS.
EZE instelling treedt het eerst op in de Roermond-
sche geschiedenis en is vooral bekend geworden
door een tweetal charters uit 1259 en 1296. In het
eerste, tevens het oudste document over dit gasthuis,
verleent Paus
Alexander IV een aflaat van 40 dagen aan alle christen
geloovigen uit
de bisdommen Luik, Keulen en Utrecht, die bijdragen tot den
bouw
van het gasthuis, dat de meester en broeders van het
gasthuis te Roer-
mond met groote kosten begonnen zijn opnieuw op te bouwen.
In het
tweede stelt Paus Bonifacius VIII den meester en broeders
van het
gasthuis van den heiligen Geest der armen te Roermond en de
plaats,
waar zij in een gemeenschappelijk leven verblijf houden,
onder de be-
scherming van den H. Stoel en bevestigt de broeders en het
gasthuis
in hun bezittingen.
Over deze instelling is betrekkelijk weinig bekend. Uit het
charter van
1259 blijkt duidelijk, dat er nog een oudere stichting
bestaan heeft;
immers er is sprake van „opnieuw bouwen“. De ligging kan met
zeker-
heid niet bepaald worden. Eerst na 1482, in welk jaar een
tweede gast-
huis wordt gesticht, wordt ter onderscheiding in de charters
steeds
gesproken van het oude of groote gasthuis op den Steenweg.
Waar
echter in de tusschen liggende periode nergens blijkt van
den bouw van
een nieuwe inrichting, welk feit zeker niet zou zijn
onvermeld gebleven,
is het waarschijnlijk, dat het reeds in 1259 op den Steenweg
gebouwd
werd.
Algemeen wordt aangenomen, dat de stichters behoorden tot de
hospi-
taalbroeders van den H. Geest. Deze orde werd gesticht door
den
franschen ridder Guy de Montpellier, die in een der laatste
jaren der
12de eeuw in zijn geboorteplaats eenige mannen om zich
vereenigde
en hun een vasten regel gevende zoo den grondslag legde der
orde, die
later haar hoofdzetel had in het oude Romeinsche gasthuis
„Sanctus
Spiritus in Sassia". Op het einde der 13de eeuw had schier
elke plaats
van beteekenis een klooster dezer orde, wier leden zich
wijdden aan
verpleging van zieken en arme passanten.
Over de stichting van het Roermondsche huis is niets bekend,
evenmin
als van het tijdstip, waarop de hospitaalbroeders van den H.
Geest
ophielden te bestaan. Buiten de beide charters wordt er
niets over hen
vermeld. Het door hen gebouwde gasthuis echter bleef; door
wien wer-
den de werkzaamheden overgenomen? In 1455 blijken de
„meesters
der huisarmen" tevens meesters van het gasthuis te zijn. De
instelling,
244
nen de gebouwen definitief ontruimd te zijn, want op
dien datum
worden de beide proveniers tijdelijk bij een burger in de
stad uitbesteed.
Eerst op 4 Mei 1611 had de veiling der gebouwen „mit
uytgaende
brandende kertsen" plaats in vier kavels tegen een inzet van
4300
gulden. In den tusschentijd dienden ze o.m. nog tot
huisvesting der
stadsschool, terwijl ze zelfs een oogenblik in het bezit
waren der paters
De tot het gasthuis behoorende kapel van St. Joris, gelegen
op den
Jesuiten.
hoek Munsterplein-Steenweg, ter plaatse waar nu het
Munsterhotel
ligt, was in den verkoop niet begrepen. Als zijnde een
gewijde
plaats kon er niet eigenmachtig over beschikt worden. Ze
diende
tevens als begraafplaats; zoo blijkt Everart van
Swanenbergh, een
der laatste rentmeesters van het oude gasthuis, in de kapel
begra-
ven te zijn. Over stichting en inwijding dezer kapel is
niets bekend.
Het hoofdaltaar was toegewijd aan St. Joris en begiftigd met
vele
schenkingen, waarvan het beneficie door den magistraat
vergeven werd.
Toen de kapel geheel tot ruïne vervallen was, gaf in 1653
Andreas
Creusen, bisschop van Roermond, toestemming om het altaar
naar de
Kathedraal over te brengen. De kapel zal wel spoedig daarna
zijn
afgebroken.
HUISARMEN.
In de middeleeuwen werd streng onderscheid gemaakt tusschen
vreem-
de armen en de eigen armen van stad of parochie, terwijl
voor de ver-
zorging van beide categorieën meestal afzonderlijke
organisaties wer-
den in het leven geroepen.
In onze stad bestond reeds vroeg een instelling voor de
„huisarmen“
zooals hier de eigen armen genoemd werden. In de 18de eeuw
en
later wordt ze meestal aangeduid met den naam „Tafel van den
H. Geest". Daar de zieken en proveniers in het gasthuis
eveneens van
bedeeling waren uitgesloten, kan practisch gezegd worden,
dat deze
instelling bestemd was voor alle armen die vielen buiten
gestichts-
verpleging. Uit een stuk van 1634, waarin gesproken wordt
van „Calvi-
nische Huysarmen" en „Calvinische uytheymsche ende vrembde
armen" blijkt, dat in de perioden dat de Protestanten in de
stad waren
toegelaten, dezen een eigen armenzorg hadden. Protestanten
konden
dan ook geen onderstand van de „Huisarmen” krijgen; eerst de
Fran-
sche tijd bracht hierin verandering.
Al zijn de oudste gegevens dezer instelling van jongeren
datum dan die
van het gasthuis, toch is vrij zeker de zorg voor de eigen
armen veel
ouder, zoo ze niet even oud is als de parochie zelf.
De voornaamste bron is een 16de eeuwsch cartularium, dat
geschre-
ven in een duidelijk handschrift, niet minder dan 221
copieën van char-
ters bevat. De oudst bekende schenking dateert uit 1366, in
welk jaar
de bekende Johan de Montefia „der Lombarder“ een „erfftzies
van
drie marck penninge jaers" geeft aan de „huisarmen van den
heiligen
geyst tot Ruremunde".
246
bestuurders zijner instelling uit zijn eigen kringen.
Het waren Heynen
opt Zant, Sietzen Breydels, Johannes Goltsteyn de jonghe en
Heynrick
van Kryeckenbeeck. De laatste moet spoedig overleden zijn,
want reeds
in 1448 treedt in zijn plaats de stichter zelf als
medebestuurder op.
Het is een markante trek bij al de instellingen, dat de
bestuurders bij
voorkeur gekozen werden uit de leden der magistratuur en der
Roer-
mondsche patricische geslachten.
Ofschoon bescheiden in opzet en met een beperkt doel kreeg
de
nieuwe instelling een groote beteekenis, toen ze de zorg
voor de „huis-
armen van den H. Geest" overnam. Wanneer dit precies gebeurd
is
en door wiens toedoen is niet meer te achterhalen. In een
charter uit
1454 treden de vier bovengenoemde personen in beide
kwaliteiten op,
dus in dat jaar had de overgang reeds zijn beslag gekregen.
Tot in
1469 wordt onderscheid gemaakt of een schenking voor de eene
dan
wel voor de andere categorie van armen gedaan wordt, nadien
is ieder
spoor der fusie uitgewischt en wordt enkel meer gesproken
van de
Waar was de zetel der instelling gevestigd? Vrij zeker was
deze ver-
„huisarmen”.
bonden aan de „spinde“ d.w.z. aan de plaats waar de
uitdeelingen
geschiedden, die uit den aard der zaak voor de stichting van
groot ge-
wicht was, zoo zelfs, dat de bestuurders ook vaak „meesters
der spinde"
genoemd werden. Uit verschillende gegevens blijkt, dat de
uitdeelingen
plaats hadden eens in de week des Maandags in de
gasthuiskapel op
den Steenweg of misschien in een kamer of gebouw aan deze
kapel
annex. Of dit reeds zoo geweest is onder de oude
broederschap is niet
meer na te gaan. De oudste aanwijzing dateert van 1472. In
hoofdzaak
heeft de instelling brooduitkeeringen gedaan, daartoe in
staat gesteld
door de in grooten getale geschonken graanrenten, doch ook
andere
levensmiddelen werden verstrekt, zooals vleesch, boter,
spek, bier en
in de vasten haring. Uitkeeringen in geld kwamen oudtijds
niet voor;
eerst in latere eeuwen is dat in zwang gekomen, zoo werd in
de tweede
helft der achttiende eeuw onderstand verleend met het geven
van
schoenen, gereedschappen, ontbijtkoek, schoolgeld, geld en
medicamen-
ten. De armenmeesters waren bij het doen der uitkeeringen
niet altijd
vrij, doch soms gebonden door den wil der schenkers, zoo
dezen bepaald
hadden wat en aan welke armen moest gegeven worden. Hunne
bevoegdheden waren al zeer sterk beperkt bij de vooral
sedert de
tweede helft der vijftiende eeuw veelvuldig gestichte proven
of pro-
viën. Dit waren fundaties, waarbij de stichter voor zich en
zijn erf-
genamen het recht voorbehield om de prove te vergeven met de
bepa-
ling, dat arme bloedverwanten voor anderen in aanmerking
kwamen.
De kapitalen werden uitgezet bij de stad, die jaarlijks de
renten aan de
armenmeesters afdroeg. Op 1 September 1610 gaf de magistraat
een or-
donnantie uit op de proviën die juist daarom zoo merkwaardig
is, omdat
ze een zekere verhouding regelde tusschen de proveniers en
de instel-
ling der „huisarmen“. Degene, die met een prove werd
begiftigd, moest
eerst met den armenmeester op het raadhuis voor den
magistraat ver-
schijnen, die onderzocht of de arme de prove al of niet
noodig had.
248
zelfs soms geheel achterwege gebleven waren, zoodat er
van de spinde
weinig stichting was uitgegaan. De hoofdoorzaak werd
bevonden in
het feit, dat de rentmeester alleen de uitdeelingen gedaan
had en dat
na verloop van tijd toezicht geheel was achterwege gebleven.
In deze
bevinding vond de magistraat gereede aanleiding om in te
grijpen.
Vooreerst werd een wijziging in het bestuur aangebracht, dat
voor den
vervolge zou samengesteld zijn uit twee provisoren en vier
armen-
meesters. De eersten, gekozen uit den magistraat, waren
enkel belast
met toezicht. Men achtte de tijdsomstandigheden niet
geschikt om ma-
gistraatspersonen tevens met de directe leiding te belasten.
Den armen-
meesters was de dagelijksche leiding van alle armenzaken
opgedragen,
het doen der uitdeelingen ingesloten; voor gewichtige zaken
echter
en in geval van moeilijkheden, moesten zij de provisoren of
den magis-
traat raadplegen, terwijl verder nog werd bepaald, dat ieder
op de
beurt voor een periode van twee jaren de functie van
boekhouder zou
vervullen. De tweede groote wijziging bestond in de
verplaatsing der
spinde van het gasthuis naar de parochiekerk, waar de
uitkeeringen
des Zondags na de Hoogmis ten aanschouwe van iedereen
moesten
plaats hebben. Door deze overbrenging werden de laatste
relaties met
het oude gasthuis verbroken. Op 4 Mei 1592 kwamen de
bestuurders
der beide instellingen ten stadhuize te samen ten einde te
geraken tot
een scheiding der gebouwen en terreinen van het oude
gasthuis, waar-
door mede ophield de verplichting der „Huisarmen“ tot
onderhoud der
halve gasthuiskapel.
Ten einde „der huisarmen segell und alle ihre bescheitt"
tegen „pery-
ckel van brandt und andere ongeval" te behoeden, werden met
advies
van den Raad in 1593 alle bescheiden in de parochiekerk in
tegenwoor-
digheid van den burgemeester opgeborgen en afgesloten. Van
de twee
sleutels werd er een in bewaring gegeven aan den
burgemeester en
de andere aan een der provisoren.
Anderhalve eeuw heeft de instelling haar zegenrijk werk
verricht bin-
nen de muren der parochiekerk, totdat in 1738 de aanhechting
volgde
aan het „Hospitael-Generael“. Art. 30 van het keizerlijk
decreet van
25 Augustus van dat jaar bepaalde: „Men sal hechten aan het
Hospitael-
Generael de taefel van den Heiligen Geest, ofte Armentaefel,
wel
verstaende, dat door dese unie het Hospitael-Generael niet
sal belast
syn, de fondatie van de H. Geesttaefel ront te maken". Door
dezen
maatregel werd het bestuur opgedragen aan de nieuwe
instelling, terwijl
noch de zelfstandigheid als stichting aangetast noch de
bestemming
der goederen gewijzigd werd. Geheel in dien geest konden de
direk-
teuren van het Hospitael-Generael dan ook in hunne
vergadering van
30 October 1738 besluiten, dat de Tafel van den H. Geest zou
geschei-
den blijven van de nieuwe instelling. Volgens hetzelfde
decreet zouden
in den vervolge de uitkeeringen plaats hebben des Zondags om
10 uur
in het Hospitael-Generael, terwijl het onderzoek naar de
armlastigheid
opgedragen werd aan drie direkteuren van die inrichting en
wel
den pastoor, den burgemeester en den gedeputeerde der
huisarmen.
Onder de hoede van het Hospitael-Generael passeerde de oude
instel-
250
H. Geest te Roermond, overleden in 1465, had bij
testament een zekere
rente bestemd tot stichting van een gasthuis en met de
oprichting
belast zijn broeder Diederick „Canonick tot onser liever
Vrouwen tot
Aken." Deze kwam te overlijden, vooraleer in de gelegenheid
te zijn
geweest de opdracht te volbrengen na in 1479 tevergeefs een
beroep
te hebben gedaan op den erfvoogd Willem van Vlodrop en droeg
bij
testament den last over op zijn beide neven Derich Pollart
en Johan
Pollart, kanunnik te Aken, aan wien het gelukken mocht in
1482, dus
17 jaar na het overlijden van den stichter, met medewerking
van den
magistraat de opdracht tot een goed einde te brengen. De
stichtings-
brief is in origineel bewaard gebleven met de zegels van de
stad, van
het kapittel en twee Pollartszegels.
Volgens dezen fundatiebrief was het gasthuis, dat gebouwd
werd op
den Schuitenberg naast den tuin van Maria Wee, bestemd voor
op-
name en verpleging van armen ten getale van zes als volgt
nader aan-
geduid: „die armen sullen syn man ind geyne vrouwe ind van
rechter
alder gebroecken huysarmen van gueder famen end gerucht".
Het
beheer werd opgedragen aan de stad en aan Derich en Johan
Pollart
met dien verstande, dat na overlijden der beide laatsten hun
plaats zou
worden ingenomen door den oudsten mannelijken afstammeling
uit
het geslacht Pollart. In den aanvang zullen, zoowel de stad
als de beide
Pollarts, het beheer persoonlijk wel gevoerd hebben, doch in
lateren
tijd blijkt dat ieder een provisor benoemde onder wier
leiding een
gasthuismeester den dagelijkschen dienst verrichtte. Volgens
een
ordonnantie uit 1599 werd deze op voordracht der provisoren
aan-
gesteld.
De stichtingsakte kende slechts één provisor, den deken van
het kapit-
tel van den H. Geest, wiens taak het was algemeen toezicht
uit te
oefenen en als zoodanig moest toezien, dat de stad en de
familie Pollart
het beheer voerden overeenkomstig de voorschriften, tweemaal
in het
jaar visitatie moest doen in het gasthuis en aan wien mede
rekening
en verantwoording werd afgelegd.
Voor de familie Pollart, die te allen tijde vrijen toegang
had, moest
steeds het beste vertrek in gereedheid gehouden worden. Deze
preroga-
tieven, die ook na 1754 behouden bleven, werden eerst door
de Fransche
revolutie opgeheven.
De proveniersplaatsen werden om beurten door de stad en de
familie
Pollart vergeven met dien verstande dat bij oprichting de
laatste het
eerst aan de beurt kwam, terwijl de zesde plaats ter
beschikking van
den deken van het kapittel was. Niet steeds heeft de stad
van dit recht
het juiste gebruik gemaakt. Zoo wordt in 1605 toegewezen aan
de
zusters van den Broodboomgaard wegens hare verdiensten als
ver-
pleegsters der pestlijders „eenen prove uyt den gasthuis op
ten Scheu-
tenbergh van tsestich gulden und twee malder rogge tsjaers,"
terwijl
mede bij herhaling weeskinderen in het gasthuis geplaatst
werden. Ook
voor deze instelling werd de tweede helft der 16e eeuw zeer
nood-
lottig. De finantieele positie werd in 1581 zoo slecht
bevonden, dat
besloten werd, voorloopig geen nieuwe proveniers meer op te
nemen,
252
eerste fundateurs vant arme wyshuys". De eigenlijke
stichting moet iets
vroeger hebben plaats gehad, want de Donderdagsprotocollen
houden
reeds op 4 April de benoeming in van twee weesmeesters,
terwijl op
dien datum reeds provisoren blijken in functie te zijn. In
1695 lag het
weeshuis op de Swalmerstraat op den hoek der St. Janstraat,
doch
twee jaar vroeger is sprake van de „behuysunghe achter de
muyre“
Aan het bestuur, bestaande uit twee provisoren en vier
weesmeesters,
allen door den magistraat benoemd en aan dezen
rekenplichtig, was
het toegestaan jaarlijks meerdere malen door de stad te
collecteeren.
Deze collecten waren de hoofdbron van inkomsten.
In 1644 is het gesticht zoo bevolkt, dat geen weezen meer
kunnen wor-
den opgenomen, doch afgezien van een korte bloeiperiode is
het bestaan
steeds zeer kommervol geweest. In 1658 reeds zijn de
middelen zoo
gering, dat zelfs voor de enkele overgebleven kinderen geen
behoor-
lijke huishouding meer kon worden gaande gehouden, zoodat de
ge-
bouwen een tijdlang moesten gesloten worden. De brand van
1665 voor-
al was zeer noodlottig. Door nalatigheid in het beheer en in
het afdoen
der rekeningen raakte de instelling hoe langer hoe meer
achterop.
Toen de magistraat in 1713 eindelijk tot een onderzoek
overging, bleken
vroegere weesmeesters en hunne erfgenamen het weeshuis voor
dui-
zenden guldens te hebben benadeeld. Tot tweemaal toe, in
1713 en 1722,
grijpt de Bisschop van Roermond, Angelus graaf d'Ongnies
d'Estreés,
in, „geinformeert synde van de inordentelikheydt dewelke
geploogen
wordt in het armenweyshuys". Om den slechten finantieelen
toestand
te verhelpen stond de bisschop aan de weezen toe om in de
parochie-
kerk onder hoogmis en lof te collecteeren, welk gebruik
begonnen op
26 November 1713 tot voor weinige jaren bestaan bleef. Op
een desbe-
treffende vraag der provisoren besliste de magistraat d.d. 8
April 1655,
dat de roerende en onroerende goederen der opgenomen weezen
voor
de helft aan het weeshuis zouden verblijven, terwijl de
andere helft
bij het verlaten der inrichting moest worden uitgekeerd. In
1754 werd
het Jongensweeshuis bij het Hospitael-Generael gevoegd.
B. VAN DULCKENSWEESHUIS. In 1649 stichtten Gossen van
Dulcken en zijne echtgenoote Maria Spee een weeshuis voor
zes meisjes
van tusschen de acht en zestien jaar. De stichtingsbrief is
in copie in het
„Verdrachsboek” bewaard gebleven. Van Dulcken, „Commis” van
den
postmeester generaal, den graaf van Taxis, behoorde tot de
aanzien-
lijke burgers, was gedurende 20 jaar secretaris der stad,
later schepen
en syndicus der staten van het overkwartier. Het gesticht,
gelegen in
de Jesuitenstraat tegenover de kerk der paters Jesuiten, was
bestemd
voor huisvesting en opvoeding van „weesdochterkens gebooren
ende
naer gelaeten van eerlycke ende d'armste borgers deser
stadt", wier
kleeren moesten zijn „van donckere groen laeckense lyffkens
ende stael-
grauwe rocken". De plaatsen werden vergeven door de
stichters en na
beider overlijden door de twee provisoren, aan wien het
algemeen be-
stuur en toezicht werd opgedragen. De stichtingsoorkonde was
mede
onderteekend door Lamoral de la Tour, grave van Tassis, aan
wien
254
in de tweede helft der 17e eeuw onmeedoogend gestraft
„exemplairlyck
aen de lyve mit eene publyke geeselinge ende brantmercke."
Ook een
burger, die een vreemden bedelaar onderdak verschafte,
langer dan was
toegelaten, werd met lijfstraffen bedreigd.
In de enkele gevallen, waarin de magistraat zelf aan
armenzorg deed,
werden de kosten bestreden uit het „armengeld“, een fonds
dat ter
beschikking stond van den „Ritzburgemeester“ en waarvoor de
gelden
verkregen werden uit verschillende boeten en uit één procent
van den
verkoopprijs van onroerende goederen.
----------
Reorganisatie en concentratie onder Kanunnik Bors.
HET HOSPITAEL-GENERAEL.
Al is deze instelling opgericht bij keizerlijk decreet -
waarschijnlijk
was onder het Oostenrijksch gouvernement een andere weg niet
moge-
lijk - als eigenlijke stichters zijn terecht steeds
beschouwd kanunnik
Goswyn Frans Bors en zijn zuster Dorothea. Aan hunne
toewijding
en volharding is het tot stand komen te danken. Een
gefundeerd oor-
deel over den persoon van kanunnik Bors is wegens te weinig
onder-
zoek nog niet goed mogelijk. Wanneer men Habets naleest in
zijn
„Geschiedenis van het Bisdom” blijkt zijn meening niet
onverdeeld
gunstig te zijn doch mild aan het eind.
Toen de magistraat niet erg genegen bleek om ten gunste der
voorge-
nomen plannen aanbevelingsbrieven voor Brussel te geven,
antwoord-
de Bors zeer typeerend: „Il me parait d'entrevoir que vous
avez quelque
peine à m'envoyer la lettre de recommandation à S.A.S., que
j'avais
pris la liberté de vous demander en faveur des pauvres
malades de la
ville de Ruremonde et comme mon intention n'est nullement de
vous
gener à cet égard, je ne veux plus vous importuner pour la
lettre en
question, cependant messieurs je vous prie d'être persuadés
que cela
ne diminuera en rien le dévouement aussi sincère que
respectueux avec
lequel je suis et serai toujours, messieurs, votre très
humble et très
obéissant serviteur." Kanunnik Bors was iemand, die zijn
eigen weg
ging en uit de aanwezige bescheiden valt voldoende af te
leiden, dat
de magistraat met de stichting van het Hospitael-Generael
niet erg was
ingenomen. Aanvankelijk werd slechts gesticht een hospitaal
van twaalf
bedden voor zieken, waarvoor door den keizer octrooibrieven
gegeven
werden op 9 December 1733, terwijl het reglement door hem
werd vast-
gesteld op 4 December 1734. Dit ziekenhuis werd, zoowel
betreffende
bestuur als inkomsten, gevoegd bij het Hospitael-Generael,
opgericht
bij keizerlijk decreet van 25 Augustus 1738. Den algemeenen
indruk
van dit feit samenvattend, blijkt, dat niet zoo zeer beoogd
werd het
in het leven roepen van een nieuwe instelling, dan wel een
volslagen
reorganisatie der armenzorg door concentratie. Een
merkwaardigheid,
die aanstonds opvalt, is gelegen in den aanhef van art. 15
van het
decreet, in welk artikel het doel omschreven wordt: „Alsoo
door een
256
af te staan. Het armengeld, de legaten aan de armen in
het algemeen,
de opbrengst van armebussen, boeten en verplichte giften bij
aanvaar-
ding van ambten, werden alle aan de instelling toegewezen.
Ondanks
deze maatregelen is de finantieele positie niet altijd
krachtig geweest,
zoodat meer dan eens uit de inkomsten der „Huisarmen“ moest
worden
bijgepast, wat overigens niet verwondert, in aanmerking
nemend een
bevolking van 120 personen.
In het begin van 1739 werd het gesticht begonnen in het
ouderlijke huis
Bors aan de markt gelegen en voor dat doel door Dorothea
afgestaan.
Vrouwen en meisjes waren gehuisvest in de Jesuitenstraat in
een huis,
dat via den tuin in verbinding stond met het perceel aan de
Markt,
waar de mannen en jongens verpleegd werden.
In 1741 moest het huis aan de Jesuitenstraat ontruimd worden
en het
gelukte in dat jaar het huis Bors met het gouvernement te
ruilen tegen
het z.g. Prinsenhof, het groote gebouw aan het Munsterplein
waar heden
ten dage nog het Godshuis gevestigd is. Er waren toen reeds
90 per-
sonen opgenomen. Deze ruiling, waarnaar reeds langen tijd
getracht
was, kwam niet tot stand dan na heftigen tegenstand van de
zijde der
staten van Oostenrijksch Gelder, die den eigendom
pretendeerden, om-
dat het gebouw op hunne kosten gebouwd was. De stemming der
sta-
ten schijnt vooral fel verbeten tegen kanunnik Bors geweest
te zijn;
in een der bescheiden komt de volgende zinsnede voor: „Les
députés
des états assurent, que l'echange des maisons a été faite
aux instances
du chanoine Bors, qu'ils représentent comme un homme
inpertinent,
capricieux, fourbe ou intrigant et nuisible à la patrie".
Bij keizerlijk decreet van 24 Juli 1754 werd het
provisioneel reglement
van 25 Augustus 1738 gewijzigd. Het aantal directeuren werd
terug-
gebracht op vijf waarvan vier uit kracht van hun ambt, de
bisschop,
de kanselier, een gedeputeerde van de tweede kamer en de
pastoor en
slechts één bij verkiezing, aan welken laatste de
dagelijksche leiding
was opgedragen. Bepaalde het reglement van 1738 nog dat men
trach-
ten zou de verplichte aalmoezen van kloosters, kerken,
broederschap-
pen en ambachten te verkrijgen, thans werden deze eenvoudig
aan
het Hospitael-Generael toegewezen evenals goederen
„geschickt voor
de armen en die sig bevinden verkeerd te syn tot een gebruyk
strydig
aan hunne stichtingen". Op grond van deze bepaling werden
bij decreet
van 22 November 1756 aan de instelling toegevoegd de
bezittingen af-
komstig van het oude H. Geestgasthuis of pelgrimshuis te
Wessem,
welke goederen door verloop van tijd in het bezit waren
gekomen van
de armentafel aldaar.
De concentratie in 1738 begonnen werd gecompleteerd door de
aan-
hechting van het oud manhuis en der beide weeshuizen. De
zelfstan-
digheid dezer instellingen als stichtingen werd niet
aangetast; hare goe-
deren bleven beheerd door de besturen der afzonderlijke
instellingen,
doch de inkomsten werden toegewezen aan het
Hospitael-Generael,
wat dus beteekent, dat voor den vervolge deze inkomsten
aangewend
werden ten bate van het algemeene doel dezer instelling. De
bestuur-
ders verloren tevens het recht op aanwijzing der op te nemen
weezen,
258
het oude Hospitael-Generael zijn opgelost. Wel werden
in de rekenin-
gen nog een tijdlang de inkomsten naar hunne herkomst in
afzonder-
lijke rubrieken verantwoord, doch ook deze herinnering aan
den vroe-
geren toestand is later verdwenen. De latere reglementen uit
1856 en
1913 hebben de oplossing in één instelling gewoon als feit
aanvaard.
Een derde groote wijziging is het gevolg geweest van de
wetgeving op
de bedelarij, die het toezicht, zooals haast van zelf
spreekt, opdroeg aan
de burgerlijke autoriteiten en tevens oprichting van huizen
gelastte
voor opzending van bedelaars. Hierdoor verloor het Burger
Hospitaal
niet alleen zijn taak te dien opzichte, maar tevens een
belangrijk stuk
van zijn algemeen karakter. Wel merkwaardig hoe juist de
Fransche
tijd hier corrigeerend is opgetreden ten opzichte van den
min of meer
onnatuurlijken opzet van 1738.
Ook het Burger Hospitaal leed aanzienlijke verliezen door de
ontheffing
van de gemeenten van hare verplichtingen tegenover de
instellingen,
doch anderzijds is in niet onbelangrijke mate profijt
getrokken van de
wet van 4 ventôse an IX, waarbij de verzwegen domeingoederen
be-
stemd werden voor „les hospices les plus voisins de leur
situation". Na
den Franschen tijd werd het hospitaal in den eigendom der
aldus ver-
kregen goederen bij K. B. van 6 Mei 1818 bevestigd.
Werd door de regeling op het stuk der bedelarij het algemeen
karakter
reeds aanzienlijk ingeperkt, in nog grootere mate was dit
het gevolg
van de beteekenis die de „hospices civils" hadden volgens de
Fransche
wetgeving en van de afscheiding der Tafel van den H. Geest
op
1 Januari 1824. Waar deze afscheiding mede een gevolg
geweest is van
de ontbinding der bureaux de bienfaisance, kan men ze nog
beschou-
wen als een uitvloeisel van den Franschen tijd. Het doel der
instelling
was hierdoor teruggebracht tot enkel gestichtsverpleging,
aan welke
opvatting de praktijk zich sindsdien geheel heeft
aangesloten.
Zoo is dus aan het einde van den Franschen tijd de conceptie
van
Kanunnik Bors aanzienlijk gewijzigd, wat zich mede
afspiegelt in een
sterk verminderde bevolking, die sindsdien steeds
geschommeld heeft
tusschen 80 en 90 personen. Onder het Koninkrijk is de
toestand niet
veel meer gewijzigd. Het toezicht en de benoeming der
bestuurders,
eerst geregeld bij enkele K.B.'s en daarna in het „Reglement
voor het
bestuur der stad Roermond", werden geheel in handen van het
ge-
meentebestuur gelegd.
De armenwet 1854 heeft, wat betreft de rangschikking, tot
dezelfde
moeilijkheden aanleiding gegeven als bij het bureau van
weldadigheid.
Toch is de rangschikking onder de burgerlijke instellingen
de eenig
juiste geweest. De oprichting bij decreet van den keizer en
de latere
reglementswijzigingen door dezelfde instantie, gevoegd bij
het feit, dat
volgens een brief d.d. 22 Maart 1760 van den
gouverneurgeneraal,
hertog Karel-Alexander van Lotharingen, rekening en
verantwoording
moest worden afgelegd aan den momboir van het hof in
kwaliteit
van keizerlijk commissaris,stempelen het Hospitael-Generael
reeds in
zijn oorsprong tot een instelling geregeld en bestuurd door
de burger-
lijke overheid; in welken feitelijken toestand de Fransche
revolutie
260
van den aanvang af zijne intentie was de stichting te
stellen onder de
hoede van het gemeentebestuur en haar het karakter te geven
eener
burgerlijke instelling, werd door hem het gemeentebestuur in
de uit-
voering van zijn last betrokken. Met beider samenwerking
kwam de
Louisastichting bij akte van 8 Maart 1858 en bij besluit van
den ge-
meenteraad van 12 Augustus van dat jaar tot stand.
Gevestigd in de gebouwen van het R. C. Godshuis, was ze
bestemd
a) voor het tijdelijk verplegen van onvermogende zieken en
gekwet-
sten; b) voor het tijdelijk verzorgen van zieken en
gekwetsten, die de
verplegingskosten konden voldoen en c) voor het oppassen van
zieken
en gekwetsten buiten het gesticht zoo vermogende als
onvermogen-
de. Het onder c) genoemde is later vervallen en is dan ook
in het
reglement van 1913 niet meer opgenomen. Voor de onder a)
genoemden
moesten steeds twaalf en voor de onder b) genoemden zes
bedden
beschikbaar zijn. Het beheer werd opgedragen aan de regenten
van het
R. C. Godshuis, die jaarlijks rekening en begrooting den
gemeenteraad
ter goedkeuring moesten voorleggen.
Het eerste begin is zeer bescheiden geweest in de beide
groote zalen
van het hoofdgebouw van het R. C. Godshuis. De Zusters van
Liefde,
die reeds sinds 8 Januari 1851 ten getale van twee in het
Godshuis
de huishouding deden, werden met twee uitgebreid
Toen de noodzakelijke verbouwingen gereed waren, had op 8
Novem-
ber 1859 de plechtige inwijding der nieuwe ziekenzalen door
Z. D. H.
Mgr. Paredis plaats.
Was in den oorspronkelijken opzet de verpleging van armen de
grootste
taak van het Louisahuis, ze is in lateren tijd geheel
overvleugeld door
de verpleging van betalende patienten, hoewel het eerste
steeds is blij-
ven bestaan, al werd het aantal vrije bedden van twaalf op
acht terug-
gebracht. Daar de beschrijving van de ontwikkeling van het
Louisahuis
als ziekenhuis buiten het bestek van dit artikel valt wordt
ze hier
achterwege gelaten. De eigen ziekenverpleging heeft door het
in wer-
king treden van het St. Laurentiusziekenhuis op 1 Mei 1931
een einde
genomen.
Strikt genomen kon hier geëindigd worden, doch
volledigheidshalve
dient nog gewezen te worden op een reeks instellingen van
weldadig-
heid ontstaan sinds de tweede helft der vorige eeuw en die
alle uit-
sluiting der directe overheidsbemoeiing als een bijzonder
kenmerk
dragen.
Het zou vreemd zijn, indien in een stad, die de schoone
kunst der
charitas op zoo uitstekende wijze te beoefenen wist, niet
reeds vroeg-
tijdig de roep van Frederik Ozanam weerklank gevonden had.
Ver-
eenigd ten huize van deken Moonen besloten op 27 Februari
1859 de
heeren K. Bongaerts, Ch. Guillon, Fr. Stolzenberg, H.
Schreurs en J.
Tijssen tot oprichting van een conferentie van den H.
Vincentius van
Paulo, welke op 16 Mei door den Algemeenen Raad te Parijs
onder
den titel van Conferentie van den H. Christophorus erkend
werd. Deze
262
SOCIALE INSTELLINGEN, GIL-
DEN, PUTTEN EN CONFRERIEËN
TE ROERMOND VAN 1232-1795
door
J. HUIJSMANS
DE GILDEN OF AMPTEN.
IJ ontstentenis van gegevens is niet te beantwoor-
den de vraag of er omstreeks 1232, toen Roermond
zijne stadsrechten kreeg, in een of anderen vorm
hier ampten of gilden bestonden.
Het oudste stuk, waarin over ampten wordt gesproken, is van
1351.
Daarin worden de „van ouds“ geldende rechten en gewoonten
der stad
tegenover de vroegere en huidige landsheeren opnieuw
herinnerd en
We lezen er in, dat de gezworenen van het wollenampt, - dus
beëedig-
bevestigd.
de vertegenwoordigers -, jaarlijks op St .- Petersdag (St.
Petrusstoel,
22 Februari) vier werkmeesters zullen kiezen, die het ampt
„op haar
eyde wairden ende hueden ende halden suelen".
Keuren of verordeningen bij overtredingen zullen deze
werkmeesters
ter uitvoering voorstellen niet aan den richter - den
toenmaligen ver-
tegenwoordiger van den graaf - maar aan den burgemeester,
die voor
uitvoering en handhaving door den stadsbode zal zorg dragen.
Van de boeten op overtreding gesteld, ontvangt de landheer
een derde,
de stad een derde en de werkmeesters eveneens een derde; de
kleinere
boeten vervallen alleen aan de werkmeesters, die ze ook zelf
mogen
innen.
Verder worden nog andere ampten genoemd, die ook jaarlijks
op
St. Petersdag hunne gezworenen zullen kiezen. Deze zullen
voor den
burgemeester „op de heiligen“ zweren, (op de relieken der
Heiligen en
op het Evangelieboek), dat zij de belangen van hun ampt
zullen voor-
staan. De keuren dezer ampten - brouwers, bakkers,
vleeschhouwers,
visschers en schoenmakers - zullen ook aan den burgemeester
worden
voorgesteld, die zal zorgen voor handhaving en uitvoering.
Deze keuren
konden echter door burgemeesters, schepenen en raad in het
belang der
stad naar goeddunken worden veranderd, iets wat bij de keur
op het
wollenampt niet mogelijk was.
Hier is een verschil, dat door verschillende schrijvers over
de Roer-
mondsche stadsgeschiedenis ook werd opgemerkt.
Ook op andere plaatsen vond men dat onderscheid.
Dezen overwegenden invloed had het wollenampt natuurlijk te
danken
aan den steeds toenemenden handel in wollen stoffen. Dien
voorrang
vinden we ook in een opsomming der ampten in het
„Verdrachsboek“.
264
straat vermeld; deze herinnert aan het ampt der pelsers
of bewerkers
van huiden.
Behalve in het „Verdrachsboek” vinden wij nog in de
Roermondsche
amptsbrieven een niet gedateerde opgave der vijf groote
ampten met
de daarbij behoorende kleinere ampten.
Het zijn: 1e. de gewantmekers, waartoe nog behooren de
droochsche-
rers, de muyrers (metselaars) en leydekkers, de goldtsmeden
en glaes-
maekers, schilders of melers, de wapensteeckers en de
bildtsnijders;
2e. de smeden, waartoe ook behooren de cooldragers en de
snijders of
3e. de brouwers met de timmerluyden, de cuypenbinders,
raemakers,
schroders;
schrijnwerkers, pelsers of looiers, witmekers en
hoedemekers;
4e. de schomekers, waartoe ook gerekend worden de beckers
(bakkers),
de wevers, wenmeckers en korvers (mandenmakers);
5e. de schippers tevens omvattend de cremers (kooplieden) en
ververs.
Een archiefstuk van 1566-1569 geeft ongeveer dezelfde
opsomming.
Daarin staan echter de schippers op de tweede plaats en
komen de
smeden het laatst.
Wat in deze opgave vreemd aandoet, is de samenvoeging van
ambach-
ten en beroepen, die in het maatschappelijk leven niets met
elkaar heb-
ben uit te staan. Een verklaring schijnt slechts mogelijk
door de nood-
zaak een te veel van „groote ampten” te beperken en daardoor
te groo-
ten invloed te voorkomen. Ook op andere plaatsen vinden we
dit ver-
schijnsel terug.
Opvallend is, dat de zoogenaamde kunstvakken bij het
voorname en
eerst genoemde gewantmakersampt zijn ondergebracht.
De ambachten der goudsmeden, kunstschilders of melers,
wapenste-
kers, beeldsnijders en goudborduurders stonden in de
middeleeuwen
op hoog peil. Voor Roermond vinden we echter slechts
spaarzame ge-
gevens over beoefenaars dier kunstvakken.
In Sivré's „Inventaris van het oud archief der gemeente
Roermond"
lezen we hier en daar over schenkingen van glasschilderingen
en ge-
sneden koorbanken, van vergulde kelken, beelden en
kandelaars. Maar
die gegevens verdwijnen geheel in het midden der 16de eeuw
en bij het
begin van den tachtigjarigen oorlog. De stad was er toen
door den
grooten brand van 1554 en de krijgstroebelen slecht aan toe.
Eerst als
de stadsregeering door milde bepalingen en voorrechten
vreemde kun-
stenaars en ambachtslieden tracht over te halen tot
vestiging in de stad,
lezen we onder de nieuw ingekomen burgers weer goud- en
zilversme-
den, tingieters, koperslagers en later nog beeldsnijders en
steenhouwers.
De laatste vooral komende uit het Luiksche.
Onder het bestuur van Roermonds derden bisschop Jacobus à
Castro
en deken Pollius begon men met de herstelling der
moederkerk, die
door brand, storm en plundering veel had geleden.
Reeds in 1569 - dus kort na den beeldenstorm - had de
Magistraat
van Roermond de ampten en broederschappen ernstig aangemaand
om
de koren en altaren te herstellen en op te sieren, zooals
dat van dege-
lijke ambachtslieden kon worden verwacht.
266
die van het kleermakersampt, dateerend van 30 September
1405, be-
krachtigt de Magistraat deze voorschriften, verbiedende aan
meesters
en gezellen op bepaalde feestdagen te werken. Daaruit zou
kunnen wor-
den besloten, dat de eigenlijke ordonnantie door het ampt
zelf in het
leven was geroepen. Hetzelfde kan worden gezegd van een
ordonnan-
tie van het bakkersampt van 29 Februari 1540. In den aanhef
van dat
stuk heet het, dat de bakkers deze voorschriften hebben
gemaakt, zoo-
als van ouds gebruikelijk is geweest en zij nu samen
overeengekomen
zijn „te halden guede geselschap ende broderlike mijnne te
hebben als
hijr nae bescreven steit ende lieff en leit tsame te liden
wes onsen ampt
aengeit off aestaede ist".
Ook hier stelt dus het ampt nog zelf zijne wetten vast.
Niet lang daarna zien we dit veranderen. Op 6 Augustus 1556
vinden
we reeds in een blijkbaar vernieuwden amptsbrief der
bakkers, dat de
Raad der stad Roermond in de daarin omschreven artikelen
bewilligt
en er zijn vergunning aan geeft, echter tot wederopzegging
en onder
voorbehoud den amptsbrief „toe koirten ind toe lenghen tot
nuth ind
wailfairt gemeyne burger und ingeseten der stadt"
Bijna alle andere amptsbrieven - er zijn er ook onder, die
van 18 No-
vember 1540 dagteekenen - hebben ongeveer denzelfden aanhef
als de
genoemde van 6 Augustus 1556, al wordt er dan bijna geregeld
in ge-
vonden, dat de vernieuwing geschiedde op verzoek van de
leden van
het ampt.
Tracht men de oorzaak hiervan op te sporen, dan valt op een
ordon-
nantie van Karel V, uitgevaardigd in 1528, waarbij aan de
gilden in het
Sticht alle politieke macht werd ontnomen.
Voor Roermond is nog van beteekenis, dat in 1543 Gelre en
dus ook het
Overkwartier kwam onder de Spaansche heerschappij en Karel V
land-
heer werd.
In het licht van deze en andere feiten is het niet te
verwonderen, dat
de vroegere autonomie, het zelfbestuur der ampten, in het
midden der
16de eeuw heeft plaats gemaakt voor meerdere zeggingschap
van het
gemeentelijk bestuur in de gildenorganisaties. Het is ook
aan te nemen,
dat een streven naar machtsuitbreiding bij de ampten zèlf,
de gemeente-
besturen tot die meerdere zeggingschap heeft gebracht.
We zien dit streven naar machtsuitbreiding bij de gilden ook
in het
voortdurend grooter worden van het getal der
vertegenwoordigers van
de ampten in de stadsregeering.
Volgens een archiefstuk van 1449 worden van de zes mannen er
twee
door de gemeente gekozen uit de gezworenen - beëedigde
afgevaardig-
den of voorzitters der ampten - en de vier andere uit de
burgers
amptsleden. Deze worden dan de viermannen genoemd.
Bij ontvangsten en uitgaven van de stad, moesten de
zesmannen aan-
wezig zijn en één der drie sleutels van de kist, waarin het
stadszegel
werd bewaard, berustte bij de zesmannen.
Berustte dus het eigenlijk stadsbestuur bij burgemeesters en
schepenen,
de burgerij werd daarenboven nog vertegenwoordigd door een
zooge-
268
een resolutie, welke de vertegenwoordigers der ampten
moesten onder-
De verhouding van de ampten tot kerk en geestelijkheid was
over het
teekenen.
algemeen van anderen aard.
Elk ampt had zijn heiligen schutspatroon, gewoonlijk om zijn
bijzondere
verdiensten voor het ambacht, maar niet zelden slechts om
een min
of meer toepasselijk attribuut daartoe uitgekozen.
De gildekapel, het choor, altaar of beeld in de parochiekerk
werden
door het ampt onderhouden en op feestdagen met wapens,
vlaggen en
emblemata gesierd en met waskaarsen verlicht.
Op het patroonfeest en op andere „bandagen“ waren de
amptsbroeders
verplicht - de gehuwden met hun vrouwen - de H. Mis bij te
wonen
en daaronder ten offer te gaan.
Van de Kathedrale kerk zijn anno 1740 gegevens bekend over
de dagen,
waarop de verschillende ampten hun „bandach“ hielden.
De „kooldragers“ vereerden Antonius Abt op 17 Januari en de
timmer-
lieden St. Joseph op 19 Maart.
Van de laatsten wordt vermeld dat onder de H. Mis aan de
ampts-
broeders de H. Communie werd uitgereikt.
Het Kremer- of Koopliedengild hield zijn feestdag daags voor
Sacra-
mentsdag: de pastoor zong dan de Mis van den H. Geest.
De schrijnwerkers vereerden geen bepaalden patroon, maar
„teerden“
op den feestdag van Kruisverheffing 14 September.
Ook waren er gilden die twee maal 's jaars patroonsfeest
hadden. Dit
waren o.a. de kleermakers. Zij eerden St. Joris op 12 Maart
en St. Anna
op 26 Juli.
De schilders hadden behalve op St. Lucas, 18 October, nog
een feest-
dag op Sacramentsdag en Maria Hemelvaart. En over de
zilversmeden
lezen wij, dat zij op 26 Juni hun patroon St. Eligius
vereerden en op
dien dag een plechtige H. Mis bijwoonden. Daags daarna
hoorden zij
een stille H. Mis voor de afgestorven ambtsbroeders.
In hetzelfde stuk worden nog genoemd de patroons en
offerstokken der
volgende ampten: St. Crispinus en St. Crispinianus, patroons
der
schoenmakers op 25 October, St. Rumoldus patroon der
brouwers op
1 Juli, St. Nicolaas als de patroon der schippers en
huurvaarders op
6 December, St. Ivo, patroon der raadsheeren en advocaten op
19 Mei,
St. Petrusstoel op 22 Februari als patroon der schepenen en
senatoren,
St. Catharina 25 November als patrones der handboogschutters
en
St. Jacob op 25 Juli als patroon der wevers. De offers op
het hoog-
altaar, het gildealtaar of een der andere altaren neergelegd
kwamen
toe aan den pastoor der Moederkerk.
Had het ampt een volgenden dag zijne overledenen in
zielmissen her-
dacht, dan werden ook de armen door brooduitdeeling en
andere goede
werken niet vergeten. Soms werden onder de H. Requiemmis de
na-
men der overleden amptsbroeders van den kansel voorgelezen.
In de processies moesten de amptsbroeders verschijnen in hun
beste
gewaad, gewapend of fakkels en kaarsen dragend.
Over de volgorde in den stoet raakten de ampten dikwijls in
strijd.
270
aan de ordonnanties van den Raad en wel naar
gelegenheid des tijds
en naar gelang de prijzen voor het koren vastgesteld.
In denzelfden amptsbrief wordt onderscheid gemaakt tusschen
,beckers" en „cremerbeckers“. De eersten bakten voor loon,
zooals dat
nog in Limburg gebruikelijk is. Daarbij wordt het door de
huisgenoo-
ten bereide deeg naar den bakker gebracht om te laten
bakken. „Cre-
merbeckers" bakten, verkochten en bezorgden het brood voor
eigen
rekening. Men kende toen roggebrood, huysbackenbrood,
uitgezift
brood of „mick” en wittebrood. Elken Donderdag moesten de
mees-
ters de marktprijzen van rogge en „weith“ aan den Raad
overbrengen.
Daarnaar werd de prijs van het rogge- en witbrood
vastgesteld. Ook
het bakloon moest de goedkeuring van den Magistraat hebben;
op
18 Januari 1624 werd de eigenmachtige verhooging van het
bakloon
door het Stadsbestuur afgekeurd.
Het bakkersampt had zijne bandagen op St. Petrusstoel, op
Sacraments-
dag en St. Aubertdag.
In de processie van Dinsdag na Pinksteren (als men Onze
Lieve
Vrouwe draagt) moesten de amptsbroeders aantreden op Johan
Segers
Oirt en op Sacramentsdag op „Tollenersoirde“. Dezelfde
verzamel- of
loopplaatsen waren ook voor sommige andere ampten
voorgeschreven.
Voor toelating tot meester wordt in den amptsbrief der
bakkers geen
proefstuk vermeld.
Dat lezen we wel van de toelating tot meester in het
muyrers- of metse-
laarsampt. De gezel moest dan een huisgevel, een put of een
kelder met-
selen. Het loon der metselaars zullen de meesters zoo
stellen, dat de
burgers zich daarover niet kunnen beklagen. Mocht dit wel
het geval
worden, dan zullen de meesters het loon verminderen, tot het
overeen-
komt met het loon in de naburige steden. Wanneer er dan
gezellen niet
bereid waren voor dit loon te werken, konden vreemde
arbeidskrach-
ten worden toegelaten, die ongemoeid moesten kunnen werken.
Het „muyrersampt” had op Dinsdag na Pinksteren zijn
loopplaats aan
Straesborchsoirt en op Sacramentsdag aan Dulckenoirt. Het
patroons-
feest werd gevierd op 4 December St. Barbaradag; het gebruik
bestaat
nog hier ter stede bij de metselaars en opperlieden.
De leerjongens moesten twee jaar bij een meester werken en
den bak
dragen „eer zij den troffel mochten gebruiken“. Bij
toelating tot gezel
waren zij verschuldigd vier pond was en vier kwart wijn.
Voor de leidekkers was als meesterproef voorgeschreven het
maken
van „een keele van een dack mit leyen gedeckt". Er was ook
voor-
geschreven dat - als een meester, knecht of jongen den
burgers kalk,
leien of lood ontvreemdde - hij „sal staen tot straf ende
correctie des
heeren ende van het gericht".
De meesters tot het ampt toegelaten moesten hun harnas,
geweer en
wapenrusting hebben zooals voor het ampt was voorgeschreven
op
boete van een gulden „current”. Dergelijke bepalingen vinden
wij ook
bij de andere ampten.
Bij het timmerampt vinden we een voorschrift, dat slechts
zelden bij
andere ampten voorkomt. Voordat de gezel als meester werd
toegelaten
272
kettenstaal bedoeld, dat eenige tientallen jaren
geleden nog voor ver-
schillende doeleinden werd gebezigd.
Ook het koopen der smeekolen was in den amptsbrief geregeld
Het kolendragersampt te Roermond schijnt vooral door zijn
aantal
amptsbroeders groote beteekenis te hebben gehad. Behalve het
dragen
der kolen was ook het vervoer van andere koopwaren als kalk
en steen,
koren enz. aan hen opgedragen. Hun taak was voornamelijk het
lossen
der schepen, die deze waren aanvoerden. De korven of manden
waarin
gedragen werd, moesten behoorlijk zijn gemaakt, op juiste
maat, wel
beproefd en geijkt; de meesters moesten daarop toezien. Ook
met zak-
ken werd gedragen; in latere tijden werd ook het ampt wel
zak-
kendragersampt genoemd. ·Het werd met de andere ampten
officieel
opgeheven, maar is als societeit of vereeniging blijven
voortbestaan.
Nog tot ver in de 19de eeuw wordt het als kolendragersampt
ge-
noemd; de leden hadden het privilege de lijken te mogen
begraven.
Voor verdere bijzonderheden wordt naar de behandeling van
dat tijd-
vak verwezen.
Bij de goudsmeden werd evenals bij de smeden het werk van de
mees-
ters kenbaar gemaakt door een bepaald teeken. Bovendien gaf
dit aan-
wijzing over het gehalte van het materiaal. Ook het
stadsteeken - de
lelie - werd soms als merk op de voorwerpen geslagen.
De goudsmeden maakten werk voor eigen rekening of „op den
coop".
In opdracht van een bepaalden lastgever gemaakt, mocht het
werk
alleen voorzien zijn van eigen meestersteeken.
De nieuwe amptsmeesters der goudsmeden moesten op St.
Eloidag wor-
den gekozen en voor de aftredende meesters een maaltijd
aanrichten.
Des anderen daags deden zij rekening en verantwoording van
hun
beheer.
De vernieuwing van den amptsbrief der schoenmakers
dagteekent van
28 April 1611. Daarin vinden we een voorschrift, waarbij
verboden
wordt paardenleder aan schoenen te gebruiken. Vond men zulke
schoe-
nen, dan vervielen ze aan het ampt, behalve de straf op de
overtreding
gesteld. De gezworenen moesten hierop toezien. In denzelfden
ampts-
brief lezen we ook nog bepalingen voor de schoenlappers en
voor in-
en verkoop en vervoer van looi. Volgens „het alt heerkommen”
was
het looi van zekere rechten en belastingen vrijgesteld
In den amptsbrief der kleermakers van 1 Januari 1612 wordt
als proef-
stuk voor den „aankomenden meester” o.a. opgegeven het
snijden van
een mantel en een wambuis, alles van laken zooveel er toe
noodig was
en tegen meestersprijs. Het snijden geschiedde op de gaffel.
Er werd
eerst ontbeten en daarna werden de toeziende meesters op
bier ont-
haald. Vervolgens werden de stukken gesneden en werd de
plechtig-
heid weer besloten met een hartigen dronk.
Als er in het proefstuk fouten waren, werd de proeveling een
kwartaal
uitgesteld om beter te leeren; kwam hij binnen dien tijd
niet terug, dan
verbeurde hij twee ahmen bier. De meesters moesten zich
onthouden
hun knechten en zonen aan te raden om de proef te vroeg en
slecht
voorbereid te maken „opdat niemandt zijnen stoff verdorven
worde".
274
lezen we zelfs van pogingen om op de Roer scheepvaart
mogelijk
Op 17 Februari 1605 zag de Magistraat zich genoodzaakt - om
de
te maken.
groote kosten tot gerief der schippers en kooplieden aan de
haven be-
steed - voort te gaan met het ontvangen van havengeld en wel
tot
voortdurend onderhoud der haven.
Het havengeld bedroeg „voor einen hochmast 30 stuivers, voor
einen
hochaerts 20 stuivers, voor een jaegschip 10 stuivers en
voor een coppe-
lenpont 5 stuivers".
In de oorlogsjaren werden, om in de oorlogskosten te
voorzien, vele
tolrechten en licenten op de vaart geheven.
Na den oorlog verminderden deze rechten en kwam de vaart ten
deele
vrij, waardoor ook de binnenvaart toenam.
Op 17 Maart 1639 werd door Jan Claassen wederom het
marktschip
aangepacht. Dat wijst er op, dat vroeger al reeds
beurtdiensten op
naburige plaatsen bestonden, maar die wellicht in den krijg
waren
te niet gegaan.
De verplichting, om op bepaalden tijd te varen,
onafhankelijk van wind
en getij, heeft het ampt der huurvaarders in het leven
geroepen.
Dit waren gezellen, die zich voor bepaalden tijd en zeker
traject ver-
bonden om de schippers te helpen bij het boomen in ondiep
water, door
het trekken aan de lijn of door jaagpaarden, ingeval van
tegenwind,
bij ongunstig getij of bij het drijven van houtvlotten.
De amptsbrief der schippers is zeer uitvoerig; hij bevat
niet minder
dan 60 artikelen. Het ampt had St. Nicolaas tot patroon; de
ampts-
broeders of kogelbroeders, zooals ze in den brief worden
genoemd,
hadden het privilege op St. Nicolaasdag vóór de H. Mis de
klok te
mogen luiden. Onder de H. Mis ging men ten offer en er na
hielpen
meesters en gezellen naar ouder gewoonte het armenbrood
„uitspijn-
den". Op St. Nikolaasavond, op Dinsdag na Paschen, des
Zaterdags
vóór en 's Maandags ná de kermis hielden de schippers hun
teerdagen.
Op St. Nicolaasavond en telkens als een nieuw gezel werd
aangenomen
moest de amptsbrief aan de vergaderde kogelbroeders worden
voor-
gelezen.
We lezen voorschriften „opdat den coopman niet en mach
ontriefft
worden" en die aangeven hoe gehandeld moest worden, als een
der
gezellen op Zaterdag voor kermis te Beesel of elders door
zijn beurt-
dienst werd opgehouden.
Zijn afwezigheid werd toegelaten, mits hij op kermisdag in
de processie
verscheen, waarin dan de kogelbroeders optrokken, nadat zij
de pro-
cessie der Minderbroeders van uit hun kerk naar de
Munsterkerk had-
den begeleid.
De indeeling der schippersgezellen was ook geregeld.
Wanneer te Linne houtvlotten waren aangekomen uit het
Luiksche en
de kooplieden of agenten en de amptsmeesters daarvan in
kennis wa-
ren gesteld, dan kwamen de gezellen op de Steenen Brug over
de Roer
te zamen om daar te worden ingedeeld.
Op Zon- en Heilige dagen mochten geen rotten of groepen
worden in-
276
bevoorrechting van bepaalde families. Soms kon een ampt
alleen door
aanhuwelijking worden verkregen of gekocht, niet zelden ten
koste van
den goeden naam der voortbrengselen van het ampt.
Soms werd machtsmisbruik in de hand gewerkt. Bijvoorbeeld
door
regeling van het aannemen van leerlingen en gezellen, om
daardoor het
aantal meesters laag te houden, en de zittende meesters
daardoor te
bevoordeelen.
Achteruitgang van het ampt was dikwijls het gevolg, omdat
men -
waar mogelijk - kocht op de vrije markten, of op andere
wijze in zijn
behoeften trachtte te voorzien. Ook in Roermond kwamen zulke
mis-
standen voor. Talrijk zijn de geschillen, waarvan de
Donderdagsche
Protocollen gewagen en waarbij de Magistraat het geschil
moest be-
slechten.
Van goede trouw blijkt weinig als men leest, dat op 10 Juni
1677 de
bakkers werden veroordeeld wegens te licht wittebrood.
Nalatigheid
in de verplichtingen lezen we in het herhaalde voorschrift
van 11
Augustus 1678, om het was, door de gezellen bij de intrede
in het ampt
verschuldigd, aan de kerkmeesters te leveren.
Tweedracht blijkt ook uit de geschillen tusschen de ampten
onderling of
tusschen broeders van eenzelfde ampt. Op 17 Juli 1681 lezen
we van
kwesties in het smedenampt; van een geschil onder de
kleermakers
vernemen we in Augustus 1730. De schoenmakers kibbelden
tegen de
looiers in Juli 1732; meermalen lezen we van twisten
tusschen gewant-
makers en cremers en in het tijdvak 1748 en 1763 was er
oneenigheid
tusschen smeden en schrijnwerkers, brouwers en zeepzieders,
looiers
en gewantmakers en twistten de kuipers en de zoogenaamde
kraan-
kinderen met de marktschippers. In 1752 spreken de
Donderdagsche
Protocollen zelfs van oproer der ambachtslieden.
Een andere ouderdomskwaal der ampten is voorzeker ook
geweest de
overdadige weelde bij de gildemaaltijden. Reeds 10 Juli 1664
moest de
Magistraat paal en perk stellen aan de overdaad op de
eetpartijen bij
gelegenheid van het kiezen der nieuwe meesters. Van toen af
moesten
de kosten van het bier bij die maaltijden komen voor
rekening van het
ampt op boete van 10 gulden. Deze voorschriften golden voor
alle amp-
ten en moesten op de gaffels aan de amptsbroeders worden
voorgelezen.
De kwaal bleef echter voortwoekeren; nog in Februari 1785
beval de
Magistraat dat de ampten buitentijds geen maaltijden mochten
houden.
De troebele oorlogstijden waren voor de burgerij en handel
en nijver-
heid ook verre van gunstig. Soms gingen daardoor enkele
takken van
bedrijf geheel te niet. Door het vergeven van bepaalde
voorrechten en
belofte van vrijdom van belasting bewoog de stadsregeering
vreemde
ambachtslieden om zich hier te vestigen.
Vooral de groote brand van 1665 was voor de stad noodlottig.
Om de
stad met nieuwe burgers te bevolken stelde de Magistraat
voor om
aankomende ambachtslieden slechts de helft te laten betalen
van het
bedrag in den amptsbrief bepaald, behoudens datgene wat voor
de kerk
was bestemd.
Opleving der nijverheid zagen we reeds bij de intrede van
het Be-
278
den Magistraat. Daaruit blijkt wel, dat de tienmannen
tot het laatst
de vertrouwensmannen van de burgerij in de conservatieve
stadsregee-
ring zijn gebleven.
De genadeslag kwam door een besluit van de Fransche
Regeeringscom-
missarissen op 19 Brumaire, An IV (10 November 1795).
Daarbij werd
bevolen in de met Frankrijk vereenigde departementen de
afkondiging
en uitvoering van de wet van 2-17 Maart 1791, waarbij de
corporaties
en hare voorrechten werden opgeheven; eveneens van de wet
van 14
17 Juni 1791 waarbij aan de arbeiders en de ambachtslieden
van den-
zelfden stand (état) en van hetzelfde beroep verboden werd
zich te ver-
eenigen, zelfs in vrije groepeeringen.
Zoo vonden de gilden hun einde. Het moge te betreuren zijn,
dat daar-
mede ook het goede, wat het gildewezen bezat, is te gronde
gegaan,
anderzijds was het geen nadeel, dat ook verouderde begrippen
werden
opgeruimd.
Zijn de gilden in de middeleeuwen voor velen een zegen
geweest, in
de moderne maatschappij met haar massaproductie en
wereldhandel,
met haar intens verkeer en groote behoeften zouden ze in hun
oervorm
een vreemd figuur hebben gemaakt.
Bij de wisseling der eeuwen zijn ze misschien te rechter
tijd verdwenen
om plaats te maken voor andere instellingen en stroomingen,
die na de
Fransche Revolutie een nieuwen tijd hebben ingeluid. „Niets
is besten-
dig op aarde", is de les, die de opgang, ontwikkeling en
ondergang van
het gildewezen aan het nageslacht meegeeft en ook uit deze
schets over
de Roermondsche ampten kan blijken.
DE PUTTEN.
De putten, buurtschappen of wijkvereenigingen hebben zich in
Roer-
mond tot op heden nog gehandhaafd. Ook op andere plaatsen
vindt
men nog sporen van dergelijke buurtschappen. Maar alleen te
Roer-
mond blijkt nog van het duidelijk verband tot de vroegere
putten en
de daarop volgende pompen, die behoorden tot de stadswijken.
Die
samensmelting van de buurtvereeniging met „de
Brunnengemeinde of
Pumpenschafte" vond men ook in het naburige Rijnland. Zooals
in
later tijd voor de gilden werden door het stadsbestuur ook
aan de put-
ten voorschriften en reglementen gegeven. Daaruit blijkt wel
dat de
putten een zeker organisme in het gemeentelijk bestuur
vormden.
Duidelijk blijkt dit uit de voorschriften, die werden
gegeven tot voor-
koming van brand en de maatregelen tot blussching.
Het onderhoud en de vernieuwing der putten en pompen was ook
door
den Magistraat geregeld.
Tot de bemoeiingen van de putbesturen behoorde verder de
regeling
van het schapenweiden op de gemeenteweide, het ophalen van
het ker-
kenbrood, het toezicht op inkomende vreemdelingen en ook het
bege-
leiden van den priester met brandende flambouwen als in de
buurt een
der putgenooten van de H. Teerspijze werd voorzien.
280
hoek der Oliestraat vergunning om een pomp van
Naamschen steen
te plaatsen; zij mochten daarvoor opnemen 100 pattacons.
De verkiezing der putmeesters vond gewoonlijk plaats op
Vastenavond:
er werd echter bevolen dat men het bierdrinken, wat
gewoonlijk daarbij
hoorde, zou uitstellen tot na Paschen.
In een later reglement van 25 Februari 1751 wordt bevolen,
dat de put-
meesters zouden worden gekozen beurtelings uit alle bewoners
van
den put.
De indeeling in wijken hield soms verband met de poelen, die
hier en
daar in de stad verspreid lagen.
Zij dienden deels tot verzamelplaats van het afvloeiende
hemelwater
en ook wel tot bewaring van het opwellende water uit de
putten. In
een verordening in „Jura et Privilegia” en hieronder
afgedrukt, worden
deze poelen opgenoemd (vermoedelijk midden 16e eeuw).
Ordenungh mitten poelen.
1. „Toth die poel in die broderstrate gehoeren alle die
naeberen van
den Heijligdombs Thoren an der Nederstraten aff then beyden
sijden
bisthot der brughstraten ort, und dan van den bergh op then
beyden
sijden soe ver der puth in de Nederstraet aldair sich
streckt; item die
gantse Eselstraet, und achter die Muyr thot leen van
venraydtz huys,
nu Marten Montenaecks huys.
(Een tusschen gevoegde noot vermeldt over den
Heyligdombtsthoren,
dat nu - het tijdstip, waarop het afschrift werd gemaakt -
op die
plaats was, „den uyt- en inganck van 't kerckhoff der p.p.
minderbroe-
ders mits den hilligdomsthoren gants bouwvalligh anno 1695
is wor-
den affgebrocken, mit kennis en permissie van 't Magistraat,
bij p. gar-
diaen affgevraeght).
2. Item tot den poel aen 't Swartbroeck op die
wenmeeckersstraete
gehoert die broerstraete van den hyllickdombsthoren mit die
put an
die beggarden und so voert af tot an die porte ther beijder
sijden.
3. Tot den Creedepoell tegens hoeghrugks Bomgardt gehoeren
die van
den ort an der Swartbroeckerporte mit die puth achter den
marien-
garde. Item die munsterstraete ten beijden sijden.
4. Tott den poell op den scheuttenbergh hoert der gantzer
scheutten-
bergh then beyden sijden thot unser lieven vrouwen oert
thoe, dye
schoenmaeckersstraete ten beyden sijden.
5. Item thot den poell op unser lieven (vrouwen) oert,
hooren die Beg-
gardtstraete then beyden sijden, der puth achter
Cloisterwandt, puit-
lingkputh mit die pelsersstrate then beyden sijden.
6. Tot den Gasthuyspoell nu St. Jorispoell, hoert den puth
in die oly-
strate mit den naburen an 't bussenhuys onder selven puth
gehorigh,
der steinwegh then beiden.
7. Tot den poell an 't Munster bij den kirckhoff hoert den
puth neest
desen poell gelegen, soo wijet der selver sich streckt bij
an der Cloister-
porte op die hamstrate.
3. Toth den poell an die nieler poerte hoert die hamstrate
van der
282
zijn ze haast alle als slachtoffer van de betere
watervoorziening ver-
dwenen. Een enkele staat er nog in de Voorstad St. Jacob.
Alle pompen prijkten vroeger met het beeld van den patroon,
onder
wiens bescherming put en pomp waren gesteld. In de
illustraties vindt
men putbeelden behoorende bij de pompen van O. L. Vrouw
Zwart-
broekput, St. Brunoput in de Swalmerstraat voor het Groot
Seminarie
en de St. Josephsput op de Varkensmarkt voor het huis
Berbers.
Van een der putten, de St. Christoffelput, gedeelte Markt en
Kraan-
poort, is bekend dat hij geschreven stukken met eigen zegel
zegelde.
Na den tijd der Fransche overheersching leest men weinig
meer over de
bemoeiingen van het stadsbestuur met de putten en hunne
bewoners.
De putten als buurtvereenigingen bleven echter bestaan tot
op onze
dagen. Wordt bij gouden bruiloft op een put feest gevierd,
dan behoort
in den regel ook het dagelijksch bestuur der Gemeente tot de
velen,
die de jubilarissen komen gelukwenschen. Dit min of meer
officieele en
sympathieke gebruik herinnert nog eenigszins aan de
landsvaderlijke
bemoeiingen met de putten van weleer.
Aan de rechten der putten werd niet gaarne getornd. Nog op
15 Decem-
ber 1919 vinden we in de raadsnotulen het volgende: „Van A.
v. d.
Broek, Mariagardestraat 13, een verzoek om verplaatsing van
de voor
zijn perceel staande pomp. Wordt ter afdoening gesteld in
handen van
B. en W. De heer Ronden zegt, dat v. d. Broek bij hem is
geweest en
hem mededeelde, dat het water van de pomp al driemaal is
afgekeurd
door de Gezondheidscommissie. Willen B. en W. daar rekening
mee
houden? B. en W. hebben het wel in hun macht om de pomp aan
den
ketting te leggen" zegt de Voorzitter „maar ze afbreken kan
enkel de
put". In de laatste jaren schijnt men zich niet zoo
nauwgezet aan deze
opvatting te hebben gehouden.
Over de straatkapelletjes, bij de putten behoorend, zal iets
gescheven
worden onder het Hoofdstuk „Zeden en Gewoonten“ evenals over
de
gebruiken die in het putleven nog in eer worden gehouden.
DE CONFRERIEËN EN SCHUTTERIJEN.
Hoewel we moeten aannemen, dat de Roermondsche ampten
vroeger
reeds broederschappen, confrerieën en schutterijen hebben
gevormd,
die meer bijzonder voor den krijgshandel waren aangewezen,
lezen we
toch van een officieele oprichting eerst op 3 Januari 1574.
Toen werden
door Burgemeester, Schepenen en Raad ten behoeve van de
gemeente
uit goede en vrome burgerzonen vijfenveertig eerbare
gezellen tot
zoogenaamde jonge schutters benoemd en werd verordend, dat
elk
jaarlijks als belooning dertig bescheiden stuiver zou
ontvangen en de
gezamenlijke gezellen bovendien met Pinksteren drie ahmen
best bier,
op Sacramenti drie ahmen en op Sebastiani ook drie ahmen. Er
werd
echter voorbehouden, dat - wanneer de stadsregeering de
schutterij
wilde afschaffen - dit geen bedenking mocht ondervinden.
Een gaffelhuis zou hun vrij ter beschikking worden gesteld.
De jonge
284
ingedeeld in burgerkwartieren. Aanvankelijk, op 10
Januari 1619, lezen
we slechts van een Zwitsersch, Spaansch en Italiaansch
kwartier. Onge-
veer een eeuw later op 9 Juli 1717 worden vermeld een
Spaansch,
Engelsch, Bourgondisch, Croatisch, Zwitsersch en Waalsch
kwartier.
t Is niet onmogelijk, dat de doortrekkende huurtroepen van
verschil-
lende nationaliteit bij wekenlange inkwartiering, zooals
dikwijls gebeur-
de, hun naam in dat stadsgedeelte hebben achtergelaten.
Elk kwartier had een kapitein, een vendrig en twee
commissarissen.
De burgerkapiteins, zooals ze genoemd werden, moesten met
hun ven-
dels ook in de processie optrekken en bij plechtige
gelegenheden wer-
den de vaandels door de vendrigs op het stadhuis gebracht om
het
feest luister bij te zetten. De plaatsruimte noodzaakt ons,
het bij deze
beknopte gegevens over de Roermondsche confrerieën te laten.
Door
het stelsel der conscriptie zijn deze instellingen in den
tijd der Fransche
overheersching te niet gegaan. Met hetzelfde doel is men in
de 19de
eeuw overgegaan tot het oprichten der dienstdoende
schutterij en later
nog van het instituut der burgerwacht, dat vooral preventief
van be-
teekenis kan zijn.
286
opslagplaatsen der buitenlandsche goederen, de groote
afhaaloorden
voor het achterland, de uitwisselkantoren voor binnen- en
buitenland-
schen handel.
De meer binnenlands gelegen steden - nu heel weinig
overzeesch ver-
keer meer hebbend - krijgen de taak der uitwisseling in
vrachtvaart
voor anderen, of in kooplustigen actieven handel voor eigen
rekening.
In dit verkeer „binnen dunen” nemen de Waal- en Maassteden
een lang
niet geringe plaats in: zij verbinden de nieuwe centra aan
de rivier-
monden en de oudere binnenlandsche middelpunten, als Keulen
en het
Luiksche gebied.
Zoo ook Roermond dus. Zijn belang als centrum der meer
onmiddel-
lijke omgeving komt later ter sprake.
De voornaamste bron onzer kennis ligt in de steeds weer
voorkomende
tol- en handelsovereenkomsten, pogingen om zooveel mogelijk
te ont-
komen aan die talrijke heffingen: op hun beurt weer een
gevolg van
een zeer min gecentraliseerd gezag.
Het jaar 1277 geeft ons eenig houvast. Als Venlo echter
reeds vroeger
in de 13de eeuw een vrij levendigen handel kent, waarom zou
Roermond,
van ongeveer gelijke ligging, dien dan niet bezeten hebben.
In 1277 nu
sloot Roermond met den Bosch een handelsovereenkomst,
waaruit dus
blijkt dat onze stad handel dreef op de Maas. Hetgeen
bevestigd wordt
door een in 1308 getroffen tolregeling te Venlo. Verder van
huis treffen
we onze handelaars in 1347: Roermond krijgt dan voor de
helft vrijdom
van tol te Tiel en Lobith, terwijl midden 14de eeuw vermeld
wordt,
dat het vrijdom van tol genoot op de Waal te Nijmegen,
Zaltbommel
en - nu geheel - te Tiel. Bij een in 1348 gesloten accoord
over den
tol te Kessel is er sprake van schepen „gheladen tot
Dordrecht of op
den water". In 1367 wederom vrijstelling voor de helft van
den tol te
Lobith, iets later te Mook en Nijmegen. En in 1361 gewerd
zijn bur-
gers tolvrijdom in Gorcum en het land van Arkel.
Maas, Waal en Rijn zijn dus de handelswegen. De IJssel
echter niet
minder. Met Zwolle, Kampen en Deventer kende men drukke
relaties.
In 1365 verleende Zwolle „eenen ganschen stedenvrede aan
schepenen,
raden en gemeynen burgeren" van Roermond. In 1366 wordt op
verzoek
van den graaf een voor Roermond gunstige beslissing genomen
ten op-
zichte van Nijmegen, Zutphen, Arnhem, Harderwijk, Tiel en
Zalt-
bommel. Kampen sluit het jaar daarop een „gans bestant" met
Roer-
mond, en verbindt zich aan de burgers dezer stad „geynre
kunne arch,
krot noch scaden tue te keeren"; en na een geschil staan in
1375 de
„wantsnyders“ of lakenkoopers van Roermond op de Kampensche
markt tusschen die van Zwolle en Zutphen.
Verdere opsomming van tolvrijheden als te Grave, Ravenstein,
Maas-
bommel, Lith, Heerewaarden, van de later (16de eeuw)
opkomende
licenten en superplus, heeft weinig nut, omdat in den loop
der tijden de
aard van den handel niet gewijzigd wordt.
Ook Zuidwaarts bewoog zich de handel van Roermond. Volgens
een
overeenkomst van 1253 mochten de „burgenses de Ruremunde“ -
met
enkele restricties voor bepaalde tijden - vrij wijn
vervoeren met wa-
288
vinden we hier in een oorkonde van 1367, waarbij
Reinoud aan Roer-
mondsche burgers vergunt, dat „si haer wine ind ander guede,
soe wel-
ker lande dat sy syn, vueren sullen ind moegen den Ryn ind
den Wael
neder ind die Maese up vur onse tolle te Lobbede om half
gelt dairvuer
te gelden." Daar is de weg in het verkeer tusschen
Boven-Rijn en Boven-
Maas compleet aangegeven, compleet loopend over Geldersch
gebied.
„Vur onse tolle te Lobbede” staat pas ná de vollédige
wegaanduiding.
Een mooie samenvatting van de handelsartikelen op de Maas,
geeft ons
een oorkonde van 9 Juni 1581, waarbij Philips II octrooi
verleent aan
Roermond om gedurende een jaar licentgeld te heffen van de
koop-
waren, die de Maas op- en afgaan.
Als de Maas afgaand worden daar genoemd:
Metalen: als ijzer, koper, nagels.
Kolen: groote steenkolen, smeekolen of kleine steenkolen;
houtkolen.
Bouwmaterialen: kalk, grauwe of blauwe steen, blauwe en
roode sca-
liën (leien, pannen), mergelsteenen.
Meststoffen: mergel (tot steun aan den landbouw was het
licentgeld
hiervoor lager dan voor mergel als bouwmateriaal).
Fruit: vooral peren en appelen.
Hout: geschild en ongeschild wishout; „klapholt“ voor
tonnen; rond-
hout en ribben (voor huizenbouw).
Stoffen: vlas (per zak) en laken (per pak) en ten slotte
honing.
De Maas op gingen:
Etenswaren: zout, peperkoek, Holl. kaas en boter, haring,
bokking,
sprot, labberdaan, kabeljauw, schelvisch, stokvisch,
raapolie.
Verder nog: lijnzaad, zeep, traan, was, pek, potasch, ossen-
e.d. vellen,
gerst, boekweit, wol, Fransche wijn en Rijnwijn (de Maas op
deze Rijn-
wijn!)
Sporadisch spraken we reeds van landhandel. Ongetwijfeld
hebben wij
in de 15de eeuw reeds verkeer over land gekend in de
richting Ant-
werpen. Een groote weg van Keulen naar Vlaanderen liep door
het
Overkwartier, al trok men ook veel via Luik of Maastricht
naar den
Scheldemond. Ook op Brussel reed men, z'n weg nemend over
Neer-
itter, Bree, Diest en Leuven. Herhaaldelijk, zeker in latere
tijden, is er
sprake van voermanskarren uit Aken en omliggende plaatsen,
welke
karren gewoonlijk hun weg namen langs den Oostkant van de
Maas
door het ambt Montfort. Naast de op ongezette tijden
rijdende karren,
waren er ook voerlui, die met concessie van de overheid een
vasten
dienst onderhielden op zelfs verafgelegen plaatsen, als
Antwerpen,
Keulen, Luik, Brussel, Aken en Nijmegen.
Het direct verkeer met 't verre buitenland overzee heeft
ongetwijfeld
niet bijster veel belang gehad. Van eenig verkeer met eigen
schepen
is zeker geen sprake daar Keulen zelfs in de 15de eeuw geen
zeesche-
pen meer bezat.
Vanzelf komen we hier op de betrekkingen met de Hanze.
Oorspron-
kelijk een koopliedenorganisatie, werd zij later - omdat zij
steun zocht
in een politiek verband - tot een stedenbond, die langen
tijd den heelen
290
het Londensche Staalhof na gesloten vrede terugkeerden,
gooiden ze
die van Keulen er uit. Keulen, dat ondanks verbod handel was
blijven
drijven op Engeland, en in 't Staalhof optrad als vroeger,
werd „ver-
hanst": uit de Hanze gesloten, en al is 't in 1476 reeds als
lid weer toe-
gelaten, in 't Londensche Staalhof bleef het geruimen tijd
uitgesloten.
Tot goed begrip van Roermonds houding, zooals die blijkt uit
volgende
feiten, eerst nog een kort woord over Vlaanderen: Brugge en
Ant-
werpen. Tusschen de Hanze en Brugge bestonden nauwe
relaties: de
Hanze stapelde er, genoot voorrechten. Toch wilde Brugge aan
die
voorrechten wel eens tornen - als midden 15de eeuw -;
gewoonlijk
bleven ze elkaar steunen. De Rijn- en Maassteden nu, die
tegen het
einde der Middeleeuwen nauwelijks meer handel dreven op de
Oostzee,
hadden maar matig belang bij den stapeldwang te Brugge en
zochten
daarom „vrije markten” op, als het opkomende Antwerpen, al
poogde
Brugge dan ook blijkbaar weer door overeenkomst met
Antwerpen het
gevaar te keeren. En al blijft de stapeldwang officieel tot
1530 bestaan,
practisch hadden de Wendische steden hem al niet strikt
gehandhaafd.
In dit kader nu zijn de volgende feiten te zien:
In 1452 zijn te Nijmegen bijeen Keulen, Roermond, Arnhem,
Kampen,
Wesel, Duisburg, Tiel, Zaltbommel en Nijmegen. Deze richten
zich tot
Lübeck, en verklaren dat zij de tegen Vlaanderen gerichte
besluiten van
den laatsten Lübeckschen hanzedag, en de door Lübeck
geëischte sta-
king van het verkeer met Engeland niet kunnen inwilligen; ze
stellen
een spoedige bijeenroeping van een hanzedag voor, en vragen
tevens
om antwoord! (28 Juni.) Dat antwoord komt op 2 Augustus
d.a.v., en
't klinkt eenigszins kleineerend: Jullie zijn maar kleine
steden; we zul-
len er later wel eens samen over praten! In 1456 is Roermond
niet te
Lübeck, ofschoon men de stad met dreigementen wilde dwingen.
't Scheen dus niet te boteren! En in 1458 nóg niet: want
Keulen - dat
als zeer vaak de leiding heeft - richt op verzoek van
Nijmegen tot
Wesel, Dortmund, Duisburg en Roermond de vraag of zij te
Wesel
bijeen willen komen ten einde te confereeren over een voor
deze steden
nadeelig contract dat de Duitsche koopman (de Hanze) te
Brugge had
gesloten met Antwerpen. In 1460 is er nog wrijving: op 13
September
zijn dan te Wesel bijeen Keulen, Nijmegen, Deventer, Wesel,
Zutphen,
Zwolle, Roermond, Kampen, Duysborch, Moenster en Osenbrugh.
Zij
schrijven aan de „wiisen oldermannen des gemeynen koepmans
van
der Duytscher hansen, nu ter tiit to Brugge residerende",
dat zij het
niet rechtvaardig vinden, dat van handelaars belasting wordt
geheven
door de hanzevertegenwoordigers aldaar. Daarom verzoeken ze
daar-
mee op te houden tot den volgenden hanzedag.
In 1462 schrijft Roermond af voor een Reces te Wesel; in
1469 heeft
het te Lübeck zijn vertegenwoordiger, in 1470 ontbreekt het.
Ofschoon uit sommige stukken blijkt dat de steden uit deze
streken
gewoonlijk een lijn trokken als 't ging tegen de
Noord-Duitsche, toch
was er onderling wel eens herrie: zooals in Februari-Mei
1474: men
voert dan te Utrecht onderhandelingen naar aanleiding van
een klacht,
die Keulen richtte tot verschillende hanzesteden, waaronder
ook Roer-
292
Roermonds handel blijft zich gedurende de volgende
eeuwen in dezelfde
richtingen bewegen. Alleen zien we een toenemende
vermindering van
de relaties met de Zuiderzeesteden, zoodat de handel zich
meer richt
naar de steden aan Maas en Rijn en Waal.
Groot waren in al die eeuwen de moeilijkheden, en 't
verwondert wel
eenigszins, dat ondanks den velen hinder de handel nog kon
gedijen. We
spraken terloops reeds van tollen. Hun aantal op de Maas -
in Lim-
burg alleen al - was werkelijk verbijsterend. Voor den inval
der Fran-
schen bestonden er een 26-tal tollen en licenten, eventueel
nog ver-
hoogd met superplus: deze licenten dateeren van den
80-jarigen oorlog,
en bleven nadien gehandhaafd. Doordat er op enkele plaatsen
tot zelfs
3 tollen of licenten tegelijk werden geheven, klopt het
aantal tollen
niet met het op te noemen aantal heffingsplaatsen: Gorcum,
Bommel,
Oyen, Batenburg, Grave, Gennep, Well, Venlo, Kessel,
Roermond, Ur-
mond, Navaigne, Eysden en Luik. Hierbij kwamen dan nog een
27
markttollen, op eene uitzondering na gelegen op de
Beneden-Maas of
-Waal: Gennep, Kuik, Ravenstein, Batenburg, Megen,
Maasbommel,
Herwaarden, Alem, Giesen, Gorcum, Zalt-Bommel, Woudrichem en
Hexgh (tegenover Navaigne). De inkomsten van deze tollen of
„péa-
ges", kwamen terecht in de kas van den souverein en de
heeren, die voor
verbetering en onderhoud der rivier bijna niets deden.
Buiten bovengenoemde plaatsen ontmoetten we in den loop der
tijden
nog tol- of licentplaatsen als Tiel, Mook, Nijmegen, den
Bosch, Zalt-
bommel, Lobith.
Natuurlijk bestond er een uitgebreid systeem van
wederzijdsche vrij-
stellingen, ook met het doel den handel in handen te houden
van de
stedenbewoners. Ontduikingen bleven evenwel niet achterwege.
Zoo
had Roermond immers in 1372 in heel Gelre tolvrijheid
gekregen voor
zijn eigen goederen. Reeds van 't zelfde jaar dateert een
klacht van de
hertogin, dat men waren als Roermondsche aangaf, die dat
niet waren,
en dat „ander lude mede voeren op die burgerschafft": dat
dus vreem-
delingen zich als Roermondsch burger voordeden. Om dit
bedrog te
voorkomen zou men voortaan de Roermondsche goederen merken
met
het stadsmerk, waarvan de tolbeambten duplicaten kregen ter
contrôle.
In 1394 herhaalde de hertog een dergelijk verzoek: men
zegelde toen
met het oorspronkelijke stadszegel: de roode lelie. En om
aan tolheffing
te ontkomen spraken in de tweede helft der vijftiende eeuw
Venlo
en Roermond af, om geen hout meer langs Lith te vervoeren;
men
bracht het tot Grave, Megen of Ravenstein, en de kooplieden
uit
den Bosch, die te Lith wel tolvrijheid genoten, kwamen het
daar
dan halen!
Tot de plaatselijke voorrechten, die toch vaak zeer sterk de
handels-
vrijheid temperden, behoort ook het stapelrecht. Roermond
heeft het
ook gekend; en in dit verband komt ter sprake de rivaliteit
met Venlo,
die soms verbonden was met politieke tegenstelling als tegen
het einde
der 15de eeuw, toen Roermond de partij trok van Arnold,
terwijl Venlo
meeging met Adolf, met als gevolg wederzijdsche
plundertochten. Voor-
294
schrift zond van de previlegies, ten opzichte van dien
stapeldwang. Wel
schijnt dus onze stad eenige ontheffing genoten te hebben.
Philips had
dus Venlo wel bevoordeeld, ofschoon hij reeds vroeger toch
ook aan
Roermond gedurende vele jaren toegekend had (vanaf 1580) het
recht
om licenten te heffen op de Maas van alle op en neer varende
sche-
pen: een licentrecht dat Venlo en Luik in 1591 ontduiken,
door vervoer
per ás lángs Roermond. Zéér veel teekenen van rivaliteit
tusschen de
twee steden Roermond en Venlo treffen we aan in het begin
der 17de
eeuw: ruzies over licenten, tollen en „huerverders“. Het
stapelrecht, dat
Venlo kreeg in 1343, schijnt zeker nog in 1665 te bestaan,
want in dat
jaar vraagt Roermond, dat Venlo geen opslag zal eischen van
eenige
bouwmaterialen die Roermond kocht tusschen Venlo en Well.
De belemmering die de handel ondervond door de tollen,
licenten,
superplus en stapeldwang werd nog versterkt door de vele
veeten en
oorlogen. Groot was de onveiligheid te water en te land. In
iedere eeuw
zijn er herhaaldelijk perioden van krijgs- of strooptochten
aan te wijzen.
Vooral in den 80-jarigen oorlog waren de streken zeer
onveilig. Nu eens
plunderden de Spanjaarden, dan weer de Staatschen. 't Kwam
zelfs
soms zoover dat men soldaten ter bescherming op de schepen
plaatste,
of een met soldaten bemande boot de Maas op en neer liet
kruisen.
Eenige verlichting in deze wederzijdsche belemmering bracht
de uit-
reiking van paspoorten door de Spaansche en Staatsche
autoriteiten,
welke paspoorten wederzijds geëerbiedigd werden, zoodat heel
wat
schippers van Luik op Dordt konden blijven varen. Men was
zelfs
zoo slim twee „Coppeleien” - waarover later - aan elkaar te
ver-
binden, om zoo met één paspoort „door te commen". Toch
hielpen
deze paspoorten vaak niet. Zoo is bekend dat in 1584 „die
eerste alge-
meyne sluytinghe van de Maesstroom" begon, die 3 jaren
duurde
en waardoor vele Maasschippers te gronde gingen.
In 1599 begon weer zoo'n driejarige „algemeyne sluytinghe".
Naast de tollen en de onveiligheid, deed de minder goede
bevaarbaar-
heid der Maas afbreuk aan den handel, ofschoon de toestand
beter
schijnt geweest te zijn dan in de 19de eeuw. In verband
hiermee een
enkel woord over de Maasschepen. Hoorende tot de categorie
der
Bovenlanders, zijn het blijkbaar alle lange, smalle,
platboomvaartui-
gen, welk scheepstype door de eeuwen heen vrijwel
stationnair is ge-
bleven. Deze schepen werden gewoonlijk gebouwd op de werven
te
Visé of Luik, en opgetakeld te Dordrecht. Om volledig
toegerust schip-
per te zijn moest men minstens een „coppeleye“ of „coppele“
bezitten;
deze bestond uit „een schip met eynen roef, met noch eynen
aanhanck
van een klein paetschip of pedde, ende dairby gemeynlick
noch een
pont, daer sy die peerden met over voerden".
Dat schip „met eynen roeff“ kon zijn een „hoogmast” (te
trekken door
5 à 7 paarden) of een „hoogaars" (voor 2 à 4 paarden).
Andere namen,
als „ghetimmerden schiep“, „aak” en „pontuyn” komen ook
voor. Het
„paetschip of pedde“, elders „lichtschiep“ genoemd, diende
om bij on-
diep vaarwater een deel der lading over te nemen, zoodat de
hoog-
mast of hoogaars hooger op 't water kwam te liggen. De pont
moest
296
eenige scheepvaart tot stand te brengen in de richting
Wassenberg.
Zeer interessante gegevens over den waterstaatkundigen
toestand bij
Roermond leveren ons allerlei accoorden over dijkonderhoud
en haven-
gelden. Reeds in 1329 is er sprake van twee dijken in de
Nieuwe Roer!
Men is dus toen blijkbaar al aan 't graven geweest. En die
dijken? Om
den snellen stroom van het water te keeren dat misschien te
sterken
zijdelingschen druk uitoefende op den linkeroever der Maas?
Om de
schepen een rustige ligplaats te bezorgen? Of slechts om 't
water voor
de molens op de Roer op te houden? Deze laatste
veronderstelling vindt
misschien steun in het feit, dat de persoon die de dijken
moest onder-
houden, als tegenprestatie van de stad het recht kreeg
molens op de
Roer te bezitten.
Om de kosten van dijken en waterkeeringen te dekken, kreeg
de stad in
1492 het recht om kleine munten te slaan. Het batten of
leggen van
dijken of waterkeeringen bleef in de 16de eeuw aanhouden,
tot bij Ool
toe. Dat de stad haar eigendommen ook hiermee beschermde tot
nadeel
van anderer bezit, blijkt uit sommige twisten met de heeren
van het
land van Horn. Kort voor de plannen van 1601 en later, was
er, na
tweejarigen arbeid, in 1594 een nieuw hoofd aan de Roerhaven
gelegd;
t geen echter blijkbaar geen voldoende oplossing bracht voor
het
scheepvaartverkeer. Geen wonder, dat de landsheer - ook tot
ver-
meerdering van eigen inkomsten - deze waterstaatszorgen
steunde
door toekenning van superplus en havengeldverhooging (1605);
door
verlof tot het bij den vijand aanvragen van
sauvegardebrieven - het
waren onveilige dagen in 't begin der 17e eeuw - ten dienste
van de
arbeiders aan de dijken, waarbij o.a. speciaal melding wordt
gemaakt
van de dijken, die aan den linkeroever der Maas moeten
dienen om de
rivier in haar bedding te houden (1628).
Ter zake dient een enkel woord over de z.g.n. marktschepen.
Dat dit
schepen zijn die uitsluitend op de markten - die van
Roermond en
andere - varen mag betwijfeld worden: tenminste hier en daar
klopt de
tijd van vertrek en aankomst niet met de marktdagen. Zulks
zou ook
lang niet altijd mogelijk zijn voor de weekmarkten, wel
natuurlijk voor
de jaarmarkten. En al ligt dus hun opkomst wellicht in
verband met de
marktdagen, later - b.v. in de 17de eeuw - zijn het
ongetwijfeld vaste
beurtdiensten op een bepaald niet al te lang traject. Voor
zoover be-
kend voeren onze Roermondsche marktschepen niet verder dan
Mook
en Maastricht. Deze vaste beurtdiensten dienden hoofdzaklijk
voor het
vervoer van personen, correspondentie en kleinere quanta
goederen,
die in bonte hoeveelheid de bergruimte vulden. Begrijpelijk
in dit ver-
band is de vervanging van tolplichtigheid - een heelen last
met zoo'n
verschillende lading - door een jaarlijks te betalen vaste
som, zooals
we dat aantreffen bij het eerste ons bekende marktschip van
Roermond
van voor 1557 reeds. Het voer op Mook en kon de tollen van
den hertog
van Gulick voorbijvaren tegen een constant jaarbedrag. Wel
bleef het
Roermondsche marktschip onderworpen aan den Venloschen
stapel op
den rechteroever der Maas, zooals we dat ontmoeten in 1574,
1679 en
1788. Ter beveiliging in woelige tijden werden er soms
soldaten op ge-
298
dient kort nader toegelicht het belang der stad als
middelpunt van het
omliggende platteland. Het gold als verstandige politiek den
handel en
nijverheid zooveel mogelijk te concentreeren in de stad, 't
geen door
den vorst meestal bevorderd werd, omdat hij de steden noodig
had.
Hier dienen we terug te komen op het stapelrecht. Boven werd
reeds
vermeld het voorrecht van 1372, waardoor de stad recht had
op het
aanleggen van alle langskomende schepen. Toch blijkt dat
Roermond
voor zich opeischte ook dat andere soort stapelrecht, zooals
Venlo dat
ontving in 1343. Geschillen hierover uit de 16de en 18de
eeuw bewijzen
dit, al krijgen we den indruk, dat de rechtsgronden van
Roermond bui-
tengewoon zwak zijn.
In 1571 gaat er een klacht van Roermond naar den Kanselier
en Raden
van den Koning in Gelderland, waarin gewezen wordt op de
groote
concurrentie die Linne Roermond aandeed, mede door de schuld
van
Vlodrop. Linne had aan de Maas een opslag, vooral van kolen,
kalk,
mergel, mergelsteenen en leien. Vlodrop had inplaats van de
eerst be-
staande brug voor het vee een „geweldighe“ brug over de Roer
laten
slaan, waardoor de kooplieden van den rechteroever der Roer
met hun
zware wagens hun weg konden nemen naar plaatsen als Linne,
en ver-
der Maaseyck, Stockum en de Brabantsche steden. Vroeger
moesten
deze kooplieden naar Roermond, waardoor daar de nering groot
was.
Het request vraagt dan ook opheffing van den opslag te
Linne, en af-
breken van de brug te Vlodrop.
Vlodrop verdedigt zich kalm; wijst er op, dat die brug hem
was toege-
staan reeds bij previlegie van 1377; dat het verkeer
daarover vroeger
toen het veer bij Panheel nog bestond, veel grooter was; dat
de karren
der inwoners zeker even zwaar zijn als die der passeerende
kooplieden.
De verdediging van Linne is van een schitterende ironie. Zij
schrijven
in dezen trant: die van Roermond noemen dat klein beetje
lossen en
laden hier aan de Maas een stapel: zij „baptiseren“ dat
„eynen stappel“;
dat bestaat hier al wel 60 jaar, en wie hier komt koopen
heeft heusch
geen voordeel, want wij meten met dezelfde maten als de
Roermonde-
naars, en het weggeld is hier bovendien nog hooger. Laat die
van de
stad zorgen dat ze de kooplui trekken door goede
handelsaccommo-
datie! Als van dat enkele schip mergel of kolen de welvaart
van de
stad moet afhangen! Roermond schijnt het plan te hebben ons
en het
heele ambt Montfort aan deze zijde der Roer met een deel van
Guli-
kerland om Waldfeucht en Heinsberg tot economische slaven te
ma-
ken! Het bieraccijns in dat heele ambt hebben ze al! En wat
die klacht
van Roermond betreft over het verhuizen van zijn kooplieden
hier-
heen: och, ja; er is een arme vleeschhouwer, die nu
biertapper is. hier
komen wonen; als daarvan de welvaart der stad mocht
afhangen, dan
kunnen ze hem terugkrijgen, en we betalen hem ook nog een
jaar of
drie de huishuur!
Het geschil bleef hangende, want in 1573 herhaalt Roermond
de klacht,
nu ook tegen Asselt. En nu beveelt de stadhouder, dat de
magistraat de
rechtsgronden van het stapelrecht duidelijk zal
uiteenzetten! Het schijnt
niet gebeurd te zijn! Want pas in 1579 verkrijgt Roermond de
opheffing
300
soorten van lakens op de zes jaarmarkten mogen brengen
en ver-
koopen, juist omdat te Roermond niet genoeg laken voor de
burgers
gemaakt werd. En dat terwijl tot dan geen vreemde
lakenkooplui moch-
ten verschijnen. In dezen lakennood past ook een
invoerconsent van
1615 voor 40 stukken Engelsch laken dat de stad binnen komen
mag,
maar dan langs de Maas en door de Kraanpoort. Zeker ter
contrôle.
De kwijnende industrie is niet meer herleefd; zeker niet
meer na het
slot van den Spaanschen Successieoorlog (1714). Toen immers
werd het
heele Overkwartier verbrokkeld, waardoor Roermond economisch
leed, vanwege de talrijke in- en uitvoerrechten.
Wel zijn er in de 18de eeuw door kanunnik Bors krachtige
pogingen
gedaan om met vrij ruimen stadssteun de lakenindustrie te
doen her-
leven, en zulks ten bate der arbeidende klasse. De fabriek
floreerde
niet, ofschoon Bors op eigen risico 6000 pattacons
voorschoot en men in
1741 en 1742 steungelden opnam, nog bóven de stedelijke
subsidies.
En dát, terwijl er geen winst behoefde gemaakt te worden:
alleen „even-
tueele" winsten kwamen aan het Hospitaal-Generaal. Met nog
zwaar-
dere inbreuk op gildeprevilegiën ging de fabriek in 1750
over in parti-
culier beheer, blijkbaar met niet veel succes, ondanks den
nog voort-
durenden steun der vrij leege stedelijke kas.
Een niet minder glorieus product der Roermondenaars was het
bier.
Reeds in de 13de eeuw was er te Roermond een gruittol:
immers de
Bosschenaars kregen in 't jaar 1277 daar vrijstelling van.
En tegen het
midden der 14de eeuw had zich in Roermond, in aansluiting
aan den
levendigen bierhandel, een groot aantal bierbrouwerijen
gevestigd. Het
recht om gruit - giststof voor bier - te maken, kwam toe aan
den
landsheer, en de bierbrouwers waren verplicht hun gruit op
het lands-
heerlijke gruithuis te halen. Langzamerhand echter kwam de
hop meer
en meer als giststof in gebruik, waardoor de inkomsten van
het gruit-
huis daalden. Daarom gaf Reinout III in 1359 aan zijn
gruithuispachter
Robijn van der Gruythuysen het recht om van elk vat bier,
dat met hop
was gebrouwen, zooveel te nemen als de schepenen en raden
der stad
redelijk keurden.
In de 15de eeuw zal het bierbrouwen zeer sterk
geconcentreerd wor-
den in de stad. Wegens betoonde trouw kreeg zij in 1472 van
den vrij-
gekomen hertog Arnold een zeer belangrijk previlegie,
volgens hetwelk
in 't heele ambt Montfort - behalve in de steden Nieuwstadt
en Echt -
geen bier meer gebrouwen mocht worden, en geen bier meer
vertapt
dan dat in Roermond was gebrouwen. Ter handhaving mocht de
Schout
desnoods geweld gebruiken!
In 1492 werd dit voorrecht door Karel bevestigd en het bleef
in dien
omvang tot 1714 bestaan: het noodlottige jaar boven vermeld,
bij de
lakenindustrie. In geringer uitgebreidheid leeft't echter in
de 18de eeuw
nog voort. Wel trad er in 1553 een zekere verzachting in bij
een accoord,
getroffen door de Stad met enkele plaatsen in het ambt
Montfort.
Voor de stad, die accijns hief op het bier, was deze
industrie een
mooie bron van inkomsten. Dat het biergebruik populair was
blijkt uit
een maatregel, waarbij bepaald werd dat bij vergissingen
begaan bij het
302
een convooi soldaten aan de Kapel plaatsen (8 uur v.m.)
om de Gulik-
sche onderdanen heen en terug te begeleiden.
De geschiedenis der jaar- en weekmarkten is niet zonder meer
duidelijk.
In het jaar 1372 zijn er reeds 3 jaarmarkten, want het
aantal wordt dan
van 3 op 4 gebracht en wel op een zoo royale wijze als nooit
meer
voorkwam. Willem van Gulik en hertogin Maria geven dan aan
de stad
4 vrije jaarmarkten; de data ter keuze van de stad, met acht
dagen
vrijgeleide voor en na. Het blijkt dat reeds in de
Middeleeuwen de jaar-
markt op Sint-Nicolaasdag bestond: veel is er te doen
geweest in den
loop der tijden over de plaatsing, zulks in verband met de
zeer plech-
tige kerkelijke viering van dien dag. Daarom immers wordt in
1461
die jaarmarkt verplaatst naar St. Barbaradag: 4 December
(met slechts
één dag vrijgeleide voor en na). Men had echter geen
rekening ge-
houden met der boeren ingeroeste gewoonte om traditiegetrouw
op
St. Nicolaasdag naar de stad te trekken: ze bléven komen, in
de ver-
keerde meening dat die dag en de dag er na vrij gebleven
waren;
daardoor raakten ze echter herhaaldelijk in ongelegenheid.
Hertog
Karel (1494) schikte tengunste van de stad, - die „het
gemeyne volk van
buten Ruremunde" graag komen zag - de zaak zoo, dat naast de
vrij-
heid op de drie dagen op en om St. Barbara, ook St.
Nicolaasdag en
de daarop volgende geprevilegieerd zouden zijn.
Eenigen tijd na de vestiging der Habsburgsche macht in deze
streken,
zien we plots, dat Philips II opnieuw drie jaarmarkten
verleent (1562).
Of we hier te doen hebben met een bevestiging van het dan
nog be-
staande, of met een radicaal nieuw previlegie, is niet
zeker. Wellicht
het eerste. Ofschoon hier wel uitdrukkelijk als koopwaar
paarden ge-
noemd worden, hebben we hier toch niet te doen met
paardenmarkten
alleen, maar met de gewone jaarmarkten, want er is sprake
van paarden
en „koementschappen“. Ook hier weer werd een driedaagsch
vrijgeleide
voor en na verleend. Deze jaarmarkten vielen op Woensdag
voor Half-
vasten, 12 Juni en 7 November. Later in 1589 geeft Philips
II er nog
twee nieuwe vrije jaarmarkten bij: op 25 Januari en 20 Juli.
Nu blijkt
er in 1596 nóg een jaarmarkt te zijn en wel op Dinsdag en
Woensdag
na Pinksteren. Deze wordt n.l. in dat jaar verplaatst naar
de week
daarop: op Maandag, Dinsdag en Woensdag na
Drievuldigheids-Zon-
dag. Op dezen Zondag viel dan de kermis. In 1597 valt die
van Woens-
dag voor Halfvasten reeds op Maandag in die week. Zoo zien
we Roer-
mond geleidelijk in 't bezit gekomen van zes jaarmarkten,
een aantal
dat in 1607 ook werkelijk blijkt te bestaan, al vallen ze
dan op andere
dagen. De reden waarom verschillende jaarmarkten in 1607
blijken
verschoven te zijn, ligt voor de hand. Bij een eenigszins
nader bezien
blijkt de verdeeling dier jaarmarkten over het heele jaar
vrij onregel-
matig. Vooral die van 12 Juni en van de dagen na
Drievuldigheids-
Zondag lagen te dicht op elkaar. De toestand van 1607 is dan
ook veel
rationeeler: 25 Januari, Maandag voor Halfvasten, Maandag na
Drie-
vuldigheids-Zondag, 4 Juli, 1 October en 6 December. Met de
jaarmarkt
van 6 December viel samen - tenminste later - een groote
varkens-
markt: in 1711 wordt die n.l. gehouden op Maandag en
Woensdag en
304
paardenmarkt. Wie ze heimelijk of openbaar elders heen
brengt of
elders verkoopt, is strafbaar. Wel hoefde men van koop en
verkoop de
stedelijke „accijzen” niet te betalen, terwijl de
vreemdelingen van Don-
derdagnamiddag tot Zaterdagmorgen niet arrestabel waren,
tenzij voor
schulden op de markt zelf gemaakt.
Het blijkt dat op Marktdagen de stad soms volliep met
„savoyaerts,
verkoopers van kant, lint, doeck", die langs de straat of in
particuliere
huizen verkochten. Eind 17de eeuw (1699), loopt 't zoo druk
van zulke
lui, ook buiten de marktdagen, dat op verzoek van
winkeliers, leden
van het cremerambt, een verbod komt om alsnog in de stad te
ver-
koopen, tenzij aan de winkeliers van het cremerambt zelf!
Hulp aan den
Middenstand! Alleen op de jaarmarkten en kermissen mochten
ze hun
waren verkoopen aan de dan aanwezige vréémden!
Hiermede ligt voor ons een globaal overzicht van Roermonds
handel
tot het einde der achttiende eeuw. Het getuigt van de
voortvarend-
heid en vaak zuiver economisch inzicht der magistraten en
bewoners;
van perioden van bloei en achteruitgang. Men spiegele zich
aan het
goede tot bloei der geliefde stad.
306
typisch wapen aannamen was in Gelre, Kleef, Brabant en
Holland
destijds verre van inheemsch en kwam zoo goed als niet voor.
De speer- of pijlpunt, die in uitbeelding de lelie nabootst
of omgekeerd,
werd in deze landen veelvuldig gebruikt. Al wordt nu later
deze „gleve“
in de heraldiek met de heraldische lelie vrij algemeen
aangeduid en
vereenzelvigd, het is daarom nog niet de „fransche” lelie en
van „gal-
lischen" oorsprong, gelijk verschillende genealogen dit
willen doen
voorkomen. Erger wordt het nu verder, wanneer men dan op
grond
van deze zoogenaamde „fransche” lys voor de origine dezer
geslachten
den franschen kant uitwil en deze van hunnen oudgelderschen
oor-
sprong wil losmaken. Iets anders is of wellicht niet op
grond van het-
zelfde wapenembleem, zij het dan in verschillende
heraldische kleuren
en op andere velden voorgesteld, de geslachten, die het
voerden, tot
een stam, een „sippe“, zijn terug te brengen. Verder voert
thans nog
als merkwaardigheid de stad Straelen in haar wapen een pijl,
terwijl
de eerste voogden, waartoe ook onze Theodorich heeft
behoord, tot het
oudriddermatig geslacht van dien naam schijnen behoord te
hebben.
In het Roermondsche wapen wordt deze „gleve“ nu van keel
aange-
geven in een veld van zilver, hetzelfde wapen dat het thans
uitgestor-
ven geslacht van Asselt eertijds voerde en dat te Swalmen
gebloeid
heeft. De leeuw is, gelijk wij zagen, de geldersche leeuw.
Maar Gelre
heeft niet altijd den leeuw gevoerd, het voerde oudtijds in
een veld van
goud 3 mispelbloemen (2 en 1) van keel. Dit laatste
wapenembleem,
oudtijds ook wel de „geldersche roos” genoemd, heeft ook
zijn mythe
gehad, evenals de geldersche dynastie haar oorsprong verloor
in de ver-
beelding der vroegere genealogen, die in het dooden van een
fantas-
tischen draak éclat aan het dynastengeslacht hebben willen
geven. De
stervende draak, gedood door het zwaard van een gravenzoon,
zou,
„Gelre“ rochelend, onder een mispelbloem gestorven zijn,
terwijl de
bloesems van den boom neervielen in het drakenbloed, wat dan
het
keel is geworden van deze mispelbloemen. Deze mispelbloemen,
die
men als geldersch wapen thans nog aantreft op het mooie
grafmonu-
ment van Gerhard en Margaretha in de Munsterkerk te
Roermond,
hebben de geldersche dynasten vrij spoedig verlaten om, toen
zij in
macht en aanzien waren toegenomen, den nietinheemschen leeuw
aan
te nemen. De kruistochten brachten hen namelijk als machtige
ridders
naar het heilige land, waar zij op vaandels en schilden der
Saracenen
den leeuw, het zinnebeeld, ook thans nog, van kracht en
moed, zagen
uitgebeeld om de vijanden te imponeeren. Men neemt nu aan,
dat ver-
schillende vorstengeslachten van die dagen daarom dit
wapenembleem
aannamen en er destijds een zoogenaamd „Leeuwenverbond“
ontstond,
kenbaar aan de aangenomen wapens, waarin de leeuw figureert.
In
ieder geval is het een feit, dat de meeste vorstengeslachten
van dien
tijd, die meer speciaal in den noordelijken westhoek van
Europa woon-
den, een leeuw in hun schild gingen voeren. Men kreeg den
holland-
schen, brabantschen, limburgschen, luxemburgschen,
zeeuwschen,
gulikschen, gelderschen en nassauschen leeuw met den leeuw
van
Vlaanderen, dien Henri Conscience vereeuwigd heeft, om te
zwijgen
308
Wij zagen tevoren, dat de heraldische leeuw zijn
ontstaan dankt aan de
kruistochten. Maar het waren geen kruipende, liggende,
loopende of
slapende leeuwen, die uitgebeeld werden, een aanvallende,
klauwende
leeuw was het schildinsigne, dat de kracht en moed van den
ridder
moest weergeven. Bij hooge uitzondering liet men het beeld
van den
klimmenden of vechtenden leeuw los en men kan welhaast zeker
zeg-
gen, dat iedere andere stand van den wapenleeuw, zooals wij
dien
tegenwoordig in verschillende wapens nog aantreffen, te
wijten is aan
misstellingen van wapenkoningen, die veel later de
geslachtswapens
ontwierpen of gegeven wapens accepteerden en de
zinnebeeldige voor-
stelling van den schrik der woestijn op zachtzinniger wijze
weergaven.
Wat natuurlijk weer niet wil zeggen, dat andere dan
klimmende leeu-
wen foutieve heraldische figuren behoeven te zijn, en dat
schilden, waar
zelfs meerdere leeuwen in voorkomen met de heraldiek in
strijd zijn.
Want de heraldiek als wetenschap kreeg eerst haar bloeitijd,
toen de
geslachtswapens het décor der vorsten en ridders werden op
de groote
tournooien en steekspelen, die in de middeleeuwen de groote
natio-
nale feesten werden der souvereinen en waarop de jonge
edelman zijn
moed en kracht kon toonen. Zoo is ook de loopende leeuw in
het
Roermondsche wapen een gewrongen voorstelling van dien ouden
heraldischen leeuw en kan men wellicht hiervoor eene
verklaring vin-
den in de omstandigheid, dat de ontwerper van een later
stedelijk
wapen, toen hij in het schild nog de heraldische lelie of
„gleve” moest
aanbrengen, ruimte te kort schoot om een klauwenden leeuw
uit te
beelden. Mogelijk is ook, dat de latere graveur of ontwerper
zonder
vast in de heraldiek te zijn, op aesthetische gronden,
waarvoor iets te
zeggen is, den loopenden leeuw uitbeeldde. Zelfs is er een
Roermondsch
wapen gedrukt, waarvoor de ondeskundige graveur het
spiegelbeeld
van het bestaande wapen als cliché maakte, zoodat alle
figuren foutief
in omgekeerde richting zijn weergegeven en dat o.m. in 1667
als officieel
cachet heeft dienst gedaan.
Vast staat evenwel, dat het stadszegel, waarover wij in den
beginne
spraken en dat van 1336 dateert, in het schildhoofd voerde
den dubbel-
staartigen klauwenden en rechtopstaanden leeuw en deze
derhalve
later op andere wijze is uitgebeeld geworden.
Waarom heeft de stad Roermond zoo vrij snel het schepenzegel
van
1278 laten varen en een ander officieel cachet aangenomen?
Wij moe-
ten in deze daad een soort van grootere
onafhankelijkheidsgeest
terugzien, die de stedelijke magistraat van toen wilde
uitdrukken. Toen
de stadsschepenbank in 1278 zegelde waren het nog de door
den graaf
benoemde, aangestelde schepenen, die voor hem optraden en
direct
van hem afhankelijk waren. Maar in 1336 was dit anders
geworden.
De schepenen en het verdere stadsbestuur van toen werden
niet meer
door den graaf gecreëerd maar door de burgers gekozen en
vormden
met den grafelijken ambtenaar den schout, die als „richter“
in crimi-
neele en burgerlijke zaken de vonnissen der schepenbanken
moest
executeeren, een administratief geheel in een deels
onafhankelijke split-
sing. De burgerij der stad was toen reeds aangevangen een
min of meer
310
wende leeuw met gespleten of dubbelen staart en
gekroond. Het.om-
schrift luidt: „Sigillum majus Burgensium de Ruremunde“. Het
zegel is
rond met een middellijn van 7.7 c.M. Hieraan is evenwel aan
de keer-
zijde een zoogenaamd contrazegel aangebracht met dezelfde
voorstel-
ling maar veel kleiner, evenwel met een zittenden
éénstaartigen leeuw.
Het is een los voorhanden zegel, zonder dat men weet aan
welk docu-
ment het gehangen heeft.
3. Een zegelafdruk van 1419. Het schild is doorsneden, boven
een
uitkomende leeuw met dubbelen staart, onder de lelie, met
omschrift:
„S. Secretum Burgensiu' de Ruremu'de" met een middellijn van
4,4 c.M.
4. Een zegelafdruk van 1564. In een trifolium boven een
klimmende
éénstaartige leeuw, beneden een lelie; omschrift
:„Sigill(um) Ruremun-
densis", met een middellijn van 2,9 c.M.
5. Een dito van 1593 en idem van voorstelling maar met
omschrift
„Sigillum Civitatis Ruremend(en)sis", middellijn 2,9 c.M.
. Een zegel van 1654, idem als voren maar zonder omschrift.
7. Een zegel van 1665, met voorstelling als voren maar met
in trifo-
lium het omschrift „Sigillum Civitatis Ruraemundensis ad
Caus.” Mid-
dellijn 4 c.M.
8. Een zegel uit de 18de eeuw, voorstellende een doorsneden
schild,
boven een leeuw, beneden een lelie met omschrift „Sigillum
Civitatis
Ruraemundensis." Middellijn 2,8 c.M.
Uit deze zegels ziet men nu, dat tot in de 15de eeuw in het
randschrift
stond: Zegel der „burgers“ van Roermond, en dat eerst in de
16de eeuw
daarvoor in de plaats kwam „Civitatis“ van de „stad”
Roermond. In
wezen was de beteekenis gelijk, maar er zit een aardig
conservatisme
in om het oude zoo maar niet zoo snel overboord te gooien.
Voor gewichtige documenten gebruikte men het groot zegel,
aan het
document gehecht, eerst met zijden koordjes, later met
reepjes perka-
ment in de was gelegd en waarover het zegel werd ingeprent.
Het
contrazegel aan de keerzijde was een veiligheidsmaatregel om
alles in-
tact bijeen te kunnen houden en als echt te kunnen herkennen
en bijna
uitsluitend door vorsten en steden gebruikt.
Gelijk het Roermondsche wapen thans wordt afgebeeld in de
heraldi-
sche kleuren moet het nu als volgt omschreven worden.
Fransch wapenschild, horizontaal in 2 gelijke deelen
gedeeld.
Boven: in een veld van azuur een naar rechts (heraldisch)
gaande één-
staartige gouden leeuw met opgeheven voorklauwen, alle
pooten zicht-
baar geklauwd en met een ver uitkomende tong van keel.
Beneden: in zilver een heraldische lelie van keel.
Boven het schild bevindt zich een open helm, waarboven een
wrong(5)
van zilver en keel, die het helmkleed, dat zich in lofwerk
(loofwerk)
oplost, vasthoudt. Het helmkleed wordt aangegeven in zilver
(buiten)
en azuur (binnen). Op den wrong bevindt zich als kleinood of
sieraad,
het helmteeken, zijnde een waaier van witte paauwenoogen
(pauwen-
staart), waarop zich het wapenschild in het klein herhaalt.
De paauwenstaart stamt ook van Gelre, evenals de leeuw.
Afgezien nu, dat het heraldisch vreemd aandoet, om
gemeenschappen
312
DE STEDELIJKE MUNT
door
JHR. E. VAN NISPEN TOT SEVENAER
N het Maasdal is reeds in de vroege middeleeuwen
munt geslagen. Ik herinner hierbij aan de gouden
muntjes, welke al in den tijd der Merovingen te
Maastricht zijn geslagen, terwijl later, doch nog
vóór het midden der XVe eeuw in de navolgende
plaatsen door de Heeren dier heerlijkheden het recht van
munt werd
uitgeoefend: Born, Bunde, (Ob)Bicht, Elsloo, Hoorne (Weert
en Wes-
sem), Kessenich, Stein. Men dient echter onderscheid te
maken tus-
schen een stedelijke Munt en die van aanzienlijke Heeren,
wier recht
meestal teruggaat tot een ver verleden; bijgevolg is ons in
de meeste
dier gevallen onbekend door wien en op welk tijdstip het
recht van
munt werd verleend. Anders is het gesteld met de stedelijke
munt van
Roermond.
Haar geschiedenis kan niet hooger opgevoerd worden dan 24
Novem-
ber 1472.
Dat graaf Reinold in 1290 van den Keizer toestemming kreeg
zijn Munt
naar verkiezen naar Roermond of Harderwijk te verplaatsen,
doet
hier niet ter zake, omdat het niet de stedelijke Munt van
Roermond
betreft; deze bijdrage gaat dus niet verder terug dan het
jaar 1472 waar-
mede wij tevens historische zekerheid hebben. Hertog Arnoud
heeft
voor zijn dood den Roermondenaars een dubbelen dienst willen
bewij-
zen; hij zegt immers: omdat „onse lieve getruwe stat van
Ruremonde
ons menigen truwen dienst gedaen, sich altijt bij onsen
Vurvaideren
ind ons tot hiertoe, noch geloiffelicker ind trouwelicker
dan anderen
gehalden ind bewesen, ind ons oich meer in onsen lasten ind
noitsaeken
guetlick ain gueden gereiden gelden geleent heeft VIc
rijnsche gul-
den ... " zoo schenkt hij de stad eenerzijds het privilegie
van den alleen-
verkoop van Roermondsch bier binnen het geheele Ambt van
Mont-
foort, anderzijds het recht zelf te voorzien in de behoefte
aan klein-
geld. Er was toen minderwaardig kleingeld in omloop „dair
bij den
armen lieden vele hynders kompt", weshalve de hertog de stad
toestaat
„altyt wanneer hoin des genoegen ind guetduncken sall,
kleynen gelt
. (te) doen munten van onser wegen, doch nyet swaerer noch
hoger
dan tot eynen oirtken, off vierdel van eynen Coilschen
witpennynck.
onder onsen off onsen nacomelingen name ind helmteyke toe
doen
munten ind slaen .... ". De Hertog verwachtte hiervan
voordeel voor
de stad, want hij wenscht, dat als „dair eynich profijt in
der munte
affqueme, off komen muchte, dat sy dat keren sullen tot
bouwen ind
nutheit huer moder kircken bennen derselver onss statt ....
" De stad
mag van het gegeven recht genieten tot een jaar na de
terugbetaling
der VIc gulden.
Het ligt voor de hand, dat de stad uitbreiding van het
gekregen recht
314
stadt munte (nae t privilegium daervan seinde) weder in
esse - d.i. in
wezen - toe stellen" en „wederom stucken van 11/2 st.,
Peertgens ge-
nant und stucken van einen stuver .... " aan te munten.
1593. Den 25 September wordt Mr. Dederich van Moerss
tot waardijn
aangesteld en wij lezen in de toen uitgegane verordening,
dat de waar-
dijn de qualiteit der geslagen munten moet onderzoeken; bij
goedkeu-
ring moet hij „ein stuck offt penningh in ein billetgen (op
welcken,
jair ende dach der probation und uitgave is angeschreven)
ingewickelt
alsdat het niet daeruit vallen en maigh in einer daertoe
verordenter
wael verwaerter und beslotener bussen insteecken .... " De
bus is voor-
zien van twee sleutels, waarvan de eene ter „schrifcameren
in der
stadtkisten", de andere bij schepenen berusten zal. Verder
wordt be-
paald, dat de muntmeester onder eede zal staan, dat hij geen
munt-
ijzers mag achterhouden, maar deze na gebruik weder aan den
waar-
dijn moet inleveren, dat hij openlijk, noch in 't geheim
eenig accoord
mag maken met de „smitmeisteren und muntgesellen“ enz.
Muntmees-
ters werden toen Mr. Willem Struyss van Toer en Mr. Derick
Boen;
al had men nu een waardijn en twee muntmeesters, men kon
toch nog
niet beginnen: er ontbraken nog de benoodigde muntijzers en
„alzoe
gegenwoirdich niemandt voirhanden der die muntijzere
steecken solle",
wordt door den raad hierin voorzien door Meester Dierick
voornoemd
op te dragen ze voor dit keer te maken „under sulcke titel
en opschrift
als hem van ein Erss. Rath voirgebildt sal werden
Voor den wind ging het echter nog niet. Meester Diderich van
Moers
heeft zijn functie slechts kort kunnen waarnemen; hij sterft
den 2en
Februari 1594; den 10en daaraanvolgende dingt Asswerus Kox,
Stoffer
Kox zoon, naar het ambt van waardijn, zeggende, dat hij voor
tien
jaren het „Goltsmit ambt zu lehren angefangen” en dit zoo
binnen de
stad als daarbuiten heeft uitgeoefend. Den 17en Februari
wordt hij aan-
gesteld; zijn vader Christoffel en oom Veit Koch zijn zijn
borgen; van
Meurs' weduwe, Hilleken Brewers vraagt den Raad
terugbetaling van
door haar man gemaakte onkosten (11 Mei 1594).
Nu kan Roermonds Munt aan het werk .... Maar vergeten wij
niet,
dat haar bevoegdheid niet verder gaat dan het voorzien in de
behoefte
aan kleingeld, en zoo lezen wij in een stuk van den 24en
April '95, dat
van wege den Magistraat werd geordineert „dat dieser stadt
munte
gegenwoirdich in stilstandt soldt werden gestelt und
verbliven bis thot
t gebreck van cleyne munte dessen voertganck weder soll ver-
eyschen ..
Intusschen werden de Roermondsche muntjes niet voor vol
aangezien,
wat de Raad ertoe brengt zich te wenden tot het Hof van
Gelderland
met het verzoek de erkenning ervan te gelasten.
1605. Den len September 1605 oordeelt de Raad, dat er
weer behoefte
aan kleingeld bestaat en men is van gevoelen, dat er „112
st. stuivers,
halve stuivers, ortgens ende lupsen in roet coperen"
geslagen dienen
te worden. Aan Walraven Daniels zal men instructie geven als
waar-
dijn en men zal voorts „asseye nemen van de proefstucken der
peert-
gens, stuyvers, halve stuyvers und ortgens anno (15)94
geslagen". Nau-
316
van Hollandt.
.. welchers slagh sall hebben aen d'een sijde 't waepen
vant gemeene landt, wesende twee climmende leuwen, ende aen
de
andere zijde van de stadt Ruremonde .... ". Eerst den 4en
November
1638 gewerd de stad een volledig octrooi. Tevoren
hadden burgemees-
ter, schepenen en raad zich gewend tot de hooge finantieele
colleges,
en onder verwijzing naar privilegies van 1612, '13 en '16
(waarbij was
toegestaan „stooters, halve, vierendeelen en daeronder" te
munten)
hadden zij gevraagd om in zilver en koper te mogen munten
naast reeds
genoemde ook „oortiens, duyten en dergelijke specien“ eraan
toevoe-
gend, dat zij zich belast vinden met „overgroote
nootsaeckelyke costen
tot onderhout van de moederkerke ende den inloop van de
Maese te
versien met batten", terwijl het kleingeld weder schaarsch
is en er
alleen aangetroffen wordt, dat geslagen is te „Luyck, Thour,
Cleve,
Batenborch ende andere gebuerlijcke plaetsen, faillerende in
gewichte
ende alloy". Het octrooi wordt verleend, maar onder bepaling
van een
jaarlijksche verantwoording, waarvan de geldigheidsduur van
het
octrooi afhankelijk wordt gesteld.
1639. Den 14en Januari '39 keuren „Cantzelaer ende
raeden van syne
Co. Mat. des vorstendombs Gelre" goed, dat de stadt „sal
moegen
slaen voor een proeve coopere oirtkens ende deuten in alles
tot XXV
pondt coopers, van behoirlick gewicht met kenelicke
indruckinghe van
de waepenen van Gelderlandt op de eene sijde, ende op
d'ander van
den naem van zijne Mat met die Lre P boven alleen ende dese
letteren
D. G. ende dese woirden DUX GELRIAE ende daeronder een
schilgen
inhoudende die waepenen der stadt Ruremonde, soo ons een
forme
daeraff is gethoont". Den 14en December worden de „patroonen
van
stooter ende peertgens" ook door het Hof van Gelderland
goedgekeurd.
Een aardig staaltje van de mentaliteit dier dagen onder de
beoefenaars
van een ambacht, spreekt uit het rekwest (d.d. 1644, 13
Juni), dat Jan
Hennissen, Lenard Wolffs, Jan Cremers en Nelis Driessen,
muntgezel-
len van het land van Thorn, richtten tot den Magistraat van
Roermond.
Zij zeggen in hun schrijven, dat zij voorheen steeds aan de
Munt ge-
bezigd werden, en verzoeken nu wederom aangesteld te worden.
De
muntgezellen, die nu ter stadsmunt werkzaam zijn, zijn
vreemden
„vuijten Lande van Luyck, van Hasselt, .... "; zij beklagen
er zich over,
dat „die van Hasselt alhier tegenwoordich int werck voor een
jaer ofte
twee ongefehr soo tot Dinant alsoock tot Luyck dese
supplianten heb-
ben doen opstaen vuijt Haeren arbeijdt, daer zij nochtans
vele maenden
terselver plaetsen int werck geweest waeren."
De Magistraat schijnt het gevoelen der Thornsche
muntgezellen niet te
hebben gedeeld! Op hun verzoek werd immers in margine
aangetee-
kend: „In dit versoeck en kan niet getreden worden, ende
indien de sup-
plianten vermeynen eenich privilegie te hebben, soo sullen
sij daervan
naerder doen blijcken."
1644. Vijf jaren later treffen wij dan ook als
muntgezellen aan: B. van
Elserack, meester Ernest van Laurete, mr. Benestus en
Melchior.
De Roermondsche munters schijnen in dit jaar vol goeden moed
en
groote verwachtingen geweest te zijn, want de Raad besloot
den 22en
318
ce que les suppliants requièrent ne se peut accorder ..
De stad moest
er wel in berusten, totdat zich de gelegenheid voordeed den
„hr. Lt
ende Ritzburgemeester G. F. Bossman ter occasie van zijn
tegenwoor-
digh deputaet naer Brussel" op te dragen de zaak nog eens
bij zijne
keurvorstelijke Hoogheid aanhangig te maken, waartoe de Raad
be-
sloot 12-XI-1696. Het schijnt weer niets gegeven te hebben,
want den
10-VIII-'99 wordt burgemeester Knop 200 ducaton toegezegd,
„bijaldien
hij kan effectueeren, dat de stadt den deutenslagh wederom
krijget".
Tenslotte schijnt de raad van van der Sterren te zijn
opgevolgd; een
request is tot Madrid doorgedrongen; het wordt met brieven
van den
6en September 1700 om advies doorgestuurd, het advies luidt
gun-
stig ..... , maar eer de Koning een einde kon maken aan deze
lang
hangende kwestie, hebben de Hoog Mogende Staten der
Vereenigde
Nederlanden de souvereiniteit erlangd.
Daar nu de Staten in 1633 toestemming hadden verleend om
voor 6000
Mark duiten te mogen slaan, had men er in Roermond goede
hoop op
een verzoekschrift gunstig beoordeeld te zien. Dit zou
echter niet mee-
vallen, want een rekwest van 1702 werd op advies der
„gesamentlijke
Raaden en mrs. Generaal van de Munte der Vereenighde
Nederlanden"
van de hand gewezen. Toen nu Burgemeester, Schepenen en Raad
andermaal rekwesteerden, meenden zij vooral naar voren te
moeten
brengen, dat de stad, „selfs ten tijde soo wanneer als de
voorschreven
stadt was onder de gehoorsaamheyt van desen Staet", in het
jaar 1633
bij resolutie van den l1en Maart en den 4en April
toestemming had
gekregen om door haar muntmeester te laten munten „ses
duijsent
marck duyten, waervan yder marck ten minste soude moeten
geven
hondert en sestien duyten ....."
De resolutiën van 1633 waren intusschen niet meer van
kracht, want
het Advies der Raden en Generaalmeesters der Munte vermeldt,
dat
in Holland in het jaar 1702 de voet der duiten is
teruggebracht van
116 stukken tot 68 in 't Marck, wat in 1703 door Gelderland
werd over-
genomen.
Alleen met verlies zou dus de stad van het door haar begeerd
recht
gebruik kunnen maken. Het voorstel luidt dan ook, dat het
verzoek
moet worden „gedeclineerd gelijk in December 1702 .... is
gedaen en
de remonstranten gerecommandeert ...
(zich) .... te gedragen na het
exempel van de andere generalitijts quartieren, dewelcke hun
behulp
vinden in de provinciale duyten." (28 Augustus 1704).
Dit is m.i. het doodvonnis der Roermondsche stedelijke Munt;
nadien
zijn geen „eigen munten” meer te dezer stede geslagen.
Dit artikel is samengesteld uit gegevens, welke door den
Archivaris
J. B. Sivré in het laatst der vorige eeuw uit het
stadsarchief zijn ver-
zameld.
320
den en het aanzienlijk ampt der cremers en schippers
St. Nicolaas als
patroon vierde. De schippersgezellen genoten dan het
voorrecht de
groote klok te mogen luiden.
Het rijke ampt had in de „Hoochkerk” zijn eigen St.
Nicolaaskoor.
Gebrandschilderde vensters, waarvan nog enkele fragmenten
ten stad-
huize worden bewaard, vertoonden er tafereelen uit het leven
van den
grooten volksheilige.
In de Gulden Mis, die 's morgens vroeg op
Quatertemper-Woensdag
van den Advent wordt gelezen, bestond vroeger het gebruik
dat de
Boodschap des Engels aanschouwelijk werd voorgesteld,
waarbij zelfs
de nederdaling van den H. Geest werd gesymboliseerd. Zooiets
be-
stond ook te Roermond. De Donderdagsche Protocollen verhalen
ons,
dat op 19 December 1619 aan den choraal Christiaen
Tymmermans
voor zijn moeite gedaan onder de Gulden Misse, voorstellend
den
Engel Gabriel, „een pond groot” werd gegeven.
Kerstmis onderscheidde zich niet door bijzondere gebruiken;
overdag
is het nog wel gewoonte de verschillende kerken der stad te
bezoeken.
Op St. Thomasdag waren de kinderen baas en moesten de ouders
bui-
tenstaan, tot zij tegen een klein geschenk weer werden
binnen gelaten.
Hetzelfde geschiedde soms op Onnoozelekinderendag. Het
gebruik be-
staat nog slechts in enkele gezinnen en in sommige
kloosters, waar op
Onnoozelekinderendag aan den jongste in jaren eenige macht
wordt
toegekend.
Hier is een combinatie merkbaar van beide feesten met
herinnering
aan het buitenblijven van St. Thomas bij de tweede
verschijning van
Christus na Zijn verrijzenis, en aan den marteldood der
allerjongste
martelaren in de H. Kerk.
Op Nieuwjaarsdag kende men vroeger hier het gebruik van
„voejagen“.
Eigenlijk was het een verkapte bedelarij of najagen van
fooien of zoo-
genaamd „voebier“. Ook op andere feestdagen en op den
vastenavond
hoorde men van „voejagen".
Het gebruik ontaardde in misbruik en werd meermalen met
kracht
door de stadsregeering bestreden.
Op Driekoningendag of „Dertiendag” zooals hij vroeger
heette, wordt
in vele gezinnen nog een koek gebakken, waarin een boon
verborgen
zit. Die mee aanzit en bij het verdeelen de boon krijgt is
koning, en
moet tracteeren, of krijgt, als bij pand verbeuren, een taak
aangewezen
waarvan hij zich, al of niet met tegenzin, moet kwijten.
Ruim een week later, op 17 Januari, heeft St. Antonius-Abt
zijn ker-
kelijken feestdag. De heilige wordt voorgesteld met een
varken aan
zijn voeten. Daarom ook wel kregen de varkens, die in de
Middel-
eeuwen vrij in de straten rondliepen, den naam van St.
Teunisvarkens.
In Roermond werd het losloopen van varkens nog op 19
September
1613 verboden. En het herinnert ons ook aan het
gemeenschappelijk
koeweiden, dat nog in Limburgsche gemeenten bestaat en
vroeger ook
te Roermond in gebruik was. Eens per jaar werden de koeien
der ver-
schillende eigenaars op de hoorns gebrand en soms werd naar
aanlei-
322
het is te begrijpen, dat aan het einde der vroeger
strenge veertig-
daagsche Vasten, dat gilde de aandacht vroeg. In de
Hollandsche ste-
den werd daartoe de versierde Paaschos rondgeleid. En ook
hier is het
nog niet zoo lang geleden, dat de slager met zijn schoonste
koebeest
bij de klanten aan de deur kwam.
Een vrome Roermondsche gewoonte is de nachtwake in de
Munster-
kerk bij het H. Graf ter vereering van het H. Sacrament. Ze
heeft
wellicht haar ontstaan te danken aan het zingen van de
Donkere Met-
ten, dat in de Liturgie van die dagen is voorgeschreven.
De droefheid van den Goeden Vrijdag, die het orgel doet
zwijgen en
geen schellen laat klinken, bracht vroeger de jeugd naar
buiten, en
met ratel en klep door de stad gaande, onderhield zij de
treurige stem-
ming, die bij den dag paste.
Op de Paaschdagen ging men vroeger eierenkippen op de Markt.
Ouden van dagen herinneren zich nog van hun ouders te hebben
ge-
hoord, dat men op Paaschdag van het jaar 1822 eieren kipte
op de
dichtgevroren Maas. In kraampjes op de Markt opgesteld,
kocht men
de eieren. Men kipte op verschillende manieren, „spits",
„aars” en
„loddering“.
Roermond behoort met de meeste Limburgsche plaatsen nog tot
de
bevoorrechte steden, waar processies als openbare
godsdienstoefenin-
gen zijn toegelaten. Men kent hier nog de processies op de
Kruis-
dagen en St. Marcusdag, op Drievuldigheidszondag en den
Zondag
daaropvolgend.
Gewoonlijk trekt katholiek Roermond op den eersten Zondag
der
Meimaand in processie naar O. L. Vrouw in 't Zand.
De processie van Drievuldigheidszondag kreeg in de
stadsgeschiede-
nis een treurige vermaardheid, doordat in 1665, vermoedelijk
door het
lossen van kamerschoten bij het trekken der processie op het
Zwart-
broek brand ontstond, die bijna de gansche stad in asch
legde.
Een vrome legende verhaalt, hoe het vuur stuitte op de
plaats, waar
zich thans op den hoek van Pelserstraat en
Minderbroedersstraat nog
een Mariabeeld bevindt.
Tegen het misbruiken der processies tot wereldsch vertoon
zijn de
bisschoppen meermalen met klem opgetreden.
Wellicht dat deze misbruiken zijn ontstaan uit de vroegere
gewoonten,
om tijdens den ommegang op bepaalde plaatsen een kort
mysterie-
spel of sproke op te voeren, waarbij de spelers in den stoet
volgden.
Het is bekend, dat in de 16e eeuw tijdens den ommegang een
sproke
werd opgevoerd, getiteld „de Echtverbintenis van Maria.'
In later tijd werd ook het reuzenbeeld van St. Christoffel,
den stads-
patroon, en Cuckephas, den eremiet met de lantaarn, in den
om-
megang meegevoerd, wat ook weer aanleiding gaf tot
profanatie en
daarom door den bisschop werd verboden.
Dat Roermond een Mariastad is, getuigen de vele
straatkapelletjes,
bijna alle aan de Moeder Gods toegewijd. De putbewoners
zorgen
voor het onderhoud en het ontsteken der lampen, en bij
processies
worden ze op het schoonst gesierd.
324
bidt men een rozenhoedje voor het miraculeus beeldje,
waarna de
terugtocht wordt aanvaard.
Ook is nog wel gewoonte, dat nà het overlijden acht
jongedochters
wederom naar de kapel trekken, maar dan met de intentie om
voor den
overledene te bidden.
Van hechte traditie getuigt ook de viering der jubilé's aan
de Kapel.
Men leest in de Kronieken van jubilé's in 1785, 1835 en
1885, en hoe
geheel Roermond deelnam aan die grootsch opgezette
Mariafeesten.
Tusschen 15 Augustus en 8 September valt ook de eerste
Dinsdag in
September. Dan was er jaarmarkt in Merum en velen uit den
omtrek
kwamen daar samen. Dat gaf ook in Roermond veel drukte door
de
vele passeerende vreemdelingen.
De bakkers zorgden hier voor mondkost en dan werden de bij
velen
nog bekende broodjes of „spinweggen“ gebakken. De bakkers
begon-
nen al vroeg in den nacht en soms was er als 't ware
wedstrijd, wie
z'n brood het eerst gaar zou hebben. Was het zoover, dan
bliezen de
bakkers op den hoorn en er werd door de ramen geroepen:
„spinwegge
zeen gaar". Soms werd zoo hard geroepen en zoo lang
geblazen, dat
het door de politie verboden werd.
Dien dag - „Merummer mert” - hield ook te Roermond „den
unjer“
op. Dat was een middagdutje, dat aan de werkende menschen in
het
heetst van den zomer was toegestaan. Kleermakers en
naaisters, die in
lamp werken.
loondienst werkten, gingen dan 's avonds voor 't eerst weer
bij de
Met St. Remigius of Sintermijs, op 1 October, werden de
dienstboden
ingehuurd en verviel de pacht. Ook kende men het gebruik om
de pacht
te betalen op St. Bavo of St. Bamis, eveneens op 1 October.
Daags na Allerheiligen viert men Allerzielendag. Dan bestaat
nog het
gebruik om naar het kerkhof te gaan, de graven te sieren, er
kaarslicht
bij te branden en voor de afgestorvenen te bidden.
St. Maarten, 11 November, sluit ongeveer het kerkelijk jaar.
Evenals
op andere plaatsen kende men hier vroeger de gewoonte van
St. Mar-
tensvuren te stoken. We lezen in de Donderdagsche
Protocollen, dat
het stoken van St. Martensvuren meermalen werd verboden
binnen de
stadsmuren, vooral met het oog op het brandgevaar voor de
houten
huizen en de rieten daken.
Op de putten leven nog verschillende gebruiken voort, die
wij beknopt
zullen schetsen.
Bij het aangeven van een jonggeborene voor den Burgerlijken
Stand,
verleenen gewoonlijk de mannelijke buren assistentie; soms
na afloop
bezegeld met het drinken van een glas bier in een naburige
herberg.
Een op handen zijnde gouden bruiloft brengt meer drukte mee.
Onder
leiding van de putmeesters wordt dagen lang gewerkt aan de
versie-
ringen, die op den put en aan het huis der jubilarissen
worden aan-
gebracht. Alles werkt mee om het feest te doen slagen.
Gewoonlijk
plaatst men een tijdelijke beplanting van kleine dennen,
gesierd met
papieren rozen en verbonden met guirlandes in kleuren. Aan
het begin
en het einde van den put, soms ook voor de woning van het
feestpaar,
326
Hier vermelden wij nog het ophalen van „het
kerckebroot”. De putbe-
woners waren vroeger verplicht in het levensonderhoud van
den koster
bij te dragen. Soms bleef men nalatig en dan werd den koster
van stads-
wege een bedrag in geld gegeven, zooals we op 2 April 1609
vermeld
vinden. Later lezen we nog enkele malen voorgeschreven aan
de put-
meesters om het kerkebrood in te zamelen. Bekendmakingen
vanwege
de stad geschiedden vroeger dikwijls door de putmeesters en
werden
dan op de putten „met den hoorn omgeblazen". Putreglementen
zijn
meermalen door den Magistraat vastgesteld en brachten regel
en orde
in de gebruiken en gewoonten op de putten, voorzoover het de
rechten
en plichten betrof tegenover de naburen en de stedelijke
overheid.
Lang geleden - zooals we b.v. lezen van 31 Januari 1619 en
10 Januari
1644 - bestond de gewoonte bij de jeugd om de jonggehuwden
bij
het terugkomen uit de kerk te vragen naar geld en kleine
geschenken,
te „vangen”, zooals het genoemd werd. Die gewoonte ontaardde
in
misbruik en daarom werd het door de stadsregeering verboden.
Op
sommige dorpen bestaat dit gebruik echter nòg.
Op den St. Jacobsput in de Voorstad bestaat nog „de vangst
met den
sluier" en bij gouden bruiloften op genoemden put wordt met
die tra-
ditie niet gebroken.
De geheele feestelijkheid verloopt zooals reeds is
beschreven, maar
als de jubilarissen bij hun woning zijn aangekomen, worden
zij weer-
houden door een soort guirlande, die de straat in de breedte
afsluit.
De guirlande of sluier wordt vastgehouden door de twee
oudste be-
woonsters van den put. Deze naderen dan elkaar, zoodat de
jubila-
rissen door den sluier worden ingesloten. Aldus „gevangen“
wordt de
eerewijn aangeboden en gedronken op de gezondheid der
feestelingen.
Bij processie wordt geregeld door de putten gesierd en
worden rust-
altaren op enkele putten rijk met bloemen getooid. Vooral in
den laat-
sten tijd wordt door de putten van die bloemversiering weer
veel
werk gemaakt
Telkens ook wanneer Roermond een nieuwen Herder over het
diocees
als Bisschop mocht begroeten, waren het wederom de putten
die voor
passende straat- en huisversiering zorgden.
Bij den intocht van vorstelijke personen kwamen de putten
ook volop
in actie. Nog levendig blijft in herinnering de schitterende
straatver-
siering bij het bezoek van H. M. de Koningin en den
Prins-Gemaal
op 17 Juli 1903
In vroeger tijden werd het ceremonieel, waarmee vorstelijke
personen
zouden worden ontvangen, eenvoudig door de Stadsregeering
voorge-
Toen b.v. in Maart 1692 de Keurvorst van Beieren hier zijn
intocht
schreven.
hield, werd door den Magistraat bevolen 24 amptsmeesters uit
te kie-
zen, die Zijne Hoogheid zouden geleiden van het Zwartbroek
tot het
logement. De meesters droegen elk een witte brandende
flambouw.
Op de markt werden drie staken opgesteld om er teertonnen op
te
stoken. Een wacht aan het logement bestond uit 40 personen,
allen in
hun beste kleedij. Nadat Z. Exc. de markt gepasseerd was,
werden drie
328
mori". Stond de plank rechts, dan was de overledene een
man of
jongen, in het andere geval stond de plank links van de
voordeur.
Thans wordt nog aan deur- of belknop van het sterfhuis een
zwarte
sluier gehecht en bij de meer gegoeden tijdens de
begrafenisplechtig-
heid een rouwversiering rondom de huisdeur aangebracht. Ook
heerscht nog steeds de goede gewoonte, dat de putbewoners
voor de
zielerust van den overledene een H. Mis laten lezen.
In de laatste jaren leeft het gebruik weer op, dat door de
putten de
putkaars naar O. L. Vrouw in 't Zand wordt gebracht. De
kaars, ter
grootte van een Paaschkaars, is met kleurige randen en
prentjes ver-
sierd en prijkt in vergulde letters met den naam van den put
en het
jaartal, waarin ze wordt geofferd.
In de Meimaand of in den vacantietijd wordt de kaars door de
bruidjes
naar de Kapel gebracht, gevolgd door de kinderen van den
put, door
of harmonie.
putmeesters en ouders begeleid en soms voorafgegaan door
fanfare
In de Kapel wordt de kaars door den priester gezegend en op
een
kaarsendrager geplaatst en aangestoken. Men hoort een H. Mis
en
daarna wordt huiswaarts gekeerd. Op den put wordt de jeugd
gewoon-
lijk onthaald op krentebrood en andere versnaperingen.
Vroeger hadden de putten ook de zorg voor de lantaarns, die
in het
midden der straten hingen. Verlichting en onderhoud werden
door den
put bekostigd. Ook de verlichting der straatkapelletjes en
van het
groote kruisbeeld in de Neerstraat geschiedt door de putten.
De pompen droegen vroeger het beeld van den putpatroon. Een
der
putten, de St. Christoffelput, zegelde zelfs met eigen
zegel, dat natuur-
lijk de afbeelding toonde van den schutspatroon.
De pompen zijn thans bijna verdwenen, alleen de Voorstad-St.
Jacob
heeft nog haar pomp.
De putmeesters hielden dikwijls vergadering bij de pomp,
althans wan-
neer het een korte bespreking gold. Gewoonlijk tusschen 12
en 1 uur,
wanneer het maal was genuttigd, werd daartoe door een der
putmees-
ters driemaal op de pomp geklopt en kwamen de anderen
toegeloopen.
Staande om de pomp - op den put - deelde men elkander het
nieuws
mede en werd een voorloopige bespreking gevoerd over de
voorberei-
ding tot een of ander feest.
Tot zoover over de gewoonten op de putten.
Maar behalve deze waren er gebruiken aan het oude recht
ontleend.
Om b.v. het in bezit nemen van nieuw gewonnen grond, van
aan-
was in de Maas, aan de omstanders en de aanwezigen duidelijk
in
den geest te scherpen, werd het nieuwe land bevaren of
bereden.
Zoo geschiedde het op 16 Juli 1615, dat drie afgevaardigden
van
de stedelijke regeering een griend bij den Holtgriend lieten
bevaren
met een mestwagen, waarvoor drie paarden, elk van
verschillende
kleur, waren gespannen. De paarden waren bemand met ruiters,
die,
nadat zij den wagen zoover over het overstroomde land hadden
ge-
reden, dat de vier raderen in het water stonden, van een
flesch wijn
moesten drinken en deze elkaar moesten overreiken. Dit werd
enkele
330
collen leest men meermalen, dat in Roermond
verkoopingen en aanbe-
stedingen „mit de kersse“ werden gehouden.
Reeds twee eeuwen terug was het te Roermond gebruik naar de
„buite-
nijen" de Weerd, de Kapel en de Broekhin te wandelen en daar
een
glas bier te drinken. Men leest er zelfs klachten over,
omdat daarmee
den Roermondschen brouwers concurrentie werd aangedaan.
Buiten
de stad werden namelijk Guliksche bieren en andere bieren
verkocht,
die goedkooper waren dan het zwaarder belaste Roermondsche
bier,
Dit laatste heeft natuurlijk tot het bezoek der genoemde
gehuchten bij-
gedragen. En het is wel opmerkelijk, dat de echte
Roermondenaars
zich nog gaarne aan de Kapel en in de Weerd gaan verpoozen.
Het beugelen, dat men thans nog in de Weerd speelt, was
vroeger niet
zoo bekend. Men vermaakte zich toen met het vogelschieten en
ook
wordt het klootschieten enkele malen genoemd.
Op het gebied van geneeskundige voorzorg huldigde men
vroeger ook
eigenaardige opvattingen. Zoo werd in 1574 bij het heerschen
van de
pest voorgeschreven, dat men het huis, waarin een pestlijder
gestorven
was, 14 dagen gesloten moest houden. Zelfs geen venster aan
de straat
uitkomende mocht worden geopend. Als kenteeken moest aan die
hui-
zen een stroowisch worden gehangen. Een genezen pestlijder
moest
eenigen tijd een witte roede in de hand dragen.
Van de melaatschen lezen we, dat, voorzoover het
stadgenooten waren,
zij alleen Zondags, Woensdags en Vrijdags mochten „omgaan“.
De
vreemde melaatschen hadden dat recht slechts om de veertien
dagen.
Zij moesten dan wel voorzien zijn van een Lazarusklep, om
vooraf
hoorbaar hun komst aan te kondigen.
Er waren vroeger ook afschrikwekkende gewoonten. De
zelfmoorde-
naars werden toen openlijk op sleden naar hun graf gesleept.
Eerst
in de vorige eeuw werd getracht het brandmerk te vervangen
door
detentie in een verbeterhuis.
De pijniging of torture mocht toen verder slechts toegepast
worden na
inzage van de stukken op order van het gouvernement.
Nog een merkwaardig gebruik lezen we bij de lijfstraffelijke
rechts-
pleging in onze stad, zooals het vermeld wordt in de
Donderdagsche
Protocollen van 20 Februari 1687. De Magistraat beval toen
den burger-
kapiteins hun kwartieren op de Markt in het geweer te roepen
tegen
22 Februari 's morgens 8 uur. Met den Scholtis zouden twee
kwartie-
ren buiten de stad trekken om volksoploopen te beletten
wanneer aan
de Kapel misdadigers zouden worden „gericht“. De halfer van
het
Muggenbroek moest met zijn wagen bij het openen der poorten
in de
stad komen om het schavot te halen, dat aan de Kapel (op den
Galgen-
berg) thans Kitskensberg moest worden opgericht. Op
dienzelfden
morgen moest „de halfersche“ van den Armenhof op het Muggen-
broek twee karren met paarden leveren om de misdadigers naar
de
gerichtsplaats te brengen. Om 9 uur precies moesten de
inwoners van
Roer het „gericht" aan O. L. Vrouw in 't Zand opbouwen op
boete
van 25 goudgulden; portiers, nachtwakers en veltschutten
moesten
daarbij helpen. Het varen van het gericht naar Kitzenberg
(Kitskens-
332
ROERMONDS
KUNSTLEVEN
door
IR. JOS. CUYPERS
IJ kunnen ons geen vorstelijke daad denken, die
gunstiger kan zijn om den grondslag te leggen voor
de kunstzinnige ontwikkeling eener jonge stad, dan
de stichting van eene adellijke abdij met zulk eene
monumentale kerk als „het Munster“ te Roermond.
De bewoonsters dezer stichting van adellijken huize zullen
in haar
vrijen tijd meer dan de vrouwen der wereld gelegenheid
hebben gehad
belangstelling te kweeken voor kunstbeoefening, juist in de
13de eeuw.
toen de opkomende burgerij in de vestingstad rustiger
bestaan vond
en haar welvaart zag toenemen. Het bouwwerk ook zal, zoo
door
zijn uitwendig voornaam en feestelijk karakter, als inwendig
door de
verrassende doorzichten en stemmige geslotenheid van den
massieven
aanleg, een opwekkenden indruk hebben gemaakt op alle
bezoekers.
De omgevende natuur langs de boorden van Maas en Roer, die
haar
dalen zacht hebben ingesneden in het Limburgsche
hoogplateau, biedt
die afwisseling, welke noodig is om belangstelling voor die
natuur op
De verschijning van de Gebroeders van Eyck, geboren op een
afstand
te wekken.
van slechts 19 K.M. ten Zuidwesten onzer bisschopsstad,
staaft dui-
delijk de waardevolle karakteristiek van dit Limburgsche
landschap,
als bijzonder geschikt voor den verfijnenden invloed die
reeds op het
jeugdig gemoed moet worden uitgeoefend om den fijn
gevoeligen kun-
stenaar te vormen. Geen enkele Limburgsche stad, met
uitzondering
van Maastricht, mocht zich in vroeger eeuwen verheugen over
die
duurzame welvaart, welke noodzakelijk is om in de bouwwerken
een
sprekend beeld te geven van de kunstliefde der bewoners.
De houten huizen der middeleeuwen, die steeds bijzonder
karakteris-
tiek zijn geweest, werden juist in de steden door brand
verwoest.
Naast de branden heeft ook de beeldstormerij in 1566 schuld
aan het
verloren gaan van kunstschatten en tenslotte de opheffing
der kloos-
ters en de verkoop mede van hun roerende goederen. Bij de
Kartui-
zers b.v. werden meer dan 200 schilderijen verkocht. Van de
Minder-
broeders zijn de preekstoel en biechtstoelen in de Groote
Kerk over-
gebracht. Een der verguldzilveren bekers der Stad, de
kleine, 1) is van
den stedelijken muntmeester Nederhoven (1609).
De beschrijving van de schaarsovergebleven monumenten tot in
de
tweede helft der 18de eeuw heeft den lezer kunnen overtuigen
dat de
bouwmeesters, die hier arbeidden, zoowel als de beeldhouwers
van hei-
334
voor de grootheid van het verleden wist hij de
schoonheid en rijk-
dom, daarin verborgen, weder in 't volle licht te stellen en
hij deed
dit met zooveel eerbied, liefde en stuwkracht, dat de
bouwkunst onzer
Vaderen, ook na zijn verscheiden, de eereplaats zou blijven
innemen
die haar toekwam. Die gedachte was met hem saamgegroeid,
daar leef-
de hij voor. Al had Limburg een beeldenstorm gekend, het
schisma
had het niet verscheurd; het Katholiek geloof bleef daar de
band en
de grondslag van het openbaar leven. Voor gevoelige naturen
vooral
beteekent dat een rijkdom, een poëzie en levensvreugde, die
moeilijk
onder woorden te brengen zijn. De voorliefde van dezen
kunstenaar
ging naar „de Meesteres der Kunsten“: de Architectuur.
Al viel zijn jeugd in den Biedermeyer tijd, de oppervlakkige
kunst-
verschijnselen van dien tijd voldeden zijn gemoed niet. Zijn
geest was
hooger gestemd, zocht dieper voldoening. In Limburg kent men
geen
keurslijf, geen dompige moerassen, geen binnenkoorts. Hij
ging op
studie ter Antwerpsche Academie, om daar die algemeene
ontwikke-
ling op te doen, na voleindigde gymnasiale studie, die hem
den breeden
grondslag verschafte die noodig is om met goed gevolg de
leider te
kunnen worden van een kunstcentrum, waar de beeldhouw- en
schilder-
kunsten, ijzer- en kopersmeedwerk, de vervaardiging van
gebrand glas,
kortom alle nevenkunsten, medewerken tot één harmonisch
geheel.
De openbare geloofsuiting der Middeleeuwen boeide zijn
geordende
en geloovige natuur meer dan de klassieke opvatting der
Academie.
De kerkelijke bouwkunst was in 1850 stom, zij had haar taal
verloren
in Nederland, dank zij de „plakkaten” en het gebod om
eerediensten
van ons geloof onopgemerkt te houden. Zou hij eenmaal een
kerkje
bouwen, dan ontbrak toch nog de samenwerking voor de
innerlijke
afwerking, omdat er geen beoefenaars dier sierende kunst
meer waren.
In Roermond leefde een man, die op eigen gelegenheid en
zooveel mo-
gelijk bijgestaan door jongelui, die werkten onder leiding
van den
beeldhouwer Georges, kerkornamenten en paramenten deed
vervaardi-
gen. Daar konden de Eerwaarde Heeren Geestelijken hun
wenschen
in vervulling doen gaan. Toen de hier bedoelde heer
Stoltzenberg
reeds op leeftijd was, kwam de jonge Cuypers uit Antwerpen
terug,
en de lauweren, welke hij in zijn studietijd behaald had,
verkondig-
den zijn roem vooruit. De terugkeer van een begaafd artist
in Roer-
mond ging in die dagen van harmonie niet onopgemerkt
voorbij, en
toen Mgr. Paredis den heer Stoltzenberg aanried, deze kracht
tot zich
te trekken, kwam hij spoedig tot het inzicht, zijn jongen
stadgenoot
aan te bieden, een gedeelte der leiding van zijn atelier op
zich te nemen.
Deze aanbieding werd met vreugde aanvaard.
Nu zag Cuypers de verwezenlijking van het gewenschte ideaal,
een
klein gilde om samen opwaarts te streven. Door die
samenwerking
werd de grondslag gelegd voor een atelier, dat weder de
bakermat
werd voor verschillende andere. De artisten, welke als jonge
mannen
zoowel uit de Rijnprovincie als uit België hierheen togen en
jarenlang
samenwerkten, voelden voor en na in zich de kracht om
zelfstandig
op te treden, zooals hierachter nog nader wordt geschetst.
336
dat herstellen of toevoegen wil, waarvan het bestaan in
vroeger eeuwen
onomstootelijk vast staat!
Hier te Roermond in de zestiger jaren bestond reeds de
tegenstelling
die zooveel later in ons Vaderland in Oudh. Bond en
Rijks-Monumen-
tenzorg werd uitgestreden tusschen 1910 en 1920.
De leidende personen besloten een buitenlandschen deskundige
te raad-
plegen. Zoo kwam Keulens Dombaumeister Vinc. Statz en
hechtte zijn
goedkeuring aan de plannen. Dit brak den weerstand niet,
immers dat
oordeel werd aan collegialiteit en niet aan overtuiging
geweten. Daar-
op werd de bekende archeoloog, Kanunnik Bock uit Aken,
verzocht
te komen. Ook zijn goedkeuring werd ervan verdacht, door
vriend-
schapsgevoelens te zijn ingegeven.
Eerst nadat Eug. Violetle-Duc, de beroemde Fransche
archeoloog, op
de teekening was komen schrijven „vu et approuvé. E.V.L.D.”,
besloot
de kerkelijke overheid tot uitvoering van deze plannen. De
restaura-
tie en de afbouw der Munster Abdijkerk werden hem
opgedragen.
Het machtige, schoone gebouw, welks ontwerper helaas
onbekend is,
mocht door Cuypers' toedoen zijn lang gewenschte bekroning
ver-
krijgen.
Vanaf dien tijd zenden die twee torens ten hemel het acte
van geloof,
door Graaf Gerard van Gelder ingezet, hetwelk wij nog mogen
voort-
zetten .... honderden jaren! Dat geve God!
Met de restauratie van het Kasteel Haarzuylens is duidelijk
gebleken,
hoe uitgebreid de historische kennis was en de levendige
fantasie van
Roermonds grooten zoon. Den aandachtigen bezoeker moet het
opval-
len bij het betreden van de hal en al het inwendige van dit
stoere
bouwwerk, dat respect inboezemde aan de vijanden van toen,
maar
waarin gebracht is rijkdom aan kunstnijverheid op alle
gebied, zooals
men in bijna geen enkel kasteel bijeen vindt; wonderen van
hout en
steenbewerking, smeed- en schilderwerk, gebrand glas, oude
weefkunst.
Op monumentale schaal zijn intérieurs geschapen, die wel
geïnspireerd
zijn op de voorbeelden van middeleeuwsche kasteelen, maar
hier tot
een geheel van persoonlijk en lokaal karakter zijn
opgevoerd, dat zijn
weerga in West-Europa niet vindt. Daartoe hebben niet alleen
vele
van de na te noemen kunstenaars maar ook vele begaafde
meesters
van 't kunstambacht, zooals Meyers, de kunstsmid,
medegewerkt.
De aan Cuypers opgedragen restauratie van den Dom te Mainz,
bracht
hem in kennis met den Rheingauer schilder Martin, die als
volbloed
Neogothieker in zijn vlot en kleurrijk werk de XIV en XV
eeuwsche
schilders sterk benaderde. Gedurende meerdere jaren werkte
hij in de
ateliers te Roermond, waar hij zich aan de Kapellerlaan een
trapgevel-
huis bouwde (thans Harmonietuin). Zijn werk was te
oergermaansch
om op den duur invloed te blijven uitoefenen.
Toen Museum en Centraalstation waren afgebouwd, nam Cuypers
de
leiding van 't atelier weer geheel direct in handen, terwijl
eerst Valken-
burg en later Roermond weer zijn woonplaats werd.
Waren deze Kunstwerkplaatsen tot verstarring, tot
schabloonwerk
gedoemd? Neen. Daarvoor was de geest van den stichter te
helder,
338
plooiing. Dr. Rembert zeide daarvan: „Am wertvolsten
sind, von sei-
nem Künstlerischen Standpunkt beurteilt, seine Skizzen,
Sittenbilder
und Bildnisse." In deze portretten en genrestukken spiegelt
zich ook
duidelijk de richting van den tijd af: de vroegere
portretten zijn
sterk classicistisch, de latere meer romantisch. Tot aan
zijn dood bleef
Johann Jozef Hubert Lücker opdrachten voor Cuypers
uitvoeren.
Dr. Cuypers achtte hem hoog, zooals blijkt uit verschillende
persoon-
lijke brieven, waarin hij hem aanspreekt met: „mein lieber
Joseph“.
Peter Joseph Lücker (Jos. Lücker Jr.), de vader van 't
tegenwoordig
werkende geslacht, was geboren in Crefeld 29 Maart 1847 en
overleed te
Roermond 8 Januari 1915. Was hij vóór 1873 reeds eenige
jaren met
tusschenpoozen bij Cuypers & Stoltzenberg werkzaam
geweest, in dat
jaar kwam hij er voor vast en bleef er werken tot aan zijn
dood, in 't
geheel 42 jaar. Bestond zijn werk in 't begin uit
decoratieve kerkschil-
derkunst, later hield hij zich meer bezig met
muurschilderingen met
figurale voorstellingen. Hij was meer ornamentaal van
aanleg, waarvan
de ontelbare ontwerpen en cartons voor kerkparamenten,
kasuifels,
stola's, teekeningen voor borduur en kantwerk getuigen.
August Jacob Joseph Lücker, geboren 29 Februari 1852 te
Roermond
en aldaar overleden 19 April 1923, tweede zoon van Joseph
Lücker Sr.
werkte van 1883 tot 1912 bij Cuypers hoofdzakelijk als
decoratieschilder
van kerken, wat het ornamenteele gedeelte betreft.
Ook de leider van het decoratieve werk ter plaatse, Piet
Helwegen,
maakte vol ijver alle evoluties mede. Meer dan de andere
medewerkers
kwam hij op de werken in aanraking met vele personen. Door
herstel-
lingen van oude schilderingen had hij een kennis van
techniek opge-
daan, die te gelegener tijd o.a. door een onzer meest
beroemde historie-
schilders werd ingeroepen, om diens wandschilderingen voor
onder-
gang te behoeden.
Frans Reclair uit Venlo werkte als figurist in vele kerken.
Hij is de
eenige leerling geweest van de Gentsche St. Lucasschool, die
in deze
ateliers heeft medegewerkt. Later toog hij naar de
Vereenigde Staten
van Noord-Amerika.
J. Berens, geboren te Deventer, studeerde aan de Academie
van Brussel,
waar hij tijdgenoot was van Anton Derkinderen en Jan Toorop.
Hij
heeft het belangrijkste deel van de geschiedenis der School
voor nuttige
en beeldende Kunsten (gesticht in 1905) medegemaakt. Door
persoon-
lijke toewijding wist hij, niettegenstaande de beperking van
de weinige
klassen, bij het onderwijs aan de Roermondsche jongelieden,
die 't tee-
kenen en de kunstnijverheid wenschten te beoefenen, elk naar
zijn
persoonlijken aanleg, een maximum van ontwikkeling mede te
geven.
Hoewel in hart en ziel landschapschilder, toog hij des daags
naar 't
atelier om onder architectenleiding kartons te ontwerpen
voor muur-
schilderingen en gebrand glas. Tot kort voor zijn dood mocht
hij de
voldoening hebben te kunnen doorwerken.
Terugkomende op de beeldhouwers die in de ateliers van
Cuypers en
Stoltzenberg hebben gewerkt, moeten wij allereerst noemen
den nog ge-
heel academisch voelenden Georges, die echter al spoedig
zijn taak
340
als waarin hij de vier hoekfiguren voor Vondels
standbeeld of de
Poëzie en de Faam boetseerde voor de Vondelfeesten! Vóór 't
jaar 1870
zijn de kartons voor gebrand glas onder Cuypers leiding wel
in hoofd-
zaak door Lauweriks geteekend.
Met eenigen trots mag Roermond vaststellen, dat de
glasbranderskunst
in de 19de eeuw binnen zijn muren in ons vaderland het eerst
werd
beoefend, en wel door F. Nicolas, den stichter van het
bekende atelier,
waarin zijn twee zonen Frans en Charles, en thans de bekende
klein-
zoon Joep Nicolas, steeds den roem van een veelomvattende
techniek
en kleurenrijkdom hooghouden. Ook op dit gebied ontstaat een
wis-
selwerking met bouwkunst en beeldhouwkunst, welke duidelijk
spreekt
in de geleidelijke ontwikkeling in de kunstopvattingen. Ook
hier biedt
het terrein van restauratie van oude werken, als de glazen
van Soest
in Westphalen, opdrachten voor Gellsehausen, voor den
Duitschen
Staat, voor Mainz en Frankfort in de zeventiger jaren, en in
vele Belgi-
sche en Engelsche kerken, evenals in de bouwkunst de
gelegenheid om
den kunstsmaak te ontwikkelen door vergelijkende studies der
histori-
sche stijlen en de techniek te vervolmaken door beoefening
van de op-
volgende technieken.
Evenals naast het atelier van Cuypers-Stoltzenberg in den
loop der
tijden verschillende beeldhouwers hunne ateliers vestigden,
zoo zien
wij ook de gebroeders den Rooyen, J. Lommen en P. Stroucken
en Zoon
meerdere glasschildersateliers stichten in een tijd naast de
glasschil-
ders van Utrecht en Delft in 't Noorden, waar zeer spaarzaam
deze
kunst beoefend werd.
Op architectuurterrein vinden wij onder de ouderen de
ontwerper
van eene interessante reeks kerken in Brabant, Karel E. M.
Weber.
Zijn ontwerpen nemen den Rijnlandschen overgangsstijl als
uitgangs-
punt. De meest sprekende werken zijn de kapelkerken van
Geldrop,
Uden, Vught, Mierlo en waarvan die van den
Zevenbergschenhoek de
beste verhoudingen vertoont. Aan deze figuur, die vol
illusie en ijver met
studie en fantasie zijn ontwerpen maakte, zijn tragische
herinneringen
verbonden, waarvan de gevolgen onbepaalden tijd van invloed
blijven.
Daar de opdrachtgevers wel bouwwerken verlangden die
monumentaal
waren van afmeting, maar niet de fondsen daarmede in
overeenstem-
ming konden beschikbaar stellen, werd de bouwmeester ook
niet zoo
gehonoreerd, dat aan voorbereiding, detailleering en
controle gedurende
de uitvoering die zorg kon worden besteed, welke aan elk
bouwwerk,
zeker aan het godsdienstige, dient te worden gegeven. Het
gevolg daar-
van is geweest, dat de detailleering aan ongeschoolde
opzichters moest
worden overgelaten, hetgeen de bezoeker met eenige
architectonische
aanvoeling moet ervaren, terwijl de bouwmeester, toen de
jaren zijn
gezicht sterk hadden doen verminderen, in onze stille stad
een zoo stil
en vreugdeloos bestaan heeft gevoerd
Karel Weber bouwde de neogothische spits op den toren van St
.- Chris-
toffels kathedraal na den brand van 1892. In zekeren zin is
hij kenne-
lijk onder de neomiddeleeuwsche bouwmeesters de meest
specifiek
Roermonds gestemde geweest. Immers in aansluiting aan het
karakter
342
aan den Amstel zijn stoffelijk overschot op hunne
schouders ter laatste
rustplaats hebben gedragen, nu enkele jaren geleden.
De familie Oor heeft in de laatste driekwart eeuw in nauw
verband
gestaan met ons stedelijk kunstleven. Van den beeldhouwer
Oor Sr.
vinden wij kerkmeubels, die meest romaniseerend of
vroeggotisch van
opbouw zijn, terwijl de behandeling der figuren niet is
bedoeld als
zich aansluitende bij middeleeuwsche plastiek, verspreid
over alle pro-
vincies van ons vaderland. In de latere jaren werden door
den zoon
Jac. Oor, die de academie te Antwerpen had bezocht, en
daarna teza-
men werkte men zijn vader, ook opdrachten uitgevoerd voor
Engeland.
De kunstwerkplaatsen Jan Oor en Zonen leverden in 1901 een
nieuw
hoogaltaar in de Kathedraal en in het Seminarie. In 't begin
dezer eeuw
heeft Jac. Oor de practijk vaarwel gezegd, en wijdde zich
zoowel aan
't Teekenonderwijs en Algemeen Kunstonderwijs als daarna ook
aan
het voorzitterschap van het Bestuur der Ambachtsschool, en
vertegen-
woordigde den Roermondschen Kunstkring in de Provinciale
Schoon-
heidscommissie van 1926-1929
De door zijn Annales Archéologiques baanbrekende fransche
schrij-
ver Didron, die in 1856 het atelier Cuypers-Stoltzenberg te
Roermond
bezocht, schreef over den jeugdigen Jozef Thissen: „Surtout
j'ai pris un
grand intérêt au travail d'un tout jeune élève: Thissen, qui
promet
un artiste." Hij behaalde in 1871 de groote gouden medaille
I kl. in de
beeldhouwkunde aan de Antwerpsche Academie, en werd in
Roermond
door de Kon. Harmonie feestelijk ingehaald. Van hem zijn
bijzonder
verdienstelijk vele Mariabeelden, over het gansche diocees
verspreid,
het H. Hartbeeld van de Munsterkerk en de St. Christoffel
die van
1892-1920 in Webers spits stond.
Het oude Christoffelbeeld in 1892 door brand vernield, was
van den
vader van den schilder Frans Douven. Deze werkte te
Dusseldorf aan
het hertogelijk Hof. Hij schilderde koningen en keizers,
maar Roer-
mond heeft niets van hem!
Van Sitterich integendeel, een niet-Roermondenaar van
geboorte, maar
langen tijd inwoner, is een schilderij in de Kathedraal en
een schoor-
steenstuk in de Raadzaal voorstellende Keizer Karel VI
(1719).
Van een ander geslacht, waarvan de kunstwerken sedert een
halve
eeuw over geheel Nederland verspreid werden in kerken en
kapellen,
s Windhausen de stamvader.
Peter Heinrich Windhausen werd in 't Duitsche stadje
Burgwaldniel
21 September 1832 geboren, ontving zijn opleiding aan de
academie
van Dusseldorf en vestigde zich in 1873 in Roermond, waar
hij tot zijn
dood verbleef. Hij voelde zich aanvankelijk vooral tot de
portretschil-
derkunst getrokken, waarbij hij om zijne ongekunstelde
manier en
typisch rake gelijkenis zeer de aandacht trok, zoodat hij
reeds spoedig
een zeer gezocht portretschilder was, wiens naam tot ver
over 's lands
grenzen bekend werd. Later bewoog hij zich meer op 't gebied
der
Christelijke kunst, uit welke periode heden nog vele kerken
vooral in
Duitschland zijne werken in eere houden. Hij overleed te
Roermond
22 Januari 1903. Zijne traditie wordt nog voortgezet, vooral
op 't gebied
344
naast begroeten wij in Henri Tijssen, die de K. Z.
Roermonds Mannen-
koor tot grooten bloei bracht, een begaafd componist, wiens
Lim-
burgsch volkslied door onze toffe jongens van 't 13de
regiment in de
mobilisatiejaren over gansch Nederland werd verspreid. De
schrijver
der geschiedenis van de Harmonie levert het bewijs dat de
kunst leef-
de te Roermond op muzikaal en ook op letterkundig gebied.
Wat
het laatste betreft moge ik herinneren aan het letterkundig
genootschap
,De Lelie” dat in de vijftiegr jaren is opgericht en tot
zijn grootsten
bloei gekomen. Het meest bekend lid is wel geweest Emile
Seipgens,
geboren te Roermond, 16 Augustus 1837 en overleden te Leiden
in 1896,
wiens werken meerendeels in „de Gids” zijn verschenen. Voor
Roer-
mond heeft hij zich onsterfelijk gemaakt door zijn
„Schinderhannes“
De tooneelkunst werd in dien tijd mede met succes beoefend.
In 1858
werd een subsidie van gemeentewege toegekend aan de
Dramatische
Societeit voor bijwoning van een concours te Leuven „ter
aanmoediging
van dit letterkundig genootschap dat diende tot luister
dezer stad".
De muziekschool en de teekenschool zijn in dit verband mede
een ver-
melding waard.
Over den schilder Linssen die de teekenschool op hooger peil
bracht
het volgende. Franciscus Henricus Linssen, geboren te
Roermond in
1806, studeerde te Antwerpen 1824-1829 aan de Academie
teeken- en
schilderkunst, verbleef van 1829-1833 te Roermond en werkte
daarna
tot 1842, het jaar van het overlijden zijner echtgenoote, te
Parijs. Hij
keerde dat jaar in zijn vaderstad terug, alwaar hij leeraar
werd aan
de teekenschool en de schilderkunst met veel succes
beoefende. Hij
overleed te Roermond den 18 April 1869. Te Parijs schilderde
hij in 1834
voor de Kathedraal een altaarstuk, voorstellende de H.
Familie, te Roer-
mond in de zijkapel van het Seminarie de Mater Dolorosa en
in de
O. L. Vrouw Munsterkerk op den rechter- en linkerwand der
abside
het medaillon en hooger op de Cherubijnen.
Dr. Cuypers had het voorrecht zijn loopbaan te beginnen in
een op-
levend Roermond; de stad floreerde ook economisch, de
industrie was
tot bloei gekomen, dank zij een aantal fabrikanten die zich
hier vanuit
Duitschland hadden gevestigd.
In onze stad, waar zoo velen zich wijden aan den dienst van
edele
vormen en harmonische kleuren, mag verwacht worden, dat,
onder
medewerking van de omringende natuur, ook in het
dagelijksche leven
de goede smaak zich doet gelden. De toepasselijkheid van
deze op-
merking is niet alleen dagelijks, maar vooral op Zon- en
Feestdagen
op straat waar te nemen, maar blijkt ook uit de ontwikkeling
die de
luxeschoenfabricatie naast andere kleedingvervaardiging
heeft gekre-
gen. Immers door de bezoekers van buiten wordt algemeen
opgemerkt
hoe goed de Roermondsche vrouwen er in slagen met veel smaak
voor
goeden vorm en harmonische kleuren zich te kleeden. Daar
wordt blijk-
baar veel waarde aan gehecht en veel zorg en talent aan
besteed.
Aan 't slot van onze mededeelingen aangaande het kunstleven
in Roer-
mond gedurende de moderne periode van ontwikkeling der stad,
mo-
gen deze opmerkingen worden geplaatst, gegrond op het
hiervoor ver-
346
HET ROERMONDSCHE
DIALECT
door
J. KATS
et nog meer vreugde zou ik aan deze bijdrage ge-
werkt hebben, als ik niet telkens en telkens weer
opnieuw was overmeesterd geworden door de ge-
dachte, dat ik een „ten afscheid“ aan het schrij-
ven was.
Waarmee ik niets meer of niets minder zeggen wil, dan dat
onze dia-
lecten - ons geliefd „Remunjs” niet uitgezonderd - ten doode
zijn
opgeschreven. U kijkt mij verbaasd en ongeloovig aan?
Begrijpt mij
goed: ik wil hierdoor geenszins profeteeren dat over enkele
jaren het
Roermondsch zal zijn uitgestorven; maar dat het is aangetast
door de
langzaamvoortwoekerende echter onherroepelijkdoodelijke
ziekte, die
als een epidemie woedt onder onze Limburgsche dialecten, dat
is een
harde waarheid, die zich opdringt aan iedereen, die den
juisten stand
van zaken wil en durft te zien.
Het karakter van dit opstel laat niet toe, dat ik hier diep
op inga, maar
de voornaamste oorzaken (die alle hun oorsprong vinden in
„de mo-
derne tijd") wil ik toch even aanstippen: door de vestiging
van vele
niet-Limburgers (speciaal in de mijnstreek!) verliezen onze
stadjes en
dorpen meer en meer hun specifiek Limburgsch karakter; het
gemak-
kelijke, moderne verkeer (fiets, auto, autobus, tram) wischt
de onder-
linge grenzen uit; huwelijken tusschen personen, die een
verschillend
dialect spreken, zijn aan de orde van den dag; de enkele
jaren gebrek-
kig onderwijs konden vroeger niet verhinderen, dat voor de
groote
massa de plaatselijke taal de eeniggekende bleef (en wat
wordt er daar-
entegen tegenwoordig niet gestudeerd, onder alle lagen der
bevolking!);
het intense - interlocale - vereenigingsleven met zijn
vereenigings-
en vakbladen verruimt den gezichtskring en gedachtensfeer,
ook van
den niet-intellectueel, waardoor zijn woordenrepertoire om
uitbreiding
vraagt; de tegenwoordig in bijna geen enkel gezin
ontbrekende krant,
de film, de radio bewerken dit nog in grootere mate. Al deze
factoren
hebben natuurlijk ieder hun eigen werking, maar uit elkaar
voortsprui-
tend en elkaar in de hand werkend, vormen zij, vereenigd,
zulk een
nivelleerende kracht, dat onze eeuwenoude tongvallen daar
niet tegen
bestand zullen blijken te zijn.
Noch de belangstelling, die de laatste tientallen jaren onze
dialecten
ondervinden van de zijde der taalgeleerden, noch de veilige
schuilplaats,
die hun wordt aangeboden in diverse tijdschriften en
vereenigingen1),
zullen dezen langzamen ondergang kunnen verhoeden.
1) Men leze echter hieruit niet één onvriendelijk
woord aan het adres van een
vereeniging als „Veldeke“ bijvoorbeeld. Recht van bestaan
heeft zij als iedere andere
liefhebberijvereeniging, maar bovendien kan zij veel van
het bestaande vastleggen.
348
toch even in 't kort beantwoorden, temeer daar dit de
achting voor de
dialecten, het zoo vaak gesmade „plat”, slechts kan doen
stijgen.
De taalkundige verdeeling van ons land in Friesch, Saksisch
en Fran-
kisch dateert niet van vandaag of gisteren. Deze toestand is
even oud
als de Friezen, Saksen en Franken bewoners van deze streken
zijn. En
wij weten nog allen uit onze vaderlandsche geschiedenis, dat
dit sedert
de eerste eeuwen onzer jaartelling is. Echter niet alle
Franken, die het
latere Nederland bewoonden, spraken precies hetzelfde. Hun
taal was
al vroeg dialectisch geschakeerd. Zoo onderscheidt men
tegenwoordig
nog: Hollandsch-, Brabantsch- en Limburgsch Frankisch. Uit
een der
dialecten nu van het Hollandsch Frankisch heeft zich in de
16e en 17e
eeuw door bijzondere omstandigheden, vermengd met vele
Vlaamsche,
Saksische en Friesche bestanddeelen, een taal ontwikkeld,
die eerst als
schrijftaal, later ook als spreektaal, het algemeen,
beschaafd Neder-
landsch is geworden
Het Nederlandsch is dus secundair en veel jonger dan de
levenskrach-
tige dialecten, die de grondstoffen leverden voor den opbouw
dezer
taal, zonder zelf echter 't minst belemmerd te worden in
verderen groei
en ontwikkeling.
Bepalen wij ons nu echter meer bijzonder tot het dialect van
Roermond.
Van den eerbiedwaardigen ouderdom hebben wij intusschen
eenig
idee gekregen. Maar natuurlijk heeft het niet altijd
geklonken zooals
op het oogenblik. Eerst langzamerhand heeft het zijn
tegenwoordigen
vorm aangenomen. Evenals ieder levend organisme heeft het
zich ge-
leidelijk ontwikkeld, is het gegroeid. Van deze
levensgeschiedenis der
Roermondsche taal weten wij echter zoo goed als niets. Al
zijn er bron-
nen, in den vorm van magistraatsbesluiten, koopacten, pacht-
en gilde-
brieven, registers etc .: wij moeten zeer voorzichtig zijn,
hieruit con-
clusies te trekken. Want zulke administratieve stukken
hebben meestal
een ambtelijken toon; hun taal is een soort kastetaal van
officiëele „cler-
cken", een kanselarijtaal. Ons ontbreekt hier een grondige
studie, die al
deze documenten critisch heeft onderzocht en antwoord geeft
op de
vraag, in hoeverre zij een afspiegeling zijn van de
plaatselijke, levende
volkstaal uit dien tijd.
Als ik dan nu een overzicht wil geven van de voornaamste
klank-
eigenaardigheden van het Roermondsche dialect, dan is
daarmee be-
doeld het Roermondsch, zooals het de laatste 50 jaar is
gesproken.
Wij beginnen met enkele algemeene klankverschijnselen.
Boven hebben wij gezien, dat Roermond (evenals bijna geheel
Limburg)
gerekend wordt tot het Nederfrankisch. Dit is dat gedeelte
van het
Frankisch, dat niet aangetast is geworden door de zgn.
Hoogduitsche
klankverschuiving. Deze heeft plaats gehad tusschen 400 en
700 en
heeft een ingrijpende verandering gebracht in het
Oudgermaansche
consonantisme. Zoo werden bijv. oorspronkelijke pt-k, midden
in een
woord, tot ff-ss-ch. Zetten wij maar eens naast elkaar:
Ndl. eten - Hgd. essen
slapen - schlafen
teeken - Zeichen
350
stemming met het Venloosch weer, van „schoen“, terwijl
de Roermon-
denaar „sjoon” (= mooi) zegt.
Na deze eigenaardigheden op consonantisch gebied, die het
Roer-
mondsch met vele andere Limburgsche tongvallen gemeen heeft,
willen
wij nu even de aandacht vestigen op verschijnselen van
anderen aard.
Karakteristiek voor de Limburgsche dialecten is de vorming
van het
meervoud zonder aparten meervoudsuitgang. De stamklinker
wordt in
dit geval veranderd. Ik zal dit met enkele Roermondsche
voorbeelden
illustreeren:
sjtool : sjteul - knoup : knuip - loes : luus - sjlaag :
sjlaig -
bank : benk - rok : rök - woard : wörd
Ook bij de vorming van de verkleinwoorden, bij de vervoeging
der
werkwoorden en in de namen voor handelende personen, treedt
deze
klinkerwisseling op (de zgn. Umlaut). Voorbeelden:
a) rat : retje - poal : pölke - sjtool : sjteulke - doem :
duumke
hok : hökske - gaat : gaitje
b) ich hang - doe hings - hai hink - veer hangen enz.
ich sjloap - doe sjleeps - hai sjleep - veer sjloapen enz.
ich haai - doe hils - hai hilt - veer haaien enz.
ich loup - doe löps - hai löp - veer loupen enz.
ich sjtoot - doe sjteuts - hai sjteut - veer sjtooten enz
c) bakken : bekker - jagen : jaiger - koupen : kuiper -
vangen :
óntfenger
Op het gebied der klinkers vertoonen de Limburgsche
dialecten nog
enkele andere in het oog vallende eigenaardigheden:
1° Aan de A. B. N. ij beantwoordt een ie:
Nederlandsch: wijn - pijn - rijk - bij - tijd
Roermondsch: wien - pien - riek - bie - tied
2° Aan de A. B. N. ui beantwoordt (vaak) een oe:
Nederlandsch: huis - muis - luik - vuil - kruik
Roermondsch: hoes - moes - loek - voel - kroek
3° Aan de A. B. N. ee beantwoordt (vaak) een ei:
Nederlandsch: been - bleek - deel - heet - kleed
Roermondsch: bein - bleik - deil - heit - kleid
4° Aan de A. B. N. oo beantwoordt (vaak) een ou:
Nederlandsch: boom - doof - hoop - 0og - zoom
Roermondsch: boum - douf - houp - oug - zoum
Al lijkt dit misschien, op zichzelf beschouwd, zoo
belangrijk niet, als wij
echter constateeren, dat de Roermondsche woorden hier in
hoofdzaak
den klinker bewaard hebben, zooals die was in het
oud-Germaansch,
dan kan het weer niet anders of de achting voor „het plat"
stijgt weer,
352
nen de perken houden door een gemeentegrens! En ook
vormt geen
enkel plaatselijk dialect een afgesloten eenheid tegenover
het aangren-
zende. Het eene gaat geleidelijk in het andere over.
Dialectische eigen-
aardigheden verbreiden zich vanuit een „haard“, zooals
kringen in het
water, veroorzaakt door een daarin geworpen steen. Hoe
verder van
het kernpunt verwijderd, hoe flauwer zij zijn en hoe meer
afwijkingen,
maar nergens is een plotselinge overgang te constateeren.
(Afgezien
van verkeersbelemmeringen, zooals in vroeger dagen breede
rivieren,
uitgestrekte heidevelden enz. Deze kunnen werkelijk scherpe
dialect-
grenzen vormen).
Wat dadelijk opvalt, als een Roermondenaar spreekt, zijn
enkele klan-
ken, die de taalkunde gepalataliseerde of gemouilleerde
consonanten
noemt. Wat onder deze geleerdklinkende namen verstaan wordt,
kan
men ongeveer aanduiden als medeklinkers, die onmiddellijk
gevolgd
(of begeleid) worden door 'n jklank. Ik stel ze dan ook op
deze manier
voor als: dj (tj), nj en lj. Ze komen voor op het einde en
in het midden
van 'n woord. Enkele voorbeelden:
hóndj, vrundj, handj, viltj, wildj, veldj.
wintjer, mantjel, grantjen, sjantjen.
benj, wónj, tenj, manj, inj, henj.
binjen, wanjelen, manje, linje, rónje.
wailj, noalj, wilj, (ich) melj, (ich) sjelj.
guuljen, sjeljen, golje, wilje, zelje.
lj komt niet zoo vaak voor. dj (tj) en nj daarentegen zijn
zeer frequent.
Merkwaardig genoeg heeft de Roermondenaar dezen typischen
klank
van zijn dialect kunnen vastleggen in den naam van zijn
geboorteplaats:
,Remunj".
De dj (tj) komt slechts voor na n en 1, en beantwoordt aan
Ndl. nd (nt)
en ld (lt).
nj (op het einde van een woord) correspondeert met Ndl.
-nde. In de
weinige gevallen, dat het Nederlandsch niet -nde maar -nd
heeft, kan
men steeds aantoonen, dat de oorspronkelijke vorm -nde was
en de e
later is afgevallen. Bijvoorbeeld:
Roerm. manj : Ndl. mand, maar Middelnederl. mande
(ich) branj : (ik) brand, ic brande
(ich) vinj : (ik) vind, ic vinde
Ook de lj (aan het woordeinde) beantwoordt aan
oorspronkelijk Ndl.
-lde.
Terloops wil ik in dit verband even opmerken dat de naam
„Remunj”
ons dus bewijst, dat onze vaderstad oorspronkelijk Roermonde
heeft
geheeten.
Met deze zgn. palataliseering vormt het Roermondsch een
overgang
naar de dialecten in het Z.O. van Limburg, (ook enkele
dorpen rondom
Venlo) die voor deze ndj (ntj) en nj resp. nk en ng hebben
(de zgn.
gutturaliseering).
354
Bovendien kent het Roermondsch nog de oa (roachelen -
oamere -
toat), de ai (sjtailen - baiter - vlaigel) en de ö (=
ongeveer gelijk aan
den klank in het Fransche beurre): böken, sjtöker, köken,
göl, göt.
Nog is hiermee niet de volle rijkdom van het klinkersysteem
geschetst.
Want bijna al de bovengenoemde klanken hebben 2, enkele
zelfs 3
lengten, die aan het woord een geheel verschillende
beteekenis geven.
Als u bijvoorbeeld, buiten eenig verband, het Roermondsche
„boek“
ziet geschreven staan, dan weet u niet wat bedoeld is:
„buik” of „bok”.
Het gesproken woord laat u echter niet in twijfel. „Geer
sjtónk” heeft
twee beteekenissen, al naargelang de ó kort of lang is, en u
zoudt er u,
tot iemand sprekend, niet gaarne in vergissen!
En dit zijn geen toevallige, op zich zelf staande gevallen.
Ten bewijze
zullen wij van alle klinkers enkele voorbeelden geven.
zalt (zout) en (geer) zalt (gij zult)
(ich) kan (ik kan) en kan (kan)
haas (handschoen) en haas (haas)
(veer) waren (wij waren) en (de) ware (de ware)
tentje (tentje) en tendje (tandje)
nej (zuinig) en (ich) nej (ik naai)
teen (teen) en teen (tien)
veer (wij) en veer (vier)
ins (eenmaal) en ins (eender)
(hai) hink (hij hinkt) en (hai) hink (hij hangt)
bie (bij = voorzetsel) en bie (bij = substantief)
lies (lijst) en lies (gemakkelijk)
Hier hebben we zelfs 3 klinkerlengten:
wies (wijs) : wies (melodie) : (hai) wies (hij wijst)
krieg (gebiedende wijs) : (ich) krieg (ik krijg) : (hai)
krieg (hij krijgt)
zorg (gebiedende wijs) en zorg (substantief)
sjoon (schoen) en sjoon (mooi)
doon (doen) en doon (dichtbij)
klump (klompen) en (hai) klump (hij klimt)
sjtump (stompen, brokken) en ('t) sjtump ('t klopt)
buut (buit) en (hai) buut (hij biedt)
verluus ('t verlies) en (hai) verluus (hij verliest)
eike (eiken) en eike (eitje)
sjtein (steen) en sjtein (steenen)
oug (ook) en hout (hout)
oug (oog) en (hai) hout (hij slaat)
proeme (pruimen - subst.) en proemen (pruimen - werkw.)
boek (buik) en boek (bok)
Ook hier hebben wij weer 3 lengten, want de oe in „boek“ is
weer korter
dan die in „proemen".
356
Det waas pennekevét!
'ne wuiles,
Eemes sjnutten.
noapikkerke doon.
'ne sjloebermiechel.
mit belump.
sjtieven hings!
'ne foeteleer.
matsjgaar.
'ne pitsbekker.
Dai is zoo lank es elmp.
'nen toegenejde.
Maak mich neet laam!
'ne barg.
joedevét.
Waat 'n kuit!
'n kwetsjproem.
loepetig.
rölsen.
Hai is sjniebel!
'ne sibbedeiës.
'ne pennefoekser.
Op merode zeen.
'ne pintekoo.
sjlappe kakkedoeles.
Waat 'n sjtröts!
Eemes sjwaarzen.
'ne kroekesjtop.
sjebbetig.
kopkuikelen.
'ne gaam.
Hai is buis!
'ne köls.
kweggelen.
'ne naakse roepzak. |
sjweinickel!
'ne groep.
prel zeen.
ne kieskedie.
zaatvraiters.
Dao is poor aan!
klaatskörtje.
Eemes koetsen.
'nen alfatter.
meeken.
'ne moetsjkop.
sjlidderen.
'n vlostmoel.
móddeldiek.
Dai is oug zóó keurspel!
klitsreem.
föddelen.
'nen Ertentélder.
Ich bön keps.
oamere.
Det zuut 'r roepetig oet!
'ne sjnörige.
'nen drielenjer.
Verbergmenke doon.
'nen albesjtél.
troschelvaam.
ongemooid.
Dai duit de keef neet oap!
'ne gefiefde.
waat 'nen hoesjel!
moeffelen.
ougsbroaje.
'ne kevietesjpringer.
'ne laige petroon. |
D'r is hoar aan de bótter!
Sjtinken wie 'nen hoep.
Loupen wie 'n heks die 't gaat brandj.
t Sjteit hie zoo vol wie pötjesnert.
Zich örges aan begaaien.
„,Lietertied“, zingen de veugelkes!
Doe bös neet good bie grósje!
Doa höbs doe de zegel van in dienen hempsjlip!
In den hoak zeen.
Brökkelkes is oug brood!
Moos, is det oug vleis?
Doe luls op soep!
358
ROERMOND
DE GESCHIEDENIS ZIJNER VESTINGWERKEN,
MONUMENTEN EN VOORNAME GEBOUWEN,
door
IR. L. KEULLER
DE VESTINGWERKEN.
OER-MOND, 't welk het plompe volk verkorten-
derwijze verdraeyt in Remond is onder de vier Gel-
dersse hoofdsteden de tweede in waerdigheyd, ende
van omloop wel de allergrootste, leggende aen de Maes;
die alhier de Swalm als mede de Roer naer hem neemt; waarvan
de
stad sijn doopssel heeft ontfanghen." Aldus Slichtenhorst in
1654,
toen Roermond de hoofdstad was van het Geldersch
Overkwartier.
Midden-Limburg toont een licht golvend plateau, waarin de
Maas en
hare zijrivieren dalen hebben uitgeslepen. De dalwanden zijn
somwij-
len steil, soms afgevlakt en vormen - op de kaart - kronkels
met vele
naar de rivier gekeerde bochten. Uit het dal gezien, doen
die bochten
zich voor als min of meer steile hoogten. Zulke hoogten
waren voor
de eerste bewoners het meest geschikt ter vestiging. En waar
een klei-
nere rivier uitmondt in een grootere, heeft men - volgens
Dr. Blink,
die juist Roermond als voorbeeld aanhaalt -, een dier
centrale punten,
noodig voor samenleving en waar menschen elkaar kunnen
ontmoeten.
Op een dier hoogten naast de Roer is dan ook de oorsprong
van Roer-
mond te zoeken.
Waar de nevenrivier in de hoofdrivier uitmondt, bestaat,
door de ver-
plaatsing hunner beddingen, steeds kans, dat eilanden worden
ge-
vormd. Zoo is de reeds genoemde hoogte waarschijnlijk door
een vroe-
geren arm van de Roer van haar basis afgesneden en vormde
een
eiland tusschen Maas en Roer. De Roermondsche voorstad St.
Jacob
ligt op een tweede eiland, gevormd door de Maas en een tak
van de
Roer. In oude geschriften wordt Roermond ook vermeld als
Insula Dei,
Godsweerd, wat als grond voor deze meening kan gelden.
Het eerstgenoemde eiland is de kern van Roermond. Het werd
ook
genoemd Christoffelberg en later Op. Hier vestigden zich de
eerste
bewoners als landbouwers. Beschermd voor vijandelijke
overvallen,
vonden zij in de waarden van het rivierdal weideplaatsen
voor het vee
en op de hoogte van het plateau, meer oostwaarts, vruchtbare
bouw-
gronden. Een groote versterkte hoeve, door kleine woningen
omgeven,
in Christentijden een kleine kapel, aan St. Christoffel
toegewijd, zoo
was het begin van Roermond. Vandaar de naam Christoffelberg.
De
gunstige ligging van de plaats aan een groote rivier trok
handelaren
aan zich daar te vestigen en al spoedig bood de kleine
Christoffelberg
geen ruimte meer voor de wassende bevolking. De oostelijke
Roeroever,
360
Nederlandsch Hervormde kerk - lag in de nabijheid der
omwalling.
Het onderste gedeelte van den voormaligen toren dier kerk is
nog aan-
wezig en bestaat uit blokken kolenzandsteen, waarschijnlijk
uit den
muur van 1232.
In den loop der XIVde eeuw werd het verdedigingsstelsel der
stad
uitgebreid en vervolmaakt; in 1342 werd ook de Maas verlegd.
Deze
verlegging heeft niet bestaan in het graven van een nieuwe,
doch slechts
in het heropenen van een vroeger bestaande bedding, die
onmiddellijk
langs den voet van den Christoffelberg liep. Daartoe werd
bij Ool de
aanslibbing doorgegraven, die den ouden loop afsloot. Deze
verlegging
had een dubbel doel. Ten eerste voor den handel, die meer
gebaat was
met een rivier vlak langs de stad, dan op een half uur
afstand. Maar
vooral de verdediging der stad is ongetwijfeld het
voornaamste doel
Bij vergelijk van 8 October 1338 tusschen den magistraat der
stad en
geweest
Gowert van Vlodorp, voogd van Roermond, werd besloten tot
slech-
ting van den Christoffelberg, zooals het beschreven staat:
„onse huy-
sen ind woeningen, die wer by den stat buten in opspoirten
liggende
hebben, aff te breken ind mit den berge dair die huisinge
opstaende
syn te slichten, bis ter mueren gelijck an der straten".
Hier eene nuch-
tere vraag: waar heeft men het afkomend puin en den
afgegraven grond
gelaten? De nog bestaande muur van 1232 ligt met zijn
zichtbaren
onderkant in hoogte „gelijck an der straten“ en gaat met
zijne fundee-
ring nog dieper. Het is dus niet aan te nemen, dat de
Christoffelberg
zich in volle hoogte tot tegen den stadsmuur heeft
uitgestrekt. Nemen
wij nu aan dat vóór den stadsmuur de oude tak der Roer heeft
geloo-
pen met een bedding naar schatting ± 4 M. onder de
tegenwoordige
straathoogte, dan ligt het voor de hand, dat men den
afgegraven grond
gebruikt heeft om dien ouden tak gedeeltelijk te dempen „bis
ter mue-
ren gelijck an der straten". Om een oud-Hollandsche
waterstaatsuit-
drukking te gebruiken: „ter naester lage en minster schade“.
De Christoffelberg was een uitstekende, niet omwalde hoogte,
slechts
gedeeltelijk omgeven door de Roer, die geen verdediging
bood. West-
waarts daarvan, tot aan den vroegeren Maasloop, lag de
vlakke uiter-
waard, die alle gelegenheid gaf tot den aanval. Na de
verlegging
stroomde de Maas langs den voet van den Christoffelberg en
werd
dus een krachtige, natuurlijke verdediging. Tusschen den
stadsmuur
en de Maas lag nu echter de Christoffelberg als een hoogte
hinderlijk
voor de verdediging. Hij werd dus geslecht „bis der mueren“
d.i. tot
den stadswal, „gelyck an der straten“ en de vroegere
Roertak, voor de
verdediging van geen verder nut, werd gedempt. Naar onze
meening
hebben alle deze werken: verlegging der Maas, afgraven van
den Chris-
toffelberg en dempen van den Roertak, betrekking gehad op de
ver-
dediging der stad. En wel was er reden om in die onrustige
tijden
Roermond te versterken.
In het voor dien tijd grootsch opgezette
verdedigingsstelsel, in een tijd-
perk van grooten opbloei en rijkdom der stad, waarin de
burgerij mach-
tig werd en zich machtig voelde, paste in dat stelsel een
sterke verde-
362
DE ROERBRUG.
Hoewel de Roerbrug strikt genomen niet tot de vestingwerken
der stad
behoort, meenen wij toch haar hier te moeten vermelden,
omdat zij bij
elke belegering een rol heeft gespeeld. Dat, waar nu de
Roerbrug ligt,
reeds in oude tijden een vaste brug geweest moet zijn, is
zeer waar-
schijnlijk. Daarover liep immers de heirbaan naar Maastricht
en de we-
gen naar Ool, Bree en Diest. Bij een verhaal over den brand
van 1554
leest men „die ganse Brugstraite .... uijtgebrandt." Op de
kaart van
Jacob van Deventer van 1559 is de brug aangegeven.
De brug leidde naar de voorstad St. Jacob, waar zich ook de
St. Jacobs-
kapel bevond, die in 1588 door krijgsgeweld is verwoest en
later geheel
„demoliert”. Deze afbraak kon geschieden, omdat er toen een
vaste
brug was, waardoor de bewoners der voorstad steeds
gelegenheid
hadden de St. Christoffelkerk te bezoeken.
Op 1 Januari 1764 werd de bestaande brug „van blauwen
naemschen
steen" - zooals Slichtenhorst in 1654 vermeldt - door een
watervloed
vernield. Waarschijnlijk geruimen tijd vervangen door een
noodbrug,
is zij in 1771 door Karel van Lotharingen, namens Maria
Theresia, ver-
vangen door de thans bestaande brug. Eveneens van Naamschen
steen,
heeft zij vier bogen, waarvan de twee middelste de Roer
overspannen
en hooger zijn dan de twee andere. De pijlers zijn voorzien
van ijsbre-
kers. De middelste bogen zijn blijkbaar hooger aangelegd
voor de
scheepvaart op de Roer, in 1771 van meer beteekenis dan nu.
De op-
ritten der brug zijn dan ook vrij steil. Na de voltooiing
werd aan de
zuidzijde in het midden der brug in een steen een latijnsch
opschrift
gehouwen.
DE PAROCHIEKERK ST. CHRISTOFFEL,
THANS KATHEDRAAL.
De eerste vermelding van de St. Christoffelkerk is van 1224.
Zij lag bui-
ten de Opspoort op den Christoffelberg. Blijkens een charter
van 1391
nam toen de magistraat de verplichting op zich „eene
betemelicke
kapel" te bouwen „buijten in Opp”, waar eertijds de
moederkerk stond,
„die omme kenlicke grote nootsaecken afgebroken is”. De
magistraat
voldeed aan deze verplichting, want in 1412 is er sprake van
„de kapel
buiten in Opp". Deze kapel schijnt niet te hebben voldaan
aan de be-
hoeften der steeds grooter wordende bevolking. De stad
verlangde ook
een eigen parochiekerk, die kon getuigen van de macht, de
welvaart,
en den godsdienstzin der burgerij. Als gedachtenis der oude
moeder-
kerk in Op werd later aan de nieuwe kerk, nabij den
hoofdingang aan-
gebouwd eene kleine kapel, de nog bestaande St. Jacobskapel.
Ook om-
dat de benificiën aan de oude kapel en haar altaar
verbonden, niet ver-
loren mochten gaan.
Over den bouw is weinig bekend; alleen dat er in 1410 aan
begonnen is.
Andere bescheiden zijn in 1554 en 1665 verbrand. De kerk
moet spoe-
dig voltooid zijn geweest, want reeds in 1458 werd er aan
verbouwd.
364
Het O. Lievevrouwekoor is rechthoekig afgesloten, wat
vreemd aan-
doet, maar wel gemotiveerd werd door de enge straat achter
de kerk
doorloopend, en die door een veelhoekig koor grootendeels
versperd
zou geworden zijn.
Het inwendige der kerk maakt door zijn ruimte, grootsche
afmetingen
en het lijnenspel van zuilen en gewelven, een grootschen
indruk. Behalve
de pijlers der kruising zijn alle zuilen cilindervormig met
basement.
Zij hebben geen kapiteel. De gordelbogen van den hoofdbeuk
en enkele
diagonaalribben worden gesteund door ronde schalken, die óf
doorloo-
pen tot den vloer op een eenvoudig basement, óf op zekere
hoogte
eindigen, gesteund door een zeer eenvoudigen kraagsteen.
Enkele
schalken bezitten een niet geornamenteerd kapiteeltje uit
eenige pro-
fielen samengesteld. De profielen der bogen loopen dood
tegen de zui-
len. Gebeeldhouwde ornamenten zijn niet aangebracht, met
uitzonde-
ring van eenige sluitsteenen van het gewelf. De vensters in
het oostelijk
gedeelte zijn hoog en voorzien van vermoedelijk nieuwe
traceeringen.
Het O.L.Vr .- koor bezit in zijn oostelijken muur een zeer
breed venster.
Het glasschilderwerk is grootendeels modern.
De buitenzijde der kerk is zeer sober. De eenvoudige
steunbeeren heb-
ben eenige geledingen. Ook de daklijsten zijn al even
eenvoudig. Lucht-
bogen ontbreken en zijn er ook nooit geweest, evenmin als
steunbeeren
langs de muren van den middenbeuk boven de zijpanden. Het
even-
wichtsprobleem der gewelven van den hoofdbeuk, waarvan de
muren
nog te lood staan, is door den bouwmeester meesterlijk
opgelost. De
hoofdingang der kerk was en is nog in den zuidelijken
transeptarm.
Hier is ook versiering aangebracht door beeldhouwwerk, dat
eerst kort
geleden is hersteld en gedeeltelijk vernieuwd. Eenige
beelden ontbre-
ken nog. Andere ingangen zijn in het Noordertransept en aan
de West-
zijde naast den toren. De groote deur onder den toren wordt
als toe-
gang niet gebruikt.
Het bouwmateriaal is hoofdzakelijk gewone baksteen van
ongeveer
28 c.M. lang. De basementen aan de buitenzijden en de
afdekking der
steunbeeren zijn van natuursteen
De toren heeft vier geledingen. De drie onderste zijn gelijk
met de
kerk gebouwd; de bovenste is, blijkens een daar geplaatst
jaartal waar-
schijnlijk van 1604. In 1663 werd het kapwerk vernieuwd en
het beeld
van St. Christoffel geplaatst. Reeds in 1578 droeg de toren
een uurwerk.
In 1814 werd de wijzerplaat vernieuwd.
Herhaalde malen is de kerk door brand geteisterd en
meermalen werd
de toren door den bliksem getroffen. In 1614 werd de kerk
door een
storm geteisterd en groote schade gedaan aan het
gewandmakerskoor.
De branden van 1554 en 1665, het inslaan van den bliksem in
1790 en
de brand van 1819 hadden de kerk vrijwel gespaard. De
torenbrand
van 1892 heeft echter de torenspits, de klokken, het orgel
en het kerk-
dak vernield; de gewelven zijn niet bezweken. Op 6 November
1921
is de spits bij een hevigen storm op het dak van de kruising
neergeploft,
vernielde het gewelf der kruising en richtte groote schade
aan. Sedert
366
serklooster te Roermond, de bisschop van Luik de kerk
van Roermond.
4. Een tweede wijding der kerk geschiedde in 1224 door
bisschop
Engelbert van Keulen.
5. Richarda wordt abdis genoemd in twee diploma's, één van
1220 en
één van 1222 en zij zelve noemt zich abdis in een oorkonde
van 1223.
Zij overleed 17 December 1231, nadat zij gedurende zes jaren
aan het
hoofd van het klooster had gestaan, zooals gebeiteld staat
op haar
6. Na 1224 is waarschijnlijk nog aan de kerk gebouwd, want
in 1244
grafzerk.
verleende bisschop Konrad van Keulen een aflaat aan hen, die
bijdroe-
gen tot het voltooien van de abdij.
Eenerzijds is men de meening toegedaan dat het Munster in
zijn ge-
heel kort voor 1224 gebouwd is. Anderzijds echter acht men
de aan-
gehaalde historische gegevens gedeeltelijk met elkander in
tegenspraak.
Immers twee stichtingen in 1218 en 1224, en ook twee
wijdingen in
1220 en 1224 geven grond voor zulke tegenspraak. Deze
verdwijnt ech-
ter o.i. bij eene grondige bestudeering van het steenen
archiefstuk
n.l. de kerk zelve. Het is eenvoudig onmogelijk, dat het
Munster in een
tijdsverloop van 31/2 jaar - 1220 tot 16 Juni 1224 -
voltooid is kunnen
worden. Men denke slechts aan het aanvoeren en het bewerken
der
materialen: mergel en hardsteen in de 13de eeuw, waar alle
vervoer per
as of te water moest geschieden. Men heeft de kerk bij
gedeelten ge-
bouwd, of juister gezegd: eene bestaande kerk bij gedeelten
vernieuwd.
Want het is onze overtuiging, dat er in 1213 reeds een kerk
bestond
ter plaatse waar thans het Munster is gelegen.
In 1213 was Roermond door Keizer Otto IV verwoest en
geplunderd.
Dat de bestaande kerk toen tot op de fundeering werd
vernietigd is niet
aan te nemen. Dak en gewelven stortten wellicht door brand
in, doch
de muren bleven grootendeels bestaan. Deze ruïne werd in
1218 door
Richarda onder haar beheer genomen en een gedeelte ervan
n.l. het
schip voorloopig tot noodkerk ingericht en in 1220 gewijd.
Na de defi-
nitieve, canonieke stichting der abdij in 1219 werd begonnen
met her-
stel en vernieuwing der kerk. In eene eerste periode werden
het koor en
het transept hersteld en vernieuwd, zoodat dit gedeelte in
1224 kon ge-
wijd worden. In eene tweede periode werd het schip gebouwd;
in eene
derde periode de westbouw. Na 1224 is nog meer aan de kerk
gebouwd,
zie hierboven (6). Van de bouwgeschiedenis der kerk
gedurende de ver-
dere middeleeuwen is weinig of niets bekend. In de 18de eeuw
werd
zij voorzien van een achtkanten koepel op het midden van den
west-
bouw (zie afb. Munsterkerk bij het artikel van Mr. R. de
Nerée tot
Babberich). In de jaren 1864-1891 werd de geheele kerk
gerestau-
reerd door Dr. P. J. H. Cuypers, waarbij genoemde koepel
werd afge-
broken en de twee torens aan den westbouw werden
opgetrokken.
Het gebouw is van mergel en in kleine hoeveelheden van
Naamschen
steen en Drachenfelder trachyt opgebouwd; de zuilschachten
zijn van
zwart Belgisch marmer.
De beschikbare ruimte veroorlooft ons niet af te dalen in
vele détails;
wij moeten ons bepalen tot hoofdpunten. Daarom meenen wij
hier voor-
368
correspondeeren de 8 kleinere vierkante gewelfvakken
der zijbeu-
ken. De galerijen boven de zijbeuken hebben gelijke
indeeling als de
zijbeuken. De wanden van den hoofdbeuk vertoonen in de
hoogte drie
geledingen; overeenkomend: de eerste met de boogstellingen
der zij-
beuken, de tweede met die der galerijen, terwijl de derde
die der ven-
sters van den hoofdbeuk vormt. Ook langs deze vensters gaat
een loop-
gang door, rustend aan de voorzijde op slanke zuiltjes. De
boogstelling
der zijbeuken heeft 8 halfronde openingen boven welke op de
galerijen
correspondeeren: een gelijk aantal dubbele door een zuiltje
gescheiden
en door één grooteren boog omspannen halfronde openingen.
Uitwen-
dig zijn de zijbeuksmuren met hunne kleine halfronde
vensters zeer
eenvoudig; zij zijn nog vrijwel onveranderde overblijfselen
der eerste
kerk.
De gewelven der zijbeuken en der galerijen hebben nog den
romaan-
schen halfronden vorm; enkele zijn eenigszins, hoewel bijna
onmerk-
baar, spitsboogvormig. Zij zijn nog afkomstig van de oude
kerk. De
gewelfbogen van hoofdbeuk, transept en absiden zijn alle
spitsbogen.
De gewelven van den hoofdbeuk rusten op kruisribben, in hun
kruis-
punt overgaande in een vreemdsoortigen stalactietvormigen
sluit-
steen. Bij de ondergeschikte bogen als muurbogen en
dergelijke vonden
zoowel halfronde als zeer gedrukte spitsbogen aanwending.
Westbouw. Een geheel ander karakter dan het overige der kerk
ver-
toont de westbouw. Met uitzondering van het onderste
gedeelte, dat
nog van de oude kerk moet afkomstig zijn, komt hier overal
en uitslui-
tend de spitsboog voor. De geheele bouw draagt dan ook een
vroeg-
gothisch karakter. Hij bestond bij de oude kerk, zooals bij
zoovele
klooster- en stiftskerken, uit twee verdiepingen. De
benedenste, liggen-
de gelijk met de kerk, was dikwijls een westelijk koor en
bevatte een
altaar; de bovenste was eene tribune, bestemd voor de
kloosterzusters
of de stiftsdames, zooals b.v. ook te Thorn en te Susteren.
Ze was het
„jouffrenkoor”. Men zie afb. Plan Munsterkerk, het plan der
oude kerk.
De westbouw in de oude kerk was zeer ruim (zie afb. Plan
Munsterkerk)
en bestond uit 6 gewelfvakken, van welke het vierkante,
middelste aan-
sloot aan den hoofdbeuk. Ten N. en Z. waren tegen de zijden
van het
vierkant rechthoekige vakken, aansluitend aan de zijbeuken,
en in de
N.W. en Z.W. hoeken twee het geheel sluitende kleine
vierkante vakken,
waartusschen een rechthoekig vak. De gewelven boven de
benedenver-
dieping - het westelijk koor - waren riblooze romaansche
gewelven
rustend op tamelijk vlakke segmentbogen. De tribune stond in
directe
verbinding met de galerijen boven de zijbeuken. Toegang van
uit de
kerk tot de tribune werd verkregen door twee wenteltrapjes
in den
N.O. en Z.O. hoek, ongeveer ter plaatse waar ze thans nog
zijn doch
met gewijzigden toegang. Deze trapjes voerden. van uit de
tribune
ook hooger op.
Eenigszins later, doch in elk geval in de eerste helft der
13de eeuw, moet
men de behoefte hebben gevoeld om den hoofdbeuk der kerk uit
te
breiden, hetgeen werd bereikt door het groote vierkante
gewelf weg
te breken. Resten van dit gewelf bestaan nog. Daardoor werd
de opper-
370
Ook Richarda is in het Munster begraven, in den
zuidelijken transept-
arm. De steen, die thans haar graf dekt is van veel later
tijd, waar-
schijnlijk uit de 17de eeuw. De kerk bevat nog een aantal
grafsteenen,
doch deze zijn van minder waarde.
Het Munster bevat o.a. nog de volgende kunstvoorwerpen:
1. Gesneden altaarretabel ( 1500) met beschilderde
binnenzijde der
vleugels.
2. Ebbenhouten sacramentskastje met zilverbeslag (17de
eeuw).
3. Roodmarmeren doopvont (18de eeuw), voet nieuw
4. Beelden: groep voorstellend de kruisafneming (14de eeuw);
vijf
bijeenhoorende beelden (15de eeuw); Maria, Joannes en drie
vrouwen;
H. Bernardus (16de eeuw); H. Jozef (17de eeuw); O. L. Vr.
van Vogel-
sangh (15de eeuw); groot Kruisbeeld (14de eeuw), afkomstig
van het Be-
gijnhof; houten Marianum (westhelft 13de eeuw, oosthelft
15de eeuw).
5. Paramenten, goud- en zilverwerk, koperwerk e.d.
Het groote beeld van St. Christoffel, geheel onder in de
kerk geplaatst,
is het beeld, hetwelk door den beeldhouwer Thissen
vervaardigd is
als model geheel overeenkomstig het bij den brand van den
kathedraal-
toren in 1892 vernielde beeld van St. Christoffel.
Munsterabdij. De abdij, welke Richarda stichtte, lag ten
Zuiden van
de kerk en sloot met haar oostelijken vleugel tegen het Z.O
.- torentje
en met haren westelijken vleugel tegen den westbouw der
kerk. Hare
fundeeringen zijn indertijd geheel ontgraven, doch thans
weer onder
den grond verborgen. Bij het afbreken der kazernegebouwen,
de ge-
bouwen der abdij zooals alle Roermondenaars ze nog hebben
gekend,
zijn enkele resten van de eerste abdij ingemetseld tusschen
de muren
teruggevonden; meer in het bijzonder overblijfselen van den
refter,
met sporen van wandschildering, alle geheel in den stijl van
de eerste
helft der 13de eeuw. De ingangspoort met gevel en een nis en
het wapen
eener abdis (1670) vroeger gelegen in de Hamstraat is thans
verdwenen;
het wapen is ingemetseld in den gevel der rectorswoning. Nog
zijn te
noemen: het jaartal 1618 op zes balken en een gevelsteen van
1718.
DE NEDERLANDSCH HERVORMDE KERK.
De Nederlandsch Hervormde Kerk, voormalige kloosterkerk der
Min-
derbroeders, is oorspronkelijk in 1307 gesticht door graaf
Reinald I.
Volgens Slichtenhorst moet er echter reeds vroeger een
Minderbroe-
dersklooster zijn geweest. Bij de inneming van Roermond door
Prins
Willem van Oranje in 1572 werd de kerk verwoest, doch in
1576 weder
hersteld. In 1794 werd zij door de Oostenrijkers tot kazerne
ingericht.
De Franschen maakten er een hospitaal van en riepen de
verdreven
Minderbroeders terug om de zieken te verplegen, maar in 1797
werden
de kloosterlingen voorgoed uit kerk en klooster verdreven.
De kerk
raakte in verval tot 1821. toen ze tot gereformeerde kerk
werd ingericht.
Alleen het koor werd in gebruik genomen en in orde gebracht;
het
overige gedeelte bleef bergplaats. In 1906 werd de geheele
kerk door
Dr. Cuypers gerestaureerd en vanaf dien tijd in haar geheel
voor den
dienst gebruikt.
372
De kerk bezit een driehoekigen lezenaaradelaar op
driekanten voet,
werk uit de XVIde eeuw, bekend als „de specht"
Aansluitend aan de noordzijde der kerk bevindt zich een
eenvoudige
gothische kapel, thans door de goede zorgen van den H.E.
Heer Cloots,
Provisor, gerestaureerd. Tegen den westelijken muur van deze
kapel
vond men een muurschildering voorstellend: Het Laatste
Oordeel.
Zij is, - 't was noodig -, met het muurwerk waarop zij was
geschil-
derd uitgebroken en naar een veilige plaats overgebracht.
Vóór de kerk ligt de vroegere kapittelzaal uit 1556. Het is
een vierkante,
vrij hooge ruimte, overdekt door een stergewelf met
renaissancekopjes
als kraagsteenen.
Naast de kapittelzaal is de refter, blijkens een jaartal in
de zoldering,
uit 1748. De zoldering in stuc had veel geleden door witten,
maar
is thans door de zorgen van den H.E. Heer Cloots
gerestaureerd en
De ingangspoort op de binnenplaats heeft een ellipsboog,
waarboven
geschilderd.
een horizontale kroonlijst en op deze met gezwenkten en
geornamen-
teerden voet rustend een kleine sierlijke nis. Het geheel is
in hard-
steen en dateert blijkens een opschrift uit 1773.
De uitgestrekte kloostergang, die den grooten tuin omsluit,
is gebouwd
in 1743. De daaromheen naar buiten gelegen woningen der
Karthuizers
zijn verdwenen. De geheele gang is met vierkante
renaissancekruis-
gewelven overwelfd op vlakke ellipsgordelbogen, die met
eenvoudige
lijstkapiteelen rusten op pilasters.
In den buitentuin stond tot voor enkele jaren een
renaissance gebouw-
tje van goede proporties met dubbel gezwenkten topgevel. Het
was
vroeger kapel, daarna bergplaats. Voor eenige jaren is het
hoofdgebouw
vernieuwd; daarbij bleven de oudere gedeelten intact.
HET VROEGERE BISSCHOPPELIJK PALEIS,
THANS GERECHTSHOF.
Het gebouw dateert van 18 Augustus 1683. De vroegere
bisschoppelijke
woning ging bij den brand van 1665 met een groot gedeelte
van de stad
in vlammen op. Na den Franschen tijd heeft het gebouw
verschillende
bestemmingen gehad. Omtrent het eigendomsrecht blijkt
verschil van
meening te hebben bestaan tusschen Rijk en Gemeente. In 1871
werd
het gebouw tengevolge van een proces, dat aan de Gemeente
den eigen-
dom toekende, door de Regeering aangekocht die het bestemde
voor
de ariondissementsrechtbank en het kantongerecht, en het
daartoe in-
wendig geheel liet verbouwen.
Het eenvoudige gebouw bestaat uit een middengedeelte en twee
zij-
vleugels, die aan drie zijden een open plaats insluiten,
terwijl de vierde
zijde, langs de straat, van deze wordt afgesloten door een
ijzeren hek-
werk op hardsteenen onderbouw, in 't midden met
tweevleugelig in-
gangshek, begrensd door twee hardsteenen pijlers. De dubbele
ingangs-
deur in het midden is omsloten door hardsteen en
geornamenteerd.
374
oorspronkelijk een tongewelf hadden, rustend op muren
evenwijdig
aan den tegenwoordigen voorgevel, iets tot deze
veronderstelling heb-
ben bijgedragen. Maar in het achterste gedeelte vindt men
ook kelder-
muren loodrecht op deze richting. In een dezer muren bevindt
zich
een nis van mergel, vermoedelijk uit het begin der 16e eeuw
en die
wel tot de alleroudste overblijfselen zal hebben behoord van
het oude,
nog niet verbouwde stadhuis. Over de ligging daarvan heeft
men ech-
ter geen zekerheid. Het oude stadhuis brandde in 1554 geheel
uit.
Wanneer met den herbouw is begonnen, is ook niet bekend. De
Donder-
dagsche Protocollen beginnen eerst omstreeks 1596 en
vermelden er
niets van. Wel staat in het Verdrachsboek 18 Juni 1592, dat
om de vele
schrifturen van de stad te bergen achter het (toen
bestaande) Raadhuis
een schrijfkamer zou getimmerd worden. Ruim veertien jaren
later, op
9 Augustus 1606, werd besloten dat men „boven op 't
heerenhuys door-
gaens (d.w.z. over de gansche lengte) eenen solder sal
leggen" enz.
Op een der balken in het kantoor van den Burgerlijken Stand
vond
men eenige jaren geleden tusschen de wapens van Roermond en
Gelre,
omgeven van stukadoorwerk, het jaartal „Anno 1624".
Waarschijnlijk
vormde dit kantoor met het naastgelegen „duitenhuiske" of
ontvangers-
kantoor en de daarboven gelegen vertrekken en zolderingen,
en mèt de
reeds genoemde keldermuren nog overblijfselen van den
allereersten
bouw.
Op Drievuldigheidszondag 1665 werd bijna de geheele stad
Roermond
door brand in asch gelegd, maar het raadhuis bleef gespaard.
Om-
dat aan de vernieuwing en uitbreiding van het raadhuis
voornamelijk
op het einde der 17de eeuw is gewerkt, is bij sommige
schrijvers het mis-
verstand ontstaan, dat op dien onheilsdag van 1665 wederom
het stad-
huis is afgebrand. Dat is niet gebeurd, maar wel verkeerde
het gebouw
toen in desolaten toestand. En mèt den opbouw van de stad
was de
magistraat er dan ook op bedacht om het stadhuis te
herstellen en uit
te breiden.
In 1695 besloot de stadsregeering volgens de Donderdagsche
protocol-
len tot den bouw der „Riddercamere“, en van „de Gedeputeerde
Ca-
mere voor de Steden", nu als Raadszaal in gebruik.
Over den bouw van den voorgevel in 1698 geven de
Donderdagsche
Protocollen meerdere mededeelingen. Op 9 Juni 1712 zou men
overgaan
tot het vernieuwen van het dak, maar het schijnt dat toen de
geld-
middelen ontbraken. Want op 22 Maart 1714 wordt voor de
tweede
maal het besluit genomen het dak te vernieuwen, zelfs met
„eenen
geproportionneerden thoren" Doch het duurde nog tot 1719 eer
men
ertoe overging en wel volgens het model gemaakt door Pleun
van Boles.
Uit die verbouwing van ± 1700 dateert de geheele voorvleugel
boven-
grondsch, die ook in 1840 en 1905 nog is verbouwd en welke,
behalve
de onderkelderde hoofdverdieping, nog een eerste verdieping
en een
kapverdieping met schilddak toont.
De baksteenen voorgevel, in 1880 gecement, rust op een
hardsteenen
plint en is door geblokte pilasters in elf venstervakken
verdeeld. Het
iets vooruitspringende middenvak omvat den ingang aan een
twee-
376
munting van het geld was belast. Uit het inschrift in
het deksel: „Ex
liberali donatione Jacobi Nederhoven monetarii Ruremundensis
1609"
blijkt, dat de beker in 1609 door Johan van Nederhoven aan
de stad
is geschonken.
HET VOORMALIGE PENITENTENKLOOSTER.
Van het oude gebouw resten nog slechts enkele kelders. De
bij dit ge-
bouw behoorende kerk, de H. Geestkerk, werd in 1561 door
Paus Pau-
lus IV tot kathedraal verheven. Bij den brand in 1665 werd
zij grooten-
deels vernield, maar daarna weder hersteld. In 1821 werd zij
afgebro-
ken; de gedeeltelijk afgebroken kerk is afgebeeld op een
schilderij, be-
rustend op het Raadhuis.
MERKWAARDIGE GEBOUWEN EN HUIZEN.
De toegestane ruimte laat niet toe van de volgende gebouwen
en hui-
zen meer op te nemen dan de namen, een korte omschrijving,
de ligging,
het stichtingsjaar en van sommige kloosters het jaar van
opheffing.
Van het klooster Mariagaarde rest nog slechts een poortje,
waarvan
de sluitsteen het gekroonde jaartal 1693 draagt. Tot voor
korten tijd
stond het poortje in de Mariagardestraat; thans is het
afgebroken en
zal herbouwd een plaats vinden in het Museum. Het klooster
is gesticht
in 1463.
Van het Beggaardenklooster St. Theobald, hoek
Bakkerstraat-Zwart-
broekstraat, dat in 1783 werd opgeheven, rest nog een
gedeelte van de
baksteenen kapel uit de 15de eeuw, overspannen door
kruisribgewelven
met gebeeldhouwde sluitsteenen. De vensters zijn deels
dichtgemetseld.
Het vroegere Carmelitessenklooster, thans St.
Josephsgesticht der
Broeders Franciscanen, op den hoek van Lindanusstraat en
Carmeli-
tessenstraat bevat van het vroegere gebouw nog slechts
enkele gevel-
gedeelten. Het klooster werd in 1698 gesticht en ook in 1798
opgeheven.
Ook van het vroegere Clarissenklooster in de Neerstraat,
vroegere
brouwerij Volkhemer, gesticht in 1620 en opgeheven in 1789,
zijn nog
slechts enkele onaanzienlijke baksteenen muurresten
overgebleven. Het-
slechts enkele onaanzienlijke baksteenen muurresten
overgebleven.
Hetzelfde moet ook worden vermeld van het vroegere klooster
Gods-
weerd der Franciscanessen, 1344-1784, thans pensionaat en
school
der Ursulinen.
Het vroegere Jezuietenklooster, opgeheven in 1773, is thans
het gebouw
der Rijks Hoogere Burgerschool. Het klooster is gesticht na
den brand
van 1665. Daarvan bestaan nog twee loodrecht aaneensluitende
bak-
steenen vleugels, twee verdiepingen hoog onder omgaande
schilddaken.
Verder nog enkele met hardsteen omlijste vensters en
poorten. Het
bekende straatpoortje moest in 1931 wegens verbouwing
verdwijnen;
een foto ervan is onder de afbeeldingen in dit boek
opgenomen.
Het vroegere Ursulinenklooster aan de Steegstraat werd in
1646 betrok-
ken, in 1685 vergroot en in 1798 opgeheven. Het is
gedeeltelijk ver-
bouwd tot heerenhuis en tot R. K. Landbouwschool. Van de
kerk bij dit
378
een zeer beschadigden met natuursteen gedetailleerden
16de eeuwschen
gevel in de Neerstraat 14. Volledigheidshalve sommen wij nog
op de
volgende gevels: St. Nicolaasstraat 2, 1660; Pollartstraat
17, 1699:
Schoenmakerstraat, topgevel ± 1700; Steegstraat 9, uit de
17de en 18de
eeuw; Veldstraat 19, 1663; Jezuietenstraat 7, 18de eeuwsche
gevel;
Steegstraat 30, het voormalige huis Bocholtz en op de
Swalmerstraat
38 nog een 18de eeuwsche gevel.
O. L. VROUW IN 'T ZAND.
Deze bekende kapel, gesticht vóór 1435 is sedert meermalen
verbouwd
en vergroot. De bestaande kapel dateert van 1895. Van het
oude ge-
bouw zijn nog bewaard vier groote mergelsteenen cijfers
(1613) en een
aantal geprofileerde gewelfribstukken met resten van
polychromie.
Het beroemde mirakuleuze beeld is een klein, sierlijk, niet
gepolychro-
meerd eikenhouten beeldje uit de 15de eeuw.
380
enkele huisjes, waarna het plein kon worden aangelegd.
Deze huisjes,
alsmede de reeds genoemde gemeenteeigendommen, de
Brouwerijstal,
de Meelwaag en het oud Arresthuis werden daartoe in 1865
afgebroken.
In 1866 volgde daarop een ruilingsovereenkomst met het
bestuur der
Munsterkerk, waarbij aan de Gemeente werden afgestaan de
ommuurde
tuin en het voorplein van de Munsterkerk, terwijl aan de
kerk werden
afgestaan de grond voor een nieuwe pastorie en een strook
grond om
de geheele kerk ter breedte van 4 M. Reeds toen werd gedacht
aan
uitdieping van het plein, want in deze overeenkomst werd
tevens vast-
gelegd, dat, ingeval de Gemeente mocht overgaan tot
uitdieping van
het Munsterplein, zij hetzelfde zal mogen doen met de 4 M.
breede
strook grond aan de kerk toebehoorende, zonder dat zulks ten
nadeele
van het gebouw zal strekken. Na deze overeenkomst is het
Munster-
plein in zijn tegenwoordigen vorm aangelegd. De muur om den
kerk-
tuin werd daartoe afgebroken.
Het in 1861 begonnen werk werd voortgezet in 1923, toen de
Gemeente
weder in het vrije bezit kwam van de aan de Munsterkerk
grenzende
terreinen, voordien bij het garnizoen in gebruik. Wegens
opheffing
van het garnizoen was de Landsregeering verplicht de aan de
Gemeente
toebehoorende kazerneterreinen en -gebouwen weder ter
beschikking
van de Gemeente te stellen. Voor het meerendeel dezer
terreinen en
gebouwen geschiedde dit in 1923, zoodat in dat jaar de
Gemeente in
de gelegenheid kwam de Munsterkerk vrij te leggen. De
plannen, waar-
naar dit werk is uitgevoerd, zijn van de hand van Ir. Jos.
Th. J. Cuijpers,
den zoon van den bouwmeester onder wiens leiding de
Munsterkerk
werd gerestaureerd. De uitvoering van deze plannen vorderde
de sloo-
ping van het meerendeel der oude kazernegebouwen, waartoe
dan ook
werd overgegaan. Bij het afbreken van een dezer gebouwen,
genaamd
het oudklooster, werden belangrijke fragmenten van
historische bouw-
kunst gevonden, door den Directeur van het Rijksbureau voor
de Mo-
numentenzorg aangezien voor overblijfselen van de eetzaal
der oude
Cistercienserabdij, door plaatselijke historici gehouden
voor restanten
van een zaal uit een grafelijk Geldersch paleis.
Na verlegging in Oostelijke richting van de Graaf
Gerardstraat werd
een gedeelte van het oude kazerneterrein, waarop een oud
stalgebouw,
de cantine en de manége, overgedaan aan het Bisschoppelijk
College.
Op het resteerend terrein werd de Abdijhof aangelegd, werden
wonin-
gen en winkelhuizen gebouwd, terwijl een ander deel werd
overgedra-
gen aan het Bestuur der Munsterkerk voor den bouw van een
rectoraat,
een kapelanie en den aanleg van een nieuwen kerktuin. Hier
werd
bovendien gelegenheid gevonden tot huldiging van den grooten
bouw-
meester, Dr. P. Cuypers, door de plaatsing van zijn
standbeeld in de
schaduw van zijn meesterwerk. Dit standbeeld, ontworpen door
den
beeldhouwer A. Falise, werd op 10 Juni 1930 onthuld door
Zijne
Koninklijke Hoogheid, den Prins der Nederlanden.
Op de oude vestinggronden, waarover de Gemeente in 1819
weder
de beschikking had gekregen, werden aanvankelijk
„wandelingen“ aan-
382
rapporten en heftige discussies aanleiding gaf. In de
raadsvergadering
van 17 Maart 1884, waarin ten slotte de voorstellen van
Burgemeester
en Wethouders werden aangenomen, deelde de Burgemeester, Mr.
H.
Brouwers, mede, dat hij ontslag als Burgemeester zou vragen,
omdat
hij zich niet meer bestand gevoelde tegen bestrijding, welke
niet op
eerlijke en loyale wijze geschiedde.
In datzelfde jaar nog vond de eerste verkoop plaats van
bouwterreinen
aan den Godsweerdersingel. In 1898 werden langs dezen singel
de laat-
ste bouwplaatsen verkocht.
Daarop volgde de aanleg van den Minderbroederssingel; de
bouw-
gronden, welke de Gemeente langs dezen singel te verkoopen
had, wer-
den in 1906 verkocht aan de aangrenzende eigenaars. Van de
aan de
koopers opgelegde verplichting tot bebouwing van deze
gronden werd
later ontheffing verleend, waarvan het gevolg is, dat enkele
perceelen
thans nog niet zijn bebouwd.
De laatste uitbreiding, welke aan den gordel van singels om
de stad
is gegeven door den aanleg van den Wilhelminasingel, ligt
iederen
Roermondenaar nog versch in het geheugen. De belangen van de
scheepvaart op de gekanaliseerde Maas vorderden, dat de
Maasbrug
zou worden omhooggebracht, waardoor de hellingen voor de
stoom-
tram te steil werden. Hieraan was alleen tegemoet te komen
door de
trambaan van Minderbroederssingel, Roersingel, Roerkade en
Buitenop
te verleggen naar haar tegenwoordig tracé, waar destijds de
Padden-
poel en de Prinsendijk (aangelegd in 1885) werden
aangetroffen. Een
belangrijke ophooging, plaatselijk zelfs tot 6 M. hoogte,
was hiertoe
noodig, waaraan door den Rijkswaterstaat rond 100.000 M3.
grond-
specie werden verwerkt, verkregen door baggeren uit de Maas.
Op
deze ophooging vond de Gemeente gelegenheid in 1927 langs
den rij-
weg een plantsoen aan te leggen volgens het ontwerp van den
tuin-
architect D. F. Tersteeg, welk plan door de eigenaars van de
aangren-
zende panden welwillend ter beschikking van de Gemeente was
ge-
steld. Zoo werd een nieuw plantsoen aangelegd in de
onmiddellijke
nabijheid van de plaats, waar ruim honderd jaar te voren, en
wel in
1813, een ander plantsoen was aangelegd, de Doolhof,
waarnaar nog
een gedeelte van de Stadsweide wordt genoemd, welk plantsoen
echter
in 1830 werd vernield. Als herinnering aan den Doolhof staat
echter
aan de grens van de nieuwe ophooging nog de oude
Koningsboom,
een plataan geplant als aandenken aan de troonsbestijging
van Koning
Willem I.
De aanleg van den Minderbroederssingel bracht mede den
aanleg van
een nieuwe verbinding tusschen de Minderbroedersstraat en
den Min-
derbroederssingel, welke werd geprojecteerd naast de
gerestaureerde
Protestantsche Kerk. Nadat in 1906 de Raad had besloten
hiertoe twee
huizen aan te koopen, volgde in 1909 de aanleg van deze
verbindings-
straat, welke Peregrinus Vogelsstraat werd genoemd.
Een andere ingrijpende verandering in de indeeling van het
stadscen-
trum was het verdwijnen van het Begijnhof. Nadat in 1906 de
benoo-
384
was in aanleg, en het werd als een groot Roermondsch
belang aange-
voeld, dat de bewoners van de plaatsen aan den linker
Maasoever een
goede en zekere verbinding zouden hebben met het
spoorwegstation
Roermond. Bij beschikking van den Minister van
Binnenlandsche Zaken
van den 9den April 1863, No. 163, verkreeg de gemeente
Roermond
dan ook de concessie voor den bouw van een vaste brug over
de Maas.
De financiering van dit belangrijke werk leverde groote
bezwaren op,
en om de benoodigde f 350.000 .- bijeen te brengen zag de
Gemeente
zich dan ook genoodzaakt 58 bunder gemeente-weiden, gelegen
aan den
linker Maasoever, te verkoopen.
De brug, ontworpen door Ingenieur Nierstrasz, werd gebouwd
onder
toezicht van Ingenieur Schmich. De bovenbouw werd geleverd
door de
Société John Cockerill te Seraing.
Op 7 Augustus 1867 werd de brug voor het verkeer opengesteld
in
tegenwoordigheid van de Ministers van Binnenlandsche Zaken
en Jus-
titie, den Commissaris des Konings, de Burgemeesters van
omliggende
gemeenten, en verdere autoriteiten. Aan de bij die
gelegenheid door
den Burgemeester van Roermond, den heer Beerenbroek,
gehouden
redevoering zij ontleend, dat werd verwacht, dat de
opbrengst van
het bruggeld, althans in de eerste jaren na de voltooiing,
niet direct
toereikend zou zijn om den intrest van het kapitaal aan deze
onder-
neming besteed en de kosten van onderhoud te kunnen dekken,
waar-
aan de Burgemeester dan in een adem toevoegde, dat bij den
Raad
de overtuiging vaststond, dat deze brug na verloop van jaren
eene
bron van inkomsten voor de gemeentekas beloofde te worden,
die zeer
mild zoude vloeien.
Uit de besprekingen, aan den bouw van de brug voorafgaande
blijkt,
dat werd verwacht, dat de brug na 5, hoogstens 10 jaren
rendabel
zou zijn. Deze verwachtingen kunnen alleszins
gerechtvaardigd zijn
geweest, want toen was nauwelijks te voorzien, dat de
spoorwegen het
verkeer van de gewone wegen zouden afleiden. In
werkelijkheid bracht
de brug voor de Gemeente belangrijke finantieele verliezen,
want in-
stede van een toename van het verkeer, had een vermindering
daarvan
plaats, en de gekapitaliseerde tekorten op deze brug zouden
heden
ten dage het niet onbelangrijke kapitaal van rond twee
millioen gulden
bedragen.
Na den bouw van de brug is er nog sprake van geweest of zij
niet
behoorde te worden voorzien van portalen, en om het effect
daarvan
te kunnen beoordeelen, werden portalen in hout aangebracht,
zooals
nog wordt getoond op een gekleurde teekening, aanwezig op
het raad-
huis.
De groote oorzaak van de misrekening omtrent de finantieele
opoffe-
ring, welke de Maasbrug zou medebrengen, was de aanleg van
de spoor-
wegen. Aanvankelijk bestond in ons land de neiging de
spoorwegen
door particulieren te laten aanleggen, hetgeen talrijke
aanvragen om
concessie uitlokte. Zoo werd in 1857 door de heeren Robert
Magnée
en Louis Beerenbroek concessie aangevraagd voor den aanleg
van een
386
kapers op de kust, want hij verzocht tegelijk met het
indienen van
de concessieaanvrage den wethouder om, indien het noodig
was, een
kaart bij de aanvrage te willen voegen, en daarop met rooden
inkt de
lijn te willen teekenen, zooals de wethouder het beste
oordeelde!
Een zoo weinig serieuze aanvrage zou uit den aard der zaak
geen resul-
taat opleveren. In 1885 kwam een verzoek in van het
technisch bureau
L. Solten en Co. te Venlo om concessie voor een
spoorwegverbinding
van het station met de fabrieken langs de Roer. Er zouden
nog talrijke
concessieaanvragen volgen, eer inderdaad tot aanleg zou
worden over-
In 1897 kwam een verzoek om concessie in van E. O. de
Burlett voor
gegaan.
een tramlijn Blerick-Maaseyck met een zijtak Horn-Roermond,
terwijl
in datzelfde jaar J. A. A. Jonkergouw concessie vroeg voor
een tram-
lijn Venlo-Blerick-Horn-Ittervoort met zijtakken naar Meijel
en
Roermond. De Gemeente gaf de voorkeur aan het project
Jonkergouw,
zegde in 1900 een jaarlijksche bijdrage toe, doch van
uitvoering kwam
niets. Inmiddels was in 1898 nog een verzoek ingekomen van
A. J. C.
Vitringer voor een electrische tramlijn Roermond-Heinsberg,
in 1900
van Nieuwmeijer en consorten voor een stoomtramlijn
Roermond-
Haelen-Deurne-Helmond en in datzelfde jaar van B. J. Souman
voor verschillende tramlijnen. In 1901 verkreeg Nieuwmeijer,
die de
lijnen zonder subsidie wilde bouwen, de verlangde concessie,
doch na
herhaald uitstel kwam deze concessie in 1903 te vervallen
wegens het
achterwege blijven van een begin van uitvoering.
Nadat de Gemeente in 1905 had besloten om voor f 100.000 .-
deel te
nemen in het kapitaal voor een trambaan Roermond-Heinsberg
en
Roermond-Maeseyck, scheen het dat er eindelijk voortgang in
den
tramaanleg zou komen, toen in 1907 burgemeester Raupp als
voorzitter
van het tramwegcomité aan belanghebbende gemeenten concessie
vroeg voor een trambaan Roermond-Kessenich. In 1907 werden
de
statuten vastgesteld van de N. V. Eerste Limburgsche
Stoomtramweg
Maatschappij, welke in 1909 ook concessie kreeg voor een
trambaan
Roermond-Heinsberg. Maar ook deze concessie zou nog niet tot
tram-
aanleg leiden. Eerst nadat in 1911 de N. V. Centrale
Limburgsche
Spoorweg (Stoomtramweg) Maatschappij was tot stand gekomen,
nam
de aanleg der lijnen een aanvang. De gemeente Roermond nam
in het
aandeelenkapitaal dezer Maatschappij deel voor f 60.000 .- ,
welk
bedrag naar gelang de aanleg der lijnen vorderde is gestegen
tot
f 300.000 .-. Een nog in 1912 ingekomen aanvraag van de
firma La-
maison, Bouwer en Co. voor een trambaan Roermond-Deurne had
nu
geen kans meer. De tramaanleg werd nu bij de C.L.S.M.
gecentraliseerd.
Dertig jaar na de eerste aanvraag om concessie in 1882,
werden de eer-
ste werken van de trambaan, de doorlaatbruggen in den weg
Roer-
mond-Horn gebouwd. De werkzaamheden werden nu flink aange-
pakt, doch tengevolge van onvermijdelijke vertraging,
voortvloeiende
uit den oorlogtoestand sedert Augustus 1914, duurde het tot
1915 eer
de eerste trambaan der C.L.S.M., de lijn Roermond-Kessenich,
kon
worden geopend. Reeds het volgende jaar in 1916 volgde de
lijn Roer-
388
tijden om zooveel mogelijk brandstoffen op de
spoorwegen te besparen,
Roermond steun verleende voor het maken van een losplaats
aan de
Maas, om het daarna ook tot nutstation te kunnen verklaren.
Niet
zoodra was de brandstoffennood echter voorbij of de
scheepvaart ver-
viel weder. Deze stilstand in de scheepvaart bleef
voortduren totdat de
invloed van de werken der Maaskanalisatie op de vaardiepte
der Maas
merkbaar werd. De scheepvaart herleefde toen onmiddellijk,
om wel-
dra een te voren ongekenden bloei te bereiken. Het aantal en
de tonnen-
maat der schepen, welke van den gemeentelijken loswal
gebruik maak-
ten, stegen in de volgende mate.
jaar - aantal schepen - tonnenmaat
1924 - 309 - 39.947
1925 - 375 - 41.893
1926 - 405 - 45.183
1927 - 460 - 51.999
1928 - 876 - 85.982
1929 - 951 - 92.686
1930 - 1041 - 134.949
1931 - 1254 - 178.640
Duidelijk spreekt uit deze cijfers het geheel gereed komen
van den
vaarweg op Roermond in 1928. In dat jaar kwam ook de nieuwe
los- en
laadwal van de Gemeente gereed. Deze wal, welke is voorzien
van een
stalen damwand en bestraat met Zweedschgranietkeien, is ruim
200 M. lang. Daarbij sluiten aan de niet beschoeide wal ter
lengte van
100 M., en de steenen kaaimuren langs Looskade en Roerkade
ter lengte
van 200 M.
In 1931 is een smalspoorlijn van de L.T.M. doorgetrokken
naar den
loswal, zoodat thans gelegenheid bestaat om van smalspoor op
schip
om te slaan en omgekeerd.
De werken der maaskanalisatie hebben deze rivier geschikt
gemaakt
voor schepen tot 2000 ton, en schepen van deze grootte
kunnen ook aan
den Roermondschen loswal laden en lossen.
Als onderdeel van de werken der maaskanalisatie is door den
Rijks-
waterstaat op het grondgebied der gemeente Roermond een stuw
met
schutsluis gebouwd. Dit grootsche waterbouwkundige werk is
een be-
zichtiging ten volle waard
De gemeente Roermond liet zich ten aanzien van de wijze,
waarop
hare scheepvaartbelangen het beste zouden kunnen worden ge-
diend, voorlichten door het adviesbureau voor
Civiel-Ingenieurs-
werken te 's-Gravenhage, welk bureau in 1926 een plan
indiende voor
den aanleg van een havencomplex in de lage gronden bij de
Voorstad
boven de Maasbrug. Dit havenplan is door den Raad
goedgekeurd, doch
nog niet tot uitvoering gebracht.
Ten aanzien der verbindingsmiddelen is Roermond wel
buitengewoon
gunstig gelegen. De spoorwegen verbinden Roermond via
Eindhoven
met het centrum van Nederland, via Nijmegen met oostelijk en
noorde-
lijk Nederland, via Sittard met de mijnstreek in
Zuid-Limburg en Maas-
390
hakte keien in eenigszins beteekenende hoeveelheid
eerst gestraat in
1885 en wel op het Stationsplein. Denkt men zich in de
behoeften van
die dagen in, dan verwondert zulks eigenlijk niet. De aanleg
van begaan-
bare trottoirs werd door velen nog als een overbodige luxe
beschouwd.
Als dan ook in 1883 Cuypers, Stoltzenberg, e.a. trottoirs
vragen voor de
Pieter Cuypersstraat en Frans Douvenstraat, en zich bereid
verklaren
de helft van de kosten te dragen, spreekt in den raad een
raadslid als
volgt: „Daarbij komt, dat de noodzakelijkheid van zoodanige
trottoirs
„ook uit niets blijkt. Wanneer toch de verzoekende firma
ingevolge
„hare verplichtingen eene behoorlijke goot maakt, waarin het
water
„komende van het voetpad en van den weg wordt opgevangen,
dan
„zal dit voetpad met wat grint bedekt, zooals de voetpaden
langs den
,Kapellerweg en Boulevard, een even gemakkelijken als
zindelijken toe-
„gang verschaffen tot de nieuwe woonhuizen." Geen wonder,
dat waar
dergelijke opvattingen nog moesten uitsterven, het tot 1919
moest du-
ren, eer met kracht tot vervanging der veldkeien werd
overgegaan. In
1930 werden de laatste veldkeien uit rijwegen vervangen,
zoodat bij
gelegenheid van het 7e eeuwfeest Roermond een bestrating kan
too-
nen, die gezien en bereden mag worden.
De uitbreiding van de stad aan de oostzijde van de spoorbaan
in „het
Roermondsche Veld" maakte uitbreiding van het
rioleeringsplan van
Remont noodzakelijk. Voor deze nieuwe stadswijk werd een
riolee-
ringsplan opgezet, waarvan het stamriool in 1921 als
werkverschaffing
werd uitgevoerd.
Een verandering, welke niet zoozeer het uiterlijk aanzien
der stad be-
treft, doch die niettemin diep in het stadsleven ingreep,
was de naams-
verandering van vele straten, waartoe in de raadsvergadering
van 21
Juli 1884 werd besloten. In die vergadering werden
omgedoopt:
Swamakerstraat in Swalmerstraat;
Koe- of Beijerstraat in Wernerstraat;
Straat achter de Meelwaag in St. Christoffelstraat;
Ezelstraat in Molenstraat;
Achter Kloosterwand in Kloosterwandstraat;
Straat achter Bisschopsstal in Dionisiusstraat;
Kanjelstraat in Leliestraat;
Hegstraat (gedeeltelijk) in Pollardstraat;
Achter den muur in Roersingel.
Ook bij andere gelegenheden vonden nog naamsverwisselingen
plaats,
zooals:
Achter de Luif in Luifelstraat;
Onder aan de Markt in Marktstraat;
Aan de Minderbroeders in Minderbroedersstraat;
Oliestraat in Paredisstraat;
Hegstraat (gedeeltelijk) in Lindanusstraat;
Achter Mariagarde in Mariagardestraat; en
Graaf Ottostraat in Pieter Cuypersstraat.
Meer zichtbare wijzigingen kwamen tot stand aan de overzijde
van de
spoorbaan, toen de gronden, noodig voor de uitbreiding der
stad, aan
392
was toegenomen, vond de eerste verbouwing en
uitbreiding plaats. In
1896, toen de productie tot 440.000 M3. was gestegen werd
opnieuw uit-
gebreid. In de jaren 1910 tot 1914, toen de gasproductie was
toegenomen
tot 1.7000.000 M3. vond een vrijwel algeheele vernieuwing
plaats, waarna
in 1920 de aanwezige horizontale retortovens nog werden
vervangen
door verticale kamerovens.
Het zelfstandig voortbestaan van een gasfabriek op
betrekkelijk zoo
korten afstand van een mijngebied als de gemeente Roermond,
is in den
tegenwoordigen tijd economisch niet meer verantwoord. De
fabriek
werd dan ook 1 April 1930 stilgelegd en sedert dien
distribueert het
gemeentelijk gasbedrijf gas dat wordt betrokken van de
Staatsmijnen
in Limburg, en dat afkomstig is van de groote
cokesovenbatterijen op
de Staatsmijn Maurits. Daardoor is de Gemeente in staat het
gas tegen
den lagen prijs van ongeveer 4 cent per M3. te leveren voor
verwar-
mingsdoeleinden, waarvan dan ook een steeds toenemend
gebruik
wordt gemaakt.
De electriciteitsvoorziening werd aanvankelijk door de
Gemeente niet,
zooals de gasvoorziening, in eigen beheer gehouden. Bij
overeenkomst
van 30 Mei 1913 werd door Roermond concessie voor
stroomlevering
in deze gemeente gegeven aan de N. V. Maatschappij
„Peel-Centrale“.
Einde 1913 werd met de stroomlevering begonnen, doch reeds
in Augus-
tus 1914 kwam de concessionaris in liquidatie en in Maart
1915 moest
zij de verdere stroomlevering staken. Deze is daarop
voortgezet door
de firma R. Smeets, totdat op 26 Maart 1917 de
stroomlevering werd
overgenomen door de Stroomverkoopmaatschappij, terwijl de
Gemeente
met ingang van dien datum de distributie zelf ter hand nam.
Het elec-
triciteitsbedrijf ontwikkelde zich voorspoedig en is thans
gegroeid tot
een bloeiend bedrijf, dat de stroom levert tegen prijzen,
welke kunnen
worden gerekend tot de laagste in de provincie.
Ook voor de watervoorziening heeft de Gemeente concessie
verleend.
De eerste besprekingen over waterleiding werden reeds in
1886 gevoerd.
De met Keuller te Venlo gevoerde onderhandelingen sprongen
echter
in 1890 af. In 1895 is daarop de concessie verleend aan de
heeren Th. A.
van Broek en G. W. van Barneveld Kooij Jr. te Amsterdam. In
1898
is de waterleiding in bedrijf genomen. Het water, dat wordt
opgepompt
uit bronnen gelegen onder de aangrenzende gemeente Herten,
voldoet
aan alle eischen, welke aan goed drinkwater kunnen worden
gesteld.
De exploitatie van de concessie geschiedt door de N. V.
Industrieele
Maatschappij.
Reeds in 1837 besloot het gemeentebestuur tot oprichting van
een
slachthuis, doch tot uitvoering van dit besluit kwam het
niet. In 1849
en 1852 werden plannen voor den bouw van een abattoir
gemaakt res-
pectievelijk door den bouwmeester Jonkergouw en den
architect P.
Cuypers. Ook toen kwam het niet tot uitvoering. In 1886
besloot de
Raad andermaal tot de oprichting van een slachthuis, doch
weder bleef
394
levert groot gemak op voor het publiek. In 1910 werd
nog de openbare
school met onderwijzerswoning aan den Minderbroederssingel
ge-
bouwd, waarmede de periode van stichting van nieuwe openbare
ge-
bouwen sloot. Ook deze gebouwen werden ontworpen en
uitgevoerd
onder leiding van den dienst van Publieke Werken.
De totstandkoming van de lager onderwijswet 1920 gaf den
stoot voor
den bouw binnen enkele jaren van een aantal scholen voor
bijzonder
onderwijs. In 1923/24 bouwde de dienst van Publieke Werken
de Lin-
danusschool aan het Wilhelminaplein; daarop bouwde de
architect
J. Franssen achtereenvolgend in 1929 de St. Aloysiusschool
aan de
Nieuwe Kerkstraat, in 1931 de Theresiaschool aan de Minister
Bevers-
straat en in 1932 de Paredisschool aan de Begijnhofstraat.
Het resultaat van hetgeen op het terrein der Publieke Werken
in den
lateren tijd is tot stand gebracht, maakt Roermond tot een
goed aan-
gelegde, mooi bebouwde, goed geoutilleerde en zeer gunstig
gelegen pro-
vinciestad. Roermond is een aangename woonplaats en biedt
aan de
industrie speciaal door zijn bij uitstek gunstige
verbindingen, groote
mogelijkheden.
396
wensch tot herstel der gilden vernomen, vooral in
slechte tijden. 1)
Naast deze historische resten nam het dragersgilde of
„kooldragers-
ampt" een afzonderlijke positie in. De „Regering der stad
Ruremonde“
maakt op 15 November 1819 een nieuw reglement voor de
Dragers,
daar enkele misbruiken waren ingeslopen. „Aflezinge en
aanplakking
dezer zal door de Meesters in het dragershuiske 2) in een
algemeene
vergadering der dragers gedaan worden, opdat een ieder
hiervan werd
onderrigt."
Op een adres in dato 28 October van hetzelfde jaar „waarbij
ver-
scheidene kooplieden vertoonen dat in den jaare 1816 de
draagloon
voor het zout merkelijk is verhoogd geworden, uit hoofde der
toen-
malige hooge prijzen der levensmiddelen, en verzoeken, daar
deze om-
standigheden niet meer bestaan, dat het draaggeld opnieuw
mag be-
paald worden op den voet zooals voorheen heeft plaats gehad,
heeft
de Regering der Stad Ruremonde op 19 November 1819, gehoord
op
dit stuk de Meesters der Dragers, overwegende dat de prijzen
der voor-
werpen van eerste noodzakelijkheid aanmerkelijk gedaald
zijn, en wil-
lende den draagloon regelen naar evenredigheid der behoeften
en de
belangen der binnen deze stad dagelijks meer en meer
toenemende
zoudnegotie teneinde de adressanten in concurrentie te laten
met
andere steden in de nabijheid, waar desgelijks dit artikel
buitenlands
vervoerd word, goedgevonden en verstaan den draagloon van
het zout
te bepaalen zoo als volgt: te weeten per zak weegend 200
pond, van het
schip op de kar zes oortjens (kleefs) enz. per zak weegend
150 pond
of daaronder, eenen stuver enz."
In de notulen van het R. C. Godshuis vinden we vermeld:
„Vergadering
van 17 Juni 1819: Aan Jean van Eck en Willem Hermans,
meesters van
het kooldragersampt, toegelegd acht guldens Cleefs, welke
hun sedert
verscheidene jaren zijn betaald geworden ingevolge
mondelings accoord
voor het dragen der lijken, zijnde in vergelding der
jaarlijksche rente,
die het gild der kooldragers in vroeger tijd was bezittende.
Vergadering van 25 Juni 1827: daar de lijkdragers te veel in
rekening
gebracht hebben zijn de meesters van het kooldragersampt Jan
van
Eck en Jozef Slegers op de vergadering ontboden. Hun is
aangezegd
om den schuldige voor straf buiten zijn ploeg te stellen."
Ook de landsregeering bemoeide zich met deze zoogenaamde
werkers
voor den handel. Op 18 Mei 1827 verscheen een Kon. Besluit
„houden-
de bepalingen omtrent het daarstellen van vereenigingen van
werk-
lieden, tot het lossen, laden, vervoeren, verwerken, meten
en wegen
van goederen."
Dat wij daarna, tot de laatste decenniën der 19de eeuw van
een ver-
eenigingsleven der arbeiders weinig of niets bespeuren, is
niet zoozeer
het gevolg van wettelijke verbodsbepalingen, die hier niet
bestaan heb-
ben, maar veeleer van de psyche dier eeuw, die den fabrikant
zoo
1) Bij het bezoek van Koning Willem I in 1815 moest
de burgerij in het geweer. De
vroegere gildesleden waren nog in 't bezit van hun wapens.
2) Het kooldragershuisje bevond zich op den hoek
Kraanpoort-Roerkade en is pas begin dezer eeuw afgebroken.
398
wordt vermeld de reeds lang bestaande papierfabriek van
Burghoff
Magné en Cie., de grootste des lands, met 150 arbeiders, 2
stoomwerk-
tuigen en 3 stoomketels, benevens een brandkastenfabriek met
90 à 100
arbeiders. De zeer overwegende beteekenis van de
huisnijverheid blijkt
uit het volgende staatje van 1861:
Naam der firma
|
Aard der fabriek
|
Aantal
arbeiders
in fabriek
|
Thuiswerkers
|
|
|
volw.
|
kind.
|
volw. |
kind.
|
Claus
Reidel
Mathei
Feldman, Jacobs en Cie. |
Fabrieken van
katoenen en
halfwollen
stoffen |
12
10
8
8
|
3 à 4
4
2
1
|
338
120
82
66
|
206
84
38
29
|
In 6 grootbedrijven waren toen werkzaam 858 volwassenen en
408 kin-
deren, in 10 kleinere bedrijven 197 volwassenen en 96
kinderen. In
smederijen, brouwerijen, molens, drukkerijen,
kunstwerkplaatsen,
steenbakkerijen enz. nog ± 200 arbeiders.
De loonen bedroegen in de papierindustrie van 80 c. tot 1.20
fl. per dag
voor volwassenen, 20 tot 50 c. voor kinderen en in de
textiel- en andere
industrie van 50 à 60 c. voor volwassenen en 15 tot 40 c.
voor kinderen.
Als instellingen van zelfhulp voor de arbeiders in die jaren
bestonden
een begrafenisfonds: de Broederschap van Barmhartigheid, en
drie
ziekenbussen: St. Nicolaas-, St. Laurentius- en
Driekoningenbus.
De belangrijkheid dezer industrie en van den daarmee verband
houden-
den handel, moge blijken uit den volgenden passus uit de
installatierede
van Burgemeester Beerenbroek op 31 Maart 1853:„onder de zoo
menig-
vuldige belangen aan ons toezigt toevertrouwd, beslaan die
van handel,
nijverheid en riviervaart een voorname plaats; en wanneer ik
nu het
oog werp op de toenemende bedrijvigheid en den toenemenden
vooruit-
gang, op het vermeerderd aantal stoomschepen, welke hier
geregeld
den wal aandoen en waarvan de rij nog staat vergroot te
worden; en
als ik mij te binnen breng, dat van de tien industrieëelen,
die voorwerpen
van hunne nijverheid naar de wereldtentoonstelling van
Parijs zonden,
drie eene medalje en drie eene eervolle vermelding
behaalden, terwijl
het met grond te vermoeden is, dat, hadden onze overige
fabrykanten
kunnen goedvinden dáár hunne voortbrengselen te vertoonen,
het getal
bekroonden nog veel aanzienlijker zou zijn, dan zeker, zijn
die belan-
gen niet alleen onze aandacht waard, maar op het Bestuur der
Ge-
meente rust de plicht zich den verderen bloei en de verdere
uitbreiding
ernstig ter harte te nemen."
In 1853 werd in den Gemeenteraad een voorstel behandeld tot
soep-
bedeeling gelijk in 1847 had plaats gehad en daartoe een
collecte te
houden. In 1860 werd een spijskokerij opgericht, die in de
z.g. Meel-
waag gevestigd was. Toen in 1865 de gebouwen, gelegen op het
tegen-
400
door de Gemeente op eigen kosten gebouwd (7 Augustus
1867), en goede
landwegen naar Wassenberg en Viersen zijn tot stand gekomen,
ontwik-
kelt zich langzamerhand weer een aanzienlijke
handeldrijvende mid-
denstand, die tot nu toe nog steeds is toegenomen en de
Roerstad tot
een echte winkelstad gemaakt heeft. De opheffing van het
Garnizoen
(1922) beteekende een nadeel, terwijl de aanleg van
uitstekende tram-
verbindingen door de C.L.S.M., waaruit de tegenwoordige
L.T.M. is
voortgekomen, voor den middenstand een merkbaar voordeel
opleverde.
Ook bracht de kanalisatie van de Maas heel wat opleving voor
handel
en industrie, zoodat voor de herlevende scheepvaart een
loswal aan
Roer en Maas weldra noodzakelijk bleek.
De huisvesting der bevolking, vooral der volksklasse, liet
in de eerste
helft der 19de eeuw veel te wenschen over, door het
ontbreken van alle
overheidstoezicht op dit gebied. In 1798 telde Roermond 3960
inwoners.
In 1827 waren er 4874 inwoners waarvan 212 in de gehuchten
Roer,
Kapel en de Weerd. Nagenoeg de geheele bevolking woonde dus
„intra
muros". In 1830 waren er 864 huizen voor 1087 gezinnen met
5397 zielen.
In 1840 stonden er 882 huizen voor 1143 gezinnen met 5937
zielen. Ge-
leidelijk hoopte de bevolking zich op (in 1852: 7318
inwoners) terwijl
de vestingwerken als een lastig corset de stad insloten en
expansie
bemoeilijkten. 1) „Intra muros” wonen thans (zonder
kloosters en ge-
stichten) 5688 inwoners in 1078 huizen. De stadsuitbreiding
heeft pas
een aanvang genomen na de zestiger jaren, toen de wallen
geslecht
werden (bij wijze van werkverschaffing) en de singels
geleidelijk gingen
bebouwd worden, alsook het Deemsel, de Venloscheweg en de
Kapel-
lerlaan. De muren waren reeds grootendeels in de dertiger
jaren, ook bij
wijze van werkverschaffing, afgebroken. Het ontstaan van het
nieuwe
stadsdeel „Roermondsche Veld“ valt in de laatste twintig
jaren, vooral
door den woningbouw der bouwvereenigingen St. Jozef,
Roermond,
Lada, Eigen Haard, St. Barbara (van het Godshuis) en
Gemeentelijke
Woningstichting. De eerste bouwverordening, d.w.z. een
verordening
inhoudende gecodificeerde voorschriften omtrent bouwen enz.
is van
6 December 1888. Voorschriften betreffende onderdeelen
bestonden
reeds van eeuwen her.
Dat de gemeente in het Roermondsche Veld overvloed van
bouwterrein
bezat en nog heeft, is te danken aan het voortvarend beleid
van den
toenmaligen wethouder Beckers, die deze terreinen voor de
Gemeente
aankocht, toen het allen schijn had dat het mijnveld Vlodrop
zou ont-
gonnen worden. (Bij wet van 27 September 1920 werd dit
mijnveld
groot 2200 H.A. ter ontginning van staatswege aangewezen.
Bij wet van
24 December 1925 is de mogelijkheid van particuliere
exploitatie ge-
opend.)
In 1866 kwam in den Raad een voorstel van de
„Choléracommissie”
aan de orde tot het bouwen van arbeiderswoningen. Op grond
van een
verordening van 1888 werden op 11 Maart 1895, 21 woningen
onbewoon-
baar verklaard. Uit een rapport der Gezondheidscommissie van
1894
1) Haar 10000sten inwoner kreeg de stad in 1878.
402
dien Bond haren oprechten dank. Wij stelden een
onderzoek in naar
de woningen van den Volksbond en het leven der arbeiders,
die ze
huisvesten, en bevonden, dat ze waren eenvoudig en
doelmatig, en be-
houdens kleinere gemakkelijk te verhelpen gebreken,
beantwoordend
aan onze wenschen. Twee nette, ruime, met vierkante steenen
bevloer-
de vertrekken beneden, een met planken beschoten en in
tweeën ver-
deelde zolder voor slaapkamers. Wij zouden wel willen, maar
mogen
thans niet meer eischen. De gezinnen waren tevreden met
hunne behui-
zingen, en spraken ons met genoegen over het contrast van
hunne
tegenwoordige verblijven met de dure krotten, waarin zij
voorheen wa-
ren opgeborgen. En wat wij in 1901 voorspelden, bleek ons
bewaarheid
te worden: „Waar men voor de arbeidende klasse gezonde, goed
inge-
richte en goedkoope woningen beschikbaar stelt, waar
toezicht wordt
gehouden, daar ontstaat langzamerhand een, in reinheid en
ordelijk-
heid wedijverend, nieuw geslacht.""
Den 18 December 1894 werd bij de Zusters van Liefde op
initiatief van
den R. K. Volksbond eene Spijskokerij geopend, welke thans
nog be-
staat en ieder winterseizoen aan velen driemaal per week een
warm
maal verstrekt.
Op voorstel van het „gilde der metselaars" werd in 1901 een
borstel-
fabriek opgericht, tot bestrijding der werkloosheid. In het
eerste win-
terseizoen vonden er 18 arbeiders werk, die 5 à 6 gld. per
week verdien-
den. Lang heeft deze werkverschaffing zich niet kunnen
handhaven.
Kort daarop kwam de splitsing tusschen patroons- en
arbeidersleden,
niet zonder tegenstand dezer laatsten. Het lag echter zoo in
den aard
van de ontwikkeling der dingen. Nu bestond de R. K.
Volksbond, Roer-
mond, als afdeeling van den Limburgschen Bond. In 1918 kwam
een
afdeeling aan de Kapel in 't Zand en bij de oprichting der
Parochie van
't H. Hart in 1926, eene in het Roermondsche Veld. Een
Centraal Be-
stuur en een Bestuursraad houden den band tusschen de
afdeelingen
en instellingen in stand. De organisatie, die momenteel ruim
950 leden
telt, heeft een reeks van instellingen van groote
beteekenis: een dok-
ters- en apothekersfonds, een centrale ziekenkas,
kolenspaarvereenigin-
gen, bouwvereeniging St. Jozef met 257 woningen, afdeeling
Eigen
Huis, agentschappen van de Spaarbank „de Volksbank” en de
coöp.
Levensverzekeringsmaatschappij „„Concordia”, de coöperatieve
Ver-
bruiks- en Productievereeniging „De Welvaart“ met bakkerij
en vier
winkels, de Vereeniging Arbeiderstuintjes, het secretariaat
van den
Arbeid (Bureau van rechtsbijstand voor on- en
minvermogenden),
comité van Herwonnen Levenskracht (t.b.c .- bestrijding) en
commissie
voor Liefdewerken, ontwikkelingscursussen, de vereeniging
Roomsch
Tooneel en de harmonie St. Cecilia.
De door de Werkliedenvereeniging met beperkte middelen
opgerichte
R. K. Arbeidsbeurs, werd later Districtsbeurs der
Arbeidsbemiddeling
en sinds 1 Januari dezes jaars Gemeentelijke Arbeidsbeurs.
Reeds spoedig na het prijsgeven van het gildesysteem in den
R. K.
Volksbond ging men over tot oprichten van R. K.
Vakorganisaties:
de R. K. Grafische Bond, St. Rafaël voor Spoor- en
Tramwegpersoneel,
404
van Leeraren en Leeraressen bij het
Nijverheidsonderwijs St. Ber-
Een neutraal georiënteerde organisatie is in deze categorie
de B.A.N.S.
nardus.
voor spoorwegambtenaren.
JEUGDWERK.
Als eerste jeugdwerkorganisatie in onze stad en een der
eerste in den
lande, werd in 1874 door Kapelaan Mottu opgericht het St.
Jozefs-
patronaat voor jeugdige ambachts- en werklieden.
Aanvankelijk zon-
der vaste huisvesting, kwam het later onderdak in het St.
Vincentius-
gebouw in de Kruisheerenstraat, waar het een zaal bijbouwde
om in
1914 eigenaar te worden van een gedeelte der gebouwen van
het vroe-
gere Pensionaat St. Louis in de Lindanusstraat, waar het
thans nog
gevestigd is. Het heeft drie afdeelingen: een klein-, een
grootpatronaat
en een gezellenvereeniging met circa 200 leden.
In het Vincentiusgebouw is sinds een tiental jaren een St.
Vincentius-
patronaat werkzaam met gemiddeld 40 jongens.
Voor schoolvrije meisjes uit den arbeidenden stand werd
reeds in 1848
door de Zusters van Liefde een Zondagsschool opgericht,
waaruit
later het tegenwoordige St. Agnespatronaat gegroeid is. Het
heeft
thans twee afdeelingen en een ledental van ruim honderd. Uit
een door
het Patronaat opgerichte Huishoudschool groeide later de
thans zoo
gunstig bekend staande Huishoud- en Industrieschool.
Aan de Kapel in 't Zand werd 7 November 1909 het St.
Clemenspatro-
naat opgericht door Pater Blanken C.S.S.R., dat op 23 Juli
1911 een
eigen Patronaatsgebouw opende. In 1912 kwam naast de van het
begin
af bestaande herhalingscursussen een Patronaatsteekenschool,
door
Gemeente, Provincie en Rijk gesubsidieerd. In 1914 werd
naast het
Klein- en Groot-Patronaat een 3de afdeeling ingericht: de
Gezellen-
vereeniging. Een nieuwbouw voor Gezellen en Teekenschool
kwam in
1917 klaar. Het gemiddeld ledental bedraagt 180. Einde 1931
werd „De
Jonge Werkman" opgericht met aanvankelijk 18 leden.
Voor meisjes stichtte men aan de Kapel, 12 November 1911,
het
St. Agnespatronaat, met 3 afdeelingen en ± 120 leden. In
1920 richtte
dit Patronaat een eigen Huishoudschool en herhalingscursus
in
In de Parochie van het H. Hart werd na het beschikbaar komen
van
de voormalige Noodkerk al spoedig een Patronaat voor jongens
ge-
sticht en in 1931 een afdeeling van „de Jonge Werkman”
Voor de meer ontwikkelde jongelui bestaat eene afdeeling van
den
bond „Jong Limburg“ en voor de studeerende mannelijke jeugd
de R. K.
Studentenclub „Sanctus Christophorus.”
Het R. C. Godshuis, weeshuis en tehuis voor ouden van dagen,
is van
ouds gevestigd in het monumentale vroegere Prinsenhof aan
het Mun-
sterplein.
Het op 23 Augustus 1902 door Mgr. van Boom opgerichte en
door de
Broeders van St. Franciscus beheerde Opvoedingsen
Ambachtsgesticht
St. Jozef, gevestigd in de thans aan de gemeente behoorende
gebou-
406
De Huishoud- en Industrieschool, dag- en avondschool en
opleidings-
school voor leeraressen werd in 1919 door de Zusters van
Liefde ge-
opend en nam spoedig een zeer hooge vlucht. Vooral als
opleidings-
instituut bezit de school een gunstigen roep in den lande.
De Vereeniging „Ambachtsonderwijs voor Roermond en
Omstreken“
werd opgericht 23 Februari 1907. Hare Statuten werden
goedgekeurd
bij Kon. Besluit van 16 Maart 1907, no. 7. Het Bestuur
bestond uit de
Heeren: Dr. P. J. H. Cuypers, Voorzitter; F. Janssens,
Ondervoorzit-
ter-Penningmeester; A. H. Nijskens, F. Nicolas, Jacques Oor
en J. N.
Snackers, leden; A. F. van Beurden, Secretaris.
De vereeniging werd gesticht op voorstel van Burgemeester
Raupp,
de Commissie der School voor Nuttige en Beeldende Kunsten,
den
Gemeenteraad, Dr. Cuypers en belangstellende autoriteiten,
onder
medewerking van den Inspecteur van het M. O. den Heer H. J.
de
Groot. De vereeniging telde 180 leden.
De eerste lessen werden gegeven in de door de Vereeniging
gestichte
ambachtsschool op 1 October 1908. De onderwijsvakken waren
toen:
smeden, bankwerken, timmeren, meubelmaken en schilderen. De
school
was gebouwd door de gemeente Roermond naast de bestaande
School
voor Nuttige en Beeldende Kunsten. Subsidie werd verleend
door Rijk
en Gemeente, ook voor de volgende jaren.
Als streekschool wordt het onderwijs gegeven aan jongelui
uit Roer-
mond en de omliggende dorpen. De eerste uitbreiding dateert
van 1913,
de tweede van 1921, waarna ook het vak
instrumentmakenelectrotech-
niek kon worden onderwezen. Om het mogelijk te maken meer
leerlin-
gen tot de lessen toe te laten ging men in 1930 over tot een
derde
uitbreiding.
In 1931 werd het gebouw overgenomen door de Vereeniging;
tevens
kon van de Gemeente een gedeelte straat worden aangekocht en
van
particulieren een aangrenzend terrein met woning, loodsen,
kantoor
en opslagplaats, waardoor voor afzienbaren tijd ruimte voor
uitbreiding
is verkregen. Voor een en ander werd door Rijk en Gemeente
subsidie
verleend volgens de bepalingen der Nijverheidsonderwijswet,
die van-
af 1 Januari 1921 toepasselijk is op het onderwijs in deze
school gege-
ven. Sinds enkele jaren wordt op de school ook Godsdienst
onderricht.
Op 1 October 1925 werd tevens ook van de Gemeente
overgenomen
de School voor Nuttige en Beeldende Kunsten en in het
vervolg be-
heerd als avondschool voor Nijverheidsonderwijs met
5-jarigen cursus.
De vereeniging telt thans 159 leden en 1 eerelid.
Het aantal leerlingen der Ambachtsschool op 1 April 1932
bedroeg 247,
dat der avondnijverheidsschool bedroeg op 31 December 1931
241.
De gemeente Roermond stichtte in 1915 een fonds, waaruit elk
jaar
aan een in Roermond wonenden leerling der beide scholen, die
met
de meeste onderscheiding het einddiploma behaalt, een
studiebeurs
van f 100 .- wordt toegekend.
De vereeniging bezit een Dr. Cuypersfonds, voornamelijk door
wijlen
de Heeren Dr. Cuypers en Felix Janssens Sr. in het leven
geroepen en
408
van te drukkende lasten, kortom van alles, wat maar ten
voordeele van
handel en nijverheid kan strekken, gedaan is. Met een enkel
woord wil
ik maar terloops memoreeren, hoe reeds in 1853 de hulp van
de Kamer
van Koophandel te Antwerpen werd ingeroepen om bij de
Belgische
Regeering te intervenieeren ter verkrijging van den spoorweg
Antwer-
pen-Roermond-Gladbach, hoe reeds in 1854 tegen de circulatie
van
vreemde munt in Limburg werd opgetreden, hoe reeds in 1857
de op-
merkzaamheid der Regeering werd getrokken ten opzichte van
hare
handelspolitiek, voor het stelsel van wederkeerigheid, als
zijnde de
eenige mogelijkheid om met het buitenland te concurreeren,
hoe reeds
in 1858 bij de Regeering werd aangedrongen op de verbetering
van de
Maas en haar gewezen werd op het nadeel, gelegen in de
aftappingen
dezer rivier in België en de afsluiting in het Luikerland,
hoe reeds in
hetzelfde jaar aan het stadsbestuur omtrent
havenaangelegenheden
meerdere punten in overweging werden gegeven, hoe reeds in
1859 met
alle krachtsinspanning door haar gevochten werd om de door
de Regee-
ring ontworpen spoorlijn Eindhoven-Venlo te doen verleggen
over
Weert naar Roermond en tenslotte wil ik nog in het bijzonder
geden-
ken de door den Heer H. Hermens, lid dezer Kamer, ingezette
en met
schitterend succes verder gevoerde actie, om de circulatie
van vreemde
munt, die feitelijk als eenigst betaalmiddel in Limburg
gold, uit onze
provincie te bannen."
Na de reorganisatie kon dit semiofficieele instituut zijn
sociaaleco-
nomische taak nog belangrijk uitbreiden en wint gestadig in
popula-
riteit.
De Roermondsche Spaarbankvereeniging vierde het vorig jaar
haar
50-jarig bestaan. Zij stichtte veel nut voor de „kleyne
luyden“, wordt
door het Bestuur pro Deo beheerd en besteedt uit hare
winsten belang-
rijke bedragen voor liefdadige en sociale doeleinden.
De Coöperatieve Roermondsche Eiermijn (C.R.E.) van den
L.L.T.B. en
N.C.B., opgericht op 10 Augustus 1904 door den Heer J. M.
Breukers,
hoofd der school te Neer, is thans een instelling met
wereldnaam. Ze
is gevestigd in eigen gebouw, met kantoren, magazijnen,
koelhuis en een
spoorwegaansluiting aan de Emmalaan. In 1930 bedroeg de
aanvoer
2211/2 millioen stuks kippeneieren en bijna 1 millioen
eendeneieren,
waarvoor aan de ledenleveranciers netto werd uitbetaald de
som van
f 11.403.882,36.
De Zuid-Nederlandsche Zuivelbond heeft eveneens zijn
kantoren te
Roermond sinds 1931 in een eigen pand op den Willem II
Singel.
De Coöperatieve Groothandelsvereeniging, de Handelskamer, te
Rot-
terdam, heeft een bijkantoor en magazijnen aan de
Kapellerlaan 77.
De Coöperatieve Verbruiks- en Productievereeniging „de
Welvaart"
heeft hare kantoren, bakkerij en winkel aan de Nassaustraat,
benevens
nog winkels in de Dr. Leursstraat, de Herkenbosscherweg en
de Lova-
niostraat.
410
missie aangenomen. Sindsdien heeft deze officiëele
sociaalhygiënische
instelling steeds een waakzaam oog gehouden op de openbare
volks-
gezondheid
Een afdeeling van het Groene Kruis werd den 11 October 1910
opge-
richt. Den 21 Maart 1911 kwamen vier Zusters van de
Congregatie
der Kleine Zusters van den H. Jozef en betrokken een klein
huis in
de Pieter Cuypersstraat. Van daaruit hebben de door de
bevolking
zoo geliefde Zusters haar zegenrijke wijkverpleging beoefend
tot 22
Maart 1915, toen een groot pand in de Swalmerstraat
betrokken werd,
hetwelk in October 1920 werd aangekocht en ingericht als
wijkgebouw.
Naast wijkverpleging en t.b.c .- bestrijding kwamen
langzamerhand ook
kinderverzorging en kraamverpleging, die in eigen gebouw
konden wor-
den uitgebreid, hetgeen in een behoefte voorzag, daar het
Ziekenhuis
destijds daartoe geen gelegenheid bood. In hetzelfde gebouw
zijn ook
nu nog de consultatiebureaux voor t.b.c .- bestrijding en
sociale kinder-
hygiëne ondergebracht.
Op 30 Juni 1851 namen de Zusters van Liefde van O. L. Vrouw
Moe-
der van Barmhartigheid van Tilburg, de huishouding op zich
in het
R. C. Godshuis. Toen bij akte van 8 Maart 1858 de
Louisastichting als
instelling voor ziekenverpleging was tot stand gekomen, werd
deze in
het R. C. Godshuis gevestigd. Met voorbeeldige toewijding
hebben de
Zusters van Liefde gedurende tachtig jaren in dat voor
ziekenverpleging
niet zoo bijster geschikte oude Regeeringsgebouw hare
liefdetaak uit-
Ondanks het bijbouwen van een nieuwen vleugel met moderne
instal-
geoefend.
laties in 1911, bleek de inrichting aan hedendaagsche
hygiënische
eischen niet te kunnen voldoen. Nadat een tamelijk
onverkwikkelijke
„ziekenhuiskwestie“ de gemoederen langen tijd had bezig
gehouden,
werd in 1928 tot den bouw van een nieuw ziekenhuis
overgegaan. Be-
stuur en bediening van dit St. Laurentius-Ziekenhuis zijn in
handen van
de Congregatie der Kleine Zusters van St. Jozef te Heerlen,
wier Direc-
teur, wijlen Mgr. L. Driessen, in de totstandhouding zulk
een groot aan-
deel heeft gehad. Op 10 Mei 1931 had de officiëele opening
plaats, waar-
bij Mgr. Le Bron de Vexela, plebaandeken, de inzegening
verrichtte.
Het ziekenhuis beantwoordt aan de allermodernste eischen,
beschikt
over 180 bedden, benevens 36 bedden in het paviljoen voor
besmette-
lijke zieken. Sinds Januari 1932 bedroeg het gemiddeld
aantal patiënten
De Protestantsche Ziekenverpleging begon hare werkzaamheden
op 5
per dag 100.
November 1900 in een huisje op de Kapellerlaan; sinds 13 Mei
1903 be-
schikt zij over een Ziekenhuis aan de Frans Douvenstraat met
een
16-tal bedden en wijdt zich aan wijk- en particuliere
verpleging. Tot
in 1926 stonden de verpleegsters in diaconessenhuisverband.
Thans
zorgt de vereeniging zelfstandig voor het verplegend
personeel. Er is
een vrijbed der Johanniter Orde.
Reeds in 't jaar 1837 besloot het bestuur dezer Stad tot het
oprichten
van een Slachthuis, aan welk besluit Koning Leopold in 1838
zijn goed-
keuring verleende. Het besluit werd echter niet uitgevoerd.
412
Afdeelingen bestaan er van de R. K.
Reclasseeringsvereeniging en het
genootschap tot zedelijke verbetering van gevangenen, de R.
K. Ver-
eeniging van Gezinsvoogden, een Reclasseeringsraad, een R.
K. Ver-
eeniging tot bescherming van meisjes met een Zitahuis,
(tehuis voor
Sociale charitas wordt beoefend door „Hulp in de
Huishouding", de
dienstboden).
Vereeniging van Sint Antonius en de afdeeling van
Tesselschade, als-
ook door de sociale liefdewerken der St.
Vincentiusvereeniging: Kin-
derbescherming, volksbibliotheken en werkverschaffing, en de
sociale
onderafdeelingen der St. Elisabeth-Vereeniging.
Onder de rondreizende bevolking, die zich in het
woonwagenkamp
neerlaat, werkt eene afdeeling van „het
Woonwagenliefdewerk.”
INDUSTRIEËN.
Ofschoon Roermond in onzen tijd meer een aantrekkelijke
woonstad,
een cultuurcentrum met zijn verschillende
onderwijsinrichtingen, een
handelscentrum met zijn goede verbindingen te land en te
water in
het welvarende Midden-Limburg is, toch zijn verschillende
hier geves-
tigde industrieele ondernemingen de vermelding waard.
Allereerst de
verscheidene kunstwerkplaatsen voor beeldhouw- en
schilderkunst, de
ateliers voor glasschilderkunst en de kunstsmederijen.
De voornaamste fabrieken zijn: een electrische meelmolen,
twee che-
mische fabrieken, een electrochemische Industrie (de E.C.I.
wier op-
richting in 1926 beteekende de vestiging eener geheel nieuwe
industrie
in Nederland n.l. de fabricage van verschillende
„per“-verbindingen
langs electrochemischen weg; zij beschikt over de grootste
water-
krachtcentrale van ons land, door de vroegere N.V. „Het
Steel“ in 1918
op de Roer gebouwd en parallel geschakeld met het net der
S.V.M.),
een steenfabriek, een rijwielfabriek, een
stoomlinnenfabriek, een wapen-
fabriek, een chemische wasscherij en ververij; verder boek-
en kranten-
drukkerijen, houtzagerijen en houtbewerkingsinrichtingen.
Een goeden
naam in den lande hebben Roermondsche meubelateliers,
schoenzaken
Ten einde meer werkgelegenheid te verkrijgen stelde het
Gemeente-
en bakkerijen
bestuur voor enkele jaren een Commissie in, om de vestiging
van nieuwe
industrieën alhier te bevorderen. Als een in dezen
crisistijd zeer wel-
kom werkverschaffingsobject werd het terrein „de Molenberg“
door
werkloozen afgegraven en voor industrieterrein geschikt
gemaakt. Op
9 Juli van dit jaar werd op dit terrein de N. V.
Zuid-Nederlandsche
Emballagefabriek door Burgemeester Waszink officieel in
bedrijf ge-
steld, terwijl terzelfder plaatse de fundamenten gelegd zijn
van de ge-
bouwen der N. V. Betonmaatschappij „de Peel“. Beide nieuwe
indus-
trieën zijn met finantieele medewerking van het
Gemeentebestuur tot
stand gekomen.
Ten slotte verdient speciale vermelding een van ouds in
Roermond
veel beoefend beroep, namelijk dat van kermisexploitant.
Velen dezer
wisten zich op te werken tot toonaangevende ondernemingen,
in bin-
414
|
>> begin
|
|