>> HOMEpage

GEDENKBOEK
TER GELEGENHEID VAN HET ZEVENHONDERD-JARIG BESTAAN
VAN
ROERMOND
ALS STAD
1932

Bron: Gedrukte uirgave door J. J. ROMEN & ZONEN, ROERMOND
Internetuitgave: M.H.H. Engels, juni 2026
De tekst doorzoekbaar gemaakt


INHOUD
Inleiding, door Mr. M. A. M. Waszink 5 - Voorwoord, door Mr. R. de Nerée tot Babberich 7 - Roermond tot 1543, door Mr. R. de Nerée tot Babberich 10 - Roermond en Gelre van 1543 tot aan den Franschen tijd, door A. F. van Beurden 37 - De Fransche Tijd, door Dr. W. J. M. Buch 62 - Roermond na den Franschen Tijd, door C. Pyls 84 - Rechterlijke en administratieve Colleges in Roermond 1232-1794 door Mr. Elisabeth F. J. A. Adriaanse 110 - De Erfvoogdij en de Erfvoogden van Roermond, door J. M. van de Venne 129 - Roermond als Bisschopsstad, door Dr. W. Goossens 141 - Uit het verleden van het kerspel Ruregemunde, door E. Janssen C.s.s.R. 154 - Roermonds Kloosterleven, door C. Pyls 188 - De Hervormde Gemeente te Roermond en haar kerkgebouw, door F. Adriaanse 221 - Het Onderwijs, door Dr. P. J. M. van Gils 228 - Instellingen van Weldadigheid, door J. H. F. H. Linssen 244 - Sociale Instellingen, gilden, putten en confrerieën te Roermond van 1232-1795, door J. Huijsmans 264 - Roermonds Handel en Verkeer tot den Franschen tijd, door Drs. M. J. C. W. Bours 287 - Het wapen van de Stad, door Mr. R. de Nerée tot Babberich 307 - De Stedelijke Munt, door Jhr. E. van Nispen tot Sevenaer 314 - Zeden, gewoonten en gebruiken te Roermond, door J. Huijsmans 321 -  Roermonds Kunstleven, door Ir. Jos. Cuypers 334 - Het Roermondsche dialect, door J. Kats 348 - Roermond. De Geschiedenis zijner vestingwerken, monumenten en voorname gebouwen, door Ir. L. Keuller 360 - Publieke werken in lateren tijd, door J. A. Kuylaars 381 - Sociale instellingen na den Gildentijd, door Fred. Hoen, Pr. 397


In zijne vergadering van 25 September 1929 besloot de
Raad der gemeente Roermond, ter gelegenheid van de her-
denking van het feit dat het 700 jaren geleden is, dat Graaf
Otto II aan Roermond stadsrechten verleende, tot het uitgeven
van een gedenkboek, waarin de geschiedenis der stad zou wor-
den neergelegd. Van de belangelooze medewerking van ver-
schillende personen was men verzekerd. In den loop van
den tijd hebben enkelen zich, om te eerbiedigen redenen,
teruggetrokken. Het is mogen gelukken, anderen in hunne
plaats tot medewerking bereid te vinden. Het resultaat
van hun aller naarstigen arbeid vormt den inhoud van dit ge-
denkboek.
Het gemeentebestuur stelt het op prijs, hun hier openlijk
dank te zeggen voor hunne bijdrage. In het bijzonder geldt
dit den heer dr. J. W. H. Goossens, rijksarchivaris in Limburg,
zonder wiens toewijding en zaakkundige adviezen het
thans voor ons liggende werk niet zou zijn geworden, wat het is.
Het zijn wel droeve en angstige tijden, waarin de stad
Roermond haar 7e eeuwfeest herdenkt. Ik zou zoo gaarne,
nu het verleden in dit gedenkboek zoo uitvoerig is uiteen-
gezet, een enkel woord gewijd hebben aan de toekomst.
Een gemeentebestuur immers, dat zijne taak begrijpt, behoort
zich zelf een lijn uit te stippelen, waarlangs het de ont-
wikkeling der gemeente denkt te leiden. Maar wie kan dit
redelijkerwijze thans van ons vorderen? Niet alleen eischt
het heden alle aandacht op, maar het ergste is, dat de toe-
komst volkomen onzeker is en iedere prognose onmogelijk.
Ons blijft voor het tegenwoordige en zóó vat het ge-

5




VOORWOORD

E
en stadsbestuur zou inderdaad aad te kort schieten
in goeden burgerzin, die de overheid moet sieren,
wanneer zij de Stedemaagd, dat abstracte begrip
eener stedelijke samenleving in continuïteit, niet
cerde en hulde bracht, wanneer een eeuwfeest harer
wording daar is. Dit heeft dan ook de Roermondsche overheid begre-
pen, toen haar stad als jubilaresse haar 700-jarig bestaan in het ver-
schiet kreeg. Vooraf was reeds in de locale pers en ook elders
opgewekt om tot eene huldiging te komen en het was de toenmalige
burgemeester Steinweg, die daarop verschillenden bijeenriep ter over-
weging hoe het stadsbestuur in volledige samenwerking met de bur-
gerij uiting zou kunnen geven aan het algemeen kenbaar gemaakte
verlangen op goede en passende wijze leiding te geven aan een feest-
vierende gemeenschap. Men kwam dan ook na eenige bijeenkomsten,
daartoe onder leiding van het stadsbestuur belegd, vrij spoedig tot het
besluit, dat er in de allereerste plaats moest komen een gedenkboek,
waarin het verleden tot het heden werd opgehaald en dat als een
waardevol gegeven ook later tot de generatiën, die die volgden, zou kun-
nen spreken. En toen de toezegging eener belangenlooze medewerking
der samenstellers tot uiting kwam, was dit mede voor den Magistraat
eene gereede aanleiding om met dankbare aanvaarding daarvan direct
stappen te doen die tot het gewenschte doel konden leiden. Er werd
eene redactie samengesteld, de vóóraf besproken onderwerpen verdeeld
en zoo is thans dit gedenkboek tot stand gekomen, geschreven meeren-
deels door Roermondenaars, die, staande in het volle actieve leven van
hun stad van thans, de verschillende bijdragen gaven uit liefde voor
de stad hunner inwoning aan en voor de burgerij ter herinnering en
zoo mogelijk als iets van blijvende geestelijke waarde voor de toekomst.
Dit gedenkboek kwam dus tot stand ter eere van de Roermondsche
Stedemaagd van vroeger en ook van thans en die er zal blijven zoolang
de stad er zal staan, en voortleven in de komende geslachten harer
burgerij.
Want de stedemaagd, de onzichtbare, was en is en blijft overal aan-
wezig. Zij was vroeger en is ook thans nog in de volle kerken en gods-
huizen. Zij leefde in de woningen en huisgezinnen, op de straten en
op de pleinen, zij zit in den grond, waarop de stad gebouwd is, uitge-
breid. Zij leefde weleer en leeft ook thans nog in de zeden en gewoon-
ten, in de voertaal harer burgers. Zij is niet dood. Kan niet sterven
zoolang de stad er nog is. Bij de rijken woont zij, maar ook bij de
armen huist zij. Op feestdagen is het gebeier der klokken haar vreugde-
galm en bij het uitluiden der dooden hoort men de tonen van haar wee.
In den vlaggentooi bij festijnen kan men haar vreugde zien en bij eene

7
stedelijk document vindt men ook de voorrechten, die vanaf de stich-
ting, d.w.z. de destijds officieele stichting der stad, als zoodanig voor
Roermond golden en die gelijk waren of weinig afweken van den
inhoud der verschillende giftbrieven, die de Geldersche graaf in die
dagen uitgaf, zoodat men daaruit met vrij groote zekerheid den oor-
spronkelijken giftbrief van Roermond kan reconstrueeren. De stich-
ting toch der steden, die destijds de ondergeschikte opgekomen dynas-
ten in het rijksverband van die dagen als een eigen regale, d.w.z. als
een souvereinsrecht voor zich gingen beschouwen, had een politieken
ondergrond. Eenerzijds werd door de stichting een enger verband tus-
schen grondheer en stad geschapen en werd de gestichte stad met eigen
administratie en bestuur, als een geheel der burgers, een soort van vasal
van den stichter, anderzijds werd de omwalde en versterkte stedelijke gemeenschap voor zich en te harer veiligheid een soort bolwerk tegen
de vaak voorkomende machtsuitbuiting van den landadel, die veilig
in zijn sterke burchten ten opzichte van den landsheer, als leenheer,
niet altijd in het gareel bleef. Zoo zal bijv. de stedelijke giftbrief van
Emmerich, die van 1233 nog voorhanden is, in vorm en wezen niet veel
verschild hebben met het zoekgeraakte stedelijke document van
Roermond.
In de opeenvolgende hoofdstukken is er derhalve naar gestreefd, naast
een beknopt geschiedkundig gedeelte, zooveel mogelijk een beeld te
geven van hetgeen in de 7 eeuwen die achter ons liggen, aan locaal
actief leven op religieus en economisch gebied is tot stand gekomen.
De onderwerpen werden met eenige zorg gekozen en het geheel geeft een schema, een belichting op feiten en toestanden, die den belang-
stellenden lezer in het verleden wegwijs moge maken. Er zijn onder-
werpen behandeld, die speciaal nauw de Roermondsche gemeenschap
betreffen.
Was de primaire opzet onder burgemeester Steinweg begonnen, het
behoeft geen betoog, dat dit gedenkboek alleen tot stand kon ko-
men, toen onder de auspicien van den opvolgenden burgemeester
Mr. Waszink, verder het dagelijksch bestuur der gemeente zijne volle
medewerking verleende en de Raad het financieele gedeelte der uit-
gave voor zijn rekening nam.
Zoo moge dit boek ook zijne fata hebben maar de wensch mag daarbij
toch wel uitgesproken worden, dat het voor velen en meer speciaal
voor den Roermondenaar van thans en later niet alleen een gedenk-
boek bij een gedenkwaardig eeuwfeest zal kunnen zijn, maar tevens
een werk, dat met eenig nuttig effect worde geraadpleegd. En is dit
zoo, dan is hetgeen wat autoriteiten en medewerkers met den opzet
en uitgave voor oogen hadden, in niet geringe mate bereikt.
ROERMOND, Februari 1932.
de Nerée tot Babberich.

9
gere terrein van Roermond en Maasniel (Leeuwen) rechts, waren en
zijn nog steeds de natuurlijke dijken gebleven van het winterbed van
„Mosa fluvius", die de Romeinen gekend hebben. Die welhaast jaarlijks
terugkeerende waterduivel heeft in de ontwikkelingsgeschiedenis van
Roermond en omgeving een groote rol gespeeld, en het ligt voor de
hand, dat de Maas, niet wanneer zij vreedzaam in haar zomerbed naar
lagere plaatsen wegstroomt, maar als zij aanzwelt tot een zee van water,
reeds vroegtijdig de natuurlijke begrenzing werd van twee streken,
waar zich de landsaard verschillend moest vormen. Het Hornerland
links met Roermond rechts, zijn landstreken geworden, wier bevolking
sporadisch contact zocht, daardoor eigen zeden en gewoonten schiep
en langen tijd kon vasthouden. Thans is het nog niet moeilijk voor
folkloristen om merkwaardige verschillen te onderkennen.

De oudste gegevens, al zijn deze dan ook weinige en vage, welke men
uit het grijze verleden kan opdiepen, gaan terug tot den tijd, toen Rome
zijne legioenen naar Germanië zond en uit de verschillende vondsten
van Romeinschen oorsprong, die niet veraf werden gevonden, is het
wel zeker vast te stellen, dat de Romeinen in de omgeving van Roer-
mond geweest zijn. Het is evenwel niet waarschijnlijk, dat Roermond
of liever de plaats of plek, waar de stad werd geboren, aanlokkelijk
of gunstig lag voor een „castrum" of „castra". Dit is verklaarbaar uit de
omstandigheid, dat men zeker weet, dat Tongeren het oude „Attuaca
Tungrorum" aan den rand der Kempen, niet alleen een Romeinsch
centrum was, maar meer nog dan dit, dat het reeds zeer vroeg een
volkomen bevestigde plaats in stadsbouw geweest is van waaruit het
achterland in België en zelfs een deel van het noorden organisch be-
stuurd werd en militair werd vastgehouden. Dit Tongeren, een der
grootste Romeinsche steden van het noorden, lag ongeveer 20 K.M.
links van de Maas en had door het Kempenland bij Weert een toe-
gangsweg naar het Noorden en men mag nu aannemen, dat, wanneer
de Romeinsche heirscharen, hetzij als legioenen hetzij als explorateurs
naar het Noorden optrokken, via Horn (Catualium?) en het castrum bij
Kessel (Castellum) langs den nog bekenden en bestaanden Romein-
schen heirbaan over Neer naar Blerick (Blariacum), zij het punt, tegen-
over Horn, bij Roermond rechts van de Maas lieten liggen, al waren
er wellicht later verbindingswegen bij Roermond (Melick?) gekomen,
die aansluiting gaven naar de Romeinsche plaatsen aan den Rijn. Den
eersten Romeinschen invloed kunnen wij dus voor Roermond veilig
uitschakelen, al zal deze later nog wel sporen hebben nagelaten.
Ook van de bewoners, die in het begin onzer christelijke jaartelling
mogelijk het land van Roermond hebben bevolkt, weet men zoo goed
als niets. Het land viel in de Maasgouw, de pagus „Mosa". Buitendien
is het waarschijnlijk dat Roermond met omgeving en achterland telkens
door verschillende stammen, die elkander beurtelings verdreven, be-
volkt geweest is. De Eburonen schijnen er onder Caesar te zijn ver-
dreven, toen kwamen er de Ubiers, nadat er ook vóóraf Menapiers
geweest waren. Augustus stelde een groot deel van de Maasgouw open
voor de Sueven en Sigambriers, die door Tiberius waren overwonnen.

11
er de verspreide kloosterbroeders en ook andere geloovigen bijeen te
brengen ter vorming van een christelijken kern, en om er na zijn dood
een eigen abt te kiezen. Het diploma dezer stichting is voor ons be-
waard gebleven en is wel het eerste zekere gegeven, dat wij voor ons
doel kunnen benutten. Dit geestelijk leven heeft zich nu van Susteren
uit vrij snel noordwaarts uitgebreid. Wij lezen immers in de levens-
beschrijving van St. Wiro, dat dezelfde Pepijn van Herstal aan dezen
 medearbeider van St. Willebrod eene andere plek, veraf gelegen van
werelds gewoel, wegschonk en die genoemd wordt de „Mons Petri",
waar het St. Pietersmunster gesticht werd en waarvan wij nog de mooie
oude kerk behouden hebben te St. Odiliënberg. Dit St. Odiliënberg,
dat ook vroeger gelijk thans nog „Berg of Berch" heette, ontstond dus
uit Susteren. Deze geestelijke stichting te St. Odiliënberg is nu daarna
eene religieuse nederzetting van importantie geworden en wordt in de
oude stukken van dien tijd eenige malen met name genoemd en daar
Roermond, toen nog niet als zoodanig bekend, eerst later zal ontstaan
en tot de geestelijke goederen van St. Odiliënberg zeker moet behoord
hebben, dienen wij daarvan wat meer te zeggen.
Toen St. Willebrod na te Susteren het klooster gesticht te hebben
hoogerop rechts van Maas en Rijn naar Utrecht trok, werd het Berg-
sche bezit, dat uit Susteren kwam, voor den Utrechtschen bisschop
d.w.z. voor de opvolgers van St. Willebrod nog eenige eeuwen vast-
gehouden. Wij weten namelijk uit oude bescheiden, dat koning Lotha-
rius II op 2 Januari 858 de Mons Petri, dat is het St. Pietersmunster
te St. Odiliënberg,sub omni integritate", wat wil zeggen met alles wat
daartoe behoorde, wegschonk aan den bisschopszetel van het Sticht.
Dit kan niets anders beteekenen, in verband met de reeds gemelde
schenking van Pepijn van 714, die toch niets anders weggaf dan de
plek met wat omgeving, waar het klooster mocht verrijzen, dan dat in
Berg in de komende eeuwen daarna zich een veel grooter geestelijk bezit
aan goederen had geformeerd, dat voor de privaatrechtelijke begrip-
pen van dien tijd tot het klooster was gaan behooren. Dit bezit nu was
langzamerhand in 870 bij de bekende rijksverdeeling tusschen Lode-
wijk den Duitscher en Karel den Kale reeds zoo belangrijk geworden,
dat het bij deze landsverdeeling uitdrukkelijk genoemd wordt en bij
het Duitsche rijk werd ondergebracht. De schenking van Lotharius was
nu gedaan om de Utrechtsche kanunniken, die na de verwoesting en
brandstichting van Utrecht voor de Noormannen waren gevlucht en
overal verspreid een heenkomen hadden gezocht, weer bijeen te bren-
gen en in kapittel vereenigd bijeen te houden. Een kleine eeuw later
zien wij dit bezit rondom Berg nog nader bepaald in een ander diplo-
ma, waarbij Baldric, vorstbisschop van Utrecht, op 24 Juni 743, de „65"
mansi, wat door hoeven is te vertalen, van het St. Pietersmunster met
zijne 383 hoorigen, weggeeft aan eenen zekeren graaf Rainer of Reinier
en zijne zonen Baldric en Rudolf, om dit bezit „ad vitam" voor hun
leven te mogen gebruiken tegen een jaarlijksche vergoeding. Waar
deze „mansi" lagen wordt uitdrukkelijk in de schenkingsacte vermeld.
Zoo worden er in aangeduid de plaatsen Rura, Liethorp, Linne, Sule-

13
mond, die schriftelijk is vastgelegd en wanneer wij met eenige waar-
schijnlijkheid de vermelde „65" boerenhofsteden met hunne 383 bewo-
ners over de genoemde plaatsen mogen verdeelen dan zou Rura des-
tijds 8" mansi kunnen gehad hebben op zijn grond met een bevolking
van ongeveer 40 menschen. Dit Rura, dat ongetwijfeld zijn naam dankt
aan het riviertje de Roer, waarvan wij de benaming reeds eerder leer-
den kennen uit de stichting van het St. Pietersmunster te St. Odiliën-
berg, welke in het diploma wordt aangegeven als gelegen „Super fluvium
Rure of Rura", is nu topografisch voor dien tijd aan te duiden door
het land of gebied bij de Roer en wel daar, waar zij het land, vóór-
dat zij zich met de Maas vereenigt, het grilligst met verschillende rivier-
armpjes verdeeld en een soort van kleine delta vormt. Oudtijds was
de hoofdarm de nog bekende „Hambeek" en het land, dat thans
nog door Hambeek en den anderen zijarm van de Roer, thans de
hoofdbedding, en waarop later de verschillende watermolens gebouwd
werden, is het lage land bij de Maas geweest dat als wei- of grasland
voor het vee der boeren te Roer diende en oudtijds als Rura werd
aangeduid. Bij dit Rura lag nu een hoogte, eene terreinverheffing, ge-
schikt om bij hoogen waterstand veiligheid voor mensch en dier te
brengen en om daarvan later eene versterkte plek te maken, die ver-
dedigd kon worden tegen gewapend geweld. Er zijn er, die dit „mun-
dium", een verlatijnscht saksisch woord van den stam „mun", zoeken
tusschen Roer en Herten en daarvoor willen aanzien de hoogte waar
voor eenigen tijd een sportterrein (stadion) geëxploiteerd werd. Men
neigt naar deze meening over, omdat daarlangs en omheen oudtijds
de oudste verkeersweg naar het zuiden liep over Herten, waar vroe-
ger een romeinsche burcht, thans nog in de „Oudeborgh" terug te
vinden, gestaan heeft en de hoogte vlak lag bij het „Ham", de „haven"
bij samenvloeiing van Roer en Maas. Maar deze voorstelling is niet
aannemelijk alleen reeds hierom, omdat ter plaatse geen enkel spoor
van eenige nederzetting uit dien tijd terug is gevonden en toch een
feit is, dat Roermond naam ontleende aan het „Ruregemunde" en
zich elders gevormd heeft. Het „mundium" bij Rura is dan ook niets
anders geweest, dan de hoogte, het plateau of terreinverheffing, die
zich zoo ongeveer van de Kapel in het Zand tot aan de Kathedrale
kerk uitstrekt en zich verder aansluit bij het hooger gelegen Leeuwen
onder Maasniel. De kern dezer hoogte is nu verder te zoeken daar,
waar thans de Kathedraal staat en waar oudtijds in „Buitenop" de
oude parochiekerk gestaan heeft, welke moderkircke", nadat zij ter
plaatse, waarschijnlijk door woest geweld of brand, was vernield, in de
nabije Kathedraal voortleeft. De stichting nu van deze oorspronkelijke
parochiekerk in „Buitenop" is dan ook de oorsprong van Roermond
als vlek of dorp geweest en daar is de eerste samenleving in vaste
nederzettingen rondom en bij het godshuis begonnen. Wanneer de
stichting heeft plaats gehad en door wien de kerk gebouwd werd is
onzeker, maar het vermoeden ligt voor de hand dat vanuit Berg,
nadat vooraf de grond in cultuur was gebracht, voor de cura anima-
rum" met een kerkbouw werd begonnen. Wij hebben immers tevoren

15
dat de voogden voor hunne diensten beloond moesten worden en dat
zij uit de immuniteit" ook inkomsten trokken wat aanvankelijk 1/3
der opbrengsten in natura was en later aanzienlijk werd uitgebreid en
de voogd tenslotte de wereldlijke heer werd van het geestelijk goed.
Voogden die zich zelfstandig als grondheeren naast andere machtige
dynasten konden handhaven, bleven onafhankelijk. Maar waar dit niet
het geval was, werden zij, toen dit in zwang kwam, de leenmannen
van machtigere heeren en kregen zoodoende op hun beurt een tweeden
beschermer van het geestelijk goed, dat zij te beschermen hadden. Zoo
is dus het Roermondsche kerkelijk goed welhaast zeker als „immuni-
teit" onder een voogd gekomen, die later weer de leenman werd van
den Gelderschen graaf. Er is evenwel een tijd geweest, vóórdat Gelre
Roermond binnen zijn macht trok, dat de voogden alleen de macht-
hebbers geweest zijn, die als onafhankelijk locale bestuurders optraden.
Men kan dien tijd stellen op een 2 eeuwen zoo ongeveer van 900 tot in
het begin der 12de eeuw. Deze wereldlijke machthebbers waren dus de plaatselijke autoriteiten, zij waren de rechters in crimineele en burger-
lijke zaken der ingezetenen onderling, die aanvankelijk lijfeigenen, daar-
na hoorigen en ten slotte laten of liten werden. Hoorigen vormden
een geheel met den grond, gingen met het eigendom van den grond in
ander bezit over, terwijl de laten wel is waar nog samen met den grond
of hof verbonden waren, maar toch eenig roerend bezit konden ver-
werven, erfrecht bezaten en sommige persoonsrechten der vrije mannen
uitoefenden. Voor deze laatsten bestonden destijds de zoogenaamde
laatbanken, waardoor zij in crimineele en burgerlijke aangelegenheden
berecht werden en die met voorzitting van den voogd als grondheer
door hem bezet werden. Toen nu later Roermond langzamerhand een
grooter centrum van bewoning werd, er vreemden kwamen die bui-
ten de daar geldende verhouding vielen, ontstond een wijle een dual-
istische toestand, die vaak tot wrijving aanleiding heeft gegeven,
totdat ten slotte ook dit latendom zich in burgerdom moest oplossen
en allen poirters werden met gelijke rechten in de stadsgemeenschap.
Roermond nu heeft de herinnering aan zijne oude voogden willen vast-
houden door een straatnaam naar dezen te noemen. Nog niet zoo heel
lang geleden liep immers de Voogdijstraat naar de „Voogdij" eene be-
zitting der voogden bij de Venloschepoort. Maar wat meer zegt is de omstandigheid dat het stadswapen en stadszegel het wapenembleem
der eerste oude voogden mede heeft overgenomen in het wapenschild.
Dit opnemen dateert reeds van vrij vroegen datum en is zelfs tot 1336
terug te voeren toen het stadszegel samen met den Gelderschen leeuw
de speerpunt (gleve) van den stadsvoogd opnam. Bij de beschrijving
van het stadswapen wordt daarop teruggekomen. Tot de bezitting van
de Roermondsche Voogden hebben eeuwen lang behoord o.m. de Mo-
lengriend en de Polak onder de Roermondsche Weerd, samen met het
huis Daelenbroeck, waar zij later gingen zetelen. Toen de Fransche
revolutie het feodale systeem en alles wat daarmede samenhing had
afgeschaft en Roermond bij de Fransche republiek werd ingelijfd, ver-
dwenen ook de Voogden voorgoed van het tooneel. De oudst bekende

17
bekende historici van vroeger en zelfs nog van thans hebben zich met
eene zekere voorliefde op de geldersche geschiedenis geworpen en
voelden zich daartoe aangetrokken, omdat het een brokstuk van het
verleden is, waarin het doen en laten van ons voorgeslacht in al zijne
tegenstellingen wel het scherpst wordt belicht en waarvan wij de mooi-
ste en zekerste gegevens hebben. De oudere geschiedschrijvers hebben
dan ook, toen zij de feiten niet meer vermochten te achterhalen, de
sage neergeschreven, die aan den oorsprong van dit gravengeslacht
in de volksverbeelding vastzat. En gelijk de oude koningen van Rome
van Goden oorsprong namen, zoo konden de Geldersche graven ook
geen gewone stervelingen geweest zijn. Hun oorsprong moest aan iets
wonderbaarlijks verknocht zijn. Zoo gaat dan het verhaal van den
draak van Pont, een vreeselijk monster, dat ergens in een haast ontoe-
gankelijk woud schuilplaats had en schrik en dood verspreidde in het
land. Alleen een buitengewoon man, een held, kon door zijn moed
en onversaagdheid het menschdom van dit gedrocht bevrijden. Die
man was de voorouder van de geldersche graven. Hij doodde den
draak, die snevend „Gelre" rochelde en daarmede naam gaf aan het
land, en terwijl deze sneefde onder eenen bloeienden mispelboom, viel
de bloesem van dien boom in zijn drakenbloed, dat, samen met den
bloesem, kleur en embleem van het oude stamwapen van Gelre zoude
uitmaken. Men kan nu deze legende of mythe laten voor wat zij is,
het feit, dat zij eeuwen heeft bestaan, belicht psychologisch de macht
en het aanzien, dat reeds vroegtijdig de geldersche dynastie gehad
moet hebben. Het is evenwel nog eerst een goede eeuw geleden, dat
wij met zekerheid iets meer van de origine dezer graven weten. Het
waren de Annales Rodenses", waarbij de oude geschiedenis van
Kloosterrade of Rolduc werd beschreven en welke „annales", door
den geleerden pastoor Ernst gepubliceerd, meer licht brachten.
Sinds weten wij, dat er weleer in het Vlaanderensche land 2 broeders
van edelen huize geweest waren, die het land om interne beroeringen
moesten verlaten en naar den keizer kwamen. De keizer gaf hun in zijn
rijk emplooi en stelde Gerhard te Wassenberg bij Gelre en Rutger
te Kleef in twee vacante gravenposten. Dit plaatsen te Wassenberg
wordt nu geschiedkundig vastgesteld op het jaar 1020 of 1021 en vanaf
dien tijd is de afstamming vrij regelmatig te volgen. Want de achter-
kleinzoon van dezen Gerhard was de geldersche graaf Gerhard I
† 1118, en na hem komen dan in volgorde Gerhard II † 1131, en Hendrik
† 1182, die allen evenwel met Roermond in verband in de documenten
niet voorkomen en van wien buitendien geen gegevens bekend zijn,
dat zij ook werkelijk als zelfstandige, dus regeerende vorsten voor-
komen. Otto I † 1207, de echtgenoot van Richardis, de eerste abdis
van het Maria-Munster † 1231, is nu de eerste geldersche vorst, die
in de stukken als regeerend souverein optreedt en met hem vangt,
zoolang geen verdere gegevens meer licht brengen, derhalve de meer
concrete geschiedenis van het graafschap aan. Het staat nu vast, dat
deze Otto I † 1207, te Roermond een „villa" had, die in de Keulsche
annalen staat aangeteekend als zijn „villa optima de Ruremunde",

19
vast, dat het grafelijk bezit volgens den stichtingsbrief van de Munster-
abdij van 1224 toen reeds tot het stadscomplex moest gerekend worden.
De stadswallen zijn nu daarna nog eenige malen verlegd, totdat wij
in de middeleeuwen de afronding kregen, die zich naar het zuiden en
oosten uitdeinde met wallen en grachten, die nog steeds in de straat-
benamingen der singels voortleven.
Het Maria-Munster werd daarop het centrum van de stad. Wij zeiden
daarboven, dat graaf Otto I het oude oppidum samen met het domein
van het Maria-Munster als „civitas Ruraemundensis" creëerde, welk
domein volgens den stichtingsbrief van het Maria-Munster reeds intra
Ruraemundae complexum" viel. Ook Gerhard, de stichter van de abdij,
omschrijft zijn weggeschonken praedium nog nader door vast te leggen,
dat hij zijne moeder bij zich wilde houden op zijn goed binnen Roer-
mond. Dit vallen binnen de stadswallen van het Maria-Munster met
zijn grafelijke abdis, heeft nu vrij snel op de toenmalige Roermond-
sche samenleving een grooten invloed uitgeoefend en het kon niet
anders of deze hooge geestelijke vrouwe werd de hoogste geestelijke en
kerkelijke autoriteit ter plaatse, die geen onafhankelijkheid op dit
gebied binnen Roermond kon dulden. Er ontstond namelijk spoedig
na de stichting der stad wrijving tusschen abdis en voogd, die het
patronaatsrecht van de parochiekerk met alles wat daaraan vastzat
bezat en welke parochiekerk binnen de wallen lag. In dit conflict moest
de voogd wel als mindere toegeven en hij verloor door een zoogenaam-
den verkoop van zijne rechten de bevoegdheid om den „parochus" aan
te stellen en gelijktijdig de verdere inkomsten der parochie en dit ge-
schiedde in 1268. In het oude document staat nu wel, dat de afstand
geschiedde om vrome redenen, maar het ligt voor de hand, dat dit
wel niet goedschiks geschied zal zijn. Niet alleen kwamen er nu con-
flicten om de geestelijke autoriteit met den voogd, den ouden grond-
heer, ook zijne wereldlijke macht kwam spoedig in het gedrang. De
door den graaf gegeven schepenbank te Roermond, die haar jurisdictie
binnen de wallen uitoefende en over alle daarbinnen wonende „poir-
ters" te zeggen wilde hebben, stuitte op moeilijkheden met den voogd.
Deze had namelijk binnen Roermond de curtis Swartbroeck", welke
laathof, die lag waar thans de protestantsche kerk staat, viel onder
de jurisdictie van den voogd. De laten" of litones" een soort van
halfvrijen, die aan den grond van den laathof vastzaten, waren dus
door de stichting der „civitas" te Roermond in een tweeslachtigen toe-
stand gekomen. Eenerzijds burgers, doordat zij binnen de wallen kwa-
men te liggen, anderzijds laten van den laathof, kwamen zij onder
twee autoriteiten te staan, die zich beiden wenschten te handhaven,
zoo goed en kwaad het ging. Toch kon een machtsconflict niet uit-
blijven; er moet een latenoproer geweest zijn, een soort locale revo-
lutie, waarbij de graaf als rechter en als hoogste autoriteit te pas is
gekomen. Er bestaat nu een mooi diploma, waarin de graaf recht
spreekt en waarbij de verschillende rechten van voogd, schepenen en
graaf nader worden gedetailleerd en omschreven. De laten zouden
laten blijven, zoolang zij op den laathof of de daartoe behoorenden

21
breidde en er drie zoogenaamde nederkwartieren Nijmegen, de Ve-
luwe en Zutphen, als onderdeelen bijkwamen, bleef Roermond de
hoofdstad van Gelre en werd het met zijn Costumen en Stads-
administratie als voorbeeld voor en bij de andere steden gebruikt. Het
was deze Otto, die Roermond, waar zijne voorouders hadden gewoond
en waar zijne ouders begraven werden, als zijne goede" stad beschouw-
de en waar vele van zijne regeeringsdaden, die door de oude stukken
nog bekend zijn, tot stand kwamen. Door zijn geldelijken steun en
invloed werd de bouw van de Munsterkerk snel bevorderd en hij plaat-
ste daarin het mooie praalgraf voor zijne ouders. En deze goede tra-
ditie hebben ook zijne opvolgers lang gehandhaafd. Het mag dan ook
geen verwondering baren, dat het steeds Roermond geweest is, dat als
eerste stad voor de aangeboren stamheeren op de bres sprong, wanneer
het noodig was en dit geschiedde vaak spontaan en zonder dat een
beroep op hulp vooraf noodig was. Deze constante trouw aan zijne
aangeboren stamheeren is dan ook voor Roermond niet zonder nuttig
effect gebleven, want in veel grootere mate dan dit bij de andere steden
van Gelre het geval was, kreeg het eene vrij snelle uitbreiding zijner
privilegia en gunsten. Ook in de dynastieke geschillen in den boezem
van het vorstenhuis koos het steeds de zijde van den legitiemen opvol-
ger of handhaafde tot het uiterste de rechten van den regeerenden
vorst. Na Otto II † 1271, kwam Reinald I † 1326, die door den onge-
lukkigen slag bij Woeringen in 1288 voorgoed zijne aspiratiën op het
hertogdom Limburg moest opgeven en als gevangen genomen lands-
heer, was het Roermond, dat als eerste vooraanstond en daadwerkelijk
hielp om het hooge losgeld in den kortst mogelijken tijd bijeen te
krijgen. Voor dit losgeld, dat tenslotte de graaf van Vlaanderen, de
tweede schoonvader van den graaf, voorschoot, kwam het Geldersche
land onder sequestratie en onder direct toezicht van den heer van
Valkenburg, die te Roermond resideerend, in direct contact met het
stadsbestuur van daaruit de benoodigde gelden bijeenbracht ter lossing
en het land vrijmaakte. Reinald, wiens regeering zoo tragisch begon,
heeft daarna in wijs beleid zijn land bestuurd en zocht door allerlei
middelen zijne onderdanen tot bloei en welvaart te brengen. Roer-
mond profiteerde daarvan in eerste instantie. De muntslag werd met
vergunning van den keizer in 1290 naar Roermond verlegd en bij het
verleenen van stadsrechten aan Montfort, Wageningen in 1312 en in
1316 aan Zalt-Bommel, welke de stadsrechten van Roermond kregen,
werd in de stedebrieven aan genoemde plaatsen vastgelegd, dat zij in
burgerlijke geschillen op Roermond moesten appeleeren, zoodat Roer-
mond een soort appelhof voor deze steden werd, waardoor zich later
een soort stadsrecht in het graafschap, later hertogdom Gelre, ontwik-
kelde, dat door de Roermondsche beslissingen werd geboren en uit-
gedeind. Nog heden ten dage vindt dat destijds tot stand gekomen
„Stad- en Landrecht" zoo nu en dan nog toepassing. Tragisch begon-
nen, heeft Reinald I zijn leven ook in tragiek geëindigd. Hij was in
zijne laatste levensjaren volslagen krankzinnig en werd op het slot van
Montfort tot aan zijn einde verpleegd, waar hij stierf in 1326. Men

23
het hertogdom Gelre gingen twisten en vechten, waardoor voor het
land en ook voor Roermond een zeer bewogen tijdsgewricht in de ge-
schiedenis aanbreekt. Wat door grootvader en vader moeizaam was
verkregen en langzaam opgebouwd, werd door een burgeroorlog, waar-
bij de aanhangers van beide pretendenten als landskinderen den vader-
landschen bodem vertraden en brandschatten, vernietigd en verwoest.
In aanvang was de broedertwist niet ontstaan om den hertogstitel maar
veeleer om de allodia van den hertog, d.w.z. om de privé-goederen,
waarover de vader beschikkingen ook voor den jongeren broeder had
getroffen. Tot deze goederen behoorden o.m. Zutphen en verschillende
deelen van het Overkwartier, maar de constante vererving dezer be-
zittingen op één eenigen mannelijken erfgenaam, die tevens de lands-
heer werd, had deze bezittingen zoodanig in het rijksverband opge-
lost, dat zij daarvan lastig te scheiden waren, zonder met eene verdee-
ling niet tevens ook een scheuring van het Geldersche land te creëeren.
Eduard eischte ten slotte voor zich de oude patrimonia van de Gel-
dersche graven als zijn deel op en wilde daar de landsheer worden,
waarom de strijd begon, die met tusschenpoozen tot 1361 heeft ge-
duurd. Na doode evenwel van Reinald II in 1343 hadden steden en
adel, met Roermond wederom vóórop, het bekende verbond gesloten,
waarbij zij den wettigen landsheer, zijnde Reinald III, zouden steunen.
Het eerste voorbeeld van eene poging om een dynastieke quaestie
zonder inmenging van den keizer door het land zelf met zijne stenden
te regelen. Maar het land raakte ook om andere redenen innerlijk ver-
deeld en wij weten, dat veeten van twee bekende Geldersche geslach-
ten, de Heeckerens en de Bronckhorsten bij dezen broederstrijd een
hoofdrol gingen spelen, totdat er een modus vivendi werd gevonden
in een verdrag van 1352, een garantiepact, wederom met steden en
adel gesloten, waarbij Eduard o.m. als heer van Roermond en Over-
kwartier zou worden erkend. Deze transactie werd evenwel door Rei-
nald geschonden en wel vrij spoedig, waarop de oorlog wederom los-
barstte tot ten slotte de jongere broeder Eduard Reinald beslissend
versloeg bij Tiel, waar Reinald gevangen genomen werd en elders ge-
vangen bleef tot 1371, toen Eduard, die als hertog van Gelre algemeen
erkend was geworden in een strijd tegen Brabant, dat Gulick aanviel,
bij Baeswyler na den gewonnen slag verraderlijk werd vermoord. Rei-
nald, de broeder, werd daarop uit zijn gevangenschap ontslagen en als
hertog erkend, maar leefde nog eenige maanden en stierf in hetzelfde
jaar. Met hen beiden stierf het oude geldersche gravengeslacht voor-
goed uit.
Roermond heeft dus na 1343 aanvankelijk niet zonder strijd, later vol-
gens eene overeenkomst meer direct onder de zeggingsmacht gestaan
van den jongeren Eduard en dit verklaart daarom de omstandigheid,
dat in dezen tijd zoovele gunsten en voorrechten die de stad deel-
achtig werden van hem afkomstig zijn.
Aan het einde van dit hoofdstuk gekomen, zijn nog enkele feiten te
memoreeren, welke voor de Roermondsche stedelijke samenleving van
gewicht zijn geweest. Buiten de bevestiging en vaak daarmede gepaard

25
om Adolfs zoon, Karel van Egmond, als de legitieme vorst werd uit-
geroepen en gehuldigd. Maar deze Karel van Egmond heeft heel zijn
leven lang krijg moeten voeren om zich als erkend vorst staande te
houden, waardoor onder zijne regeering het land vrijwel constant aan
krijg ten prooi was. Maar ook deze Karel stierf zonder wettig oir in
1538, waarna er weer Successiestrijd kwam en het Geldersche land
zich tenslotte verklaarde voor den Gulicker Willem II, die eene korte
wijle als hertog van Gelre tot 1543 ten tooneele verschijnt en in dezen
korten tijd zijn hertogstitel te verdedigen kreeg tegen den machtigen
keizer Karel V, die eenigen tijd gebonden door zijn strijd met Frans I
van Frankrijk, ten slotte de gekochte aanspraken op het hertogdom --
hij was een zoon van Philips den Schoone -- met groot wapen-
geweld kwam opeischen om eindelijk door het tractaat bij Venlo in
1543 Gelre tesamen met de overige Nederlandsche gewesten onder een
landsheer te brengen, waardoor daarna deze 17 gewesten als kroon-
landen van de Spaansche kroon werden beschouwd. Dit kort aperçu
laat ruimschoots zien, dat het tijdsgewricht van 1371 tot 1543 voor
Gelre en dus voor Roermond een uitermate woelige tijd geweest is.
De herhaalde Successieoorlogen, die de partijschappen der Heeckerens
en Bronckhorsten actief maakten, de onzalige familiestrijd in den boe-
zem van het vorstenhuis, de moeilijkheden der verpanding van het
hertogdom met het schisma van Luther, brachten het land in rep en
roer. Maar hoe woelig en onzeker de tijden ook waren, voor de zelf-
standige ontwikkeling der gestichte steden was een en ander niet on-
gunstig. Door den nood gedwongen en op eigen behoud vaak aange-
wezen sloten de steden onderlinge verbonden, lieten zich als machts-
factoren in het land gelden en spraken zich zelfstandig voor een lands-
heer uit, dien zij alleen als wettig vorst erkend wilden zien. Omringd
door grachten en achter hun versterkte wallen, waren de burgers eener
stad een gemeenschap geworden, waarmede de landsheer rekening had
te houden, te meer waar het geld voor het landsbestier meestal door
de burgerij der steden werd opgebracht. De nood der tijden bracht
deze stenden, de stedelijke democratie, naar boven en thans zien wij
dan ook, dat bij iedere wisseling van landsheer, de nieuwe heerscher,
na de verkregen gunsten en privilegia van voorgangers te hebben be-
zworen of nieuwe te hebben gegeven, zich moet laten huldigen door
de stadsbesturen. Het zijn thans de steden, die hare zegels aan vóóraf
goedgekeurde huwelijksacten hunner vorsten hechten, die borg blijven
voor aangegane verbintenissen van den landsheer, maar die dan ook
bij herhaling door belegering en brandschatting voor haar trouw moes-
ten boeten. In 1343 was reeds onder leiding van Roermond bij doode
van Reinald II het eerste groote stedenverbond gesloten, waarbij de
meeste steden van Gelre in den verbondsbrief zich nauw aaneen sloten
om onderling met handhaving en verdediging harer privilegia den door
haar voor legitiem verklaarden opvolger te steunen en geen ande-
ren te erkennen. Deze stedenverbonden hebben dan ook bij herhaling
daarna bijgedragen om de machtspositie in het landsverband van een
stad te handhaven en Roermond heeft daarbij steeds eene leidende

27
onaardig om hier een lijstje te geven van die conventen en godshuizen,
die meerendeels in deze periode gesticht werden of tot grooteren bloei
kwamen.
Wij hadden dan vooreerst de parochiekerk „Buiten Inop", die tot het
einde der 15de eeuw moet bestaan hebben om plaats te maken voor een
nieuwe parochiekerk op den Christoffelsberg, waarop thans de kathe-
draal staat. Met deze nieuwe parochiekerk werd begonnen in het begin
der 15de eeuw. De parochiekerk daar in „Buiten op" is het eerste gods-
huis van Roermond geweest en moet lang voor de stichting der stad
ter plaatse hebben gestaan.
Over het Maria-Munster spraken wij reeds. Officieel gesticht in 1224,
werd met den bouw waarschijnlijk reeds in 1218 begonnen. In de 14de,
15de en 16de eeuw was dit godshuis verreweg de voornaamste kerk-
bouw der stad en het rijkst aan bezittingen. Daarna volgen chronolo-
gisch de Minderbroeders in 1307 als klooster gesticht en in de 14de en
15de eeuw in hoogen bloei bekend. In 1311 werden de Begijnen buiten
den Stadswal reeds genoemd en vóór 1322 komen zij binnen de wallen
op het Begijnhof. Ook is in 1322 reeds sprake van de Beggarden, die
hun convent op den hoek van de Bakkerstraat en Swartbroeckstraat
gehad hebben. In 1344 wordt het bekende klooster Emaus of Gods-
weerd gesticht op het Deemsel, en waar thans het complex der Ursuli-
nen staat, kregen deze Franciscanessen in 1483 verlof om haar convent
te timmeren. In 1370 sticht Werner van Swalmen een kapel,het huys
Bethleem" bij de Steeg en vlak daarbij bouwt zijn broeder Robinus
in 1376 de Kartuizers, waar thans het Seminarie staat. In 1389 wordt
reeds gesproken van het Predikheerenhuis in de Munsterstraat. In
1409 bestond reeds de broederschap van St. Cornelis, genoemd naar
de kapel, die in 1422 aan de Kruisheeren werd overgedaan. In 1437
sticht Johannes van Loeven (de Lovanio) het klooster der reguliere
kanunniken van den regel van St. Hieronymus in de Jezuietenstraat
waar thans de burgerschool ligt en waar ook Jezuieten vroeger hebben
gehuisd. In 1463 wordt het klooster van Mariagaerde gesticht naar de
orde St. Augustinus, terwijl ongeveer ook in dezen tijd het klooster
Maria-Wee ontstaat, waarvan het klooster oorspronkelijk ook buiten
de stad bij den Molenberg, ongeveer waar thans de Kathedraal staat,
gelegen heeft, daar in 1412 gesticht door de hertogin Maria. Hertog
Karel gaf aan de nonnetjes van Maria-Wee verlof om in de stad te
komen en zich te vestigen in de Veldstraat. Dan was er de H. Geest-
kapel, waarin de uit St. Odiliënberg verdreven kanunniken in 1361 ver-
gunning tot vestiging van den Roermondschen magistraat hadden ge-
kregen. De kapel zelf, die op den hoek van Munsterstraat en H. Geest-
straat gelegen was, stond er reeds eeuwen tevoren en had behoord aan
de hospitaalbroeders van den H. Geest, die zich de liefdadigheid en
ziekenverpleging met de stedelijke armenzorg aantrokken en de Kapel
van het St. Jorisgasthuis hadden op den hoek van het Munsterplein,
waar thans het Munsterhotel staat. Dit St. Jorisgasthuis was reeds om-
streeks 1259 bekend. Al deze godshuizen met hun aanhang, waarnaast
nog verschillende vrome vereenigingen kwamen met religieuzen onder-

29
der 15de eeuw schijnen er bij herhaling wrijvingen tusschen magis-
traat en de gilden te hebben plaats gehad, die tot relletjes en oproe-
ren aanleiding hebben gegeven tot ten slotte in een convenant van
1449, door den magistraat met de gildenbesturen gesloten, een regeling
werd getroffen, waarbij aan de gilden medezeggenschap en contrôle
op den gang der gemeentelijke aangelegenheden werd toegekend. Bij
het oude stadsbestuur zouden 6 mannen worden gevoegd uit de gilden
en door de gilden zelf gekozen om speciaal op het finantieel beheer
van den peyburgemeester te letten, en -- waar het voornamelijk om
ging -- het stadszegel moest afgesloten worden in een kastje met drie
sloten op grendel, waarvan een sleutel de magistraat kreeg, een sleutel
de werkmeesters der gilden onder berusting hadden en de laatste sleu-
tel bij de nieuwtoegevoegde zesmannen in bewaring bleef. Dit stads-
zegel, dat, wat wij reeds zagen, gebruikt werd om aan de Roermondsche
waar cachet te geven, maar ook voor alle officieele stukken der stad
moest gebruikt worden, kon voortaan dus slechts onder contrôle van
3 menschen voor de diverse doeleinden gelicht worden.
Veel later in de 16de eeuw werd het Stadsbestuur nog aangevuld met
10 mannen, uit de gilden door de gilden gekozen, die het stedelijk
bestuur bij de administratie moesten helpen. Uit het voorgaande is
nu bij de geleidelijke ontwikkeling van den stedelijken magistraat te
constateeren, dat de eigenlijke medezeggenschap der burgers in het
stadsbestuur eerst bestond in het recht van eigen schepenen, die met
wat stedelijke administratie erbij, alleen rechtspraken, te mogen kie-
zen, waarbij later de door de burgers gekozen raadslieden kwamen,
die de eigenlijke stadsadministratie kregen buiten de rechtspraak, maar
dat daarna het gildewezen op de stadsadministratie ten slotte een
grooten invloed ging uitoefenen. Men kreeg derhalve dezen toestand,
dat de schout de grafelijke vertegenwoordiger was in het stadsbestuur,
die de vonnissen van de schepenbank uitvoerde en de strafrechter bij
zware misdrijven voor den landsheer bleef, de schepenbank het rech-
terlijk college, dat de twistgedingen der burgers beslechtte, maar ook
het publieke lichaam was, waarvoor alle publieke acten gepasseerd
moesten worden, terwijl de huishoudelijke aangelegenheden der stad
verzorgd werden door den raadsburgemeester, geholpen eerst door de
raadslieden en later door de gekozenen uit de gilden.
Naast dezen religieuzen en administratieven opzet van de Roermond-
sche samenleving had zich ook de handel in de stad en naar buiten
in de 14de eeuw snel ontwikkeld. Bij de stichtingsbrieven kregen de
steden bijna altijd haar jaarmarkt gepatenteerd, maar Roermond had
reeds in 1372 3 groote jaarmarkten, die wijd en zijd bekend waren en
deze 3 jaarmarkten werden gehouden op Dinsdag na Pinksteren,
waardoor de Kermis ontstond, op St. Remigiusdag op 1 October en
Sinte Barbara op 4 December, ironisch de Barbarenmarkt genoemd.
De markttijd duurde 6 dagen en wel 3 dagen vóór en 3 dagen ná
vermelde dagen, waarop Roermond vol vreemdelingen was en de
marktplaats en ook elders gevuld was met tenten en kramen. De jonge
hertog van Gulick gaf nu nog een 4de jaarmarkt erbij, maar deze

31
Door het snel partijkiezen voor den jongen Willem van Gulick als
landsheer heeft Roermond de politieke euvels aan den lijve gevoeld.
De aanhang van Mechteld van Gelre met de partij der Heeckerens be-
rokkende in dien burgerkrijg den Roermondschen handel veel schade,
en hun legers kwamen vaak tot voor de wallen van Roermond, na het
omliggende land gebrandschat te hebben. Dit duurde zoo ongeveer tot
1377, toen Mechteld gedwongen werd om van hare aanspraken op het
hertogdom Gelre afstand te doen. Maar erger werd het daarna toen
de oude aartsvijand van Gelre en Gulick weer krijg begon te voeren
om bezitsquaesties over Grave, waardoor Brabant met Gulick over-
hoop lag. De Brabanders hadden in dezen strijd Fransche hulp gekre-
gen en een groot leger van Franschen kwam Roermond belegeren in
1387, wel is waar zonder resultaat van inname maar toch niet zonder de
noodige schrikaanjaging, die de magistraat noodzaakte om de parochie-
kerk, destijds nog in „Buiten op" staande, te slechten en veiliger bin-
nen de stadswallen op te trekken. Buitenop was wel door Maas en
Roer beschermd met wat lagere omwalling maar bleek toen toch
een gevaarlijk punt. Dit beleg was dan ook voornamelijk de reden,
waarom de parochiekerk ter plaatse voorgoed verdween en op den Christoffelsberg werd gebouwd, die binnen de zwaardere omwalling
der stad lag. De vrede met Brabant kwam weliswaar in 1390 tot stand,
maar de oorlog barstte opnieuw los in 1397 en werd voor Roermond
gevaarlijker, wijl de electbisschop van Luik tegen zijn zwager Willem
van Gelre en Gulick partij koos en samen met de Brabanders en Lui-
kenaars Roermond ging belegeren. De troepen hebben toen eenige
maanden voor Roermond gelegen, dat van de buitenwereld afgesloten
een kleinen hongersnood gekend heeft. Bij beide belegeringen was de
Geldersche hertog te Roermond aanwezig en leidde de verdediging.
Willem stierf in 1402 en een historicus uit de 17de eeuw vertelde van
hem, dat zijn strijdlust niet door de jaren werd getemperd en zijne her-
innering als een goed en dapper regent bleef voortleven. Onder Reinald,
zijn broeder, die hem opvolgde was het buitenaf wat rustiger maar de
angst voor het kinderloos overlijden van dien landsheer met al de
euvels van eenen nieuwen successie- en tegelijk burgerkrijg bracht de
steden tot het bekende convenant van 1418, waarbij bijna alle steden
en het meerendeel der ridderschap van Gelre reeds tijdens het leven
van Reinald zich aaneensloten om slechts den landsheer te erkennen en
te huldigen, dien de meerderheid accepteerde. Door dit stedenverbond,
dat Reinald in 1419 moest bekrachtigen, verdween voorgoed het vorste-
lijk absolutisme op dit gebied en werd geen landsheer meer erkend of
gehuldigd, die niet vooraf door de stenden, wat de steden en de adel
waren geworden, was gekozen. In 1423, toen Reinald IV ter ziele ging,
sprak Roermond zich een oogenblik uit voor Adolf, hertog van Berg en
Gulick, een der drie pretendenten, maar legde zich daarop bij de keuze
der meerderheid neer, die zich voor Arnold van Egmond had ver-
klaard. Eenmaal nu als landsheer aangenomen, bleef Roermond Arnold
trouw, ondanks de reeks van moeilijkheden en gegronde grieven, die
speciaal Roermond tegen dien landsheer opwierp en het liet hem niet

33
en de omgeving tot 1499 in oorlogstoestand bracht, waarna een korte wapenstilstand werd gesloten die weer eindigde toen Philips de Schoone
in 1504 Gelre trachtte te heroveren en in het noorden reeds verschil-
lende steden had ingenomen. Karel van Egmond bestookte toen
vanuit Roermond, dat in zijn macht bleef en waar hij zich ophield, Brabant
en de Meyerij. Toen Philips de Schoone daarop vrij plotseling stierf,
kon hertog Karel met Fransche hulp het meerendeel van Gelre weer
heroveren. De politieke rust keerde evenwel niet terug, ondanks de onderhandelingen door Maximiliaan gevoerd om Karel het noordelijk
deel van Gelre toe te kennen, terwijl Maximiliaan Roermond zou krij-
gen, maar een en ander stuitte af op den onwil aan beide zijden en
de strijd bleef voortduren tot 1513, in welk jaar een verdrag tot stand
kwam voor 4 jaar, waarbij Karel van Egmond hield wat hij in zijn
macht had en dit was het grootste deel van Gelre. Dit verdrag werd
om de 4 jaren telkens vernieuwd tot 1528, waarbij na doode van
Maximiliaan keizer Karel V met hertog Karel van Egmond overeen-
kwam, dat deze laatste zijn hertogdom Gelre kon behouden, maar na
doode zonder wettig mannelijk of vrouwelijk oir, op den keizer moest
vererven. Deze strijd voor en rondom Roermond, waarbij de stad
in groote schulden was geraakt, bracht verder nog een belangrijken
schadepost voor Roermond mede, doordat de stad het lucratieve sta-
pelrecht verloor dat van Roermond naar Venlo verplaatst werd door
eene beslissing van den hertog zelf in 1523, die Venlo wenschte te be-
voordeelen, omdat het aan deze stad zou gelegen hebben, dat het Ove-
rkwartier destijds in 1510 niet door Bourgondische troepen was ver-
meesterd. Een kleine vergoeding daarvoor kreeg de stad evenwel in
1527, voor de groote schade die zij in oorlogstijd had opgeloopen, door-
dat zij den stedelijken muntslag van gouden en zilveren munten
kreeg, waarop zij, na keuze tusschen hertogelijk of stadswapen, het
stadswapen mocht slaan. De stad sloeg toen als spreuk op haar geld
het Aequitas judicia tua Domine", wat naderhand haar devies zou
worden. De erfenisregeling met keizer Karel bleef hertog Karel hinde-
ren en in het geheim begon hij met den Franschen koning onderhan-
delingen over den afstand van Gelre na zijn dood. Maar het geheim
tractaat van 1534 bepaalde, dat de 4 hoofdsteden met den adel van
Gelre, de overeenkomst vooraf moesten goedkeuren, wat binnen 3
jaren moest geschieden. Karel stelde deze goedkeuring steeds uit, tot-
dat op den bekenden landdag te Arnhem der Stenden of Staten van
Gelre, de overeenkomst met Frankrijk nadrukkelijk werd verworpen
en zij verklaarden na doode van Karel een zelfstandige keuze van
landsheer te zullen doen en dit werd nog eens op den kwartierdag
te Roermond in 1537 herhaald, toen steden en ridderschap ook deze aangelegenheid ter sprake brachten. Hertog Karel moest zwichten voor
dit gezamenlijk optreden zijner onderdanen, na nog eens in 1537 al de
privilegia van Roermond te hebben bevestigd, spraken de steden en
ridders zich te Arnhem in 1538 uit voor Willem hertog van Gulick en
Kleef als toekomstigen landsheer, die nog in 1538 bij het overlijden van
den ouden hertog, overal als landsheer werd gehuldigd en in Roer-

35
ROERMOND EN GELRE VAN 1543 TOT AAN DEN FRANSCHEN TIJD
door
A. F. VAN BEURDEN
§ 1.
ROERMOND ONDER KAREL V 1543-1555.

K
AREL V, geboren te Gent 24 Februari 1500, de almachtige
regeerder van een wereldrijk, waarin de zon niet onderging, dominateur in Europa, Afriquen, Asien en de landen van
Overzee, had ten slotte het verzet van de Geldersche Herto-
gen Karel v. Egmond (1477-1538) en zijn neef Willem van
Gulick, Kleef en Berg (1538-1543) kunnen breken. Het had harden strijd
gekost; de onderzaten hadden daarbij veel geleden.
De stad Düren had standvastig geweigerd zijn gezag te erkennen en zijne centralisatieplannen tot het laatst gedwarsboomd. Zij steunde Willem,
die echter tegen het machtige leger des Keizers niet opgewassen was.
Op 24 Augustus 1543 werd Düren ingenomen. Het werd geplunderd en
in brand gestoken, waarbij de in de stad gebleven bevolking vermoord
werd. Overwinnend trok het leger naar Gulick, Sittard, Heinsberg, Was-
senberg, Susteren en Roermond, die het beste deel verkozen en vrij-
willig de poorten openden.
Op 2 September 1543 hield de Keizer, met Réné van Oranje en andere
hooge heeren naast zich, zijn intocht in de Roerstad. Maar Venlo bleef
de erkenning van Karels oppergezag weigeren. De Keizer trok daarop
met zijn leger voor deze stad en deed haar door een heraut opeischen,
die onverrichter zake terugkeerde. Men richtte zich in het keizerlijk
leger in op een regelmatige insluiting en een beleg, voerde steenwerpers,
geschut en ladders aan -- maar men moest ondervinden, dat de Venlo-
naars sterk in den tegenweer waren. Willem van Gulick zag in, dat hij
het onderspit moest delven en Venlo zou vallen en begaf zich daarom
met den graaf van Holstein, den Coadjutor-Bisschop van Keulen, den
graaf van Meurs en Dr. Johannes Gropper naar het veldleger waar hij in
de tent van zijn grooten tegenstander nederknielde en hem vergiffenis
vroeg. Maar de Keizer liet hem in knielende houding zitten, sprak geen
woord tot hem en verliet de tent. Venlo ging over, maar de flinke verde-
diging had zoodanigen indruk gemaakt, dat ook Roermond en het Over-
kwartier goede voorwaarden verkregen. Uit de onderhandelingen werd
een verdrag geboren, de vrede van Venlo van 11 September 1543, geslo-
ten tusschen Keizer Karel V, de baanderheeren of banierdragers, de
ridderschap en de steden van Gel-









37
tinnen kannen vol kostelijken wijn, welke in de wandeling „de twaalf
Apostelen" genoemd werden. Ook werden er op de Markt heel wat
teertonnen op staken als vreugdevuur verbrand.
Karel V was in 1549 de Regeering moede en deed zijn zoon Philips
naar de Nederlanden komen, om hem overal als zijn toekomstigen
opvolger te doen huldigen en de privilegiën der steden en der ingeze-
tenen te bezweren. Dat geschiedde snel achter elkander; te Nijmegen
17 October 1549, te Venlo 19 October 1549, en hier te Roermond 21
October van dat jaar. Tusschen die huldiging ligt telkens maar één
reisdag, wat bij de slechte verbindingswegen niet ruim gemeten is,
zoodat men kan zien, dat er gang achter gezet werd.
In het toenmalige maatschappelijke leven speelde nog steeds eene in-
stelling ná  den Merovingischen tijd door een anderen Karel, n.l. Karel
den Groote, ingevoerd, het leenstelsel, een rol, wel niet zoo ingrijpend
als in de middeleeuwen, maar er moest toch nog op vele plaatsen
rekening mede gehouden worden. De leenman of beleende kreeg stuk-
ken land, vaste goederen of jachtrechten van den Vorst, die eerst zeer
groote eigendommen door den krijg verkregen had, ter leen. De be-
leende moest daarvoor zijn leenheer gewapenderhand bijstaan. Lang-
zamerhand werd deze hulp vervangen door een opbrengst in natura
of in geld, te betalen bij overgang door dood, huwelijk of anderszins,
aan erfgenamen of verwanten. Aldus hielden de Heeren een leenacten-
boek, waarin de overgangen en vernieuwingen opgeteekend werden,
zooals er van het Overkwartier en Roermond in het Rijksarchief te
Arnhem nog aanwezig zijn.
De tijdelijke bezitters der leenen, heerlijkheden en grootere eigendom-
men, splitsten de hoofdleenen weer in onderleenen. Dit stelsel was door
den loop der eeuwen heen diep in het volksleven ingedrongen, maar
was in de nakoming der verplichtingen over het algemeen zeer verzwakt
en de rechtspraak daarover was zeer verward op dit punt.
Keizer Karel V maakte zich een naam door dit alles beter te regelen.
Daarom gaf hij aan de Regeering te Arnhem uitspraken over het leen-
recht d.d. 10 September 1547 in 18 artikelen en 10 October 1547 een
reglement op dit stuk.
Dat dit ook voor Roermond van gewicht was, willen wij hier aanstip-
pen door eenige hoofdleenen die „ten Gelrischen of ten Gulickschen
rechte" bestonden en in het Register van leenactenboeken te Arnhem meergenoemd op no. 82 tot en met 87 aangeteekend zijn.
Geldersch leen: „die Voochdije van Roermond met erve, guede, molens, visscherij, molengrient samen met het huijs Daelenbroeck." Oorspron-
kelijk staat dat leen geboekt op Godert van Vlodrop, voogd a°. 1402
en liep door eeuwen heen verder op de verschillende latere beleenden
uit het geslacht van Vlodrop, tot de Stad Roermond het door aankoop
verkreeg.
De voochdije bezat ook een eigen laetbanck, zich uitstrekkende over
een deel der eigendommen op de Swalmerstraat, voor welker „laeten"
of bijzitters erven overgebracht konden worden, waarvoor een bedrag


39
giften gegeven. Dit was een stap in de goede richting tot verheffing
der stad. Omtrent de scholen zal in een andere bijdrage uitvoeriger
gesproken worden.
Maar nu kwam over de stad een groote ramp, die haar jaren en jaren
in hare welvaart terugzette.
Op 15 en 16 Juli 1554 verbrandde het voornaamste en rijkste deel
der stad. Niet door versuijm van vuijr, maar door moortbrant" zooals
wij nader zullen zien uit een proces, berustend in de Rijksarchieven
te Arnhem en door Dr. J. S. van Veen uitgegeven.
Op bevel van den „viant", hadden zes boosdoeners den 14en Juli 1554
des nachts de muren met ladders beklommen aan den weidekant en
lange smeulende vuurpoppen gelegd bij de Pastorie aan de Hoogkerk,
bij de Kartuis op de Swalmerstraat, ook in een hooiberg en in een
klein strooien huisje.
De brand brak eerst den volgenden dag, 15 Juli tegen den avond, uit
en liep schielijk voort, gevoed door de strooien en rieten daken en de
vele houten gevels. Een gedeelte van de St. Christoffelkerk verbrandde,
alsook de H. Geestkerk, het Stadhuis, de Kruisheerenkerk bij de Ham-
straat, met Swalmer- en Oliestraat; de tusschengelegen straten lagen in
puin; totaal vernield werden 900 huizen. Overal jammer en verslagen-
heid. Daarop volgde negen dagen later, op St. Jacobsdag, een hevige
storm; de nog recht staande muren werden omgesmeten.
De Regeering met het Stadsbestuur namen onmiddellijk maatregelen om
nieuwe noodwoningen te stichten; de ingezetenen, wier huizen vóór den
winter niet hersteld konden zijn, werden in de Kartuis ondergebracht.
Men vreesde, dat een goed deel der inwoners weg zou trekken. De plat-
telandsbewoners werden opgevorderd met paard, kar en schop om het
puin uit de stad te brengen. Men gaf toeslag voor het leggen van harde
daken en voor den herbouw. Velen waren geruïneerd, want de brand-verzekeringen ontstonden eerst eeuwen later, zoodat een brandongeluk
voor de meesten geheele ondergang beteekende. Wij willen er aan her-
inneren, dat vele steden in de middeleeuwen door groote branden
geteisterd werden. Dit lag aan het veelvuldig gebruik van hout als
bouwmateriaal, de open lage schoorsteenen, de nauwe straten en het
totaal onvoldoende brandbluschmateriaal. Ook Gelder, hoofdstad der
„Vaechdij", was zeven jaar te voren op 2 Mei 1547 door misdadige
handen in brand gestoken en geheel vernield.
De misdadigers werden, evenals die van Roermond, later opgespoord,
gepijnigd en gehangen. Maar dit kon den achteruitgang dier steden niet tegenhouden, alhoewel de nabuursteden naar vermogen bijsprongen.
Karel V ging gebukt onder de tegenslagen en teleurstellingen en
wenschte voorgoed de kroon en den schepter aan zijn zoon over te
geven, als vroeger reeds vermeld. Hij nam in Brussel plechtig afscheid
van zijn Nederlandsch volk in 1555 en in 1556 van 't Spaansche en
Duitsche. Hij trok zich toen in kloosterlijke eenzaamheid terug in
St. Just bij Placencia in Estramadura en stierf aldaar den 21 September
1558.
Hij werd in de Nederlanden, in Spanje, Italië en de Koloniën opgevolgd

41
hoofd der beweging stond. Ze waren Peter Bex, Thys Severyns, Hendrik
van der Smitzen en Hendrik van Aa.

De gevolgen bleven niet uit. Het zwakke bestuur der stad nam weinig tegenmaatregelen en dan nog alleen onder herhaalde aanmaning van
boven. In Roermond werd de beeldenstorm voorbereid en brak ook daar
uit in 't najaar 1566, later dan op andere plaatsen. De Regeering trad tus-schenbeide. Alva was verschenen en de indagingen begonnen. In Roer-
mond moesten allen, die verdacht werden de hervorming begunstigd te
hebben of aan de beeldstormerij medegedaan te hebben, voor den Kan-
selier Adriaan Nicolaï en den raad Joost van Cranevelt verschijnen, na
door den Schout daartoe opgeroepen te zijn. De meesten, ten getale van
honderd twintig, verschenen niet, daar ze gevlucht waren. Zij werden
voor eeuwig uit deze landen verbannen en verloren al hunne goederen.
Achttien werden er bijzonder vervolgd, omdat zij aan den beeldenstorm medegewerkt hadden. Peter in den Iseren Craem had o.a. den predi-
kant in de stad gehaald en had koster gespeeld; hij had zelfs ijzeren
koevoeten laten maken, om alles beter te kunnen vernielen. Hendrik
van Wessem had den beeldstormers een brief van den Prins van Oranje
laten lezen, waarin stond, dat men den beeldenstorm moest toelaten.
Jacob Craetzpot had de kerk mede opengebroken en een kelk gestolen.
Hendrik van Aa was een der eerste ophitsers der ketters geweest tot
zij naar de wapens grepen. Schram van Dulcken had de preek bijge-
woond, voorzien van een geladen geweer. Peter Tessers had een ton
bier gegeven aan de beeldstormers. Peter Bijlemaker had de geuzen bijeengetromd en opgevorderd de preek bij te wonen. Hendrik van der
Smitsen, de apotheker, was ook van de partij geweest. Al deze opge-
noemden behoorden tot de beter gestelde inwoners of poorters van
Roermond. Onder de eigenlijke handdadige beeldenstormers kwamen
meer onbekende volksnamen voor of wel voornamen van personen
met het beroep van metselaar, handlanger, snijder, enz. De vernieling
en verwijdering der beelden, het schenden der kerken, had men aan het
onkundige volk overgelaten; het schijnt, dat er te Roermond ook
vreemdelingen mede geholpen hebben, alhoewel het gewone volk daar
ook naar den raad der predikers luisterde, om alle houten en steenen
beelden, gekleurde glasramen en gewijde vaten te vernielen. Vele kunst-
schatten zijn toen te loor gegaan. Het pardon van 16 November 1569
door de regeering uitgeschreven verzachtte de zware straffen.
Maar er kwam eene kentering in den lande en ook in Roermond. Filips
was diep verontwaardigd over den beeldenstorm en zond een zijner
beste veldheeren den gestrengen Don Alvarez de Toledo, hertog van
Alva, met een leger van 14000 krijgslieden als wreker der misdaden
aan het erf en goed der Kerk begaan. Dat bracht er den schrik in. De
edelen met Willem van Oranje en allen die maar eenigszins aan den
ommekeer medegeholpen hadden vluchtten uit het land; het verdere
verloop kent men uit de Roermondsche kronieken: 120 gevluchte
personen, onder wie 18 beeldstormers, werden berecht „met goede
justitie, nae gesteltenisse en yeders misdaet, alle overvloedige
dilationes affsnijdende ende wederleggende." In Roermond kon men

43
op 8 November 1576. De hoofdbepaling was de vrije uitoefening van
den Katholieken Godsdienst en opheffing der gestrenge placcaten.
Don Louis de Requesens beoorloogde de Staten nog op eigen hand.
29 October 1573 verdween de Hertog van Alva van het tooneel, hij
werd opgevolgd door Don Louis de Requesens, een Castiljaan, zieke-
lijk, meer staatsman dan soldaat. Deze bedacht Roermond met een
groot garnizoen en plaatste er 8 September 1574 vier compagnieën
Duitschers ten getale van 1600 man, aangevoerd door Blasius van
Vegersheim, een luitenant van kolonel en overste v. Pollweiler. De stad
kwam nu nog erger in de ellende te zitten. De Duitschers bleven 5 jaren
in de stad en sloegen af en toe aan 't muiten wegens niet betaling der
soldij; dat tijdperk heeft nog lang in de herinnering der Roermonde-
naars voortgeleefd.
Pollweiler trad als dictator op, stoorde zich niet aan het stadsbestuur en
liet zijn soldaten hun gang gaan. Hij en zijn adjudant hebben de stad
uitgezogen en verarmd; in 1575 sloten zij den magistraat in de kerk op.
Het was zoo erg, dat men de Pollweilerschen met geweld wilde ver-
drijven. Drie Geldersche vendels trokken op de stad af. Hohenlohe
bracht er nog troepen bij, maar de belegering had geen succes, men kon
niet in de stad komen, al had ze ook droge grachten en wrakke muren.
Van Vegersheim ging voort alle inkomsten der stad tot zich te trekken.
De vereeniging der zuidelijke katholieke gewesten onder Spanje volgde
door de Unie van Atrecht, die der opgestane gewesten in 1579 door de
Unie van Utrecht. Onze gewesten bleven door Spanjaarden bezet,
alleen Venlo sloot zich bij de Staatschen aan.
Eerst in het begin van Januari 1579 maakte Pollweiler aanstalten om te
vertrekken en ging hij het ambt Crieckenbeck, Tegelen, Kaldekerken en omstreken gelukkig maken. Zijn adjudant van Vegersheim bracht de
sleutels der stad terug en reikte ze aan de burgemeesters van Hertevelt
en van Nederhoven over, maar niet zonder dat hij de stad nog een tijd-
lang f 18 per week voor zich afgeperst had. Nadat de troepen allerlei
schandalen gemaakt hadden, marcheerden ze 17 Maart 1580 af. Hierbij
staat in de chronieken nog als bijzonderheid vermeld, dat het dadelijk
daarna drie dagen en drie nachten zoo gestortregend heeft, dat het
scheen of de natuur medewerken wilde, om het Pollweilersche vuil in
eens uit de stad te spoelen.
Den 9den Februari 1580 had de Hertog van Parma opnieuw in naam des
Konings voor het Overkwartier een afzonderlijk Regeerings- en Rechts-
college gevestigd en als standplaats Roermond aangewezen n.l. den
Souvereinen Raad of het Hof van Gelderland. Deze zou, met den Stad-
houder aan het hoofd, bestaan uit een Kanselier (Willem Criep), twee
adellijke raadsheeren, zes gewone raadsheeren, een momboir of fis-
kaal, een griffier en een leengriffier; de domeinen werden door de
Rekenkamer, ook te Roermond gevestigd, bestuurd.
Zooals we gezien hebben hadden de ingetreden oorlogstoestand, de Pollweilersche soldatenregeering, die de stad tot ruïne en den bedel-
staf gebracht had, en de niets ontziende afpersingen der soldatenbende,
de stad tot een noodtoestand gedreven. De Roermondsche bestuurders

45
meenen ondergang en deed dit door concessies, die haar zelf niets kost-
ten, en den last op den handel legden. Roermond kreeg het recht, om
hoogeren tol te heffen van voorbijgaande schepen, maar de schepen
van vreemde plaatsen waagden zich niet langs de oeverbezettingen
der vijandelijke benden te varen, zoodat de tollen niets opbrachten.
Evenzoo werden groote markten ingesteld, maar vreemden durfden
die niet bezoeken. Zij stelden zich niet aan het gevaar bloot onderweg uitgeplunderd te worden en de boeren hadden bijna geen vee meer en verschenen niet.
De economische toestand der steden en van het platteland in het Over-
kwartier was bedroevend en wie op een spoedig einde van den stuur-
loozen toestand gehoopt had, vond zich bedrogen. Koning Filips zag.
dat het strijden tegen den wassenden stroom van opstandigheid een titanenarbeid dreigde te worden en dacht dit deel van zijn groot rijk
door een afzonderlijke regeering tot rust te kunnen brengen.
Lindanus, de bisschop van Roermond, was overal werkzaam, om de
verdoolde schapen terug te voeren. De onverschrokken zorg des her-
ders werd, waar hij kwam en predikte, veelal met goed gevolg be-
kroond. Zoo was hij te Weert werkzaam, dat door den afval zijner
heeren zeer aangetast was. Hier voldeden in 1584 met Paschen 4160
burgers aan hun Paaschplicht, het jaar te voren slechts 1800. Lindanus
reisde nog eens naar Rome in 1584, om den Paus den ongelukkigen toe-
stand van zijn bisdom en vaderland uit te leggen. Eerst in 1585 keerde
hij terug. De verdienstelijke Kerkvoogd trad daarna te Gent op en
overleed daar spoedig 2 November 1588. Zijn aandenken blijft nog
altijd in Roermond in zegening. Zijn wapenspreuk was: quae sursum
sunt, quaerite", „zoekt de bovennatuurlijke dingen". Die spreuk heeft
hij ten volle waar gemaakt door zijn eigen voorbeeld. De bisschops-
zetel bleef open tot 1599.
Op het stadhuis wordt een verguld zilveren beker bewaard; hij is af-
komstig van hoog bezoek aan de stad op 8 Maart 1588 van den jongen
„Fürst van Gülick", hertog Johan Willem van Gülick en zijne gemalin
prinses van Baden, die door de Stad wèl ontvangen „ende gedefroijeert"
werden. De beker is met het deksel 54 cM. hoog.
Verschillende waardige priesters werden tot opvolger van Bisschop
Lindanus nus benoemd, Langecrucius, Bervoets, maar deinsden er voor
terug, omdat de toestand zoo allertreurigst was en bijna geen bronnen van inkomen voor onderhoud te vinden waren.
Het vieren van den dag der inwijding der hoofdkerk, de kermis, was
algemeen. Openbare vermakelijkheden, vertoon van publieke spelen, potsenmakerijen, tentoonstellen van allerlei koopwaren waren op die
dagen aan de orde. Een gedeelte van het Roermondsche stadhuis en de
hal werden tijdelijk door de kramers in gebruik genomen.
De Roermondsche kermis werd eertijds met Pinksteren gehouden,
maar bij octrooi van 11 Juli 1597 werd de kermis verlegd naar den dag
van de H. Drievuldigheid tot voorkoming van „velerley overtreding en irreverentie", ook om de overtredinge van den quatertemper-vasten-
dach", „doer het overcommen van vrunden totter kermisse ende jair-

47
vereeringen hij kreeg en hoe men daarvoor zalmen leverde, die in dien
tijd nog veelvuldig voorkwamen.
Het volgende jaar op 25 September 1603 kwam Aartshertog Albert
voor de tweede maal te Roermond, met den hertog van Aerschot en
de principaelste heeren" dezer landen. Ook toen was de ontvangst
schitterend en alle bedienden van den hoogen heer kregen vereeringen
in geld en er werd veel wijn uitgedeeld. De hertog van Aerschot kreeg
de 12 Stadscruijcken of de 12 Apostelen vol wijn. 1 October trokken
de hooge heeren naar 's-Hertogenbosch, om te trachten dit te ontzetten.
Behalve de drukke inkwartiering had de Stad in 1605 nog eene ramp
te verduren. Op Paeschmaandag, schrijft de Chroniek, „isser bynnen
„Ruremunde alsulcken storm van windt geweest, dat er onuytspreecke-
„lijke schade aen alle kercken ende cluijsen geschiet is."
In 1607 kreeg Roermond nu ook eens een Duitsch garnizoen van 200 manschappen, dat zich uitstekend gedroeg en de burgerij volkomen
met rust liet. Dat was eene verlichting na al die zware afpersingen.
Toch rebelleerden in 1609 weer soldaten en deden de burgers over-
last aan. Tot afschrik werden enkele hoofddaders ter dood verwezen.
Hoe geloovig de Magistraat en het volk destijds waren blijkt uit het
volgende. In 1605 woedde in Roermond de plaag dezer landen, de pest
of zwarte dood. Den 16den Juni 1605 schreef de magistraat aan Bis-
schop Cuijckius, dat hij vier jonge dochters uit de stad aangemoedigd
had eene bedevaart naar O. L. Vr. van Scherpenheuvel te ondernemen
en daar voor de geheele stad te bidden „opdat die schouwende sieckte
der peste genedichlich van onsen Hern Godt affgenomen mach wor-
den". Men wilde honderd gulden offeren of een zilveren figuur van
St. Christoffel. Men besloot tot het laatste, dat door den goudsmid
Michiel Swerin gemaakt werd.
Het bestuur der Aartshertogen had verademing gebracht. Er zou nog
een beter tijdperk aanbreken, waardoor aan al de rampen een einde
kwam, tenminste gedurende 12 jaren.

§ 4. HET TWAALFJARIG BESTAND 1609-1621.

Bisschop Cuyckius overleed 9 October 1609. Petrus Pollius was vicaris
tot 1611.
De Aartshertogen sloten 9 April 1609 het twaalfjarig Bestand met
de Algemeene Staten, en aldus kwam er ook voor Roermond tot
1621 betrekkelijke rust. Roermond had als hoofdstad van het Over-
kwartier in 1609 al bijna 40 jaren midden in den oorlogsbrand gestaan
en het volk was daardoor moreel gezonken en tot armoede geraakt.
Om de moreele verheffing van het volk te bereiken was het zoo goed,
dat in 1610 de Jezuïeten hun College in Roermond openden en de
Latijnsche scholen overnamen.
Vermelden wij nog dat vooral op het platteland, maar ook in de steden
en te Roermond de heksenvervolging zich als een aanstekelijke ziekte
opdrong en de hoofdstad daarvan een ruim deel kreeg. Er werden hier


49
Het verraad van graaf Hendrik van den Bergh, Stadhouder van het
Overkwartier, en den graaf van Warfusée, beiden vertoornd over
volgens hen ondergane achteruitzettingen, maakte de kansen voor
Spanje om te behouden wat men had, nog slechter. Frederik Hen-
drik maakte daarvan gebruik en veroverde Venlo en Straelen. Het
geld voor het verraad, zijnde 200.000 kronen en verdere vergoe-
dingen werden door den raadspensionaris Pauw te Venlo betaald. Ook
was daarvan het gevolg, dat Ernst Casimir Roermond ging belegeren,
dat 5 Juli 1632 werd veroverd. Hij zelf sneuvelde aan de Bress, bij 't Ge-
broek, dus niet aan de tegenwoordige Maasnielder poort, zooals men
wel meer heeft beweerd. Vondel dichtte een lijkklacht op hem.
De burgemeester Peter Bossman gaf in dit beleg steeds het voorbeeld
van een „manhaften" burgemeester, maar door gebrek aan ammunitie
was de stad niet te houden. Ze werd door die inname Staatsch.

§ 4. ROERMOND INGENOMEN EN ONDER STAATSCH BE-
STUUR. 5 JUNI 1632 - 4 SEPTEMBER 1637.
De Staatschen waren nu meester en bleven dit vijf jaar. Hunne regee-
ring hield geen rekening met de gesteldheid en de wenschen des volks,
vandaar dat de Magistraat nog al eens in verzet kwam tegen de nieuw-
benoemde Gereformeerde leden. In 1633 begonnen de Staatschen den gereformeerden Staatsgodsdienst in te voeren, waarvan het volk en
de magistraat niets wilden weten. Er werden gereformeerde schepenen, schoolmeesters, rechters en justitieele ambtenaren benoemd, men nam maatregelen tegen den Bisschop, die zijn afkeer niet onder stoelen of
banken stak, men bestreed de Jezuïeten en geestelijken en schreef daar-
bij op zalvenden toon Vast- en Bededagen uit. Ten slotte stuitte men
overal op lijdelijk verzet. Het Staatsche garnizoen kwam af en toe in
actie; het overviel in den nacht van 11 Juni op 12 Juni 1633 het kasteel te Montfort, maar dat viel niet mee; van weerszijden sneuvelden daarbij
ongeveer 40 soldaten. Door die moordpartij kwam men niets verder.
In Roermond was het dan in 1633 een aanhoudend komen en gaan
van Staatsche troepen. Den 17den October 1633 lag de Prins van Oranje
met zijn leger te Maasniel, waar de Magistraat van de stad hem is gaan
begroeten. De suite en de legertros waren in de stad ingekwartierd,
wat natuurlijk zeer schadelijk was.
In Maart 1634 kwamen afgevaardigden der Staten om verschillen-
de Gereformeerde leden te beëedigen. Ook werden in de Reken-
kamer verschillende Gereformeerde leden benoemd. Over de invoe-
ring en institutie van den Gereformeerden godsdienst zal in eene andere
afdeeling van dit gedenkboek uitvoerig gehandeld worden. Tijdens het
belegeren van Breda door Frederik Hendrik in 1637 viel de Kardinaal-
infant, gouverneur der Spaansche Nederlanden, het Overkwartier aan,
en veroverde Roermond 3 September; de Magistraat, grootendeels uit Gereformeerden samengesteld, werd vervangen.
De intocht van den zegevierenden Kardinaalinfant was luisterrijk. De
Chroniek zegt daarover „Ende sijn daernaer den 4en September 1637

51
op Sint Petrus-Stoeldag gekozen, op het stadhuis hield men den visch-
maaltijd, de jongelieden kozen ook hun burgemeester bij de Kartuizers
en ontvingen daarbij van de stad den noodigen wijn.
In 1659 volgde Eug. d' Allemont (1659-1666) als vijfde bisschop Andreas Creusen op. In 1662 werd de torenkap vernieuwd en Sint-Christoffel
in verguld koper er bovenop geplaatst. Hij heeft er tot in onze dagen
op stand gehouden.

§ 6. ROERMOND VERDER ONDER SPAANSCH BESTUUR. KAREL II 1665-1700.
Wij moeten dit tijdperk beginnen met een nieuwe enorme brandramp,
die zoo grooten indruk door het geheele land maakte, dat het vers van
Pastoor Damerier uit Well, een Roermondenaar van geboorte, 150 jaar
lang voorop in den Almanak stond en vertelde, dat,,31 Mei 1665 in festo Trinitatis in brant geraekt sijn tot elfhondert huijsen toe, ende men
weet niet hoe", wat later wel bekend werd n.l. door het schieten tijdens
de processie. De brand, eenmaal losgebroken aan het Zwartbroek, was
bij winderig weer niet meer te stuiten. In het door wijlen Henri Tijssen
op muziek gezette zangspel Schetsen uit Roermonds Verleden", heb
ik in gebonden taal verhaald, hoe door een vreugdeschot, ontijdig ge-
lost aan het Zwartbroek, een burgerhuisje in brand geraakte en door
den wind aangewakkerd, spoedig de geheele stad een zee van vuur
en vlam werd.

„Zoo sist de vuurslang nu, met roode tong en kaken
„En grijpt ze alverslindend rond."

Vijf openbare gebouwen met hun inhoud, het bisschoppelijk Hof, het Prinsenhof, de Kanselarij, het Postkantoor, de Rekenkamer verbrand-
den met alle charters, bescheiden en papieren.
Bisschop d'Allemont redde alleen nog de oprichtingsbullen van het bis-
dom. Op honderd huizen na lag de stad in asch; alleen werden gespaard: Stadhuis, St. Christoffelkerk, klooster der Kruisheeren, de Franciscanen
aan het Zwartbroek, Maria Wee en Mariagaard. De H. Geest in de Munsterstraat, de Munsterabdij, het Seminarie in de Veldstraat, de kapel
der Ursulinen gingen ten onder.
De roep, dat Roermond afgebrand was, klonk door geheel het Over-
kwartier, Gulick en Berg en verder. Venlo, Aken, Maastricht, Gelder,
Echt en Sittard zonden brood en geld. De omliggende dorpen verricht-
ten hand en spandiensten om het puin op te ruimen. De Raad verga-
derde elken morgen om 9 uur. Roermond werd langzamerhand her-
bouwd volgens een vast plan en werd in regelmatige rechte blokken
opnieuw opgetrokken.

Helder glanzend als het gloren
Van het ochtendzonnelicht,
Treedt Roermond als nieuwgeboren
In het nieuwe tijdsgewricht.

53
van oorlog. Het heette de Beijart en was vroeger ook al eens voor dien
dienst ingericht geweest. Het gewone volksleven met zijne eigenaardige gebruiken trotseerde de verandering der tijden, de gilden bleven hunne
rangorde in de processies behouden, vierden hunne patroon- en teer-
dagen; de spintweggen kwamen op tafel als de booze winter in aan-
tocht was en de naaisters met licht moesten gaan werken; met St. Jan
hing men kronen aan slingers gebonden midden in de straat en danste er
onder, trots het verzet van den Magistraat. Sint Nicolaas werd plechtig
gevierd en was een verheugenis voor de kinderen, evenals Sint Thomas-
dag en Sint Silvester. De Carnaval, uit het Zuiden overgewaaid, werd
met mommerijen gevierd en bij bruiloften werden de bruiden gevangen
en geschat om teergeld voor den put. Met Driekoningen werd de Ster rondgedragen en eens in het jaar droeg men de gesierde putkaars, waar-
over nog in een andere afdeeling te schrijven, onder gezang en gebed
der kleinen naar de Kapel. De buren droegen de overledenen ten grave
en de godsdienstige vereenigingen bloeiden en des avonds brandden
in de nissen op de putten tal van kaarsen voor de O. L. Vrouwebeeldjes,
die het verguldsel der kransen en het gloeiend rood der papieren rozen
deden blinken en rossig opbloeien.
Trots de beslommeringen rolde het kleinsteedsleven voort in den vrij
engen kring van wallen en poorten, terwijl het groote verkeer te land
door de Venlosche, door de Kapellerpoort en door de voorstad Sint
Jacob liep en de Maas ook een meetellend vervoer te water bezat.
Niet te vergeten was Roermond, behalve hoofdstad van het Overkwar-
tier, bisschopsstad, garnizoensplaats, centrum van de paardenposterij, uitgangsplaats der marktschepen en stapelplaats der Maasschippers, zoo-
dat het met zijn 6000 zielen daardoor al een voorsprong had op andere
steden. Maar velen waren door den brand weggetrokken en een derde
der stad lag in 1671 nog in puin. De Fransche soldaten hadden hier in
den laatsten oorlog nog veel schade gedaan en de vrede van Nijmegen
sloot al weer eene nieuwe oorlogsperiode af. De Zonnekoning wilde, als
gezegd, Frankrijk met geweld grooter maken, nam allerlei voorwend-
sels te baat om aan zijne overvallen een schijn van recht te geven en
inmiddels waren de betwiste en bezette landen daarvan de dupe. In
1674 alleen werden tachtig bouwhoven verwoest. Was het wonder dat
er toen graan te kort kwam en men sterk klaagde over den duren tijd?
De poorten der stad, die reeds jaren ten deele geblokkeerd waren, wer-
den weer geopend, o.a. de Sint Janspoort, terwijl de bruggen hersteld
werden.
Er was in Oostenrijk een merkwaardig predikant uit de Capucijner-
orde, Marcus d'Aviano, die een zeldzaam begaafd prediker was; hij
predikte in 1681 onder toeloop van heinde en verre op de Markt te
Roermond, waarbij het theater inviel, hetgeen confusie" veroorzaakte. Roermond geraakte in 1681 de hooge Rekenkamer kwijt, die eerst naar
Brugge, dan in 1684 naar Brussel overgebracht werd.
De vereerde Johanna Baptista de Randenrath overleed te Roermond,
73 jaren oud, op 26 Juli 1684, als waardige dienaresse Gods. Ze heeft
nu haar grafsteen in de Kathedraal.

55
den. De Bisschop en de Staten-Generaal kregen verschil over godsdien-
stige kwesties (zie Habets II, blz. 204 enz.). Het militaire hospitaal,
zijnde het oude passantenhuis of de Beyart op den Schuitenberg, op
15 December 1674 door de stad afgestaan als hospitaal, zou door de
stad hersteld worden, wat veel bezwaren had; kort na 1751 werd het in
een kazerne veranderd. In 1739 was het algemeen gasthuis, door de Bors gesticht, zijn werking begonnen.
Knippenbergh, in zijn Continuatio Hist. Eccl. pag. 20, verhaalt van den
last, dien de soldaten aan de boeren aandeden. In Roermond wilde de Gereformeerde Kerkeraad de processiën beletten en werd men ook op
andere punten onverdraagzaam. De protesten bleven echter niet uit.
Habets schrijft in zijn Kerk. Gesch. Bisdom, blz. 214: De Katholieken
werden steeds meer in hunne vrijheid aangetast en in hunne rechten ge-
krenkt, maar het was in ieder geval in Roermond nog beter dan in
Staats-Valkenburg. Maar er kwam een einde aan de verdrukking.
11 April 1713 werd het Overkwartier bij den Vrede van Utrecht ver-
deeld, en deze verdeeling werd 14 November 1715 bij het Barrière-
Tractaat voltooid. Pruisen, de Staten-Generaal en Oostenrijk kregen
ieder een deel. Het Oostenrijksche deel werd door de Generale Staten
in 1716 geheel ontruimd!
Nog dient vermeld te worden, dat in het najaar 1711 de stadsverlichting ingevoerd werd.

§ 8. ROERMOND ONDER OOSTENRIJKSCH BESTUUR.

KAREL VI, DUITSCH KEIZER, 1716-1740.

Karel VI aanvaardde feitelijk het bestuur van het verkleinde Oosten-
rijksche Overkwartier, ten gevolge van den Utrechtschen vrede en
het Barrière-Tractaat, op 5 Februari 1716. In de Donderdagsche pro-
tocollen van het dagelijksch bestuur der stad Roermond vinden wij het
volgende aangeteekend.
1 Maart 1716,„verandering van dominatie onder de gehoorzaamheid van
Z. M. Keizer Karel den VIen." Op 1 Maart 1716 kwam tegen den mid-
dag de Graaf van Maldeghem als Keizerlijk Commissaris met den heer
de Nicolart, auditeurgeneraal door de Brugpoort binnen, en werd van
daar door den magistraat geleid naar de Markt, waar het garnizoen
gereed stond en drie salvo's loste. Daarna werd de eerewijn op het
stadhuis aangeboden. 6 Maart legde de Magistraat den eed van getrouw-
heid af en gaf den Graaf eene vereering in geld van 60 pistolen.
13 Maart was het groot feest in de stad en op het stadhuis. De heeren
gingen op het bovenste balkon ten aanschouwe van het volk „vivat"
drinken. Vele pik- en teertonnen werden ontstoken, geld onder het volk geworpen en de proclamatie van den Keizer voorgelezen. De eigenlijke inhuldiging greep eerst 4 jaar later plaats op 6 December 1720, wijl de Constitutie van Oppergelder 8 Mei van dat jaar gewijzigd was. Er moest voortaan eene voordracht van drie personen voor het burgemeesters-
ambt aan den Keizer voorgelegd worden, wat niet volgens de

57
Habsburgers, dat ziet men uit alle besluiten van de stadsregeering, uit
de steeds met luister gevierde feestdagen van het keizerlijke huis, uit de portretten, die van die tijden af tot nu nog de raadzaal versieren en daar
als zichtbare teekenen van vereering prijken.

§ 9. ROERMOND ONDER OOSTENRIJKSCH BESTUUR.
MARIA THERESIA, 1740-1781.
Maria Theresia's regeering is een zegen geweest voor hare onderdanen.
Omringd door vijanden, die haar hare erflanden betwistten, moest zij
wel tegen haar zin ten oorlog gaan. Door een wijs bestuur trachtte zij de ontvangen verliezen uit te wisschen. Zij was eene vriendelijke, majes-
tueuze verschijning, was zeer begaafd, vlijtig en opgewekt. Zij leefde
voor de correcte vervulling van al hare plichten als vrouw, als moeder,
als vorstin. Zij was 12 Februari 1736 gehuwd met Frans Frans Stephan
van Lotharingen. Zij ging na haar huwelijk dadelijk ter bedevaart naar
O. L. Vrouw van Zell. Zij werd van alle zijden aangevallen en bedreigd,
maar had toch de voldoening haar gemaal 13 September 1745 te Frank-
fort tot Roomsch-Koning te zien kronen.
Roermond kreeg dadelijk den weerstuit der oorlogen in de vele Hanno-
versche soldaten, die hier ondergebracht werden. Daar kwam ook nog
eene besmettelijke veeziekte bij. De stad moest het oude hospitaal ver-
bouwen tot kazerne, de steenen brug over de Roer herstellen en weer
schuld maken. In 1742 was n.l. de Roerbrug door de kracht der wateren weggeslagen.
De chronick spreekt om dien tijd van de pogingen om met stadssteun
een lakenfabriek te beginnen in de tuinen achter de Munsterkerk, die
nu nog den naam dragen In de Ramen"; ook van het optreden van
een nieuwen bisschop, opvolger van Bisschop Werbrouck, n.l. Joannes
Antonius de Robiano (1746-1769).
In 1756 werd door de Keizerin besloten den souvereinen Raad van
Gelderland en den Magistraat van Roermond weer in te richten als
vóór 1737. De Schepenen werden levenslang benoemd, maar moesten
daarvoor betalen. Ook verzocht ze verschillende feestdagen op te hef-
fen, voerde een beter belastingstelsel in en verbeterde het onderwijs.
Maria Theresia had zich ter bescherming harer rechten met Frankrijk,
tegen Pruisen en Rusland, verbonden in den 7-jarigen oorlog. De Fran-
schen hadden 28 Maart 1757 een legerkorps naar het Overkwartier ge-
zonden tot steun der Oostenrijkers. In Juni werd Roermond aangeval-
len door den erfprins van Brunswijck en moest het capituleeren. De rech-
ten van den godsdienst, staten, raad en magistraat bleven onveranderd.
Met den vrede van Hubertsburg, 13 Februari 1763, beëindigde Maria
Theresia den oorlog en regeerde daarna nog 17 jaar. Haar zoon Joseph,
op wien zij haar hoop gevestigd had, maakte zij tot haar mederegent.
Hij werd 27 Maart 1763 Roomsch-Koning of Keizer in spé. Maria There-
sia stierf diep betreurd 29 November 1780 na een ziekte van zes weken.
In de Jura et Privilegia ten Stadhuize III 733 en 734 is geheel het rouw-

59
vernietigd, de Rattentoren echter heeft den storm doorstaan. De Oos-
tenrijksche regeering stond in 1782 een huis aan de Markt af aan het
Hospitaal; het was door ruiling verkregen.
De burgerij werd in 8 burgercompagnieën ingedeeld, die vreemde namen droegen: le. Oostenrijksch kwartier; 2e. Geldersch kwartier; 3e. Croaten kwartier; 4e. Zwitsersch kwartier; 5e. Engelsch kwartier; 6e. Spaansch
kwartier; 7e. Walen kwartier; 8e. Bourguignons kwartier. Van 1783-1786
kwam de miserie der opheffing van de kloosters: le. Dominicanessen van Marienwee 1783; 2e. Kruisheeren; 3e. Carmelitessen 1783; 4e. Gods-
weerd 1784; 5e. Mariagarde 1783; 6e. Clarissen 1784; 7e. Godsboom-
gaart 1785; 8e. Penitenten 1786; 9e. Kartuizers 1783. In 1785 werd het
nieuwe kerkhof aan de Kapel aangelegd.
In 1787 had een eigenaardige feestviering plaats n.l. de inhaling van
een primus van Leuven G. J. A. van der Vrecken, welke bewijst hoe-
veel gewicht de bevolking aan de Alma Mater van Leuven hechtte. De
geheele stad deed daaraan mede.
Het oude Collegie der Jezuieten alhier werd vervangen door een
Koninklijk Collegie, waaraan leeken en geestelijken les gaven.
De groote revolutie was in aantocht, de leerstellingen der vrijgeesten
drongen door, maar ook de Belgische patriottische woelingen vonden
hier weerklank. 29 December 1789 kwamen 500 Weerter patriotten de
stad in. Zij ontvoerden den kanselier Luitgens, den momboir Stuers en
den griffier van der Renne. Den 1 Januari 1790 werd Roermond onaf-
hankelijk verklaard en werden de keizerlijke wetten geheel buiten wer-
king gesteld. De regeering van Maria Theresia was heilzaam geweest,
die van Joseph II verderfelijk. Zijn opvolger Leopoldus II stond voor
de zware taak weer veel goed te maken.

§ 11. ROERMOND ONDER OOSTENRIJKSCH BESTUUR.
LEOPOLD II, 1790-1792.
Den 22sten September 1791 is Maria Christina, zuster van den Keizer,
te Roermond geweest. Men heeft toen de inauguratie van Leopold II
als Keizer en Hertog van Gelder gevierd, zegt de oude Chroniek. De
gouverneur heeft alstoen den eed gezworen.
De Brabantsche bevrijdingsoorlog liep ten einde. De privilegiën werden hersteld, de hervormingen, die zooveel ergernis gegeven hadden, her-
roepen. Dit bracht kalmte. Maar nu kwamen de Franschen, met kracht
hunne republikeinsche denkbeelden invoerend. Groote onrust!
Onze taak is ten einde. Ter eere van Roermond, dat vele wisselingen
van bloei en verval, van geluk en ongeluk manmoedig verdroeg in de
boven beschreven twee en een halve eeuw, werd dit alles, in aansluiting
met vele andere schetsen van deskundige schrijvers op velerlei gebied,
nog eens geboekt. Aan het glorierijk verleden zijn wij dat verschuldigd.
Moge het de Roerstad en hare trouwe bevolking steeds welgaan, onder
Gods besten en onmisbaren zegen. Dat is onze hartewensch.

61
Fransche troepen, generaal Miranda, bood hem den eerewijn aan, ver-ontschuldigde zich de stadssleutelen niet te kunnen aanbieden, daar de Oostenrijkers deze hadden medegenomen en legde vervolgens ten
overstaan van den generaal den eed van vrijheid" af. Miranda liet zich
dit alles genadig welgevallen en besloot met vier zijner officieren zijn
intrek te nemen in het bisschoppelijk paleis, waar hij zich ongestoord
als heer en meester gedragen kon, daar de bisschop bij de nadering der
Franschen gevlucht was.
Den 15 December 1792 werd, onder het luiden van alle klokken, vóór
het stadhuis de z.g. vrijheidsboom geplant. Er schijnt bij dit gebeuren
van den kant der burgerij niet die ontstemming te hebben geheerscht
als bij een dergelijke gelegenheid in 1795. Maar in 1792 kon men zich
van het vrijheidsbegrip der Franschen nog niet zoo een duidelijke voor-
stelling vormen als drie jaren later. De koning van Frankrijk was nog
niet ter dood gebracht, de gruwelen van het Schrikbewind hadden nog
niet plaats gevonden en de revolutie had zich nog niet zoo gehaat
gemaakt in het buitenland!
Overigens was men te Roermond volstrekt niet onverdeeld ingenomen
met het Oostenrijksch bewind, waaronder men tot nogtoe geleefd had.
Hiervan kon de oude heer Maersen uit de Steeg meespreken! Den 15
Januari 1793 viel een met stokken gewapende menigte zijn huis binnen,
daar het gerucht liep, dat hij er Oostenrijksche vaandels verborg. Geluk-
kig maar voor den ouden heer, dat deze verdenking, na huiszoeking,
ongegrond bleek, zoodat hij er met den schrik afkwam!
Geheel België was nu in handen der Franschen. Over de staatsrechte-
lijke verhouding tusschen de inwoners der veroverde landen en de
Fransche regeering legden de Franschen geruststellende verklaringen
af. Zij wilden niet met Frans II, den vorst der Oostenrijksche Neder-
landen, maar rechtstreeks met diens onderdanen in onderhandeling
treden. 27 December 1792 vaardigde Dumouriez een proclamatie uit,
waarin hij het volk van België opriep, een „Nationale Conventie" te
kiezen. Niet met de oude Statenvergadering wilde hij onderhandelen.
maar met vrij gekozen" vertegenwoordigers van het volk. „Het Fran-
sche volk wilde met het Belgische niet in onderhandeling treden dan
als een Souverein met een Souverein".
Kiezer was ieder, die den burgereed aflegde en schriftelijk afstand deed
van adeldom, gilderechten en alle overige privileges. In grondverga-
deringen zouden de stemgerechtigden bijeen komen tot het aanwijzen
der kiezers, die 10 Januari de leden van de Nationale Conventie moes-
ten kiezen.
In navolging van Parijs moest Roermond nu ook zijn politieke club
hebben. In de kerk der Penitenten in de H. Geeststraat hielden de Roer-
mondsche „Jacobijnen" hun eerste vergadering. De leiders van deze
club waren de juristen Schommers en Tambacher, de horlogemaker
Dyonisii, de heeren Wylink en Keersboom en de Dominicanerpater
Dr. Ambrosius Schmising, die wegens zijn wangedrag als regent van
het Seminarie zich een treurige reputatie verworven had, welke hij later

63
Peter Geradts was toen burgemeester, Jacob Kwisthout scholtis, Syben
en Ramaekers o.a. schepenen.
De wederinname der stad door de Oostenrijkers kwam den inwoners
op zware inkwartiering te staan; burgers uit de middenklasse moesten
wel aan dertig personen en meer huisvesting verleenen en den kost
geven. Met de Fransche gevangenen, die in het Carmelitessenklooster
waren ondergebracht, was alle conversatie verboden. De verdedigings-
werken, door de Franschen aangelegd, werden op bevel van den Oos-tenrijkschen veldmaarschalk Prins Von Coburg in goeden staat gehou-
den. Zoo was het den kinderen verboden op de bolwerken aan de
Venlosche poort te loopen; de ouders werden hiervoor aansprakelijk
gesteld.
Deze voorzorgsmaatregelen bleken niet overbodig; de Franschen bereid-
den zich op een nieuwen inval voor. De nieuwe krijgstactiek van Lazare
Carnot, benevens de „levée en masse", deden nog in het jaar 93 de
Franschen voordeelen behalen op hun talrijke vijanden. Met schrik
moesten dezen erkennen, dat zij geen leger maar een gewapende natie" tegenover zich hadden. In het begin van 1794 waren de Fransche legers namelijk niet minder dan 720.000 man sterk, voor die dagen een enorme troepenmacht. Een gedeelte hiervan trok naar België, waar na verschil-
lende kleinere gevechten den 26 Juni door Jourdan een beslissende
overwinning behaald werd op den prins van Coburg. De troepen van
de Oostenrijkers, Engelschen en de Republiek der Vereenigde Neder-
landen trokken zich al meer en meer terug en het was te voorzien,
dat Roermond weldra opnieuw door de Franschen zou worden inge-
nomen.
Naarmate dezen naderden, kwamen er te Roermond vluchtelingen aan
uit Belgisch Brabant. Ook de aartsbisschop van Mechelen kwam er
een toevluchtsoord zoeken in het bisschoppelijk paleis. Hier resideerde
sinds den 27 Februari 1794 als opvolger van Hoensbroeck bisschop
Joannes Baptista Robertus, baron van Velde tot Melroy. Slechts kort
heeft deze te Roermond verbleven. Den 22 Juli van hetzelfde jaar nam
hij, bij het naderen der Fransche troepen, de wijk naar Duitschland.
Den kanunnik Syben liet hij achter als vicarisgeneraal om die zaken
te regelen, welke niet van uit den vreemde konden bestierd worden.
Den 17 Augustus 1794 werd Van Velde te Dusseldorp tot bisschop
gewijd, hetgeen wegens de zorgelijke tijdsomstandigheden niet eerder
had kunnen plaats vinden. Aanvankelijk vestigde hij zich nu in dat
gedeelte van zijn diocees, dat staatkundig onder Pruisen stond. Weldra
was hij hier evenwel niet meer veilig voor de Franschen, zoodat hij
zich den 30 October naar Munster begaf, waar hij van den aartsbisschop
van Keulen verlof kreeg, zich te vestigen. Toen nu de Franschen meer Oostwaarts opdrongen, verwisselde hij Munster voor Erfurt. Na den
vrede tusschen Frankrijk en Pruisen in September 1795 keerde de bis-
schop naar Munster terug, van waaruit hij verder zijn diocees bleef
besturen.
Bij de nadering der Franschen vluchtten ook de dames van de Munster-
abdij en van St. Gerlacus.

65
Markt te helpen dragen; een aantal mannen moest hiertoe door de Fran-
schen worden opgevorderd! Er werd bij deze deze gelegenheid gezorgd
voor muziek en klokgelui en het dragen der republikeinsche cocarde
verordend.
Inmiddels kwam een nieuwe bestuursorganisatie tot stand. Den 14 No-
vember 1794 werd voor de door de Franschen veroverde landen tusschen
Maas en Rijn te Aken een centraal bestuur gevestigd, waaronder zeven districtsbesturen fungeerden. Een hiervan was gevestigd te Gelder en
strekte zijn gezag uit over Pruisisch en Oostenrijksch Gelderland, zoo-
dat Roermond hieronder kwam te ressorteeren. Deze organisatie bleef
slechts korten tijd in wezen en werd door verschillende achtereenvol-
gende regelingen vervangen. Vastheid in de bestuursinrichting kwam er
eerst door de wet van 1 October 1795, waarbij verschillende aan de
Noordgrens van Frankrijk gelegen landen, waaronder Oostenrijksch
Gelderland, dus ook Roermond, bij Frankrijk werden ingelijfd. Ook
werd volgens deze wet de in Frankrijk geldende administratieve indee-
ling in departementen op deze aan Frankrijk nieuw toegevoegde landen
van toepassing verklaard. Roermond behoorde, volgens deze nieuwe
indeeling, tot het Departement der Neder-Maas. Dit was verdeeld in
de arrondissementen Maastricht, Hasselt en Roermond, welk laatste arrondissement weer verdeeld was in de volgende kantons: Roermond,
Venlo, Echt, Maeseyk, Heythuyzen, Weert, Nederkruchten, Bree en
Achel. Roermond werd hierbij beroofd van een zelfstandig bestuur,
daar volgens de grondwet van 1795 gemeenten van minder dan 5000
inwoners, en Roermond had er ongeveer 4000-, samengevoegd wer-
den onder den gemeenschappelijken naam „administration municipale
du canton". Als eigen ambtenaren voor de uitvoerende macht hadden
de opgeheven gemeenten in dit bestuur een „agent municipal" met zijn ,
adjoint". Aan het hoofd van het departement stond een prefect, van
het arrondissement een onderprefect.
Voor de eerste maal werd de municipale administratie van het kanton
Roermond niet gekozen door de inwoners, maar den 12 April 1796
benoemd door den Franschen regeeringscommissaris Bouteville. Het
nieuwe bestuur werd gevormd door den president van het kanton
Schommers, den vrederechter Ramaekers, gewezen burgemeester, den commissaris van het Directoire exécutif Missing, vervolgens een officier
van politie, den assessor van laatstgenoemde en ten slotte de munici-
pale agenten met hun adjuncten voor elk der dorpen Swalmen, Maas-
niel, Merum, Linne, St.-Odiliënberg en Vlodrop. Den 14 April 1796
werden de nieuwe functionarissen geïnstalleerd. De inrichting der bu-
reaux was toen nog niet tot stand gekomen; hiervoor bestond evenmin
als voor het vervullen van bestuursfuncties veel animo. Dat de prefec-
tuur te Maastricht er maar niet toe komen kon, den ambtenaren een
vast salaris toe te zeggen, zal hieraan wel niet vreemd geweest zijn!
En dan nog vaardigde de prefect 27 April 1796 het verbod uit, dat geen ambtenaar of publiek functionaris zijn post mocht verlaten zonder van
tevoren zijn ontslag te hebben gekregen en door een ander te zijn ver-
vangen. Teekenend voor de situatie is het, dat in het begin van 1797

67
te zoeken hebben van openbare rampen en van de corruptie der regee-
ringen. Vandaar dat de Regeering er op uit was, dat ieder deze „rech-
ten" leerde kennen; zoo zou de burger, door de daden der bestuurders
aan deze rechten" te toetsen, zich ook steeds kunnen overtuigen, of
hij met wijsheid en rechtvaardigheid geregeerd werd.
De verklaring van de rechten", die bij de constitutie van 1795 gevoegd
werd, week eenigszins af van die van 1789; ook was hieraan als pendant
van de „rechten" een verklaring van de „plichten" toegevoegd. De
voornaamste der „rechten" in de „verklaring" van 1795 waren: vrijheid, gelijkheid, persoonlijke veiligheid en eigendomsrecht. Onder de plich-
ten was opgenomen de gulden regel: „Wat gij niet wilt dat U geschiedt,
doe dit ook aan anderen niet".
Tegen de zedelijke strekking van verschillende dezer regels zou men
moeilijk eenig bezwaar kunnen aanvoeren. Toch ademde het geheel van
deze axioma's een geest van rationalisme sme en ongodsdienstigheid en
strekte den republikeinschen leiders tot middel om het volk te ontker-
stenen.
Van revolutionnairpatriottische en antigodsdienstige strekking was
ook het besluit der Conventie van 5 October 1793 om de Gregoriaan-
sche tijdrekening te vervangen door een nieuwe, republikeinsche, welke
22 September 1792 als den eersten dag van het jaar 1 der Republiek
aannam en den kerkelijken kalender te vervangen door een republikein-
schen, waarin het jaar anders werd ingedeeld. Ook op deze wijze
trachtte men bij het volk de Christelijke gevoelens te doen verdringen
door patriottische en republikeinsche. Ieder moest er van doordrongen
worden, dat op 22 September 1792 met de vervanging van het koning-
schap door de republiek een nieuwe orde van zaken gevestigd was. De maanden, wier namen aan verschijnselen in de natuur herinneren, als Vendémiaire, Brumaire, Frimaire, Nivôse, Pluviôse, enz., telden elk
dertig dagen, waarbij aan het einde vijf, -- om de vier jaar zes --, aan-vullingsdagen gevoegd werden. De weken werden afgeschaft; eveneens
de Zondagsviering. Daarentegen werden de maanden verdeeld in drie
decaden van tien dagen, waarvan de tiende dag, de décadi" publiek
gevierd moest worden. Dan werd in een openbaar gebouw, veelal een
kerk, het volk bijeengeroepen om de wetten en besluiten te hooren
voorlezen, die tijdens de laatste tien dagen waren uitgevaardigd en de voorlezing van het officieele regeeringsbulletin bij te wonen, waarin
over voorbeelden van burgerdeugd gehandeld werd.
De Roermondenaars, trouw aan hun traditioneel Katholiek Geloof,
toonden zich over het algemeen weinig ingenomen met deze nieuwig-
heden. Aanvankelijk weigerde bijna de geheele geestelijkheid den eed
van trouw aan de Republiek en van haat aan het koningschap, welke
volgens besluit van het Directoire Exécutif van 26 September 1795 ook
van de Belgische priesters geëischt werd. Hierbij vonden de geestelijken
van het Roermondsche diocees steun bij hun bisschop, die hen in woord
en geschrift bleef aanmoedigen, in hun eedsweigering te blijven volhar-
den. Duidelijk zet de bisschop zijn standpunt uiteen in een brief vanuit
Munster van 19 Mei 1797.

69
geëischte verklaring in strijd met het gezag der Kerk moest worden ge-
acht. Hierop besloten het kapittel en de geestelijkheid der stad de ver-
klaring te weigeren. Den 1 Juni was de termijn verstreken en geen
enkele priester had de verklaring geteekend. Toen nu het kapittel zich
tot den commissaris van het Directoire Exécutif wendde met de vraag,
of de geestelijken mochten voortgaan de kerkelijke bedieningen uit te
oefenen, daar dit immers ook te Maastricht was toegestaan, gaf de com-
missaris allen geestelijken hiertoe verlof, met uitzondering van de parochiegeestelijken. Blijkbaar stonden slechts de pastoor en zijn kape-
laans bij den commissaris ingeschreven als „les ministres du culte",
waarop de Fransche wet van toepassing was.
Pastoor Matthei verrichtte nu in de pastorie, waar hij een altaar had
laten oprichten, heimelijk de kerkelijke bedieningen, doch reeds den
26 Juni ontving hij het bericht, dat de parochiegeestelijken weer de
H. Mis mochten lezen. Uit geheel België waren namelijk verzoekschrif-
ten gericht aan de Fransche regeering om deze besluiten in te trekken
of te schorsen. Het lezen der H. Mis was hierop toegestaan, maar doo-
pen, biecht hooren en preeken bleef verboden en wie deze bepalingen
overtrad, zou hierdoor het verlof, de H. Mis te lezen, verbeuren.
Weldra echter kwam de regering op de gedane toezeggingen terug en
den 15 Juli werd den Pastoor opnieuw verboden, de parochieele bedie-
ningen uit te oefenen. Dit verbod werd 23 Augustus uitgebreid tot alle geestelijken, die zich in de stad bevonden. Den Zondag daarop, den
27, begaven de geloovigen zich dientengevolge naar het nabijgelegen
Melick, dat tot het Guliksche grondgebied behoorde. In de Roermond-
sche kathedraal kwam het volk echter dagelijks bijeen om er den Rozen-
krans te bidden.
De wekelijksche gang naar Melick, dat ongeveer vier Kilometer van
Roermond verwijderd ligt, was echter voor velen bezwaarlijk. Het kerk-
bestuur bouwde derhalve een houten kapel in het Muggenbroek, achter
de kapel van O. L. Vrouw in 't Zand, mede op Guliksch grondgebied
gelegen. Doch de Franschen verzetten er zich tegen, dat de Roermonde-
naars hier ter kerke gingen en de kapel werd weer afgebroken. De
kerkgang naar Melick werd nu hervat en te Roermond ging men voort
met het bidden van den Rozenkrans in de kerken.
Niet tevreden de religieuzen verdreven en den priesters de uitoefening
van hun functies belet te hebben, richtte de regeering zich thans tegen
de vrome gebruiken, die te Roermond in zwang waren. 7 October werd
de bepaling vernieuwd, dat de O. L. Vrouwebeeldjes uit de heilig-
huisjes moesten verdwijnen. Ook werd het luiden der klokken verbo-
den, doch deze verordening wist men een tijdlang te ontduiken door het voorwendsel, dat de klokken dienden om den arbeiders het begin en
einde van hun werktijd aan te kondigen. De troost, in de kerken den
Rozenkrans te bidden, werd het volk ook nog ontnomen, toen den
3 December de kathedraal en de volgende dagen de overige kerken
gesloten werden.
De vervolging ging zich ten slotte tot de geestelijken persoonlijk uit-
strekken. 9 December 1797 werd hun de eisch gesteld, binnen drie dagen

71
van militairen -- vier tot acht man naar gelang van de grootte der
schuld. Aan deze militairen moest gratis de kost verstrekt worden.
Op het feest van Maria-Lichtmis wilden de in de kerk aanwezige perso-
nen, die den Rozenkrans baden, zich bij de komst van den heer Schmi-
sing weer verwijderen, doch de gendarmen beletten dit en dwongen
hen, de Mis van den „burger" bij te wonen. Twee dagen later werd
opnieuw verordend, dat de kerk slechts voor de diensten van beëedigde
priesters mocht worden geopend. Werd dus de burger Schmising door
de autoriteiten in bescherming genomen, dezen aarzelden niet de kerk-
gangers naar Melick overlast aan te doen; zelfs werd de pastoor van
Melick, Petrus Lambertus Schorrenberg, een zwakke grijsaard, gevan-
gen genomen en op een kar naar Aken gevoerd, vanwaar hij naar
Frankrijk getransporteerd werd om hier weldra ten gevolge van de op
de reis verduurde kwellingen te sterven.
Was het bij dit alles te verwonderen, dat er bij de burgerij in 1798 wei-
nig animo bestond om aan de verkiezingen deel te nemen? Slechts acht
en twintig Roermondsche burgers maakten gebruik van hun stemrecht
en dezen waren nog voor een deel ambtenaren. Van het kiesrecht voor
de verschillened vertegenwoordigende lichamen waren uitgesloten de-
genen, die tijdens het Oostenrijksche tusschenbestuur van 1793 tot 1794
een burgerlijk of militair ambt bekleed hadden.
Weinig animo was er ook voor het vieren van de republikeinsche fees-
ten. Zoo vierde men 21 Januari 1798, op bevel der Franschen, de herden-
king van de onthoofding van koning Lodewijk XVI, welke op denzelf-
den dag in 1793 had plaats gevonden. Tevens werd er bij die gelegenheid
op plechtige wijze een vrijheidsboom geplant. Het was een jonge eiken-
boom, dien men hiertoe uitgekozen had, versierd met linten in de
nationale kleuren blauw, wit rood. De ambtenaren van het kanton, die
dien dag beëedigd moesten worden, begeleidden den wagen, waarop de
boom vervoerd werd. De vertooning werd slechts door een tiental bur-
gers meegevierd; de overigen bleven onverschillig toekijken of dreven
er den spot mee, vooral toen de boom onder het opstellen, tot ergernis
der Franschgezinden, omviel. Om den boom werd een staketsel ge-
plaatst in blauwe, witte en roode kleuren. Muziek, uitgevoerd onder
leiding van Faulhaber, en redevoeringen over de vrijheid luisterden de ceremonie op.
Dergelijke feesten vielen er te Roermond meer te bewonderen. Men
vierde hier de verschillende door de Fransche regeering ingestelde
nationale en filosofische feesten. Ook werd hier, evenals in Frankrijk,
de Zondagsviering afgeschaft en vervangen door de décadi, -- te Roer-
mond geschiedde dit 1 Mei 1798. Op deze dagen was het verrichten
van publiek werk op zware straffen verboden. Het feest van de Vrijheid
op 28 Juli 1798 gaf aanleiding tot het aanrichten van een groot vuur op
de Markt, waar eenige wapenborden van adellijke familie's werden
ingeworpen. Reeds den 6 Februari 1798 moesten de huizen der adellijke
familie's ontdaan worden van hun wapens; ook keizerlijke wapens
moesten verdwijnen. Het baatte niet, of men al trachtte ze te behouden
door ze met kalk te bestrijken. Het feest der Grijsaards, dat 28 Juli

73
priesters zouden bijwonen. Allen gaven hieraan gehoor, behalve de
jongens, die hun weigering motiveerden met een beroep op de vrijheid.
Wel hadden ook de vervolgde geestelijken betuigingen van sympathie
van noode, want hun lot was waarlijk niet benijdenswaard! In Juli 1798
vonden er verschillende arrestaties plaats. Pastoor Houwart van het
Begijnhof, de kapelaans der kathedraal Bosch en Crebber, de Francis-
canerpaters Wauters, Soffers en Van Ham werden door gendarmen en
huzaren naar Maastricht gevoerd. Onderweg werden nog eenige geeste-
lijken uit de omgeving van Roermond hierbij gevoegd. Te Maastricht
werden de gevangenen twee aan twee met de duimen aan elkander
geschroefd en zoo werd de reis per schip voortgezet naar Luik, waar
de gevangenen in de St. Leonardsgevangenis werden ondergebracht.
Vervolgens ging de reis over Namen, Reims en La Rochelle naar Rhé,
een eilandje bij de Fransche kust gelegen, een van de ballingsoorden.
door de Fransche regeering voor onbeëedigde priesters bestemd.
Matthei, de pastoor der parochie, die sinds het sluiten der pastorie bij
zijn broer in de Neerstraat woonde, nam bijtijds de vlucht naar Em-
merik, de verblijfplaats van bisschop Van Velde, den aartsbisschop van
Mechelen en verscheidene geestelijken. Na dezen te hebben gesproken
begaf de pastoor zich aanvankelijk naar Helden, een Pruisisch dorp in
de nabijheid van Roermond. Toen zijn verblijf in deze plaats ruchtbaar
werd, gevoelde hij er zich niet meer veilig voor de Franschen en vertrok
naar de Meierij van 's-Hertogenbosch. Spoedig werd hem hier het ver-
blijf ontzegd door de regeering der Bataafsche Republiek, die de ver-
ordening uitvaardigde, dat geen emigranten of verbannenen zich op
haar gebied mochten ophouden. De pastoor keerde nu naar Helden
terug. Dit was inmiddels onder de Franschen gekomen, zoodat hij zich
hier niet vrij meer kon bewegen, maar zich steeds moest schuil houden.
Twee jaren bleef hij hier; toen kon hij wegens het ophouden der Kerk-
vervolging naar Roermond terugkeeren.
Deze ommekeer liet zich tegen het einde van 1798 nog geenszins ver-
moeden. In dezen tijd liep het gerucht, dat zelfs de beëedigde priesters,
in zooverre zij den eed niet tijdig genoeg hadden afgelegd, niet meer
veilig waren. Groote onrust maakte zich nu van de Roermondsche gees-
telijken meester, want alleen de heer Schmising was bijtijds beëedigd.
Vele priesters waagden het dan ook niet zich ter ruste te begeven. Hun
vrees bleek echter weldra ongegrond en de ingrijpende gebeurtenissen,
welke spoedig hierna in Parijs voorvielen, brachten een algemeene ont-
spanning teweeg.
De verkiezingen te Roermond van het jaar 1799 vonden nog onder het
oude régime plaats. De Roermondsche grondvergadering, die slechts
vier en twintig kiezers telde, meerendeels republikeinen, ublikeinen, --
een getal, dat bij den tegenzin der inwoners om aan de verkiezingen
deel te nemen weigerde het stemrecht geen verwondering behoeft te
verwekken, aan allen, die emigranten in de familie hadden. Deze „roya-
listen" verlieten nu de vergadering en vormden een eigen vergadering,
een z.g. assemblée scissionnaire". Ten gevolge van een onregelmatigheid,
door den president der moedervergadering, J. F. Schommers, begaan, werd

75
regeeringspersonen en ambtenaren verplicht was. De filosofische fees-
ten werden afgeschaft en van de nationale alleen het fête de la Concor-
de van 14 Juli en de stichtingsdag der Republiek op 22 September ge-
handhaafd. De meeste geestelijken legden nu den eed op de grondwet
af, al namen zij nog een min of meer afwachtende houding aan tegen-
over de Fransche regeering, die nog altijd met den Paus in onvrede
leefde. Niet lang na de instelling van het Consulaat kwam echter de
verzoening tot stand. Napoleon was een te schrander politicus om van
de rationalistische tendenzen der oude revolutiemannen voor de ont-
wikkeling van Frankrijk veel heil te verwachten en zich niet liever met
de Kerk te verstaan. Den 15 Juli werd dan ook het Concordaat gesloten,
dat de vrede tusschen den Paus en de Fransche regeering herstelde.
De verheffing van Napoleon is de Roermondsche bevolking nog vóór
het sluiten van het Concordaat ten goede gekomen. 13 December 1799
was Bonaparte tot Eerste Consul benoemd en reeds den 1 Februari
werd den afwezigen priesters toegestaan, in Roermond terug te keeren.
Den 6 Februari werd de kapel van O. L. Vrouw in 't Zand, die sinds
13 December 1797 was gesloten geweest, heropend; twee dagen later
deed de heer Van de Greyn er de Hoogmis. Deze had certijds wel den
eed afgelegd op de constitutie van 1795, doch dezen later herroepen.
Den 5 Maart werd aan alle priesters, die zich nog in gevangenschap be-
vonden, de vrijheid hergeven; 15 Maart keerden de meeste Roermond-
sche geestelijken hier ter stede terug. Den 12 Juli werd ook de Minder-broederskerk heropend. Den 26 Augustus werd de groote kerk voor de
H. Diensten in gereedheid gebracht, wel honderd burgers boden hierbij
de behulpzame hand. Den volgenden dag hield pastoor Matthei een
plechtige Hoogmis met Te Deum, des avonds werd er in de geheele
stad geïllumineerd. Voortaan konden de H. Diensten ongestoord wor-
den uitgeoefend.
Een der bepalingen van het Concordaat hield in, dat alle bisdommen
van het Fransche Rijk zouden worden opgeheven en nieuwe opgericht.
Hieraan gaf de Paus den 29 November 1801 uitvoering door de bul
,,Qui Christi". Ook het bisdom Roermond viel onder deze bepaling,
voor zoover het binnen de grenzen van het Fransche Rijk gelegen was.
Den 5 November 1801 ontving bisschop Van Velde twee brieven, een
van den Paus en een van den kardinaallegaat Caprara, waarin hem ver-
zocht werd afstand te willen doen van zijn zetel. Den 24 October gaf de bisschop hieraan gevolg en vestigde zich te Grave, waar hij de deelen
van zijn oude diocees, die niet op Fransch gebied gelegen waren, name-
lijk de dekenaten Cuyck en Nijmegen bleef besturen.
Het bisdom Luik was eveneens opgeheven. De prinsbisschop, graaf
De Méan, nam zijn ontslag en bleef slechts Ravestein en Megen, deelen
van zijn voormalig bisdom buiten de Fransche Republiek gelegen, be-
sturen. Het nieuw op te richten bisdom Luik, waartoe Roermond be-
hoorde, was, evenals de bisdommen Aken, Doornik, Gent, Maintz,
Namen en Trier, een suffragaanbisdom van het aartsbisdom Mechelen.
De nieuwe bisschop van Luik, Mgr. Zaepffel, kwam den 19 Augustus
1802 in zijn bisschopsstad, waar hij eenige dagen later plechtig werd

77
tus, voor de herdenking van de keizerskroning, voor de viering van de overwinning bij Austerlitz, bij Jena, bij Ratisbonne, van den intocht
van Napoleon in Weenen in 1809, voor de viering van zijn tweede huwe-
lijk met Maria Louise, voor de geboorte van Napoleons zoon, den
,,koning van Rome".

Telken jare werd er een bruidsschat toegekend van 600 francs aan
een verloofd meisje, dat op den verjaardag van de keizerskroning wilde trouwen. Indien meerderen zich hiertoe bereid verklaarden, -- een ge-
val, dat nu niet zoo ondenkbaar was en men dus goed deed van tevoren
te regelen, moest het gemeentebestuur er eene aanwijzen, die als de
waardigste beschouwd werd. De voorkeur werd gegeven aan meisjes,
die een oudmilitair tot echtvriend verkozen hadden.
De inrichting der bestuursinstellingen onderging in den Napoleonti-
schen tijd weinig of geen verandering. Wel moesten degenen, die van
hun stemrecht gebruik wenschten te maken, eerst een eed van trouw
aan den Keizer afleggen.
De uiterlijke vorm der ambtelijke stukken onderging verandering door
de afschaffing van den republikeinschen kalender op 31 Januari 1805.
Vreemd doet het aan, op het jaar 14 het jaar 1806, op de maand Nivôse
de maand Januari te zien volgen.
Het staatstoezicht was, niet alleen op kerkelijke zaken, maar ook op
geheel het maatschappelijk leven, vrij streng.
Den 1 Juni 1805 ontving de magistraat een aanschrijven van den prefect
om bij alle boekhandelaars en drukkers een onderzoek in te stellen om-
trent de boeken, die zij uitgaven. Evenzeer werd er streng toezicht ge-
houden op de scholen, waarbij niet in de eerste plaats op de bekwaam-
heid der onderwijskrachten gelet werd, -- ofschoon ook deze de regee-
ring ter harte ging, maar vooral op de boeken, die gebruikt werden,
op de politieke gezindheid der onderwijzers en onderwijzeressen, op de omstandigheid, of dezen al dan niet in het bezit waren van de grondwet
of althans moeite hadden gedaan deze te verkrijgen, en of de kinderen
daarin onderwezen werden; of de rechten van den mensch" op school
behandeld werden; kortom, of de onderwijzers of onderwijzeressen van
goeden wille(!) waren. Indien aan dit vereischte werd voldaan, werd den autoriteiten gunstig over de betreffende school gerapporteerd; zoo niet,
dan werd geadviseerd haar op te heffen. Een maatregel, die menig gezin
ten goede kwam, al zal hij wel in de eerste plaats militaire doeleinden
hebben moeten dienen, was het besluit van Maart 1805, waarbij de staat
de opvoedingskosten betaalde van een kind uit ieder gezin, dat er zeven
in leven had.
Voor de openbare veiligheid des daags en des nachts werd behoorlijk
zorg gedragen. Het kienspel, waarbij blijkbaar nog al eens twist ontstond,
werd onder toezicht gesteld. De maire Jacob Kwisthout (ook Jacques
Quisthout gespeld) stelde den 5 Januari 1807 de condities vast, waar-
onder dit spel in koffie-, wijn- en bierhuizen mocht worden gespeeld.
Een der voorwaarden bestond hierin, dat de winner van het spel 5 cen-
times moest deponeeren in een daartoe bestemde doos, waarvan de
inhoud om de acht dagen moest worden afgedragen aan den

79
gent manschappen te leveren; bovendien werden er circulaires ver-
spreid, waarin jongelieden werden aangespoord, vrijwillig dienst te
nemen. Opname bij de keizerlijke eerewacht moest de eerzucht der
jongelui prikkelen. Anderzijds werden er premies gesteld op de aan-
houding van deserteurs; 12 francs werden er, -- volgens een circu-
laire in Februari 1806 te Roermond verspreid, voor dit doel uitbetaald
aan gendarmen en veldwachters. Mettertijd, toen de gedurige hervat-
ting der oorlogen het vertrouwen op een eindvrede aan het wankelen
bracht, moesten de maatregelen tegen desertie verscherpt worden en
werden er geheele colonnes belast met het opsporen van deserteurs.
De gevangen vijanden, die door Roermond gevoerd werden, waren
grootendeels Pruisen en Spanjaarden, -- de eersten in den oorlog van
1807 tot '08, de laatsten sinds den Spaanschen volksopstand in 1808
door de Franschen gevangen genomen.
In 1810 stond Napoleon op het toppunt van zijn macht. Zonder toe-
stemming van den Paus liet hij zijn huwelijk met Joséphine de Beau-
harnais ontbinden en huwde de dochter van den door hem diep ver-
nederden Oostenrijkschen keizer, de aartshertogin Maria Louise, uit het
aloude vorstelijke geslacht der Habsburgers. Half Europa bevond zich
in dezen tijd in zijn macht of stond onder zijn invloed. Toch was deze
macht niet op hechte grondslagen gevestigd. Engeland was voortdurend
met Frankrijk in oorlog, bracht het op economisch gebied zware ver-
liezen toe en leek welhaast onoverwinnelijk. Rusland toonde zich een veeleischend bondgenoot; in het mishandelde Pruisen herleefde het zelfbewustzijn; in Spanje kon Napoleon den volksopstand maar niet
meester worden.
De breuk met Rusland is het begin van het einde geweest. Het leger,
waarmee de keizer den tocht naar het uitgestrekte Russische rijk onder-
nam, telde meer dan een half millioen soldaten. Het contingent, dat het arrondissement Roermond in 1812 te leveren had, was 22 Januari 1812,
nog vóór het uitbreken van den oorlog met Rusland, maar toen de toe-
stand reeds gespannen was, bekend gemaakt. Dit bleek 231 man te be-
dragen, waarvan de gemeente Roermond er 52 te leveren had. Twee
boden zich aan als vrijwilliger, zoodat er nog 50 gerequireerd werden.
Na de mislukking van den tocht naar Rusland, waarbij honderdduizen-
den omkwamen, heerschte er in alle aan Napoleon onderworpen landen
rouw en verbittering. De keizer gaf echter den moed niet op; nieuwe
lichtingen moesten hem een leger verschaffen voor den veldtocht van
1813. Ook in Roermond vonden inschrijvingen plaats; zoo moesten alle oudsoldaten en oudonderofficieren, onverschillig bij welke mogend-
heid zij gediend hadden, zich aanmelden. In Juli werd een nieuwe lijst
van gardes d'honneur samengesteld. Bovendien moesten er voor het
leger paarden geleverd worden.
Inderdaad behaalde de keizer in 1813 in Duitschland enkele overwinnin-
gen. Den 3 October moest er te Roermond een plechtige Hoogmis met
Te Deum gehouden worden als dankzegging voor de overwinning, die
de Franschen den 27 Augustus bij Dresden behaald hadden. Toch heeft
de koortsachtige energie, die hij in dezen tijd ontwikkelde, Napoleon

81
heden als residentie aangewezen. Ook deze regeling was van voorloo-
pigen aard.
Den 30 Mei 1814 werd de eerste vrede van Parijs gesloten tusschen de verbonden vorsten en Frankrijk, waar inmiddels Lodewijk XVIII, de
oudste broer van den in 1793 terechtgestelden Lodewijk XVI, tot
koning was uitgeroepen. Napoleon had afstand gedaan van den troon
en het hem aangewezen ballingsoord, het eiland Elba, reeds betreden.
Nog eenmaal zal hij, zij het ook voor zeer korten tijd, een rol spelen op
het wereldtooneel, namelijk in 1815, als hij in Frankrijk terugkeert en
zich opnieuw van den troon meester maakt. Maar na zijn nederlaag
bij Waterloo heeft zijn rijk een einde. Hij wordt nu naar het eiland
St.-Helena verbannen, waar hij in 1821 sterft.
In geheime artikelen werd in 1814, bij den vrede van Parijs, de vereeni-
ging van Nederland met België vastgesteld. Hiermede was over de
nabije toekomst van Roermond beslist.






























83
vincie zou noemen. De wensch van Roermond was om Opper-Gelder-
land te doen herrijzen met Roermond als hoofdstad. Opgemelde heeren
hadden dit aan de grondwetcommissie -- de commissie welke tot taak had
de grondwet van Holland van 1814 voor het nieuwe koninkrijk passend
te maken -- ingediende voorstel bij den Koning te verdedigen en tevens
den wensch der stadsregeering kenbaar te maken, dat de Roermondsche bisschopszetel zou worden hersteld, een en ander om aan de oude stad
iets van haar vroegeren luister terug te geven. Wij moeten de geopperde argumenten en tegenargumenten stilzwijgend voorbijgaan en volstaan
met de mededeeling, dat de Commissie na ampele discussie besloot de
provincie „Maastricht" te noemen. Ook dit ging echter niet door. In de commissievergadering van 8 Juli 1815 immers deelde de president mede,
dat naar het oordeel van den Koning de provincie Maastricht moest wor-
den genoemd: „Limburg".
Zoo werd Roermond een Limburgsche stad. Aan Gelre blijven intus-
schen het door Koning Willem III bij besluit van 27 December 1886
No. 26 aan de provincie Limburg verleende nieuwe wapen herinneren,
dat in het vierde kwartier in azuur een leeuw van goud met dubbelen
staart, getongd van keel, gekroond en geklauwd van goud vertoont:
Gelre vóór 1371; zoomede de in 1877 in de dakvensters van het raad-
huis, naar door den beeldhouwer Leeuw vervaardigde modellen, aan-
gebrachte wapens namelijk Gelre ná 1371 en Limburg vóór 1886 naast
dat van de Stad.
Roermond vierde 12 Mei 1915 het eeuwfeest zijner onafhankelijkheid;
dat is zooveel later dan het Noorden des lands had gedaan. Na het ver-
trek der Franschen behoorde Roermond tot het gouvernement van den
Nederrijn, departement de Nedermaas, gouverneurgeneraal Sack resi-
deerende te Aken, commissarisgeneraal de heer Minuth te Roermond,
sedert 13 April vervangen door den heer Piautaz. Sedert 1 Augustus
1814 behoorden de landen tusschen Rijn, Maas en Moezel tot het generaalgouvernement van den Neder- en Middelrijn steeds onder Sack
als gouverneur. Roermond ressorteerde toen onder het departement
Maas en Ourthe met Luik als hoofdzetel. De Maas zou echter, tegen de verwachting van den koning van Pruisen in, niet de grensscheiding van
zijn rijk uitmaken. Die grens moest minstens 3000 meter van de rivier
verwijderd blijven. 16 Maart 1815, daags na Napoleons ontvluchting
van Elba, aanvaardde Willem I op eigen verantwoording het koning-
schap over België en 12 Mei d.a.v. nam J. G. Verstolk van Soelen
namens den Koning bezit van de gemeenten behoorende tot het Generaal-Commissariaat Luik, met opdracht aan de besturen, welke in hunne
functiën werden gehandhaafd, om 's-Konings desbetreffende procla-
matie onder het luiden der klokken en met behoorlijke plechtigheid
te doen afkondigen en aanplakken waar zulks te doen gebruikelijk was.
9 October droeg de heer Verstolk van Soelen zijn functie over o.a. aan
den heer de Brouckère, gouverneur der provincie Limburg, wat Roer-
mond betreft, en van dien dag af zouden de inrichtingen bij de grond-
wet voorgeschreven" hier gelden.
Holland en België één rijk, ook één natie? Eén staat, ook één volk?

85
den handel tusschen Noord en Zuid, en België de belangen van het af te
stane gedeelte van Limburg blijkt te verwaarloozen, nemen Burgemeester
en Schepenen der stad Roermond geen blad voor den mond en verwijten
zij de gewestelijke regeering bij herhaling die houding, zich er op beroe-
pend, dat deze landstreken, die tweemaal België's onafhankelijkheid
hielpen verzekeren, eerst door haar steun aan de nieuwe regeering en
thans door de opoffering van de vruchten der revolutie een royaler behan-
deling verdienden. „Moins d'insouciance devrait frapper une ville qui a
fait de si grandes sacrifices lors et après la révolution de Septembre et
sur laquelle pèse l'exécution des 24 articles", zoo luidt het in latere jaren
nog letterlijk in een der rapporten ex § 1 van art. 7 der Gemeentewet.
Nadat Willem I eindelijk het Londensche vredestractaat had aangenomen
kwam de stad wederom onder diens wettig gezag. De Belgische troepen ontruimden de provincie en 21 Juni 1839 kwam een bataljon Nederland-
sche infanterie de stad binnen en werd deze weinige uren later door Jonk-
heer Kerens de Wolfrath namens den Koning der Nederlanden in bezit
genomen. Zulks geschiedde hier als elders zonder botsing en niemand
werd wegens deelneming aan de vroeger voorgevallen onlusten veront-
rust. De ambtenaren, die niet verkozen naar België uit te wijken, werden
zelfs in hunne functiën gehandhaafd.
Tot goed begrip van zaken thans een heel klein brokje staatsinrichting. Luxemburg was tot hieraantoe geen gewone provincie van het vereenig-
de koninkrijk der Nederlanden geweest, maar tevens een Duitsche Bonds-
staat met den Koning als groothertog. Dat is een heele geschiedenis op
zichzelf, welke met het oog op de beschikbare plaatsruimte hier als be-
kend moet worden beschouwd. De lezer herinnere zich slechts, dat bij
de scheiding van Holland en België de Duitsche Bondsdag, naast de
toestemming der Nassausche Agnaten voor den afstand van een deel van Luxemburg, voor den Bond zelven schadeloosstelling in grondgebied
eischte en gelieve er dan wel acht op te slaan, dat aan Limbourg cédé,
gelijk de Belgen zeggen, dus de nieuwe Noord-Nederlandsche provincie
Limburg, d.w.z. de helft van het vroegere Limburg, de rechten van het
aan België afgestane gedeelte van het groothertogdom Luxemburg werden toegekend en diens verplichtingen daaraan werden opgelegd.
„Het groothertogdom van Luxemburg", zegt de Grondwet van 1815,
,,onder dezelfde souvereiniteit als het Koninkrijk der Nederlanden ge-
plaatst zijnde, zal dezelfde grondwet hebben als de provinciën behou-
dens deszelfs betrekkingen tot het Duitsche Verbond." In de grondwet
van 1840 staat: „Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat uit de volgen-
de provinciën ..... mitsgaders het Hertogdom Limburg behoudens de
betrekkingen van het hertogdom, met uitzondering der vestingen Maas-
tricht en Venlo en van derzelver kringen, tot het Duitsche Verbond. Het Hertogdom Limburg bestaat uit dat gedeelte der voormalige provincie
van dien naam, hetwelk bij de tractaten van den 19den April 1839 daar-
van niet is gescheiden." Wat allemaal hieruit is voortgevloeid




87
Er is, om den draad weer op te vatten, veel over geschreven, welke
de gevolgen hadden kunnen zijn van de scheeve positie waarin Limburg
na de dertiger jaren zijns ondanks was gebracht. Hier kan worden vol-
staan met melding te maken van de Duitsche Unieplannen van het jaar
1848 waarin het werd betrokken. De lezer herinnere zich het Frankforter Parlement waarheen ook Luxemburg en Limburg hun afgevaardigden
moesten zenden. De hertogelijk Limburgsche commissaris voor de
Duitsche Bondszaken, de heer Louis Beerenbroek, de later zoo verdien-
stelijke burgemeester van Roermond, ingevolge koninklijk besluit han-
delend ter uitvoering van de besluiten van de Duitsche Bondsvergadering,
schreef de verkiezing uit van twee afgevaardigden voor de Nationale
Duitsche vergadering welke op den 18den Mei 1848 te Frankfort aan
den Main zou bijeenkomen. Stemgerechtigd was voor deze Duitsche aangelegenheid ieder meerderjarige niet bedeelde burger. Voor elke 500
zielen zou een kiezer worden benoemd. Roermond telde 6005 zielen en
kreeg dus 12 kiezers. Opmerkenswaard is het dat hiertoe geen enkel
raadslid werd benoemd en niemand uit de aristocratie. In beide kiesdis-
tricten, dat is en te Roermond en te Valkenburg, werd met zoo goed als
algemeene stemmen benoemd J. L. Th. A. L. Baron van Scherpenzeel
Heusch, grondeigenaar te Baarlo gemeente Maasbree. Bij nieuwe ver-
kiezing werd te Valkenburg benoemd de heer Alexander Schoenmaeckers, grondeigenaar te Beek. De heer van Scherpenzeel Heusch nu was bekend
om zijn streven voor losmaking van Limburg van Nederland en aanslui-
ting als onafhankelijk staatje bij den Duitschen Bond.
De handelingen van den gemeenteraad houden over deze aangelegenheid
slechts het navolgende in: „3 Juni 1848. Wordt door den Burgemeester
Jhr. Petit aan den Raad in overweging gegeven, of het niet zake zoude
zijn een adres aan Zijne Majesteit in te dienen tegen de afscheiding des Hertogdoms van het Koninkrijk der Nederlanden. Resolveert de Raad
dat voor het oogenblik daarmede zal worden geschorst".
Merkwaardig is het verder dat, terwijl de heer van Scherpenzeel te
Frankfort de scheiding bepleit, de heer Mr. H. H. Geradts, raadsheer
in het provinciaal gerechtshof van Limburg, in de zitting van de Ile
Kamer der Staten-Generaal van den 18den Augustus 1848 het behoud
van Limburg bij Nederland verdedigt. Aan het slot van zijn rede zegt
deze: „Bekend met mijne beginselen, met mijne beredeneerde overtui-
ging omtrent het onderwerpelijk vraagstuk hebben de Provinciale Sta-
ten, toen dit punt brandend werd, mij tot dezen eerepost beroepen en
in dezen vervul ik, naar eer en geweten, eene heilige plicht met de
afscheiding uitdrukkelijk te bestrijden".
Hoe het kwam dat het gewone volk er anders over dacht, ware aan de
hand mede van mededeelingen over economische en sociale toestanden psychologisch begrijpelijk te maken. Hier zij terloops opgemerkt dat het
niet ging tegen den Koning, die in elk geval groothertog van Luxemburg
en Limburg zou blijven. En dan liefde, ook vaderlandsliefde, moet van
twee kanten komen. Voor mij ligt een brochure ge-



89
is de verhoogde belangstelling, welke dit gewest sedert den aanvang van
de regeering van H. M. de Koningin-Regentes Emma van de zijde van
het Koninklijk Huis heeft mogen ondervinden, niet vreemd. Na het be-
zoek in 1895 aan Limburg gebracht door H.H. M.M. de Koningin-
Regentes en Koningin Wilhelmina mocht Roermond op 17 Juli 1903 het
bezoek ontvangen van H. M. de Koningin en Z. K. H. Prins Hendrik. Op
onder-scheidenlijk 5 en 17 Juni 1909 werd Roermond en de alstoen alhier
gehouden landbouwtentoonstelling vereerd met het bezoek van Prins
Hendrik en de Koningin-Moeder. 20 October 1925 was het Koninklijk
echtpaar bij diens officieel bezoek aan deze stad tot groote vreugde der ingezetenen vergezeld van H. K. H. Prinses Juliana. Intusschen had
Koningin Wilhelmina ook in droevige omstandigheden de stad bezocht,
zooals tijdens de mobilisatie in den wereldoorlog en ter gelegenheid van
den grooten watersnood 1925/1926. Prins Hendrik onthulde 10 Juni 1930
het standbeeld van Dr. Cuypers en als om de traditie voort te zetten zal
Prinses Juliana het ter gelegenheid van het 7e eeuwfeest der stad in perpe-
tuam rei memoriam gestichte museum in hoogst eigen persoon komen
openen.
In moeilijker omstandigheden voorwaar was Roermond in de vervlogen
zeven eeuwen trouw aan zijn wettigen vorst.

„De grootste van de vier en veler steden moeder,
Ben moedig op mijn zaad en kuddenrijk gebergt,
Maar 't is mijn opperroem, dat ik der landen hoeder,
In zijn ballingschap gewaard heb en gebercht."

II. INWENDIGE GESCHIEDENIS.

Johan David Held, de scherprechter, stond bovenaan op de lijst van
gepensioneerden ten laste van den Staat. Zijn gereedschappen in het
openbaar van de pui van het stadhuis verkoopen behoorde tot het eerste
werk dat de Franschen bij hun verovering van Roermond te doen hadden.
De Franschen hadden wetgeving en strafrechtpleging in menschelijker
banen geleid en de administratie op modernen leest geschoeid. Ook
Willem I profiteerde daarvan voor zijn land en zelfs de ..gehate con-
scriptie" nam hij gretig over. Verder behoorden tot die gepensioneerden
leden zoo mannen als vrouwen van de opgeheven kloosters. Het weinige
immers dat nog van de kloosters over was na de door Jozef II gehouden opruiming had voor de Franschen mede moeten wijken.
Nauwelijks waren zij vertrokken of namens den gouverneurgeneraal van
het departement der Nedermaas maakte de commissarisgeneraal Minuth
i.d. 3 Maart 1814 bekend, dat het een vergissing was te meenen, dat
daardoor de Fransche wetten niet meer golden en dat speciaal de voor-
schriften betreffende den burgerlijken stand in het belang der families
moesten blijven nageleefd. Van geboorten en sterfgevallen moest bij
voortduring aangifte worden gedaan ten stadhuize en daar moesten de
huwelijken worden voltrokken. Jaren heeft het echter nog


91
ten stadhuize wel een meting van 1680 en een „boenderboek“ van 1729
en een generale meting van 1786 van landmeter Schommers en een
nieuw boenderboek opgemaakt door J. Smabers in de jaren 1771-1774,
maar die gaven enkel maten met nummers zonder secties en wat erger
was zonder opbrengst. In de jaren 1842-1843 heeft hermeting en her-
schatting plaats gehad, welke laatste in Limburg heel wat stof heeft
opgejaagd van wege de hoogere grondbelasting die er het gevolg
van was.
Over het grondgebied liepen de navolgende wegen die alle in beheer
en onderhoud bij de Gemeente waren. le. De Kapellerweg welke zich
aan het einde van de laan (856 el) in twee armen verdeelde en alzoo
over onderscheidenlijk 324 en 408 el lengte leidde naar de dorpen Me-
lick en Herkenbosch en verder diende als verbindingsweg met Pruisen
in de richting van Wassenberg en Heinsberg; 2e. De Dijk, die leidde
door het gehucht Merum, gemeente Herten, richting Maastricht en
voorts ook door middel van eenen arm op een afstand van 1736 el van
de stad naar Odiliënberg over 1464 el lengte; 3e. De weg over de Maas
lang 3200 el. Deze weg splitste zich op een afstand van 750 el van de stad
in twee armen, een op Horn en een op Haelen. Dit was de communi-
catie met Maeseyck en Weert. De weg lag in een laagte en was bij hoo-
gen waterstand onbruikbaar; 4e. De Venlosche weg richting Maasniel
en verder over Swalmen naar Venlo en Bruggen (Pruisen), lengte 1170
el; en 5e. de Buggenummerweg van Maasniel naar Buggenum lang
770 el. Deze was 7 el breed, die over de Maas en naar Odiliënberg 5 el,
de overige 10 el.
Voor herstel- en onderhoudswerk op de wegen werden als het hoog
noodig bleek karren met paard en geleider gerequireerd met bij elk
span een tiental manschappen met „schup en schoet“. De onderhouds-
toestand was laat ons maar zeggen primitief. De postpaarden zouden
daarvan het best kunnen getuigen. Intusschen had Napoleon een weg
van Parijs in de richting van de Oostzee ontworpen. Jammer alleen, dat
hij Roermond links liet liggen of in letterlijken zin rechts. Ik bedoel
den Napoleonsweg, welks opzet aan de Romeinen herinnert, die bij
wegenaanleg geen bergen noch bosschen ontzagen. Bij aanleg op kleine
schaal moest men dat wel doen, de bergen omtrekken terwille van de
trekdieren en de bosschen ter vermijding van de moerassen. Over zulke
wegen beschikte Roermond nog: kronkelwegen wat richting en zand-
of breiwegen wat verharding betrof. Het verkeer te water genoot daar-
om de voorkeur, en zoo lag Roermond voorspoedig aan de Maas ...
totdat de Zuid-Willemsvaart kwam, een werk gelijk de Napoleonsweg
door Napoleon opgezet en door Willem I uitgevoerd en dat gelijk het
laatste te land op zijn beurt te water het verkeer van Roermond afleid-
de. De straatweg Maastricht-Venlo op den linkermaasoever, onder-
deel van opgemelden „Napoleonsweg“, werd aangelegd in de jaren 1812
-1824, terwijl de Zuid-Willemsvaart in 1828 is geopend.
Maar laat ons op Roermondsch gebied blijven. Met den weg Over de
Maas gaf een veer verbinding, dat sedert 1795, of „de doorsteking” van
de Roer, langs een verharden weg bereikbaar was. Voordien moest men

93
en de Munsterkazerne, een woning met een tuin van een bunder (eigen-
dom Heusch) en verder de meelwaag, de brouwerijstal, de gevangenis,
,,de Ramen" (eigendom Claus) en nog verschillende kleine woonhuisjes. Tegenover de Munsterstraat gaf een groote, en iets verder westwaarts
een kleinere poort toegang tot dat alles. Tegen den muur waren achter Kloosterwand en in de Christoffelstraat enkele armoedige woningen
opgetrokken. Het Begijnhof was een afgesloten terrein met huisjes van
het R. K. Godshuis en op den achtergrond, waar vroeger het kerkje had
gestaan, een groot Christusbeeld. De stad zag er volgens reisbeschrij-
vingen uit dien tijd troosteloos uit. Gelukkig is de oude Kartuizerskerk
door de adellijke nonnen van St. Gerlach voor ondergang behoed. Muren,
poorten, torens, grachten en wallen, die de stad onveranderd van voor den Spaanschen tijd omgaven, werden door de Franschen zoo goed mogelijk
hersteld. Zij zouden voortaan dienen tot wering van den sluikhandel!
Ook de straten waren alle eeuwen oud en liggen er thans nog zoo goed
als ongewijzigd. Nagenoeg alle kloostergebouwen echter zijn met ver-
loop van tijd door particuliere woningen vervangen. De huizen tot het
Stadhuis toe waren veelal gewit, maar leken niet zoo op elkaar als
vandaag. Naast patriciershuizen lagen de onaanzienlijkste arbeiders-
woningen. Hier en daar hing ten behoeve der openbare verlichting aan
een hoog over de straten gespannen ketting of touw een lantaarn, die
door middel van een katrol op en neer kon worden gehaald. Voor de
deftige huizen zijn de stoepen afgezet met een ijzeren hek tusschen
steenen palen. Op andere stoepen staat een bank waarop bij mooie
avonden de buren zitten te praten over hun handel en bedrijf. De cou-
rant is nog een zeldzaamheid en de barbierswinkel een voorname bron
van nieuws. Tin en koper behooren tot het gewone huisraad en waar
thans een naaimachine, wat zeg ik, een radiotoestel staat, bevond zich
een spinnewiel. Het was nog de tijd van kaarsen- en olieverlichting.
Een kaars op een blaker in den gang en de keuken; in de woonkamer
twee kaarsen op tinnen kandelaars, waarnaast een tinnen of porseleinen
inktstel met veeren pen. In de goede kamer alleen stond een nog niet
zoolang geleden uitgevonden lamp met gazen kap en kous iets later
vervangen door de carcellamp met glazen ballon op een sierlijk bronzen
voetstuk. De tondeldoos zou weldra van de zwavelstokjes concurrentie ondervinden. Tot zoolang namen de bezoekers van den casinotuin Over
de Brug een vlammetje voor hun tabakspijp of sigaar aan de zemelen
die in een ijzeren pot op verspreid opgestelde standaarden stonden te
smeulen. Het verkeer levert nog geen gevaar op voor de kinderen die
spelen op straten en pleinen. De postwagen immers en het dokters-
koetsje rijden maar zelden uit en voor de molenkarren hebben de jon-
gens geen angst, evenmin als voor den bierwagen. Het alignement of
de rooilijn was nog onregelmatig. Naar de poorten liepen de straten trechtervormig toe. Hier en daar lagen voor den waterafvoer overdekte
goten en zelfs onderaardsche gemetselde kanalen. Meestal waren de
goten echter open. De gracht van de Maasnielder naar de Venlosche
poort droeg den typischen naam van de modderkuil, hetgeen wel op den primitieven toestand van den water-

95
drons huzaren (gedurende de mobilisatie in 1870 ingedeeld bij het mo-
biele leger), 1871 een escadron huzaren, 1 Mei 1873-1 Mei 1878 een bat-
terij rijdende artillerie, 1 Mei 1879 twee batterijen veldartillerie plus een compagnie infanterie, 31 October 1896 twee escadrons huzaren en een
compagnie infanterie waarbij in 1909 de staf wordt gevoegd en in 1911
nog een tweede compagnie, 1913 een bataljon en twee compagnieën
infanterie benevens de 12 depotcompagnie. Gedurende den wereldoorlog
van 1914 tot 1918 was het garnizoen van Roermond ingedeeld bij het
leger te velde en Roermond tijdelijk bezet door landweerafdeelingen;
1919 staf van de Ile infanteriebrigade plus een bataljon, twee compagnie-
ën en 1½ depotcompagnie van het 13e regiment infanterie. Hierbij komt
in 1921 een mitrailleurpeloton. Met 2 Mei 1922 wordt het infanteriegarni-
zoen te Roermond ingetrokken. De staf van de Ve infanteriebrigade blijft
tot 1 October 1922 te Roermond. Van 1921 t/m 1925 is er nog een afdee-
ling politietroepen onder een officier geplaatst geweest. In de dertiger jaren
waren hier herhaaldelijk Belgische troepen ingekwartierd. In dezen tijd
vervingen gendarmen de marechaussee's die hier sedert 1816 liggen.
De dienstdoende schutterij bestond hier van 1827 tot 1830 en van 1867
tot 1904. In den Belgischen tijd diende de Gardecivique.

„Alle documenten en papieren raackende het Overquartier van Gelder-
land zullen als voor deezen blijven in de archieven tot Roermond" zoo
stond te lezen in art. 18 van het op 15 November 1715 gesloten Barrière Tractaat. Eenige tientallen jaren geleden had men van gouvernements-
wege reeds pogingen aangewend dit archief te Maastricht onder te
brengen. Na den dood van den rijks en gemeentearchivaris J. B.
Sivré in 1889 waren die pogingen vernieuwd en op 2 Juli 1894 barstte
de bom voor goed en brak de bekende archievenstrijd uit. Eerst 3
Maart 1901 stemde de Raad toe in een minnelijke schikking welke op
afstand van het archief neerkwam. Het Rijk zag af van zijn eisch tot schadevergoeding, stond aan Roermond de archiefstukken betreffende
de Munsterabdij af en nam alle proceskosten voor rekening van den
Staat. Hoe vinnig deze strijd is gevoerd moge blijken uit het feit dat
de Koninginnen bij Haar bezoek aan Limburg in 1895 Roermond voor-
bij reden, wat met dien strijd in verband werd gebracht en dat de rijks-
archivaris in zijn verslag over dat jaar (pagina 690) over zijn met den Commissaris der Koningin aan Roermond gebrachte bezoeken vermeldt: „Opgemerkt dient te worden dat bij onze komst te Roermond aan het
station gefluit en beleedigende kreten van het opgeruid gepeupel ver-
nomen werden. Dit schandaal kan geen bevreemding wekken, als men
bedenkt hoe sinds meer dan 1 jaar opruiende taal tot in de zaal van den gemeenteraad systematisch tegen het gezag werd gevoerd". Ik vermeld
dit ter illustratie. Wat opruiende taal is, is natuurlijk een kwestie van
appreciatie. Dat de Raad slechts het goed recht der gemeente handhaafde
blijkt wel uit het verloop der procedure. Sedert zijn de gemoederen gekal-
meerd en het mag een beau geste van de rijksregeering worden genoemd,
dat de huidige rijksarchivaris


97
ongeveer Nijmegen. Naar Maastricht leidde de weg over den Dijk.
Geen wonder, dat daar spoedig een brug over de Hambeek verrees.
In de richting Nijmegen zocht men weldra communicatie met den
Napoleonsweg. Een ideale toestand zou echter slechts bieden een weg,
waar men al aanstonds het streven op richtte, de tegenwoordige weg
Maastricht-Nijmegen, aan welks tot stand komen echter de Belgische
revolutie al spoedig aanmerkelijke vertraging zou brengen, al was het
maar, omdat die weg te Brussel geoordeeld werd 's lands defensie-
belangen afbreuk te doen. Over de Maas zocht men verbinding met
Noordbrabant en België en over Elmpt, Melick-Herkenbosch en Poster-
holt met Pruisen. Onze overgrootouders, het zij dankbaar erkend, ge-
troostten zich veel moeite en, de omstandigheden in aanmerking geno-
men, niet minder geldelijke offers, om den aanleg van al die wegen
te bevorderen en gelukkig zij of althans hun kinderen hebben hun streven
met succes bekroond mogen zien.
Omtrent 1820 werd de Roerkade aangelegd, een dam gelegd in de Roer
en de Hellegaten ten behoeve van de molens op de Roer hersteld. Ge-
lukkig heeft de destijds nog bloeiende zalmvisscherij op de Roer door
die werken niet geleden.
In 1824 bouwde de gemeente een nieuwe brug over de Hambeek. De
kosten bedroegen f 10.000,-. Daarvoor mocht de gemeente voor 30 ja-
ren een passagegeld heffen. Daarna werd met subsidie onzer gemeente
een brug gelegd over de Rothenbach onder Vlodrop ten behoeve van het
verkeer met Pruisen. In 1835 kocht de gemeente eenige huizen aan de Kapellerpoort aan ter verbreeding van den ingang aldaar en ter verbinding
van den boulevard tusschen deze poort en de Brugpoort met den ontworpen boulevard tusschen de Kapeller- en de Maasnielderpoort.
Voor het einde van den Belgischen tijd was ook de verbinding met den Napoleonsweg verkregen en de weg Roermond-Venlo klaar. Deze laat-
ste werd bij K. B. van 12 November 1836 uitgezet op een lengte van
22.809 meter en een breedte van 10 meter. 10 December d.a.v. had de aanbesteding plaats met de bepaling dat de weg op 1 November 1838
moest worden opgeleverd.
In 1842 is een der armen van de Maas beneden de Hambeek met name
de linker en toenmalige hoofdarm ter bevordering der scheepvaart dicht-
gemaakt. Tot mogelijkhouding van de scheepvaart had men in de
dertiger jaren reeds veel werk aan de Maas beneden de Roode brug be-
steed, alsmede aan nivelleering en droogmaking der stadsweide door
verzorging der afwatering langs de Oude Roer.
Bij K. B. van 15 October 1842 no. 61 werd de richting van den rijksweg Maastricht-Nijmegen vastgesteld. Het gedeelte Roermond-Linne is in
1844 aanbesteed en ten deele door Roermond bekostigd. Linne-Susteren
was in 1842 uitgegeven. 19 Juni 1845 had de feestelijke eerstesteenleg-
ging van de brug over de Roer het belangrijkste kunstwerk in den weg
door den gouverneur van het hertogdom plaats. De ingenieurs van den
waterstaat hadden blijkbaar niet voldoende rekening gehouden met het
bekende „opbulderen" der Roer, want den eerst-


99
Toen het station 4e klasse op de lijn Maastricht-Venlo 6 November
1865 feestelijk werd geopend, kon Roermond de door het lange isole-
ment geleden schade niet meer inhalen, en toen eindelijk in 1879 de lijn Antwerpen-M. Gladbach kwam, had Venlo door zijn eerdere verbinding
met Pruisen een voorsprong op Roermond verkregen, waarvan het sinds-
dien in ruime mate heeft geprofiteerd.
In de vergadering van den Raad van 24 November 1859 maakte burge-
meester Beerenbroek gewag van een bedrag van ƒ 399.932 dat aan pu-
blieke werken zou moeten worden besteed, namelijk ƒ 70.000,-- aan gas-verlichting,  ƒ 93.632,-- aan kanalen, f 25.300,-- aan bestrating van de voor-naamste straten met paveisteenen, ƒ 11.000,-- aan herstel van Kade en Loos
en ƒ 200.000,- voor een brug over de Maas. Hoe het daarmee is gegaan,
kan men lezen in het opstel over publieke werken in den nieuwen tijd.
Als ik thans een bescheiden poging wil wagen, om den lezer een ant-
woord te geven op de vraag, hoe de stad overigens sedert den Franschen
tijd is geregeerd, dan wensch ik allereerst op te merken dat, als voor eco-nomischen vooruitgang staatkundige stabiliteit vereischt is, Roermond
niet in gunstige positie heeft verkeerd. Seb. van Beringen teekent in zijn
kroniek het volgende aan: „1831. 4 Juni is de prins van Saksen Coburg
tot koning der Belgen uitgeroepen. Dit is het 4e souverein huis dat ik over Roermond beleefd heb sedert 40 jaren. Wij waren eerst Keizersch, dan
werden wij Fransch, dan werden wij. Hollandsch en nu zijn wij Belgisch.
Noteert hier, dat indien het lastig is voor eenen meester dikwijls te veran-
deren van onderdanen, het voor de onderdanen niet minder nadeelig is
dikwijls te veranderen van meester. De ondervinding in deze jaren heeft
dit genoegsaem geleerd. De gouvernementen staken zich in troebels en
schulden en de gemeene borgers moeten deselven dragen."
De stad bezat betrekkelijk veel eigendommen, welke in geval van nood
te gelde gemaakt konden worden, gelijk met de stadsboerderij het
Hatenboer in het laatst van den Franschen tijd reeds was gebeurd en
gelijk spoedig daarna met het stadsaandeel in Meinweg*) en verschil-
lende andere het verst afgelegen kleinere eigendommen is geschied.
Geld leenen ging moeilijker dan thans. 6 December 1861 nog heeft men
kunnen zien hoe de Raad geld van het R. K. Godshuis ter leen kreeg
tegen eerste hypotheek op de stadsweide. Voor den bouw der Maasbrug
zouden spoedig de weilanden over de Maas moeten worden verkocht,
omdat het noodige geld anders niet bij elkaar was te krijgen. Voorts
heeft de gemeente veel voordeel genoten van den eigendom der stads-
muren, wallen en grachten, welke haar in den schoot was gevallen.
Maastricht en Venlo b.v. welke in 1867 als vestingsteden zijn opgeheven,
hebben wat zij van de vestinggronden wilden overnemen voor duur
geld van het Rijk moeten koopen. Maar een ander verschil

*) Meinweg behoort tot die ondoordringbare bosschen, waarvan Caesar en Tacitus
verhalen. Het is ter grootte van 2423 H.A. in den Franschen tijd onder de dertien
omliggende medeeigendomsrecht bezittende gemeenten verdeeld. Roermond verkocht
zijn 186 H.A. in 1822 voor f 1301.17 in perceelen.


101
gemeente van een garnizoen voorstelde en waar de belastingpenningen
zooal vandaan kwamen.
Het Kruisheerenplein heeft de gemeente, om nog een paar buitenkans-
jes te noemen, veel geld opgebracht aan bouwterreinen. Het Jezuieten-
klooster kreeg ze van Napoleon cadeau voor de stichting van een in-
richting voor instruction secondaire". De Penitenten schonk haar Willem
I voor afbraak. En het oud Bisschoppelijk Paleis, het tegenwoordige
paleis van Justitie en zoo zal het ook wel met de oorspronkelijke Munsterkazernegebouwen, het oud Seminariegebouw en de Oude Grif-
fie zijn gegaan moest ten koste van veel geld tot kazerne worden
ingericht. Het Rijk schoof die kosten op de gemeente en op den duur
gedroeg zich de gemeente als eigenares. In 1822 werd het oud bisschop-
pelijk paleis op gemeentekosten voor rechtbank en marechauseekazerne
ingericht. Een proces over den eigendom heeft het Rijk verloren en het
heeft de Gemeente in 1871 voor het paleis van Justitie ƒ 50.000,-
moeten betalen.
Het eerst werd in den Raad over een hoofdelijken omslag gesproken
in de vergadering van 17 Juli 1856 bij een discussie over keurloonen
van vleesch.
Burgemeester Beerenbroek wil niet ontkennen dat de indirecte belas-
tingen hunne nadeelige zijde hebben, als zijnde de inning daarvan kost-
baar -- zij bedraagt ruim f 1900,- 's jaars -- ook slepen zij belemmerin-
gen in het verkeer na zich en kunnen invloed uitoefenen op de prijzen
der belaste voorwerpen, maar van den anderen kant bieden zij die voor-
deelen aan, dat ze ongevoelig en bij kleinigheden worden betaald en
niet alleen door de ingezetenen maar ook door vreemden, die hier ver-
toeven, worden gedragen. Aan hoofdelijke omslagen zijn ook gewigtige
bezwaren verbonden, namelijk de bijna onmogelijkheid om met eenige
juistheid bij de repartitie het aandeel der ingezetenen te bepalen; men
herdenke slechts de algemeene ontevredenhid die bij de jaarlijksche
repartitie van de geadmodieerde Rijksaccijnsen op het gemaal, het
geslagt en de brandstoffen te voorschijn kwam".
De heer Strens echter (toch niet de eerste de beste. Hij zou 12 Maart
1862 van den wethouderszetel worden geroepen om voor de tweede
maal aan de ministerstafel plaats te nemen) gelooft dat elke belasting
op levensmiddelen, hoe gering ook, aanleiding geeft geeft om door den
verkooper 2 à 4 maal de belasting aan den verbruiker te doen betalen.
Hij meent dat het keurloon het vleesch duurder zal maken, was dit ten
onregte, daar de slagter daarin de gelegenheid zal zoeken van één cent
drie te maken. Hij betreurt het, dat het weggeld, marktgeld, de belasting
op de boter, het vleesch, de brandstoffen enz., nog worden betaald; hij
wenscht daarvan de afschaffing en kon de gemeente de inkomsten niet
missen, dan wenschte hij die door een hoofdelijken omslag te zien
vervangen, die dan toch in deze gemeente geene onoverkomelijke
bezwaren zou opleveren, omdat de te verdeelen som niet zeer hoog
zou loopen. Zijns inziens is deze de rechtvaardigste belasting, indien
goed gerepartiseerd; hij ontkent niet de bezwaren daaraan verbonden,
maar beschouwt ze minder drukkend dan die, welke op de

103
dat het wetsontwerp de bepaling bevat, dat de uitkeering in geen geval
zal dalen beneden de eerstgenoemde som van ƒ 23.104,78½. Immers, vooruitstrevende Gemeenten, welke den ingezetenen hooge belastingen
opleggen, doordien zij in ruime mate voorzagen in de eischen eener
goede gemeentelijke huishouding, zullen hooge uitkeeringen erlangen. Gemeenten daarentegen, waar men op allerlei gebied veel te doen
overliet, zullen uit de voorgestelde regeling geen voordeel trekken. Eerstgenoemde Gemeenten, welke in de toekomst minder te doen vin-
den, ontvangen ook in de toekomst eene belangrijke uitkeering, terwijl laatstgenoemde, die het verzuimde nog moeten inhalen, bij stijgende
behoeften zich tengevolge van de fixatie van de uitkeering per inwoner,
zullen moeten tevreden stellen met een veel geringer bijdrage. Zoo zal
Maastricht per inwoner meer  dan het dubbele ontvangen van Roermond,
andere Gemeenten meer dan vijf maal dit bedrag".
Het aldus ondervonden rechtstreeksche nadeel der financieele politiek
van de vroedsten en gegoedsten" is pas opgeheven bij de onlangs in-
gevoerde nieuwe financieele verhouding tusschen Rijk en gemeenten. Contemporaine geschiedenis wil ik den lezer sparen. Tot besluit nog
iets over de ontwikkeling van het openbare leven der stad.
Onder de regeering van Willem I zien wij aanvankelijk nog de regeling
onder het Fransche bestuur tot stand gekomen van toepassing blijven en
de ontstane vacaturen in den raad door den koning aanvullen. Bij konink-
lijk besluit van den 12den Mei 1817 werd in de samenstelling der stede-
lijke besturen eene verandering gebracht, ten gevolge waarvan op den
eersten October van dat jaar een presidentburgemeester, twee burgemees-
ters, vijf leden van den raad, een secretaris en een ontvanger geïnstalleerd
werden, die allen door den koning tot hunne respectieve betrekkingen
benoemd waren. Ook deze samenstelling was slechts voorloopig, want
bij besluit van 27 December 1822 benoemde de koning eene commissie
van zeven ingezetenen der stad met last om een reglement te ontwerpen,
dat tot grondslag voor de benoeming van het stedelijk bestuur moest
strekken; deze commissie, samengesteld uit de heeren Michiels van Ver-
duynen, arrondissementscommissaris, Cornelis, voorzitter der rechtbank,
Syben rechter van instructie, Clout, burgemeester, J. A. Cox, rentenier,
C. Petit, ontvanger der registratie, en P. L. Specken, koopman, stelde op
23 November van dat jaar een ontwerp vast, waarin de samenstelling volgenderwijze was geregeld: het bestuur zou bestaan uit eenen raad van
zeven leden, waaruit de koning een burgemeester en twee schepenen zou benoemen. Deze raad zou gekozen worden door een kiescollege van 24
leden dat door stemgerechtigden moest benoemd worden. De stemge-
rechtigden bestonden uit de burgers, die den ouderdom van 23 jaren bereikt hadden en twintig gulden in de rijksbelastingen betaalden, terwijl voor de
leden van het kiescollege de ouderdom van 25 jaren en de betaling van 40
gulden als boven gevorderd werd. Volgens dit ontwerp benoemde de raad
den ontvanger, terwijl hij voor het secretariaat, waartoe de benoeming
door den koning geschiedde, twee personen voordroeg, bij welke burge-
meester en wethouders twee anderen voegden. Bij besluit van 5 Januari 1824

105
ren en op aanslagen vanwege de gemeente gedaan. Het Rijk moest een
vast bedrag hebben en dit werd omgeslagen over de bevolking welke
daartoe in klassen werd verdeeld. In elke klasse betaalde elkeen dan
naar de grootte van het gezin. De geadmodieerde accijnzen bedroegen
b.v. in 1843 op het gemaal f 4535,93 op het geslacht f 3078,50 en op den
turf en de steenkolen f 4248,46.
In de naoorlogsche jaren maakten in den aanvang der 19de eeuw zoo-
genaamde zwartmakers in en om Roermond vooral des nachts straten
en wegen onveilig. Men riep tijdelijk burgerwachten in het geweer,
waarvan de gegoeden deel uitmaakten, zoodat de maatregel niets kostte.
De politie bestond uit een agent van politie en een veldbode. Er was
buitendien een torenwachter en nachtpolitie, in 1824 vervangen door
klepperlieden. De nachtpolitie diende echter in hoofdzaak om te wa-
ken tegen smokkelarij. Verordeningen werden „omgeblazen” d.w.z.
dat de afkondiging geschiedde met den hoorn op de hoeken van de
straten. Een klokje in den toren van het stadhuis gaf het teeken wan-
naar met het keren der straten moest worden begonnen, een ander
wanneer het sluitingsuur was voor de herbergen. Beide klokken luidden
ingeval van brand.
In 1823 had de brandweer tot haar beschikking 2 groote dubbele en
1 kleine dubbele brandspuit en 2 enkele schoorsteenspuiten, dan 81
emmers, 4 brandhaken, 11 bijlen, 6 ladders en 32 groote waterbakken,
putvlooten genaamd. In de plaats van poelen stichtte men hoe langer
hoe meer waterreservoirs. Volgens een verouderd brandreglement had-
den de Putten of buurtschappen nog bepaalde verplichtingen ingeval van
brand en ook daarbuiten wat de verzorging van het materiaal betreft.
Voor de brandspuiten alleen zorgde een opzichter. De nachtpolitie met
den torenwachter hadden behalve bovengenoemde opdracht tot het
waken tegen smokkelen te letten op brand. De zakkendragers waren
speciaal belast met de bedieneing der brandspuiten en het verleenen
van hulp bij brand. Overigens werden de buren gerequireerd. Nieuwere
brandweerreglementen zijn van 22 April 1849, 25 October 1856 en 13
November 1881. Een Commissaris van Politie kreeg de gemeente na
den Belgischen tijd. Deze bekleedde aanvankelijk tevens de functie
van ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongerecht, dat
tot 1862 zitting hield ten stadhuize. Uitbreiding van de politie had
in December 1867 plaats. Er werden 5 veldwachters aangesteld onder
wie 1 brigadier. In 1874 werd het aantal veldwachters gebracht op 7.
De nachtwakers werden toen afgeschaft. Een paar jaar later echter
verschenen zij weer, thans als politieagenten. In 1885 kregen de veld-
wachters helmen tot hoofddeksel. Brandweer en Politie zijn onder Bur-
gemeester Raupp op modernen voet ingericht.
Tot het gemeentepersoneel behoorden ook de koeherders onder wier
opzicht de inwoners der stad hun koeien tegen betaling op de stads-
weiden konden laten grazen. Voorname ambtenaren waren de collec-
teurs of ontvangers der stadsaccijnzen, die verplicht waren te wonen
onderscheidenlijk aan de Kraanpoort, aan de Brugpoort, aan de Ka-
pellerpoort, aan de Venlosche poort en bij de Meelwaag.

107
den der eeuw opgericht gingen weer ten onder. De wet tot afschaffing
van het zegel op dagbladen en andere periodieken en van de adver-
tentiebelasting (April 1869) verschafte de plaatselijke pers levensvat-
baarheid. Meer dan gewonen opgang heeft het sedert het laatst der
vijftiger jaren alhier verschenen weekblad „De Volksvriend” gemaakt.
Eerst toen onder Burgemeester Brouwers de Gemeenteraad het abon-
nement der Gemeente opzegde, hetgeen met een veroordeeling zijner
politieke richting gelijk stond, kon dit blad het op den duur niet meer
volhouden. De „Maas en Roerbode” dateert van 1856. Ze was van ouds-
her het bisschoppelijk orgaan dat de primeur had van de kerkelijke be-
noemingen en van de officieele mededeelingen der kerkelijke overheid in
ons Bisdom. De „Nieuwe Koerier“ werd opgericht in 1887. In 1904 wer-
den de twee bladen vereenigd onder den naam „De Nieuwe Koerier,
Maas- en Roerbode". Einde 1925 werd de tot daaraantoe anderdaagsche
courant dagblad, een dagblad met op vandaag 2400 bladzijden per jaar
en de alstoen aangeschafte 8-zijdige rotatiepers is een dezer dagen ver-
vangen door een 24-zijdige machine van de allermodernste constructie.
Verschillende tot hieraantoe niet of slechts terloops aangeroerde onder-
werpen uit de geschiedenis onzer dierbare vaderstad zal de welwil-
lende lezer in de hiernavolgende opstellen meer in den breede uitge-
werkt kunnen vinden.























109
Montfort, Kriekenbeek, Wageningen, Harderwijk, Doesburg, Elburg,
Doetinchem en Lochem, vinden we die nieuwe verheffingsbrieven
terug, doch van Roermond is zelfs geen aanwijzing te vinden, dat er
een nieuw diploma is gegeven.
Nu kan men met Sivré veronderstellen, dat Graaf Reinald I de verhef-
fingsbrieven niet heeft opgevorderd, maar men kan dan de vraag stel-
len, waarom hij anders zou gehandeld hebben ten aanzien van Roer-
mond, dan ten aanzien van al die andere bovengenoemde steden. Dit
zou zeer zeker in strijd zijn geweest zoowel met zijn eigen belang, als
met dat der stad Roermond, welke stad zich altijd in de zeer bijzondere
gunst van de Geldersche graven mocht verheugen, zoodat men ook op
grond van dit laatste moeilijk kan aannemen, dat er geen nieuw diploma
zou zijn verstrekt. Dr. Meerdink meent een bewijs voor de vernieuwing
der stadsrechten hierin te zien, dat, toen Montfort in 1312 alle rechten
door den graaf en zijn voorgangers verleend, verloor, het begiftigd werd
met „omnis libertas quam burgenses nostri in insula Dei supra Mosam
(Roermond) habent".
Nog een derde mogelijkheid blijft er open, n.l. dat de oorspronkelijke
· verheffingsbrief in 1232 toch rechtmatig gegeven was en dat Otto II bij
uitzondering nu eens wél toestemming van den Keizer had gevraagd,
zoodat vernieuwing overbodig was.
Wat van dit alles ook zij, zeker is, dat Roermond vanaf 1232 bij voort-
during als „stad“ is beschouwd; hieraan schijnt inderdaad nooit eenig
machthebber getwijfeld te hebben.
Wat waren nu de juridische gevolgen voor de inwoners van Roermond,
van zijn verheffing tot stad?
Allereerst werden zij - na het afleggen van den eed, dien Otto II, de
„primus urbanae libertatis auctor" van hen eischte, en welke eed ook
later van ieder, die het burgerschap deelachtig wenschte te worden,
werd geëischt, bij welken eed zij op zich namen ook de lasten naast de
vele voordeelen, die het burgerrecht hun bood, te dragen - gerekend
tot de vrije mannen. Vóórdien waren de meeste inwoners eigen hoori-
gen of knechten.
Wat een geschenk van den Landheer! De persoonlijke vrijheid met
daarnaast een voorrecht om door eigen overheden bestuurd te worden!
Het stadsbestuur was aanvankelijk op zeer eenvoudige wijze ingericht.
Het bestond uit een schout en schepenen, die zoowel recht spraken als
de geheele verdere behandeling der belangen van de burgerij in han-
den hadden.
De naam schout of scholtis komt in de oudere stukken nog niet voor,
men spreekt dan van richter; de benaming schout schijnt eerst in veel
later tijd in gebruik te zijn gekomen. Daar we reeds in een charter van
1234, waarbij een koop gesloten wordt tusschen Dirk, voogd van Roer-
mond, en het Munsterklooster, o.a. zeven schepenen als getuigen zien
optreden, kan men veilig aannemen, dat het oorspronkelijk aantal sche-
penen bij de verheffing tot stad in 1232 eveneens zeven is geweest.
Dit getal schijnt overigens in den loop der tijden nog al eens gevarieerd


111
laatgoederen. De cives of vrije burgers stonden geheel onder de juris-
dictie van de Schepenbank.
Van de rechtspraak was voor den voogd niet veel meer overgebleven.
Hij bleef echter voorloopig toch nog een gewichtig personage, als ver-
dediger der stad en aanvoerder der burgers, wanneer deze den graaf
moesten helpen.
De Schepenbank had, behoudens de hierboven behandelde uitzonde-
ring, de geheele rechtspraak, zoowel civiel als crimineel. Dank zij het Jus
de non evocando behoefden de burgers van Roermond niet voor een
vreemden rechter te verschijnen. De Roermondsche Schepenbank was
tevens hoofdgerecht voor tal van schepenbanken uit het Overkwartier.
Wanneer deze de zaak „niet wijs en waren“, gingen zij ter beleering
naar het Roermondsche hoofdgerecht.
Terwijl Eduard van Gelre in 1352 aan de Regeering der Stad Roermond
nog uitdrukkelijk gelastte, dat deze niet mocht gedoogen, dat iemand
zijner onderdanen naar Luik gedagvaard werd, is blijkbaar later dit
jus de non evocando, dat Roermond eenigen tijd in den meest uitge-
breiden zin heeft gehad, en wel in 1414 door keizer Sigismund beperkt
binnen de grenzen der rechtspraak in eersten aanleg.
Vermoedelijk ging men toen zijn hooger beroep wel in Aken halen, ten-
minste we vinden een oorkonde van het jaar 1476, waarin wordt mede-
gedeeld, dat voortaan weer recht zou worden gehaald in hooger beroep
te Aken, volgens het gebruik, dat de voorouders zich nog herinnerden,
maar dat in onbruik was geraakt. Veel succes had deze regeling echter
niet, want, daar men verder over de betrekkingen tusschen Aken en
Roermond niets meer vindt vermeld, kan men met Dr. Walther
Schwabe aannemen, dat deze betrekkingen reeds vroeg zijn verbroken.
Vonnissen, door een vreemden rechter geveld, zouden misschien nog
harder zijn geweest, dan die welke de eigen Schepenen plachten uit te
spreken. De gewone Middeleeuwsche straffen als brandmerken, geese-
len, het stellen aan den schandsteen en de kaak, afsnijden van de ooren,
vingers of hand, ons nu bij uitstek wreed voorkomend, werden veel-
vuldig toegepast.
Verder kende men nog de straf tot het doen van bedevaarten, welke
straf veelal werd toegepast wegens vergrijpen tegen den eerbied, welken
men aan de ouders of overheden verschuldigd was, de verbanning, het
openbare vergiffenis vragen wegens laster en kwaadspreken. In dit laat-
ste geval n.l. moest de delinquent blootshoofds, in een linnen gewaad
twee waskaarsen naar de Moederkerk brengen, welke daar voor het
Heilig Sacrament moesten geofferd worden.
Als een eigenaardigheid kan vermeld worden het verbod, uitgevaardigd
door den Magistraat, den 8en April 1666, om bouwmaterialen weg te
nemen, bestemd voor den herbouw der stad na den brand, op straffe
van op den „Esel“ op de Markt gesteld te worden, en bij herhaling
„arbitrairlyck aen den lijve“. De z.g. „Esel” was een houten stellage,
voorstellende een ezel, waarop de delinquent te pronk werd gesteld.
Deze straf werd ook bij andere misdrijven toegepast en is eerst in 1794
door de Franschen afgeschaft.

113
De Raitsburgemeester werd uit de schepenen door de raden gekozen,
de peiburgemeester uit de burgers door de schepenen.
De Raitsburgemeester was behalve voorzitter van den raad tevens be-
last met de uitvoerende macht en speelde daardoor een groote rol in
het stadsbestuur.
Maar nog meer is er te vinden in „het alt heercomen“.
Onder meer komen er keuren in voor over de meest uiteenloopende
onderwerpen. Hieruit is de conclusie te trekken, dat Roermond in dien
tijd het privilege had eigen stadskeuren uit te vaardigen.
Zoo vinden we o.a. in het alt heercomen een bepaling, waarin „ymant
die mit quaden ongerechten maten ind gewichte omme gijnge", gestraft
werd met een geldboete.
Tegen de al te weelderige doop- en begrafenismalen werden eveneens
boeten bedreigd.
Belastingkeuren zijn er niet in, behalve die van den accijns op wijn. In
dien tijd had Roermond nog niet het recht, op een paar uitzonderingen
na, zelfstandig stedelijke belastingen te heffen.
Zoo is het bekend, dat aan de stad kleine inkomsten waren toegestaan,
waarvoor de burgers dan ook verplicht waren tot het onderhoud der
muren, torens en poorten, zoo ook tot de verdediging daarvan bij
te dragen.
Eerst bij brief van 18 April 1366 door Hertog Eduard is aan Burgemees-
ter, Schepenen en Raden vergund, de gemeente te mogen schatten, zoo
dikwijls zij zulks tot delging der stedelijke schulden noodig oordeelden.
Toen Roermond in 1632 onder de macht van de Staatschen kwam,
werden de schepenstoelen geregeld op denzelfden voet als in de overige
provinciën, alwaar zij annueel waren.
Deze regeling bleef voortduren ook nadat Roermond in 1637 weer
onder de macht van den Koning van Spanje was teruggekomen, tot
1653. Toen werden zij wederom voor levenslang benoemd door den
Gouverneur-Generaal der Nederlanden
Uit economische overwegingen besloot de Magistraat van Roermond
in 1685 de twee reeds vaceerende schepenplaatsen te supprimeeren;
daartoe werd dan ook een verzoek gedaan aan Karel II van Spanje.
Schepen Bossman werd in 1689 door den Magistraat naar Brussel ge-
zonden, om de goedkeuring op het besluit te verkrijgen, wat evenwel
niet terstond is gelukt, want twee en een half jaar later ging de Ritz-
burgemeester Jacob van Breugel met hetzelfde doel naar Brussel, waar-
bij hij dan bovendien aan zijne keurvorstelijke hoogheid of aan Zijner
Majesteits geheimen raad den treurigen toestand der stad Roermond
moest schilderen, welke ontstaan was door de voortdurende oorlogen,
,met als gevolg de passagiën van krijgsvolk, gering trafic, excessieve
beden en andere landlasten".
In 1697 werd er andermaal door den Magistraat besloten om de
ridderschap en de steden van het Overkwartier te verzoeken om bij
Z. M. op de suppressie der twee eerst vaceerende schepenplaatsen aan
te dringen.
Mogelijk is er van hoogerhand niet dadelijk goedkeuring gevolgd op

115
op het overheidsbestuur hebben gehad, hadden ook in Roermond geen
groot aandeel in de Stadsregeering. Hun invloed, door een overeen-
komst van 1449, kwam tot uiting door middel van het corps der tien-
mannen, oorspronkelijk echter slechts uit zes mannen bestaande. Hun
aantal werd langzamerhand tot tien uitgebreid omstreeks het jaar 1596.
De Magistraat benoemde hen voor den tijd van twee jaar; in de maand
Juli telken jare werden er vijf herbenoemd en wel één uit ieder der
vijf groote gilden.
Het hoofd der tienmannen noemde men, evenals de hoofden der gilden
zelf, vrouwenbroeder of deken.
De tienmannen waren tegenwoordig bij het onderzoek en de vaststelling
der stedelijke rekeningen, bij het vaststellen van alle stedelijke contri-
buties, waarvan zij de door de ambten of gilden bij te brengen hoeveel-
heid bepaalden; voorts gaven zij hun advies bij alle voorkomende zaken
van eenig belang en maakten de gilden bekend met de besluiten, die
door den Magistraat in hun tegenwoordigheid genomen waren.
In lateren tijd (tweede helft 18de eeuw) moest de Peiburgemeester
rekening doen aan den „Raedt van de Raden van State ende van
Finantiën" te Brussel, ten overstaan van Magistraat en Tienmannen.

II.
Roermond viel, als hoofdstad van het Overkwartier van Gelre, in 1580
de eer te beurt, dat binnen zijn muren het Souvereine Hof van Gelre
werd gevestigd, en wel in een gebouw ter plaatse waar thans een deel
der strafgevangenis staat.
Oorspronkelijk was dit Hof, gesticht door Karel V, krachtens tractaat
van Venlo van 1543, in Arnhem, doch, door de afscheiding van de drie
Nederkwartieren van Spanje, waardoor Arnhem Staatsch werd, was
overbrenging van het Hof naar elders noodzakelijk. De verplaatsing ge-
schiedde krachtens een koninklijke ordonnantie van 5 Februari 1580
naar Roermond en reeds den 8sten April d.a.v. hield de Raad zijn eerste
zitting, onder voorzitterschap van Willem van Gendt.
De oude ordonnantie betreffende de bevoegdheid van den Raad, oor-
spronkelijk opgemaakt voor het Hof te Arnhem in 1547, bleef ook te
Roermond gelden, tot de nieuwe instructie van 1609, welke door de Sou-
vereinen Albert en Isabella Clara Eugenia in dat jaar werd uitge-
vaardigd.
De Souvereine Raad, zooals het Hof zichzelf altijd placht te noemen,
was samengesteld uit een Gouverneur of Stadhouder, een Kanselier,
twee Raadsheeren costumier of van den korten tabbaard, zes gewone
Raadsheeren, een momboir of substituut momboir, een gewonen Grif-
fier, een Griffier der Leenen en eenige ondergeschikte ambtenaren. De
Raadsheeren costumier waren leden van den Ridderstand; zij waren
geen juristen, behoefden dan ook slechts in buitengewone gevallen te
zitten en deden geen rapport in proceszaken. De functie van den Raad
was vooral die van Hof van appèl voor het Overkwartier; daarbij kwam
tevens de functie van Hof in eersten aanleg in gedingen tusschen Hee-
ren, Steden, Ambten of Dorpen in het Vorstendom.

117
Toen de Staten echter het ontwerp der reorganisatie zagen, smeekten
zij Maria Elisabeth, de Oostenrijksche Aartshertogin-Regentes, den
Keizer te adviseeren den Raad en den Magistraat van Roermond te
doen voortbestaan volgens het decreet van 1720. Maria Elisabeth stoor-
de zich evenwel niet aan de bedenkingen der Staten. Het ontwerp kwam
dan ook, ondanks alle tegenkanting, tot uitvoering.
Als zoo vaak, waren het ook hier de financiën, die een beslissenden
invloed hadden. De kosten, welke de inrichting van den Souvereinen
Raad met zich bracht, waren zoowel volgens Karel VI als volgens de
Landvoogdes Aartshertogin Maria Elisabeth, te hoog voor de draag-
kracht van de onderdanen, zoodat tot vermindering van het getal amb-
ten moest worden overgegaan.
Bij decreet van 2 October 1737 van Weenen, werd de nakoming van de
punten en artikelen in het ontwerp uitgedrukt, bevolen.
De opperbevelhebber van Roermond riep de Staten, de leden van den
Raad en van den Magistraat, op last van de Landvoogdes bijeen, in
welke bijeenkomst de Syndicus het ontwerp moest voorlezen. Zelfs na
deze officieele afkondiging vanwege het Keizerlijk gezag werden pogin-
gen aangewend door Staten en Magistraat, de invoering van het ont-
werp tegen te houden. Zonder resultaat echter, het ontwerp werd in-
gevoerd.
De inrichting, die zooveel tegenstand gewekt had, kwam nu op het vol-
gende neer.
De Raad was samengesteld uit een kanselier, twee adellijke of Costu-
miere Raden en zeven gepromoveerde of in de rechten gelicencieerde
Raden, voorstellende den Raad en den Magistraat onder den titel van
Raad van de Provincie en van het Hertogdom Gelre.
De Raad was in twee Kamers verdeeld, belast met de uitvoering van de
geheele civiele en crimineele rechtspleging. De verdeeling was echter
niet in, zooals wij tegenwoordig zouden noemen, een kamer van bur-
gerlijke zaken en een van strafzaken.
De eerste kamer was samengesteld uit den Kanselier, de oudste der
adellijke Raden, de twee oudste gegradueerde Raadsheeren en den
Raadsheer, die fiscaal of momboir was. Onder haar competentie vielen
dezelfde zaken, welke voorheen, zoowel in eerste instantie als in appél
of herziening door den Souvereinen Raad werden berecht, en die zaken
in welke de Magistraat in het belang der Stad partij of belanghebben-
de was.
De tweede kamer berechtte de zaken, welke voorheen door den Ma-
gistraat werden behandeld. Deze was samengesteld uit: drie van de zes
gepromoveerde Raadsheeren, jaarlijks voorgedragen door den geheelen
Raad. Uit deze drie werd een gekozen om de plaats van Burgemeester
te vervullen. Deze vormde dan met de drie jongste gegradueerde
Raadsheeren plus den jongsten Raadsheer costumier de tweede Kamer.
Van de vonnissen door deze Kamer gewezen kon in beroep worden
gekomen bij de eerste Kamer, voor Kanselier en Raden, die niet over
de zaak hadden gezeten.

119
afgescheiden van de stadsregeering, welke in haar ouden vorm zou wor-
den hersteld.
In 1757 werd de uitvoering bij een nieuwe Ordonnantie geregeld en op
22 Februari, den traditioneelen datum voor overdracht van ambten,
werd de nieuwe Raad geinstalleerd. Aan den Raad werd ontzegd zich
directelijk of indirectelijk te bemoeien met politie en administratie
der Stad.
Het recht van gratie, dat door Karel van Bourgondië (de Stoute) aan
den Raad van Gelderland was gegeven en steeds was gehandhaafd ge-
worden, werd door Maria Theresia aan zich getrokken.
De regeling van 1757 bleef in stand tot 1782, toen Joseph II, zoon en
opvolger van Maria Theresia, er verandering in bracht.
Joseph II, een van de verlichte despoten, gevoelde, dat de tijd voor
het leenheerlijke stelsel en de Middeleeuwsche rechtsbedeeling langza-
merhand had afgedaan en hij trachtte dan ook de rechtsinstellingen aan
te passen aan den geest van den nieuweren tijd.
Zoo nam hij ook den Raad van Gelderland onder handen. In 1782
vaardigde hij een Ordonnantie uit, die op 5 Februari 1783 in werking
moest treden. Bij deze ordonnantie werd bepaald, dat het personeel
sterk zou worden ingekrompen; de Raad zou voortaan slechts bestaan
uit een Kanselier en twee Raadsheeren, van wie een als Momboir zou
werkzaam zijn, en een Griffier.
Reeds in 1786 vaardigde de Keizer een nieuw Reglement voor de civiele
rechtspleging uit, dat 1 Mei 1787 in werking zou moeten treden.
De hervormingsijver van Joseph II bracht hem tot het besluit ook het
Generaal Gouvernement van de Nederlanden te wijzigen. De besluiten
betreffende de hervormingen van rechtspraak en administratie volg-
den elkaar in snel tempo op.
Deze hervormingen zijn echter niet daadwerkelijk ingevoerd. Ofschoon
goed bedoeld en inderdaad in het belang van de justiciabelen, waren
zij het juist, die tegen de nieuwe regeling der zaken in verzet kwamen.
Waarschijnlijk is dit het gevolg geweest van de geringe toelichting van
de zijde van den Keizer. De invoering van de nieuwe regeling werd dan
ook uitgesteld, totdat na betere uitlegging de ingezetenen zich ermede
zouden hebben verzoend.
Wat de nieuwe regelingen zelf betreft, deze zijn zeer uitvoerig te vin-
den in het proefschrift van J. L. Geradts „Bijdrage tot de geschiedenis
van den Souvereinen Raad in het Overkwartier van Gelderland te
Ruremonde", waarop deze in 1860 aan de Leidsche Hoogeschool tot
Doctor in het Romeinsch en Hedendaagsch Regt promoveerde, en van
welk uit historisch oogpunt zeer verdienstelijk proefschrift in dit opstel
een dankbaar gebruik is gemaakt.
Door de opschorting van de uitvoering der nieuwe besluiten werden
de oproerige gemoederen terstond gerustgesteld, doch toen men be-
greep, dat er inderdaad slechts van een opschorting sprake was, werd
de rust weer verbroken en kwam het volk in de Zuidelijke Nederlanden
zelfs tot een gewapenden opstand, onder Generaal van der Mersch,

121
te stellen, „bevattende al wat regt en billijk“ zou zijn, naar gelang de
behoeften van het land.
Tilman Bree aanvaardde de opdracht en de Staten kozen eenige hun-
ner leden om het ontwerp te onderzoeken. Nadat deze leden een rap-
port hadden uitgebracht over het ontwerp van Bree, beraadslaag-
den de Staten er nog eens over, die enkele wijzigingen aanbrachten,
die door de Commissie zouden worden uitgewerkt.
Inmiddels kwam een nieuwe Kanselier in Roermond, Hendrik Uwens.
Deze apprecieerde den spoed niet waarmee gewerkt werd, maar ver-
langde integendeel een rijpelijk overleg. Andermaal kreeg Tilman Bree
een opdracht, n.l. om een uittreksel te maken uit de artikelen van het
Ontwerp van de Costumen van Antwerpen, die in onmiddellijk ver-
band stonden met de bepalingen van het reeds voor Gelre vervaardigde
ontwerp. Na nog eenige beraadslagingen en onderzoekingen, besloten
de Staten in hun Kwartiersvergadering het Ontwerp nogmaals aan de
goedkeuring van den Souvereinen Raad te onderwerpen. Deze goed-
keuring werd inderdaad verkregen.
Men ontdekte, toen men het ontwerp van Brabantsche uitdrukkingen
ging zuiveren, nog verschillende duistere punten, die de Kanselier op
zich nam om te verhelderen.
Na nog herhaald overleg, waarbij ook nog de Raadsheer Steenhuyzen
uit den Hoogen Raad van Mechelen geraadpleegd is, werd tenslotte bij
decreet van 19 September 1619 het Ontwerp goedgekeurd en door de
Aartshertogen Albert en Isabella bekrachtigd.
Het bevatte het Land- en Stadsrecht voor het Overkwartier, algemeen
bekend onder den naam van „Het Geldersche Landrecht“. De eerste
druk is in Roermond verschenen bij Jean Hompes. Deze eerste uitgave
is nog door vier andere gevolgd, respectievelijk in 1665 bij Gaspard
Duprée te Roermond, in 1667 te Arnhem, in 1740 te Venlo en in 1783
andermaal te Venlo. De indeeling van het Landrecht was als volgt:
De eerste vier boeken behandelen het Burgerlijk Recht, achtereenvol-
gens: personen; verscheidene soorten van goederen, renten, servituten
of dienstbaarheden; manieren waarop eigendom verkregen wordt en
contracten. Het vijfde deel behandelt de Burgerlijke Rechtsvordering,
het zesde de misdrijven en de manier van die te vervolgen.
Uitwerking van den inhoud van het Geldersche Landrecht valt buiten
het bestek van dit opstel.
Wel kan vermeld worden, dat deze gunstig beoordeeld werd, zoowel
ten tijde van de totstandkoming, als in veel later tijd. Hieronder moge
het oordeel volgen van den in 1843 overleden Hoogleeraar te Bonn,
Dr. Romeo Maurenbrecher, in diens in 1830 uitgegeven werk „Die
Rhein-Preussischen Landrechte": „Wir haben an diesem Landrechte
„ein seltenes Rechtsbuch, das vom Volke heraus, mit möglichts gerin-
„ger Einwirkung des Landesherrn entstanden ist .... Das Geldernsche
„Landrecht ist das erschöpfendste, gründlichste, treuste, und mit der
„meiste Methode abgefaste Rechtsbuch seiner Zeit“.



123
niet deelgenomen aan de provinciale landdagen van Gelderland. Dat
ging trouwens ook niet, omdat de politieke toestand, waarin het Over-
kwartier toen verkeerde, een geheel andere was, dan in de jaren 1632-
1637. Het Overkwartier werd immers in de jaren 1702-1716, voor zoo-
ver het onder Staatsch bewind was, als generaliteitsland beschouwd.
Na den Spaanschen Successieoorlog werd het Overkwartier geheel uit
elkaar gescheurd en bleef Roermond bij het Oostenrijksche deel.
De Staten van dit deel hadden toen nog slechts te vertegenwoordigen
Roermond met aanhoorigheden: de Dorpen Swalmen, Elmpt, Nieder-
krüchten, Oberkrüchten en Wegberg.
In 1794, aan het einde van den Oostenrijkschen tijd, waren de Staten
samengesteld uit: „den Marquis van Hoensbroeck, Graef van het H.
Roomsche Rijk, Keyzerlijken Kamerheer, Raedsheer van Staet, intimen
actueel van zijne K.K. en A. Majesteyd, Erfmarechal des Hertogdoms
Gelder en Graefschap Zutphen; den Graef van Nesselrode, Erresho-
ven, Raed van Staet, intimen actueel van zijne Kuerv. Doorl. van den
Paltz, Cancelier van Gulich en Berch, beschreeven van 't Riddermatig
Goed te Wegberch; den Marquis van Hoensbroeck, Domheer van
Trier, beschreeven van het Riddermatig Goed Oldenburg te Swalmen;
den Baron van Merwijck, Chambellan en Raed Constumier beschreven
van het Riddermatig Goed Dilborn te Elmpt, als leden van de Ridder-
schap; en J. P. Geradts, Burgemeester en J. B. Syben, Schepen, als ver-
tegenwoordigers van de Stad." Genoemde Syben was tevens pensionaris
en griffier, en T. G. Coolen was ontvanger van de Staten.

V.
Om dezelfde reden als waarom het Souvereine Hof van Gelre naar
Roermond werd overgebracht, werd de Rekenkamer omstreeks Fe-
bruari 1580 van Arnhem naar Neuss in het land van Kleef verlegd.
31 Januari 1581 kreeg deze Kamer aanschrijving zich te Roermond te
vestigen en aldaar niet alleen de Domeinen van Gelderland, maar ook
die van Overijssel, Friesland, Groningen en Lingen (toen nog grooten-
deels in de macht van Spanje) te beheeren.
De Kamer bestond in 1596 uit: een eersten Rekenmeester, een Raad en
tweeden Rekenmeester, een Raad en meester ordinaris, een auditeur
ordinaris en een klerk.
Bij een oproer van de Spaansche en Italiaansche soldaten wegens ach-
terstallige soldij de z.g. alterati, dat in ± 1601 plaats had, vluchtte de
Rekenkamer naar Maastricht en het Hof naar Venlo, tot er rustiger
tijden kwamen en beide weer naar Roermond terugkeerden.
Uit een uittreksel uit de „Patente de la Réforme de Collèges du Con-
seil des Finances et Chambres des Comptes" blijkt, dat door den Ko-
ning op 7 Juli 1664, de inrichting van de Rekenkamer van Gelderland
werd vastgesteld als volgt: „un surintendant ou premier, deux maîtres,
trois auditeurs et un clerq signant et les commissaires ordinaires de nos
finances à fix".
Op 25 Januari 1681 vereenigde Karel II van Spanje de Rekenkamers van

125
Johan van Buegel, 1595, 1600, 1607, 1613, 1620 †, opgevolgd door Arnold Heufftz.
Marcelis Koch, 1596.
Johan Goltstein, 1598.
Matheus Butkens, 1599, 1606, 1615.
Mr. Gerhardt Creyaerts, 1601, 1605, 1611, 1617, 1623.
Arnold van Horpusch, 1609, 1614, 1621, 1625, 1630.
Matheus van Dulcken, 1610, 1616, 1629.
Fred. v. Opsinnich genaamd Rhoe,
1612.
Dederik Stijns, 1618, 1628.
Arnold Heufftz, 1619.
Wilhelmus Moeits, 1622, 1631.
Reiner Vostermans, 1624.
Johan Holtbecker, 1626.
Peter Bossman, 1627, 1632, 1642, 1643.
Mathis Maroyen, 1633.
Mathias Creyarts, 1634.
Gerard Puytlinck, 1635.
Hendrik Maroen, 1636, 1644, 1650, 1651, 1652.
Dederik van Ommeren, 1637 (reductio regia).
Franciscus Pollardt, 1637, 1639, 1645, 1646, 1653, 1654, 1665, 1666.
Doctor Barthol. Poyn, 1638.
Godefried van Steyn, 1640, 1641.
Jr. Dederik Hillen, 1647, 1648, 1649.
Johan Spee, 1655.
Gerard van Lom, 1656.
Johan van Winde, 1657, 1658, 1659,
1667, 1668, 1669, 1670, 1679.
Jan Bapt. De Haen, 1660.
Hendrik Goris, 1661.
Peter Claessens, 1662.
Gerard Bordels, 1663, 1664.
Jr. Gerard van Zoutelande, 1671,
1672, 1673, 1674, 1675, 1676, 1677.
Gerard van Baerll, 1678.
Martin van de Velde, 1680.
Peter van Lom, 1681, 1682, 1693,
1694, 1695, 1700-1704, 1717-1720.
Johan Reinier Dupree, 1683, 1684, 1685.
Dirk Woestingh,1686,1687, 1688,
1689, 1698 †, opgevolgd door
Godefridus Cnop.
Jacob van Breughel, 1690, 1691, 1692.
Gerard Francois Bossman, 1696, 1697.
Godefridus Cnop, 1699.
Leonard Baenen, 1705.
Guillaume Bongaerdts, 1706, 1707, 1708, 1712.
J. B. Cruysancker, 1709, 1710, 1721, 1722.
L. J. G. van der Smitsen, 1711.
Johan Martin Bossman, 1713.
Johan Josef de Wagener, 1714, 1715, 1716.
Johan Coolen, 1723, 1724, 1729.
Mathias Kroonenbroeck, 1725, 1726, 1731, 1732.
Arnold Joseph van den Bergh, 1727, 1728, 1737-1739.
Christ. Jacobus Cox, 1730, 1735, 1736.
Johan Franc. de Haen, 1733, 1734.
Jac. Hendr. Segers van Loon, 1740-1743
Petrus Dominicus Leclerc, 1744, 1745, 1748.
R. J. van Dunghen, 1746, 1747, 1750.
A. H. Tackoen, 1749, 1751-1767 †,
opgevolgd door Jan Baptist Syben, 1767-1790.
Jacob Peter Geradts 1791-1793.
Frans Johan Albert Ramaeckers, 1794.
J. F. Schommers, president v. d.
Municipalen Raad, 1796-1797.
Jacques Quisthoudt, Maire, 1799-1806.
Henri Joseph Michiels de Kessenich, Maire, 1807-1816.
H. Clout (President Burgemeester). 1816-1819.

127
DE ERFVOOGDIJ EN
DE ERFVOOGDEN
VAN ROERMOND
door
J. M. VAN DE VENNE

I.
H
ET instituut der voogden heeft in de middeleeuwen een
belangrijke rol gespeeld.
Aanvankelijk waren het geen ambtenaren in den
eigenlijken zin doch slechts tijdelijk gevolmachtigden,
hetzij van den grondheer, hetzij van kerken of kerkelijke instellingen.
Zij traden op in processen en vertegenwoordigden de kerken bovendien
in wereldlijke aangelegenheden.
Eerst onder Karel de Groote krijgt de voogdij een groote uitbreiding
en ontstaan uit de bovengenoemde tijdelijke voogdijen de z.g. be-
schermvoogdijen, vooral bij de immuniteiten. De immuniteit bestond
aanvankelijk slechts in belastingvrijheid. Later breidde ze zich uit zoo-
dat degenen, die immuniteits privilegie hadden, alle verplichtingen der
inwoners van hun gebied tegenover den Staat aan zich trokken. Verder
volgde dan het uitsluiten der openbare beambten uit het immuniteits-
gebied en in verband met het recht der immuniteitsheeren op de ge-
rechtsboeten, heeft deze uitsluiting dan tot de instelling van immuni-
teitsgerechten geleid. Onder de beambten van deze immuniteiten en
hunne gerechten treden de voogden in den loop der 9e eeuw meer en
meer op den voorgrond en vormt zich langzamerhand de voogdij met
hoogere d.i. crimineele rechtspraak. Verder hadden de voogden zekere
politioneele, militaire en lagere bestuursbevoegdheden.
Naast de voogden van kerkelijke immuniteiten bestonden er, begrijpen
wij Brunner (Deutsche Rechtsgeschichte) goed, ook dergelijke ambte-
naren voor gebieden van wereldlijke grond- en immuniteitsheeren.
Wat nu was de Roermondsche voogd?
Was het een voogd, die in betrekking stond tot een of andere kerkelijke
instelling, m.a.w. een beschermvoogd eener kerkelijke immuniteit, of
was het eenvoudig een plaatsvervanger van den grondheer? Graaf
Otto III van Gelder deed in 1244 uitspraak in een geschil tusschen
eenige inwoners der stad en den voogd Theodericus over de rechten
van- en de rechtspraak over de laten van den laathof Swartbroeck. De
door den graaf geraadpleegde Roermondsche getuigen verklaarden o.a.,
dat de voogd geen recht sprak over misdaden, waarop de dood volgde,
dus niet de hooge justitie uitoefende in dien laathof. Dit deed de grafe-
lijke vierschaar. Was nu de Roermondsche voogd, zooals wij hem ken-
nen uit de oorkonden, d.i. van 1191 af, een kerkelijke voogd geweest, dan






129
Hoe de grens van hier af tot het voogdshuis geloopen heeft staat niet
vermeld. Heel duidelijk zijn al deze beschrijvingen niet. Het is in den
loop der eeuwen dan ook herhaaldelijk tot een strijd gekomen tusschen
de stad en de erfvoogden over jurisdictie, grenzen enz. enz. Zoo be-
weerde de erfvoogdes Lucie van Vlodrop, dat de geheele Weerd, vroe-
ger Middelweerd, een eiland, gevormd door de Hornsche (oude) Maas
en de Roermondsche, behalve wat Hornsch was, tot hare jurisdictie
behoorde. Een attest echter van circa 1650 zegt, dat de gronden en goe-
deren in de Weerd, zoover het laatgoederen waren, behoorden tot de
erfvoogdij, zoover het allodiale goederen waren tot de jurisdictie van
het hoofdgerecht. Aan de Zuidzijde grensde de erfvoogdij aan de vroe-
gere schepenbank Hombergen, achter het Hatenboer. Of Hombergen en
Hatenboer hetzelfde is, zooals Sivré beweert? In een getuigenis van
2 Aug. 1650 komen Homborgh en Hatenboer als twee verschillende
plaatsnamen voor. De „Palink“, zooals het in 1650 heet, behoorde toen
aan het Munster. De tegenwoordige Donck heeft dus ook tot de erf-
voogdij behoord. Later is ze evenwel tot een afzonderlijk leen verheven,
zooals wij hierna zullen zien.
Omtrent de rechten van den voogd wordt in de hiervoor aangehaalde
akten ook gesproken. Ze bestonden in: „kerkegifte” (patronaatsrecht)
van de parochie- of moederkerk te Roermond, met erfcijns, laeten en
onderleenen, keurmeden, rechten van verval, van „overdaedt” en mis-
daad in het gebied der erfvoogdij, zooals dit zooeven beschreven is.
Verder had de voogd het recht van wind en water, visitatie van ver-
dronken personen en schepen, alsmede de visscherij en het veer op de
beide takken der Maas, den Roermondschen en den Hornschen. Dan de
tienden „rondsomme Ruremunde gelegen“, de landerijen, weiden, beem-
den, „rijsweerden, middelweerden, sanden tusschen ende voor syn
erven ende aanwassen". Eindelijk nog de gerechtigheid op het Elmpter-
bosch en „'t recht aen 't Swartbroeck".
Wij zullen enkele dezer rechten wat nader trachten te verklaren zoo-
ver dit noodig is.
Met „kerckegiffte“ is bedoeld het patronaatsrecht, een recht n.l. om den
pastoor ter benoeming aan den Bisschop voor te dragen. Keurmeden
zijn cijnzen, welke betaald moesten worden wanneer de eigenaar van
een keurmedeplichtig goed was gestorven, gewoonlijk bestonden deze
cijnzen uit een stuk vee: paard, koe enz.
Met rechten van „overdaedt en misdaed“ is bedoeld het bestraffen van
kleinere delicten. In de hiervoor aangehaalde uitspraak van Otto II,
graaf van Gelder, worden deze rechten, naar hetgeen oude lieden en
schepenen van Roermond daaromtrent verklaarden, vastgesteld.
In het kort komen deze verklaringen hierop neer: De hoogere rechts-
macht n.l. de bestraffing van de misdaden, waarop de dood gevolgd
was, behoorde aan den graaf. Alle andere misdrijven, door zijn laten
of bewoners der laatgoederen begaan, kon de voogd berechten, zoover
zij binnen het rechtsgebied der voogdij waren gepleegd. In verband
hiermede kwam hem het recht van arrestatie en het opleggen van boe-
ten toe. Ook mocht hij zijn onderhoorigen (d.i. laten) bijeenroepen om

131
ster is n.l. vermeld een Johannes de Elmpt, heer van die plaats, en broe-
der der abdis Elisabeth van Vlodrop.
Of met „,'t recht aan 't Swartbroeck" de laathof bedoeld is, die tot de erf-
voogdij behoorde, is wederom een vraag. Het laatgerecht van den voogd
was samengesteld uit een stadhouder, welke in de 17e eeuw ook scholtis
wordt genoemd, laatschepenen of ook wel laten, vier in getal, een secre-
taris en een bode. In bijzondere gevallen o.a. in 1675, werden twee
laatschepenen der laatbank Leeuwen „geassumeerd“, d.i. bij het laat-
gerecht van den voogd gevoegd, om recht te spreken.
Waarschijnlijk zal deze rechtbank gezeteld hebben in het huis van den
erfvoogd. Aanvankelijk lag dit buiten de Opperpoort. In 1388 echter
ging Godart van Vlodrop, ridder, voogd en zijn zoon Gerard een ver-
gelijk aan met Johan van den Velde, ridder, drost van Roermond, om-
trent het afbreken van hun huis, dat op een berg lag buiten de genoem-
de poort, en het slechten van dien berg. Zij kregen van de stad daar-
voor 500 Geldersche guldens benevens een oven tichelsteenen. Deze
overeenkomst werd mede gezegeld door den broeder van Godart, Rut-
ger van Vlodrop.
De voogd heeft daarna een huis gebouwd aan het einde van de Voogdij-
straat tegenover de Steegstraat, bij den ouden walmuur. Eerst in het
begin der twintigste eeuw zijn de gebouwen gesloopt. Een afbeelding
van het laatstelijk daar gestaan hebbend gebouw vinden de lezers in
dit gedenkboek. De foto ontvingen wij door de welwillendheid van
Mevr. M. Palmen-Op de Coul te Valkenburg, de teekening vervaar-
digde Jhr. E. v. Nispen tot Sevenaer. Wij maken hier dankbaar melding
van deze hulp. Over de woning van den voogd zijn nog enkele bijzon-
derheden bekend. Blijkens een visitatie in 1746 gedaan in verband met
de inkwartiering had zij beneden negen vertrekken. Hierin konden 152
man gelegerd worden. In 1673 was het grootste gedeelte verhuurd aan
de gravin van Falckensteyn. Niettemin werd er toen de „marquis de
Morbek" (sic.) ingekwartierd, met 36 paarden en muilezels en ± 20
knechten.
Reeds vroegtijdig vinden wij laten der erfvoogdij vermeld. In 1390
komen voor Kursken Berken, Derich Johanszoon van gen Raede en
Heyn Venne en in 1450 Steven Kellener, rechter, Goessen van gen
Eynde en Lemmen Walschaert. Zij noemen zich laten der „voeghdien
tot Ruremunde des hoeffs tot Assel". De akten betreffen een goed
gelegen „Op gen Raede” in het kerspel Assel. Ook in de jaren 1454 en
nog in 1467 vinden wij ze vermeld als laten der voogdij „tot Ruremunde
des hoeffs tot Assel" en wel in akten betreffende een rente gaande
uit een huis op de Swalmerstraat.
Tezelfder tijd n.l. in 1455 komt Steven Kellener als rechter voor met
Hyen Breukers en Thys Scueben, die zich noemen: laten der „voegh-
dien tot Ruremunde" zonder de bijvoeging „des hoeffs tot Assel", in
een akte n.l. betreffende land „in den Paelick“. Latere akten, verleden
voor rechter en laten der voogdij, aangaande den erfcijns uit dit land
van 1473, 1500, 1505 en 1510 waren aan den oorspronkelijken brief ge-


133
eigen goederen te doen ten overstaan van den „leenzaele“. 3) Het recht
op de landdagen der Staten van het Overkwartier te verschijnen.
Bovendien ontving de voogd nog 100 gouden pistolen of 900 gulden
Brabantsch, van de stad. Over tienden wordt in dit stuk niet gesproken,
misschien zijn deze begrepen in het jus patronatus.

II
Wij laten in het tweede gedeelte een lijst volgen van de voogden. De
eerste, die bekend is, was
Goswinus de Berentrode, (Berentrothe enz.). Als voogd is hij slechts
ééns vermeld bij een schenkingsakte van Otto, graaf van Gelder en zijn
vrouw Richardis aan de abdij Werden in 1191. Overigens komt een
Goswinus de Berentrothe in 1177 als getuige van den graaf van Gelder
voor. In 1196 behoort hij tot de ministeriales, den dienstadel van den
graaf. Het laatst vinden wij zijn naam, zonder meer, in 1200.
Zijn opvolger schijnt geweest te zijn:
Theodericus (I), welke als voogd, advocatus, het eerst voorkomt in
1224. Wel is in 1203 een Theodericus de Ruremunde vermeld bij de mi-
nisteriales jurati, doch er wordt hier niet gesproken van voogd. Het
laatst vinden wij hem in 1230 als zoodanig genoemd. Dan verschijnt:
Goswinus de Strale, als voogd van „Rurnadde“ in 1231. Dit is tot nu toe
steeds als Roermond beschouwd. De oorkonde, waarin het vermeld
staat, is evenwel niet in het oorspronkelijke tot ons gekomen. De over-
gebleven afschriften schijnen slecht geschreven. In van Doorninc en van
Veen, Acten betr. Gelre en Zutphen 1107-1415, staat hij vermeld als
Goswinus de Sterke enz. Dit is na controle der handschriften een ver-
gissing gebleken voor „de Strale”. Het blijft twijfelachtig of Goswinus
de Strale wel voogd van Roermond geweest is. Ziehier waarom.
In 1230 reeds is Goswinus de Strale in een oorkonde vermeld, ter-
wijl in datzelfde jaar een Theodericus voogd was. In 1233 heet hij
miles” d.i. ridder en in 1237 is hij ministerialis. Nu vinden wij reeds
in 1234 een Theodoricus als voogd, terwijl drie jaren later Goswinus
de Strale nog vermeld is.
Theodericus (II?), komt, met zijne echtgenoote Fridola, in een oor-
konde bij Sloet, Oorkondenboek van Gelder, als voogd van Roermond
voor. In 1243 is hij tegelijk met zijn zoon Godefridus vermeld en het
jaar daarna heet hij in de oorkonde, waarbij de rechten in den curtis
Swartbroeck worden geregeld, Theodericus, advocatus, patronus eccle-
siae parochialis in Ruremunda. Het blijft moeilijk de opeenvolgende
voogden met zekerheid uiteen te houden. In 1263 vinden wij weer een
Theodericus (III) als „advocatus de Ruremunde". Wel is in een akte
van 1259 sprake van Theodericus, ridder, patroon der kerk van Roer-
mond, waarmede geen ander als de genoemde Theodericus kan bedoeld
zijn. Vijf jaar later komt hij voor in de bekende schenkingsakte van het
patronaatsrecht der parochiekerk van Roermond, met cijnzen, tienden
enz. door graaf Otto van Gelder aan het Munsterstift. Dit recht had
Theodericus, met toestemming van zijne echtgenoote Utilinde en
die van zijn broeder Godefridus in handen van den graaf, van

135
alliantie in de buurt van Roermond hebben gevestigd en door huwelijk
of erfenis Vlodrop hebben gekregen, waarvan zij daarna den naam
hebben aangenomen. Had de schrijver het Middenlimburgsch plat ge-
kend, dan had hij de van Kerke(n) (Kerreke enz.) niet behoeven te zoe-
ken in het Rijnland. Immers de plaats Karken bij Vlodrop heet nu nog
in het plat „Kerke“. Verder was Vlodrop met Karken oudtijds slechts
één parochie, met de moederkerk te Vlodrop, waarvan de filiale kerk
te Karken later is afgescheiden. Ziehier hoe wij aan de veronderstelling
komen, dat de laatste Theodoricus reeds een van Kerken d.i. Karken
kan geweest zijn. Sivré vermeldt in het Jaargetijdenboek van den H.
Geest ook dat van Chiso de Beke en teekent daarbij, kort samengevat,
het volgende aan. Deze Chiso zou een afstammeling zijn van den
voogd Theodericus en hem vóór 1313 zijn opgevolgd. Hij meent dit te
kunnen afleiden uit het feit, dat Chiso voornoemd het pastoorsambt
der parochiekerk van Roermond had verleend aan Johannes de Schaep-
husen, kanunnik van de O. L. Vrouwekerk te Maastricht. Daar het con-
vent van het Munster deze pastoorsplaats had verleend aan Henr. Lu-
dolfi ontstond er een geschil, en is deze laatste als pastoor gehandhaafd
in 1314 door den aartsdiaken van Luik. Tot zoover Sivré.
Dan vinden wij in „Le livre des feudataires de Jean III de Brabant",
uitgegeven door Galesloot, vermeld: Theodericus de Kerreke met zijn
broeders Sigerus en Giselbertus, welke een molen enz. in leen hielden,
gelegen te „Kerric” d.i. Karken. Verder zijn in een charter van 1290
achter elkaar als getuigen genoemd: Dirk, voogd van Roermond,
Gerhard, heer van Kerreke, Reinier van Vlodrop en Sybrecht, heer van
Beke. Dit zijn zeer waarschijnlijk alle van Kerken's geweest. Wij ver-
moeden, dat de Chiso van Beek, die de pastoorsplaats vergaf, een der
twee hiervoor genoemden Giselbertus of Sigerus van Kerreke geweest
is, een broeder dus van Theodericus van Kerreke en dat deze laatste
reeds voogd van Roermond was. Chiso van Beek kon, zooals Sivré te-
recht opmerkt, zijn recht om een pastoorsplaats te vergeven alleen ont-
leenen aan zijn verwantschap met den Roermondschen voogd, die het
patronaatsrecht der St. Christoffel bezat.
Alleen staan wij dan voor de vraag, waarvandaan de lelie in het wa-
pen van den voogd uit het geslacht van Kerken, dat toch een ander
wapen voerde. Kan deze lelie geen teeken geweest zijn van de erf-
voogdij als zoodanig, overgenomen van een geslacht, dat reeds lang in
het bezit daarvan was geweest? Ook het opnemen der lelie in het
wapen der van Vlodrops later, duidt als 't ware op eene erfelijkheid der
voogdij in die familie. En dan zou de tegenwoordigheid der lelie in het
Roermondsche wapen, waarin ze ongeveer terzelfder tijd als in het
wapen der van Vlodrops, is opgenomen, beter te verklaren zijn. Het is
echter niet meer dan een vraag!
In de veertiende eeuw verdwijnt de naam van Kerken. Dit zal wel ver-
band houden met het feit, dat Karken in 1317 door Lutgardis, weduwe
van Johannis de Kerken, armiger, en door hare kinderen Cecilia, Lut-
gardis en Johanna, verkocht wordt aan Godfried van Heinsberg, die
nadien dus heer van Karken wordt.

137
geweest te zijn der familie van Vlodrop. Zijn vrouw was Elisabeth van
Stamheim, die 14 Juni 1555 stierf en op het koor van het Munster be-
graven is. Hij zelf moet vóór 6 Mei 1544 reeds overleden zijn daar hun
zoon:
Gerard van Vlodrop (III), de voogdij op dien datum verheft. Met zijn
vrouw Lambertine van Thuyll had hij geen kinderen. Zij waren beiden
reeds overleden vóór 3 Juni 1557 toen:
Lutger van Vlodrop zijn leenplicht vervulde voor zichzelf, zijne broe-
ders en zusters. In 1560 komt de voogdij echter geheel aan hem alleen.
Met zijn vrouw Wilhelmina de Ruyter maakte hij in 1592 zijn testa-
ment. Zijn zoon Johan zou de erfvoogdij krijgen, zijn dochter Marga-
retha, welke met Herman van Cortenbach was getrouwd, kreeg met
andere goederen ook het veer over de Maas.
Johan van Vlodrop was na den dood van zijn vader erfvoogd. Hij ver-
heft de erfvoogdij in 1599. Met zijn vrouw Elisabeth van Hanxeler had
hij slechts één kind, dat hem na zijn dood in 1608 opvolgt. Dit was:
Lucia van Vlodrop, zij was in 1608 en 1609 de erfvoogdes. In dit laatste
jaar trouwt zij met:
Wyrich van Binsfeld, die na zijn huwelijk erfvoogd werd en het bleef
tot aan zijn dood in 1616, waarna
Lucia van Vlodrop wederom erfvoogdes wordt. Zij hertrouwde in 1626
met haar neef Jan Willem van Cortenbach, een zoon van den hierboven
genoemden Herman van Cortenbach en Margaretha van Vlodrop. Door
dit huwelijk wordt
Jan Willem van Cortenbach in 1626 erfvoogd. Deze was reeds in het
bezit van een deel der goederen, die tot het leen der erfvoogdij be-
hoorden, afkomende van zijn moeder. Hij was ook raadsheer in het
Hof van Gelder te Roermond,en stierf aldaar den 6en December 1647.
Jan Willem van Cortenbach, zoon van den voorgaande verheft de erf-
voogdij in 1647 in naam zijner moeder. Zij was dus in feite de erf-
voogdes, doch haar zoon oefende de functie uit tot aan haar dood.
Deze trouwde den 22sten April 1655 Anna Maria Schenck van Nydeg-
gen en stierf 1 Augustus 1673. Hij werd opgevolgd door zijn zoon
Christoffel van Cortenbach. Zijne voogden aanvaardden in 1674 de
erfvoogdij voor hem, daar hij toen nog minderjarig was. Deze was reeds
door zijn vader zwaar belast en Christoffel heeft er dan ook niet veel
genoegen van beleefd. Ook hij heeft verschillende processen moeten
voeren en het kwam vermoedelijk in dezen tijd reeds tot een splitsing
der goederen van de erfvoogdij. Blijkens zijn in 1712 gemaakt testament
was Christoffel eigenaar van den Molengriend, de visscherij, het veer,
de Middelweerd en de Donck. Over de nalatenschap zijner ouders
kwam het tot een conflict met de familie Bouwens van der Boyen.
Deze maakte daar aanspraak op doordat de zuster van Christoffel,
Lucia Maria van Cortenbach, gehuwd was met Jan Renier baron Bou-
wens van der Boyen. Deze laatste familie behield de erfvoogdij. Op
4 Juni 1693 werd ze ten behoeve van den minderjarigen Jr. Johan Albert
van der Boyen verheven.
Christiaan van Cortenbach was getrouwd met Agnes van Zoutelande,

139
ROERMOND ALS
BISSCHOPSSTAD
door
DR. W. GOOSSENS

O
NDER kerkelijk opzicht staat Roermond aan de
spits der Limburgsche steden. Het heeft namelijk
het groote voorrecht bisschopsstad te zijn en het
kan als zoodanig terugzien op een roemrijk ver-
leden. De huidige bisschopszetel, die er in 1853 ge-
vestigd werd bij het herstel der hierarchie in de Nederlanden, was niet
de eerste. Ongeveer drie eeuwen te voren was er al een zetel opgericht,
die echter in de treurige dagen der Fransche overheersching werd ver-
nietigd. Men spreekt derhalve van een oud bisdom Roermond in
tegenstelling met het tegenwoordige. Onze schets van Roermond als
bisschopsstad zal dan ook tweeledig zijn en wij beginnen met:

HET OUD BISDOM ROERMOND.

Dit heeft zijn ontstaan te danken aan den Spaanschen koning Philips
II, aan wien eenmaal de Zeventien Provinciën der Nederlanden toebe-
hoorden. Deze vorst wist van paus Paulus IV te verkrijgen, dat er de
kerkelijke hierarchie opnieuw werd geregeld en tevens aanzienlijk werd
uitgebreid. Dit gebeurde door de bulle „Super Universi" van 12 Mei
1559. In de plaats van 5 bisdommen kwamen er nu 15 en tevens 3 aarts-
bisdommen. Zoo werd Mechelen een aartsbisschoppelijke zetel met
zes suffragaanbisdommen, n.l .: Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Gent,
Brugge, Yperen en Roermond.
Roermond was door Philips II als bisschopsstad uitgekozen om zijne
burgerij eenigszins schadeloos te stellen voor de rampspoedige gevol-
gen van den grooten brand, die eenige jaren te voren, in 1554, de stad
had geteisterd.
Het duurde echter geruimen tijd alvorens de grenzen van het bisdom
werden vastgesteld. Eerst op 7 Augustus 1561 verscheen de bulle „Re-
gimini Universalis", waarin Pius IV het bisdom omschreef. In hoofd-
zaak komt die omschrijving hierop neer, dat tot het bisdom zouden be-
hooren: het Overkwartier van Roermond, het ambt van Kessel, het
kwartier van Nijmegen, het land van Cuyck, het graafschap Horn en
het land van Valkenburg. Zijn grondgebied kwam dus in het geheel niet
overeen met dat van het tegenwoordig bisdom Roermond. Dit im-
mers strekt zich alleen uit over de Nederlandsche provincie Limburg,
en het oude bisdom bevatte maar een deel daarvan met stukken van
de provincies Noord-Brabant en Gelderland en van Pruisisch Gelder.
Ook vormde het geen aaneengesloten geheel, groote strooken lagen er
tusschen, die er niet toe hoorden, zelfs was de bisschopsstad geheel




141
niet veel te recht gekomen, en de toelage, die in 1609 uit de Geldersche
kroondomeinen werd toegezegd, was niet voldoende om in het onder-
houd van den bisschop en in de kosten van het bestuur te voorzien.
Wanneer men dat alles in aanmerking neemt, dan begrijpt men volko-
men, dat het dikwijls moeilijk was den opengevallen zetel te bezetten.
Telt men in de eerste eeuw van zijn bestaan de jaren samen, dat er geen
bisschop was, dan komt men tot het getal van 34. Eveneens verwondert
het dan niet meer, dat zes van de veertien bisschoppen naar een ande-
ren zetel werden overgeplaatst en dat slechts zes hunner een laatste
rustplaats vonden te midden der hun toevertrouwde geloovigen, n.l.
vijf te Roermond en een te Venlo.
Door de verheffing van Roermond tot bisschopsstad kwam er een bis-
schoppelijk hof of paleis, een kathedraal, een kapittel van kanunniken
en tal van andere kerkelijke instellingen, zooals een officialaat en een
seminarie. Een klein overzicht daarvan moge hier volgen.
De eerste bisschop, Willem Lindanus, nam in 1569 zijn intrek in de ge-
bouwen van het opgeheven klooster van den H. Hieronymus. Zij waren
hem in de omschrijvingsbulle als woning aangewezen en lagen in de
Lombardstraat (nu Jezuietenstraat) op de plek, waar thans de Rijks
Hoogere Burgerschool is gevestigd. Ook de tweede bisschop, Hendrik
Cuyckius, resideerde er tot aan zijn dood in 1609. Daarop betrokken
de Jezuieten, die kort te voren naar Roermond waren gekomen, de
bisschoppelijke residentie. Zij was hun afgestaan door Cuyckius, die
door tusschenkomst van den aartshertog Albert een huis had kunnen
verkrijgen in de Hegstraat. In deze nieuwe, doch minder geriefelijke
woning, verbleven de bisschoppen a Castro, Creusen en d'Allamont,
totdat zij bij den verschrikkelijken brand van Roermond op 31 Mei 1665
met den geheelen inboedel door het vuur werd vernield. Op de puin-
hoopen verrees het volgend jaar een nieuw en waardiger paleis door
de zorgen van bisschop d'Allamont. Dit gebouw, dat nu in de Pollart-
straat is gelegen, werd het verblijf der Roermondsche kerkvoogden tot
in 1794, toen het door de Franschen tot militair hospitaal werd ingericht.
Later, in 1824, werd het een gerechtsgebouw en in 1870 eigendom van
den Nederlandschen Staat. Thans zijn het kantongerecht en de arron-
dissementsrechtbank er in gevestigd. (Zie afb.)
Overeenkomstig de bepalingen, die Paus Pius IV gemaakt had in de
bulle, waarbij het bisdom Roermond zijn omschrijving en inrichting
verkreeg, ging men over tot de opheffing van het aloud kapittel van
Odiliënberg, dat in de 14de eeuw naar Roermond was overgebracht.
De kerk van den H. Geest, waaraan dat Kapittel verbonden was, werd
nu de domkerk of kathedraal.
Ze lag op den hoek van de H. Geest- en de Munsterstraat en is sinds
1821 geheel verdwenen. De waardigheid van kathedraal ging echter in
1661 voor haar verloren ten gunste van de veel grootere kerk van den
H. Christoffel, de moeder- of parochiekerk van Roermond. Deze was
vroeger al een vijftal jaren kathedraal geweest, toen namelijk van 1633
tot 1637 de bisschopsstad in handen was van de Staten der Nederlanden
en de H. Geestkerk dienen moest voor den Protestantschen eeredienst.

143
werden bezoldigd. Verder waren nog daaraan verbonden eenige procu-
reurs, advokaten en deurwaarders of gerechtsboden. De officiaal sprak
de vonnissen uit. Hij was een rechtsgeleerde, die bizonder de wetten der
kerk kende, doch evenals de overige leden der rechtbank geen priester
behoefde te zijn. De laatste officiaal was de Roermondenaar Marcellus
Albertus Syben, licentiaat in de beide rechten en kanunnik van de dom-
kerk. De promotor, ook wel advokaat fiskaal genoemd, stelde vervol-
gingen in van rechtswege; hij had een taak, die veel overeenkomst heeft
met die van den officier van justitie in onze dagen.
Tot aan den dood van bisschop Jacobus a Castro in 1639 kwam het
officialaat bijeen in het bisschoppelijk paleis zelf, doch daarna in een
aangrenzend gebouw, dat door genoemden bisschop was gekocht en bij
testament werd aangewezen tot gevangenis en tot zetel van het officia-
laat. Voor de uitvoering der vonnissen deed men vaak een beroep op
de wereldlijke macht. Dit gaf wel eens aanleiding tot moeilijkheden
evenals het verschil van meening over de bevoegdheden van de kerke-
lijke rechtbank.
Overeenkomstig met de bepalingen van het Concilie van Trente werd
reeds op de bisschoppelijke synode van 1570 besloten tot de oprichting
van een priesterseminarie te Roermond. Bisschop Lindanus gaf zich
zeer veel moeite om dat besluit uit te voeren, doch zonder groot gevolg.
Hij moest zich tevreden stellen met de inrichting van een theologische
school, die echter wegens de ongunst der tijden een kwijnend bestaan
leidde. Zijn naaste opvolgers waren niet veel gelukkiger. Bisschop
Cuyckius verkreeg wel door ruil in 1599 een gebouw op de Veldstraat,
waar het seminarie tot zijn opheffing doorgaans gevestigd bleef, doch
bij gebrek aan inkomsten was er vele jaren geen geregeld onderwijs
en het aantal leerlingen zeer gering. De meeste jongelingen, die zich
tot het priesterschap voorbereidden, deden hun studies aan de hooge-
scholen van Keulen en van Leuven.
Tegen het einde van de 17de eeuw kwam er een groote verandering
ten goede. In 1695 droeg bisschop Cools het bestuur en het onderwijs
over aan paters Dominikanen en deze bleven daarmee belast tot aan de
opheffing van het seminarie door de Franschen in 1797. De gebouwen
kregen een andere bestemming en dienden eerst tot kazerne, later tot
infirmerie. De laatste regent, Benedictus Huntjens, trok zich terug te
Nijmegen, waar hij het theologisch onderwijs voortzette in het gedeelte
van het bisdom Roermond, dat niet bij Frankrijk was ingelijfd. Hij was
de verdienstelijke opvolger geweest van den minder gunstig bekenden
regent Ambrosius Smising, die in de bewogen dagen der Fransche
omwenteling te Roermond een treurige rol heeft gespeeld. Deze man
had het bestuur van het Seminarie geheel en al verwaarloosd en werd
daarom in 1793 door het Kapittel afgezet. Als vurig aanhanger der vrij-
zinnige denkbeelden van de Fransche Republikeinen had hij hun komst
te Roermond met vreugde begroet en men verhaalt zelfs, dat hij er lid
was van een Jacobijnenclub. Het is dan ook niet te verwonderen, dat
hij in 1797 een der weinige priesters was, die den eed aflegden van
haat aan het koningschap. Hij verloor daardoor alle achting en aanzien

145
verruimd. Zoo regelde hij o.a. op verzoek van den prins van Parma
de kerkelijke aangelegenheden te Breda en te 's-Hertogenbosch. Hij
vergat echter zijn eigen bisdom niet: in de stad Weert vertoefde hij
vijf maanden en trad er krachtig op tegen de aanhangers der nieuwe
leer. Te Grave en te Venlo herstelde hij den katholieken eeredienst,
toen die plaatsen onder het gezag van den Spaanschen koning waren
teruggekeerd.
De stad Roermond mocht echter niet het einde zien van den apostoli-
schen arbeid van haar eersten bisschop. In het jaar 1588 werd hij over-
geplaatst op den veel aanzienlijker zetel van Gent in Vlaanderen. Hij
begaf zich daarheen in de maand Juli, doch verbleef er slechts zeer
korten tijd, daar hij drie maanden later, op 2 November, overleed in
den ouderdom van 63 jaren. Zijn graf bevindt zich in de domkerk te
Gent naast dat van zijn voorganger Cornelius Jansenius. (Zie afb.)
Onschatbaar is het goede, dat bisschop Lindanus niettegenstaande de
ongunstige tijdsomstandigheden en de tegenwerking van velen in het
bisdom Roermond tot stand heeft gebracht. Onvermoeid heeft hij ge-
werkt aan het uitroeien der misbruiken en met krachtige hand de ker-
kelijke tucht gehandhaafd bij geestelijken en kloosterlingen. In woord
en geschrift heeft hij de dwalingen van zijn tijd bestreden en tal van
afgedwaalden terug gevoerd naar de moederkerk. Zijn optreden was
wel eens hartstochtelijk fel en zijn pen ongemeen scherp, doch, ofschoon
niet goed te keuren, is dat te verklaren door zijn vurig temperament
en zijn groote liefde voor het oude geloof, waarvan dan ook het behoud
op den Limburgschen bodem grootendeels aan hem is toe te schrijven.
Het is daarom zeer te betreuren, dat hij geen laatste rustplaats heeft
mogen vinden in de stad, die gedurende lange jaren getuige was ge-
weest van zijn werkzaamheid.
Damianus van Hoensbroeck was de voorlaatste der kerkvoogden van
het oude bisdom en de laatste bisschop, die te Roermond heeft geresi-
deerd. Ten gevolge immers van de komst der Franschen kon zijn op-
volger niet meer plechtig geinstalleerd worden en moest hij ijlings zijn
zetelstad verlaten om ze nooit meer terug te zien. Bisschop van Hoens-
broeck werd 24 Februari 1724 te Roermond geboren en in de huiskapel
zijner ouders gedoopt door den toenmaligen bisschop Franciscus Ludo-
vicus Sanguessa. Hij ontving de namen Philippus Damianus Ludovicus
Ignatius Victorinus. Zijn vader was Frans Arnold Adriaan Johan Philip,
markgraaf van en tot Hoensbroeck, graaf van het Heilig Rijk enz. enz.,
en behoorde tot een oud en aanzienlijk Limburgsch geslacht, waarvan
de bekende stamreeks opklimt tot in de 14de eeuw. Hij woonde meestal
te Roermond, doch hij vertoefde ook dikwijls op zijn kasteelen Hoens-
broeck, Haag bij Gelder, Blyenbeek onder Afferden en Hillenrade bij
Roermond. Zijn huwelijk met de Oostenrijksche rijksgravin Anna Ca-
tharina Sophia van Schönborn werd gezegend met vijf en twintig kinde-
ren, van wie Philippus Damianus het derde kind en de tweede zoon
was. De toekomstige bisschop deed zijn Latijnsche studies in het col-
lege der paters Jezuieten zijner vaderstad en volgde daarna de lessen

147
HET TEGENWOORDIG BISDOM ROERMOND.

De Franschen, die in 1793 waren afgetrokken, keerden het volgend jaar
terug, zij maakten zich nu voorgoed meester van Roermond en omlig-
gende gewesten en lijfden weldra alles in bij de door hen gestichte Re-
publiek. Die inlijving duurde twintig jaar en bracht intusschen de ver-
nietiging met zich mee van het bisdom Roermond. Toen namelijk de
Eerste Consul Napoleon Bonaparte aan het hoofd stond der Republiek,
regelde deze met paus Pius VII de kerkelijke aangelegenheden. Er werd
in 1801 een concordaat gesloten, ten gevolge waarvan alle in Frankrijk
bestaande bisschopszetels moesten verdwijnen en nieuwe bisdommen
werden opgericht in overeenstemming met de departementen, waarin
de republiek was verdeeld. Zoo werd in 1802 een nieuw bisdom Luik
in het leven geroepen, dat de departementen omvatte van de Ourthe
en van de Nedermaas. In dit laatste was Roermond gelegen, zoodat de
stad weer onder een Luikschen kerkvoogd kwam evenals vóór de op-
richting van het bisdom in 1559. Opmerkelijk is het, dat niet het geheele
bisdom Roermond verdween. Het gedeelte, dat op het grondgebied lag
van de Bataafsche Republiek, bleef ressorteeren onder het bestuur van
den laatsten bisschop van Velde de Melroy, die zich te Grave vestigde.
Het is lichtelijk te begrijpen, dat de bewoners van Roermond de ophef-
fing van den bisschopszetel ten zeerste betreurden. De Franschen had-
den er reeds alle kloosterlijke instellingen vernietigd en nu moesten ook
het kapittel, het officialaat en het seminarie verdwijnen. De kathedraal
werd weer een gewone parochiekerk met het aloude bedehuis der op-
geheven Munsterabdij als hulpkerk. Voor de stad was die verandering
des te pijnlijker, omdat ze ook onttroond was als hoofdstad van het
Overkwartier van Gelderland. Met de Staten was tevens het Hooge
Gerechtshof verdwenen en het was slechts een magere troost, dat ze
de hoofdplaats werd van een kanton en dat er een onderprefect kwam
zetelen voor een der arrondissementen, waarin het departement van
de Nedermaas was verdeeld.
Zoolang de Franschen er heer en meester waren, bestond geen kans op
een gunstige verandering, doch ternauwernood zijn ze afgetrokken, of
de hoop herleeft op den terugkeer van den ouden luister. Toen het in
1824 bekend werd, dat door koning Willem I onderhandelingen over het
sluiten van een concordaat te Rome werden gevoerd, deed het ge-
meentebestuur onmiddellijk stappen in den Haag, om het herstel van
den bisschoppelijken zetel te verkrijgen. Die poging echter mislukte,
vooral omdat 's Hertogenbosch met meer recht daarvoor in aanmerking
kwam. Een nieuwe en gunstiger gelegenheid deed zich voor, toen in
1839 de helft van de provincie Limburg, die 9 jaar onder Belgisch be-
stuur was geweest, terug keerde onder het Nederlandsch gezag. Koning
Willem I wilde zijn Limburgsch gebied niet laten onder het bestuur van
den Belgischen bisschop van Luik en onderhandelde met den paus over
een nieuwe regeling. Met alle kracht werd nu, vooral van den kant der
geestelijkheid, gewerkt, om den bisschoppelijken zetel te Roermond te
doen herstellen. Het doel werd echter niet volkomen bereikt. Bij breve

149
Als apostolisch vikaris heeft Mgr. Paredis het bestuur gevoerd van
1 Januari 1841 tot 27 April 1853, toen hij het voortzette als bisschop van
Roermond tot aan zijn dood 18 Juli 1886. Groot is de werkzaamheid,
welke door hem in die lange jaren aan den dag werd gelegd, en schitte-
rend de resultaten, die hij daardoor wist te bereiken. Vooral op het
gebied van het onderwijs bracht hij veel tot stand. In zijn residentie
stichtte hij een Groot Seminarie en een bisschoppelijk College en te
Rolduc een Klein Seminarie met Normaalschool voor onderwijzers en
een Hoogere Burgerschool, die de eerste Katholieke school van dien
aard was in ons land. Ook te Sittard, Venlo, Venray en Weert deed
hij veel voor de Latijnsche studiën. Met grooten ijver bevorderde hij het
godsdienstig en zedelijk leven der hem toevertrouwde geloovigen. Het
aantal parochies werd door hem uitgebreid en ontelbaar zijn de kerken
en kapellen, die door hem werden geconsacreerd. Door zijn persoonlijk
voorbeeld moedigde hij de bedevaarten aan, vooral die naar de Maria-
heiligdommen, en hij beschouwde het als een groot voorrecht, dat hij
gedurende zijn episcopaat niet minder dan vier genadebeelden van
O. L. Vrouw had mogen kronen.
Het is bekend, dat de kloosters, die door Joseph II en door de Fransche
Republikeinen opgeheven waren, onder de regeering van Willem I niet
mochten hersteld worden. Doch toen Limburg onder het Belgisch be-
wind kwam, kregen zij hun vrijheid terug, zoodat Mgr. Paredis bij de
aanvaarding van zijn bestuur er reeds enkele vond, die op den Limburg-
schen bodem ontstaan waren. Onder zijn hooge bescherming nam hun
aantal weldra zoozeer toe, dat zij al bij het einde van zijn episcopaat
over heel Limburg verspreid waren. De eerste kloosterlijke vestiging te
Roermond was die van de Zusters van Tilburg in 1845, daarop volgden
de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis in 1852 en de Ursulinen
van Thildonck in 1853. De Paters Redemptoristen verschenen er in
1863 en namen er de bediening over van de kapel van O. L. Vrouw
in het Zand, een Mariaheiligdom, dat aan Mgr. Paredis bijzonder dier-
baar was. Tijdens den „Kulturkampf“ in Duitschland zette Mgr. Paredis
de gastvrije poorten van zijn bisdom wagenwijd open voor de verdreven
kloosterlingen. Zoo kwamen te Roermond de Ursulinen van Sint Salva-
tor en de Zusters van het Arme Kindje Jezus, de Carmelitessen en de
Clarissen, in 1884 bouwden er de paters Camillianen een klooster met
kliniek, zoodat bij den dood van Mgr. Paredis de kloosterlijke instel-
lingen in de bisschopsstad bijna het aantal van vóór de opheffing
hadden bereikt.
In het kerkelijk bestuur onderscheidde zich Mgr. Paredis door een
scherpzinnig verstand en door een onverzettelijken wil. Hij had een
goeden kijk op personen en zaken en toonde zich krachtig en vast-
beraden in zijn optreden. Bij het verrichten der bisschoppelijke func-
ties dwong hij eerbied af en ontzag door zijn deftig en voornaam voor-
komen, doch in den dagelijkschen omgang kenmerkte hij zich door een-
voud en gemoedelijkheid. Dan was hij zacht en vriendelijk en toeganke-
lijk voor een ieder. Het is daarom niet te verwonderen, dat hij zeer ge-
zien en geëerd was bij de geestelijkheid en het geloovige volk, vooral in

151
geveild, kochten die kloosterlingen het terug en lieten het later tegen
een jaargeld over aan haar rentmeester Jan Schoenmaeckers te Raer bij
Meerssen. Het gelukte Mgr. Paredis den eigendom van de familie
Schoenmaeckers tegen een bescheiden bedrag te verkrijgen en tevens
de nog overgebleven kloosterlingen te bewegen van haar rechten af te
zien. Edelmoedige giften van geestelijken en geloovigen hadden hem
daartoe in staat gesteld, zoodat hij nog in October 1841 het Groot-
Seminarie plechtig kon openen. Aan de straatzijde liet hij nieuwe ge-
bouwen zetten, die echter vóór eenige jaren afgebroken zijn en ver-
vangen door het tegenwoordig ruimer en doelmatiger gebouw aan de
Swalmerstraat en de Bethlehemstraat. (Zie afb.)
Presidenten van het Groot-Seminarie waren achtereenvolgens: Hen-
ricus Joseph Oomen, 1841-1859, Petrus Franciscus Hubertus Canoy,
1860-1865, Petrus Joannes Hoefnagels, 1865-1904, Paulus Mannens,
1904-1928, en Gulielmus Augustinus Hubertus Bauduin, 1928-
Bij het herstel van het bisdom Roermond was de St. Christoffelkerk
weer Kathedraal geworden. Het duurde echter nog eenigen tijd alvorens
daaraan een Kapittel werd verbonden. Dit geschiedde eerst nadat paus
Pius IX in 1858 de noodige volmacht had verleend tot de oprichting
van Kapittels in de Nederlandsche kerkprovincie. Den 10den Februari
1859 stelde nu Mgr. Paredis het Kathedraal Kapittel in bestaande uit
9 kanunniken, die 25 Maart daaropvolgend in de prachtig versierde
kathedraal plechtig werden geinstalleerd. De kanunniken zouden ook
raadgevers en helpers zijn van den bisschop, doch onder menig opzicht
verschillen zij van die in het oud bisdom Roermond. Zoo zijn zij wegens
gemis aan prebenden niet verplicht bij de kathedrale kerk te resideeren
of er alle dagen koordienst te verrichten. Dit laatste gebeurt maar eens
in de maand. Aan hun hoofd staat een proost en verder is er nog onder
hen een theologaal en een penitencier, terwijl de pastoordeken van de
St. Christoffel als lid van het kapittel den naam draagt van plebaan.
Tot proost van het kapittel zijn sinds de oprichting benoemd: Henricus
Joseph Oomen, 1859, Carolus Theodorus Schrijnen, 1859-1870, Ste-
phanus Moonen, 1870-1877, Franciscus Antonius Hubertus Boermans,
1878-1886, Petrus Joannes Hoefnagels, 1887-1904, Georgius Theodo-
rus Carolus van Meyel, 1904-1908, Andreas Josephus Deutz 1908, Her-
manus Leonardus Antonius Sevriens, 1909-1911, Paulus Mannens, 1911
- 1928, en Laurentius Natalis Le Bron de Vexela, 1928 -.









153
den, - boven Maas en Waal, - ook al is er nog geen volledige orga-
nisatie of vaste aanstelling van inlandsche priesters. Waarom?
In de periode van 500-750 is Zuid-Nederland bekeerd of minstens
geëvangeliseerd; ook de gouw tusschen Maastricht en Roermond.
We zijn op het frankisch domein der Merovingers. Pepijn geeft de cella
van Susteren aan Willibrord voor de „Peregrini“, en het monasterium
of de Cella van Dulberg *) aan de drie genoemde Iro-Schotsche geloofs-
predikers, van de Columbaansche richting; en hij geeft deze meer als
een veilig toevluchtsoord, een refugium en rustplaats, zooals ook later
Lotharius II het opvat (in 858), als hij Berg of St. Petrus-Munster
opnieuw schenkt, en nu aan de kanunniken van Utrecht, die vluchtten
voor den Noorman en den Deen (Danos).
De band met Utrechts Kerk was er en zou nog lang blijven be-
staan. Wél was er altijd arbeid genoeg over tot beter kerstening,
tot meer beschaving bij de gedoopte Franken, wél zal Willibrord
die dit terrein overigens veilig wist in de zorgen van zijn vriend Lam-
bertus, zich nu en dan bij Roermond hebben opgehouden, tijdens een
zijner reizen naar Susteren, Eyck en Echternach, - hoewel dit niet eens
noodzakelijk was, daar Roermonds villa niet aan den kortsten ver-
keersweg lag, - maar wij gelooven niet, dat hij daarom de parochie
heeft gesticht. De begraafplaats en de titulus waren er reeds, of min-
stens een oratorium van de villa.
Evenwel kan de kanonieke stichting der parochie, en daarmee de
definitieve omschrijving der grenzen, iets na 800 hebben plaats gehad,
en het „district décimable" opnieuw zijn vastgesteld juist, omdat het
geen vrije kerk was, maar een eigenkerk. Deze zal ons hoofdzakelijk
moeten bezig houden; zij geeft ons den sleutel voor veel vraagstukken.
Ieder zal van ons verwachten, dat wij de hoofdaandacht laten vallen op
de kerstening, die uitging van den St. Petrusberg, later St. Odiliënberg.
Maar wij moeten hier breken met verschillende opinies en gissingen.
Want een grondige studie van het oude kerspel is nog niet gemaakt,
noch door Sivré, noch door Meerdink, zelfs niet door Habets. Omdat
evenwel een grondige behandeling van hetgeen een zorgvuldig en lang-
durig onderzoek van den „fundus” opleverde, in een zoo beperkte bij-
drage niet mogelijk is, en de rest onbevredigd zou laten, dunkt het
ons van meer belang hier een brok geschiedenis te geven uit een onbe-
kend tijdvak, dan in enkele bladzijden 10 à 11 eeuwen vluchtig te door-
loopen, te meer daar hetgeen na 1559 voorviel, als meer bekend wordt
verondersteld, op enkele uitzonderingen na.
Blijven wij dus bij die kerspelkerk, en hare oude rechtspositie; bij het
feit van hare afhankelijkheid; bij haar eerste ligging en de verplaatsing
naar de markt; bij hare verhouding tot de voogdij en de gemeente; en
handelen wij alleen over de zorgvuldig bewaarde onverdeeldheid der
parochie en hare bezittingen, dan hebben wij stof in overvloed, en kun-
nen wij gevoeglijk de op zich zelf zeer interessante beschrijving van
altaren, beneficiën, kerkdienaars, van herstellingen, beeldstorm en
branden aan anderen overlaten of elders daarop terugkomen.
*) Oelberg.

155
den, om er van hoogerhand een bidplaats te doen bouwen ten behoeve
der hoorigen.
De villa of het domein van den fiscaalambtenaar lag bovendien dicht
genoeg bij een rivier met tollen, om er handelsverkeer te brengen, en
de snelle uitbreiding en ontwikkeling der kerngemeente te verhaasten.
Was de voogd er niet geweest, de ontwikkeling ware nog veel sneller
gegaan. Een groot gedeelte van den bodem werd eerst niet in pacht
uitgegeven. De markt werd aanvankelijk beheerscht door den voogd.
De opinie, dat de „Moderkircke” op het kerkhof, naast het Castrum
van den Voogd een „eigenkerk” was, hebben wij voor vier jaar het
eerst uitgesproken. En nu nog bevestigt elk onderzoek ons in dat ver-
moeden. Zij had reeds een lang verleden achter zich, vóórdat de grond-
slagen van het grafelijk Munster werden gelegd.
Eeuwenlang duurde die staat van dienstbaarheid, waarin de parochie
verkeerde. Het feodaal regiem en feodaal verband waren te sterk. En
deze kerk, opgenomen in het allodium van den landheer die als voogd
de rechtsmacht en het bestuur uitoefent, moet als een type van „eigen-
kerk" in Nederland beschouwd worden. Zij stond daar op landsheer-
lijken grond, d.w.z. is gesticht op een fundus van het koninklijk domein,
welks ambtenaar, een leekevoogd, zijne bemoeiing vanzelf tot die kerk
moest uitstrekken, waar het ging om de inkomsten en bezittingen, de
dotatie van zijn kerk, hem in precarie of als beneficie gegeven.
Dit feit is van belang en niet weg te cijferen uit het geheele verloop
der geschiedenis. Het werpt een vreemd licht op het ontstaan van dit
leekenbeneficie, n.l. hierin, dat hij twee derde van de kerkegift, juister
van de kerketienden, voor zich nam en bij de pastoorsbenoeming, bij
iedere vacature, het collatierecht uitoefende, d.i. het recht om een naar
zijn inzicht geschikten candidaat te presenteeren voor de plaatselijke
zielzorg, al zou deze ook soms niet resideeren.
Dit duurde vanaf het begin, en met een kleine onderbreking tot circa
1800. Erfelijk moet de voogdij aanvankelijk niet geweest zijn. Maar
na 900 werd de positie van den patroon en zijn familie vaster.
Was dit usurpatie, en een inbreuk op het canoniek recht, of kon hij
gronden laten gelden, die dit gedrag aannemelijk maakten?
Hij kon zich hoogstens op één grond beroepen n.l. dat het een fiscaal-
tiende gold, die sinds onheuglijke tijden, m.a.w. reeds tijdens de stich-
ting der kerk, bij haar fundatie en dotatie, den tijdelijken beheerder van
het koninklijk domein, en later zijn opvolgers toekwam. Het streven
van sommige families wordt zoo te meer verklaarbaar, om dit recht
erfelijk te maken. (vgl. Dr. Widera: Archiv f. Kath. Kirchenr. 1930. Bd.
110, 71-75 en 35. Kap. 5. Zehntbezüge der Laien.)
Waarin bestond nu de kerkegift van de Moederkerk? Behalve de groote
tienden, was minstens één mansus vereischt. Vele kerken hadden vier
mansi in eigendom.
Al heeft er een fusie plaats gehad tusschen het heerengoed, - de immu-
niteit - en het vrije gedeelte der Roergemeente, dit wijzigde in niets
het rechtsgebied van den pastoor. De grenzen zijn in het kerkelijk recht
een wezenlijk bestanddeel van de parochie. Bij het aanwijzen der doop-

157
le. Heeft den pastor een stuk akkerland groot 89 roeden gelegen in
het Ruremondsche veld, hetgene een deel maakt van 't corpus der pas-
torije en is verpacht aan Leonard Abels, jaerlijks voor 2 malder gerst
enz
2e. Heeft den pastor een stuk akkerland onder 't district van Rure-
monde over de maese gelegen. Omtrent d'oude maese, groot 264 roeden,
30 voeten, hetgeen deel maakt van 't corpus der pastorye, enz." -
Eerst van lateren datum zijn de cijnsen van een zestal huizen krachtens
oude schenkingen en fundaties, contributies van beneficianten en rec-
toren van altaren, en broederschappen, offers van de gilden, enkele
legaten, renten uit kapitalen van fundatiën, en van stadswege o.a. het
kerkebrood, dat later in een geldcollecte langs de huizen is omgezet.

HET ZEGEL. - SCHEPENZEGEL DER PAROCHIE.

De kerspelkerk bezat eertijds een stempel van de beeltenis van St.
Christoffel, den eersten patroon, staande en met een aureool om het
hoofd; hij draagt op den rechterschouder het kind Jezus, dat in de
rechterhand een wereldbol draagt.
De H. Christoffel houdt in de linkerhand een tak of boomstam, zonder
bladeren, waarop hij steunt; de patroonheilige komt ten halven lijve
achter een gevierendeeld schild te voorschijn; dit is beladen no. 1 en 4,
met een molenijzer, no. 2 en 3 met een heraldische lelie. Het omschrift
is: Insignis ecclesie parochialis Ruremondensis. Middellijn is 3.5 c.M.
Dit zou het oude schepenzegel zijn. Zonder den patroonheilige was het
kerspel niet denkbaar. Hij was de beschermheer van het grondgebied.

DE MILITAIR EN DE PRIESTER.

Het zijn twee boeiende figuren, stille, maar taaie persoonlijkheden, die
binnen hunne immuniteit genesteld, onze aandacht en onze studie vra-
gen. Een voogd, die zich niet laat verdringen of verdrijven, en een
investitus die binnen de kerspelgrenzen alléénheerscher blijft met als
zijn trouwe schaduw, zijn nevenfiguur, even onaanvechtbaar als hij zelf;
die vele gasten op zijn grond ziet komen en verdwijnen, oude en nieuwe
kloosterorden, gilden, vrome stichtingen, begijnhoven, adellijke abdis-
sen, gasthuizen, kapittels en bisschoppen; beeldstormers en heiligen,
aristocraten, raadsheeren, rechters en magistraten.
Maar de parochie verandert niet of nauwelijks van aanschijn. Haar
samenstelling is zooals haar herder: één en ondeelbaar. Een tamelijk
kleine kudde naar verhouding van den bodem, waar de bezittingen van
beiden, voogd en beschermeling lagen. Zij deelen te zamen de kerke-
gift, de dos ecclesiae, eeuwenlang.
Zelfs als de groote „seigneur“, de kerkvoogd het moet opgeven, en,
- éérst noodgedwongen in 1388 - de stoffelijke behuizing verplaatst
naar de Steeg, en eindelijk, circa 1800 met al zijn voorrechten van het
„ancien régime" uit het stadsbeeld moet verdwijnen, plaats maken voor
de revolutie, met achterlating van zijn wapenbord, dan nog blijft aan

159
De gemeenschappelijke zetelplaats, Inop, met den laathof en de ge-
meenschappelijke bezittingen blijven intusschen nog onaangeroerd.
Maar er zal van nu af een stille strijd zijn over rechten, die gehand-
haafd moeten worden tegenover nieuwe gasten.
Er was inmiddels veel veranderd in de hitte van den investituurstrijd,
het groote conflict van Imperium en Sacerdotium der 11de eeuw.
Omstreeks 1050-1100 ontging aan de plaatselijke landheeren de volle-
dige en vrije beschikking over de fabrica, de kerkfabriek, en over de
kerkegift, bestaande in landerijen en onroerende goederen. Zij ging
over in de handen van den bisschop als leenheer onder den invloed
van het feodale stelsel. De prinsbisschoppen, ook die van Luik en
van Utrecht, waren Suzerein over alle kerkegoed, binnen hun dio-
cees, reeds vóór, maar meer nog ná den investituurstrijd. Op denzelf-
den titel kwam eveneens de praktische beschikking aan den pastoor,
die feitelijk bekleed was met een kerkelijk leen of beneficie (investitus).
De Pausen noemden zich later de uitdeelers en beheerders van alle
kerkelijke beneficiën, en duldden geen inmenging van de wereldlijke
macht.
Nog later, omstreeks 1200 en daarna, dank de nieuwe stroomingen,
gewekt door de Pausen, en dank de gemeentelijke emancipaties werd
het eigendom der Kerk immobiel, ten bate van de gemeenschap der
parochianen, en dezen waren vertegenwoordigd door de magistri fabri-
cae, de kerkmeesters of provisoren
Ook in het dorp Roermond moet het verloop ongeveer aldus geweest
zijn, onder één voorbehoud evenwel. Het collatierecht en de kerke-
tiend bleven feitelijk in de hand van den Voogd tot 1268. Ondanks den
bouw van het Munster, ondanks het vrijmaken der gemeente bleef de
domaniale kerk, de eigenkerk nog lang den stempel dragen van haar
eersten juridischen toestand, en van de oude verhoudingen tusschen
patroon en plebaan. De patroon wierp zijn schaduw over de parochie
nog tot 1400 en eeuwen daarna.
Het proces dat elders spoediger afliep, duurde hier lang. Vooreerst
reeds door de ligging van het kerkje, naast het heerenhuis, buiteninop,
de gewijde plek op den Christoffelberg, bij de dingplaats op het atrium
of kerkhof. Eén periode was afgesloten. De 12de eeuw bracht de eerste
veranderingen. De 13de nog meer.
De positie van den heer was vroeger sterker geweest. Het inkomen
raakte eenigszins los van de kerk: de grootgrondbezitter was hij, en
niet de pastoor, nóch de fabrica.
Het eigenkerkenrecht was nu vervangen door het patronaatsrecht.
Bezit de kerkheer (voogd) nog de kerk, dan is het bloot eigendoms-
recht, dus niet meer het absoluut gebruiksrecht, waardoor hij het totaal
inkomen geniet. Maar mét de bevoegdheid tot benoeming (jus presen-
tationis) heeft hij een flink deel van de tienden. Deze beide rechten kon-
den afzonderlijk bestaan, en daarom ook in twee handen zijn. (Dr. Post).
Maakte nu de kerspelkerk in 1232 niet de groote zwenking mee, die de
gemeente tot stad verhief, - er kwam voor haar een datum van méér
gewicht voor het beheer en de bediening der moederkerk. Een gedeelte-

161
genieten, - schijnbaar onbestreden, - en dit duurde zoo voort tot
aan het Concordaat van Napoleon van 1802.
Laat dan de akte van September van het jaar 1268 echt zijn, laat het
dan waar zijn, dat de eerst rechthebbende patroon en collator van het
beneficie der parochiekerk, samen met zijn vrouw Utilinde en zijn
broeder Godefridus, als getuigen, abdiceerde ten bate der abdis, - door
Gelders graaf aangesteld, - het ging in elk geval niet van harte.
Hij zal, voor zijn persoon, de meening hebben gehad, nu te moeten
zwichten, en de schenking geschiedde „in puram et perpetuam ele-
emosynam"; hij wilde misschien noodgedwongen „faire bonne mine à
mauvais jeu". Zijne opvolgers zullen het echter hier niet bij laten, en
na een eerste benoeming door de abdis zal de familie revendiceeren,
als op een oude costuyme, een traditie.
Een nieuwe twistappel was echter op het terrein van de villa, - nu
stad sinds 1232, - geworpen.
In het plaatsen van de adellijke abdij op Roermonds bodem, zien wij
en zoo zagen het ook de patroon en de pastoor, - naast de vrome
en religieuze motieven van zijne moeder Richardis, en die zijner echt-
genoote, tevens een politieke zet van den Gelderschen graaf, die vazal
is van den bisschop van Utrecht, en in 1204 zijn bezittingen tusschen
Roermond en Maastricht opdraagt „in eleemosynam" aan den bisschop
van Luik, en ze weer van hem in leen ontvangt. Monniken zijn het wel
niet, die daar komen, maar adellijke jonkvrouwen, onder het toezicht
van den Cistercienserprior van Camp en dien van Villers.
En de graaf versterkt zoozeer de machtspositie dezer abdij in de stad en
haar omgeving, en verrijkt haar zoodanig met goederen, dat hij den
voogd terugdringt en op zijn eigen terrein in het nauw brengt, om zelf
vasten voet te krijgen ten overstaan der Luiksche Kerk. De graftombe
en het emporium der abdis en der jonkvrouwen stempelen het Munster
tot een grafelijk monument, waarbij de parochiekerk als de mindere
verdwijnt. De graven resideeren er wel niet zoo vaak, maar van nu af
stonden er twee Heerenkerken tegenover elkander in Roermond. Eerst
stond de leek, de judex en de ambtenaar boven den pastoor; nu staan
graaf en voogd als twee leekenmachten tegenover elkander.
Tot beter inzicht hiervan is een algemeene terugblik noodig.
In tegenstelling met de meer voorname Rijkskerken, bleven de kleinere
„eigenkerken” onopgemerkt. Toch passen zij evenals Roermonds paro-
chie in het raam der groote geschiedenis. Bij de opkomst der „Seniores
of seigneurs" - een andere naam voor de territoriaalheeren - worden
vele landparochies ook in Limburg, de eigenkerken van den heer. D.i.
zij worden quasi als bezit en eigendom beschouwd en ook zoo behan-
deld, omdat zij liggen op den grond van den heer, ook al is zijn familie
niet altijd de schenker of stichter geweest. Het bezit van altaar en
kerk wordt zelfs gesplitst en is vaak in twee handen. En dit zal ons te
minder verwonderen, als wij zien hoe een eeuw lang sommige abdijen
en bisdommen, - vanwege het rijke grondbezit of om de machts-
positie van een bisschop die tevens vazal was van den koning, - een
economisch en zelfs een politiek instrument worden in de hand der

163
goed worden opgenomen in het parochieverband. Zelfs de vicarie en de
eigen broederschappen van O. L. Vrouw, van St. Jacob, - het gilde der
boogschutters - verdwenen binnen de muren van de Christoffelkerk.
Een roemloos verdwijnen. Want over de brug, aan het smalle riviertje
en naar Herten toe was weinig gelegenheid tot expansie, weinig vertier;
Maas en Roer zetten alles blank. Met de textielindustrie verplaatsten
zich de parochianen; alleen de volmolens en oliemolens bleven in de
gekanaliseerde Roer. Bovendien bij de belegering van de stad moest
St. Jacob het vaak het eerst ontgelden.
Anders ware de voorstad de geschikte bodem geweest om een tweede,
vrije en onafhankelijke parochie, los van den voogd, op te richten.

DE PASTOORS.

De pastoors door Theodoricus en de latere patroni aangesteld resideer-
den niet altijd in Roermond, maar lieten zich vaak vervangen door
vicarii perpetui. Het schijnt dat de pastoorsplaats of het beneficie
van St. Christoffel, zeker na 1200, zoo niet eerder, geregeld in handen
komt van een doctor decretorum, van meesters in de rechten en de
theologie, van candidaten uit de lagere aristocratie. De investitus heeft
den titel van magister, canonicus of staat soms vermeld als de lijfelijke
broeder van den Voogd, dus uit den dienstadel, de familie van ministe-
riales gesproten.
Een echt staaltje uit den feodalen tijd hebben we (van 1298-1312) in
de keuze van zekeren Godefridus met den titel van decanus ecclesiae
B. M. V. Aquensis. Hij was broeder van Theodoricus de Ruremon-
de. Maar deze Godefridus was benoemd pastoor en resideerde blijk-
baar in Aken niet in Roermond. Dit maakte de familieregeering wel
minder zichtbaar, doch de emolumenten bleven in ééne hand. In elk
geval was hun maatschappelijke positie in deze periode beter en hoo-
ger dan in die voorafgaande aan den investituurstrijd, waarin soms de
leekenpatroon een der hoorigen uit zijn domein als zijn gewillig crea-
tuur tot pastoor verhief, weinig lettend op diens natuurlijke hoedanig-
heden en canonieke geschiktheid met al de gevolgen daarvan. Het ver-
wondere niemand, dat dergelijke zaken, die onder de Merovingers en
Karolingers voorkwamen, zich ook in Roermonds „villa“ hebben af-
gespeeld.
Welk overwicht hadden de eerste kerspelpriesters in den omtrek?
In oudheid en naam stond Susteren op kerkelijk gebied boven Roer-
mond. Hoofdplaats van het gulden landdekenaat Susteren, - even-
als dat van Wassenberg „aureum concilium" genoemd, - was deze
plaats dus de eerste in rang. Maar op de rij af konden ook de andere
pastoors landdeken zijn. Zoo zien wij in 1230 Johannes, plebanus in
Linne en landdeken van het Capittel van Susteren te Roermond samen
met Gerardus, pastoor van Roermond deelnemen aan een synode die
daar gehouden werd onder voorzitterschap van Henricus van Dyck,
aartsdiaken van Kempenland (Campinia). Wat er verhandeld werd


165
zelfstandig omhoog te werken, te emancipeeren En na veel wrijvingen
tusschen villa en vicus, op de markten uitgevochten, zou de industrie
met haar producten zegevierend te voorschijn komen en consequent
voortaan een beter Godshuis voor zich opeischen. En nog zou intus-
schen honderd jaar lang de herder van inop met zijn kerkje in den-
zelfden staat blijven. De agrarische „villa” bleef achter bij den vicus.
Op 1 Juni 1383 noemt de nieuwe pastoor Joannes Cursenbrand zijn
parochianen nog met den ouden naam: „mijne kirspelluden, daeraff ick
myne begrafenisrechten mag nemen ..
De Minderbroeders waren immers in de stad verschenen! Tot het bre-
ken van het taaiste conservatisme moest echter nog een groot, hoewel
niet bloedig beleg, dat van 1388 den doorslag geven. Daarna volgde
een tweede beleg van Brabanders en Luikenaars, van 1397, met een on-
middellijk daaruit voortvloeiend conflict, dat zich concentreert rondom
den Christoffelberg en de kerk. Juist in die jaren, 1380-1410, maakte
Rome's Kerk haar felste crisis door. Het Westersche Schisma bracht
overal gisting en onrust.
DE SLOOPERSHAND 1388-1400.
Dat was het tweede groote keerpunt in het parochieleven. De gemeente
was nog niet op het hoogtepunt van haar welvaart en uitbreiding geko-
men. Doch verder zou de omwalde stad voorloopig niet groeien, tenzij
in een opeengehoopte bevolking, daar de geestelijke stiften een tamelijk
groote oppervlakte besloegen.
Men kon gaan bouwen; maar de vrijgemaakte gemeente, nu sterk tegen-
over den voogd, zou het werk bekronen met een zeer bescheiden monu-
ment, arm aan ornamentatie. En geen wonder. Als men de Memorie-
boeken en Necrologieën van 't H. Geestkapittel en der Munsterkerk,
e.a. kloosters eens nagaat, dan blijkt waarheen de legaten en giften der
bezittende klasse gewoonlijk gingen. Schatrijk zijn Roermonds paro-
chianen denkelijk niet geweest, toen zij de eerste begrooting aannamen
van een kerk, die eenmaal, d.i. binnen twee en een halve eeuw de
kathedrale kerk moest worden.
Maar daarvan had men toen nog geen flauw vermoeden. Roermond
stond onder Luik. Misschien gingen de sympathieën nog grootendeels
uit naar de Minderbroederskerk en het Munster, die én voor velen
gunstiger gelegen waren én zoo langen tijd in de nooden der parochia-
nen moesten voorzien.
Doch men brak af, en zat in het puin, sinds 1390. De magistraat was
eenigszins voorbarig te werk gegaan. Al is het heele geval niet erg dui-
delijk, dit blijkt nochtans uit enkele stukken van dien tijd, dat men
kort na het beleg van 1388 tot een onrechtmatige daad was overgegaan
en „de alde inopperkerk” had afgebroken, zonder de kerkelijke autori-
teiten te raadplegen, die van oudsher, steunend op de traditie en uit
piëteit voor een bestaand kerkgebouw, op dit punt zeer streng waren.
Het voorwendsel, dat toch spoedig wel een grond van redelijkheid
bleek te hebben n.l .: om kenlicke grote noitsaicken, bleek in Luik niet

167
RAPPORT EN ADVIES.
(A.o. 1390 of 1389) door den Commissaris van den Luikschen Bisschop.

I.

- „Als stof ter beraadslaging in de onderhavige kwestie van Roermond,
zijn er dunkt mij, hoofdzakelijk drie punten te behandelen: -
le. het bouwen van een (nieuwe) kerk met pastorie binnen den stads-
muur;
2e. het opnieuw plaatsen van een kapel op de plek, waar men de vorige
parochiekerk heeft neergehaald, en
3e. het hervormen der begijnenkerk of het betrekken derzelve binnen
de stad.
Om met het laatste punt te beginnen, - mij dunkt, gelet op de uitgaven,
die de stad reeds dragen moet, en op de onkosten die zij nog zal moe-
ten maken, dat het raadzamer is, de begijnenkerk op de plaats waar
zij ligt te herstellen, en dan de begijnen daaromheen in een engere
(meer beperkte) ruimte hare woningen te laten plaatsen, en haar dus
op grooteren afstand van de stadsgrachten te laten wonen; (en dit tot
een dubbel doel) zoowel om het brandgevaar te vermijden, als vanwege
het beleg; daar tusschen de Roer en de wallen de legers zich niet durven
noch kunnen neerzetten (kampeeren).
Dáár zouden ook de begijnen in grooter vrijheid en met meer gods-
vrucht zich aan haar gebed en arbeid kunnen wijden. Wanneer men
echter de onkosten niet behoeft te vermijden, dan zou men ze binnen
de stad moeten plaatsen.
Omtrent het tweede punt, n.l. opnieuw eene kapel te plaatsen (op
de plaats der afgebroken kerk - inop -) valt op te merken, dat de
kapel wel gemakkelijk is te herbouwen, maar dat het moeilijk zal vallen
haar te doteeren (begiftigen) n.l. met het oog op een dagelijks aldaar
te celebreeren H. Mis
De oplossing die men heeft uitgedacht, om in die kapel het altaar
van O. L. Vrouw te laten staan, dat binnen de parochiekerk gedoteerd
is, kan niet doorgaan, vanwege de vermindering (den afbreuk) aan den
goddelijken eeredienst gedaan, en de vermindering der altaren, die
aan de parochiekerk verbonden zijn.
Er blijft dus niets anders over, dan de genoemde kapel met vaste jaar-
lijksche inkomsten te begiftigen ten bate van den dienstdoenden pries-
ter, ofwel: den pastoor der parochiekerk een zeker aandeel der inkom-
sten toe te wijzen, opdat hij die kapel als zijnde de dochter en „de
appendix" der moederkerk òf zelf zou bedienen, òf door een ander
zou laten bedienen.
Dit laatste zou allicht gemakkelijker zijn voor de stad en aangenamer
en meer welkom aan het volk, en ook meer zekerheid geven voor de toe-
komst; opdat er geen gebrek ontsta aan dagelijksche H.H. Missen, die
daar gedaan moeten worden, tot hulp en tot gedachtenis der overlede-
nen, die dáár begraven liggen." (Het oude kerkhof bleef: buiteninop).
„Op deze wijze zou die plaats meer in eere en godsvrucht blijven, meer

169
gen (overgelaten) opdat én alle dagelijksche rechten van kerk en pasto-
raat (temptata) onderzocht en herzien, en in elk onderdeel verbeterd
en hervormd worden, alles tot eere en lof van den Almachtige en van
Hem, die gezegend is in alle eeuwen der eeuwen." --

II. ADVIES.
„Tot beter begrip van de nu volgende beweegredenen dient men te we-
ten, dat er in de stad twee meeningen zijn over de juiste en geschikte
plaatsing en ligging der kerk
De eene, die houdt, dat de kerk beter zou staan omtrent het midden
der stad op de plaats, waar het hospitaal ligt. En de andere meening is,
dat zij geschikter staan zou op een uithoek van de stad naast den
walmuur en bij de markt.
Zij nu, die de kerk willen geplaatst zien bij de markt, steunen op de
volgende beweegredenen:
Want, zoo zeggen zij, dit gedeelte der stad, - en dat is bijna de helft -
heeft geen enkele kerk. Evenzoo: omtrent de markt woont (nu) het
grootste deel der bevolking; verder zou dáár een plaatsruimte voor de
nieuwe kerk gemakkelijker kunnen worden aangekocht. En de voor
den bouw benoodigde materialen veel gemakkelijker worden aange-
voerd. Daar zal de hoektoren van den stadsmuur de kerk tot onder-
steuning en bescherming verstrekken. Daar zal de kerk meer bereikbaar
zijn voor hen, voor wie zij dit vroeger ook geweest was, en dichter bij
de plaats van het pastoorshuis, waar het eenmaal stond. Vandaar uit
zullen ook de gestorvenen gemakkelijker ter begrafenis naar het kerk-
hof gedragen kunnen worden.
Om te besluiten en samen te vatten; tot genoemd terrein is, naar men
zegt, het grootste deel n.l. burgemeester, schepenen en raad geneigd,
zoowel om de hier aangehaalde redenen, alsook om hier niet aange-
haalde redenen en die misschien eenigszins verdacht lijken; (forte
suspectas).
Daartegenover staan zij, die trachten de kerk omtrent het midden der
stad op de plaats van het gasthuis ('t Hospitaal, op den Steenweg) te
leggen; en zij worden gedreven door betere, meer geldige redenen, die
minder verdacht zijn.
Vooreerst; zou dáár een meer passende kerk ter eere Gods kunnen ge-
plaatst worden, en meer overeenkomstig de eer der Geldersche graven,
der Luiksche bisschoppen, en de eer van de stad.
Daar zou de grond voor kerk en kerkhof tegen minderen prijs verkre-
gen worden. Daar is een plek, verwijderd van alle rumoer, dat de gods-
vrucht en den goddelijken eeredienst verhindert en stoort. Item: naar
die plek schijnen de sympathieën van het meerendeel der parochianen
uit te gaan; iets wat bij een verdere navraag en bij nauwkeurig onder-
zoek zou blijken.
Verder: evenzoo; een parochiekerk vereischt een kerkhof ter ruimte
van dertig passus (voet) in den omtrek, gemeten vanaf het kerkgebouw,
iets wat veel minder op de eerste plaats schijnt verwezenlijkt te kunnen
worden."

171
De tekst van dit stuk spreekt duidelijk genoeg voor zich, om nog veel
commentaar te eischen. Toch is er stof tot beschouwing. Het verraadt
de verschillende meeningen, die in de stad in omloop waren om-
streeks 1400. Bijzondere opmerking verdienen de volgende punten.

1°. Het is geen conservatief man, die aan het woord is, hij heeft een open
oog voor de bezwaren der oude terreinen, de voordeelen van een nieu-
we plaatsing, en is tegen een parochiekerk, gelegen aan den uithoek.
Hij kiest partij; en al blijkt zijne meening niet gevolgd te zijn, al wonnen
de marktbewoners en voornamelijk de magistraatspersonen het pleit,
hij heeft blijk gegeven een goeden kijk te hebben op een oud Roer-
mondsch probleem. In hoofdzaak draait zijn advies omtrent de centrale
ligging eener parochiekerk, en derzelver voordeelen. Hij beschouwt
die zelfs als „dé ideale ligging“, afgezien van het praktisch nut.
Maar aan een andere oplossing dacht hij vermoedelijk nog niet. Of zou
de landdeken, of de aartsdiakenrapporteur, die dit verslag uitbracht
en wiens wenschen en plannen, - afstuitend op de oude traditiën der
stad, - tenslotte niet in vervulling zijn gegaan, zou hij (vragen wij ons
af) of een ander tijdgenoot toen reeds de gedachte met zich hebben
rondgedragen aan een mogelijke splitsing der parochie, of een vaag plan
hebben gevormd, de stad in twee parochiale wijken in te deelen, n.l.
tusschen die der oude bestaande kerk, buteninop, aan den Maasoever,
buiten den muur, en één nieuwe in het centrum, om zoo beide partijen
èn de behoudsgezinde èn de vooruitstrevende te bevredigen en te
verzoenen. 't Is mogelijk dat iemand toen reeds zoo vooruitstrevend
was. Maar eigenlijk was daarvoor Roermonds bevolking toch niet tal-
rijk genoeg, en ook niet rijp.
Het begrip van de ééne en ondeelbare parochie met hare even ondeel-
bare rechten, dit begrip zat nog te diep, ook bij den adviseur, en was
in dien tijd in de stad overheerschend en heilig. Het wordt tegen het
einde van het verslag tweemaal naar voren gebracht met de woorden:
„unica ecclesia, fundamentum aliarum; unica et sola necessaria." Dan:
niet alleen de taaie overlevering der oude burgerfamilies, (niet alleen de
investitus, de pastoor zelf), maar ook de voogd die zijn belangen had,
zou zich waarschijnlijk sterk tegen een verlegging verzet hebben. Men
had weer buiten den Voogd gerekend, en de invloed van dezen was
nog groot genoeg om zich te doen gelden.
Verder waren daar nog de abdis van het Munster (rechtens de eigen-
lijke patroon, - in feite bleef dit de Voogd), en het kapittel van de
H. Geestkerk, die nog een woordje konden meespreken, en van wien
het te betwijfelen valt of zij zeer ingenomen waren met zulk een mo-
gelijke verschuiving der parochie naar het centrum. Het oogenblik was
nog niet gunstig in 1400. Het was toen nog te vroeg. Maar de tijden
veranderden. En de tijd na de reformatie, de tijd van herstel onder
Lindanus bracht de kwestie zeker op het tapijt, toen men uitzag naar
een geschikte kathedrale kerk voor den bisschop.
Voorloopig bleef men bij het oude. En de eerste drukte van de bouw-
loodsen begon zich te vertoonen aan de Kraanpoort, buteninop, en
op de markt. Het oude kerkhof bleef in eere waar het lag sinds 900.

173
DE BRIEF VAN 23 APRIL 1410.
EEN NIEUW RAADSEL?

„De oudere „dochter” van de „jonge” moederkerk.” Deze woordspeling
en tegenstelling mogen wij maken als we zien hoe de rollen in enkele
jaren zijn omgekeerd, en tegen het gewone verloop der plaatselijke
historie en tegen het gebruik der canonieke wetten, de nieuwe kerk
moederkerk wordt van de oude kapel buteninop, nu nog te herbouwen!
Toch geeft de uitdrukking in den brief van 14 Juli 1389, bovenaange-
haald, daartoe aanleiding: als wij daar hooren van de „Capella appen-
ditia, filia matricis ecclesiae". Nu reeds is de herbouwde, oude kerk van
den voogd gedegradeerd tot een afhankelijke of bijkapel, dochter van
de nieuwe moederkerk, die nog moet verrijzen. Er waren geen groote
voorschotten of fondsen. De materialen waren hoofdzakelijk brikken,
en rijk beloofde het uitzicht zeker niet te worden, evenmin als het
inwendige, al wordt in den aflaatbrief het werk „magno decore laudiflue
constituti" genoemd. Maar er was toch méér noodig voor het meu-
bileeren en ornamenteeren dan hout en steenen. Het bouwen ging
traag in die tijden. Bij ieder geldgebrek werd het werk gestaakt. Zoo
moet ook deze bouw vaak hebben stil gelegen. De bouw was voltooid als
Kruiskerk in 1453. De Hertog van Gelder liet nog eens in 1492 munt *)
slaan om de stad zelf gelegenheid te geven uit den nood te komen, daar
de parochiekerk arm was en géén centen heeft! Intusschen moesten
zich de parochianen behelpen en zoolang de nieuwe St. Christoffel in
aanbouw was een plaatsje zoeken in de St. Joriskapel aan den Steen-
weg, welke niet ruim was, in de St. Jacobskapel over de brug, in de
H. Geestkerk, in die der Minderbroeders vooral, de meest populaire
kerk, en in het Munster, voorzoover de koordiensten der stiftsdames
het toelieten.
Maar om tot meer spoed aan te moedigen en tevens tot vrijgevigheid
te prikkelen, nam men het gewone middel van dien tijd te baat. De
geloovigen werden uitgenoodigd, - niet gedwongen, - door een ver-
meerdering van aflaten en geestelijke gunsten het werk te verhaasten,
en door hun bijdragen en offers in geld, bij die gelegenheid gestort,
het huis Gods, toch ook hun eigen parochiekerk, sneller te voltooien.
Een kardinaal, twee aartsbisschoppen en drie bisschoppen gaven daar-
om, - denkelijk op verzoek van Luiks bisschop, - een aflaat van 140
dagen en 40 quadragenen aan alle geloovigen die door hun aalmoezen
tot den nieuwen bouw van de St. Lambertus en St. Christoffel bijdra-
gen. Dit is de korte inhoud van den aflaatbrief van 23 April 1410, die
tegelijk met een confirmatie en transfixbrief op 1 December van dat-
zelfde jaar werd uitgegeven door Joannes van Beieren, den electbis-
schop van Luik, en waarover nog niet veel licht geschenen heeft.
Maar het meest belangwekkende, en tamelijk wel onbekende in den
tekst was het vermelden van een beeltenis van Maria, welke in de
oude kerk zeker een voorwerp van veel vereering moet zijn geweest;
*) Meerdink : bl. 38-39.


175
ao. 1224. - Albertus, investitus.
ao. 1232 (het vermoedelijk stichtingsjaar der stad). - Gerardus, pastor
in Ruremunde.
ao. 1259-1272 + - Rutgerus, investitus de Ruremunde.
1272. - Magister Daniël.
Hij was vóór 1272 pastoor of investitus in Herten, werd in dit jaar op Vrijdag
na O. L. Vr. Hemelvaart benoemd door de Munsterabdij; - leefde nog in 1283.
1298. - Mathias, investitus de Ruremonde.
Hij bedankte omstreeks 1298.
1298-1312. - Godefridus, decanus Ecclesiae B.M.V. Aquensis
Broer van den voogd Theodericus.
1313. - Henricus Ludolphi, presbyter de Ruremunde.
Benoemd bij sententie van den aartsdiaken Neapolio de Filiis Ursi, terwijl
Joh. van Schaephuysen, de candidaat van den Voogd, door denzelfden N.
niet ontvankelijk werd verklaard. - Dñs. Adam, vicarius perpetuus.
1361. - Godefridus van Elmpt.
1383-1389. - Johannes Curssenbrand.
1389-1412. - Joannes de Stralen.
Canonicus Leod. et investitus parochialis in Ruremunde.
Tijdens zijn pastoraat valt de afbraak van de oude kerk in „Buteninop”, welke
tegen het kerkelijk recht in geschiedde door den magistraat van Roermond.
II.
1412-1423. - Mathis Peuten.
1423-1443. - Petrus an den Grave, de Stralen.
cfr. Stichtingsbrief v. h. begijnhof.
1443-1457. - Theodericus Beers: alias Derick Berssen.
Hij treedt op als getuige, 1443, bij een akte van overdracht van den tol van
Asselt.
1457-1492. - Hermanus v. d. Damme.
cfr. Maasgouw 1922 Jg. 42. - Dr. J. S. v. Veen en: Concordia der Confrat.
B.M.V .; zie Register-Broederschap O. L. Vr. Op der Porten. 1928.
1492-1526. - Johannes Benedicti (of Johan van Reyd).
item: Maasgouw 1922, p. 95.
Op 3 Dec. 1515 vroeg hertog Karel v. Egmont de pastorie te confereeren aan
den zoon van een zijner raadsheeren. Deze ontving die, maar ruilde ze met
Dirck v. d. Put.
1526-1538. - Theodoricus in den Winckel, (of Dirck in den Winckel).
1538-1549. - Theodoricus de Putheo (Dirk van de Put).
persoon of rector personatus eccl. par. S. Christ. Coadjutor, Joes Kaetz.
1549-1585. - Dederick Haen.
Eerst coadjutor van D. v. d. Put - Proces met de abdis.
1586-1592. - Wichardus Wichardi.
cfr. Verdrachsboek fol. 47 vo. - 4 Dec. 1586.

177
het Hof van Gelder (1580). Dan bracht de benoeming van Lindanus
in deze parochie, die zoo lang onder Luikschen invloed had gestaan,
eenigen schrik bij volk en clerus. Dit zou veranderen, ondanks pastoor
en 't kapittel van Berg, dat in 1361 de H. Geestkerk betrok en opnieuw
in 1660 van residentie veranderde, om de moederkerk in beslag te nemen.
De „wereldsche Patroon” en de sollicitanten voor het pastoraat be-
palen soms het lot der kerk en haar beheer voor langen tijd. Al spoedig
is er een geschil tusschen den eersten bisschop en pastoor Dede-
rick Haen.
We kunnen gerust aannemen, dat, al blijft de magistraat steeds op ge-
spannen voet leven en processen voeren met den patroon, niemand,
noch bisschop, noch pastoor zijn presentatierecht meer zal betwisten.
Hij wordt voortaan getolereerd. Hoe taai en hoe vasthoudend zelfs in
deze overlevering van rechten en ook in feite de voogdenfamilies ble-
ven, blijkt nog uit enkele handelingen van lateren datum. Alleen de
abdis, Maria Margaretha de Wijenhorst, gaf zich niet zoo gemakkelijk
gewonnen. Op 9 Januari 1685 komt nog eens een formeel protest los,
waarin zij verklaart: 1°. „dat niet den Heere erffvoogd deser statt, maar
sij is, de oprechte ende waerachtige patrone der cathedrale kercke
alhier." -
En daarom, volgens punt 3 van dezelfde protestatie: „gedenckt sij
niet den Heer Coomans, als pastoir te erkennen, of m.a.w. te attri-
bueeren de qualiteit van pastoir". Als argument dient de abdicatie van
1268, en de bevestiging ervan in 1272, en verder het feit, dat twee
eeuwen lang (1313-1538), de abdissen haar recht vreedzaam hebben
uitgeoefend.
Het mocht niet baten. De Erfvoogd, wiens wapen op de kerkornamen-
ten - koorkap en kasuifel - is aangebracht, gebruikt bij de benoemin-
gen zijn invloed, is er zich van bewust. En van den anderen kant doen
pretendenten en sollicitanten bij eene vacature reeds als echte cliënten
een beroep op den toekomstigen patroon.
Twee korte vermeldingen uit 1614, die wij aantroffen in het bisschoppe-
lijk archief van Roermond toonen dit duidelijk.
Er was eene vacature na het vertrek van Past. Martinus Luncenius
(Floris Prims noemt hem Leunckens in de Geschiedenis van de St. Joris-
kerk te Antwerpen) (zie: lijst van Pastoors). Blijkens een brief van 8
April 1614 biedt Wyricus van Binsfeld, Erfvoogd, aan den pastoor van
de St. Petruskerk te Aken het pastoraat van Roermond aan tegelijk met
de pastorie van Cranenburg. En blijkens een brief van 7 September
van datzelfde jaar roept een ander candidaat zijne begunstiging in.
De pastoor van Maeseyck, Joannes a Lapide, verzoekt den patroon
Wyric van Binsfeld, die familie is van den Heer de Bouchout, - zijnen
vroegeren beschermheer, - en doet tevens een beroep op hem, om aan
den Bisschop gepresenteerd te worden voor de vacante plaats in Roer-
mond. Het schijnt dat de eerste candidaat uit Aken, ondanks de voor-
keur die hij had, van het aanbod geen gebruik maakte. Want op 27 Sep-
tember 1614 werd Joannes a Lapide geïnstalleerd, en nam hij bezit van
de pastorie waar hij bleef tot 23 Juli 1634. En toch blijft het een

179
pastoir, want den pastoir aldaer sal moeten hebben een pastoreel huys,
eenen coster, competentie en misschijn noch eenen capellaen
„Dat door het assigneeren der huysen dewelcke souden hooren onder
de nieuwe pastorye groote dispuyten en tumulten connen vallen onder
de borgers.'
,Dat dese membreeringhe eenen grooten „origo litium" in het vervolgh
can couseeren onder de twee pastoirs wegens hunne gerechtigheden."
,Dat de kercke van het begijnhof eigentlyck maer is een capelle en te
kleyn voor een parochie kercke."
,Dat dese kercke soude connen dienen voor de Swartsusters, die geen
kercke en hebben en aen de gemeente wegens het oppassen der siecken
grooten dienst doen, en bij de kercke van het begijnhof van achteren
aenschieten." (Zie: Bijdrage over de Kloosters: Faliezusters).
Eindelijk, de laatste grond, waarmee pastoor van Daell besluit, moest
blijkbaar niet minder zwaar wegen, dan de andere. Het is een indirect
beroep op den leekenpatroon, van wiens weerstand de pastoor zeker
is en waarop alles zal afstuiten. - „En dat den patron diser pastorye
is eenen wereltschen, den welcken in dese membreeringhe niet en sal
toestemmen." (sic!)
Hadden patroon en pastoor reeds met elkaar gesproken?
Het raadsverslag dat hierop volgt, spreekt met geen woord van deze
zaak. (Zie Donderdagsche Protocollen, ao. 1774).
Pastoor van Daell noemt de begijnhofkapel te klein voor het doel.
Toch liet men die gedachte niet los; zij maakte indruk bij het Ordina-
riaat. Zoo bleef de oude parochie „één en ondeelbaar" en de vraag bleef
rusten totdat een volgende poging in het jaar 1782 gedaan werd, maar
nu op grooter schaal.

DE PAROCHIANEN.
Welke was de houding en het aandeel der parochianen zelf in dit
parochievraagstuk. Hebben de putbewoners van sommige wijken zich
ook ooit betuigd of hun invloed laten gelden bij de wereldlijke over-
heid, en de noodige stappen gedaan om een verdeeling of de oprichting
eener nieuwe vicarie door te drijven?
Dit zou niets ongewoons zijn; in dien tijd greep men méér naar dit
machtsmiddel. Het blijkt uit een brief van den gevolmachtigden mi-
nister in den Raad van het Hof van Gelder te Roermond, waarin ge-
zegd wordt dat de parochianen recht hebben in beroep te gaan bij den
wereldlijken rechter: „d'appeler au juge séculier”, in het geval dat de
Bisschop verklaard heeft, dat er geen noodzaak is om een nieuwe cure
of vicarie op te richten. De brief is van 1774.
Verder wordt nog verwezen naar een brief van 25 Maart 1755, getee-
kend „Charles de Lorraine“, waarin naast het recht van de Bisschop-
pen om over de noodzakelijkheid van een nieuw op te richten post van
zielzorger te oordeelen en hunne verklaring te geven, - erkend wordt
het recht der belanghebbende inwoners om te appelleeren van dit dio-
cesaan gericht op dat van den wereldlijken rechter. In dezen tijd moet

181
het getal der geloovigen, maar in casu ook den afstand van de Moeder-
kerk, die zoo ver lag.
Het contact zij van dien aard, dat de band met de doopkerk niet steeds
losser wordt, door een bijna uitsluitend bezoek van andere kerken. En
nu deed zich juist pijnlijk het gevolg voelen van de afgelegen plaats
der moederkerk van 1400.
De rapporteur van 1390 begon eenigszins gelijk te krijgen in 1780. Al
was zij dus „unica in oppido en sola necessaria in urbe," - gelet op het
aantal communicanten, - een moederkerk, moest om allen volmaakt te
bevredigen, wat méér centraal gelegen zijn, tenzij het Munster in het
middelpunt de taak overnam.
Zoo adviseerde ongeveer de bisschoppelijke commissaris circa 1400.
Maar toen had de Magistraat niet gewild en de marktbewoners wonnen
het pleit. De kwestie bleef van nu af aan de orde.
In 1774 afgelast door Pastoor van Daell werd ze opnieuw gesteld in
1782 door den nieuwen bisschop, den opvolger van Henricus Joannes
Kerens.

1782-1785-1793. PROVISIONEEL PLAN.
Een tweede eenigszins verbluffende ontdekking was het, toen ons, na
de eerste vondst in Dusseldorf gedaan, omtrent de kerk van 1400, een
teekening in handen viel, een goed uitgewerkt plan, dat te Brussel in
het Staatsarchief berustte, en dat als een losse bijlage was ingesloten
in het dossier der kloosterinventarisatie, (afd. Kartuizers) op last van
Josef II gedaan. Eenigszins verbluffend, want deze verrassende vondst
illustreerde weer even duidelijk de totale vergetelheid, waarin de ge-
schiedenis der Roermondsche parochie op een zoo belangrijk punt was
vervallen. Geheel onbekend was die teekening of kaart, welke in drie
kleuren het nauwkeurig grondplan bevatte der stad, en bestemd was
voor een nieuwe indeeling der gemeente in drie parochies. En dit plan
werd nog opgemaakt na of omstreeks 1785. - Bijlage, foto VI.
Wel was er te voren een plan tot splitsing geweest, en in den gemeente-
raad besproken. We kennen dat van October 1774 uit de verklaringen
van pastoor van Daell, maar als niet zoo rijp doordacht, en zeker niet
zoo ingrijpend als dit laatste ontwerp zich voordoet. De idee tot deze
drievoudige indeeling is vermoedelijk geopperd door bisschop Philippus
Damianus, Markies van Hoensbroeck, die schrander en voortvarend
genoeg was, om tot zulk een reorganisatie over te gaan. Zijn regeerings-
tijd viel van 1775-1793.
In 1774 had Pastoor van Daell de wenschen en pogingen uit den boezem
der gemeente en van den magistraat opgekomen, nog ver van zich
afgeworpen o.a. met een beroep op den voogd (+ 21 Aug. 1780).
Zijn opvolger Antonius van den Steenwegh trad in zijn voetspoor en in
zijn geest. Op 23 October 1782 richt bisschop Damianus van Hoens-
broeck een brief tot de meesteresse van het begijnhof, waarin haar kort
en klaar wordt aangekondigd het plan tot oprichting eener curaete
vicarie in de naaste toekomst. Zij zouden moeten plaats maken voor

183
TIJDENS EN NA DEN FRANSCHEN TIJD.
De parochie kwam onder het nieuwe bisdom Luik, van 1801 tot 1840.
Het aantal communicanten bleef gelijk het was, circa 5000.
De poging der „naoberschap“ van de Minderbroederskerk om dit ge-
bouw weer te doen openen voor den eeredienst en tot hun parochiekerk
in te richten, mislukte geheel. Zij doen dan een beroep op het keizer-
lijk decreet van 1807. In den smeekbrief volgt dan hunne wensch en
een verzoek: nml. „een derde kerk, als zijnde gunstiger gelegen, tot
eene annexe van de Moederkerk te verheffen." Zij adresseeren zich
daarom met een uitvoerige uiteenzetting tot den raad der stad. Het
verzoek ging naar koning Willem I, en was onderteekend met de namen
van 29 naburen. Tot groote teleurstelling van de Neerstraat, het Swart-
broek en de Beckerstraat werd afwijzend beschikt. De gemeente en
de pastoor hadden den gouverneur des konings, de Brouckère, intus-
schen voorgelicht met hun advies; men schrikte terug voor de onkos-
ten, die gemaakt moesten worden voor de gehavende Minderbroeders-
kerk - toen nog niet als een Rijksmonument erkend -; en tot het
onderhoud van een geestelijke waren de „naobers“ niet in staat. Het
plan was hiermee van de baan. En het bleef zooals het was: één kudde
en één herder.

KAPEL IN HET ZAND.
De gemeente trok zich ook het lot aan van de bewoners van het Ge-
broek, van „ingen Sande“ en van het Muckenbroek, de oude grafelijke
curia van vóór 1200, en van degenen die om den afstand de oude Moe-
derkerk niet licht konden bereiken. Daarom zette de Magistraat eene
kapel neer vlak aan de grens van de gemeente, niet ver van het oude
gericht de Galgenberg.
Van 1400 tot 1863 leidt de Kapel in het Zand, als bescheiden succursaal-
kerkje, geen zelfstandig bestaan, doch is geheel afhankelijk van de
Moederkerk, op wier grondbezit zij is gebouwd. Volgens van Krugten
was het grondbezit van den Voogd.
De bodem, waarop zij staat, maakt, als de uiterste hoek deel uit van het
vroegere „Vrouwenveldt“, dat zelf weer een stuk land is van het uit-
gestrekte Roermondsche Veld, den „ager publicus“ van de stad.
Over den eigenlijken oorsprong der eerste kapel ligt in zoover een
duister, dat men nog niet juist weet uit te maken, wat eerder bestond,
de kapel, en deze dan bedoeld als begraafkapel en hulpkapel met tijde-
lijke zielzorg voor de omliggende hoeven: Armenhof, Kloosterhof,
Thuserhof, Heistershof, enz. iets wat in de Middeleeuwen dikwijls het
geval was, - ofwel dat het later beroemde wonderbeeld de eerste
aanleiding tot de stichting is geworden? Uit het eenig bekende docu-
ment van 1418 blijkt positief, dat de kapel alleen om den omwonenden
het vervullen hunner godsdienstplichten te vergemakkelijken gebouwd
werd. Bovendien: het blijft in elk geval zéér vreemd, dat in de stich-
tingsbrief van 1418, met geen woord wordt melding gemaakt van het
wonderbeeld of van eenig Mariabeeld, noch door den Magistraat noch

185
Zoo blijkt verder, dat het verloop der Roermondsche parochiegeschie-
denis in kerkelijk en wereldlijk opzicht er eene is van zeer langzame
emancipatie. De oudste kern van een gemeente blijft - als ze niet
gehéél afsterft - eeuwenlang, en soms tot aan het slot der ontwik-
keling eenzaam als verslapen en verdroomd liggen, in zekere werk-
loosheid. Buteninop is stil als een graftombe. Maar dit proces van
decentraliseeren en uitgroeien in een andere richting is hier zoo traag
gegaan, dat ook nu nog de oude kerk, al is zij niet geisoleerd van het
stadsleven, stil in een uithoek bleef liggen. Het vernieuwde snelver-
keer langs de Maasbrug, die het Maasveer van den Voogd verving, heeft
in dit punt veel hersteld en aangevuld, wat vroeger ontbrak na den
aanleg van het station.
We kunnen in deze emancipatie van het oude Kerspel, welke nog niet
geheel tot de uiterste consequentie is doorgevoerd, dus minstens drie
stadia onderscheiden.
In deze drie stadia heeft de Katholieke gemeente gekend:

le. op de villa: de Eigenkerk van den Voogd, een dorpskerk, van Ro-
maansch bouwtype, misschien enkele malen vernieuwd of vergroot, dit
is de kerk van Inop, aanvankelijk misschien een vestingkerk, - in
castro - en binnen de immuniteit;
2e. de kerk van den graaf, het Munster van 1218, als tegenwicht, en
als eerste symbool van de vrijmaking, welke in 1232 tot stand kwam;
3e. de kerk der burgerij en der gilden; - een tweede emancipatie van
groote beteekenis. - En deze werd na 1660 in gemengd beheer genomen,
als kerk van den bisschop, de cathedrale of zetelkerk van Roermond.
Dit zijn de voornaamste data. Tusschen die perioden liggen wel veel
andere historische data van groote beteekenis voor het gemeente- en
parochieleven; maar die lieten toch de parochie in haar wezen, een en
onverdeeld voortbestaan, opdat de rechten van den investitus onver-
kort zouden blijven, evengoed als die van den Voogd, den oudsten
meester van het district.
Achtereenvolgens verrijzen op den bodem der parochie de andere kapel-
len: St. Jacob, St. Joris, H. Geest, H. Catharina, St. Cornelis, het Zand,
begijnhoven, kloosterkerken, Bethleëm, de Cluyse, Mariawee, Minder-
broeders, Hiëronymieten, Jezuieten. Zij verdwenen achtereenvolgens
van het tooneel zooals zij gekomen waren. Sint Christoffel behield het
terrein; op het Zand en het Veld kwam nieuw leven. Geen plan tot
verdeeling heeft ooit ingang kunnen vinden.

,Unica in oppido".
Unicus in civitate; het leek wel een oude, eerbiedwekkende profetie,
waarvan een nagalm is blijven hangen rondom den rijzigen toren!


187
orde overgenomen te hebben, en het verwondert ons dan ook geenszins
dat zij omstreeks 1217 het voornemen koesterde haar land te verlaten,
om elders in een klooster dier orde te treden, daar deze in het graaf-
schap nog geen enkel klooster bezat. Zoo staat Richardis voor ons als
een waarlijk heldhaftige vrouw die alles wilde verlaten, zelfs haar land,
om in een streng klooster haar leven aan God te offeren. Doch God
zelf had anders beschikt.
Richardis' zoon Gerard, die Otto in 1207 was opgevolgd in het bestuur
van Gelre, wilde op alle mogelijke wijze beletten dat zijn moeder het
land verliet, en zon op middelen, in het graafschap zelf een vrouwen-
klooster van de Cistercienserorde te stichten. In de stichtingsoorkonden
van de Munsterabdij geeft graaf Gerard een tamelijk heldere uiteen-
zetting van de uitvoering der plannen die hij ten opzichte van zijn
moeder had.
Aan de monding van de Roer bezat de graaf van Gelre een uitgestrekt
„praedium” of buitengoed. Welnu dit buitenverblijf met een kerk die
erbij hoorde, boerderijen en landerijen, vermaakte graaf Gerard aan
zijn moeder, opdat deze er een klooster van de door haar zoo beminde
orde zou stichten en alzoo niet gedwongen zou zijn om buiten het
land te gaan. Dit is de stichtingsgeschiedenis van het adellijk nonnen-
klooster van Roermond. Van waar echter Richardis, die dadelijk aan het
hoofd van het klooster staat, de zusters heeft ontboden die het convent
moesten stichten is niet bekend; toch meent men om gegronde redenen
te kunnen aannemen dat deze uit een Belgische abdij gekomen zijn.
In het jaar 1219 deed graaf Gerard persoonlijk de noodige stappen bij
het generaal kapittel om het klooster te Roermond in het juridisch ver-
band der orde te doen opnemen. Het bestuur der orde droeg de zaak
ten onderzoek aan de abten van Villers en Camp op, en reeds het vol-
gend jaar wordt het klooster „Monasterium Sanctae Mariae in Comi-
tatu Gelrensi" officieel in de orde opgenomen en korten tijd hierna
onder het visitatierecht van den abt van Camp geplaatst. Richardis is
al zeer spoedig de titel van abdis toegekend. Den eersten October 1220
werden de voorloopige kerk en het klooster door den bisschop van Luik
ingewijd en in 1224 toen de tegenwoordige Munsterkerk voor een groot
gedeelte voltooid was, door Engelbertus, aartsbisschop van Keulen en
familielid van Richardis, plechtig geconsacreerd. Nu alles zoover gere-
geld was, kon zich in de jonge abdij het Cistercienserleven normaal
gaan ontwikkelen.
Om den lezer een saaie opsomming te besparen van acten en char-
ters om het religieuze leven in de Munsterabdij te belichten, geven
we liever een beschrijving van het Cistercienser leven zooals het objec-
tief in de voorschriften van de orde voor ons ligt, en waarvoor genoeg
bewijzen aanwezig zijn dat ze gedurende de allergrootste periode in
de Roermondsche abdij onderhouden werden. Dit is te meer interes-
sant, daar zoodoende de tegenwoordige Roermondenaar zich een beeld
kan vormen van het nijvere en devote leven dier adellijke monialen.
De adellijke joffers dan onzer abdij dienden God volgens een strengen
regel en stonden onder de geestelijke leiding van een strengen vader;

189
aan het vergaderd convent. Hieruit kan men afleiden, dat zoolang de
abtvisitator een man was van diepe religieuze overtuiging, zoolang ook
een verslapping van de regeltucht in het dochterhuis zoo goed als
buitengesloten was. We kunnen dan ook constateeren dat, vermits
Camp gedurende verschillende eeuwen een zoowel geestelijk als tijde-
lijk bloeiende abdij was, dit ook in Roermond het geval was en hier
niet eerder een hervorming noodzakelijk geacht werd, dan tegen het
midden der 17de eeuw, toen ook Camp een goed deel van zijn glorie
verloren had. De abt van Camp zond ook steeds enkele zijner monniken
tot biechtvaders en geestelijken naar de Munsterabdij.
Men zal zich misschien al eens de vraag gesteld hebben wat wel voor
de zusters der Munsterabdij de bron van inkomsten moge geweest zijn.
Vooreerst moest elke candidate voor het klooster een zoogenaamde
,dos” of bruidschat bij haar intrede aan de abdij vermaken, en deze
zal voor onze zusters niet gering zijn geweest als men bedenkt dat
slechts dochters van den hoogsten adel in de abdij van Roermond haar
intrede mochten doen. Verder bezat de abdij al vanaf haar stichting,
door schenking van graaf Gerard een groot aantal landerijen, die door
de leekebroeders der abdij bewerkt werden. Daarbij had de abdis het
recht van „tienden” in vele der Roermond omliggende plaatsjes en
bezat zij het patronaatsrecht van een groot aantal parochies in het
graafschap. Overigens werden alle mogelijke ambten binnen de muren
des kloosters beoefend door eigen volk. Ik vond vermeld 'n „frater
calcearius" (broeder schoenmaker), „frater sartor" (broeder kleerma-
ker), 'n „pistrinus” (broeder bakker) enz. Dit alles wijst op een bloeiend
economisch leven in de abdij.
In de Cistercienserorde verdeelde men het jaar, in navolging van oude
monastieke gebruiken, in twee groote deelen; van Paschen tot 14 Sep-
tember en van dezen laatsten datum tot Paschen. Was de eerste de tijd
waarin men geen bepaalde vasten onderhield, de tweede was de tijd
van de groote religieuze vasten. In deze twee groote perioden verliep
het religieuze leven der adellijke nonnen der Munsterabdij.
Indien we hier het kloosterleven der Munsterabdij uiteenzetten, moet
men goed in het oog houden dat in elk klooster perioden voorkomen,
waarin men zich niet zoo zeer hield aan de oorspronkelijke strengheid
van den regel. Gewoonlijk neemt men aan dat vanaf de stichting tot
o. g. den overgang van de 15e tot de 16e eeuw het tijdperk van den
algeheelen bloei was. Daarna is de discipline in voortdurende schomme-
ling, om gedurende de 17e eeuw grootendeels in verval te geraken.
Ten andere vallen echter in deze eeuw ook de meeste hervormingen
der kloosters. Ik meen dit alles ook voor de Munsterabdij te kunnen
aannemen. Wat wij hier dus beschrijven zijn feiten en toestanden uit
de eerste 3 eeuwen van het bestaan des kloosters; in later eeuwen is
wel het kloosterleven als zoodanig hetzelfde gebleven, doch de gestreng-
heden en onthoudingen zijn niet meer zoo veelvuldig en groot als
voorheen.
Men moet het religieus enthousiasme kennen dat de vrome middel-
eeuwers bezielde en ten andere de geestelijke vreugde voelen die de

191
Een andere zeer geliefde taak dier vrouwenkloosters was de op-
voeding der vrouwelijke jeugd, waar zich de religieuzen met alle toe-
wijding aan overgaven. In de adellijke kloosters vond men zoodoende
de keur der meest hoogstaande families van het land, die onder de
wijze leiding der monialen onderwezen werd in alle takken van vrouwe-
lijke bezigheden, die zij later als burchtvrouwen moesten verstaan. Ook
te Roermond vinden wij dezen schoonen arbeid door de zusters
beoefend.
In de uren voor den middag werd ook nog elken dag een plechtige
hoogmis gecelebreerd, voorafgegaan en gevolgd door de tertiën en
sexten. Omstreeks twaalf uur gebruikten de zusters gezamenlijk het
middagmaal in den grooten refter. De maaltijden waren steeds frugaal,
d.w.z. men hield zich aan de voorschriften van den regel, die het ge-
bruik van vleesch aan alle gezonden verbiedt. Het gebruik van visch
en eieren was toegestaan, doch hiervan werd vooral in het begin een
spaarzaam gebruik gemaakt. In nauw verband hiermede staat de in het
necrologium zoo dikwijls voorkomende uitdrukking: „in pitantia" of
„de qua habemus portionem". Een eigenaardigheid in de middeleeuw-
sche kloosters was immers, dat de maaltijden der kloosterlingen bijna
steeds schenkingen waren. Menigeen deed, na het sterfgeval van een zij-
ner naastbestaanden in de kloosters gebeden verrichten, waarvoor dan
een bepaalde som gelds of een jaarlijksche schenking in naturalia ge-
stort werd, waarvan den religieuzen dan op een bepaalden dag in het
jaar een maaltijd met eieren of visch en wijn gegeven moest worden.
Daarvandaan ook dat deze „Pitantia” nauwkeurig in de calendaria
der kloosters werd opgeteekend. Toch ziet men uit dit alles dat de
maaltijden der joffers van de Munsterabdij niet al te weelderig wa-
ren. Eerst in het laatst der 15de eeuw schijnt men op sommige dagen
vleesch gebruikt te hebben.
In den middag omstreeks twee uur bad men nog de nonen, waarna
weer enkele uren aan de verschillende werkzaamheden besteed werden.
En bij het vallen van den avond kwam weer de heele kloostergemeente
in de kerk bijeen om er plechtig de avondgetijden of vespers te zingen.
In den vollen avond zullen nog de completen gebeden worden en dan
op het laatste oogenblik van den dag, als weer de donkerte de abdijkerk
vult, worden voor het beeld van O. L. Vrouw enkele lampen ontstoken
en het geheele koor der Godgewijde maagden jubelt het „Salve Regina“,
als om de „Abdis van Cistercië“, zooals de H. Maagd naief in de orde
genoemd werd, den laatsten avondgroet te brengen.
Korten tijd hierna heerschte in de abdij diepe stilte en genoten de
zusters welverdiende nachtrust, om den volgenden dag weer haar
zegenrijke taak van gebedsoffer te kunnen brengen.
Dit was in groote trekken het leven der adellijke zusters van onze stad.
Geen lezer zal er aan twijfelen of een dergelijk leven moet van grooten
invloed zijn geweest ook op de de abdij omwonenden.

Na deze bestudeering der innerlijke structuur, zullen wij even onze aan-
dacht schenken aan uitbreiding en invloed van het adellijk stift. Reeds

193
van 24 marken gouds afstond aan den Rector van het altaar der zestien
heiligen „inder kircken sent Marien greden“. Op het einde der veer-
tiende en in het begin der vijftiende eeuw komt de Abdij nog in het
bezit van verschillende goederen gelegen in de omstreken van Roer-
mond. Ook in de stad zelf ontwikkelt de Abdij zich zeer sterk. Wij
lezen dat in 1380 de magistraat van Roermond aan het convent van de
Cistercienser Orde aldaar alle rechten afstaat die hij bezit „op der alder
Roeren, van onsen dyck nederwaert van Hennen Gruyssen tune bis
aen den voerwech van des Cloesters ham."
Bij belangrijke werken wordt veelal de hulp der Abdij ingeroepen, en
deze is steeds gaarne bereid deze hulp te verleenen voor maatschap-
pelijke doeleinden. Zoo o.a. voor den bouw en het onderhoud van de
brug te „Leyverloe”. In 1415 verklaart de magistraat van Roermond
dat de Abdis en het convent van O. L. Vrouw aldaar „uit sunderlinghe
vrintscapp" hem toegelaten hadden om „die eerde te graven ende te
nemen aen haeren acker, die geheiten is der Molenberch", ten einde
„,onsen dijck tusschen der Masen ende den Hamme dairmede te maken
ende te hoghen". In 1416 werd door het Cistercienser Convent een
bijdrage verleend ter versterking van den kerktoren van Maasniel „die
nedergaen wolde" en zulks geschiedde naar het getuigenis der over-
heden van het kerspel alleen uit gunst en niet uit verplichting. In 1421
schonk de Abdis en het Cistercienser Convent van Roermond een
zekere hoeveelheid hout tot het voltooien van den kerktoren van Echt.
Onschatbare diensten heeft de Abdij aan onze stad bewezen door
leniging van maatschappelijken nood en ellende. Moest elke aan de
poort kloppende arme al volgens de kloostervoorschriften als Christus
zelf ontvangen worden en werden dientengevolge dagelijks een groote
menigte armen aan de kloosterpoort verzorgd, op sommige tijden en
dagen nochtans ontvingen de stadsarmen op speciale wijze onder-
steuning: alle Maandagen werden door de zusterportierster tien por-
tiën van vijf pond en tien portiën bier elk van vijf potten aan de armen
verdeeld. Bij de verkiezing eener nieuwe Abdis schonk deze steeds
de voor dien tijd niet onbelangrijke som van vijftig gulden aan de
stadsarmen. Dikwijls ook belegde men een vaste som gelds die moest
dienen tot ondersteuning der behoeftigen.
Moge uit dit alles blijken de zeer groote invloed der Munsterabdij
op het economisch en maatschappelijk leven, op godsdienstiggeschied-
kundig gebied was deze wellicht nog grooter.
Vele kerken van het bisdom waren afhankelijk van de Abdij doordat
deze er het patronaatsrecht over uitoefende. Hiertoe behoorden reeds
vóór het einde der dertiende eeuw: Venray (1220), Gelder (Nieuwkerk
en Aldekerk), Wetten (1221), Echt, Herten (1246) en Roermond zelf.
In 1272 stelde de Abdis en het convent als bezittende het patronaats-
recht der St. Christoffel aldaar, Daniel, priester te Herten, voor, om
tot pastoor van genoemde kerk te worden benoemd. In 1298 werd op
voordracht van de Abdis en het convent te Roermond, Godefridus,
deken der kerk van O. L. Vrouw te Aken, tot pastoor van de parochie-
kerk van Roermond benoemd.

195
treurd hebben toen op 31 Mei 1665 een gedeelte der stad afbrandde
en ook het geliefde Munster een prooi der vlammen werd:
     ..... elf hondert huysen
     Met negen Kercken, en daer by
     Vyf Kloosters,'t Noenhoff een Abdy .....
Een groot deel der Abdijgebouwen werd door den brand vernietigd,
waardoor het klooster veel aan invloed en macht moest inboeten.
De verdere geschiedenis verhaalt ons van: legerinkwartiering in de
Abdij, van onaangenaamheden met 's lands bestuur daarover en over
immuniteiten op ander gebied, van oneenigheden in het klooster, van
meeningsverschil met de geestelijkheid, enz. enz. alles teekenen van
een, althans voor het inwendige, kwijnend bestaan. Van den ouden
roem is niet veel meer te bespeuren!
Toen op het einde der 18de eeuw de Fransche troepen Roermond
binnentrokken, om alles omver te werpen wat maar eenigszins op
ancien régime geleek, voelden de kloosterlingen zich niet langer veilig
binnen de muren van Roermond, en we zien haar dan ook begin
Juli 1794 de stad verlaten. Maar nog niet had het laatste uur voor het
oude Munster geslagen. In Juni 1795 kwamen de Abdis en de Zusters
terug en betrekken zij haar oude woonplaats. Er moet in dat jaar een
verschrikkelijk gebrek aan levensmiddelen zijn geweest, en een oude
kroniek der stad teekent aan dat de burgers en de armen zooals voor-
heen weer tot de Abdij hun toevlucht namen, waar de Abdis dan ook,
voor zoover het haar mogelijk was, den nood der burgers lenigde. Doch
niets kon het klooster meer van een zekeren ondergang redden. Den
18 September 1796 werd ook hier de Fransche wet gepromulgeerd, die
alle kloosters en geloften als strijdig met de vrijheid verbood. In Januari
van het volgende jaar al komen drie Fransche commissarissen in de
Abdij, en melden de zusters de aanstaande opheffing van het klooster.
En 17 Februari 1797 was het noodlottige tijdstip aangebroken, waarop
de laatste telgen van de glorieuze Abdij in den naam der vrijheid haar
oud en trouw klooster moesten verlaten - een pijnlijk en obscuur ein-
de van een grootsch bestaan. - De religieuzen zijn teruggekeerd naar
haar ouderlijke woningen, terwijl de Hooggeboren Vrouwe Abdis Maria
Josepha de Broick haar laatste dagen in de stad Roermond zelf heeft
gesleten, en begraven is te Herten, plaats waar het Munster een zoo
belangrijken invloed heeft gehad sinds eeuwen her.

HET BEGIJNHOF.
Roermond zou geen stad zijn met een in de middeleeuwen wortelende
geschiedenis, als het geen begijnhof had gekend. De annalen der stad
verhalen dan ook, dat meester Daniel pastoor der parochiale kerk in
het jaar 1279 aan de begijnen, die verstrooid onder het gebied van zijn
parochie woonden, toestond zich op eene plaats buiten de stad nabij
de St. Nicolaaskapel te vereenigen, aldaar een kerk en woningen te
bouwen en een afzonderlijk kerkhof aan te leggen. Tusschen de jaren

197
broeders is gefundeerd op een algeheel vertrouwen op de Goddelijke
Voorzienigheid; zij weigeren vaste inkomsten en elk bezit; zelfs de
huizen, die zij bewonen zijn niet hun eigendom en verreweg het groot-
ste deel van hun levensonderhoud bestaat in de gaven, die zij op hun
„termijn” van de menschen ontvangen als loon van hun arbeid of als
aalmoes. De arbeid waartoe elk Minderbroeder is bestemd, is, zooals
trouwens bij elke religieuze orde, op de eerste plaats de zelfheiliging,
waarbij dan als een karakteristiek middel dienst doet een zoo volledig
mogelijke onthechting van het aardsche, in eenvoud en blijheid. Boven-
dien behoort echter tot de taak der Minderbroeders elk apostolisch
werk, waarbij het heil der zielen kan gebaat zijn. Uit deze beschouwing
blijkt al dadelijk, dat er tusschen Minderbroeders en bevolking een
innige verhouding bestaan moet, een verhouding van wederzijdsche
hulpvaardigheid, van sympathie en vertrouwensvollen omgang en zoo is
het te verklaren dat ook thans nog de Minderbroeders Roermond,
nadat zij deze stad reeds meer dan een eeuw geleden - door geweld
van buiten, niet door den wil des volks - moesten verlaten, beschou-
wen als een eigen stad, waarin zij zich thuis voelen, en is het heel
natuurlijk, dat zij hier bij voortduring van elke overheid en van heel
het volk dezelfde genegenheid ondervinden als door de eeuwen. De
aloude Minderbroederskerk - thans Ned. Hervormde kerk - staat
nog altijd als een monument van den ouden niet verbroken band.

Over de stichting en den stichtingstijd van het Minderbroederskloos-
ter te Roermond bestaat meeningsverschil. Sommige schrijvers nemen
n.l. twee verschillende stichtingen aan: een vroegere, die weer te niet
ging, en een latere in 1308, die bestaan bleef tot den Franschen tijd.
In ieder geval staat vast dat in 1308 de minderbroeders zich voor
goed vestigden aan de tegenwoordige Minderbroedersstraat. Het offi-
cieel getuigenis daarvan is de omzendbrief van den Keulschen provin-
ciaal Gerardus de Pomerio van 20 Februari 1308, (volgens Keulschen
stijl 1307). In dezen brief wordt medegedeeld, dat graaf Reinald van
Gelder had aangedrongen op de stichting van een minderbroeders-
klooster te Roermond. De provinciaal had daarom broeders uit alle
custodieën naar Keulen ontboden, om met hen te overleggen en de ter-
mijngrenzen te bepalen voor het geval dat de stichting werd aangeno-
men. Hierbij is het de vermelding wel waard, dat uit het Keulsche
hoofdklooster o.a. tegenwoordig was Fr. Joannes, Lector, met wien nie-
mand anders kan bedoeld zijn dan de beroemde doctor subtilis van de
minderbroedersorde de Z. Duns Scotus.
Deze korte woorden over de stichting. Moeilijker wordt het in een
paar woorden opvallende gebeurtenissen te noemen welke in staat zijn
haar beteekenis voor Roermond door de eeuwen te illustreeren. Ver-
richten de kloosterlingen hun taak volgens den eigen regel, en leven
zij volgens den geest van hun stichter, dan zal men immers over het
algemeen maar heel weinig feiten zien opgeteekend. Stof om de onder-
linge verhouding te schetsen tusschen klooster en stadsbestuur, kloos-
terlingen en bevolking zou de oplossing van .... voorkomende mee-

199
Overkwartier op 19 Mei 1664 den eersten steen legden van het op te
richten gebouw tot uitbreiding van het klooster.
In de verschillende kerken der Stad verleenden de paters assistentie
en deden zij speciaal „op de hoogtijden sermoen”
P. Reinerus a Lintris stierf in 1572 den marteldood.
P. Bernard Surius schreef het wereldbekende boek van „den God-
vrughtighen Pelgrim ofte Jeruzalemsche Reyse" dat herhaaldelijk her-
drukt en vertaald is. De eerste uitgave is van 1650, de laatste van 1789.
18 Mei 1647 werd pater Surius door Roermonds burgerij feestelijk
ingehaald terugkomend van het H. Land, waarheen hij 15 April 1644
was afgereisd
Dat de Minderbroeders ook op wetenschappelijk terrein werkzaam
waren bewijst verder een rij van theologische theses, die in de jaren
1683-1781 niet alleen in het klooster, maar ook in de kerk werden
verdedigd, waar behalve de Minderbroeders ook anderen niet onwaar-
schijnlijk de lessen volgden.
Ten slotte een herinnering aan P. Gulielmus van Ham, 16 December
1800 en P. Petrus Wouters 8 Mei 1805, te Roermond overleden.
Nadat zij met andere geestelijken in 1798 gevankelijk waren wegge-
voerd, schijnen zij na herkrijging van hun vrijheid in Roermond te
zijn teruggekeerd, om daar hun werkzaamheden te hervatten. Van een
nieuwe kloosterstichting is echter geen sprake meer. Wel wendde men
in 1818 pogingen aan de kerk weer geopend te krijgen, maar tevergeefs.
De Minderbroeders zouden te Roermond niet meer terugkeeren, al
was daar nog eenmaal sprake van namelijk in 1904, toen Dr. Cuypers
een oogenblik daarin het eenige middel tot behoud der monumentale
kerk meende te zien.

TERTIARISSENKLOOSTERS.
„'t Is ongelooflijk - aldus Paus Leo XIII in zijn encycliek Auspicato
- met welk een zielsdrift en vervoering bijna de menigte tot Franciscus
getrokken werd. Men volgde hem in dichte scharen, werwaarts hij
heenging en niet zelden smeekten hem uit steden, uit volkrijke plaat-
sen alle burgers zonder onderscheid, dat hij hen plechtig onder zijn
regel zou opnemen. Daardoor is de Heilige er toe gebracht het genoot-
schap van de Derde Orde in te stellen, dat elken stand van menschen,
elken leeftijd, beiderlei geslacht moest opnemen, zonder de banden
van het gezin en van de huiselijke zaken te verbreken."
Deze orde is de z.g. wereldlijke Derde Orde, waarvan er ook te Roer-
mond vereenigingen bestaan in het Groot-Seminarie, de Bisschoppe-
lijke Kweekschool, in de Munsterkerk en in de kerk van het H. Hart.
Uit deze door Sint Franciscus gestichte wereldlijke Derde Orde groeide
een kloosterlijk samenleven van Broeders en Zusters, die denzelfden
regel bleven volgen; ontstaan er uit zijn die talrijke congregatiën van
Broeders Franciscanen en Zusters Franciscanessen, die ook in onzen
tijd op gebied van onderwijs en elke soort van charitatief werk zoo
vruchtbaar arbeidzaam zijn. Het is ook uit deze door Sint Franciscus

201
In 1483 werd de zusters toegestaan tot meerdere veiligheid het klooster
over te brengen binnen de stad „op den Dryesch bij den Striecke“. Het
klooster werd opgeheven in 1784, nadat het meer dan 400 jaar bestaan
had en de religieuzen door het voorbeeld van een heilig leven velen
hadden gesticht.
De Zusters gaven - zooals vermeld staat - onderwijs aan de meisjes
van de stad „in den godsdienst en in alles wat dit geslacht past". In
de kerk van deze kloosterlingen werd op 17 Januari bijzonder gevierd
het feest van den H. Antonius Abt.
Aan het nieuwe klooster herinneren de namen Godsweerderstraat,
(straat waaraan het klooster grensde) en Godsweerdersingel.

HET KAPITTEL VAN DEN H. GEEST.

Dit kapittel van seculiere kanunniken had zich in 858 uit Utrecht te
Odiliënberg gevestigd. In 1361 kwamen deze kanunniken die toenmaals
in Berg aan geweld, afpersingen en knevelarijen waren blootgesteld
naar Roermond alwaar de Magistraat hun de kapel van den H. Geest
afstond, welke daarna tot kollegiale kerk werd verheven. In 1561, bij
de oprichting van het Bisdom Roermond, werd het kapittel tot een
diocesaan kapittel verheven.

DE KARTUIZERS.

Het Seminarie aan de Swalmerstraat ingaande valt iemands blik on-
willekeurig op het schoon gebrandschilderd venster met de beelden
van een Kartuizermonnik en een ridder uit de middeleeuwen. De eene
is Dionisius de Kartuizer, de andere Werner van Swalmen. „Wer-
nerus de Swalmen domum fundavit" luidt het onderschrift.
Na zijn terugkomst van eene naar het H. Land ondernomen reis bouw-
de deze van edelmoedigheid en levendigen godsdienstzin vervulde
edelman op zijn eigendom bij de Steeg een kapel en een hospitaal en
schonk daaraan de tienden die hij bezat te Posterholt voor het onder-
houd van den rector en den hospitalarius. De kapel noemde hij Bethle-
hem ter herinnering aan die welke hij in het H. Land had gezien.
Vervolgens bouwden Werner en zijne huisvrouw Bertha van Geilen-
kirchen en zijn broeder Robinus van Swalmen, kanunnik bij het Sint
Servatiusstift te Maastricht, daar een klooster bij voor kloosterlingen
van de orde van den H. Bruno, kartuizers genaamd, naar de plaats
der stichting n.l. Chartreux, in het latijn Cartusia, bij Grenoble. Dat
klooster begiftigden zij bij diploma van 25 Juli 1376 met goederen,
voldoende voor het onderhoud van een prior en twaalf monniken.
Deze goederen, welke jaarlijks 500 goudgulden opbrachten, werden
door de vorsten van Gelderland en in het bijzonder door de hertogen
Reinald en Arnold aanmerkelijk vermeerderd.
Bij beide stadsbranden ging dit klooster in de vlammen op en het had
te lijden van den beeldenstorm.

203
DE DOMINICANESSEN.

Dit waren Begijnen van den derden regel van St. Dominicus. Zij woon-
den aanvankelijk buiten de Opperpoort ter plaatse genaamd Meulen-
bergh, waar de Roer in de Maas stroomt, in eenige „schamele wonin-
gen". Dit begijnhof is gesticht door Godard van Vlodrop, voogd van
Roermond, en bevestigd door Maria Gravin van Gelder en Zutphen bij
diploma van 1401 Sint Petersdag. De geestelijke leiding had aanvan-
kelijk de pastoor van Roermond, sedert 1482 de dominicanen prior
van Aken en sedert 1498 die van Maastricht.
Door een overstrooming van Maas en Roer in 1530 werden de wonin-
gen weggespoeld en vluchtten de Zusters in de stad waar de Magis-
traat ze onder drang van hoogerhand toeliet. Zij bouwden zich een
klooster aan de Veldstraat waarvan de kerk in 1537 werd gewijd ter
eere o.a. van „Mariawee“, de zeven smarten van Maria, tengevolge
waarvan het klooster den naam Mariawee kreeg en de zusters ook
„Smertezusters“ heetten. In 1599 ruilden de zusters het klooster voor
dat van St. Theobald aan de Zwartbroekstraat waar de Beggaarden
waren gevestigd geweest. Het klooster aan de Veldstraat werd bestemd
tot Seminarie.
In 1647 werden de zusters toegelaten tot den tweeden regel der orde.
Het klooster werd in 1783 opgeheven.

DE KRUISHEEREN.
De orde van het H. Kruis in 1211 te Huy door den Zaligen Theodorus
de Cellis gesticht, verkreeg ruim twee eeuwen later een klooster in
Roermond.
Twaalf burgers dezer stad stichtten in 1409 een Broederschap van den
H. Paus en Martelaar Cornelius, en bouwden, met behulp van den
stadsraad, te zijner eere een kapel. Toen ze aan deze kapel een klooster
wilden verbinden, vonden ze in Jan van Merode, Prior van het Kruis-
heerenklooster te Venlo, een ijverigen steun. Met machtiging van Paus
Mart. V en toestemming van Matth. Peuten, Pastoor van Roermond,
werd de kapel in 1422 door Joannes a Lapide, Deken van St. Servaas te
Maastricht, aan de Kruisheeren overgedragen. Onder Nic. Lencken
(Lentgen) den eersten Prior, betrokken ze het klooster, dat aan de
Maasnielsche poort, uit aalmoezen werd gebouwd.
Aanvankelijk gekleed in zwarten lijfrok, grauw scapulier en grooten
zwarten mantel met kap, droegen de Kruisheeren, ná de verordening
van Paus Clemens VIII een wit habijt, zwart scapulier, met roodwit
borstkruis en kleinen zwarten schoudermantel. Op Zaterdag en Zondag
kwamen vele geloovigen naar het klooster biechten, terwijl de sup-
prior vele jaren, tot kort voor de opheffing van 't klooster, belast was
met de zielzorg voor 't garnizoen. Ook een deel der ziekenzorg was
den kloosterlingen toevertrouwd, bijzonder de dienst in het Hospitaal
der Swartzusters (Broodbongerd), 't eenige klooster zonder eigen kapel
en gelegen in de nabijheid der Kruisheeren. Gedurende de Vasten

205
's menschen keuze, noch louter toeval, doch veeleer hoogere bestem-
ming voor dit liefdewerk schijnt te hebben aangewezen. De plek gronds
toch, waarop wij ons hier bevinden, is een gewijde plek. Zij was in
vroeger eeuwen de stille rustplaats van zoovele heilige mannen, die in
den dienst des Heeren, van uit het destijds hierbij gelegen klooster,
hun weldoenden invloed over gansch Roermond deden gevoelen. Hun
gebeente*) rust thans in de schaduw van het heiligdom van O. L. Vr.
in het Zand en op hun vorig graf is als ware uit hunne assche dit
gebouw der liefde verrezen, van waaruit, hun geestelijk voorbeeld na-
strevend, leekenvereenigingen hunne weldaden zullen verspreiden."

HET KLOOSTER VAN DEN H. HIERONYMUS.
Bij testament van 18 December 1438 stichtte Jan van Leuven burger en
inboorling van Roermond in de Lombardstraat ter plaatse waar de
R.H.B.S. is gevestigd het klooster van den H. Hieronymus, een klooster
van reguliere kanunniken uit de Congregatie van Windesheim en daar-
enboven een College genaamd het „Roermondsche Huis” te Keulen
voor acht studenten, zes uit Roermond en twee uit Erpel bij Keulen.
Tot uitbreiding hunner woning (het huis de Lombard met belendenden
eigendom was eng en klein) kochten de kanunniken een tiental nabu-
rige huizen aan. De eerste steen werd gelegd in 1438 en de laatste ge-
bouwen werden voltooid in 1466.
De stichter overleed te Keulen 23 December 1438 en is in het koor der
Kartuizerskerk begraven.
Het klooster ging te niet na een bestaan van omtrent 120 jaren. De
gebouwen werden in 1554 door brand vernield en waren nog niet geheel
hersteld, toen bisschop Lindanus er in trok en ze in een bisschoppelijk
paleis werden herschapen.

BROODBOOMGAARD.
Dezen naam hoort men nog noemen ter aanduiding van de plaats waar
vroeger aan de Schoolstraat een kloostertje van zusters, die zich aan
ziekenverpleging wijdden, is gevestigd geweest. Godsboomgaard is
anders de meer officieele naam. Broetsusteren zooals de zusters ge-
noemd worden zal wel met cerstgenoemden naam verband houden.
Het ontstaan is te danken aan een tweetal jonge dochters, die haar
leven met het verzorgen van zieken doorbrachten. In het jaar MCCCC
mo LXII des donredaegs nae Sint Galeyndagh Confessoris worden
deze zusters door den Magistraat erkend en toegelaten „tot seven
personen tue ind niet meer", zulks nadat hij ze eerst had verstooten,
omdat zij „buyten consent en de wille des pastoirs en de stadt eyne
orden**) aangenoemen en dair ijnne getreden zijn".
In 1605 waren de zusters op eene na uitgestorven en werd met de
*) Dit gebeente werd bij de ontgraving van de fundamenten gevonden en door de zorg der Vincentiusvereeniging naar het R. K. kerkhof overgebracht. **) Van den H. Augustinus.

207
Het eerste klooster was dat van San Damiano buiten de muren van
Assisië. Franciscus schreef voor de zusters een zeer korte leefwijze.
Door handenarbeid voorzagen zij in haar onderhoud, en leden zij ge-
brek, dan bedelden de Minderbroeders voor haar het noodige.
Op verzoek van P. Arnoldus ab Ischa, den toenmaligen Provinciaal
der Minderbroeders, gaven Raad en Schepenen 4 Juni 1614 hun toe-
stemming tot het stichten van een Clarissenklooster, nochtans „onder
expresse conditie, dat nu noch in toecomende tijden in denselven
cloisterken buyten onsen oft onser naecomelinge consent ende wille
boven seventhien persoenen, te weten derthien ingesloeten Jouffr.
ende vier buytensusteren en sullen sijn oft aengenoemen werden mo-
gen, daar mit die borgerie deser stadt niet te seer belast werden."
Op 16 Juni arriveerden eenige Clarissen uit Brussel onder geleide
van Catharina Munters, eerste abdis.
Aanvankelijk woonden zij in particuliere woningen of bij de Domi-
nicanessen in Mariawee tot het klooster in de Neerstraat door de
goede zorgen van Gilles van Elshout, hoofd van de Geldersche Reken-
kamer, voltooid was.
Op 31 Mei 1665 werd ook het Clarissenklooster door het vuur ver-
nietigd.
De zusters verdeelden zich toen bijna allen over de Clarissenkloosters
van Brussel, Antwerpen, Mechelen en Leuven. Het volgend jaar, toen
de brandschade hersteld was, keerden zij terug. Geheel verstorven
en aan Gode toegewijd, door de burgerij ondersteund en bemind, leef-
den zij verder in ongestoorde zielevrede, totdat de kloostergebouwen
- door het besluit van Jozef II - in 1786 publiek werden verkocht.
Toch zou Roermond nog eens de Clarissen terugzien, waarover later.
Dit klooster lag aan de Oostzijde van de Neerstraat, ongeveer in het
midden tusschen de Pelser- en de Paredisstraat.

DE URSULINEN.
Het klooster der Ursulinen te Luik stuurde in 1644 vijf harer medeleden
naar Sittard om aldaar een nieuw klooster te stichten. Dezen verlieten
echter weldra die stad om zich te Roermond te vestigen alwaar zij
op 12 Augustus 1646 haar nieuw klooster aan de Steegstraat betrokken.
De toelating door den Magistraat dateert van 11 Mei 1646 en staat
ten name van Soeur Agnes de la Nativité. gnt Bosman superieure der
religieusen Ursulinen binnen Sittardt. Zij zouden er volgens overeen-
komst met het stadsbestuur vijf verscheiden scholen houden. De leer-
lingen zouden er leeren: „lesen ende schrijven neerduyts ende latijn
en spreecken francoys. Item naeyen, spellewercken, bordueren, steken
etc. Item singhen, musiek, spelen op de luyt, clavesinghel, op de viole,
op de spinette etc. Item worden se onderwesen in de Christelijke lee-
ringhe, maniere van bidden, bichten ende communiceeren ende hoe
sy hen met haere ouders ende vrienden moeten comporteeren, onder-
houdende daartoe bequaeme maniere eenighelijck naar sijnen staet."
„De tafelieren” zoo luidt het verder, „die bij haer woonen betaelen

209
is de stichting van deze Franciscaansche Derde-Orde-Zusters te Roer-
mond begonnen.
De aanleiding tot deze stichting is geweest de brand van 1665 welke
ook de kerk van den H. Geest vernietigde. En „dese kercke aldus
afghebrandt synde soo hebben de Eerw. heeren Bisschop en de cano-
nicken goedt ghevonden te veranderen van Residentie ende syn ge-
trocken in de parochiekercke van den H. Christophorus wesende de
hooftkercke van de stadt". Verschillende kloosterorden wenschten
nu op de plaats van de vroegere kerk een klooster met tempel te bou-
wen. Maar ten slotte werd op voorstel van „Joannes Albertus van de
Winckel Opper-Cancelier van den Ed. en Souvereynen Raede van
Gelderlandt" voorgesteld de afgebrande kerk met bijgelegen terrein
af te staan aan de Religieuzen Penitenten Recollectinen „de welcke
door bidden van almoessen oft anderssins niet en souden wesen tot
eenighen last aan de stadt, maar contrarie aen de selve dienstigh door
het leeren der jonckheyt enz." Onder de conditien, waaronder den
Poenitenten werd toegestaan zich te Roermond te vestigen waren o.m.
deze: dat het klooster ten hoogste 24 religieuzen mocht hebben en dat
„daerinne de Ruremontsche kinderen bequaem synde voor andere
sullen worden geprefereert"; verder ook tegen welke onkosten zij „de
Ruremontsche kinderen bequaem synde ende goeden yver hebbende,
om sich in hunne order te begeven, gehalden sullen sijn aen te nemen".
Verder waren zij verplicht te zorgen dat „tenminste alle daeghen twee
missen, ende alle son- en heylighdaegen, een singende hoogmisse
tot dienst en gerief der gemeinten deser stadt" zouden gecelebreerd
worden.
Einde Augustus 1666 werden de 7 eerste religieuzen voor deze nieuwe
stichting aangewezen. De overste zelf van Stockhem, Moeder Elisa-
beth de St. Didace, werd overste van het huis te Roermond. Met haar
kwamen o.a. mede „Zr. Maria Bernardina van 't H. Cruijs, gheboortig
van Ruremonde, tevoren ghenoemt Sophia Tillen" en „Zr. Maria
Joanna van 't H. Cruijs, oock gheboortig van Ruremonde, te voren
ghenoemt Eva Deuchen".
In 1702 moesten zij de kerk afstaan aan de Hervormden, maar kregen
die in 1715 terug.
De Zusters die zeer boetvaardig leefden, bij dag en nacht de koor-
getijden hielden en een streng slot onderhielden, leefden verder rustig
totdat op 22 Februari 1787 een keizerlijk bevel de suppressie gebood
van het klooster.

DE CARMELITESSEN.
In het begin van November 1699 vestigden zich de Carmelitessen in
de gebouwen der voormalige Rekenkamer aan de Hegstraat, tegen-
woordig de Lindanusstraat. Zij werden ook Theresianen genoemd, om-
dat de H. Theresia de stichting hervormde. Het leven dat zij voerden
is bijzonder streng. Zij hebben niettemin zonder onderbreking streng
vastgehouden aan hare kloostertucht.

211
van alle zijden aanvraag kwam om filialen, zoodat de stichting lang-
zamerhand werd wat zij nu is: eene congregatie die 100 huizen en 3689
leden telt, verspreid over Nederland, België, Engeland, Oost- en West-
Indië. De religieuzen wijden zich aan onderwijs en alle soorten liefde-
werken: kinderverzorging in bewaarscholen en montessorischolen, op-
voeding en onderwijs van meisjes in lagere scholen, U.L.O .- scholen en
huishoudscholen, ook in Zondagsscholen en patronaten; verder verple-
ging van zieken aan huis en in hospitalen, verzorging van weezen,
ouden van dagen en hulpbehoevenden. In West-Indië (Suriname) wor-
den door de Zusters ruim 200 melaatschen verpleegd, mannen, vrouwen
en kinderen.
Op 8 November 1845 kwamen de eerste Zusters van de Congregatie
van Tilburg te Roermond en openden er 14 dagen later een koste-
looze handwerkschool. 27 September 1846 begon de eerste lagere school
en 9 Mei 1847 werden de bewaarscholen opgericht.
In de raadsnotulen van 15 December 1846 staat de benoeming van
mejuffrouw Maria Digna Aarts opgeteekend tot onderwijzeres bij de
bijzondere lagere school eerste klasse tot het geven van onderwijs in
Duitsch, lezen, schrijven en rekenen uitsluitend aan arme behoeftige
meisjes en „zonder hoegenaamd eenige retributie van 's Lands of
Stadswege." Ook van de kinderen mocht geen vergoeding worden ge-
vraagd. De kinderen moesten om toegelaten te worden een bewijs
van onvermogen overleggen. In 1853 kwam echter het verlof ook be-
talende kinderen aan te nemen en 1 Mei 1862 kinderen uit meer ge-
goeden stand, die meer uitgebreid lager onderwijs wenschten.
In 1858 begon een burgernaaischool en in 1860 werd een nieuw gebouw
gezet voor de armenbewaarschool. In 1906 werden de scholen voor
lager onderwijs, die nog steeds onder één hoofd stonden, gesplitst in
St. Annaschool en Mariaschool, de eerste voor kosteloos onderwijs
de laatste met muloklassen in een nieuw gebouw.
5 December 1894 werd onder leiding en met financieelen steun van
eenige liefdadige heeren de soepkokerij opgericht waar in de winter-
maanden drie maal per week porties erwtensoep werden uitgedeeld.
In de oorlogsjaren had deze uitdeeling dagelijks plaats. Daarna bleef
alleen kindervoeding in den winter over.
In Januari 1906 werd naast de Zondagsschool, die sinds jaren bestond,
voor de weekavonden een naaipatronaat opgericht voor de volkskin-
deren, dat in 1919 werd uitgebreid tot volkshuishoudschool. Deze stond
eerst onder het bestuur van eene vereeniging van Dames, doch werd
later overgenomen door het bestuur der Zusters van Liefde. De eerste
primitieve inrichting heeft zich uitgebreid tot een volledige huishoud-
school, waar de jonge meisjes van stad en omstreken onderwijs ont-
vangen in alle soorten huishoudelijke bezigheden en vakken van alge-
meene ontwikkeling, met schooldiploma's voor huishoudkundige, huis-
houdster, hulp in de huishouding, naaldvakken, dienstbode enz.
Sinds 1922 leidt de school ook op voor de staatsdiploma's leerares.

213
mond vestigen aan de Voogdijstraat ter plaatse waar vroeger het kloos-
ter Godsweerd stond. In de Annalen der Stad kan men lezen van den
verkoop door het R. K. Godshuis van een aldaar gelegen huis aan
vrouwe Maria Angelina van Noten, voorzitster der Vereeniging van
St. Ursula te Sittard. Zij richtte er een externaat en een internaat op.
De stichting maakte eerst moeilijke tijden door. Onder het wijs bestuur
echter van de Overste Mère Augustine (Maria Madeleine Lienaerts)
1857-1892 breidde de inrichting zich zienderoogen uit.
In 1865 werd een normaalschool opgericht, welke geregeld 20 tot 30
leerlingen telde.
In 1878 werd een vleugel bijgebouwd, welke de kapel en eenige zalen
bevatte.
In 1882 werd de voorgevel vernieuwd.
De toename van het aantal gediplomeerde leerkrachten hield gelijken
tred met dat der leerlingen.
In 1894 onder het bestuur van de Overste Mère Marie Chantal (Wil-
helmina Johanna Wentink) 1893-1924 werd een nieuw, ruim en modern
ingericht externaat gebouwd, dat later nog aanmerkelijk moest worden
vergroot. In 1905 verrees de nieuwe kapel en werd ook het pensionaat
uitgebreid. Dit laatste geschiedde andermaal in 1914.
In 1916 traden deze Ursulinen toe tot de diocesane unie, welke zich
in 1928 aansloot bij de Romeinsche.
De Normaalschool is thans opgeheven, doch den 15 September 1919
is een R. K. H.B.S. voor meisjes geopend waarvan de klassen goed
worden bezocht.
Het pensionaat had tot voor den oorlog een internationale beroemd-
heid. De bevolking bestond zelfs op zekere tijden voor het grootste
deel uit Engelsche, Fransche, Duitsche en Belgische meisjes.
Het gebouwencomplex wordt thans omsloten door Voogdijstraat,
Godsweerderstraat en Begijnhofstraat.

HET REDEMPTORISTENKLOOSTER aan de Kapel in 't Zand.
De Congregatie der Redemptoristen werd den 9 November 1732 ge-
sticht door den H. Alfonsus de Liguori. Den 1sten Januari 1832 werd een
klooster gesticht te Wittem. In 1836 preekte de bekende pater Bernard
te Roermond. Willem II erkende de congregatie 22 November 1840.
In de veertiger en vijftiger jaren werden van uit Wittem herhaaldelijk
octaven gepreekt te Roermond, tot dat 19 October 1861 de overgave
der kapel aan de Paters werd geteekend. 14 Juni 1863 vestigde zich
Pater Swinkels in het huis van den vorigen Rector. Eenige dagen later
volgden de eerste paters en broeders die aan de nieuwe stichting ver-
bonden waren.
Den 15en Maart 1864 werd na een pontificale H. Mis in de Kapel door
Mgr. Paredis de eerste steen gelegd van het nieuwe klooster dat den
eersten Maart 1866 voltooid en door de kloosterlingen betrokken werd.
In 1870 werd aan het klooster het in 1928 naar Nijmegen overgebrachte
juvenaat verbonden. Behalve de missies, retraiten en andere geestelijke

215
sche leerlingen bezocht werd. De Pruisische regeering echter bemoei-
lijkte hoe langer hoe meer haar werkkring. In het buitenland opgeleide
candidaten mochten niet meer tot het staatsexamen voor onderwijze-
res worden toegelaten. Ook de opvoeding van leerplichtige kinderen
tot het 14e jaar werd ten slotte in het buitenland onmogelijk gemaakt.
Zoo waren de Zusters gedwongen haar pensionaat te sluiten. Toch
konden zij zich gedurende den wereldoorlog verdienstelijk maken door
verzorging van Belgische vluchtelingen en scharen van kinderen uit
Duitschland, Oostenrijk en Hongarije.
1 Februari 1920 werden in de klaslokalen van het vroegere pensionaat
een lagere school en een bewaarschool geopend.
Tevens werd in 1925 een Hollandsch noviciaat opgericht.

DE ZUSTERS VAN HET ARME KIND JEZUS.
In een afgelegen schooltje met rumoerige Akensche straatkinderen,
waaraan Clara Feij haar zorgen besteedde, vindt deze congregatie haar
oorsprong. Op den vooravond van Maria Lichtmis 1844 betrok Clara
na een zesjarig leekenapostolaat met drie harer trouwe medewerksters
een huis waar zij voortaan als religieuzen zouden leven en na 20 jaar
telde de congregatie reeds 300 zusters over 20 huizen verdeeld. Thans
telt ze bijna 2000 leden, waarvan ruim 260 in ons land. Het moederhuis
is te Simpelveld gevestigd.
In 1876 vestigden de zusters zich te Roermond in de Steenen Trappen.
Ook zij leidden Duitsche meisjes op tot onderwijzeres en hadden een
pensionaat gelijk de Ursulinen van St. Salvator. Zij wijdden zich tevens
aan de opvoeding van weeskinderen. Sedert 1908 worden haar de
voogdijkinderen toevertrouwd
De weesjes waren aanvankelijk tot aan de uitbreiding der inrichting
ondergebracht in het perceel hoek St. Jansstraat-Ursulinenwal. De Zus-
ters hebben vroeger ook lager onderwijs aan stadskinderen gegeven,
eerst aan de Paredisstraat en tot September j.l. aan de kapel.

CARMELITESSEN.
31 Augustus 1882 werden kapel en klooster der Ongeschoeide Car-
melitessen aan den Venloschen weg plechtig ingezegend. Ook deze
zusters waren slachtoffers van den Kulturkampf. Uit Neuss afkomstig
hadden zij eerst 6 jaar ten huize Paarlo bij St. Odiliënberg gewoond
Voor den bloei van haar klooster te Roermond pleit het, dat van hier
uit nieuwe stichtingen werden ondernomen, reeds vrij spoedig naar
Luxemburg en later naar Nijmegen en Arnhem.
Dit is het eenige onder de nieuwe kloosters waar slechts zelfopoffering,
gebed en versterving in stille eenzaamheid worden beoefend en van
waaruit niet tevens een sociale roeping wordt vervuld.

DE KLEINE ZUSTERS VAN ST. JOZEF. Stichting van Mgr. Savel-
berg te Heerlen.
Deze zusters zijn sinds 15 September 1890 in het Bisschoppelijk College
en sinds 18 April 1898 in het Groot Seminarie huishoudelijk werkzaam.

217
binnen het jaar tot twintig steeg en op 31 Augustus 1931 reeds 948
pupillen hun opvoeding te danken hadden aan deze stichting. Op
1 Januari 1931 waren 162 jongens in het gesticht aanwezig. Onder hen
bevonden zich behalve de Nederlandsche 32 Belgische, 15 Oostenrijk-
sche en 37 Duitsche kinderen benevens 25 kinderen die onder het
Nederlandsche consulaat te Aken ressorteeren.
Voorzitter der Vereeniging is thans de H. E. Heer Mgr. L. Le Bron de
Vexela, Plebaan-Deken der stad.
De opvoeding is toevertrouwd aan de Congregatie van de ARME
BROEDERS VAN DEN H. FRANCISCUS te Bleijerheide, gemeente
Kerkrade.

In 1902 werd Emile Combes ministerpresident in Frankrijk met de
portefeuille van Binnenlandsche Zaken en Eeredienst. Onder zijn be-
stuur vond de sluiting der kloosters en de door geestelijke orden be-
heerde scholen plaats. Roermond heeft daaraan zijn Retraitenhuis te
danken.

DE CONGREGATIE DER DOCHTERS VAN ONZE LIEVE
VROUW (Filles de la Sainte Vierge) werd in 1675 door de eerbied-
waardige Catharina de Francheville te Vannes in Bretagne gesticht.
Het doel is in haar huizen vrouwen te ontvangen van elken leeftijd en
allen stand die de oefeningen van een retraite wenschen te maken. Bij
de eerste Fransche revolutie werd de congregatie opgeheven. Na het
sluiten van den vrede met de kerk bloeide zij weer op en werd de
opvoeding van jonge meisjes aan haar werk toegevoegd. Na de Com-
beswetten vonden de zusters gastvrijheid in België en Holland.
Het was einde 1905 dat de Dochters van O. L. Vrouw zich te Eysden
kwamen vestigen alwaar zij een retraitenhuis voor vrouwen openden.
10 Juni 1906 werd er de eerste retraite gegeven. Het werk maakte
opgang en in Mei 1911 kocht de congregatie de villa Malman aan de
Kapellerlaan, welke na verbouwing en vergrooting tot retraitenhuis
werd ingericht.
8 September 1931 vierde „Huize Maria” te Eysden den 25sten verjaar-
dag zijner eerste retraite, tevens de eerste in het Land.
Naast een gelukwensch van Z. H. Paus Pius XI mocht de Overste van
Z. H. Exc. Mgr. Schrijnen, bisschop van Roermond, een blijk van waar-
deering ontvangen, onder het aanbod aan de congregatie van het be-
stuur van een nieuw op kosten van het Bisdom te Heerlen opgericht
huis.
Op het voorbeeld van Huize Maria zijn in de verschillende bisdommen
verscheidene retraitenhuizen zoowel voor mannen als voor vrouwen
opgericht, welke alle in vollen bloei zijn en op hun wijze mede helpen
het geloof en het Christelijk leven te behouden en te vermeerderen.

Een kort woord nog over enkele kloosterlingen die in de jongste ge-
schiedenis „tot ons kwamen en weer van ons gingen".

219
DE HERVORMDE GEMEENTE
TE ROERMOND EN HAAR
KERKGEBOUW
door
F. ADRIAANSE

B
IJ het verdrag van Venlo (1543) tusschen Karel V
en Hertog Wilhelm van Cleef was door den Keizer
beloofd, dat in Gelre „niemand met ongewoonlijke
Rechtsvordering zou worden bezwaard". Het was
dan ook in verband met deze belofte, dat een De-
putatie uit de Staten van Gelderland in 1560 aan de Gouvernante het
verzoek deed „om van alle Onderzoeking en Inquisitie wegens de
Religie in haar Landschap bevrijd te blijven, als niet overeenkomende
met het Verdrag van Venlo." Op grond van ditzelfde Verdrag meende
de Stadsoverheid van Roermond zich tegen de aanstelling van een Bis-
schop in hare stad te moeten verzetten. In het jaar 1563 heeft de kanse-
lier van het Hof te Arnhem, Adriaan Nicolaasz, met brieven des Ko-
nings en van de Gouvernante voorzien, opzettelijk een reis naar Roer-
mond gedaan, om de Overheid met zachtheid tot het aannemen van
een Bisschop te overreden. Ondanks langdurige beraadslaging met
dezen Kanselier kwam men tot geen resultaat. De Overheid ging daarna
met de andere kwartieren van het Hertogdom te rade en schreef o.a.
aan dat van Zutfen: dat zij één Lid waren van het geheele Vorstendom,
hetwelk volgens het Verdrag van Venloo onscheidbaar was voor het
Lighaam, doch besloten tevens: „dat, schoon genoomen zij al een Bis-
schop zouden moeten aanneemen, zulks niet dan onder louter bedwang
zyn zoude". Het werd ondertusschen 11 Mei 1569, vóór de plechtige
inhaling van den nieuwen Bisschop Wilhelmus Damasus van der Lindt
(Lindanus) kon plaats hebben.
Uit het optreden van de Overheid van Roermond in de jaren voor 1569
is het dus te begrijpen, dat de nieuwe Religie hier meer ingang kon
vinden, dan wanneer de scherpe plakkaten van Karel V of Philips II
waren toegepast. Zoo verhaalt Knippenberg: dat bij een kerkvisitatie
in 1560 te Roermond gehouden, door den Aartsdiacon van Kempen-
land, Wilhelm van Poictoi, gebleken was, dat de Roomsch-Katholieken
wel duizend minder waren dan voorheen. Hij voegt hierbij, dat men zich
deswege niets te verwonderen had, vermits in Roermond reeds eenigen
tijd te voren door de ketters predikatiën waren gehouden. Bekend is,
dat op 10 Augustus 1566 (St. Laurensdag) een vreemd Luthersch pre-
dikant, Ludovicus Ornaeus, nabij de stad des voor- en namiddags be-
gon te preeken. Tevergeefs poogde de Magistraat aan de inwoners door
het sluiten der poorten, het bezoek der preeken te beletten. Maar er






221
van den predikant in aanmerking genomen, de stad voor deze reis niet
met ruiters en knechten zou bezetten. Hij wist echter niet of de Land-
voogdes vrede zou nemen met de zoo lang uitgestelde verdrijving van
den predikant, weshalve hij den raad gaf: „om met alle demoedicheit
tot genedichlichen verdrach te moegen geraeken, flitech aan te houden,
zoo als andere steden gedaan hebben".
In begin van Juni 1567 preekte de predikant opnieuw in de nabijheid
der stad, op Guliksch grondgebied, (Muggenbroek). De Magistraat
echter deed de poorten sluiten om te verhinderen, dat de predikant
andermaal met geweld binnen de stad gebracht zou worden. Omstreeks
500 personen hadden zich ter bijwoning van het sermoon derwaarts
begeven, maar bij hunne terugkomst vonden zij zich deerlijk teleur-
gesteld; hun stadgenooten weigerden hen te ontvangen en hielden de
poorten gesloten. Ook het verzoek om slechts tot het afhalen hunner
vrouwen en kinderen binnen gelaten te worden, werd hun geweigerd.
De Magistraat deed echter deze laatsten bij elkander komen en zond
hun die toe, door ze met koorden over de stadsmuren af te laten.
Ondertusschen was een streng onderzoek naar de onlusten op bevel
van Alva ingesteld, en begaven zich twee raadsleden van het Hof van
Gelder naar Roermond, ten einde den Magistraat de verplichting op te
leggen om over de gevangen beeldstormers, onder bijstand van hun
beiden, oordeel te vellen. Er zouden daartoe: „goede corte Justitie nae
gestaltenisse und nae eijsch ijeders gevangens misdaet doen ende ad-
ministreren, alle overvloedige dilationes afsnijdende und weder leggen-
de". Welke vonnissen zijn uitgesproken is niet bekend. Wel is in het
archief der gemeente aanwezig een vrij volledig verbaal van verhooren
van een der beeldenstormers, den wederdooper Juriaen Velport, af-
komstig van Gulick. De uitgewekenen werden gedagvaard om voor
Alva en zijn raad te verschijnen en rekenschap zoo over hunne vlucht
als over hun daden gedurende de ongeregeldheden te geven. De niet
verschijnenden werden tot eeuwige verbanning veroordeeld met ver-
beurdverklaring van al hun goederen. Hun aantal bedroeg 120 perso-
nen. Op 16 November 1569 schonk de Koning een eerste en op 8 Maart
1574 een tweede meer algemeene amnestie; van deze laatsten waren
echter hier acht zwaar beschuldigde personen uitgesloten o.a. de men-
nonisten predikant Wald.
Nadat op 24 Juli 1572 de stad door den Prins van Oranje was inge-
nomen, keerde ook de reeds hiervoren vermelde predikant Dibbetz
terug. Zijn verblijf zou echter niet van langen duur zijn, want reeds
op 12 October d.a.v. werd Roermond weder bezet door de Spanjaarden
onder Jan van Barlaymont. Omtrent de vlucht van dezen predikant
vinden wij het volgende vermeld. Toen de Spanjaarden de stad weder-
om bezet hadden, kwamen de soldaten het huis van Dibbetz instuiven
met het voornemen om hem levend te verbranden (buiten twijfel uit
weerwraak voor den door 's Prinsen troepen gepleegden gruwelijken
moord op de Karthuizers). Zoo iets wel voorzien hebbende had Dibbetz
zich in een kist verstopt, die in zijn woonhuis stond en op welke zijn
vrouw was gaan zitten. Nadat de soldaten het geheele huis doorzocht

223
1637 gaf de Stad zich over aan den Prins-Kardinaal. In het Verdrag met
de burgerij wegens deze overgaaf lezen wij als wensch van den Magis-
traat en burgers: „Dat alle borgeren ende inwoonderen, synde van de
gereformeerde religie, vryheijt van conscientie sullen moogen genieten,
ende daer by gemainteneert blyven, sonder dat sy luyden dyenthalve
eenige recherche ofte stoornisse onderworpen sullen syn". Waarop
ter zijde is vermeld: „Syne hoocheyt en verstaet desen art. niet te
accordeeren". Verder staat in het Verdrag: „Dat oock beide predi-
canten van de gereformeerde religie, Marsilius Rotarum en Wernerus
Lachius, onder dese voorgaende articulen sullen begrepen syn". Ter
zijde staat dan vermeld: „Dese twee predicanten sullen begrepen wesen
in het teegenwoordigh tractaet van reconciliatie naer luydt ende in-
houdt van dyen".
Sedert 1637 bleef Roermond aan Spaansche zijde en werd bij den Mun-
sterschen vrede in 1648 nog nader daaraangesloten.
Wij komen thans aan het jaar 1702, toen Roermond door de Geallieer-
den werd veroverd en waarbij alstoen wederom de H. Geestkerk (kerk
der Poenitenten) voor den openbaren eeredienst der Hervormden is
bedongen geworden. Er werden twee predikanten aangesteld, Johannes
Schutter en N. N. van Krimpen. Deze toestand heeft geduurd tot
Maart 1716, toen de stad, tengevolge van het Barrière-Tractaat van 1715,
aan Keizer Karel VI werd ingeruimd, waarmede, daar de uitoefening
van den hervormden eeredienst werd verboden, tegelijk de Hervormde
Gemeente is te niet gegaan. De leden hebben zich naar elders begeven;
de laatste protestantsche Roermondsche familie die van hier vertrok
was die van de Vermaasens, en wel in 1739.
In 1737 waren reeds op order van den Raad van State naar Venlo over-
gebracht de zilveren bekers en verder toebehoor van het H. Avond-
maal, alsmede de effecten der Diaconie, nadat dezelve eenigen tijd te
Stevensweert waren geweest. Ook was reeds in 1716, even voor de ont-
ruiming der Stad, het orgel, hetwelk de hervormden hadden laten ma-
ken, op order van de Edelmogenden, hoewel niet zonder groote tegen-
stribbeling van den Magistraat, van Roermond weggehaald en naar
Venlo overgebracht.
Tusschen de jaren 1716 en 1815 ligt een eeuw, waarin veel, zeer veel
veranderde, doch het staat vrijwel vast, dat in dien tijd geen, of althans
een zeer gering aantal protestanten hier woonden. Een kerkelijke ge-
meente was er in elk geval niet
Na den val van Napoleon en bij de stichting van het Koninkrijk der
Nederlanden, werd alhier in 1817 een garnizoensgemeente gesticht en
in verband hiermede uitgezien naar een kerkgebouw. Het oog viel daar-
bij op de bij het Departement van Oorlog in gebruik zijnde voormalige
Minderbroederskerk. Dit gebouw was reeds tijdens het Fransche be-
stuur een militair magazijn voor de berging van hooi en stroo. Uit een
door een aantal bewoners van de Minderbroedersstraat en omgeving
in 1818 aan de Overheid ingediend verzoek om deze kerk voor dit
stadsgedeelte als parochiekerk te doen gebruiken, blijkt zulks niet
alleen, doch tevens, dat die bewoners vóór het in gebruik nemen als

225
ruim f 31.600 .-. De burgerlijke gemeente zou hierin zes jaar lang
f 250 .- per jaar subsidie geven en voor gelijken tijd voor f 200 .-
per jaar huren het niet voor den eeredienst in gebruik te nemen ge-
deelte, voor het daarin vestigen van een museum voor kunstindustrie.
Alles wees erop, dat deze restauratie haar beslag zou krijgen, toen
plotseling in 1904 het College van Kerkvoogden en Notabelen besloot
om het kerkgebouw niet meer te restaureeren, doch af te breken en het
vrijkomend terrein ten deele als straat en ten deele als bouwterrein
te verkoopen. Men probeerde toen het terrein aan het Rijk te verkoo-
pen voor het daarop bouwen van een nieuw postkantoor. De daarover
gevoerde onderhandelingen zijn o.m. afgestuit op het feit, dat de stich-
ting van een postkantoor daar ter plaatse de slooping van een fraai
monumentaal gebouw zou tengevolge hebben. Toen daarna het College
van Kerkvoogden en Notabelen andermaal het besluit nam tot afbraak,
heeft wijlen Dr. P. J. H. Cuypers in de gemeenteraadsvergadering van
5 November 1904 de noodklok geluid en besloot de Gemeenteraad op
zijn voorstel om bij het Kerkbestuur er met klem op aan te dringen,
dat het geen gevolg zou geven aan het noodlottig denkbeeld, maar als-
nog de plannen van het vorige Kerkbestuur in uitvoering te nemen.
Op 6 Mei 1905 besloot gemeld College om tot restauratie over te gaan;
hierdoor bleef het monumentale gebouw, hetwelk thans een sieraad
is voor de stad, behouden. Op 21 December 1908 was de restauratie
voltooid en kon het kerkgebouw weder voor den eeredienst in gebruik
worden genomen.























227
stuurder van het vrouwenklooster in den Nieuwenhof te Maastricht, in
1516 een algemeene Latijnsche school opende. De scholaster van St. Ser-
vaas verzette zich echter tegen de oprichting dezer school. Pater Abra-
ham had evenwel den stedelijken magistraat aan zijn zijde en deze
schonk, bij de overdracht van de school aan de stad, den 12den Augus-
tus 1516, zijn goedkeuring aan de oprichting van het nieuwe onderwijs-
instituut. De vraag was nu nog, welke partij door den Paus in het gelijk
gesteld zou worden. Het stadsbestuur diende bij den H. Vader het ver-
zoek in, het oprichtingsbesluit te willen bekrachtigen. Het antwoord
liet niet lang op zich wachten. Bij breve van 20 April 1517 erkende
Leo X het bestaan der beide Latijnsche kapittelscholen en daarnaast
dat van de Latijnsche stadsschool. De pauselijke privilegebrief is ook
voor de kennis van het leerplan der school belangrijk; hierin wordt ge-
sproken van godsdienstonderricht, grammatica en andere, niet ge-
noemde, wetenschappen.
Met de rectoren, in wier handen de leiding van het onderwijs berustte,
scheen men het niet bijzonder te treffen; immers den 5den October
1517 werd reeds tot de aanstelling van den derden rector overgegaan.
Deze, de bekende Latijnsche dichter en schrijver Christianus Ischyrius
of Stercken, beroemd geworden door zijn Latijnsche bewerking van het
zinnespel „Den spyegel der salicheyt van Elckerlijc”, bleef in functie tot
1532. Toen werd hij ontslagen, daar de Raad der stad vernomen had,
dat de rector heimelijk naar een andere betrekking had omgezien. Zijn
afzetting viel de stedelijke regeering niet moeilijk, daar de school onder
leiding van Ischyrius niet tot bloei gekomen was.
Voorloopig werd nu de Latijnsche stadsschool opgeheven en eerst her-
opend in 1551, toen de aankomst van den geleerden Christianus Furnius
te Maastricht het stadsbestuur hoop gaf, dat de school onder leiding
van dezen geleerden en ervaren onderwijsman betere dagen zou bele-
ven. Deze Christianus Furnius was vermoedelijk geen ander dan de
bekende schrijver en dichter Christianus Cellarius, die geboortig was
uit Isenberge bij Furnes of Veurne in West-Vlaanderen. Tot aan zijn
dood in 1554 heeft hij de school bestuurd. Toen werd de stadsschool
opnieuw, maar nu voorgoed opgeheven.
Vinden wij dus in Limburg, in vergelijking met andere deelen van ons
land, reeds zeer vroeg onderwijsinstituten, voor Roermond dateeren
de oudste berichten eerst van 1343.
Op Kerstdag van dat jaar, - zoo blijkt ons uit een rekening - versche-
nen de scholieren voor Hertog Reinoud, op de burcht van Montfort,
om voor hem te zingen. Hoe eenvoudig dit gegeven ook zij, toch kunnen
wij er, door het in 't licht der algemeene Middeleeuwsche onderwijs-
toestanden te zien, eenige conclusies uit trekken omtrent den aard der
hier vermelde school.
Het aantal scholen was sinds den tijd van Karel den Groote, dien krach-
tigen bevorderaar van het onderwijs, steeds toegenomen. Kloosters en
kapittels, parochies en steden beijverden zich de jeugd te onderwijzen
in de wetenschappen en kundigheden, die vereischt werden om later
met eere een plaats in de maatschappij te bekleeden, hetzij in den gees-

229
van Heidelberg telde in 1391 een Roermondenaar onder zijn hoorders.
Van 1384 tot 1460 bevonden er zich zes aan de universiteit van Praag.
Van meer beteekenis nog was het feit der stichting van een eigen con-
vict te Keulen, het „Huis van Roermond“, het „Collegium Ruramunda-
num" of „Hieronymianum”, ten behoeve van de studie der theologie.
Doctor Johannes de Lovanio, (Jan van Leuven), proost van Xanten,
die te Roermond het klooster van den H. Hieronymus voor Reguliere
Kanunniken stichtte, was ook de stichter van dit convict, waar Roer-
mondsche jongelingen, bij voorkeur uit de familie van den stichter,
zouden kunnen studeeren, zoodra zij den leeftijd van twaalf jaar bereikt
hadden. In 1614 is het „Collegium Ruramundanum” met het Lauren-
tiaansch gymnasium vereenigd; uit het vermogen van het opgeheven
college is de studiebeurs „Ruramundanum” ontstaan. De Lovanio over-
leed te Keulen den 23sten December 1438. Zijn lijk werd naar Roer-
mond gevoerd en in het Karthuizerklooster begraven. Het Hieronymus-
klooster ontving in 1509 van Hugo de Pollart, van Roermond, kanunnik
te Aken, tweehonderd Akensche guldens voor de opleiding van een
armen student tot geestelijke.
Telkens valt het bij de onderwijsgeschiedenis op, hoe nauw de band
was tusschen godsdienst en wetenschap, hoe steeds het leeraarsambt
der Kerk zich toonde in de zorg van de priesterschap voor de ontwik-
keling zoowel van toekomstige priesters als leeken, voor godsdienstig
zoowel als profaan onderwijs.
De zestiende eeuw was een tijd van vooruitgang voor het onderwijs
hier ter stede. Zoo nam de magistraat den 29sten December 1553 het
belangrijk besluit een „particulier school” op te richten. De oude
stadsschool voldeed blijkbaar niet meer aan de eischen des tijds; men
verlangde onderwijs in humanistischen geest.
De laatste rector der oude school, Paulus Chimarrheus, trad in 1553 af;
wij vinden hem later, na den dood van zijn vrouw, terug als priester;
hij overleed als pastoor van Sittard en landdeken van Susteren.
De nieuwe school werd een Latijnsche, een „particulier school", zooals
men vond te Emmerik, Dusseldorp, Wezel, Nijmegen en Deventer. In
laatstgenoemde stad ontvingen tal van beroemde mannen hun oplei-
ding, waaronder in dit verband te noemen is de Roermondsche huma-
nist Johannes Murmellius. Deze geleerde, in 1480 te Roermond geboren,
volbracht zijn studiën aan de school van Deventer onder Alexander
Hegius. In 1500 werd hij conrector aan de Domschool te Munster, daar-
na rector aan de Ludgerischool dier stad, in 1513 rector te Alkmaar,
vanwaar hij in 1517 naar Zwolle trok en van hier naar Deventer, waar
hij den 2den October van dat jaar overleed
De oprichting der nieuwe school geschiedde onder de auspiciën van
een speciaal daartoe door den magistraat aangestelde commissie. Moge-
lijk is deze na de oprichting gecontinueerd of anders door een blij-
vende schoolcommissie vervangen, althans in 1592 werden twee school-
provisoren genoemd. De oprichtingscommissie had zoo spoedig moge-
lijk voor de aanstelling van een rector, conrector en andere leeraren te
zorgen, opdat de opening der school met Paschen 1554 zou kunnen

231
nissen of processies door de stad. Ook hadden de rector en overige
leeraren er voor te zorgen, dat de scholieren zich bij het in- en uitgaan
van de kerk eerbiedig gedroegen en niet „als jonge zwijnen ordeloos
door elkaar liepen en een ongewoon leven maakten". Ook in de kerk
hielden rector en leeraren toezicht op de leerlingen. Om alles hier in de
grootste orde te doen plaats vinden werd uitdrukkelijk voorgeschreven,
bij welke gedeelten der H. Mis het kruisteeken of een hoofdbuiging
gemaakt of op de borst geklopt diende te worden. Ook rustte op den
rector de plicht, toe te zien, dat de leerlingen op geregelde tijden te
biechten gingen en, sinds het bereiken van den dertienjarigen leeftijd,
tot de H. Tafel naderden.
De lessen moesten geregeld overhoord worden en ten opzichte van den
leerling, die zijn les niet behoorlijk kende, mocht de rector gebruik
maken van zijn tuchtigingsrecht. Er werd den leeraren evenwel op het
hart gedrukt, zich in het kastijden te matigen en dit nooit in drift te
doen, integendeel met vaderlijke liefde tegenover den schuldige te werk
te gaan. Vooral had de praeceptor zachtmoedigheid te betrachten ten
opzichte van de leerlingen der laagste klasse.
De rector had alle verboden of gevaarlijke lectuur uit de school te we-
ren; mocht hij er dergelijke geschriften aantreffen, dan moest hij ze
verbranden en de ouders van den leerling, door wiens toedoen ze de
school waren binnengeslopen, waarschuwen.
Schoolverzuim en telaatkomen moest door den rector met kracht be-
streden worden. Ook andere moreele fouten moest hij trachten te ver-
beteren en den jongelingen steeds eerbied voor oudere en achtenswaar-
dige lieden inprenten. Het toezicht van den rector op de leefwijze der
leerlingen strekte zich ook uit tot buiten de school; hij moest b.v. na-
gaan, hoe zij zich op de straat gedroegen.
De school telde vijf klassen: die der Nullanen, Rudimentariërs, Etymo-
logisten, Syntaxisten en Prosodisten. In overleg met de geestelijke
Overheid en provisoren moest de rector voor iedere klas een lesrooster
en een lijst der te gebruiken boeken samenstellen. Als Latijnsche gram-
matica werd die van Verepaeus voorgeschreven. Na het Latijn werd
ook aan de studie van de moedertaal aandacht geschonken; eenmaal
per week zou er een vertaling uit het Nederlandsch in het Latijn ge-
maakt worden.
In de laagste klas moest de praeceptor toezien, dat de leerlingen de
lessen met oplettendheid volgden, waartoe het aanwijzen van het voor-
gelezene in de boeken, desnoods met ijzeren of houten stiften, indien
dit practischer bleek dan met den vinger, als zeer dienstig beschouwd
werd.
Tweemaal per jaar, op het feest van den H. Gregorius (12 Maart) en op
dat van den H. Remigius (1 October), werd in tegenwoordigheid van
provisoren en andere genoodigden verslag uitgebracht over de vorde-
ringen der leerlingen.
Geen jongeling, uit een andere school afkomstig, mocht door den rector
worden toegelaten, tenzij hij een getuigschrift van het hoofd dier school
medebracht. Zijnerzijds mocht de rector geen zijner leerlingen, die naar

233
zijn. De onderwijzers mochten scholieren bij zich in huis nemen, doch
niet jongens en meisjes in dezelfde woning.
Verder treft men tal van bepalingen in dit schoolreglement, die ook
in de, voor de Latijnsche school geldende verordening, vervat zijn en
dus geen afzonderlijke vermelding behoeven.
Inmiddels was Roermond in 1559 tot zetel van het nieuw ingestelde
bisdom van dien naam verheven. Van het persoonlijk initiatief en toe-
zicht van den Bisschop viel nu veel meer te verwachten dan toen de
stad deel uitmaakte van het bisdom Luik. Reeds de eerst bisschop
van het nieuwe diocees, Wilhelmus Lindanus, die door politieke om-
standigheden eerst in 1569 van zijn zetel bezit kon nemen, heeft aan
deze verwachtingen ten volle beantwoord. Een moeilijke taak wachtte
den Bisschop echter! Meer dan vroeger gold het thans zorg te dragen,
dat de jeugd tot degelijke katholieken werd opgevoed. De ketterij toch
maakte juist in deze tijden ontelbare slachtoffers. Om dit doel te berei-
ken zou Lindanus, - zooals blijkt uit een schrijven van 1580 -, het
onderwijs te Roermond gaarne hebben toevertrouwd aan de Jezuïeten,
de krachtige ijveraars der contrareformatie. De ijverige bisschop heeft
echter de verwezenlijking van dit ideaal niet meer mogen beleven.
Ten zeerste gingen Bisschop Lindanus ook de Zondagsscholen ter harte,
waarvan de oprichting door het provinciaal Concilie van 1570 te Meche-
len was voorgeschreven. Deze scholen dienden om de rijpere jeugd, die
de kinderscholen ontgroeid was of deze niet bezocht had, te onder-
richten, vooreerst in den godsdienst, vervolgens in schoolwetenschap.
Ook te Roermond blijkt zulk een Zondagsschool te hebben bestaan.
In 1571 werd zij door Bisschop Lindanus van eenige nieuwe leermees-
ters voorzien, doch ging reeds het volgende jaar, bij de inname der stad
door den Prins van Oranje, te niet. Of de pogingen, door Lindanus in
1583 en 1586 aangewend, om tot een wederoprichting te komen, met
goeden uitslag bekroond werden, is niet na te gaan.
Op het provinciaal Concilie van Mechelen was nog een andere onder-
wijsaangelegenheid besproken: het uitvoeren van het decreet der Kerk-
vergadering van Trente betreffende het oprichten van seminaria in de
verschillende bisdommen. In de diocesane synode, door Bisschop Lin-
danus den 6den September 1570 te Roermond samengeroepen, werden
de, te Mechelen genomen besluiten, afgekondigd en tot de oprichting
van een priesterseminarie besloten. Gebrek aan geld belette den Bis-
schop evenwel tot de uitvoering van dit plan over te gaan en eerst
onder zijn opvolger, Cuyckius, kwam het seminarie tot stand. Het werd
gevestigd in de Veldstraat, in het gebouw geheeten de „Kluis“, tot dus-
ver door Dominicanessen bewoond, doch door dezen tot dit doel in
1599 in ruil voor het St. Ewaldsklooster aan den Bisschop afgestaan.
Roermond had nu zijn seminarie, doch de geheele zeventiende eeuw
verkeerde dit in kwijnenden toestand. Hierin kwam eerst in 1695 ver-
andering, toen de Dominicaner bisschop Cools het onderwijs in het
seminarie overdroeg aan de Orde der Dominicanen. Het getal der stu-
denten steeg nu aanmerkelijk: studeerden er b.v. in 1667 zes aan het

235
de Paters naar het bisschoppelijk paleis, hun door den bisschop Jacobus
a Castro daartoe afgestaan.
Beroemde mannen zijn er aan het college verbonden geweest en wel
niet het minst in den eersten tijd van zijn bestaan. Pater Poirters, de
befaamde dichter, was er in 1644 praefect der studiën; Johannes Bol-
land, de geleerde stichter en medewerker der „Acta Sanctorum”, was
er een der eerste Professoren; Otto Zylius, die vermoedelijk de leiding
heeft gehad bij de samenstelling van het merkwaardige, zeldzame
boekje „Ruremunda Illustrata”, een werkje dateerend van 1613, be-
vattende bijdragen in de klassieke talen door de „rhetoren” van het col-
lege. De Jezuïeten doceerden de vijf „kleine scholen” met inbegrip van
poësis en rhetorica. Bij schoolfeesten werden door de leerlingen onder
leiding der Paters drama's in de klassieke talen of in de volkstaal op-
gevoerd. Uit dit alles blijkt, dat het college onder de uitmuntende lei-
ding der Jezuïeten een hoogen bloei bereikte en de stad tot sieraad
strekte. Wel werden de gebouwen, waarin het gevestigd was, bij den
grooten brand van 1665 een prooi der vlammen, zoodat de studiën ge-
staakt moesten worden, doch na korten tijd werden zij weer hervat.
Het Jezuïetencollege bleef tot aan de opheffing der Orde in 1773 be-
staan. De school werd toen onmiddellijk door den Staat overgenomen
en aan het bestuur van seculiere geestelijken toevertrouwd; de Jezuïe-
tenkerk werd in 1777 op last der Hooge Regeering afgebroken. In het
vervolg droeg de school den naam van „Koninklijk College“. De op-
voeding op dit college schijnt, ook wat den godsdienst betreft, in goede
handen te zijn geweest. Een hooge eer was het, zoowel voor het college
als voor de stad, - en de Roermondenaars zijn niet in gebreke geble-
ven, hun vreugde te uiten in een luisterrijke feestviering -, toen een
oudleerling van het Koninklijk College, Gysbert Joannes Alexander
van der Vrecken, in 1787 als „primus van Leuven” te Roermond zijn
intocht mocht houden.
Toch schijnen er reeds tijdens Keizer Jozef II plannen te hebben be-
staan om het college op te heffen. In een brief van 22 October 1787 aan
het Hof van Gelderland verweert zich I. B. de Stuers, „conseiller
mambour" van Gelderland, tegen de beschuldiging, dat hij de voorgeno-
men opheffing van het college door zijn adviezen en rapporten zou
hebben begunstigd en wel ten bate van het college te Weert. Hij legt
daarbij een keizerlijke missive over, waarin hij van dit feit gedechar-
geerd wordt. Enkele jaren later is het inderdaad tot een, zij het dan
ook tijdelijke opheffing van het college gekomen en wel door omstan-
digheden, waarbij voor een oogenblik het lot van het college met dat
van het seminarie samenviel.
Toen namelijk de Patriotten in 1790 Roermond binnenvielen, wilden
zij zich vestigen in de gebouwen van het Koninklijk College. De Roer-
mondsche burgerij zag evenwel de roerige bende ongaarne in het mid-
den der stad, waarom den Patriotten, met goedkeuring van den Bis-
schop, het seminarie in de Veldstraat werd afgestaan, terwijl de ge-
bouwen van het Koninklijk College, dat opgeheven werd, bij besluit
van de Staten van het Overkwartier, die zich zelfstandig verklaard

237
ven van den 8sten September 1798 aan de municipale administratie gaf
het departementsbestuur van de Nedermaas hierover zijn teleurstelling
in duidelijke bewoordingen te kennen. Het Bestuur had moeten onder-
vinden, dat bij een oproep voor het vervullen van onderwijzersbetrek-
kingen zich in verschillende plaatsen niemand had aangeboden. Het
meende de schuld hiervan te moeten geven aan de municipaliteiten,
die de oude scholen, waar nooit over de republikeinsche instellingen
gesproken werd, den leerlingen integendeel denkbeelden van „fana-
tisme" werden verkondigd, handhaafden en beschermden.
De revolutietijd werd gevolgd door het Napoleontisch bewind, voor
de onderwijsgeschiedenis karakteristiek door de krachtige staatszorg
voor deze zijde van het cultureele leven. Zooals op andere terreinen,
waar zich Overheidsbemoeiing deed gelden, is hier in de uniforma-
tie, centralisatie en wettelijke regelingen de hand van Napoleon ken-
baar. De Wet op het Openbaar Onderwijs, den 1sten Mei 1802 door
het wetgevend Lichaam aangenomen, onderscheidde écoles primaires,
écoles secondaires, lycées en écoles spéciales. Roermond werd door de
Fransche regeering bedacht met écoles primaires en secondaires. Op
de eerste werd elementair onderwijs gegeven, op de laatste waren
Latijn, Fransch, geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde de studie-
vakken. Den 26sten Juli 1802 richtte de onderprefect van het arron-
dissement aan den maire van Roermond het verzoek, hem van advies
te dienen betreffende de bestaansmogelijkheid eener école secondaire
te Roermond. Het duurde tot den 2den April 1804, dat de Regeering
te Parijs het besluit nam tot de oprichting der school. Het gebouw van
het vroegere college werd bestemd tot huisvesting van het nieuwe
onderwijsinstituut. Een „bureau d'administration" werd belast met het
bestuur en het financieel beheer van het college, het toezicht op de
handhaving der orde en op de studie. De overdracht der gebouwen
van het vroegere college aan het Bestuur der nieuwe school vond den
2den November plaats door Girard, den ontvanger der domeinen. De
uitvoering dezer besluiten heeft echter nog lang op zich laten wachten;
de opening der school vond eerst den 1sten December 1808 plaats. Tot
professoren werden benoemd Daris, Laisné, Houtappel en Sommers.
Daris was bovendien „principal“. Het schoolgeld bedroeg zes en dertig
francs per jaar.
Ook het Lager Onderwijs deelde in de belangstelling der Overheid. In
1807 hechtte de prefect van het departement zijn goedkeuring aan het
voorstel van den „Conseil municipal" tot oprichting van een école pri-
maire. In 1811 zijn er, blijkens een rapport van den maire over den toe-
stand van het Lager Onderwijs drie écoles primaires: de school van
Hubert van Dalon in de Neerstraat, waar Fransch, Nederlandsch en
rekenkunde onderwezen werden, die van Henricus Bellers in de Neer-
straat, waar men Nederlandsch, de beginselen van het Latijn en gods-
dienstleer onderwijst, en die van Jacques Schepmans, bij de Markt, met
als leervakken Fransch en rekenkunde. In 1814 wordt ook nog de onder-
wijzeres Marie Brammertz vermeld.
Na den val van het Keizerrijk werd Roermond bij het nieuwe Konink-

239
steun, die aan het bijzonder onderwijs onthouden werd, bevredigend.
Rudolf Pieters, een bekwaam wiskundige, wiens rekenboekjes nog jaren
lang gebruikt werden, was er het hoofd van. Hij was een zeer gods-
dienstig man, dien zelfs Mgr. Paredis met zijn vriendschap vereerde.
Bij gelegenheid van het bezoek van Koning Willem II in 1841 vervaar-
digde hij een dichterlijken „Welkomstgroet“. Op de grondslagen, door
hem gelegd, werd voortgebouwd door zijn broer Jan, die hem in 1844
als hoofd der school opvolgde. Tot de opheffing der school in 1863 bleef
Jan Pieters er het hoofd van. Inmiddels was in 1852 door de Broeders
van de Onbevlekte Ontvangenis de „Eerste Openbare School" geopend.
Na de opheffing der Rijksschool werd er een „Tweede Openbare
School" opgericht in de „Penitenten”. Reeds in 1867 werd dit school-
gebouw afgekeurd en op 22 December 1868 nam de Raad het besluit
tot den bouw van een nieuwe school in de Nieuwstraat; het vroegere
gebouw zou dienen tot uitbreiding van de „Eerste Openbare School".
Omstreeks het midden der eeuw nam het aantal inrichtingen van onder-
wijs snel toe. Sinds 1841 mocht Roermond zich weer beroemen op zijn
priesterseminarie, gevestigd op de plaats van het voormalige Karthui-
zerklooster. In Januari 1843 werd de Teekenschool geopend, in de eer-
ste plaats bestemd voor leerlingen van het College, doch ook toeganke-
lijk voor handwerkslieden. Twee jaren later richtten de Zusters van
Liefde uit Tilburg door tusschenkomst van Deken Moonen een lagere
school voor meisjes op, waar eenige jaren later bewaarscholen aan wer-
den toegevoegd. In 1853 kwamen de Ursulinen zich andermaal hier
vestigen om onderricht aan meisjes te geven. Door het parochiaal kerk-
bestuur werd het „Klein College“ opgericht. In 1878 waren er in het ge-
heel twee openbare en tien bijzondere lagere scholen, die tezamen vijf-
tienhonderd twee en veertig leerlingen telden, waarvan elfhonderd twee
en zeventig uit Roermond afkomstig.
Wij moeten thans nog spreken van het Bisschoppelijk College, het in-
stituut, waarin wij de voortzetting zien der oude Latijnsche scholen. De
eerste Directeur, door Mgr. Paredis aangesteld, was de latere Vicaris-
generaal van het Bisdom, Mgr. Hoefnagels. Reeds na drie jaren werd hij
opgevolgd door den Directeur Jacobs, onder wien de Congregatie van
Onze Lieve Vrouw tot stand kwam met als eersten moderator den be-
kenden letterkundige, Professor Brouwers. In 1865 betrok het College
het nieuwe gebouw, dat de gemeenteraad in 1864 besloten had er voor
op te richten op het terrein „achter de meelwaag“ geheeten, terwijl het
oude gebouw in de Jezuïetenstraat door de Rijks Hoogere Burgerschool
in gebruik werd genomen. Inmiddels was de Heer Jacobs in 1864 opge-
volgd door den Directeur Rijkers, die het College tot 1880 bestuurde.
Vermeerdering van het aantal leerlingen noodzaakte tot uitbreiding der
gebouwen; tevens werd een kapel gebouwd, die den 17den Augustus
1868 door Mgr. Paredis plechtig werd ingewijd.
Nog eens zou wegens gebrek aan ruimte een ander gebouw moeten
betrokken worden, wel een getuigenis van den gestadigen bloei van het
College. Inmiddels hield de interne ontwikkeling gelijken tred met den
materieelen groei. Een Vondelsgilde werd onder de studenten opge-

241
Gymnastiekonderwijs: Gemeentelijke Gymnastiekschool.
Lager en Uitgebreid Lager Onderwijs: Bisschoppelijke Kweekschool
voor jongens, (De Rijkskweekschool werd in 1930 opgeheven), Voor-
bereidend Bisschoppelijk College, St. Aloysiusschool, Klein College,
R. K. Parochiescholen, St. Vincentiusschool, St. Josephschool, Maria-
scholen, St. Annaschool, School van het H. Hart, Arme-Kind-Jezus-
school, St. Ursuladagscholen, St. Ursulakostscholen, St. Salvator-
school, Lindanusschool, St. Alphonsusscholen, St. Theresiaschool, Pro-
testantsche school, Openbare School.
Voorbereidend Lager Onderwijs: Bewaarschool van het H. Hart, St.
Ursulabewaarschool, Bewaarschool St. Salvator, St. Annabewaarschool,
Mariabewaarscholen, Bewaarschool Kapel in 't Zand, Protestantsche
Bewaarschool.
































243
wier bestuurders compareeren onder den naam „meesters der huis-
armen", werd eerst in 1447 gesticht, zoodat deze de leiding van het
gasthuis eerst kort voor 1455 kunnen verkregen hebben. Het is zeer
goed mogelijk, dat de broederschap van den H. Geest, wier taak door
de meesters der huisarmen werd overgenomen, mede het beheer over
het gasthuis had. Afdoende blijkt dit echter niet. Omstreeks 1520
schijnt er weer een bestuursverwisseling te hebben plaats gehad, want
van af dien tijd treden er meesters of provisoren op, door den magis-
traat benoemd uitsluitend voor het beheer van het gasthuis.
Was de oorspronkelijke bestemming het verplegen van zieken en arme
passanten, in later tijd werden ook ouden van dagen opgenomen, de
z.g. proveniers. De eerste bestemming is echter nooit verloren gegaan;
tot aan de opheffing van het gasthuis werden in een afgescheiden ge-
deelte der gebouwen, „Beyer of Beyart“ genaamd, passeerende vreem-
de armen ter verpleging opgenomen. Zoo werd nog in 1587 aan het
gasthuis een schenking gedaan „in behoef der vrembde armen soe
tsavents dair in opstrecken und logieren thot der selver armen einige
refrissirunghe". Hun verblijf in het gasthuis mocht maar van zeer
korten duur zijn. Belast met het toezicht op de vreemdelingen had de
magistraat bepaald, dat geen vreemde langer dan drie dagen in de stad
mocht verblijf houden.
De instelling heeft aanzienlijke bezittingen gehad. Een 20-tal charters en
de eenige bewaard gebleven rekening over het jaar 1589 leggen er ge-
tuigenis van af. De hoeve „Gasthuishof“, heden ten dage nog eigendom
van het R. C. Godshuis, is afkomstig van het oude gasthuis. De oudst
bekende schenking dateert van 8 September 1278. Om den bijzonderen
inhoud mag de charter hier vermelding vinden. De pastoor Daniel, de
scholtis Godefridus, genaamd de Golderade, en schepenen van Roer-
mond, verklaren, dat de echtelieden Hendrik en Hilla ter bekoming
van vergiffenis hunner zonden al hun roerende en onroerende goederen
geschonken hebben aan het gasthuis van Roermond.
Het gasthuis is blijven bestaan tot op het einde der 16de eeuw. In de
Donderdag's protocollen wordt op 21 Mei 1592 vermeld, dat met toe-
stemming der provisoren de magistraat besloot het gasthuis op den
Steenweg met zijn armen en al zijn bezittingen te „tranfereeren“ in
Pollartzgasthuis op den Schuitenberg. Daar echter eerst moest onder-
handeld worden met de erfgenamen van den stichter van dit gasthuis,
viel de beslissing eerst vier jaar later. Op 14 Februari 1596 had op het
„Raetzhuys” een bijeenkomst plaats, waarbij buiten den magistraat
tegenwoordig waren Petro Broeningen „pastoer unser parochie kircken
in nahmen des capittels der Cathedrale kircken", de „edelen und ert-
veszen" Lambrechtsen Pollarts, Johannen van Lom und Andriesen
Pollartz" als bloedverwanten van den stichter, benevens alle proviso-
ren van Pollartzgasthuis. Overwegingen van bezuiniging hebben in
hoofdzaak tot deze beslissing geleid. Betreffende de gebouwen wordt
besloten, dat deze ten hoogsten prijs zullen verkocht worden om
met de opbrengst Pollartzgasthuis uit te breiden en te voorzien van
een nieuwe Beyer voor de arme passanten. Op 29 Augustus 1596 schij-

245
Uit verschillende gegevens blijkt, dat de „heilige geyst” waarvan hier
sprake is, vereenzelvigd moet worden met de broederschap van dien
naam. Over hare organisatie en werkwijze is al heel weinig overgele-
verd. Het jaargetijdenboek van het kapittel van den H. Geest, in wiens
kerk de broederschap in 1373 een tweetal jaardiensten stichtte, spreekt
van broeders en zusters, zoodat blijkbaar ook vrouwen lid konden zijn.
Heeft er eenige band bestaan met de hospitaalbroeders van den
H. Geest en is de kapel van den H. Geest door den magistraat in 1361
aan het kapittel van St. Odiliënberg afgestaan, door deze broederschap
gebouwd? Ziedaar eenige vragen, die door gebrek aan gegevens onbe-
antwoord moeten blijven. Onder haar meester Peter Ywaens treedt
de broederschap van den H. Geest in 1448 voor het laatst op om daarna
uit de geschiedenis der instellingen te verdwijnen en hare taak aan een
nog jonge stichting over te laten.
Het is een typisch verschijnsel in tal van plaatsen, dat een oude instel-
ling zich moeilijk weet aan te passen aan nieuwe toestanden en niet
in staat blijkt om nieuwe nooden in voldoende mate op te vangen.
Een andere organisatie treedt naast de oude, die na korteren of lange-
ren tijd geheel verdrongen wordt. Zoo iets is ook in Roermond gebeurd
en heeft een nieuwe instelling in het leven geroepen, waarvan de stich-
tingsbrief in afschrift in het cartularium is bewaard gebleven. De pro-
logus in dit boek is aan deze gebeurtenis gewijd, wel een bewijs hoeveel
gewicht men er oudtijds aan gehecht heeft. Uit de omschrijving van
het doel blijkt duidelijk, dat een bepaalde categorie van armen niet viel
onder de bemoeiingen der oude broederschap en dat hun verzorging
geheel was overgelaten aan het particulier initiatief. De verlatenheid
dezer armsten der armen bracht Gerard van Steghen burger der stad
er toe een schoone bladzijde toe te voegen aan de geschiedenis der
Roermondsche armenzorg.
Op „onser liever Vrouwen avont Visitationis" van het jaar 1447 schenkt
hij met toestemming zijner echtgenoote, Kathrynen Ushovens, 10 malder
rogge uit zijn hoeve te Asselt „in behueff der huysarmen bennen Rure-
munde die achter stat bynnens huys sieck liggen ende geyn broet ge-
wynnen en konnen ende anders niet en hebben dannen huen omme
goedts wille seyndt ende brenght". De omschrijving laat niet toe met
volle zekerheid vast te stellen, welke armen bedoeld worden, al gaat
de gedachte als van zelf uit naar de pestlijders, die in de door den
magistraat buiten de muren gebouwde pesthuizen door de stads-
„plecheers" verpleegd werden.
Om de 10 malder jaarlijks „te heffen ende te boeren” en ze „om goidtz-
wille den armen te brengen ende te deylen" waren door den stichter
vier mannen aangezocht, aan wien de erfpacht wordt overgedragen
„,vuer huen ende vuer die naekoemlinge die ten ewigen dagen tue Rec-
toers der armen syn sullen", terwijl tevens nog bepaald werd, „dat
haer eyn van huen vyeeren sterfft dat dan die ander drye alle wege
van stonden aen eynen anderen gueden eersamen man tot huen kyesen
ende nyemen sullen die van gueder consientien is".
Zelf magistraat en zeer welgesteld, koos Gerard van Steghen, de eerste

247
Viel dit onderzoek te zijnen gunste uit, dan was de provenier verplicht
onder eede te verklaren welke bezittingen hij had om deze vervolgens
in tegenwoordigheid en met toestemming zijner naaste „Vrunde“ aan
de armenmeesters op te dragen onder voorbehoud van genot en gebruik
gedurende zijn leven. Na zijn overlijden vielen zijne bezittingen ten
gunste der „Huisarmen“, tenzij door den provenier wettige afstamme-
lingen werden nagelaten, wier rechten onverkort bleven. Mochten de
bloedverwanten weigeren in de opdracht toe te stemmen, dan werd de
prove niet toegewezen. Ten slotte werd nog bepaald, dat alleen burgers
voor proven konden in aanmerking komen; met een vreemde echter,
die in de stad een tijd gewoond en zich goed gedragen had, zou behoor-
lijk consideratie genomen worden. Opvallend, dat de magistraat de ver-
houding alleen regelde voor de proven, of moet het zoo begrepen wor-
den, dat hier gewoon de algemeene regel van toepassing werd ver-
klaard?
Van den aanvang af heeft de instelling der huisarmen gestaan in het
middelpunt der belangstelling, niet slechts van de burgerij, maar ook
van de omliggende plaatsen. De legger der bezittingen en inkomsten,
samengesteld in 1591, vermeldt over de periode 1366 tot 1598 niet min-
der dan 146 schenkingen, waarvan er slechts enkele dateeren uit den
tijd der oude broederschap. De werkzaamheden breidden zich dermate
uit, dat in 1504 reeds een bestuurswijziging noodig wordt geacht, die in
dezen zin wordt aangebracht, dat het aantal meesters wordt terug-
gebracht tot drie en in de plaats van den vierden een „deiner oder
rentmeester" wordt aangesteld, die belast was met het beheer der goe-
deren en met de dagelijksche werkzaamheden, waardoor de eigen-
lijke dienst der meesters ophield. Deze verandering werd door den
magistraat aangebracht, die mede op dit tijdstip reeds de benoeming
der meesters aan zich getrokken had, wat te opmerkelijker is, daar
blijkens de stichtingsakte Gerard van Steghen zijn instelling buiten
directe inmenging van den magistraat had willen houden.
Bij het oude gasthuis werd reeds aangestipt, hoe ongeveer gelijktijdig
met de overname der „huisarmen van den H. Geest" de bestuurders
ook optreden als meesters van het gasthuis. Toen ± 1520 de bestuurs-
scheiding plaats had, bleef de instelling der huisarmen in het gasthuis
gevestigd, wat blijkbaar aanleiding heeft gegeven tot meeningsverschil
omtrent onderhoudsplicht der gebouwen. Deze geschillen werden tus-
schen beider besturen in 1553 in dier voege geregeld, dat de „Huis-
armen" voor den vervolge zou belast zijn met het onderhoud van de
halve gasthuiskapel en het gasthuis met het onderhoud van de andere
helft plus van al de andere gebouwen.
De groote beroeringen in de tweede helft der 16e eeuw zijn niet spoor-
loos aan de instelling voorbij gegaan. Te zeer belast met overheids-
zaken konden de armenmeesters hare belangen niet voldoende behar-
tigen. Menigvuldige klachten brachten den magistraat er in 1587 toe
een onderzoek in te stellen, waarbij hij tot de bevinding kwam, dat over
de periode 1566-1587 niet alleen geen enkele schenking gedaan was,
maar ook dat de uitkeeringen zeer onregelmatig hadden plaats gehad, ja

249
ling veilig den Franschen tijd. Wel dreigde een oogenblik gevaar, toen
op grond der wet van 7 frimaire an V moest worden overgegaan tot
oprichting der centrale „Bureaux de bienfaisance", waarin opgelost
werden alle plaatselijke instellingen, de gestichten uitgezonderd. Men
mocht er echter in slagen om voor Roermond den ouden toestand
te behouden, en het centrale bureau, dat hier werd opgericht, heeft
slechts beteekenis gehad voor de omliggende gemeenten, opgenomen in
het canton de municipalité de Ruremonde. Het K.B. van 7 December
1822, waarbij ontbinding en likwidatie dezer centrale bureaux gelast
werd, heeft, ofschoon in letterlijken zin niet op Roermond van toepas-
sing, tot gevolg gehad de afscheiding der „Huisarmen“, daar het blijven
voortbestaan in centraal verband met het Hospitael-Generael geacht
werd in strijd te zijn met den geest van het K. B. Onder de nieuwe
benaming van „Bureau van weldadigheid“ werd de afscheiding op
1 Januari 1824 voltrokken, terwijl door den gemeenteraad het bestuur
werd opgedragen aan een commissie van vijf leden.
Een belangrijk verlies werd door de instelling geleden door het decreet
van 21 Augustus 1810, hernieuwd bij K. B. van 23 Juni 1816, waardoor de
gemeentebesturen ontslagen werden van alle verplichtingen tegenover
instellingen van weldadigheid en die tot gevolg had, dat al de oudtijds
gestichte proven zijn verloren gegaan.
Bij de invoering der Armenwet van 1854 werd het bureau van weldadig-
heid na veel discussie gerangschikt onder de gemeenteinstellingen.
Waar gebleken is, dat zeker reeds vanaf 1500 de instelling der „Huis-
armen" geregeld en bestuurd werd door de burgerlijke overheid, was
aan de hand der wet een andere classeering onmogelijk.
Bij besluit van den gemeenteraad van 23 Mei 1856 werd een reglement
vastgesteld, waarbij de naam gewijzigd werd in „Algemeene Armen-
instelling". Het bestuur bleef toevertrouwd aan een College van vijf
regenten, die benoemd en ontslagen werden door den gemeenteraad,
aan wien rekening en begrooting ter goedkeuring moesten worden voor-
gelegd. Het verleenen van onderstand werd aangepast aan de wette-
lijke voorschriften omtrent armenzorg, uitgeoefend door burgerlijke in-
stellingen met het gevolg, dat de oude instelling, die eeuwen lang de
voornaamste was, voor den vervolge slechts een aanvullende taak en
een secundaire beteekenis kreeg.
Het huidig geldende reglement van 20 September 1913 heeft niet veel
wijziging meer aangebracht, doch het ruimere standpunt der armenwet
1912 ten opzichte der burgerlijke armenzorg en de groote subsidies
van gemeentewege verleend, hebben de Algemeene Armeninstelling
weer doen treden in de oude plaats. Voortgekomen en gegroeid uit het
bescheiden initiatief van Gerard van Steghen in 1447 is de Algemeene
Armeninstelling heden ten dage feitelijk het orgaan, belast met de
overheidsarmenzorg.

POLLARTZ-GASTHUIS.
Magister Johannes Pollart, doctor in de beide rechten, proost van
St. Walburg te Arnhem en eerder proost van het kapittel van den

251
terwijl 2 jaar later het gasthuis gesloten werd en de beide overgebleven
armen naar het gasthuis op den Steenweg overgebracht werden. Deze
toestand zal wel niet zonder invloed geweest zijn op de beslissing van
1592 om de beide gasthuizen te vereenigen. Sinds deze vereeniging
komt het gasthuis meestal voor onder de benaming „Oudmanhuis".
De gebouwen werden vergroot en vertimmerd, doch de werkzaamheden
blijken niet erg gevlot te hebben, want 31 Augustus 1600 krijgen de pro-
visoren de aanmaning te zorgen voor den winter gereed te zijn. Bij de
fusie werd uitdrukkelijk vastgelegd, dat ook voor den vervolge de in-
stelling geregeld bleef door den fundatiebrief uit 1482.
Daar de regel van Pollartzgasthuis slechts toeliet proveniers op te
nemen, werden de zieken van het oude gasthuis niet overgenomen.
Wat is er met dezen gebeurd? Het is wel geen toeval geweest, dat juist
in 1592 door den magistraat de reparatie gelast werd van het „Sieckhuys
bie der Speulport". Over deze inrichting is niet veel bekend. Waar-
schijnlijk op kosten der stad gebouwd, werden de provisoren door den
magistraat benoemd, totdat in 1606 beheer en onderhoud opgedragen
werden aan de meesters der „Huisarmen“. In 1655 maken de provisoren
van het weeshuis aanspraak op het vervallen gebouw.
De nieuwe Beyer gebouwd naast het gasthuis behield zijn bestemming
tot in 1674, toen hij door den magistraat aan den koning afgestaan werd
voor hospitaal „tot gerieff van Syner Majesteits volcheren van oorloge".
Tegelijk met de veranderingen werd een kleine kapel gebouwd, zoo
ingericht, dat de vreemde armen beneden en de proveniers boven de
H. Mis konden hooren, doch daar ze door hare ligging voor op straat
veel ongerief veroorzaakte en nooit in gebruik was geweest, werd ze
in 1625 weer afgebroken.
Onder de vele bezittingen behoorde een derde gedeelte der tiend van
Sevenum, waarvoor het gasthuis leenroerig was aan Broeckhuysen.
Ook bij deze instelling schijnt het usance geweest te zijn, dat een
provenier bij opname zijn goederen aan het gasthuis opdroeg.
In 1754 werd het oudmanhuis bij het Hospitael-Generael gevoegd. De
gebouwen op den Schuitenbergh, onttrokken aan hun oude bestemming,
dienden daarna tot huisvesting van invaliden en, nadat ze in den Fran-
schen tijd gebruikt werden als vergaderplaats der vrijmetselaren, in de
vijftiger jaren der vorige eeuw door het R. C. Godshuis verkocht.

DE BEIDE WEESHUIZEN.
Vóór de stichting dezer inrichtingen zorgde de stad zelf voor de arme
weezen, die bij burgers in de stad werden uitbesteed. De kosten werden
gezamenlijk gedragen door de stad, Huisarmen en Gasthuis.

A. JONGENSWEESHUIS. Bij den stadsbrand van 1665 zijn alle
documenten verloren gegaan, zoodat de stichting eenigermate in het
duister ligt. Een register uit 1714 vermeldt, dat de eerste schenkingen
gedaan werden op 12 en 14 Mei 1630 door kanunnik Willem Randen-
raedt en Petrus Kannegieter met verdere toevoeging: „synde dese de


253
door de stichters verzocht was voor zich en zijne afstammelingen het
provisorschap te willen aanvaarden. Den anderen provisor zou de
magistraat benoemen „uyt den schepenen off raedstoel“ met dien ver-
stande dat een bloedverwant der stichters vóór anderen in aanmer-
king kwam, zooals de stichters zelf den eersten keer aanwezen „onsen
broeder ende swaeger der Lt. Johan Spee scepen deser stadt ende
heuffgericht".
Met de dagelijksche leiding in huis en de opvoeding der kinderen wa-
ren twee of drie ongehuwde vrouwen belast, die „int spiritueel onder
d'opsichte ende correctie" stonden van den pater rector der Jesuiten.
Deze weesmoeders, aangesteld door de provisoren, moesten aan dezen
rekening en verantwoording afleggen over het gebruik der inkomsten
der stichting, die aan haar werden afgedragen.
In de stichtingsakte wordt uitdrukkelijk bevolen, dat de kinderen „in
geen andere religie als de roomsche catholycke alleen saligmaeckende
sullen worden opgetrocken". Zoo van dezen regel mocht worden afge-
weken, zouden de bezittingen terugvallen aan de oorspronkelijke schen-
kers of hunne erfgenamen.
In 1719 werd aan deze instelling een belangrijke schenking gedaan door
Mathilde Bors, kleindochter der stichters, ten behoeve van zes weezen
uit Nijmegen. Opmerkelijk is hoe ook kanunnik Bors en Dorothea Bors,
broeder en zuster van Mathilde, ondanks al hun ijver voor het Hospi-
tael-Generael toch een bepaalde voorliefde aan den dag legde voor de
grootouderlijke stichting. De eerste benoemde het weeshuis tot zijn
universeel erfgenaam, terwijl de tweede al haar roerende goederen
legateerde. Tot de eigendommen behoorden mede de uitgestrekte lan-
derijen van van der Steen's goed te Bocholt in België, waarvan de
laatste in 1930 verkocht zijn.
Evenals de beide voorgaande instellingen werd ook het meisjesweeshuis
in 1754 bij het Hospitael-Generael gevoegd.
----------
Met de stichting van het Hospitael-Generael werd de magistraat ten
opzichte der armenzorg voor den verderen duur van het Oostenrijksch
bewind uitgeschakeld, om welke reden hier iets volgen mag over zijne
taak vóór dien tijd. Behoudens de gevallen, waarin de magistraat zelf
optrad, omdat er niet van elders in voorzien was, beperkte zijn taak
zich tot het houden van toezicht en het treffen in het algemeen van
maatregelen om een goede armenzorg mogelijk te maken. Het toe-
zicht omvatte o. m. benoemen der bestuurders, controleeren van
rekeningen en vaststellen van reglementen, terwijl onder de alge-
meene maatregelen vooral van belang zijn de ordonnantiën tegen de
bedelarij. Ook op dit stuk weer werd onderscheid gemaakt tusschen
eigen en vreemde armen. Terwijl de eersten aalmoezen mochten vra-
gen, indien ze voorzien waren van een „teecken“, dat jaarlijks op het
stadhuis moest gehaald worden, werden de tweeden geweerd en was
het hun verboden langer in de stad te verblijven dan voor vreemde-
lingen toegelaten was. Overtreding van dit voorschrift werd vooral

255
placcaet bij ons uyt te geven wij geheelijck willen beletten de bedelerije
binnen de Stadt Ruremonde, sal het Hospitael-Generael sorge hebben
van te voorsien aen alle noodtsaeckelijckheden der armen". Deze ge-
dachtengang is nog verder uitgewerkt in het keizerlijk placcaet van
9 October 1739 over de bedelarij in Roermond, aanvangende met deze
woorden: „Beslooten hebbende van binnen onse stadt van Ruremonde
op te rechten een algemeen Gasthuys, om daerinne te nemen de mach-
teloose armen, dewelcke door hunnen ouderdom, ofte gebreckelijck-
heden niet in staet en sijn hun broodt te gewinnen, om door desen
middel met krachte bij te staen de waerachtige armen". Het motief tot
oprichting blijkt dus niet zoo zeer geweest te zijn het scheppen van
een nieuwe inrichting waar armen een liefderijke verpleging zouden
vinden, dan wel om door opsluiting en afzondering van invalide armen
een betere armenzorg mogelijk te maken. De oprichting gaat derhalve
zeer veel lijken op een politiemaatregel. Geheel in deze lijn wordt niet
alleen de opname in het Hospitael-Generael bevolen van de gezonde
bedelaars, maar wordt ook het geheele toezicht op de bedelarij den ma-
gistraat onttrokken en opgedragen aan de bestuurders der instelling.
Er werden opgenomen „kinderen, de lamme ofte kreupelen, ende de
persoonen, dewelcke door hunnen hoogen ouderdom niet meer in staet
syn hunnen cost door den arbeydt te winnen alsmede de gesonde
bedelaers, deselve altemael afscheydende in besondere quartieren vol-
gens hunnen verscheyde ouderdom en geslagte".
Allen moesten in huis worden bezig gehouden met het spinnen van vlas
en wol en deze verder bereiden voor de fabriek, doch er mocht geen
werk gedaan worden, wat in de stad reeds door de ambachten beoefend
werd. Een aparte afdeeling werd ingericht voor zieken, waarvoor het
reglement van 4 December 1734 gelden bleef. De bedeeling buiten het
gesticht verrichtten de bestuurders als beheerders der tafel van den
H. Geest, welke, zooals bij de „Huisarmen“ reeds vermeld is, werd aan-
gehecht.
Het bestuur over het Hospitael-Generael werd opgedragen aan een
„congregatie" van tien directeuren, te weten: „ses uyt crachte van hunne
ampten ende vier bij verkiesinge". Tot de eersten behoorden „van den
cant der geestelijcke", de bisschop, een kanunnik, aan te wijzen door het
kapittel, en de pastoor, en „van den cant van de weireltlijcke“ de cancel-
lier, een raadsheer uit de eerste kamer door deze aan te wijzen en de
regeerende burgemeester. De tweeden werden benoemd door de con-
gregatie en, belast met de dagelijksche leiding in huis, waren ze ver-
plicht maandelijks ten stadhuize te vergaderen, welke vergadering mede
bijgewoond werd door den kanunnik, den burgemeester en den pas-
toor. De voltallige congregatie vergaderde vier maal per jaar op vaste
Zondagen om de gewichtige zaken af te doen.
Belast met de zorg voor alle armen werden ook de inkomsten der armen
zooveel mogelijk in het Hospitael-Generael gecentraliseerd. De direc-
teuren moesten viermaal in het jaar door de stad collecteeren en wa-
ren gemachtigd om te trachten de kloosters, broederschappen of parti-
culieren te bewegen de aalmoezen, die ze verplicht waren te geven,

257
slechts voor het oud manhuis werd in dit opzicht een andere regeling
getroffen, wat dus zeggen wil dat naar de verdeeling der stichtingsakte
van 1482 de bestuurders dezer instelling het recht hadden zes oude man-
nen in het Hospitael-Generael te plaatsen.
Sinds 1754 werd vóór den Franschen tijd nog herhaaldelijk wijziging
in het bestuur gebracht; zoo stelde het decreet van 12 Mei 1789 het aan-
tal directeuren weer op tien. Toen bij decreet van 10 vendémiaire an
IV „les départements réunis" bij Frankrijk werden ingelijfd, was de
eerste furie der revolutie eenigermate geluwd. Het decreet van 23 mes-
sidor an II (19-24 Maart 1793), dat eenvoudig alle instellingen van wel-
dadigheid ophief en verkoop van hare goederen gelastte, was reeds
achterhaald door het decreet van 9 fructidor an III, terwijl enkele dagen
later het decreet van 2 brumaire an IV volgen zou, door welke decreten
de wetgeving van het jaar II werd opgeschort tot een nieuwe regeling
getroffen was onder gelijktijdige handhaving van den bestaanden toe-
stand. Deze nieuwe regeling kwam tot stand bij de wet van 16 vendé-
miaire an V (7 October 1796), waarbij de „hospices civils“ in het leven
geroepen werden en al beteekende deze wet nog niet ten volle een terug-
keer naar normale toestanden, het patrimonium pauperum werd ten
minste definitief aan zijn bestemming teruggegeven. In ieder geval bood
deze regeling de gelegenheid in die streken, waar de wetten uit het jaar
II nog geen toepassing gevonden hadden, om - mits locale en depar-
tementale bewindvoerders niet tegenwerkten - den ouden toestand
zooveel mogelijk te behouden. Later werd de materie opnieuw geregeld
bij decreet van 7 germinal an XIII (28 Maart 1805), waarbij de oude
reglementen en stichtingsbrieven weer in eere hersteld werden en dus
teruggegrepen werd naar den toestand van vóór de Fransche revolutie,
zonder echter te herstellen wat inmiddels reeds gewijzigd was.
Deze gang van zaken maakt het vrij moeilijk om precies den invloed
van den Franschen tijd vast te stellen. Enkele feiten echter treden on-
miskenbaar naar voren. Vooreerst is er wijziging in het bestuur der in-
stelling gekomen, op het voetspoor der wet uit het jaar V „Hospice
civil de Ruremonde" genoemd, welke benaming na den Franschen
tijd in de Hollandsche vertaling van Burger Hospitaal wordt overge-
nomen. Het bestuur moest worden opgedragen aan een administratieve
commissie van vijf leden, welke commissie voor het eerst benoemd
werd op 21 fructidor an V (7 September 1797). Het toezicht werd in
handen der gemeentelijke administratie gelegd en nader geregeld in
de wet van 16 messidor an VII, waarbij de commissie al heel weinig
bewegingsvrijheid gelaten werd. Behalve de rekening was ieder besluit
van meer algemeene strekking aan goedkeuring onderworpen. De wet-
geving uit het jaar XIII droeg de taak der gemeentebesturen ten op-
zichte der instellingen in haar geheel over aan den sous-prefet van het
arrondissement.
Daar de Fransche wetgeving uit het jaar V naast de hospices civils en
de bureaux de bienfaisance geen andere zelfstandige instellingen kende,
is een tweede belangrijk gevolg geweest, dat de aangehechte instellin-
gen, uitgezonderd dan de Huisarmen of Tafel van den H. Geest, in

259
slechts in zooverre wijziging bracht door het toezicht van het centrale
rijksgezag te verleggen naar de plaatselijke autoriteiten, welke toe-
stand sindsdien ongewijzigd bleef.
Het reglement van 1856, door den gemeenteraad vastgesteld op 23 Mei
van dat jaar, veranderde den naam in dien van „Roomsch Katholiek
Godshuis", een benaming die na den Franschen tijd in de praktijk ge-
bruikt werd. Als bestemming wordt aangegeven de opname binnen
het gesticht van uitsluitend Katholieke oude zieke of voor het werk
ongeschikte mannen en vrouwen en van kinderen boven zeven jaar.
Slechts een eventueel overschot op de inkomsten mocht worden aan-
gewend voor bedeeling buiten het gesticht. Het mag verwondering wek-
ken, dat in dit reglement voor het eerst wordt vastgelegd, dat het Gods-
huis alleen bestemd is voor katholieken, terwijl in het decreet van
1738 iedere aanduiding in dat opzicht ontbreekt. Toch is dit zeer ge-
makkelijk te verklaren. De bepaling bleef in 1738 achterwege, omdat
onder het Oostenrijksch bewind protestanten niet waren toegelaten
en dus van zelf ook van opname waren uitgesloten. Men behoefde
derhalve daaromtrent geen bepaling te maken.
Door de oprichting van het Louisahuis in 1858 is het doel van het
Godshuis weer opnieuw afgebrokkeld, immers van toen af kwam de
afdeeling ziekenverpleging te vervallen. Vandaar dan ook dat het hui-
dige reglement van 20 September 1913 de opname van zieken niet meer
vermeldt en het doel als volgt omschrijft: „De inkomsten worden aan-
gewend tot verpleging van ouden van dagen, die niet gehuwd zijn en
den 65-jarigen leeftijd hebben bereikt en van weeskinderen of halve
weezen van beider kunne, die behooren tot den R. K. Godsdienst en
in deze gemeente geboren en alhier woonachtig zijn of elders zijn ge-
boren en ten minste vijf jaren onafgebroken hun woonplaats te Roer-
mond hebben gehad."
LOUISASTICHTING.
Op 15 December 1850 overleed te haren huize in de Paredisstraat
freule Louisa de Pollart een der laatste afstammelingen uit het nobele
geslacht, welks naam reeds sinds 1482 door de stichting van Pollartz-
gasthuis nauw aan de Roermondsche instellingen verbonden was. Bij
testament was door haar bepaald, dat hare nalatenschap na aftrek van
lasten en legaten moest gebruikt worden om een gesticht in het leven
te roepen voor weezen of voor religieusen om zieken te verplegen. De
keuze werd overgelaten aan haar neef Jhr. Christoffel Petit door haar
benoemd tot algemeen erfgenaam en belast met de uitvoering van het
testament. Deze liet zijn keuze vallen op een instelling voor zieken-
verpleging, doch werd geruimen tijd in de uitvoering verhinderd door
een proces tegen hem gevoerd door de erfgenamen bij versterf van
moeders zijde van freule de Pollart. Toen eindelijk deze procedure in
1856 te zijnen gunste beëindigd was, haastte Jhr. Petit zich de be-
schikking zijner tante te volbrengen. Het beschikbare vermogen bleek
de belangrijke som van f 125.000 .- te bedragen. Waar het blijkbaar

261
vereeniging is sinds 1880 gevestigd in een met den steun der geheele
burgerij verkregen eigen gebouw in de Kruisheerenstraat. De uitbrei-
ding der stad maakte het werk voor eene conferentie te zwaar, zoodat
in 1925 werd overgegaan tot splitsing der vereeniging in drie afzonder-
lijke conferenties, waardoor naast de oude, wier terrein beperkt werd
voor de stad, voor het rectoraat de taak overgenomen werd door de
conferentie van O. L. Vrouw in het Zand en voor de parochie in het
Veld door de conferentie van het Heilig Hart, terwijl de vereeniging
onder het centraal bestuur kwam van een Bijzonderen Raad
De Damesvereeniging van de H. Elisabeth, als zoodanig officieel gecon-
stitueerd in 1873 heeft feitelijk reeds bestaan vanaf 1852, in welk jaar
door mej. Catharina Cloquet de eerste grondslag dezer instelling ge-
legd werd. Om de meerdere duurzaamheid werd de vereeniging in
1924 omgezet in eene stichting. In 1925 werd een zelfstandige stichting
opgericht voor de Kapel in het Zand.
De toenemende specialiseering der armenzorg leidde in de latere jaren
tot oprichting van het R. C. Armbestuur in de parochie van den
H. Christophorus, het Opvoedings- en Ambachtsgesticht St. Jozef, de
Commissie van Liefdewerken voor de R. K. Werkliedenvereeniging
het plaatselijk Comité der Centrale Commissie voor de uitzending van
Nederlandsche kinderen naar buiten, de Hulp in de Huishouding van
de R. K. Vereeniging „Het Limburgsche Groene Kruis“, de Vereeniging
Liefdewerk tot kinderbescherming en de Vereeniging Weldadigheid.
Van Protestantsche zijde werden gesticht de diaconieën der Protes-
tantsche Gemeente en van de Gereformeerde Kerk. Als jongste loten
aan den ouden boom ontstonden de stichting „de Stille Armen" en
het „Liefdewerk Stille Armen van de vereeniging van den H. Vincen-
tius van Paulo", welke beide stichtingen haar oorsprong vonden in
de geheel speciale nooden ontstaan sedert en door den grooten oorlog.














263
Daarin worden genoemd, wolwevers, smeden, brouwers, schoenmakers
en schippers; deze worden dan „groote ampten" genoemd.
Over den uitgebreiden lakenhandel van Roermond wordt in verschei-
dene stukken gewag gemaakt.
Reeds 24 Juli 1347 verpacht Hertog Reinald van Gelre aan de stad
Roermond eeuwig en erfelijk het gewanthuis aan de Markt gelegen,
voor een jaarlijksche erfpacht van drie pond oude grooten. Een frag-
ment van dit in 1780 bijna geheel afgebroken gebouw bevindt zich nog
in den zijgevel van het huis Heijnen, thans bewoond door de Dames
Gez. Lommen. Een foto van 1905 toont ons muurtraceeringen, waaruit
men mag besluiten, dat het gebouw omstreeks 1300 werd gesticht.
Een teekening van Jan de Beijer uit 1736 toont ons het monumentale
gebouw, toen bekend als de Grauwe toren, door sommige schrijvers
aangenomen als verbastering van Graventoren.
Dat zoo'n gebouw in dien tijd als lakenhal kon worden gesticht, bewijst
wel de groote beteekenis van de wolnijverheid hier ter stede. Tot in
Dortmund en Osnabrück vinden wij op het laatst der 14de eeuw spo-
ren van den handel der Roermondsche lakenkooplieden. Roermondsche
burgers genoten te Venlo tolvrijdom voor het gewant, dat stroomaf-
waarts werd verscheept. Op het einde der 15de eeuw stonden er aan de
Roer volmolens behoorend aan de stad en de Roermondsche Karthui-
zers, en toen in 1494 de Karthuizer volmolen afbrandde, werd door de
stadsregeering op hetzelfde stuk grond een nieuwen volmolen gebouwd,
„omdat die drapperije ind gewantmaken eijn principaal stuk ende ge-
meijn naronghe is dair onse stat op steyt" enz.
Het brouwersampt heeft ongetwijfeld zijn groote beteekenis en aanzien
te danken aan het groot aantal brouwerijen, dat Roermond nog in de
15de eeuw telde.
We lezen dat in stukken, die over het gruitrecht handelen. Als giststof
werd vroeger gruit gebruikt en het recht die gruit te maken behoorde
den landheer, die het recht echter kon verkoopen of beleenen.
Het was een monopolie, dat alle brouwers hun gruit haalden op het
gruithuis. De voordeelen aan dit recht verbonden waren zeer groot.
Toen in 1410 Reinald IV Roermond met het gruitrecht beleende, be-
taalde de Magistraat voor dit recht 3000 Geldersche en 650 Rijnsche
guldens, een bewijs van den grooten omzet van de Roermondsche bie-
ren. Later - in 1472 - kreeg Roermond van Hertog Arnold als beloo-
ning voor zijn trouw en bewezen diensten het voorrecht, dat in het
ambt Montfort slechts Roermondsch bier mocht gebrouwen, getapt en
verkocht worden. Slechts Echt en Nieuwstad waren daarvan op zekere
voorwaarden vrijgesteld.
Nog in 1621 telde het brouwersampt te Roermond 30 brouwerijen.
Over het schoenmakersampt in vroegere eeuwen is weinig bekend. In
1390 wordt echter de „Schomekerstraat“ genoemd, waaruit wel blijkt,
dat toen reeds verschillende meesters - evenals bij andere ampten -
daar samen hun bedrijf uitoefenden.
Onder de handelswaren, die in 1372 binnen Roermond werden ver-
scheept, worden ook huiden genoemd. In 1436 wordt reeds de Pelser-

265
Uit het laatst der 16de eeuw dagteekent ook de stichting van het Sacra-
mentshuisje (het tegenwoordig Sacramentsaltaar) in het noordelijk
koor der kathedraal. De aanleiding ertoe kwam eigenlijk door het in-
storten van het gewelf boven het Sacramentskoor. Op 5 December 1591
werd dat gewelf op last van den Magistraat vernieuwd door Thiery
Doneux van Luik voor 450 gulden brabantsch en het voorrecht van
burgerschap.
Op 20 Mei 1593 werd over het maken van een nieuw crucifix en het
Sacramentshuisje in de Moederkerk onderhandeld met Mr. Peter den
Bildtsnijder van Aacken, die op 6 Mei 1595 voor het Sacramentshuisje
600 daler en voor „een nieuw crucifix met twee bilden“ 110 daler
ontving.
Vermoedelijk ook wegens werkzaamheden in de moederkerk werd op
16 Mei 1598 aan Meester Anthonisz 'd Ametzaga den schilder, op voor-
stel van meesters en broeders der O. L. Vrouwe broederschap, het
burgerschap geschonken.
Als schilder en graveur was toen ook te Roermond werkzaam Johan
van der Linden, genaamd Boen of Boener; hij was kerkmeester der
Moederkerk. Op 18 Februari 1599 verzocht hij aan den Magistraat van
Roermond betaling voor de altaartafel, die hij voor het Lievevrouwe-
koor in die kerk had geschilderd en welke hij Pinksteren 1598 had
afgeleverd.
Soms ontstonden er in de ampten moeilijkheden bij welk „groot“ ampt
de beeldsnijders konden worden toegelaten.
Zoo werd 5 November 1620 Lambert Moelen, beeldsnijder hier geves-
tigd, gemolesteerd door het schrijnwerkers- en goudsmidsampt. Hij
moest toen zijn intrede in het schrijnwerkersampt koopen en de Ma-
gistraat beval het goudsmidsampt hem terug te geven, wat men hem
had afgenomen. Later werd hij echter volgens de statuten tot het goud-
smidsampt toegelaten.
Vermoedelijk is het aantal ambachtslieden in de kunstvakken gedu-
rende de 17de eeuw vrij aanzienlijk gebleven. Op 7 November 1658 en
15 Augustus 1672 lezen we althans over de meesters en toetreding der
gezellen van het St. Lukasambacht.
Maar ook toen was er al concurrentie. Op 12 April 1685 moest de
Magistraat aan de religieuzen in de kloosters verbieden voor hunne
werkzaamheden vreemde schilders en beeldhouwers te gebruiken. Dit
wijst op achteruitgang. Gedurende de 18de eeuw leest men er weinig
over. Eerst tegen het einde der 18de eeuw omstreeks 1790 maken de
Donderdagsche Protocollen weer gewag van een kunstenaarsampt.
Omdat Roermond in de 19de eeuw weder een belangrijk centrum van
kunstambacht en -nijverheid zou worden, houde men ons de uitweiding
over deze ampten ten goede.
Over de organisatie der gilden onderling, over de verhouding der amp-
ten tot de stadsregeering en de rechten en plichten van gezellen en
meesters tegenover de overheid worden we, vóór de hernieuwing der
amptsbrieven - het eerst in 1540 - slechts spaarzaam ingelicht.
In de oudste bekende ordonnantie over de Roermondsche ampten n.l.

267
naamden tweeden raad en dat waren de bovengenoemde zesmannen,
die later overgingen in de tienmannen.
In 1527 wordt zelfs gesproken van „twintichmannen“: dit schijnt echter
een uitzondering te zijn gebleven.
De ontwikkeling van dit instituut van vier tot zes en later tot tien ver-
tegenwoordigers in den Raad laat wel zien een streven naar meer macht
en medezeggingschap en een opkomen van meer democratische elemen-
ten in het stadsbestuur.
Dat opdringen van onder naar boven is vooral merkbaar in de tweede
helft der 16de eeuw. Het is niet onmogelijk dat deze stroomingen voort-
kwamen uit de vrees voor een nieuwe regeering en zelfs voor den nieu-
wen bisschop (Lindanus), met medewerking van Koning Philips tot
Roermonds kerkvoogd benoemd.
In dat verband is wel opmerkelijk een mededeeling van 30 December
1566 waarin wij lezen, dat werkmeestersgezworenen met de tienman-
nen der stad Roermond met inwilliging van de meesters der ampten
vier afgevaardigden benoemen om op het consistorie te Antwerpen
over de nieuwe religie te gaan beraadslagen.
Ook het verleggen der kermis, waartoe de Magistraat van Roermond
op 17 December 1596 besloot, was niet geschied zonder voorkennis van
bisschop Cuyckius, de tienmannen en de meesters der groote ampten.
Van zulk overleg lezen we ook in December 1609, als de tienmannen ten
stadhuize worden geroepen om met den Magistraat te overleggen hoe
de belastingen het best kunnen worden geind.
Merkwaardig is ook de mededeeling in een gemeentelijk archiefstuk
van 10 Juni 1632, dat Burgemeester Petrus Bossman bij de capitulatie
der stad daarin eerst heeft willen toestemmen na daarover de tienman
nen „representeerende het corpus van de geheele gemeynte" te hebben
gehoord.
Maar niet altijd was er overleg. Dikwijls lezen we over meeningsver-
schillen, over stil verzet en een enkele maal zelfs van oproer der ampten
tegen de stadsregeering. Verzet was er op 22 Januari 1671, toen van-
wege de bezwaarlijke tijden de accijnsbelastingen der ampten verhoogd
werden. De ampten protesteerden maar zonder gevolg. Daaruit ont-
stond ontevredenheid, die zich uitte in geheime vergaderingen en onge-
oorloofde bijeenkomsten, waartegen de Magistraat vanuit Brussel werd
gewaarschuwd. In brieven van 1673, 1677 en 1690 wordt herhaaldelijk
gewezen op het vergaderen der tienmannen onder hun vrouwenbroeder
zonder voorkennis van het stedelijk bestuur.
Tot aan de opheffing der gilden worden regelmatig in de Donderdag-
sche Protocollen de benoemingen der tienmannen meegedeeld. Op
21 Mei 1790 wordt in een resolutie nog vastgesteld, dat de tienmannen
Maandags ten raadhuize zullen verschijnen om met de raden over de
financien enz. te vergaderen; voor hunne bemoeiingen wordt den
raedtstienmannen” 100 gulden toegezegd.
Ook toen werd echter meermalen vergaderd zonder den Magistraat.
Dat wordt in een vergadering van het stedelijk bestuur op 8 Juli 1791
nog bevestigd door een verbodsbepaling en op 10 November 1791 door

269
Meermalen lezen we voorschriften van den Magistraat, die de volg-
orde in de processies regelen. Bij overlijden en uitvaart van een der
amptsbroeders of diens nabestaanden, waren de amptsbroeders ver-
plicht de Requiemmis bij te wonen en het lijk naar de grafplaats
te volgen.
Arbeid op Zon- en feestdagen was op zware boete verboden.
Aan het hoofd van elk ampt stonden twee of meer meesters, soms
dekens, hoofdlieden of gaffelmeesters genoemd, die gewoonlijk voor
een jaar werden gekozen. Op de zittingen en kerkelijke en openbare
feesten droegen zij als onderscheidingsteekenen op de borst de zilveren
gildeplaten. Ook kende men ze aan hun kovels of kappen, die wel door
elken amptsbroeder werden gedragen, maar bij de meesters dikwijls op
bijzondere wijze waren versierd.
Om in het ampt te worden opgenomen, moest men zijn van onbespro-
ken levenswandel en goed gedrag en verder te goeder naam en faam
bekend staan. Bovendien moest de in het ampt tredende gezel, na een
tijd als leerjongen te hebben gewerkt, „ingeboren, ingehylickt oder in-
gegolden burger" zijn. Voor zoons en schoonzoons van amptsbroeders
werden die voorwaarden in den regel gematigd.
Om zijn vakkennis te toonen moest een gezel, vóór hij tot meester werd
bevorderd, een proef afleggen. Daarbij werden waarborgen gesteld om
te voorkomen, dat hij door anderen werd geholpen, of andere onge-
oorloofde handelingen werden verricht.
Ten slotte moest de nieuweling nog bijdragen in de kas, de armen met
een gift gedenken en soms een kwantum bier geven om de amptsbroe-
ders te onthalen. Tot versiering der gaffels - de huizen en lokalen waar
het ampt vergaderde - en ten gebruike bij brand - moesten lederen
brandemmers worden gegeven, met het wapen of kenmerk van het
ampt. Ook behoorden wijn, was en zelfs rundvleesch en rogge tot het
aandeel, soms door den nieuw aangenomen meester verschuldigd.
Alleen de meesters waren eigenlijk leden van het ampt. Leerlingen en
gezellen waren wel onderworpen aan de voorschriften van den ampts-
brief, maar bezaten niet altijd het voorrecht van lidmaatschap.
In die amptsbrieven waren de boeten op overtredingen beschreven en
ook de ordemaatregelen, waaraan allen moesten gevolg geven.
Dat gold voornamelijk de orde op de gaffels, het weren van onmatig-
heid bij maaltijd en gelag, het tegengaan van onderkruiperij in werk
en levering, den verkoop van goede en deugdelijke waren, de rangorde
in de processies, de uitoefening der godsdienstplichten, het onderhoud
van kapel en altaar en steeds ook de verplichting tot aantreden op de
vastgestelde loopplaats, als het ampt daartoe door Burgemeester en
Raad werd bevolen.
Daarbij had elk ampt nog bijzondere bepalingen in zijn amptsbrief.
Bij de bakkers, die „op den coop backen of voor loon" - zooals het in
den vernieuwden amptsbrief van 15 November 1601 heet - is het ver-
boden zemelen onder de rogge te mengen. Zij moeten zich voor den
prijs van het roggebrood of voor het gewicht van het witbrood houden


271
moest hij eerst aan den Raad of den tijdelijken Ritsburgemeester wor-
den voorgesteld en bekwaam en geschikt worden bevonden. Eerst daar-
na werd hij toegelaten tot het maken van een proefstuk, dat niet bij
name wordt genoemd, maar waarvan de keuze wordt gelaten aan de
amptsmeesters, die daarbij naar eer en geweten zullen handelen.
Onder het timmerampt behoorden ook de „cuypers en ramekers“. De
jaarlijksche feestdagen waren St. Joseph en Sacramentsdag. In de pro-
cessies moesten de jongste meesters „in eerlicken habijt" de toortsen
dragen op boete van een pond was. In den vernieuwden amptsbrief
der gewantmakers van 1555 wordt getuigd van den achteruitgang dezer
nering. Daarom wordt er in voorgeschreven en toegelaten, dat uitslui-
tend zij, die tot het ampt gerechtigd zijn, laken mogen maken, in hun
eigen huis bereid en dat zij in het groot met den ganschen doek ver-
koopen. Zij, die lakens willen verkoopen in het openbaar of onder-
hands, zullen daartoe het ampt moeten „koopen“.
Ten behoeve der burgers nam de Magistraat nog andere maatregelen
bij den verkoop van den stadsvolmolen aan de Roer op 28 October 1549.
De molen moest steeds volmolen blijven. Er mocht geen hooger loon
worden bedongen als bij den molenaar te Swalmen en de stedelijke
gewantmakers moesten vóór de vreemden worden geholpen.
Om bedrog te voorkomen en den goeden naam van het Roermondsche
laken hoog te houden moesten de werkmeesters vlijtig toezien, dat
elk laken op behoorlijke breedte geworpen en geweven werd. Laken,
niet op de vereischte breedte, mocht buiten de stad niet onder den naam
Roermondsch laken worden verhandeld. Slechts door vreemdelingen
en op vrije jaarmarkten kon zulk laken worden gekocht, maar nimmer
door amptsmeesters of gezellen, op boete van een goudgulden, een deel
aan den heer, een deel aan het ampt en een deel aan de stad.
Eenzelfde verdeeling der boeten komt ook voor bij andere ampten. De
gewantmakers teerden op Sacramentsdag en op Sint Severus, hun pa-
troon. Het weven was op dien dag niet toegelaten op boete van „een el
swartbreyt".
Wanneer de linnenwevers - die teerden op St. Catharinadag - hun
rekenschap aflegden, moesten drie of vier amptsmeesters daarbij aan-
wezig zijn. De vervallen boeten moesten dan aan het stadsbestuur wor-
den bekend gemaakt.
In den smedenamptsbrief, die 27 November 1597 werd vernieuwd, wordt
voorgeschreven, hoe de meesters moeten handelen, indien er argwaan
bestaat, dat zij gestolen ijzer zouden koopen. Ook wordt bevolen, dat
elk meester zijn eigen merk of teeken zal voeren, wat ook op de gaffel
bekend moet zijn en daar moet worden opgeteekend. Die merkteekens
gingen van vader op zoon over en bij ontstentenis van kinderen op de
naaste bloedverwanten. In het smedenampt waren ook opgenomen de
,boirwerckers“, die we heden pompenmakers zouden noemen. Voor de
houten buizen van de pompen was het gebruik van goed, hard en droog
hout voorgeschreven. Het benoodigde staal moest wel „gebout en geen
stafstaal zijn. Hier wordt waarschijnlijk het later zoogenaamde pak-


273
In de stad mocht geen werk verkocht worden buiten de stad gemaakt;
slechts op vrije markten werd dit verbod niet gehandhaafd.
In latere jaren kwam ook het cremerampt tot grooten bloei. De ver-
nieuwing van den amptsbrief dagteekent van 12 Januari 1613. Men leef-
de toen onder het Twaalfjarig Bestand en nu de krijg rustte leefde de
handel op. Naast de gewone bepalingen, die ook in andere amptsbrie-
ven voorkomen, lezen we hierin afzonderlijke voorschriften voor de
„cannegyters“, die ook in dit ampt konden worden opgenomen. De tin-
nen kannen werden onderscheiden in „fijnwerck, grauwerck ende half-
werck". Het fijnwerck droeg tot keur de kroon, het grauwerck - dat tot
gehalte had drie pond tin op een pond lood - werd gemerkt met de lelie
en op het halfwerck - een pond tin op vijf pond lood - werd het eigen
merk van den meester geslagen of de beginletter van zijn naam.
In de kannen mochten geen „pegelen” worden gesteld, pennen of pijlen
om de maat te verkleinen. Zij werden met de eigen stadsmaten be-
proefd en geijkt. Bij overtreding in maat, gewicht en gehalte werden
tamelijk zware geldboeten geheven, soms tot zes goudguldens.
Ketelboeters en dergelijke beunhazen mochten langs de straat geen tin-
werk venten en te koop aanbieden, tenzij op vrije marktdagen.
Bij de cremers behoorden ook de hoedemakers, waarvoor enkele voor-
schriften in den amptsbrief waren opgenomen. Om den handel binnen
de stad te doen bloeien en te bevorderen, werd in den amptsbrief aan
vreemde kooplieden en schippers, mits tegen betaling van de gewone
accijnsbelasting, toegestaan aan vreemdelingen in 't groot te verkoopen.
De koopwaren voor dezen groothandel toegestaan waren o.a. zout -
niet minder dan 25 zakken - Hollandsche en andere kaas, stokvisch
per duizend, haring, bokking, schelvisch, honing, labberdaan, bollick
en andere gezouten visch, teer, zeep, olie, pek en traan; voorts allerlei
waren, die per vat verpakt waren met het last en raapkoeken per
twaalfduizend. Werd kleinhandel gedreven - onder de toegestane hoe-
veelheid - dan werden de cremers beboet. Bij uitzondering was dit toe-
gestaan aan meesters en gezellen van het cremerampt.
Alle koopwaren, die met het gewicht werden verkocht en niet vielen
onder het gewantmakersampt of andere ampten, behoorden tot het
cremersampt b.v. linnendoek, werk, vlas, cannefas, spellewerck, zeem-
leder van buffels, bokken en schapen en verder alle vreemde lederwaren
o.a. corduaansch leder.
Uit deze opsomming blijkt wel de beteekenis van den buitenlandschen
handel van Roermond o.a. met de Oostzeekusten en Skandinavië.
Na den Munsterschen vrede begonnen handel en scheepvaart op de
Maas te herleven. Op 24 October 1658 krijgen de schippers en huur-
vaarders de vernieuwing van hun amptsbrief. Toch bleek reeds gedu-
rende den tachtigjarigen oorlog meermalen van bemoeiingen van de
stedelijke overheid met het schippersampt. In 1576 lezen we over het
kraangeld, dat de schippers bij het gebruik der kraan verschuldigd wa-
ren. Om de lossing der koopwaren te bevorderen, begon men in 1592
met den aanleg van een nieuw havenhoofd in de Roerhaven. In 1598


275
gedeeld om hout te varen van Linne tot Ool, tenzij in geval van oorlog
of watersnood.
Wilde een koopman toch laten vlotten op Zon- en feestdagen van Ool
tot Beesel, dan moest hij op het loon een toeslag geven van achttien
stuivers voor den arme. Hout voor Venlo mocht door de Roermondsche
huurvaarders slechts gebracht worden tot Kessel achter de Weerd.
Ook werd geregeld het aanwerven van gezellen voor verschillende
vrachten, het medevaren en op- en afvaren van vreemde gezellen b.v.
van Luik of Dordrecht. Ook de hoeveelheid hout waarvoor een schip-
persgezel noodig en aansprakelijk was werd voorgeschreven. Vracht en
arbeidsloonen werden slechts vastgesteld met goedkeuring van den
Magistraat en konden evenzoo slechts met diens goedvinden veranderd
worden naar gelegenheid des tijds en rekening houdend met de zware
lasten van het ampt in den vorm van havengeld, tolrechten, licenten
en „schippersteuer"
Na deze bijzonderheden over de inwendige aangelegenheden der amp-
ten resten nog enkele mededeelingen over de langdurige vervalperiode
der gilden. Dit tijdperk, reeds vóór 1600 ingeluid, heeft langzaam mede-
gewerkt tot den ondergang dier instellingen in 1795 gedurende de Fran-
sche Revolutie en het Fransche bewind in deze streken.
Bij beschouwing van de vervalperiode der ampten is men geneigd het
eerst te denken aan het decreet van 10 November 1795, waarbij onder
dwang een einde werd gemaakt aan deze instellingen. Toch is dat niet
geheel juist.
Alle gezaghebbende schrijvers zijn het erover eens, dat op het einde
der 18de eeuw, de gilden in hun organisatie waren verouderd en niet
meer van hun tijd. De oorzaak van het verval lag ook bij de gilden zelf.
Op het tijdstip, waarop het instituut - dat vroeger zoo vruchtdragend
had gewerkt - zich niet meer voldoende wist aan te passen aan ver-
anderde inzichten en stroomingen, moest het wel verdwijnen. De geest
van eendracht en samenwerking, van saamhoorigheid en offervaardig-
heid, die de Middeleeuwsche gilden kenmerkte, vindt men na 1550 zel-
den meer terug. Vooral in den aanhef der amptsbrieven worden wij
nog aan dien goeden geest herinnerd.
In den amptsbrief der bakkers van 22 Februari 1540 lezen we nog:
hebben wij bakkers een goede ordonnantie en eendracht gemaakt als
van ouds gewoonte is geweest en zijn samen overeengekomen en ertoe
overgegaan goede vriendschap en broederlijke minne te hebben en te
houden als hierna beschreven staat en verder lief en leed samen te
deelen zoover het ons ampt aangaat of zal aangaan".
Maar als men in latere amptsbrieven de verbodsbepalingen en de boe-
ten op allerlei overtredingen leest, vraagt men zich af, wat van die
goede verstandhouding en eendracht is overgebleven.
Verder heeft ook het eigenaardig stelsel van bevoorrechting en mono-
polie, dat de ampten zelf in het leven hadden geroepen, ten slotte ook
tot hunnen ondergang medegewerkt.
Vooral de bepaling, dat zoons vanzelf het ampt der vaders konden
erven, dikwijls met gedeeltelijke vrijstelling der meesterproef, kweekte

277
stand en bij het sluiten van den Munsterschen Vrede. Vooral de scheep-
vaart bloeide toen op.
Maar dat meerdere verkeer bracht van zelf weer concurrentie met
andere plaatsen. Zoo kon men bij den bouw van het stadhuis omstreeks
1700 de hardsteenen balusters vanuit Luik geheel gereed laten aan-
In dien tijd lezen we, dat zich hier ook scheepmakers vestigden om
voeren.
schepen en ponten te herstellen. Ook steenhouwers vragen burgerrecht,
voornamelijk komend uit het Luikerland.
In den loop der 18de eeuw krijgt ook de dienst der posterijen grooter
beteekenis. Marktschepen en vrachtkarren op Luik, Venlo en Antwer-
pen dragen er toe bij, dat het isolement van vroeger niet blijft ge-
handhaafd. Maar het gildewezen wordt er niet door bevorderd, het
verliest integendeel in beteekenis.
Al deze verschijnselen hebben ten slotte - met nieuwe opvattingen in
den volksgeest van uit Frankrijk overgekomen - het einde der ampten
zeker verhaast. Zelfs als gesloten vereeniging verloren de gilden hunne
beteekenis. Dat bleek vooral uit de nalatigheid bij de vervulling der
kerkelijke plichten. Het wordt soms zoo erg, dat de ampten eerst na
herhaalde aanmaning van den Magistraat ertoe kunnen besluiten om de
allernoodzakelijkste herstellingen uit te voeren voor instandhouding
der koortjes in de kathedraal.
Nog enkele bestaande koortjes en altaren in de Kathedrale kerk her-
inneren ons aan den voorbijen roem der ampten. Van de gaffels is niets
meer te vinden. Enkele resten van het vroeger gewandhuis werden
reeds vermeld. Zelfs de plaats der gaffels is niet met zekerheid op te
geven. Slechts van de cremers en schippers is bekend, dat zij hun gaffel
hadden boven de Vleeschhal - gebouwd in 1669. De wevers hadden
een vergaderlokaal in de buurt van de Maasnielerpoort bij bakker
Andriessens, zooals in 1787 wordt vermeld.
Een van de laatste herinneringen, het Kolendragershuisje aan de Werf,
werd voor enkele jaren afgebroken, om plaats te maken voor burger-
woningen.
De Heer W. J. van Eldijk, Neerstraat, is in het bezit van het kruis,
dat vroeger prijkte op het altaar van het Cremerampt. Als voetstuk
dient een scheepje; op het zeil de voorstelling van het „Ecce Homo”
Van gildepenningen heeft Roermond - dat overigens een prachtcol-
lectie munten heeft - niets, tenzij enkele looden afslagen, vermoedelijk
uit later tijd.
Op 21 Mei 1790 zien we in de Donderdagsche Protocollen het einde der
ampten reeds aangekondigd. Een resolutie werd genomen, waarbij de
samenstelling van het stadsbestuur werd veranderd. De tienmannen
werden beëedigd en tevens met f 100,- 's jaars bezoldigd. In de op-
somming der gilden worden nog genoemd: huyrvaarders, kooldragers,
gewandmakers, brouwers, schoenmakers, smeden, kremers, conste-
naers, timmerlieden, schrijnwerkers, corvers (mandenmakers), kleer-
makers, pelsers en bakkers. Op 8 Juli 1791 wordt nog eens uitdrukkelijk
voorgeschreven, dat de tienmannen niet mochten vergaderen zonder

279
Het bestuur der putten was opgedragen aan twee of meer putmeesters.
Soms werd bij ontstentenis ook een putmeesteresse gekozen.
In een reglement van 24 Mei 1697, dat de verkiezing van putmeesters
regelt, wordt over de taak der putmeesters een en ander medegedeeld.
Zij mochten nu en dan omgaan voor geldinzameling. De gelden moesten
worden aangewend voor herstel en onderhoud van den put of de pomp;
overschotten mochten gezamenlijk worden verteerd. Op vele putten
nam men het besluit, om in plaats van bier een som geld te vragen,
welke bate dan zou kunnen worden aangewend tot het maken van een
steenen pomp. De Magistraat droeg dan ook bij: dit blijkt o.a. uit de
volgende beschikking aangaande „de nabuyren van St. Rochusput”
(onder aan de Markt).
„Die Raede der Tweede Caemere gehoort de nabuyren van St. Rochus-
put over de conventie door de selve ingegaan van de Lycktrouwende
Erffenisbieren ende vernere casuelen te appliceeren tot het stellen van
eene nieuwe steenen pompe, inhereerende der selver loffelijcke resolu-
tie, verclaeren, dat het geldt alreede daervan geprovenieert ende berus-
tende onder den accysmeester Janssens ten eersten sal worden ge-
employeert tot den incoop der noodige naemsche steenen en dat de
vernere casuele penningen sullen worden gedeponeert in handen van
den voorz. accysmeester Janssens, permitterende des niet te min dat
de nabuyren sullen mogen alle jaeren in den vasten avont verdrincken
alleen twee tonnen bier, sonder meer totdat het loffelick voorhebbende
werck sal sin voltrokken; actum in den Raedthuyse binnen Ruremonde,
den 12 Februari 1750"
Een jaar later werd door de bewoners van St. Rochusput aan de stads-
regeering een voorschot in geld gevraagd. Zij kregen daarop, onder
deugdelijke garantie, een bedrag van vijftig pattacons tegen een jaar-
lijkschen interest van vier ten honderd, terwijl op den eersten vervaldag
in Maart 1752, 25 pattacons moesten worden afgelost. Tot borgen moes-
ten zich stellen alle putbewoners met hunne roerende en onroerende
goederen als onderpand. De overeenkomst werd bekrachtigd 11 Maart
1751, waarbij nog bepaald werd, dat voor de juiste en spoedige betaling
der verschuldigde penningen elke huiseigenaar per huis werd aangesla-
gen voor twee schellingen te beginnen met Vastenavond 1751 en een
huurder met één schelling. Daarmee moest worden voortgegaan, tot het
geheele voorgeschoten bedrag was aangezuiverd. Om zeker te zijn dat
alle gelden voor het doel werden aangewend, verbood ook de Magis-
traat aan de putbewoners gedurende dien tijd met Vastenavond bier
te drinken of andere onkosten te maken.
Aan de naburen van den put in de Steeg, die eveneens de vrijkomende
gelden voor een steenen pomp wilden besteden, werd op 26 Februari
1751 ook een hoofdelijke omslag opgelegd, die echter voor de eigenaars
per huis een schelling bedroeg en voor de „huyrlingen“ een halven
schelling; daarbij werd aan hen wèl gepermitteerd om met Vastenavond
een ton bier te drinken, daaronder inbegrepen het bier, dat jaarlijks
door de Carthuysers aan den put gegeven werd.
Op 18 Februari 1768 kregen ook de bewoners van den Ploechput op den

281
Cloisterspoirte aff, Item den Cloesterswandt soe wijet der thot die
hamputh gehoert, die puth achter St. Cornelis, Item die puth op die
veldtstrate tegens marienwehe, nu het seminarium.
9. Tot den poel van die Canell hoert der puth an loms oert, Item den
dresch, die schoelstrate ten beyden sijden, die veldstrate bis thot den
puth an die Cluse, die Swalmerstrate bis an 't Carthuseren, Item achter
die carthuseren bis an loms oert, die hoghe heghstrate, St. Jansputh, die
brughstrate, die kaelstrate, St. Joestputh, die leuff, der merckt, thot
aan hushoversputh, Item der puth achter die hoghe kirck op den over
mit die wernerstrate.
10. Item thot den poell an der Voigdijen gehoeren die nabaren onder
der Carthuserputh geseten, Item die Steegh then beyden sijden, mit
den puth op den streeck aen den puth in die lomberstraete."
Uit andere stukken van het Gemeentearchief blijkt, dat vóór 1600 be-
stonden: Den Mercktput, St. Joostput, St. Rochusput, St. Niclaesput,
Beggardeput, Puytlingsput, Hamersteinsput, Straesborgsput, Stoxput,
St. Jansput, Carthuyserput en Haemput.
De poelen waren zeer primitief; men kan ze vergelijken met de drink-
plaatsen voor paarden en vee, die men in vele Limburgsche dorpen
nog aantreft. Bovendien vingen deze poelen behalve hemelwater ook
alle afval en vuil op uit straten en wegen. Ze waren niet ommuurd en
dit gaf bij duisternis en ontbreken van straatverlichting dikwijls aan-
leiding tot ongelukken.
Om al deze ongemakken te voorkomen en te beperken moest men de
poelen schoonhouden of vegen, zooals het heette. Later ging men de
poelen bemuren. De naburen vroegen en kregen daarvoor steun van
de stadsregeering.
In de tweede helft der 17de eeuw lezen we dat verschillende poelen
werden dichtgeworpen of overwelfd. Voorzoover ze bronwater hielden
werden er pompen op geplaatst. Datzelfde geschiedde ook met de put-
ten, die in de stad verspreid lagen en bij de wijken behoorden. Daartoe
werkte ook mede de ondervinding, die men had opgedaan bij den groo-
ten brand van 1665, toen vooral door de gebrekkige bluschmiddelen
een groot gedeelte van de stad in vlammen opging en vanzelf ook vele
putten werden onbruikbaar gemaakt
De putten waren aanvankelijk heel primitief, rond of vierkant gemet-
seld, voorzien van een boom tot ophalen van den emmer. Later kregen
ze een windas met zwengel. En het is niet onwaarschijnlijk, dat ook de
putvloten daarbij waren opgeborgen. Dit waren groote houten kuipen,
die op sleden bij de putten gereed stonden om in geval van brand naar
de plaats van den brand te worden gevoerd.
De in het begin zeer eenvoudige houten en looden pompen werden later
vervangen door ijzeren en arduinsteenen pompen. Van deze laatsten
is de monumentale pomp in de Steeg tot nu toe bewaard gebleven. Het
opschrift van die pomp luidt: „Concordes elegere Joannem" d.i. „de
vereenigde buren kozen Joannes als patroon".
IJzeren pompen, omstreeks 1880 gegoten door de firma Giesbers, Bui-
tenop, vond men tot voor korten tijd nog in de meeste straten. Thans

283
schutters moesten trouw zweren aan den landheer, aan Scholtis, Bur-
gemeester, Schepenen en Raad en ook aan de burgerij.
De verdere voorschriften waren vastgesteld als die van de ampten.
Daarin was ook de orde geregeld op de schietbanen, bij het vogel-
schieten en bij de begrafenis van overleden gezellen. De voorschriften
golden ook de ordebewaring op de gaffel en het betalen van de ver-
tering bij samenkomsten.
Deze confrerie was waarschijnlijk onvoldoende gebleken want in 1582
en 1586 lezen we nog over de oprichting van burgervendels. Op 14 Juli
1586 werd door Ridder Cigoigne een burgervendel opgericht, sterk 150
personen, dat bekostigd werd uit de licenten, een belasting voorname-
lijk op de scheepvaart. Als burgerwacht was aan dit vendel geen lang
bestaan beschoren, want reeds 30 Juni 1591 werd het door ridder
Cigoigne - zooals men schrijft - tot zich genomen. Het werd toen
bekostigd en gecommandeerd zooals de Duitsche huurtroepen of solde-
niers. Van toen af werd het geen burgervendel meer genoemd.
Als bijzondere gunst werd op 24 April 1617 aan het Cremerampt ver-
gund uit de amptsgezellen een schutterij op te richten. De verordening
geeft aan hoe sterk de schutterij zal zijn, hoe ze zich te gedragen heeft
in de processie, waar vergaderd zal worden en in hoeverre andere
amptsgezellen kunnen worden toegelaten.
Blijkens mededeeling in de Donderdagsche Protocollen bestond deze
confrerie nog op 11 April 1720 en werd ze genoemd de broederschap
van St. Jacob. Later werden de leden niet alleen uit de cremers, maar
ook uit andere ampten aangeworven, wat blijkt uit een mededeeling
van 29 October 1767, die zegt, dat de confrerie van St. Jacob geen cre-
merschutterij meer was, zooals voorheen. De schutterij bestond nog op
30 Mei 1794; toen werd Henricus Helwegen genoemd als vaandrager
van de confrerie van St. Jacob den Meerdere.
Behalve deze schutterij, die ook wel genoemd werd „de oude schutten”
waarschijnlijk om haar langjarig bestaan, treffen we in de Donderdag-
sche Protocollen hier en daar nog een andere confrerie aan n.l. de „jonge
schutten". Daarop heeft waarschijnlijk betrekking een mededeeling van
25 Mei 1679, toen aan de jongelieden der stad werd toegelaten een com-
pagnie op te richten. Zij schoten naar den vogel en trokken ook op
in de Sacramentsprocessie.
Er werd geschoten op twee plaatsen buiten de stad. Op 13 Maart 1656
lezen we, dat toen werd geschoten op de St. Jansbleek tusschen St. Jans-
en Craenpoort. Later schoot men ook op een stuk grond aan de kapel.
De broederschap van St. Jacob werd op 27 Juli 1750 begiftigd met een
stuk land achter de kapel tusschen Gebroek en Heinsbergerweg, om
daarvan het vruchtgebruik te genieten, zoolang de Magistraat het zou
goedvinden.
De confrerieën waren in later tijd eigenlijk meer liefhebberijgezel-
schappen. Maar zooals hierboven reeds bleek uit de oprichting van
burgervendels, was de verdediging der stad opgedragen aan alle weer-
bare mannen der burgerij.
Gedurende een groot gedeelte van de 17de en 18de eeuw was de stad

285
ROERMONDS HANDEL
EN VERKEER TOT DEN
FRANSCHEN TIJD
door
DRS. M. J. C. W. BOURS

P
OSITIEVE gegevens uit de vroegere Middeleeuwen
zijn er over dit onderwerp niet. Men kan slechts
gissen, dat de bewoner dezer streek niet geheel lijde-
Mu lijk toezag op het verkeer dat zich bewoog langs de
door Karel den Groote herstelde heerbanen, en op
den handel die passeerde naar St. Denis e.a. Fransche markten; naar de
wijn- en houtrijke streken langs Maas en Rijn te bereiken; naar de
ontluikende kolen- en metaalwinning in het Luiksche. Wij weten dat
in de 12de eeuw Luik, Namen, Hoey, Dinant en Maastricht reeds een
levendigen handel kenden in metalen, huiden, wijn, kalk en steen, maar
een eenigszins aequivalente handel valt er in onze streken niet aan
te geven.
Toch moet die handel in de 12de eeuw hebben bestaan, want als Roer-
mond kort na het derde decennium der 13de eeuw zijn stadsrecht krijgt,
is dat een bewijs van rivierhandel en marktbedrijvigheid: beide juist
opkomstóórzaken van belangrijke vestigingen.
Onze stad lag vrij gunstig, al moeten we toch even glimlachen om
Slichtenhorst, die zoo weidsch Roermonds ligging teekent: „openende
als een deur naar de landen van Luik, Namen en geheel Frankrijk, en is
Oostwaarts naar Keulen, Zuidwaarts naar Luik, Westwaarts naar den
Bosch, en Noordwaarts naar Nijmegen vijftien of zestien uren gaans."

Alvorens enkele gegevens op te sommen, waaruit wij richting en aard
van den handel kunnen vinden, dienen enkele algemeene opmerkingen
vooraf te gaan. De tijd, waarin de eerste te vermelden gebeurtenissen
vallen, zag in handelsopzicht een grooten ommekeer. Eind 13de eeuw
komt de Ommelandsvaart - om Denemarken heen door de Sont -
steeds meer in gebruik; het overladen tot verder vervoer naar Lübeck
over land vervalt. Zoodoende neemt het vervoer van massagoederen
als bier, hout, graan, en later potasch toe. De zeevaarttechniek ont-
wikkelt zich snel; de zeeschepen worden grooter; het waterverkeer
valt grootendeels uiteen in twee deelen: zee- en rivierverkeer.
De overzeesche handel raakt bijna uitsluitend in handen van de groote
steden aan de riviermonden: Dordrecht en Kampen vooral zien hun
opkomst en uitzetting. De kooplui dezer steden zijn de drijvende
krachten tot het eind der 14de eeuw, zooals in de 15de eeuw de Hol-
landsch-Zeeuwsche steden dat werden. Daar vormden zich de groote






287
gens en karren in 't heele gebied van hertog Walram van Limburg.
Bovendien mochten ze met dien wijn e.a. waren de Maas vrij op en af
varen door hetzelfde gebied. Er is dus Zuidwaarts naast landhandel
ook rivierhandel te constateeren. 't Geen logisch is, daar van uit Maas-
tricht een vrij levendige handel werd gedreven Noordwaarts. Latere
oorkonden wijzen zeer duidelijk op handel Zuidwaarts tot Luik toe.
Bovengenoemde feiten wijzen op een zich in verschillende richtingen
bewegenden handel. Roermondenaars handelden tusschen Dordrecht en
het tegenwoordige Limburgsche gebied, tot Luik toe; zij legden even-
zeer een drijvend verband tusschen de IJsselsteden en onze streken;
tusschen Dordrecht, de IJsselsteden en het hoogere Rijngebied tot zelfs
achter Keulen. En ten slotte handelden zij regelrecht van uit ons gebied
op de Rijnstreken, te land niet alleen, maar ook te water. Wat de
handelslijnen betreft die niet langs Roermond zelf loopen, het verkeer
dus van Dordrecht en de IJsselsteden regelrecht op het hoogere Rijn-
gebied: misschien is daar vooral vrachtvaart bedreven, en niet voor
eigen rekening gehandeld. Ook werd echter de vrachtvaart beoefend
van Dordt regelrecht naar onze streken, zooals duidelijk blijkt uit oor-
konden als van 1348.
En welke waren nu de artikelen die vervoerd werden? Van Dordrecht
uit laadde men koren, zout, zaad, olie, haring en bokking, terwijl men
laken en hout voor haringtonnen stroomaf voerde. Ook later bleef
houtvervoer naar Dordrecht bestaan, waar Roermondenaars hun hout-
opslagplaats hadden. Stroomaf ging uit het Luiksche wijn, houtskolen,
steenkolen, kalk, schors, ijzer, lood, potten en kruiken, wollenstoffen,
rots- en molensteenen, huiden. Ook bier, misschien wel deels import
uit steden als Duisburg, maar zeker ook brouwsel uit de eigen zoo
bloeiende brouwerijen.
In het verkeer met de IJsselsteden stond eveneens zout en haring, en
ook andere versche en gezouten visch op den voorgrond, terwijl ook hier
laken stroomaf ging naar de Zuiderzeesteden. Uit de Rijnstreken bracht
men noord- en westwaarts voor een groot deel dezelfde waren als uit
't Luiksche: steenkolen, bouw- en rotssteenen, molensteenen, schors,
potten en kruiken, ijzer en hout, en natuurlijk veel Rijnwijn; daarnaast
't laken en bier uit 't Keulsche.
Ten slotte komen we tot de handelsbetrekkingen van onze stad met
het Rijngebied in handel van de eene streek naar de andere. Bewijzen
dat men over land Oostwaarts trok op mercantile tochten zijn er te
over. Maar 't gaat om de vraag of de Roermondenaar den zoo lan-
gen weg over de Maas tot Heerewaarden, dan de Waal op langs
Nijmegen en zoo Duitschland in, verkoos boven den weg over land.
De meerdere veiligheid te water en de mogelijkheid om grootere las-
ten te vervoeren pleiten hiervoor reeds op zich. Daarom zal het vrij-
geleide, dat Neuss in 1360 gaf aan de burgers van Roermond waar-
schijnlijk, en het verlof aan de Gelderschen gegeven om hoogerop
dan Keulen te varen, zeker slaan op den rivierhandel; al zal het ver-
drag van 1361 met Xanten misschien deels op landhandel slaan.
Meylink vermoedt dit directe waterverkeer; en een sterken steun

289
handel op de Oostzee beheerschte. Áanvankelijk vrij ruim in de toe-
kenning van previlegies ook aan nietstrikte leden van hun bond (waar-
van in de 14de eeuw slechts een klein getal steden lid was), wordt de
Hanze in de 15de eeuw een gesloten geheel, zoodat alleen de koop-
lieden der verbonden steden de voorrechten genieten. Reden, waarom
men er meer belang bij had volgerechtigd lid te zijn. Bij deze ontwik-
keling kan 't ons niet verbazen dat Roermond pas in 1441 in de Hanze
wordt opgenomen, al zijn er reeds vroeger relaties aan te wijzen. In
1388 wendt Lübeck zich tot Nijmegen, Arnhem, Zutphen en „Rormun-
de", teneinde de tusschenkomst van hun hertog te verkrijgen tot bij-
legging van een geschil tusschen Keulen en Dortmund. In 1392 is er
sprake van Roermondsch laken te Dortmund (uit dit stuk blijkt tevens
dat Roermond commissiehandel kende). Ook op een Osnabrücksche
tollijst van einde 14de eeuw komt „Ramundsch” laken voor. In Reval
zelfs ontmoette men Roermondenaars.
In 1420 vraagt Keulen - dat een zekere leidende plaats inneemt onder
de Hanzesteden dezer streken - aan Roermond, Zutphen en Arnhem,
dat zij er bij Nijmegen op aan zullen dringen het geschil met Keulen
bij te leggen: zij staan immers als „hanzesteyde“ in „verbuntnisse, bro-
derschaff ind reichte des gemeynen koufmans van der Duytscher
hensze". In 1431 is Roermond op een bijeenkomst van Hanzesteden
in Nijmegen. Het jaar 1441 is zeer belangrijk omdat dan geplaatst wordt
het volgerechtigd lid worden van onze stad, die door Arnold Drosdal,
„borgermeester to Remunde", vertegenwoordigd is op den Hanzedag te
Lübeck. Naast een opdracht, om met Arnhem „de straten alumme nach
alle ereme vermoghen (te) beschirmen", lezen we in de Hanserecesse:
„Item darsulves vor den gemenen steden worden in de henze entfan-
„gen unde angenemet twe stede alse Remunde unde Arnam". Zou dit
de officieele erkenning niet zijn, omdat deze woorden toch niet kunnen
slaan op een reeds bestaande lossere relatie! Van Rudolf van Utrecht
hadden de deputé's der 4 Overkwartiersche steden en enkele kleinere
steden van Gelder vrijgeleide gekregen voor deze reis naar den Lübecker
Hanzedag. In 1448, 1449, 1450 en 1451 zien we Roermond optreden als
Hanzestad. In 1450 werd het contingent gewapenden door Roermond
te leveren op 5 bepaald; evenveel dus als Rostock en Hannover.
Ongeveer midden 15de eeuw en een kwart eeuw daarna zijn er in de
Hanze netelige kwesties aan de orde. Lübeck, vooral Danzig, zijn gebe-
ten op Engeland. Engelsche vrijbuiters kapen ook Hanzeschepen. Re-
pressailles blijven niet uit. Tot een openlijke breuk komt 't, als in 1467
Engelsche schepen in de Sont worden gekaapt en Engeland einde Juli
1468 de Hanzeeigenaren van het Staalhof te Londen gevangen zet. Hier-
onder waren ook Roermondenaars, en de magistraat dezer stad doet
moeite hen vrij te krijgen. Vooral Danzig en Hamburg treden heftig
op, Lübeck blijft kalmer. Keulen - dat steeds, ook in Hanzeverband,
zeer veel zijn eigen politiek dreef - kreeg zijn vertegenwoordigers reeds
een dag na de gevangenneming vrij, terwijl de anderen pas in Februari
1469 vrijkwamen. Men nam Keulen, dat zeer oude rechten in het Staal-
hof had, zijn politiek zeer kwalijk. En toen in 1474 de Hanzekooplui in

291
mond. Keulen klaagt n.l. over de min vriendelijke behandeling van
zijn afgezanten te Utrecht, Roermond verklaart echter daar niet aan-
wezig geweest te zijn. Tegelijk vroeg Keulen dat men het in 't bezit
van gebruik der „Geldhalle” te Londen zou laten, en dreigt met re-
pressaillemaatregelen als men het er uit mocht willen verdringen.
t Geen toch gebeurde. In de jaren 1476, 1484 en 1494 was Roermond
op de Lübecksche hanzedagen; op de laatste werd de quote van Roer-
mond vastgesteld op 20 Rijnsche guldens: een teeken te meer van volle
Hanzerechten.
In de 16de eeuw schijnt de onderlinge liefde der in „broderschaff“ ver-
bondene steden herhaaldelijk te minderen. In Juli 1525 zal er te Lübeck
een groote hanzedag plaats hebben. Van te voren vragen Keulen en Duis-
burg aan Roermond e.a. steden of zij geneigd zijn naar Lübeck te trekken,
en vooraf onderling overleg te plegen. Roermond vindt't goed, en schijnt
er zelf niet heengegaan te zijn: Keulen deelt immers later de aldaar
gevallen besluiten mee aan Roermond, doch voegt erbij: Lübeck wil
jullie persoonlijke meening toch ook wel hooren. Kort daarna (23 Octo-
ber) deelt Roermond mee, dat het met de besluiten accoord gaat. In
1529 ontbreekt Roermond te Keulen: Nijmegen, Tiel, Zutphen, Venlo
zijn er. Op den hanzedag in 1554 worden er te Lübeck statuten gemaakt
voor een kantoor te Londen, en hier is sprake van Roermond als hanze-
stad: ook hier weer schijnen de steden dezer streken eerst in Keulen
overleg gepleegd te hebben. In 1564 komen de Londensche zaken weer
ter tafel, als te Wesel o.a. Nijmegen, de Zuiderzeesteden, Roermond
en Venlo confereeren over het behoud der previlegiën van de Hanze in
Engeland en hun factory aldaar.
Roermond scheen zich nog al te voelen, daar het toch in 1556 aandringt
op het uitsluiten der kleinere steden! Toch krijgt het van Wachtendonk
en Gelder in 1557 volmacht om hen op den a.s. Hanzedag te Lübeck
te vertegenwoordigen.
Geleidelijk echter schijnt voor Roermond het belang van het Hanze-
lidmaatschap niet groot meer. Immers in 1562 bericht deze stad, met
Nijmegen, Zutphen en Arnhem, aan Lübeck dat de reiskosten daarheen
te groot zijn in verhouding tot het profijt! Zij hebben bezwaar om nog
te komen, tenzij ze tegemoetgekomen worden in een conflict met Keu-
len, en de Hanze het onrecht opheft dat ligt in het verbod van Keulen
dat de kooplui van genoemde steden in Keulen geen handel in wijn,
ossen e.a. koopwaren mogen drijven met vreemde kooplui.
De stemming van Roermond wordt er niet beter op, als blijkt in 1603,
en vooral in 1604 als Lübeck zegt dat Roermond - en ook Venlo -
„propter defectum mandati a fruitione privilegiorum (uit gebrek van
volmacht, van het genot hunner previlegies) excludiert werden", als
ze hun volmachten niet opzenden ter confirmatie hunner Hanzevoor-
rechten door den koning van Denemarken en Noorwegen. Toch blijken
de beide steden niet te zijn „verhanst", want Roermonds contributie
wordt in hetzelfde jaar nog bepaald, terwijl we ook bewijzen vinden
van zijn lidmaatschap tot 1669, het jaar waarin de laatste Lübecksche
Hanzedag in de geschiedenis der Hanze wordt gehouden.

293
al echter trok Venlo eens partij van de zeer gunstige gezindheid van
hertog Karel van Gelre, die Roermond het stapelrecht ontnam in 1523,
na een geschil net Venlo.
Bij het bespreken van stapelrechten, dient men te onderscheiden wat
het stapelrecht zelf behelst. Het kan zijn ofwel het voorrecht dat alle
of bepaalde waren, die langs een grooten handelsweg vervoerd worden,
'n stad moeten aandoen en daar te koop gesteld worden; ofwel maakt
het stapelrecht van de stad het centrum van het omringende gebied,
zóó dat de plattelanders hun waren in die stad ter markt moeten bren-
gen, waardoor een handelsmonopolie ontstaat in landbouwproducten,
naast het sterke industriemonopolie. Toch komen ook ietsandere vor-
men voor, en wel te Venlo. Deze stad krijgt n.l. in 1343 officieel toege-
wezen het recht van stapel op den rechteroever der Maas van Venlo
tot Mook, tengevolge waarvan op dit eind alleen dan koopmansgoede-
ren mogen worden geladen, uitgeladen, ten verkoop aangeboden en
gekocht, indien eerst die waren te Venlo waren ontladen en te koop
gesteld. Laadde men daar waren, dan moest men die daarna bij even-
tueel langskomen te Venlo stapelen. Dit voorrecht wil dus den handel
van een streek meer concentreeren in de stad, en omvat bovendien een
zekere bepaling ten opzichte van een grooten handelsweg.
Een dertigtal jaren later (1372) krijgt ook Roermond zijn stapelrecht,
maar van een heel anderen aard. Willem van Gulik bepaalde, dat het
„eynen stapel solde hebben in haire stadt", dat „alle guet, dat aen hair
stat koympt den strome op of neder, dair sal blijven liggen acht daghe
lanck, ende des merckts dair wairden, uytgescheyden die luyde die
geseten waren in den lande van Gelre en Gulick".
De Geldersche en Guliksche schippers waren dus vrij van den stapel-
dwang: wel een sterke beperking. Hier is dus direct geen sprake van
een concentratie van den streekhandel. Toch kende Roermond, zooals
later blijken zal, ook dézen vorm van stapel.
Of Roermond te zeer in troebel politiek water heeft willen visschen,
door Willem van Gulik zeer ruime voorrechten op allerlei gebied af te
dwingen, weten we niet. Wel zien we dat reeds in 1523 Roermond in
geschil met Venlo ligt, en ingevolge de beslissing van den hertog „des
stapels afstain" moet, en alle schepen dus ongehinderd moet laten pas-
seeren. Bij de beslissing van den hertog werd bepaald, dat, als Roer-
mond later betere argumenten kon aanvoeren, het die mocht laten
gelden.
De previlegies van Venlo nemen in later tijd zelfs toe, want we zien
hoe in 1579 Philips II voor twaalf jaar het stapelrecht van Venlo ver-
nieuwt: en nu is er sprake van den anderen vorm: alle schepen op en neer
varend van Venlo tot Mezières moeten te Venlo stapelen. Het is het
stapelrecht in den boven het eerst genoemden vorm, met de beperking
dan, dat 't alleen geldt voor de schepen die van het Zuiden komen. Dit
recht bestaat zeker nog in 1629, blijkens een protest van Roermond
tegen den plicht om langs de Maas aangevoerde waren te moeten stape-
len. Zelfs in 1765 bestaat het blijkbaar nóg: want van dat jaar dateert
een vertoog van den Roermondschen magistraat, die aan Venlo een af-

295
dienst doen om de trekpaarden op het wisselende lijnpad te brengen.
In de 16de eeuw waren er Roermondsche burgers die twee coppeleyen
bezaten; o.a. een zekere Engelen, van Wessem geboortig, die zich te
Roermond liet poorteren. Hij kocht in Holland raapzaad op, stapelde
het te Venlo, en liet er daar olie uit slaan, die hij naar Maaseyck voer-
de, alwaar hij twee magazijnen bezat. Ook dreef hij met een associé
handel in graan. Deze kocht dit in Holland en Gelderland, terwijl En-
gelen het te Zaltbommel of Venlo laadde en voor gezamenlijke rekening
naar Maastricht, Visé en Luik bracht. Omdat echter schepen en jaag-
paarden uitsluitend eigendom van Engelen waren, was de winst van de
terugreis, met een lading steenkolen, kalk en ijzer, alleen ten bate van
dezen laatste.
Moeilijkheden speciaal voor Roermond leverde de Maas op door haar
wispelturigen loop in de buurt der stad. Tegen het midden der veer-
tiende eeuw liep de Maas ongeveer een half uur van Roermond, zoodat
schepen die de stad moesten naderen, door de Roer moesten opvaren.
Ongetwijfeld een ongewenschte toestand. Was dit de oude toestand?
Zeer waarschijnlijk niet; niet alleen om de ontstaansmogelijkheden van
steden in 't algemeen, maar vooral omdat begin 16de eeuw wéér ge-
klaagd werd, dat de Maas „verne van de stad begosde te loopen", ter-
wijl ook de 19de eeuw weer veel moeite gaf met de Maas.
Ter oplossing koos men den meest eenvoudigen weg. Men besloot de
Maas te verleggen, die bij het dorpje Ool westwaarts afboog, voorbij
't kasteel Horn liep, om een klein half uur beneden Roermond weer
in de gewone bedding uit te komen. 22 Mei 1342 sloot de Roermond-
sche magistraat een contract met den heer Willem van Horn en Altena
over de doorgraving, terwijl hertog Reinoud den dag daarna zijn hooge
goedkeuring hechtte aan het energieke plan. De uitvoering hiervan
bracht de Maas bij Roermond waarschijnlijk gedeeltelijk in een arm
der Roer, en het Hatenboer, oorspronkelijk door de Roer alleen van
Roermond gescheiden, kwam nu aan den overkant der Maas te liggen.
Het scheepvaartverkeer passeerde nu weer vlak langs de stad; aan de
Werf kon nu weer gelost en geladen worden; de stedelijke ambtenaren
vonden een makkelijker controle op de scheepvaartverordeningen, wat
betreft het lossen, het meten, den aard der wateren, tolgelden en stapel.
Stukken uit het begin der 17de eeuw klagen weer over verlanding der
haven. Weer gaat men de Maas dwingen dichter bij de stad te komen.
In 1601 zijn er reeds plannen, die een begin van uitvoering krijgen. In
1603 wil men weer beginnen, maar met de uitdrukkelijke bepaling van
eerst eens goed te overleggen, en alle mogelijkheden te controleeren.
In 1605 is men aan 't werk; zoodat in Augustus 1608 de „nieuwe ge-
gravene Maese" er is, en in 1609 ook de haven kan vernieuwd worden.
Lang was men over de accommodatie der scheepvaartwegen niet te-
vreden, want na 1650 is men weer bezig met doorgravingen, die het
contact van Maas en Roer moeten verbeteren. Deze laatste schijnt voor
Roermond van veel belang geweest te zijn, voornamelijk natuurlijk
als rustige ligplaats voor de schepen, maar ook als binnenhandelsweg:
immers eind 16de eeuw constateert men pogingen om op de Roer zelf

297
plaatst, soms tot vijftig toe, zooals op het marktschip van Roermond
op Venlo in 1576. Tijd van afvaart en aankomst, aanlegplaats en vaste
vrachttarieven werden bij de verpachting der marktschepen geaccor-
deerd.
Het postwezen schijnt pas later tot ontwikkeling te komen. In 1692
werden pogingen aangewend om, ten vervoer van personen met hun
bagage, correspondentie en pakketten, een postwagen te laten loopen
tusschen Venlo-Maastricht en Venlo-Nijmegen. Tegen het midden
der 18de eeuw is er een regelmatige dienst, en wel zóó, dat de pachters
het uitsluitend recht van vervoer ontvingen. Men reed van Venlo over
Roermond, alwaar voor 't eerst de paarden werden gewisseld, naar
Stevensweert; daar de Maas over naar Maaseyck, en zoo over Stockem
(tweede paardenwisseling) naar Maastricht. Van 1 April tot 30 Septem-
ber vertrok men 's morgens om 5 uur en was 's avonds te bestemder
plaatse. Terwijl men Dinsdag en Vrijdag van Venlo naar Maastricht
reed, werd op Woensdag en Zaterdag teruggereden. Van 1 October tot
31 Maart reed men in aansluiting op de aankomst- en vertrektijden
van de postkoets Venlo-Nijmegen en vice versa. Naast deze vaste
dagen en tijden waarop moést gereden worden, kon men ook op andere
dagen en tijden een postkoets huren als er tenminste drie passagiers
waren, of als een of twee personen voor drie wilden betalen.
In het kader der scheepvaart vooral waren van veel belang de ampten
der „Cooldragers” en „huerverders". De aankomende schipper was ver-
plicht van de diensten der in 't Cooldragersampt georganiseerde lossers
en laders gebruik te maken, terwijl ook bepalingen, wien zij het eerst
moesten helpen, niet ontbraken. Hoe deze cooldragers vooral vochten
voor een concentratie van den heelen streekhandel in de stad, zullen we
later zien. Men meent, dat het ampt der „huerverders” zijn ontstaan
te danken heeft aan de noodzaak, om bij vaste beurtdiensten op tijd te
varen, waarvoor te allen tijde dus hulpkrachten ter beschikking moes-
ten staan. Een feit is echter, dat later de werkzaamheden der huerver-
ders veelsoortiger zijn. We zien ze in de 16de eeuw al (1563) houtvlotten
de Maas afboomen tot Kessel, alwaar de Venlosche amptsbroeders
ze overnamen. Hun relatie met den houthandel vinden we ook in 1591
en aangrenzende jaren. Luiksche handelaars - in goede verstandhou-
ding met de Roermondenaars - gebruikten in de 17de eeuw voor
hun vaart naar de Vereenigde Nederlanden naast hun eigen varens-
gezellen. bij voorkeur Roermondsche „huerverders” en zij protestee-
ren er heftig tegen, dat Venlo hun aldaar Venlosche huerverders
wil opdringen. We zien de leden van dit ampt dus duidelijk optre-
den op verdere reizen, zooals trouwens ook in de 18de eeuw her-
haaldelijk voorkomt voor de vaart op Dordrecht. Scherp zag de georga-
niseerde er op toe, dat hij niet samenwerkte met den ongeorganiseerde,
ofschoon de schipper zich toch wel de aanmonstering van nietampts-
leden permitteerde, indien hij maar het verplichte aantal leden van
bedoeld ampt had aangenomen.
Na in het voorgaande beschouwd te hebben de richting, aard en wer-
kingssfeer van Roermonds handel en verkeer in ruimere uitgestrektheid,

299
van den opslag te Linne en Asselt. Toch moet het in 1612 dit octrooi
van 1579 weer verdedigen te Brussel, en ondanks protest wordt dit
voorrecht der stad in 1615 bevestigd.
Men schijnt dit stapelrecht ondanks vele strubbelingen te hebben ge-
handhaafd tot den Franschen tijd toe. Want uit de jaren 1787-1794 zijn
er verschillende stukken, die dit bewijzen, en het waren vooral de leden
van het „cooldragers"- en het „cremerenampt" die vochten voor het
behoud. In Ool waren kolen uitgeladen en verkocht; de vermetele schip-
per werd gevangen; twee zijner schuiten nam men in beslag, en een
boete werd hem opgelegd. De tienmannen der gilden betitelen dit stede-
lijke voorrecht als het „praerogatief, privilegie ende Recht van Stapel,
„om- en opslagh wederzijds den Oever der riviere de Maese, ende in
„de uytgestrecktheyd van den geheelen ampte van Montfort, ende de
„plaetsen en dorpen binnen de uytgestrektheid, of in denselven ampte
„geënclaveerd“! Het klonk plechtig genoeg, maar het neemt niet weg,
dat de heele serie aan het request ten bewijze toegevoegde stukken
toch den indruk wekken, dat ze zelf twijfelden aan de rechtmatigheid
hunner aanspraken. Het bewijsmateriaal omvatte stukken van 1579
of tot 1787 toe. Zeer frappant is het zijdelingsche heenwijzen naar het
stapelrecht van 1372, dat toch heel iets anders omvatte!
En men gaat zelfs zoover dat opgeëischt wordt het voorrecht, dat in het
geheele ampt Montfort geen handel in granen mag worden gedreven
tenzij in de stad Roermond, en dat zelfs geen graan van de eene kar op
de andere mag geladen worden buiten de stad!
Het was wel goed, dat er een einde ging komen aan zulke overdreven
concentratie, al werd die dan ook iets verzacht door de bepaling dat
men elders aan de Maas mocht lossen en verkoopen, als eerst de stede-
lijke magistraat verlof had gegeven, alle accijnzen en tollen waren be-
taald en het loon der cooldragers was voldaan.
In de bovengenoemde stukken uit de jaren 1571 en volgende werd ook
geklaagd over het zich vestigen van ambachtslui in de dorpen: de indus-
trie diende ook in de stad geconcentreerd.
Hier mag zeker gesproken worden over de lakennijverheid, die zoo
uitgebreid was, dat er reeds in de 14de eeuw een lakenhal schijnt te
bestaan. We ontmoetten de Roermondsche wantsnijders reeds in 1375
op de markt te Kampen. Enkele jaren later blijkt Roermondsch laken
te Venlo tolvrij te zijn. En de kwaliteit was goed: want in 1463 wordt
voor rekening van de Koningin van Schotland laken gekocht te Roer-
mond; dit moest naar Nijmegen, en vandaar naar Arnhem worden ge-
voerd. Tijdens den 80-jarigen oorlog werd tot steun van de eigen indus-
trie, en benadeeling van den vijand de invoer van Engelsch laken, kar-
sayen en stametten verboden in Gelderland (1592). Toch wijst die blijk-
baar bestaande invoer op achteruitgang van de eigen industrie, hetgeen
klopt met het feit dat na den brand van 1554 de lakenfabrikanten
elders heen gingen. Roermond produceerde zelfs niet genoeg meer voor
eigen gebruik, want in 1607 schrijft de Magistraat van Roermond aan
die van Neer, Rade (Venray), Horst, Weert, Nederweert, Stramproy,
Maaseyck, Susteren, Sittard en Heinsberg dat zij voortaan allerhande

301
meten der waren aan de Werf, als straf kon worden opgelegd een aam
bier; tot verzachting der straf mocht de beboete meedrinken. Ook in
de 17de eeuw blijft Roermond zijn industrie beschermen, als blijkt
uit het verlof dat een Luiker koopman in 1607 vroeg om bier naar
Roermond te mogen brengen ten verkoop, terwijl reeds in 1604 Roer-
mond verlof vroeg - en waarschijnlijk ook verkreeg: zie 1607 - om
invoerrecht te mogen heffen op bier. Wel kwam later het bierprevilegie
in groot gevaar. Toen n.l. in de dertiger jaren de Staten-Generaal in
Limburg den baas speelden, en Roermond na den val van Maastricht in
1632 ook veroverd was, hadden verschillende plaatsen o.a. Maasniel,
Merum en Ool bierbrouwerijen opgericht, reeds elf in getal, terwijl er
vroeger slechts twee waren. Roermond klaagt in 1637 dat „deser stadt
nahringe" daardoor geheel te niet gaat, en vraagt om scherpe maat-
regelen. De Staten-Generaal zullen wel min kans gehad hebben hulp te
verleenen, want in 't zelfde jaar viel de stad in handen der Spanjaar-
den. De militaire chefs der troepen, die nadien in Roermond legerden,
richtten in de stad meer militaire cantinen voor wijn en bier op dan
vroeger, zonder dat voor het aldaar gedronkene de stedelijke accijns
werd betaald: 'n soort exterritoriaal gebied dus! De landvoogd echter
maakte op verzoek der stad een einde aan dezen militairen willekeur.
Hoe streng de stad haar previlegie bewaakte - en tegelijk hoe hoog
het bier in achting stond - blijkt uit een zeer typeerend feit uit 't jaar
1618. Jacobus Canisius, pastoor te Montfort, was eerst kapelaan ge-
weest in Roermond, had toen trouw zijn plicht vervuld, en zich vooral
zeer verdienstelijk gemaakt door het bezoeken der pestlijders. Tot
eeuwigen dank schonk de stad hem met royaal gebaar vrijdom van
accijns voor 't bier tot eigen gebruik.
Een groote rol in de stedelijke handelspolitiek spelen ook de jaar- en
weekmarkten. Het meeste belang hadden blijkbaar de zoogenaamde
vrije jaarmarkten: zoolang deze duurden, - en hier zien we een soort
veiligheidsklep op de al te strenge concentratie van handel en nijver-
heid in de stad - vervielen de monopolies en strenge voorschriften
der gilden over handelsrecht en warenkeuring. De plattelanders - ook
personen uit andere steden - mochten dan vrij de stad inkomen, onge-
acht hun eventueele schulden of ander debet in civiele zaken; alleen
voor schulden op die markt gemaakt kon men vervolgd worden. Vrij-
geleide werd geborgd aan alle komenden, meestal gedurende 3 dagen
voor en na de marktdagen, en vaker werden, ten teeken der vrijheid,
aan de stadspoorten kruisen opgericht. Was de plattelander over 't
algemeen vrij om ter markt te trekken, toch was het geen uitzonde-
ring dat er ook dwang op hem werd uitgeoefend. Bovengenoemd vrij-
geleide schijnt wel noodig te zijn geweest, evenals bepalingen over
marktvrede en wegenveiligheid. Hoe onveilig het soms was voor de
marktbezoekers, zelfs in de onmiddellijke omgeving der stad, blijkt
uit een geschiedenis in 1670. Marktbezoekers uit het ambt Wassenberg
werden tusschen de Stad en de Kapel overvallen en geplunderd: daar-
om zou de stad voortaan op de marktdagen Woensdag en Zaterdag


303
wel tegenover het klooster van de Cruysbroeders. De volgende jaren
zou de varkensmarkt altijd gehouden worden op 6 en 7 December
aan de Nielderpoort. In 1608 werd door den trouwkatholieken vorst
bepaald, dat een jaarmarkt, vallend op een Zondag of Geboden Feest-
dag verplaatst werd naar den dag ervóór of erná, terwijl die van 6 De-
cember voor altijd verhuisde naar den 9en van die maand. Of zich ook
nu weer hetzelfde afspeelde als boven, zoodat practisch het „gemeyne
volk van buten Ruremunde" bleef komen op Sint Nicolaasdag? In 1658
besluit men deze jaarmarkt maar weer altijd op 6 December te houden;
alleen als op dien datum een Zaterdag of Zondag viel, verhuisde de
jaarmarkt naar 9 December.
Roermond kende ook zijn weekmarkten. In 1573 worden er gehouden.
In 1587 stelde de magistraat - er was groot graangebrek in die dagen
- een vrije wekelijksche graanmarkt in. Dit moet wel gebeurd zijn met
goedvinden van Philips, want twee jaar later geeft de vorst - nadat
eerst stukken waren gewisseld over het octrooi tot het houden er van
- aan de stad een wekelijksche markt op Woensdag, en wel voor paar-
den e.a. vee. Deze weekmarkt werd verleend tegelijk met de twee
bovengenoemde jaarmarkten op 25 Januari en 20 Juli; Philips wilde
Roermond tegemoetkomen wegens de doorgestane ellende en den brand
die de stad verwoestte. De steden Venlo, Weert, Gelder, Erkelenz en
Straelen hadden, desgevraagd, geen bezwaar tegen dit previlegie.
De eerstgenoemde graanmarkt van 1587 toont ons een praktische han-
delspolitiek ten opzichte van den kleinen burgerman. Van 9 tot 11 uur
mochten n.l. alleen burgers en inwoners van Roermond graan koopen
voor hun huisgezin, hun particulier gebruik. Na 11 uur pas kwamen
de graanhandelaars en de grootverbruikers: bakkers en brouwers, aan
bod, 't zij ze stadgenoot waren of niet. Om nu te voorkomen dat de
prijs voor het kleine particuliere quantum hooger liep, dan voor den
grootverbruiker, werd bepaald, dat zelfs na 11 uur, ieder particulier,
als in zijn tegenwoordigheid door een in- of uitheemschen graanhande-
laar, bakker of brouwer koren werd gekocht, van dien koop een deel
mocht nemen tegen denzelfden prijs! En geen nood, dat gegadigden de
boeren op de buitenwegen tegemoet gingen, of thuis opzochten, ten-
einde te koopen buiten de markt! Dit werd strafbaar gesteld, terwijl
de boeren van hun kant gedwongen werden hun koren naar de stad te
brengen. Om nu ook weer de boeren en de vreemde korenhandelaars te
trekken, kon men na den markttijd - dus als Roermonds burger ver-
zadigd was - het koren uit de markt nemen, en ook elders heen
voeren, tenminste als 't eigendom was van de handelaars, en niet meer
van de boeren of onderdanen van Zijne Majesteit. Wellicht kon de
handelaar dus rekenen op een niet te hoogen prijs, omdat de boer zijn
waar natuurlijk liever kwijt was.
Verder zijn er weinig gegevens. Wel blijkt dat er in 1670 op Woensdag
en Zaterdag markt wordt gehouden, terwijl in 1692 de paardenmarkt
op Vrijdag wordt gehouden, en wel onder bijzondere condities. Alle
paarden immers uit de heele provincie Gelderland moéten naar Roer-
mond gebracht worden ten verkoop op de wekelijksche Vrijdagsche

305
HET WAPEN VAN
DE STAD
door
MR. R. DE NERÉE TOT BABBERICH

H
ET stadswapen, dat men op verschillende publieke
gebouwen uitgebeeld ziet en waarvan het wapen-
schild in het stadszegel, dat men in afdruk op alle
officieele stukken der gemeente kan aantreffen,
handhaaft tot op den huidigen dag in de gekozen
emblemen, d.z. de heraldische figuren, de oude traditie, die stads oor-
sprong, opkomst, bloei en ontplooiing vastknoopt aan de eerste Roer-
mondsche wereldlijke grondheeren, die de stad gehad heeft. Het in
2 gelijke deelen horizontaal verdeeld schild vertoont namelijk een loo-
penden naar rechts (heraldisch) gekeerden leeuw met opgeheven rech-
terklauw, waaronder de heraldische lelie. De leeuw stamt van het oude
geldersche gravengeslacht, de heraldische lelie was het embleem der
oude voogden. Reeds in een stadszegel, nog in afdruk voorhanden, uit
het jaar 1336, worden deze beide wapenfiguren, zij het dan ook dat de
leeuw staande met uitgestrekte klauwen wordt afgebeeld, aangetroffen,
zoodat dit zegel der stad thans bijna een 6 eeuwen als officieel cachet
wordt gebruikt. Hoewel dus op zich zelf reeds zeer oud, bezit het
gemeentearchief nog een mooi oud archivale, een document van 1278,
waaraan het oudst bekende schepenzegel der stad hangt en dat ons
alleen in het schild den staanden leeuw, vergezeld met de zoogenaamde
blokken of turven, laat zien met het randschrift „Sigillum Burgensium
de Ruremonde". Het is het wapen van den gelderschen graaf Reinald I
+ 1326, die dit zegel had aangenomen.
Wij zullen dadelijk zien, wat wellicht de reden geweest kan zijn, waar-
om de magistraat na 1278 dit eerste schepenzegel liet varen en daarvoor
een ander ging aannemen.
Vóóraf iets van de thans nog vigeerende wapenfiguren, die wij boven
in het zegel van 1336 vermeldden. De heraldische lelie, die de Roer-
mondsche voogd Theodorich als embleem voerde en waarmede hij o.a.
in 1282 de huwelijksacte van graaf Reinald II van Gelre bezegelde, toen
hij met de dochter van den graaf Guy van Vlaanderen, Margaretha,
zou gaan trouwen, is de in het oude graafschap Gelre veelvuldig voor-
komende wapenfiguur van germaanschen oorsprong, ook wel de „gleve”
genoemd. Verschillende oudgeldersche riddermatige geslachten van
dien tijd, waarvan er nog over zijn, hebben dit embleem in hun wapen
gevoerd o.m. de geslachten Eyll, Asselt, Wachtendonck, Oisterwick,
Korff en andere. Om in dit wapenfiguur de „lys", wat de „fransche"
lelie is, te zien, is naar mijne meening verwerpelijk. Het laatste wapen-
embleem, dat de fransche koningen in de 11de en 12de eeuw als hun





307
van de kleinere geslachten als Valkenburg, Brederode, Schenck, e.a. die
ook daaraan meededen. Al deze leeuwen werden nu van lieverlede ter
onderscheiding verschillend, zoowel in voorstelling als heraldische
kleuren, voorgesteld en een zeer aardig specimen van deze leeuwen
laat thans nog het officieele wapen zien, dat het gewest Limburg met
zijn 4 leeuwen voert. Zoo kan men thans nog de klauwende, de ge-
kroonde, de halve, de een- en dubbelstaartige leeuwen in de wapens
weervinden, zoo ziet men nog de gouden, zilveren, zwarte, groene,
roode en blauwe leeuwen. Zoo spreekt men nog van den nassauschen
leeuw, dien ons koningshuis voert en dien men in het rijkswapen terug-
vindt. Maar uit den booze is om aan Nassau het oerrecht van den
heraldischen leeuw te geven. Deze geldersche leeuw van het Roer-
mondsche wapen heeft wederom op zijn beurt in zijn voorstelling en
uitbeelding de noodige veranderingen ondergaan. Otto II + 1271, de
vader van graaf Reinald I + 1326, koos in zijn wapen een klimmenden
of klauwenden leeuw van goud in een veld van azuur, ongekroond en
éénstaartig en voegde daar nog later de gouden blokken of turven aan
toe, wat thans nog is het nassausche wapen en waarom men zoolang
gemeend heeft, dat de oergeldersche graven Nassauers geweest zou-
den zijn. Reinald II + 1343, Otto's kleinzoon met den bijnaam van den
„Zwarte” en sinds 1339 eerste hertog van Gelre, kroonde den leeuw
en gaf hem een dubbelen staart. Althans dit is zijn officieel wapen
geworden. Maar dit wapen was het oerwapenschild van het hertog-
dom Limburg en het vermoeden ligt wel voor de hand, dat Gelre, toen
Reinald I na met de erfdochter van den hertog van Limburg getrouwd
te zijn geweest, als vruchtgebruiker van dit hertogdom ook wel vaak
naast zijn titel van graaf van Gelre dien van hertog van Limburg voer-
de, dit in het wapen wilde vasthouden. Bij de onvastheid der wapen-
emblemen in dien tijd en bij de zucht naar hooger aanzien, waar een
hertog ten opzichte van een graaf de hoogere was, is dit wel te ver-
klaren en dit temeer, waar het hertogdom Limburg in mannelijke des-
cendentie uitgestorven, vacant was geworden en de graaf van Gelre
als echtgenoot van de erfdochter Margaretha voor haar als hertogin
van Limburg moest optreden en hem buitendien door den Keizer het
hertogdom was toegezegd. Wij weten nu dat de bloedige slag bij Woe-
ringen 1288 aan deze aspiraties een einde heeft gemaakt en het hertog-
dom Limburg naar Brabant overging. Het geldersche gravengeslacht
stierf nu uit met Eduard + 1371 en het hertogdom Gelre kwam door
het huwelijk van Maria, de jongste dochter van Reinald II + 1343 aan
diens echtgenoot Willem van Gulick + 1402, die hertog van Gelre werd.
Deze laatste plaatste nu in het geldersche stamwapen naast den gel-
derschen leeuw den gulikschen leeuw van sabel in een gouden veld,
maar in omgekeerde houding, links Gulick, rechts Gelre, tot eindelijk
zijn opvolger Reinald IV + 1423 de leeuwen van plaats deed verwisselen
en Gelre links (met omgekeerden leeuw), Gulick rechts plaatste, wat
sindsdien het geldersche wapen is gebleven en nog als zoodanig dienst
doet, met als helmteeken een breede waaier van witte pauwenoogen,
die wij in het Roermondsche stadswapen nog terugvinden.

309
zelfstandig geheel te vormen, dat, steunend op de langzamerhand ver-
kregen voorrechten in de gegeven privilegia, deze vasthield en daarvoor
opkwam en hardnekkig verdedigde. In dit stedezegel van 1336 zien
wij dit nu op aardige wijze vertolkt. De stadsmagistraat heeft met zijn
zegel een voorstelling willen geven, die den oorsprong en het ontstaan
van de stad zinnebeeldig in de herinnering der burgers wilde vasthou-
den. Beziet men nu dit stedezegel, dan kan men daarin de mispel-
bloemen, het oude geldersche embleem, dat de geldersche graven in
1336 niet meer voerden, terugvinden. In een rand van gothische orna-
mentiek vindt men deze terug, terwijl ook de latere geldersche leeuw
wordt aangetroffen. De relatie, die Roermond weleer aan de voogden
verbond, heeft men niet willen vergeten en men bracht daarom ook de
heraldische lelie in het wapen aan. Men kan nu den gedachtengang der
ontwerpers duidelijk voor den geest terugroepen, die zich een „sigil-
lum" kozen, waarbij zij weliswaar het geldersche verband niet los-
lieten, maar daarnaast wilden te kennen geven, dat ook oudtijds de
voogden de locale machthebbers waren geweest en deze geest van
onafhankelijkheid wordt nog eenigszins geaccentueerd, waar wij im-
mers weten, hoe deze voogden langzamerhand door de graven zijn ver-
drongen, op zijde gezet en als plaatselijke gezaghebbers aan de graven
ondergeschikt werden.
Het spreekt vanzelf, dat in het gemeentearchief van Roermond en ook
elders eene groote menigte zegels, waarin het stadswapen voorkomt,
wordt aangetroffen, die over de 7 eeuwen van het verleden te verdeelen
zijn. Hoe meer men teruggaat, hoe zeldzamer deze worden. Wij zullen
er uit iedere eeuw een nemen en daarvan ook de randschriften, die ge-
wichtig zijn, weergeven.
1. Vooreerst het oudste schepenzegel van 1278, waarover wij reeds
schreven. Het hangt aan een perkament document van 8 September
1278 ten raadhuize aanwezig en achter glas ingeraamd. In dit document
verklaren de toenmalige parochus (pastoor) Daniel, die heel waarschijn-
lijk voor den voogd zal opgetreden zijn, en de schout Godefridis de
Greverode, die den graaf verving, alsmede de schepenen van Roer-
mond, die voor de stad optraden, dat het echtpaar Hendrik en Hilla
al hun hebben en houden met hun huis en 12 sterlingsche marken, om
vergiffenis hunner zonden te bekomen, wegschenken aan het hospitaal
te Roermond. De schepenen waren Henricus de Crugten, Henricus
genaamd Sontag, Conradus de Wesheym, Gerardus genaamd Scotto,
Sibertus genaamd Mere, Joannes zoon van Mattie (Mathias?), Gos-
winus genaamd Busen, Henricus zoon van Gervasius en Engelbertus,
dus 9 schepenen. Aan het document hingen 2 eenigszins beschadigde
zegels in groen was van den pastoor en dat der schepenen. Het schepen-
zegel is 7 c.M. in middellijn en is een 3-hoekig wapenschild (gothisch)
bezaaid met de blokken en daarin de klimmende, éénstaartige leeuw,
met omschrift „Sigillum Burgensium de Ruremunde”
2. Het eveneens tevoren gememoreerde zegel van 1336. Het is een
driekhoekig wapenschild omgeven door 6 mispelbloemen in gothische
ornamentiek. Het schild is doorsneden, boven de klimmende en klau-

311
als de stad Roermond, die op een hoogen ouderdom kunnen bogen,
een wapen te geven of te laten aannemen, dat oudtijds de eenling ge-
bruikte om zijne riddermatige heraldische insignia op de tournooien
te laten zien, zoodat het m.i. minder juist is, waar de stad Roermond
q.q. toch nooit op tournooien kon uitkomen, schuilt er in deze wapen-
beschrijving een heraldische storende fout. Het helmkleed, dat de ge-
harnaste ridder op de tournooien en in den oorlog gebruikte en van af
zijn helm, waarop het sieraad uitkwam, naar achteren over het paard
heenhing, had meestal slechts een kleur met het metaal. Van deze beide
was het metaal (goud of zilver) de binnenkant, de kleur (azuur, sabel,
keel, sinobel en purper) de buitenkant van het helmkleed, zoodat, wil
het Roermondsche wapen daarmede overeenstemmen, het lofwerk, wat
het oude helmkleed identificeert, inwendig zilver en aan den buiten-
kant van azuur zou moeten aangegeven worden.
Waar nu Roermond, naar ik meen, nog geen officieel geregistreerd ge-
meentewapen bezit, gelijk de meeste Nederlandsche gemeenten dit wel
bezitten, zou daarmede, wanneer de registratie eens wordt aangevraagd,
rekening kunnen gehouden worden en het niet onaardig zijn, wanneer
het gemeentebestuur, mede ter herinnering aan het 7e eeuwfeest der
stad, een zegel aannam in een eenvoudige goedheraldische opvatting,
die evenals in de 14de eeuw in de uitgebeelde wapenfiguren de traditie
van het verleden bewaarde.

























313
trachtte te verkrijgen, een recht, dat haar dierbaarder was dan de terug-
gave der geleende penningen.
1486. Veertien jaren na bovengenoemde oorkonde mocht de stad,
blijkens een vroeger in de verzameling Guillon aanwezig register, ook
halve stuivers (tenzij er gelezen moest worden „een en halven strs")
aanmaken: er was n.l. te lezen in 't „Register van de Pampieren ende
Documenten raekende de stadt Ruremonde, die sigh bevinden in het
groote Coffer binnen de archyven aldaar" van een „Octroy van te mo-
gen munte slaen van eenen halven strs de anno 1486 sub letter DD".
1492. Zes jaar later krijgt de stad andermaal uitbreiding harer be-
voegdheid. Karel van Egmond nu overweegt in een giftbrief van den
8sten Mei 1492 „dat wij uit sunderlinger gracien ind mercklicker oirsa-
ken wille, ons dairto bewegende, so wij verstaen onse moderlicke kirck
onser stat van Ruremunde arme is, ind geyne renthen en heeft tot
gehalt ind gemeynen bouwe in onse stat vurscreven die halden moet,
ind so dieselve onse stat (mit) waternoide ..... oick sweirlick belesticht
is ..... ", zoo staat hij de stad toe om ten „alle tijt alst hon nutt dunckt
in behoiff der stat" ..... binnen Roermond te mogen munten „sylveren
gelde, oft pennyngen, den meisten pennynck van der weirden tot enen
alden braspenninck toe ind dair onder, halve, dordeylen off virdelen
ind kleyne gelt, ind onder onsen naem, wapen ind helmteyken off onder
tytel ind wapene onser stat van Ruremunde vurscreven ..... " 's Vor-
sten vrijgevigheid gaat zoover, dat hij afstand doet van het hem toe-
komend gedeelte: „Ind sulck profijten van sleeschat dair van komende
sullen sijn in behoeff onser stat ..... " Onder „sleeschat“, waarschijnlijk
af te leiden van slegeschat, of te wel slagschatting, wordt verstaan
een heerlijk recht, een schatting, door den leenheer geheven wegens het
recht van muntslag.
1505. In dit jaar gaf de Hertog toestemming om gedurende een half
jaar bovendien goudgeld te munten „onder onsen naem ende wapenen."
- Roest, Essai de classification des monnaies ..... de Gueldre, 1893,
p. 208.
1525. Hertog Karel doet waarlijk voor zijn voorgangers niet onder;
in een stuk van Maart 1525 verzucht hij, dat de stad „vermytz kriegh
ind oirlouch in groiten schulden in schaiden verloipen ind gekomen"
is, dat het zijn plicht is hierin tegemoet te komen. Hij besluit dan ook
„om oeren schaide ind schulden te vurkommen" de stad toe te staan
aan te munten „golden ind sylveren pennyngen” van hetzelfde type als
de hertogelijke. Wel worden er eenige beperkingen aan toe gevoegd:
1° tot wederopzegging en 2° de Roermondsche munten moeten te
onderscheiden zijn van de Geldersche, waartoe in de gouden en zilve-
ren rijders het stadswapen duidelijk geplaatst moet staan „recht onder
id peert", terwijl de Clymmergulden - zoo genoemd naar de twee klim-
mende leeuwen in het wapen van Gelderland - elders van dit ken-
teeken moet zijn voorzien. Een vrijgeleide voor allen, die goud en zilver
naar de Roermondsche Munt brengen, wordt den 3en April verstrekt.
Hoelang van dit recht gebruik is gemaakt, weet ik niet; eerst in 1593
vernemen wij iets: de Raad besluit in haar zitting van 5 Augustus „der

315
welijks weer aan slag of er dreigde „retardement ofte beletsel in den
aengevangen munte"
Wat was er geschied?
1607. De Rekenkamer klaagt bij brief van den 24en October 1607 er-
over, „dat men voor over seeckeren tijt geslaghen ende gemunt heeft
binnen der stadt Ruremunde ende noch dagelijcx soude slaen ende
munten oortkens van coper onder den naem titre ende wapenen van
heure hocheden .... in exorbitante quantiteyt ende veel meer als van
noede soude moeghen sijn .... daeraff dat sij bevinden dat mennichte
in Brabant tot Brussel ende elders syn worden gesonden .... ". De
Rekenkamer vraagt dan op welke ordonnantie en op wiens last dit ge-
schiedt. Den 28en reeds wordt copie gezonden van het octrooi „dat wir
van over veul jaeren daervan syn hebbende" en verder verzekert de
stad, dat de munt haar geen voordeel heeft afgeworpen, integendeel;
dat een gedeelte der opbrengst gaat aan de kerk, dat de stad zeer ver-
armd is door den oorlog en de inkwartieringen. Twee jaar later (29 Oct.
1609) wordt door de Aartshertogen de uitgifte van oorden verboden te
's-Hertogenbosch, Maastricht en Roermond, omdat „onse landen en ste-
den overvuelt" worden met kopergeld: de Roermondsche Munt wordt
stilgelegd tot nader order. De stad zal zich wel beroepen hebben op
haar oude privilegiën, maar Aartshertog Albert blijft van oordeel, dat
het munten te Roermond onnoodig is en hij voegt eraan toe „dat wij
geïnformeert zijn doer de generaels van onse Munte, dat de munten
bij U geslagen is verre onder de weerde ende den voet die herwaerts
overe wordt gehouden.
Voorwaar geen roemrijk einde dezer periode.
Het wordt tenslotte een afwisselend munten en stilliggen; den 4en April
1612 zijn Burgemeesters, schepenen en raad weer eens met Meester
Jacob van Nederhoven „veraccordeert wegens het munten" en men
tracht zich de voorspraak te verzekeren van G. Haghen, den agent der
Staten van het Overkwartier te Brussel, wien echter niet ontgaat de
„swaericheyt ....
dat de geslaegen munt van de oortkens niet en is
conform het reglement .... " De stad verzekert nog eens, dat haar oort-
kens niet slechter zijn dan andere en dat bovendien uit het privilegie
tacite is af te leiden, dat oordjes geslagen mogen worden.
1613, 1616. Het wordt een heen en weer geschrijf en de 26e April
1613 eer de toestemming gegeven wordt. Een volgende instructie en
ordonnantie dagteekent van 13-V-1616, zoodat men mag aannemen,
dat toen weer munt geslagen werd. In April 1612 had de Magistraat
reeds overleg gepleegd met den waardijn Daniels en den muntmeester
Jacob van Nederhoven; als oudste muntgezellen worden genoemd Vaes
Belten en Geurt Teuwen. De Munt moet in die jaren weer volop ge-
werkt hebben en men wilde zelfs nog meer typen aanmunten, blijkens
een verzoekschrift van den Magistraat aan het Hof van Gelderland om
vergunning tot het mogen aanmunten van stooters, 1/2 stooters en min-
dere munten.
1633. Den 2en Mei 1633 wordt met Jan Vossinx, muntmeester, ver-
accordeert te munten „6000 marck doeyten op den voet van de Prov.

317
Juli om den Generaals van Zijner Majesteits Munte octrooi te vragen
om te mogen slaan „swaere halve stuyvers, stuyvers, dobbelstuyvers,
drystuyvers ende sesstuyverspenningen." De beslissing der hooge Hee-
ren is mij niet bekend; het volgend jaar is er sprake van een raåds-
besluit tot het munten van „copere deuten ofte myten". Dat er in dit
decennium gemunt is, blijkt uit de verantwoording over de jaren 1661
en 1666; in laatstgenoemd jaar is er sprake van den munter Jan Bis-
schops, en van den graveur Sr. François Steuaert te Luik wegens „ge-
leverde voeten en opperysers .... alsook voor 't snijden oft graueren
derselve." Met Steuaert bleek men in 1654 reeds in briefwisseling.
1680. Bij brief van den 2en April laat de Rekenkamer vragen naar de
overeengekomen jaarlijksche afrekeningen, welke vermoedelijk in het
vergeetboek waren geraakt, want er wordt besloten „een generaele
reeckeninge van de munte sedert den jaere 1613" op te maken; van
den anderen kant teekent de stad protest aan over de bemoeiingen van
de Rekenkamer. In November '80 worden nog eenige honderden pon-
den coperen plaatjes uit Holland - doorgaans betrekt men het koper
uit Aken - besteld; in afwachting van 's Konings antwoord, was men
dus weer lustig aan het werk. Den 22-X-1682 kwam echter een schrijven
van den Marquis d'Alcaretto, Grana, enz. als Lieutenant gouverneur
et Cape Général des Pais-Bas, zijn „Chers et bien Amez" van Roer-
mond onaangenaam verrassen; hij schrijft, dat hij vernomen heeft, dat
zij duiten slaan „ne pesant pas six .....", weshalve hij namens den Ko-
ning tot nader order moet verbieden het verder aanmunten van duiten.
De burgemeesters van Roermond roepen nu de hulp in van den Mar-
kies van Hoensbroek te Brussel om eindelijk - het is al Mei '86 ge-
worden - de zoo lang begeerde oplossing te krijgen; de stad is nu vol
van Fransche duiten, waar de koning, noch de stad eenig voordeel
van hebben.
Den 15-II-1687 wordt andermaal de nood geklaagd, thans over gebrek
aan kleingeld bij l'agent van der Sterren. Het antwoord van van der
Sterren is niet bemoedigend. „Ce ministère est inflexible", schrijft hij en
hij raadt aan op een andere manier dan door den gewraakten „Duiten-
slach" aan geld te komen. Hij geeft verder in overweging zich te wenden
tot den Koning in Spanje.
Het lang verwachte antwoord des Konings d.d. 2 Oct. 1694 bereikte
eindelijk den Roermondschen Magistraat; het advies van den Raad van
Gelder klaagde over gebrek aan kleingeld, waardoor men op vreemde,
de Fransche duiten en de Luiksche liards, was aangewezen, die een on-
voordeelige valuta hebben; het koninklijk antwoord voorziet in deze
behoefte, maar anders dan men in Roermond hoopte: „de s'adresser
à notre conseil des finances, pour par eux faire fabricquer la quantité de
petites monnayes de cuivre qu'ils pourront avoir de besoin .... "
De Raad kon er nog niet overheen en besluit, dat de „hr. Borgemr. Lom
sal mogen presenteeren eene somme van 100 ducatons voor een ver-
eeringh aan den agent Blokeau bijaldien hij .... kan procureeren de op-
heffinge van de interdictie" (10-III-1695). Een zakelijk en duidelijk ge-
steld request, gesteund door den Raad van Gelre, mocht niet baten:

319
ZEDEN, GEWOONTEN EN
GEBRUIKEN TE ROERMOND
door
J. HUIJSMANS

V
AN de oude zeden en gebruiken, die het dage-
lijksch leven in vroegere tijden zooveel kleur en
aantrekkelijkheid gaven, is te Roermond weinig
meer overgebleven.
Een schets van wat verdwenen is, moeten we put-
ten uit de oude landrechten en costuymen, uit de Limburgsche wijs-
dommen en het gewoonterecht. En niet het minst het leven in de
buurtschappen of de putten, die oude tradities nog taai handhaven,
kan ons daarbij leiding geven. Ook de feesten van het kerkelijk jaar
en de heiligenkalender brengen ons nog vrome en merkwaardige ge-
bruiken voor den geest.
De putten als buurtvereenigingen vormden den schakel tusschen de
stadsregeering en de burgerij; ook als bestuursorgaan hielden zij veel
in stand, wat anders onherstelbaar zou verdwenen zijn. Op de putten
vierden de burgers feest bij geboorte en doop en bij priesterwijding
en bruiloft. Maar ook bij ziekte en rampen, bij sterven, uitvaart en
begrafenis deelde men er leed en smart en gaf men er blijk van door
algemeene deelneming.
Reeds in de eerste weken van het kerkelijk jaar vinden wij hier een
oud gebruik nog in wezen. Omstreeks 30 November, St. Andries-
dag, stellen Burgemeester en Wethouders van Roermond voor het loo-
pende jaar de St. Andrieseffractie vast. Deze wordt in een te Roermond
verschijnend dagblad afgekondigd. Rekening houdend met de moge-
lijkheid van betaling der pachtprijzen in natura, worden de prijzen van
bepaalde granen en erwten bij voorgeschreven eenheden van maat en
gewicht vastgesteld. Volgens sommige lezingen is het gebruik zeer oud.
Hier wordt het vóór den Franschen tijd - in 1787 - al vermeld.
Het gebruik bestond ook op andere plaatsen. In vroegere eeuwen lezen
we dat de Roermondsche Karthuizers aan den Pastoor der Moeder-
kerk een cijnsbelasting schuldig waren, die op St. Andriesdag verviel.
Ook de adellijke Munsterabdij moest eveneens op St. Andriesdag aan
den Pastoor een cijns betalen ter waarde van 5 malder tarwe, 5 malder
rogge, 5 malder gerst en 5 malder haver. Nog in 1762 werd deze cijns
betaald.
Als vage herinnering aan de „bandagen” der vroegere ampten vieren
de smeden op 1 December nog St. Eloy; dan wordt niet gewerkt en de
dag tot feestdag gemaakt. Hetzelfde doen de metselaars en leidekkers
enkele dagen later op St. Barbaradag, 4 December.
St. Nicolaas wordt hier gevierd als op andere plaatsen. Vroeger was
het feest van meer beteekenis, omdat er toen jaarmarkt werd gehou-



321
ding daarvan de dag tot feestdag gemaakt, zooals ook van Roermond
op 15 Juli 1599 wordt verhaald.
Maria-Lichtmis werd vroeger gevierd door de zoogenaamde Licht-
processie, die, zooals uit sommige stukken blijkt, ook door de gilde-
leden moest worden bijgewoond, fakkel of kaars dragend.
De rekeningen van de Moederkerk liepen tot Lichtmis, waarbij wel-
licht de talrijke verplichte offers der ampten, vooral in was, van in-
vloed zijn geweest. De burgerkapiteins, waarover later nog, werden
met Lichtmis op wijn onthaald.
De stadsbestuurders hadden St. Peter tot patroon en vierden den dag
van St. Petrus ex Cathedra of St. Pieterstoel als feestdag. Dan werden
ook de nieuwe burgemeesters gekozen. De jonggezellen van den St.
Brunoput werden in het Karthuizerklooster onthaald en kozen zich op
St. Pietersavond onder elkander een burgemeester, zooals de Donder-
dagsche Protocollen „naar den alden gebruick“ op 18 Februari 1610
vermelden. De tractatie bestond toen uit „4 verdel wijns“. De vroed-
schap vierde den feestdag met een uitgelezen maaltijd, waarbij het
soms nogal royaal toeging. Dan werd beperking voorgeschreven, evenals
voor de gildemaaltijden, die ook, ondanks de dikwijls slechte tijdsom-
standigheden, meermalen in brasserijen en onmatigheid ontaardden.
De verkiezing van den Peyburgemeester geschiedde met zeker cere-
monieel, dat volgens de Donderd. Protocollen van 20 Februari 1738
al van voor onheuglijke tijden werd gevolgd. De leden van den Ma-
gistraat kwamen 10 uur 's morgens op het stadhuis bijeen en hoorden
om 11 uur in de kathedraal de Mis van den H. Geest. Door de boden
met hunne staven werden de raadsleden in plechtigen stoet naar de
kerk gebracht. Na de H. Mis nam men samen het middagmaal.
Den volgenden dag werd een H. Mis van Requiem gehoord voor de
afgestorven raadsleden, waarna de vergadering op het stadhuis werd
voortgezet. De nieuw gekozen burgemeester werd door de boden naar
het stadhuis geleid en legde daar den eed af met de hand op een voor
hem liggend kruisbeeld. Het was ook gebruik, dat op St. Petersdag
meiden en knechten werden ingehuurd en dan een drinkgeld ontvin-
gen, den meepenning, ook huurpenning of Godspenning genoemd.
Van Palmzondag lezen we, dat hier vroeger de gewoonte bestond,
den intocht des Heeren binnen Jeruzalem door een omgang uit te beel-
den. Men had zelfs een afzonderlijke broederschap, die - evenals in
het land van Loon, - het beeld van den Zaligmaker, zittend op een
ezel, in den stoet meevoerde.
De gewijde palm werd aan de Hoochkerk uitgedeeld op een daarvoor
bestemde plaats, die in de kerkrekeningen met name daarvoor was aan-
gewezen. Palmzondag herinnert ons ook aan den palmbessem, aan den
palmbos of de Mei op het dak van het nieuwgebouwde huis, ook aan
het palmstruikje op de vier hoeken van het korenveld; vrome, zin-
rijke gebruiken, die hoewel verminderd, hier nog voortleven.
Het is traditie, dat op Witten Donderdag de winkeliers en nering-
doenden in hun etalages met het beste en het schoonste uit hun voor-
raad voor den dag komen. Vooral de slagers doen dan hun best. En

323
Tusschen de processiezondagen valt Sacramentsdag, tevens de laatste
kermisdag van Roermond. Reeds door sommige ampten werd deze dag
als feestdag gevierd. Maar niet altijd als kermisdag. Eerst onder Phi-
lips II, op 4 Juli 1597, kreeg de stad het octrooi om de kermis te ver-
plaatsen van Dinsdag na Pinksteren naar Drievuldigheidszondag.
Op 24 Juni wordt St. Jan gevierd. In de Donderdagsche Protocollen
lezen we dikwijls het verbod om St. Jansvuren te stoken en St. Jans-
kronen op te hangen. Om deze kronen danste het volk. Over het ont-
staan van dit gebruik wordt verschillend geoordeeld. Sommige schrij-
vers brengen het in verband met den heidenschen cultus van het
Zonnewendefeest, dat ongeveer in dien tijd, als dag en nacht even lang
zijn, wordt gevierd. 't Is niet onmogelijk, dat hier een vroeger hei-
densch gebruik door de invoering van het Christendom werd ge-
kerstend.
25 Juli brengt ons de patroondagen van St. Jacob en St. Christoffel.
De eerste werd als patroon der visschers, vroeger meer dan nu, vereerd;
de voorstad St. Jacob dankt aan dezen heilige haar naam. St. Chris-
toffel, de stadspatroon, werd in vroeger tijden als noodhelper en be-
schermer in pestziekten aangeroepen. Thans is hij de geestelijke be-
schermer der automobilisten en heeft daarmede het aanzijn gegeven
aan de jaarlijksche autozegening, door den Deken der Kathedrale Kerk.
Op 26 Juli vereeren nog de kleermakers en naaisters St. Anna als
patrones.
Met Augustus en September zijn we genaderd tot de Lievevrouwe-
dagen, n.l. Mariatenhemelopneming en Mariageboorte, ook wel Hooge
en Lage Lieve Vrouwendag genoemd. Dan is aan de Kapel in 't Zand
de toeloop van pelgrims het grootst. Tusschen beide dagen 15 Augustus
en 8 September valt ook St. Bernardusdag op 20 Augustus, die veel
Duitsche pelgrims naar de Munsterkerk ter vereering trekt. De Lieve-
vrouwedagen worden in de Kapel in 't Zand met octaven gevierd; deze
octaven dateeren reeds van 1613.
Wij herinneren hier aan het gebruik, dat nog in eere is bij de pel-
grims, om - voor men het heiligdom verlaat - driemaal biddend rond
de kapel te trekken. Deze traditie wordt sedert een tiental jaren ook
nagevolgd door de bewoners van de wijken aan de kapel op den dag
der sluiting van de zomerbedevaarten.
Een zinrijk gebruik op Mariatenhemelopneming is nog de zegening
van den kruidwisch. Vóór de Hoogmis worden in de kerk meegebrachte
bundels van bloemen en kruid (kruidwisch) als behoedmiddel tegen
donder en bliksem en ziekten en kwalen door den priester gewijd.
De wisch bevat vooral de koningskaars, hemelbrand of toortsbloem, in
Limburg de kruidwisch bij uitnemendheid.
Bij de Lievevrouwedagen wijzen we ook op den nog bestaanden bede-
tocht der zeven maagden. Is een zieke in doodsnood, dan trekken
zeven jongedochters van den put onder het bidden van den rozen-
krans naar de Kapel in 't Zand. Daar wordt de putkaars aangestoken
en driemaal biddend rond de Kapel getrokken. Tot heil van den zieke


325
verrijst een eereboog, smaakvol van frisch dennegroen opgericht, met
een „Hulde” of „Welkom” en ook wel met een transparant, chronicon
of jaarvers, toepasselijk op den feestdag en de bijzondere levensom-
standigheden der jubilarissen.
Wijlen Jos. Luyten, Roermondenaar in hart en nieren, heeft tallooze
malen belangeloos zulke jaarverzen voor de putfeesten samengesteld.
Voor de onkosten wordt op den put door de kinderen, ook wel door
de putmeesters, geld ingezameld.
Op den morgen van den feestdag hooren de feestelingen met hunne
familie en vrienden een H. Mis en worden dan in plechtigen stoet door
bloemen strooiende bruidjes, onder leiding der putmeesters naar hun
woning geleid. Aan den ingang van den put spreekt een der putmees-
ters een welkomstwoord; daarna trekt de stoet verder tot aan de wo-
ning der feestvierenden. Voor het huis staande nemen dan de jubi-
larissen het geschenk van den put in ontvangst, dat wederom door een
der putmeesters, met een toepasselijke aanspraak, dikwijls geestig, ook
wel op rijm, maar altijd hartelijk en welgemeend, wordt aangeboden.
Den geheelen dag duurt het feest voort en alle putbewoners nemen er
meer of minder deel aan. Tot op heden is het nog gebruikelijk, dat
geestelijke en wereldlijke autoriteiten, de Pastoor-Deken met Heeren
Kapelaans, Burgemeester, Wethouders en Secretaris, van hun belang-
stelling door persoonlijk bezoek doen blijken. Voor de nooddruftigen
blijft gewoonlijk een geschenk in geld vanwege de Gemeente niet
achterwege.
Ook bij verjaardagen van oudere en verdienstelijke burgers vierde de
put feest. Groote putfeesten werden o.a. gehouden bij gelegenheid
van den zeventigsten verjaardag van wijlen Dr. Cuypers, door den
O. L. Vrouw Zwartbroekput.
Treffend is hoe de putbewoners een jeugdig priester, die voor de eerste
maal het H. Misoffer opdraagt, eeren en plechtig op den put ontvan-
gen en huldigen.
Evenals bij een gouden bruiloft, wordt de gewijde feesteling in plech-
tigen stoet naar de ouderlijke woning geleid. Door een der putmees-
ters wordt hem dan voor het ouderhuis het putcadeau aangeboden.
Het bestaat gewoonlijk uit een der paramenten voor den H. Dienst
of uit een miskelk. Door alle bewoners, zonder onderscheid van stand
en geloof, wordt hiertoe in den regel bijgedragen. Door den jeugdigen
priester wordt dan een dankwoord gesproken en de priesterzegen over
de aanwezigen gegeven. De jeugd ontvangt versnaperingen, en put-
meesters, vrienden en belangstellenden gaan den feesteling te zijnen
huize gelukwenschen.
Eertijds was het gebruikelijk bij huwelijk, bruiloft en priesterwijding
een bedrag in geld af te zonderen, waarvoor bier, het zoogenaamde
voebier, kon worden gekocht. Men vierde 's avonds tezamen feest en
de putmeesters zorgden voor orde en regel en voor het betalen der
rekeningen. Ook nu nog blijft zoo'n tractatie niet achterwege, maar men
houdt zich niet meer uitsluitend aan bier, maar ook aan de heden
meer in trek zijnde versnaperingen.

327
salvo's gelost en aan het volk werd bevolen te roepen: „vivat ende
voorspoedelick gouverneere de Heere keurvorst van Beyeren". Aan
den keurvorst werden dan de 12 apostelen (wijnkannen) met witten
besten wijn aangeboden.
Bij uitvaart en geboorte van vorstelijke personen werden ongeveer in
denzelfden geest omslachtige plechtigheden voorgeschreven.
Niet alleen in blijde stonden, maar ook in de droevige uren, die elk
menschenleven meebrengt, stonden de putbewoners elkander bij.
Vroeger werd bij een bediening de priester met de H. Teerspijze aan
den ingang van den put door vier putmeesters met een baldakijn en
enkele anderen met fakkels en kaarsen opgewacht, om het H. Sacra-
ment naar de woning van den zieke te vergezellen. Na de plechtigheid
werd de priester met Ons Heer wederom met hetzelfde ceremonieel
uitgeleid naar den uitgang van den put. Evenzoo geschiedde onder de
octaven der hooge kerkelijke feesten, als de priesters aan de zieken
de H. Communie brachten. Nog vroeger geschiedde die bediening zelfs
in plechtige processie en brachten de putmeesters den priester met het
H. Sacrament - onderbroken door het ziekenbezoek - van het begin
tot het einde van den put, waar dan andere putmeesters de eervolle
taak overnamen.
Bij overlijden van een putbewoner wordt dit eerst aan de buren aan-
gezegd, die dan den nabestaanden hun deelneming met het sterfgeval
komen betuigen.
Aan een begrafenis nemen behalve de mannelijke bloedverwanten en
vrienden ook de mannelijke buren deel. Allen volgen het lijk, dat door
de priesters, misdienaars en zangers aan het sterfhuis wordt afgehaald,
naar de kerk, waar een H. Mis van Requiem wordt gezongen.
Van de naaste betrekkingen draagt de jongste in jaren de zoogenaam-
de „voorrouw“, d.w.z. deze volgt onmiddellijk achter het lijk, al of niet
vergezeld van een der lijkdienaren. Daarna volgen in enkele rij de
naaste bloedverwanten en vervolgens in breederen stoet verdere fa-
milie, buren en vrienden.
Bij het aanheffen der Prefatie gaat men ten offer. De naaste betrek-
kingen voorop, gaan alle mannen die aan de lijkstatie deelnemen naar
het altaar en leggen hun offer op een daarvoor bestemde schaal. Elk
keert dan naar zijn plaats terug en ontvangt soms in het voorbijgaan
van koster of lijkdienaar het bidprentje van den overledene.
Enkele tientallen jaren geleden werden de overledenen nog zooge-
naamd „uitgebeld“. Op de hoeken der straten luidde een lijkdienaar
met zwarten rouwmantel en luifhoed een zware bel en verzocht dan
een Onze Vader te bidden voor de zielerust van hem, wiens sterven
werd afgekondigd. Later werd dit gebruik beperkt tot den put en thans
is het al geruimen tijd afgeschaft. Luifhoed en rouwmantel werden
vroeger ook door de naaste verwanten bij de uitvaart gedragen.
Thans zijn ze vervangen door hoogen hoed en rouwkleeding.
In het huis, waar een doode boven aarde staat, worden de venster-
luiken gesloten en de gordijnen neergelaten. Vroeger stond aan het
sterfhuis de zwarte doodsplank met het manende opschrift „Memento

329
malen herhaald, waarna werd teruggereden en op het hoogste gedeelte
van den aanwas eenige rijshouten ten teeken van eigendom werden
geplaatst. Dit geschiedde in het bijzijn van vele getuigen en omstanders,
met het doel de handeling des te beter voor het nageslacht te laten
onthouden en te bewaren.
Bij het plaatsen van grenssteenen waren vele getuigen tegenwoordig.
De jeugd, die, zooals nu nog, overal bij was, werd dan getrakteerd,
maar niet dan na eenige oorvijgen te hebben ontvangen. Weder om de
handeling aan jeugdige personen duidelijker in het geheugen te pren-
ten, opdat zij het zich zouden herinneren, wanneer zij ouder geworden,
over die grenzen tot getuigen zouden worden geroepen.
Aan het oud-Geldersch Landrecht - 1740 - ontleenen we nog het
volgende. Bij het in bezit nemen van een kasteel of heerlijkheid, in een
kerspel gelegen, luidde men de klokken om het volk naar de kerk te
roepen. In bijzijn van de plaatselijke overheid werd door den nieuwen
landheer aan het volk meegedeeld, dat hij door het luiden der klokken
te kennen gaf, bezit te hebben genomen van het goed en wel voor
zich en zijne erfgenamen en dat verder allen hem als heer moesten
erkennen en de pachters aan hem - den landheer - cijns en pacht
moesten betalen. Van deze verklaring werd schriftelijk acte opgemaakt.
Vervolgens ging hij naar de poort van het kasteel of den heerenhof
en schoof den grendel heen en weer of liet den klopper vallen, waarbij
hij wederom verklaarde het goed voor zich en zijne nakomelingen in
bezit te nemen. Buiten het huis werden takken van de boomen gekapt
en eenige aarde uitgestoken en uitgespreid wederom onder het uit-
spreken der formule van inbezitneming. Bij inbezitneming van een
hoeve, schoof men in bijzijn van de plaatselijke overheid het haalijzer
boven den haard op en neer of werd riet gestookt om rook te doen
opgaan onder het uitspreken der reeds genoemde verklaring. Op de
hoeve werd gegeten en gedronken en van het verloop der handeling
acte opgemaakt. Bij inbezitneming van een heerlijkheid onder hooge
jurisdictie werd te voren de plaatselijke overheid beëedigd en in de
kerk een „Veni Creator” gezongen. De kroniekschrijver, die in manus-
cript deze gebruiken opteekende sluit met het volgende rijmpje: „het
is een geldersch alt gebruyck, hun werck te croonen met een kruyck".
Daarbij doelende op de vroegere gewoonten, alle plechtigheden van
eenige beteekenis te besluiten met eten en drinken, zooals we reeds
zagen bij het kiezen der burgemeesters.
Bij publieke verkoopingen en ook wel bij aanbestedingen van openbare
werken was vroeger het gebruik, dat de verkooper of besteder door
middel van een brandende kaars het goed afmijnde of de gunning deed.
Was het laatste bod gedaan, dan werd de kaars ontstoken, terwijl
de afslager voortging met het afroepen van den laatst geboden koop-
prijs. Bood men tijdens het branden nog hooger, dan werd de kaars
uitgeblazen en de veiling begon opnieuw. Zoo duurde het voort tot ten
laatste de telkens nieuw ontstoken kaars aan verval van krachten be-
zweek. De laatste bieder was koopman. In de Donderdagsche Proto-


331
berg) was een last, dien de halfer van het Hof der Abdisse (Kloosters-
hof?) verplicht was te dragen. Aan diezelfde verplichtingen wordt her-
innerd in een bekendmaking van 19 Juli 1783, met dit onderscheid
dat het gericht toen werd geplaatst op den Boonenberg bij den Roer-
derweg.
Deze gebruiken doen ons denken aan oude vroondiensten, waartoe de
bewoners der omliggende gehuchten verplicht waren. Een mededee-
ling van 21 October 1712 aan de inwoners van Roer om de publieke
wegen te herstellen herinnert ook aan zulke oude heerendiensten.
Wij eindigen dit beknopt overzicht over de zeden en gewoonten in
Roermond met de vermelding van enkele voorschriften van omstreeks
1700, die wellicht berusten op plaatselijke gebruiken en min of meer
overeenstemmen met nog van kracht zijnde verordeningen.
Zoo moest iemand bij bouwen en timmeren zorgen, dat om de
8 dagen gruis en puin werd opgeruimd. Puin moest buiten de stad
worden gevoerd naar aanwijzing van den Magistraat. Timmerlieden
konden bouwhout hoogstens acht dagen laten liggen op den weg.
Zaterdags moest de straat worden gereinigd en niemand mocht het
vuil voor eens andermans erf vegen. Dinsdags en Vrijdags moesten de
straten worden geveegd. Tweemaal per week kwamen karren rond
om vuil op te halen. Het was de jeugd verboden met sneeuwballen
te gooien en met steenen te smijten, en het spelen onder de Hoogmis
op de Markt was eveneens verboden.
Als men dit leest, blijkt, dat in dat opzicht niet veel veranderd is en
het oude niet zoo ver van het nieuwe verwijderd is.
Binnen het bestek ons toegestaan, hebben wij hiermede aan onze op-
dracht voldaan en nemen afscheid van den welwillenden lezer.

















333
ligenfiguren, zooals onze wonderdadige Lieve Vrouw van 't Zand, en
die in onze putkapelletjes vereerd, verzorgd en gekleed worden, met
recht meesters mogen worden genoemd.

Alle levenwekkende kracht van oude overleveringen moet hier wel
tengevolge van de maatschappelijke en economische wisselvalligheden
in de eerste helft der 19de eeuw geheel uitgestorven zijn.
In de laatste 80 jaren moest voor de beeldende kunsten ook hier een
nieuwe grondslag gelegd worden, voordat weder eene gezonde over-
levering zich kon ontwikkelen.
Was het de Roervallei die de aanraking met de Oostelijke buren be-
vorderde, te oordeelen naar het eigenaardig Rijnlandsche karakter van
den Munsterbouw te Roermond, terwijl de Maastrichtsche bouwwer-
ken door alle eeuwen heen, van meer onmiddellijke aansluiting aan de
monumenten van den stroomopwaarts gelegen Maasbodem getuigen?
Het Roerdal heeft niet alleen in vroeger eeuwen het contact met het
Rijnland levendig gehouden, maar ook in de 19de eeuw zal 't langs de
Roer zijn, dat het pad voert van den stamvader, wiens zonen en doch-
ters persoonlijk of door hunne kinderen en kleinkinderen de verschil-
lende kunsttakken zullen doen herleven, en medewerkers van Oost en
ook van West naar onze stad aantrekken.

Wij hebben daarmede het oog op Joannes Cuypers, welke omstreeks
1810 gehuwd was met Joanna Bex uit Schinveld.
De voortdurende aanraking met Gods heerlijke natuur is een gunstige
factor voor de ontwikkeling van evenwicht, vastberadenheid, uithou-
dingsvermogen, door 't geloof gesteund. De daar uit traditie gevormde
karakters kunnen den grond leggen waaruit pioniers in de groote men-
schencentra voortkomen.
De stap van dezen stamvader van Vlodrop naar Roermond was niet
zoo groot, als die welke zijn jongste zoon Petrus Cuypers in 1865 zoude
doen van Roermond naar Amsterdam. Zijn vader voelde zich tot de
kunst aangetrokken en beoefende de schilderkunst als liefhebberij.
Een oudere zoon, Henri, werd decoratieschilder, terwijl op een na de
jongste zoon, Frans, als talentvol portretschilder van de Antwerpsche
Academie terugkeerde.
Petrus ontving echter van zijn Schepper die gaven, welke een buiten-
gewoon vruchtbare loopbaan mogelijk maakten. Hij was een geboren
kunstenaar, een overtuigd Christen, eerlijk en vooruitstrevend. Zijn
temperament was levendig, zijn denkbeelden onuitsprekelijk rijk aan
fantasie, terwijl hij daarbij een zelden voorkomend gevoel voor even-
wicht bezat. Hij was een organisator, een heerscher, een mensch om
een stuk historie te maken. Een man, die overtuigd was, dat hij die
gaven moest gebruiken en zoo hoog mogelijk opvoeren om zijn plicht
te vervullen tegenover den Almachtigen Schenker van alle goed. Die
stempel drukt op al zijn daden.
Met die grondgedachte heeft hij gestreden met en ondanks zijn phy-
sieke zwakheden, zijn geheel, lang, vruchtbaar leven. Door zijn liefde

335
Hij bracht kleur, vreugde en stemming in de Godshuizen. Men hoefde
niet langer te bidden in wit gepleisterde kerken, waar de geest van
puritanisme zijn stempel had gedrukt. Voortaan leefde er traditie, ge-
schiedenis, met vrome blijheid.
In 1855, op de eerste wereldtentoonstelling te Parijs, exposeerde Cuy-
pers behalve architecturale teekeningen ook een preekstoel, door zijn
kleine gilde vervaardigd in de ateliers van den heer Stoltzenberg.
Zijn werk werd opgemerkt door Prins Bonaparte, later Napoleon III,
eerevoorzitter der tentoonstelling, die de waarde van dit werk spoedig
erkende en het een eereplaats liet geven. Al zijn vorsten nu juist niet
steeds bevoegde kunstbeoordeelaars, zoo kan men zich toch voorstellen,
dat een spontaan erkennen van zijn verdiensten door den prins, voor
Cuypers een mooi oogenblik in zijn leven beteekende.
Ook toen reeds moet Cuypers evenals bij belangrijke blijde gebeurte-
nissen in later leven ervaren dat de kunstenaar door 't leed tot rijpheid
moet worden gebracht.
Bij thuiskomst moest hij vernemen, dat zijn jonge vrouw, wier gezond-
heid wankelend was geworden na de geboorte van een tweede doch-
tertje, dat zij moesten verliezen, overleden was ...
Diep was het ver-
driet en groot het offer. Nu de vreugde van zijn leven was uitgedoofd
werd zijn werk, zoo mogelijk nog meer dan te voren, de groote kracht
die hem schraagde .... Hoe gemoedelijk men in dien tijd dacht over
de hooge eischen, die gesteld moeten worden en die van zelf voort-
vloeien uit de verantwoordelijke positie van een architect, blijkt wel
uit de volgende episode uit het leven van den jongen Cuypers.
Hij ging naar Antwerpen op 17-jarigen leeftijd en kwam afgestudeerd
terug toen hij 21 jaar was. De Munsterkerk, een historisch monument,
was onderkomen van binnen en van buiten, en zelfs nog niet afgebouwd,
moest ze hoog noodig gerestaureerd worden. Monseigneur Paredis
vroeg den jongen Cuypers zijn oordeel te geven over den toestand.
Evenals in alle andere Godshuizen had de 18de eeuwsche witkwast
allen natuursteen en eventueel aanwezige schilderingen met vele lagen
witkalk overdekt; uitwendig had de mergelsteen in ruim 6 eeuwen heel
wat moeten lijden van den tand des tijds. Natuurlijk bracht 't toen ook
eenigszins de gemoederen in beweging en tegenover de welwillendheid
van zijnen Bisschop kwamen ernstige bezwaren van den kant van be-
kende kunstliefhebbers opdagen.
Van dat oogenblik tot 't begin der restauratie van ons Munster zijn
jaren verloopen, om de gewone reden: de geldelijke middelen ontbra-
ken. De stichtingen weleer aan de Munster-Abdij verbonden waren
door de beroering der tijden lang vervreemd.
Het restauratieontwerp werd door kunstliefhebbers te Roermond
krachtig bestreden. Tegenover de vrije fantasie van den architectres-
taurateur, die zich zelf voelde inleven in het monument, uit een zoo
frissche periode, met een klaar inzicht in constructie en edelen vorm,
kwam reeds toen tot uiting die andere opvatting van restauratiewerk,
welke zich geheel laat leiden door de archeologische kennis, en slechts

337
daarvoor was zijn artistieke natuur te sterk, te emotioneel, om op één
punt, op één formule te blijven hangen. Zijn geest was te beweeglijk,
om niet met telkens nieuwen ijver een compositie te maken van onder-
werpen, voorstellingen, meubelen, hoewel met dezelfde bestemming,
maar waaraan, in verband met de verschillende omgevingen, telkens
een ander karakter werd gegeven. Zie b.v. Hoofdaltaren, tevens H.
Hartaltaar in de Vondelkerk, in Helmonds H. Hartkerk, en in den
Noordhoek te Tilburg. Een vijftiental jaren later wordt getracht het
streng „liturgisch” altaar te verwezenlijken zooals er een in St. Petrus-
Banden te Boxtel op origineele wijze is uitgevoerd in gothische omge-
ving als variant van de oplossing, die te Aarle-Rixtel in klassieke om-
geving stond.
In de latere periode is over de gansche lijn de oude strijdvraag „in
welken stijl?" uitgeschakeld en het juister begrip, dat elk werk zijn
karakter, stijl in zich zelf moet medebrengen, aanvaard. Pynakels,
kruisbloemen en hogels behooren tot het verleden. En ook wanneer
in een zoogenaamd „neogothische” omgeving wordt gewerkt, zullen
meubel, schildering of sculptuur vrij mogen spreken van dezen tijd.
Zoo moet er een voortgaande evolutie zijn in het werk, waarvan het
levensbeginsel de middeleeuwsche verhoudingen steeds meer nadert,
en zelfs verder terug grijpt om in het zoeken naar verwantschap van
de 13de eeuw naar de 12de eeuw op te klimmen.
Met den naam Lücker worden voor ons geroepen drie opeenvolgende
geslachten van kunstenaars. Den 11den October 1849 vestigde Jozef
Lücker zich te Roermond, waar hij in 1850 bij Stoltzenberg werk vindt.
Voor een aanduiding van zijn werk en een karakteriseering er van,
citeeren wij Ir. Rembert: „Tüchtiger Zeichner und starker Kolorist.”
Zijn eerste groote werk op 27-jarigen leeftijd was een triptiek in de
voormalige Bockhalle (nu Reichshalle) in Crefeld, voorstellingen uit
het leven van Wilhelm Tell. De „Rüttli Schwur” is hiervan 't voor-
naamste stuk dat wel naar aanleiding van de democratische beweging
van 1848 zal zijn ontstaan. Van plaatselijke beteekenis was ook een
schilderij van 1849 „De Parade der Burgerwacht“, waarop de meeste
der toenmalige Crefelder Autoriteiten in portret zijn voorgesteld.
Na de associatie van Stoltzenberg met Cuypers blijft hij, nu onder
directie van Cuypers, in de bekende ateliers in Roermond werkzaam
tot zijn dood 18 December 1900.
In den loop der jaren schilderde hij altaarstukken en staties voor
Brugge, Amsterdam, Roermond, Neerbosch, Sittard, Venlo, Voorscho-
ten, Breda, Nijmegen, Tilburg, Luik, Rolduc, Groningen, Heeg (Fries-
land), Netterden enz. Ik noem alleen de plaatsen, die Ir. Rembert ge-
vonden heeft. Deze karakteriseert dit werk aldus: „Hier hatte er unter
den Einfluss von Cuypers meist einen vorgeschriebenen Weg wan-
deln müssen, weshalb er auf diesem Gebiet weniger persönlich wirkt."
Daarnaast echter teekende en schilderde „Grandpa Lücker“ talrijke
genrestukken en portretten, waarvan er op een tentoonstelling in Cre-
feld een groot aantal aanwezig waren. Ontelbare zelfportretten dienden
hem tot studie en hierin komt zijn echt schilderstalent tot volle ont-

339
overdroeg aan mannen, die daarna lange jaren in Roermond zelfstan-
dige ateliers hebben bestuurd, namelijk de beeldhouwers Oor, Lenaerts
en Houtermans. Den naam Capiau ontmoeten wij tot 1907.
Nieuwendijks meest belangrijke werk was de figuurgroep van schen-
ker en zanger, die aan de Oostzijde van de Hal op Haarzuylens het
balkon schraagt, en meerdere van de daar geplaatste historische figuren.
Jean Geelen heeft vele jaren lang de schetsen van Dr. Cuypers vlot ge-
modelleerd en gekapt tot voldoening van den Meester.
Onder de ornamentisten ontmoeten wij B. van Binnenbeke, die uit
Vlaanderen een groot plastisch gevoel en nauwkeurige vakkennis had
medegebracht, welke voor vijftig jaar in Noord-Nederland zeldzaam
was. Elk nieuw motief sneed hij vlot in hout of kapte het in steen.
Ook de Roermondenaar Pauly werkte gedurende 40 jaar met liefde
alle ornamentale composities zorgvuldig uit, en mocht daarna met pen-
sioen naar de groote Scheldestad gaan. Aug. Hermans vond zijn ont-
wikkelingsgang, als leerling, later als leeraar en eindelijk als bestuurslid
der Roermondsche School voor nuttige en beeldende Kunsten. In de
ateliers en ook zelfstandig arbeidde hij afwisselend aan kartons voor ge-
brand glas zoowel voor Dr. Cuypers als Ir. Jos. Cuypers, terwijl de laat-
ste hem ook menige decoratie van burgerlijk karakter, calligraphisch
werk, enz. toevertrouwde.
De beeldhouwer Jean H. Leeuw, zoo bekend om zijn uiterst fijn be-
werkt portret in relief van Koningin Sophie, waarvoor hij het ridder-
kruis van de Eikenkroon verwierf, was de vader van twee begaafde
zoons Henri Leeuw, schilder, en Oscar Leeuw, architect, die zich reeds
op jeugdigen leeftijd te Nijmegen vestigden.
Twee andere kunstenaars, die van uit Roermond hunne loopbaan naar
buiten zochten, zijn de architecten Joseph Lucas en Jentjens. Toen
Dr. Cuypers omtrent 1873 tot Dombaumeister van Mainz werd aan-
gesteld door Mgr. von Kettler, nam hij van zijn bureau te Amster-
dam Joseph Lucas mede naar Mainz als dagelijksch opzichter der her-
stelling van het oostelijk koor. Al spoedig werd Lucas benoemd tot
officieel architect van het Aartsbisdom, in welke betrekking hij van
den Berlijnschen Rijksdienst menigmaal scherpe kritiek moest onder-
vinden. Hij stierf op middelbaren leeftijd.
Omtrent dienzelfden tijd bracht Dr. Cuypers zijn leerling Jentjens
naar de positie van „Fürstlicher Baumeister von Löwenstein-Erbach
u.s.w." te Aschaffenburg.
Reeds vanaf de eerste jaren dat Cuypers met Stoltzenberg samenwerkte
werd M. Lauweriks, een begaafd teekenaar en modeleur, aan deze
werkplaatsen verbonden. De samenwerking met dezen sympathieken
Vlaming, die de plaats van den Utrechtschen beeldhouwer Georges zoo
veel beter vervulde, was zeer intens. Toen 't gezin Cuypers de gebou-
wen aan den Maastrichterweg in 1865 verliet en zich aan 't Leiderdor-
perpad buiten de Leidschepoort in de polderstreek bij Amsterdam ves-
tigde, toog het gezin Lauweriks mede en betrok daar een deel van
huize „Nabij Buiten." Op 't architectenbureau van Cuypers kon men
daar den beeldhouwerteekenaar aan 't werk vinden, in 't zelfde lokaal,

341
van de Munsterkerk heeft het overgroote gedeelte van zijn kerken
vooral in Brabant eene vormontwikkeling die aansluit bij de Neder-
Rijnsche voorbeelden uit den overgangstijd van de Romaansche naar
de Gothische bouwkunst. Zijn romantieke opvatting kan blijken uit
de voldoening waarmede hij op later leeftijd verklaarde: Alle denkbare
gewelfstelsels heb ik hier of daar in mijn kerkbouw toegepast. Daar-
toe zijn te rekenen een 40-tal kerken en kloosters.
De bouwmeester C. Franssen, te Tegelen geboren in 1860, vestigde zich
vroegtijdig in Roermond. In zijn uitgebreide praktijk, welke zich over
Limburg en Brabant uitstrekte, ontmoeten wij zoowel scholen als kloos-
ters, pastories, nieuwe kerken en vergrootingen van middeleeuwsche
kerken. Steeds bleef hij tot aan zijn onverwacht overlijden in Januari
1932 aan neogothische of romaansche grondvormen de voorkeur geven,
aan het na hem komend geslacht overlatend, andere inzichten onder
omstandigheden te huldigen. Deze bouwmeester bezat eene voor den
Limburger ongewone geslotenheid van karakter, die zich natuurlijk
afspiegelt in de soberheid en den ernst zijner bouwwerken. Een groote
mate van zorg besteed aan de technische uitvoering, kan daarmede op
natuurlijke wijze gepaard gaan. Wellicht bereikte hij met ± 100 het
hoogste aantal opdrachten onder de kerkenbouwers van de 19de en
20ste eeuw.
Bij den bouw van de parochiale Votiefkerk van het H. Hart in het
Roermondsche Veld heeft architect Franssen als motief gekozen den
gothischen centraalbouw rond een achthoekige kern. Zonder twijfel
heeft de mogelijkheid om de silhouette van zulk een bouw tot rijk
lijnenspel te ontwikkelen, dat, gezien van uit de oude stad over het
hoog gelegen Roermondsche Veld, zeer aantrekkelijke beelden te voor-
schijn roept, tot deze compositie doen besluiten.
Tot de volgende generatie van bouwkundigen, voor zooveel die niet
meer tot de levenden behooren, noemen wij den in Roermond in 1859
geboren architect Eduard Cuypers, die zich omtrent 1885 te Amsterdam
vestigde. Hij was de tweede zoon van den hiervoor genoemden Henri
Cuypers, decoratieschilder.
Als typische werken uit de groote reeks die door zijn zeer gezocht
architectenbureau werden uitgevoerd zijn o.m. aan te wijzen: de kliniek
en wonnig van Dr. Mondes de Leon aan de Sarphatistraat te Amster-
dam en de woning van Mr. Texeira de Mattos daarneven. Voorts het
station der Ned. Spoorwegen te 's-Bosch, het buitenverblijf „de Hooge
Vuursche", de Amsterdamsche Bank te Maastricht, benevens verschei-
dene groote ziekenhuizen.
In vele opzichten mag zijn loopbaan beschouwd worden als een tegen-
hanger van dien van architect Weber. Ruime opdrachten, goede ver-
zorging van het interieur, met veel smaak, wordt ook de geheele kleur-
behandeling van alle gebouwen verzorgd
Als kunsthistorisch detail is 't van waarde, dat, als erkenning van wat
de talentvolle moderne jonge garde in de Amsterdamsche bouwkunst
van het vak heeft geleerd, zij, de jonge collega's, op de begraafplaats


343
der hedendaagsche Christelijke kunst, door zijn beide zoons Albin en
Paul en zijn kleinzoon Fons Windhausen.
Zijn oudste zoon Heinrich, geboren 11 September 1857, die eveneens
in Roermond werkte, was een zeer bekend portretschilder. Onder lei-
ding van zijn vader ontwikkelde zich in den talentvollen jongen reeds
vroeg de zin voor de schilderkunst. Door zijn gemak van schilderen
en fijnen smaak voor coloriet wist hij het reeds op jeugdigen leeftijd
zeer ver te brengen. Zijne portretten, waarvan er zich vele in adellijke
families bevinden, werden algemeen geroemd. Hij stierf 20 Februari
1922 te Roermond.
De gunstig bekende orgelbouwer A. Franssen bouwde het nieuw orgel
voor de kathedraal, waarvan het atelier voor Christelijke beeldhouw-
kunst (Prof. Thissen) de houten betimmering leverde. Op 12 October
1916 had de inwijding plaats, waarna een bespeling volgde door de
orgelvirtuoozen Jos. Luyten en E. Franssen.
Enkele feiten behoeven wij hier slechts aan te stippen om bij de oudere
generatie de goede herinneringen op te wekken aan het groote aandeel
dat muziek steeds in 't leven van Roermond heeft ingenomen. Als de
geschiedenis der Koninklijke Harmonie, die op 7 December 1846 door
Z. M. Koning Willem II uit het, in 't begin van 1800 gestichte Philhar-
monisch gezelschap, werd omgedoopt in Koninklijke Harmonie, wordt
nageslagen, zal een beeld niet alleen van 't muzikale leven in Roermond,
maar ook van zijn contact met alle andere kunsttakken ons een begrip
kunnen geven van de hooge stemming die in het derde kwart onze
goede stad bezielde.
In October 1860 gaf men een weldadigheidsconcert voor de Vereeniging
van St. Vincentius à Paulo, bij welke gelegenheid mevrouw P. Cuypers-
Alberdingk-Thijm, bezitster eener krachtige, genotvolle altstem in
Roermond haar talent, dat te Aken en Rotterdam reeds de aandacht
had getrokken, ten beste gaf. Evenzoo was hare medewerking van zeer
bijzondere waarde bij het eerste Vondelfeest in de 19de eeuw in ons
vaderland gevierd, en wel op den 5den Januari 1862 in de Ateliers van
Bouw- en Beeldhouwkunde buiten de Kapellerpoort, met medewerking
van drie muziekgezelschappen en de stafmuziek van 't 5de Regiment
Dragonders. J. W. Brouwers, (Margraten Jan. 1831 - Bovenkerk 1890)
professor van het Groot College, later hoofdredacteur van „de Tijd"
te Amsterdam, en ook bij nietkatholieken een bekende pastoor te
Bovenkerk, leverde bij die gelegenheid letterkundige bijdragen.
In 1887 geeft het zanggezelschap de Echo der Maas van het atelier
Cuypers en Stoltzenberg een concert te Heinsberg voor de restauratie
der kerk.
De voortdurende bloei der Koninklijke Harmonie en de wijze waarop
zij steeds een zeer werkzaam aandeel neemt in alle gebeurtenissen
van 't Kerkelijk en Burgerlijk leven, mag als een getuigenis gelden voor
de gunst waarin de muziek steeds bij de Roermondenaars heeft gestaan.
Als typische figuren, die optreden als de vertegenwoordigers van deze
edele kunst, denken we allereerst aan Louis Guillaume, die zijne schoo-
ne taak met vertrouwen mocht overdragen aan zijn zoon Max. Daar-

345
zamelde feitenmateriaal, in verband met wat het thans levende geslacht
bevestigt. Roermond als centrum van Midden-Limburg was de baker-
mat van vele kunstenaars, die, dank zij hun natuurlijken aanleg en de
stuwing der omgeving, gepaard aan den steun die de School voor
Nuttige en Beeldende Kunsten, benevens de praktische beoefening
der kunstambachten hun gaf, zich in velerlei richting hebben ont-
wikkeld.
Om een oordeel te kunnen uitspreken omtrent het al of niet bestaan
van eene Roermondsche School van Architectuur of Schilderkunst is
de gezichtskost op de werken nog te gering.






































347
Als wij nu ons dagelijksch „plat“ spreken, van wat voor een taal bedie-
nen wij ons dan eigenlijk? M.a.w. hoe staat het „Remunjs“ geregistreerd
in den burgerlijken stand van de taalwetenschap?
De gezamenlijke talen der wereld worden ingedeeld in enkele groote
groepen, talenrassen zoo ge wilt. De Indogermaansche talen maken
deel uit van één dezer „rassen”. (Indogermaansche talen is een verza-
melnaam voor de meeste talen van Europa en een deel der Aziatische).
Een nadere verdeeling onderscheidt hierin weer eenige taalfamilies, om
ze zoo maar eens te noemen. Het zijn: de Balto-Slavische talen, de Indo-
Iraansche talen, het Armenisch, het Albaneesch, het Tochaarsch, het
Grieksch, de Italisch-Keltische talen, de Germaansche talen. Bij de
Germaansche talen tenslotte, spreekt men weer van een Noord-, Oost-
en West-Germaansche groep.
Met de laatste moeten wij ons nu even nader bezighouden. Zij omvat
(historisch beschouwd): het Angelsaksisch (waaruit het Engelsch ge-
groeid is), het Friesch, het Saksisch, het Frankisch, het Hessisch en
Thüringsch, het Alemannisch en Beiersch.
Het Alemannisch en Beiersch zijn de voornaamste dialecten van het
zgn. Opperduitsch, dat met het Hessisch en Thüringsch + een gedeelte
van het Frankisch het Hoogduitsch taalgebied vormt. Daartegenover
staat een Nederduitsch taalgebied, dat gevormd wordt door het andere
gedeelte van het Frankisch + het Saksisch.
Wij zien dus, dat het Frankisch taalkundig in twee gedeelten uiteen
valt. Het geografisch zuidelijke deel, dat Hoogduitsch is, wordt Opper-
en Middelfrankisch genoemd; het noordelijke, het Nederduitsche dus,
heet Nederfrankisch. De grenslijn verloopt grootendeels in Duitsch-
land. Slechts in het Z.O. van Limburg overschrijdt zij, over een kleine
afstand, onze landsgrens. Nederland (voorzoover niet Friesch of Sak-
sisch) is dus, op dat kleine stukje na, geheel Nederfrankisch. Friesch zijn
de provincies Friesland en Noord-Holland (grootendeels); Saksisch zijn
Groningen, Drenthe, Overijsel, Gelderland (gedeeltelijk). Het overige
gedeelte van ons land, dus Zuid-Holland, Zeeland, Utrecht, gedeelte van
Gelderland, Noord-Brabant, Limburg (uitgezonderd het uiterste Z.O.),
bovendien het Vlaamsche gedeelte van België, is Nederfrankisch 1).
Zoo hebben wij dan eindelijk, zoowel geografisch als taalkundig, het
gebied afgebakend waarin het Roermondsche dialect zijn plaats vindt.
In gedachte meen ik nu echter van verschillende kanten te hooren:
,Maar waar blijft in deze groepeering ons Nederlandsch dan, het Alge-
meen Beschaafd Nederlandsch, dat door het geheele land gesproken
wordt?'
Hoewel niet bepaald tot ons onderwerp behoorend, wil ik deze vraag

en met dit materiaal en andere resultaten aan de taalwetenschap groote diensten
bewijzen. Want wat voor den taalgeleerde de kennis der moderne dialecten beteekent.
is aan elken insider voldoende bekend.
1) Voor de nauwkeurige grenzen van Friesch, Saksisch en Frankisch, in ons land,
verwijs ik belangstellenden naar de prettige, overzichtelijke kaart, die zich bevindt
in : Van Ginneken, Handboek der Ned. Taal (dl. I) of in : Van Ginneken en Endepols,
De regenboogkleuren van Nederlands taal.


349
Zoo ook werd oorspr. t aan het begin van een woord tot ts: Ndl. tijd -
Hgd. Zeit.
De lijn, die de grens van deze (en nog andere) klankveranderingen aan-
geeft, draagt den naam „Benratherlinie”. Wij zagen reeds, dat slechts
het uiterste Z.O, van Limburg binnen dit gebied valt. Hoezeer het
Roermondsch dan ook naar het Duitsch georiënteerd is in vergelijking
met het Algemeen Beschaafd Nederlandsch (A.B.N.), op dit punt staat
het aan den kant van het laatste. Wij spreken van aiten - sjloapen -
teiken - tied.
Die Hoogduitsche klankverschuiving heeft echter nog lang nagewerkt
en enkele klankwijzigingen hebben zich verbreid buiten die scherp ge-
teekende grens. Het verst doorgedrongen op Nederfrankisch gebied is
de uitspraak „ich“ en „ouch” voor „ik” en „ook”. De grenslijn van dit
verschijnsel heet „Uerdingerlinie“. Deze neemt een grooter stuk van
Limburg mee. Zij doorsnijdt het ongeveer op de hoogte van Panningen
in de richting Oost-West. Venlo valt er juist buiten. Alle plaatsen ten
Zuiden van deze lijn - dus ook Roermond - hebben echter „ich”
en „ouch".
Ik wijs ook nog even op het gebruik van „mich” tegenover A.B.N.
„mij” 1).
De zgn. „Panningerlinie“ valt, van Duitschland uit, met de Uerdinger
samen tot aan het dorp Panningen. Daar buigt zij plotseling naar be-
neden en doorsnijdt geheel onze provincie in de lengte. Bij Wessem
gaat zij de Maas over en vervolgt haar loop verder op den rechteroever
ongeveer parallel met de rivier. Zij vormt de grens van het gebied, waar
de oorspronkelijke s in de verbindingen sp, st, sl, sm, sn en sw, aan het
begin van woorden, tot sj wordt. Roermond valt er weer binnen; men
zegt er:
sjpelen - tegenover A. B. N. spelen
sjtool - stoel
sjloan - slaan
sjmieten - smijten
sjnoor - snoer
sjwummen - zwemmen (vroeger swemmen)
Het Maastrichtsch staat in dit opzicht (met het Venloosch weer) aan
den kant van het Nederlandsch.
Grooter is het gebied, waar de s in de verbinding sch als sj wordt uit-
gesproken. De grens hiervan vormt de zgn. „Panningerzijlinie“. Deze
valt ook tot Panningen met de Uerdinger samen, maar buigt zich daar
niet zoo scherp ervan af. Zij loopt veel Zuid-Westelijker dan de Pan-
ningerlinie en omvat nog een stuk van het Belgische taalgebied. In
Ndl. Limburg valt Weert er juist buiten. Men spreekt daar, in overeen-

1) Voor het juiste verloop van deze grenzen op Nederlandsch gebied verwijs ik
belangstellenden nogmaals naar de reeds genoemde kaart van Van Ginneken. Een
uitgebreid artikel hieromtrent (ook met kaart) van Prof. Dr. Schrijnen in „Limburg's
Jaarboek" XIII 4e afl.


351
en men beluistert met heel andere ooren de welluidende klanken van
onze moedertaal.

Wij hebben reeds gesproken over „ich“ en „mich”. Het persoonlijk
voornaamwoord in zijn geheel is echter wel een nader toezien waard.
Vergelijken wij het maar eens met het A. B. N .:
ik : ich - mij : mich - jij : doe - jou : dich - hij : hai - wij : veer
ons : ós - jullie, u : geer - jullie (4e nmv.) : uch - zij : zie - hen : hör
Het meest opmerkelijke is wel het gebruik van het oude „doe“, dat zoo
intiem, hartelijk klinkt.

Van de andere pronomina stip ik even aan:
uw (bezittelijk) : eur - hun (bezittelijk) : hőr - wie (vragend) : waim
iemand : eemes - iets : get - niemand : neemes

Ik heb er zelf reeds terloops op gewezen, dat het Roermondsch (en
dit geldt voor de Limburgsche dialecten in het algemeen) zoo naar het
Duitsch is georiënteerd. Als men de verschillende voorbeelden, die ik
boven heb aangehaald, met het Duitsch vergelijkt, blijkt dit al zeer
duidelijk. Let men daarbij ook nog eens op den woordenschat van ons
dialect, en vooral op de overeenstemmende beteekenis van vele woor-
den, dan springt deze samenhang tusschen Limburgsch en Duitsch meer
en meer in het oog. Maar heeft men daarom het recht om te zeggen,
wat wij zoo vaak te hooren krijgen (òf uit domheid òf als plagerij):
„jullie taaltje is zoo'n beetje verbasterd Duitsch!"? En is die overeen-
komst alleen een gevolg van het feit, dat wij zoo dicht bij de grens van
het groote Duitsche rijk wonen?
Heele gebieden van het Saksisch in ons land grenzen toch ook aan
Duitschland! Neen, die samenhang heeft een diepere reden, hij is his-
torisch.
Dat het Limburgsch Frankisch heel nauw verwant is met dat aan gene
zijde van de grens, hebben wij in het begin van dit opstel gezien. De
Rijnlandsche dialecten nu hebben ook hun aandeel gehad in de tot-
standkoming van het Algemeen Beschaafd Duitsch. Wat deze dus
daarin gebracht hebben, vinden wij terug in onze Limburgsche dialec-
ten, die hun oorspronkelijk karakter zoo zuiver bewaard hebben.

Zooals ik bij de bespreking van de voorafgaande feiten reeds telkens
heb opgemerkt, zijn deze eigenaardigheden niet specifiek Roermondsch.
Het zijn klankverschijnselen in groote lijn, die ons dialect deelt met vele
andere Limburgsche tongvallen. Slechts een kleine nuanceering in de
uitspraak van klinker of medeklinker stempelt een woord pas tot „ech-
Remunjs".
Nu zullen wij echter even onze aandacht schenken aan enkele bijzon-
dere klanken, die meer speciaal aan het Roermondsch eigen zijn. Waar-
mee dan toch weer niet gezegd is, dat zij in geen enkel ander dialect
zouden voorkomen. Taalverschijnselen laten zich nu eenmaal niet bin-

353
Heerlensch is bijv.: hónk : Roermondsch hóndj : Ndl. hond
vrunk : vrundj : vriend
hank : handj : hand
beng : benj : banden
zung : zuunj : zonde
(ich) ving : (ich) vinj : (ik) vind
mangel : manj : mand
bingen : binjen : binden
lenger : lenjer : landen
vingen : vinjen : vinden
Als wij ons nu nog eens op het gebied der klinkers begeven, worden wij
al dadelijk getroffen door de groote verscheidenheid en rijkdom, die
het Roermondsche dialect hierin ten toon spreidt. Niet alleen bezit het
alle klanken, die het algemeen beschaafd Nederlandsch kent, maar
daarenboven heeft het nog te beschikken over 6 andere.
Buiten
de ă (trap - zat - barg) en de ā (sjaap - naas - kaad),
de (lekker - bekker - get) en de ē (kees - sjeep - beer),
de i (litsen - sjtil - pitsen) en de ie (kies - riep - sjliepen),
de o (los - sjtoppen - kos) en de o (moos - sjtool - vlook),
de u (nut - sjtumpel - kuns) en de uu (buus - muus - kuul),
de ei (reipen - sjtein - heit),
de ou (loupen - douf - houp),
de oe (boete - sjtoep - roete)
de eu (deur - neutelik - breuk),
de ui (kuiper - sjpuit - kluit)
hebben wij nog een andere korte o, die ik aanduid door ó: bóntj -
dóm - sjpóns - lóng. U hoort toch wel het verschil in klinker, als u
deze woorden eerst in het Roermondsch en daarna in het Nederlandsch
zegt? Bij los, sjtoppen, kos was dit verschil niet aanwezig.
Naast de u leeft er in ons dialect nog de klank, dien men bijvoorbeeld
in het Duitsche woord „Glöckchen“ hoort:
lös, duidelijk onderscheiden van lus
bös, bus (= bosschen)
höt, hut
Tusschen de é en de i voegt zich bij ons nog een é: vés - hél - téllen
sjéllen. Het is geen è en ook geen i, want u hoort duidelijk onderscheid
tusschen
eenerzijds hékske en hekske en anderzijds wét en wit
zék zek - més mis
nét net - sjéllen sjillen



355
eu - veule (veulen) en veulen (voelen)
meug (meug, smaak) en meug (moe)
ui - gluif (geloof - geb. wijs) en (ich) gluif (ik geloof)
vónk (vonk) en (geer) zónk (jullie zonken)
(geer) vónk (jullie vingen) en (geer) zónk (jullie zongen)
é - sjtél (stel - subst.) en (ich) sjtél (ik stel)
oa - troag (trog) en troag (traag)
loaten (loten) en loaten (laten)
ő - hőr (haar - pers. vrnmw.) en hör (hun - bezittel. vrnmw.)
ai - vair (veerpont) en vair (veer)
haiske (kleine handschoen) en haiske (haasje)
In het juiste gebruik hiervan ligt een van de grootste moeilijkheden
voor 'n vreemde (speciaal 'n „Hollander"), die ons dialect wil aanleeren.
Ik meen goed te doen (en misschien vele van mijn lezers een genoegen
te verschaffen) met aan het einde van dit opstel, dat getracht heeft een
overzicht te geven van het belangrijkste taalmateriaal dat den Roer-
mondenaar ten dienste staat, ook een kleine „show” te houden van
wat deze hiermede aan karakteristieks heeft weten op te bouwen. Met
andere woorden: een greep te doen uit de typische Roermondsche
woorden, spreekwoorden en uitdrukkingen. Zeer vele heb ik ter zijde
moeten leggen, omdat zij voor publiciteit in dit milieu niet geschikt
waren! Want wie maakt juist de sprekende, kernachtige zegswijzen?
De man van de straat! Maar daarom is er ook vaak een luchtje aan!
Met enkele van de hier gegeven voorbeelden ga ik al buiten het be-
schaafde taalgebruik, maar om het bijzonder teekenende of humoristi-
sche van de uitdrukking, meende ik ze mijn lezers - die ze met dezelfde
bedoeling lezen, waarmee ik ze heb opgeteekend - niet te mogen ont-
houden. Opdat het geschrevene zich hier en daar niet te cru aan uw
oogen opdringe, heb ik de woorden, waar „poor aan is“, met de begin-
letters aangeduid. 'n Goed verstaander ..... nietwaar?

'ne baatsje. - böken.
aik - Göl zeen.
'n fezej. - 'nen halfgehange.
Waat 'n höt!
'n kwaaj - koekkernulkes.
Det is 'ne neutelike santes! - 'ne löbbes.
Zich tetsjen. - 'n neetoor.
uigen. - oamezeik
Det gaait 'm! - Det is 'ne sara!
'n v. tmoel. - Sókkerkörkes.
'nen huikloas - Zich taggen.
'n ermooitspens - 't Is groavigheit!
In den hoak zeen. - 'ne kliejesj .. ter.
Eine alles aafloeksen. - 'ne kwakból.



357
Zich de luns oet trékken.
Kap en kogel verzoepen.
Doe nejts mich gein oore aan!
Doe bös in ei rief joar jónk gewais!
Eemes de vairse loaten zeen.
Ich höb dich in de neut!
Dai is van Naat ziene kantj!
Ich höb 't zoo drök es de pan in de vasteloavend!
Zoepen wie 'ne ketter.
Dai heurt de pierelinge neesten!
Haai dien aai sjloefe veur de gek!
Hai leet reube good moos zeen.
Ich bön dich zoo meug es kaai pap!
Hoap dood, laif lang.
Dai is zoo gauw es ein sjtr .. vleeg!
Vraiten wie 'nen heimejjer.
D'n aivevöl is 'm aan 't lief.
Röpsen wie 'n koe.
Hai hait de sjöp gesjoaren, en veer de verkes.
Det is voel bótter aan ei berós mets!
Dai hait de rooi weer van de v ..!
Doe leers nog moere sjaaven!
Dai is oet de hél gekroapen, wie der duuvel sjloapde.
Voel brood in de tes höbben.
Waat de kop vergit, mótten de bein misneeten!
Kieken es ein loes tösse twee naigel.
Kattepuukels maken.
Weiten woo haas hiep.
Doe bös nog neet (in) Ool euver!
Det zeen sjnieders van ein noalj.
Det is maar ein klein ruutje oet 'n vinster.
Dai hait zie breudje gekoch.
Nairing is gein erf.
Ein mik es 'ne sjliepsjtein.
Doa zit de sjpeelman nog op 't daak.
Det is bótter aan de galg geklets.
Neet te völ zeen, maar euversjeeten.
'ne Kop we 'ne ver.
Det sjtik nog in wiej zek!
ne sjtroathélge.
Det zeen mer gemaakde menkes!
Eemes get opbinjen.
Veur 't noadgare zitten.
Muuskebellen.
Örges ein hendje van höbben.
Örges op sjtoan te prikken.
.en oeteketoet, 't vertélselke is oet,
de kat, die lek de sjóttel oet!

359
die de Godsweerd van het vaste land scheidde, werd nu bebouwd en
zoo breidde de nederzetting zich geleidelijk oostwaarts uit. Wellicht
had toen de loop der Roer zich reeds verplaatst en was de oude loop
ten Oosten van den Christoffelberg gedeeltelijk dichtgeslibd.
Er is echter nog een tweede centrum van Roermonds groei aan te wij-
zen. Dat is de abdij op eenigen afstand oostwaarts, waar thans de
Munsterkerk ligt. Het oudste bericht erover is van 1218; wij meenen
echter te kunnen aantoonen, dat zij reeds vroeger bestond. Ook zij
werd een middelpunt, waaromheen zich een bevolking vormde. Door
de uitbreiding dezer twee centra en hunne samensmelting werd de
eigenlijke stad gevormd. Tot in het begin der XIIIde eeuw is ons niets
ervan bekend. Slechts eenmaal wordt de plaats vermeld in 1130.
In 1213 werd Roermond door keizer Otto IV geplunderd en verwoest.
De stad heette toen „villa optima" van Graaf Gerhard III van Gelre
en was dus nog niet ommuurd, zooals de naam „villa” aanwijst. In de
stichtingsoorkonde der Munsterkerk van 1224 wordt Roermond door
Gerhard III „oppidum” genoemd. Zij was derhalve toen reeds een
versterkte plaats. Dit doet ons vermoeden dat de eerste bevestiging
van de stad is aangelegd kort na 1213. Deze was wellicht slechts een
aarden omwalling, want in 1232 verhief Otto II van Gelre Roermond
tot een „civitas”, omringde het met een muur en schonk het alle rech-
ten eener vrije stad. De ommuring van 1232 sloot den Christoffelberg
buiten. Zij werd gelegd langs den oostelijken oever van den meerge-
noemden Roertak, die nu daar ter plaatse als vestinggracht diende en
wellicht aan het zuidelijk einde reeds dichtgeslibd was. Daarover gaf
de Opspoort of Inopspoort toegang tot Op; mogelijk was er echter nog
een brug. De Christoffelberg was toen alleen door de smalle Roer om-
geven, terwijl de loop van de Maas een half uur westwaarts was gele-
gen. Werd deze berg binnen de omwalling begrepen, dan zou dit ge-
deelte moeilijk te verdedigen zijn geweest. Van dezen muur van 1232
bestaan nog eenige overblijfselen. Ten Noorden en ten Westen van de
kathedraal is nog een gedeelte van den lateren stadsmuur uit de XIVde
eeuw behouden. Deze is in baksteen opgetrokken, maar rust op een
ouderen muur van blokken kolenzandsteen, overeenkomend in con-
structie en materiaal met de eerste omwalling van Maastricht uit 1229.
De Rattentoren, in oude geschriften ook Klokkentoren geheeten, *) -
een hoektoren uit de XIVde eeuwsche ommuring ten Noordwesten van
de kathedraal - bevat nog eenige resten van de oude ommuring. Iets
ten Oosten van dezen toren is nog een klein gedeelte van een halfronden
toren der oude omwalling. Verder naar het Oosten bevond zich vroe-
ger de Wernertoren. Men vermoedt dat deze ook een hoektoren was
en de muur zich verder uitstrekte in Noordoostelijke richting.
Het Roermond van 1232 was een kleine stad. Of het Munsterstift buiten
of binnen de muren lag is nog niet uitgemaakt. Het komt ons voor, dat
Otto II de rijke stichting zijns vaders wel binnen de versterking zal
hebben gesloten. De voormalige Minderbroederskerk - tegenwoordig

*) Dit is althans de meening van den Heer Sivré. De toren op den N.O. hoek der
stad was de Kattentoren.


361
digingsmuur. Daarvoor was de muur van 1232 te zwak. Er moest een
nieuwe muur worden gebouwd, sterker, hooger en ook grooter van
omvang om de uitgebreide stad in te sluiten.
Den bouw van dezen muur stellen wij dan ook in dit tijdperk, d.i. in
den loop der 14de eeuw. In verband met den bouw der St. Christoffel-
kerk stellen wij den nieuwen muur vóór 1410; zelfs vóór 1388, omdat de
Christoffelberg eerst dàn als verdedigingshoogte kon gemist worden,
wanneer oostwaarts een sterke verdedigingsmuur lag. Wij stellen den
bouw nà 1342 toen de Maas verlegd werd, omdat dit werk in het opge-
zette verdedigingsstelsel wel het eerste moest zijn.
De hooge toren der St. Christoffelkerk, op geen 6 M. afstand van den
stadsmuur gelegen, werd een hooge waarnemingspost, van waaruit de
Maas in beide richtingen en het land in verren omtrek konden worden
bespied.
Wellicht is de oude Roertak later weer gedeeltelijk ontgraven. Op de
kaart van Jacob van Deventer van 1559 komt hij voor als onderdeel
der stadsgrachten en staan slechts de grachten in de nabijheid van Maas
en Roer in verbinding met die rivieren. Van de hoogere gronden afko-
mende beekjes, die deze grachten hadden kunnen vullen, zijn er in
Roermond niet. De grachten moeten dus droog zijn geweest. Wel wa-
ren zij breed en diep, blijkens een nog overgebleven gedeelte nabij de
Venlosche poort. Eene beschrijving van het beleg van 1637 noemt deze
een diepe en van boven breede gracht, zonder water. Een merkwaardige
kaart van dat beleg wijst ook droge grachten aan en laat zien dat de
„vorstat” verdedigd was met een bastion en kanonnen. Van de afge-
broken Kraanpoort is bekend, dat zij het jaartal 1595 droeg.
De vestingmuren zijn voor een gedeelte afgebroken in 1782. Een ander
gedeelte werd in 1819 en volgende jaren geslecht. Gespaard bleven de
N.W .- toren, thans Rattentoren, en een tweede, in den loop der vorige
eeuw verdwenen. Behalve deze twee bestaan er onder den grond, langs
den Pastoorswal en meer noordwaarts, nog enkele overblijfselen.
De Rattentoren is cilindervormig, alleen het onderste gedeelte over een
hoogte van ongeveer 4 M. is eenigszins kegelvormig. Inwendig is hij
verdeeld in twee overwelfde verdiepingen. De bovenverdieping was
met den bovenkant van den aansluitenden vestingmuur verbonden,
zooals nog te zien is. Van buiten is de toren geheel vlak en van slechts
enkele openingen voorzien. Vlak tegen den toren is op den muur, naar
buiten uitstekend, een privaat! Het bovengedeelte is verdwenen be-
halve enkele overblijfselen van kanteelen en een bogenfries. De toren
is als de muren gebouwd in vlaamsch verband met baksteenen van
0.28 M. lengte.
Bovengrondsch is het verloop van den 14de eeuwschen vestingmuur
niet meer te volgen. De genoemde kaarten geven daarover inlichtingen,
ook over de plaats der torens en poorten. De kaart van het beleg diende
blijkbaar voor strategische doeleinden en geeft ook de plaats aan, waar
Ernst Casimir is gesneuveld, in afwijking van de meening, die men
daarover vrij algemeen in Roermond heeft.

363
Pastoor Herman van Damme gaf toen vergunning tot stichten, bouwen
en doteeren van een altaar ter eere van het H. Sacrament. Toen is waar-
schijnlijk ook het noordoostelijk koor: het Sacramentskoor voltooid.
Door de O. L. Vrouwebroederschap werd in 1489 het zuidoostelijk koor,
het z.g. O. L. Vrouwekoor gebouwd. Bij den bouw der kerk is bijge-
dragen door de burgers en den magistraat. Ook uit boeten op overtre-
dingen en geringe misdaden werden de kosten van den bouw bestreden.
Hertog Arnold van Gelre schonk aan Roermond het privilege om klein
geld te mogen slaan met de bepaling „dat het profijt dat dairaff queme"
ten goede zoude komen aan den bouw der moederkerk.
Wanneer een kunstlievend vreemdeling aan een Roermondenaar vraagt,
welke monumenten der bisschopsstad het aanzien waard zijn, dan
wordt hem onmiddellijk geantwoord: de Munsterkerk; doch de Kathe-
draal wordt niet genoemd. Vraagt de vreemdeling naar de Kathedraal,
dan zet de Roermondenaar groote oogen en een verbaasd gezicht op en
zegt: „Die brikkenoven!” Booze tongen vertellen dat eens een kunste-
naarsvereeniging op eene kunstreis ook Roermond heeft bezocht en de
Kathedraal niet heeft gezien. Niemand is profeet in zijn eigen vader-
stad, zelfs St. Christoffel niet!
Ongetwijfeld munt de Munsterkerk in rijkdom en sierlijkheid van vor-
men uit boven de uiterlijk zoo eenvoudige Kathedraal; maar de con-
ceptie, het plan van St. Christoffel, staat verre boven die van het Mun-
ster. De geheele kerk, toren inbegrepen, zooals zij door den ontwerper
werd geteekend, is eene eenheid, de uitdrukking ééner gedachte. Het
was een knap architect, die haar ontwierp. Dat ééne, grootsche plan
is ook uitgevoerd. 't Is te betreuren dat latere verbouwingen zooals het
N.O .- en Z.O .- koor, de kapellen van den zijbeuk e.a., de oorspronkelijke
kerk zóó hebben gewijzigd, - wij zouden willen zeggen verknoeid.
De hoofdvorm der kerk is een Grieksch kruis. De hoofdbeuk, om-
streeks 53 M. bij 10,80 M. is in 't Oosten begrensd door de hoofdabsis
en in het Westen door den toren, die even breed is als de middenbeuk.
Tusschen kruising en koorabsis evenals tusschen kruising en toren lig-
gen vier travées. Het dwarspand heeft dezelfde breedte als de hoofd-
beuk, doch slechts drie travées ter weerszijden van de kruising. De
koorsluitingen ten Oosten van den hoofdbeuk en aan beide einden van
het dwarspand zijn 58 met twee zijden van den achthoek evenwijdig
aan de as. De zijbeuken gaan langs den toren heen, zoodat deze inge-
sloten ligt. De oorzaak van den vreemden vorm der kerk - een
Grieksch kruis - en van de eenigszins abnormale plaats van den toren
is de stadsmuur, die uitbreiding naar het Westen belette. Voor de 4
zijkoortjes (zie Plan kathedrale kerk), nemen wij in het oorspronke-
lijke plan vóór 1458 sluitingen aan gelijkvormig aan die van den hoofd-
beuk. En zoo vertoont de St. Christoffel in haar oostelijk gedeelte over-
eenkomst met de O. L. Vrouwekerk te Trier. De heer Architect Weber,
hersteller der kerk, was van meening dat de vier kleine koortjes recht-
hoekig afgesloten waren.
Het Sacramentskoor van 1458 heeft een sluiting gelijk die van den
hoofdbeuk en de absis ervan is overwelfd met een eigenaardig ster-
gewelf.

365
dien tijd prijkt de toren met een platte afdekking. De tegenwoordig
bestaande klokken dateeren van 1892.
Het inwendige der kerk was vroeger gepleisterd en gepolychromeerd.
Onder het bestuur van den tegenwoordigen Deken is het pleisterwerk
grootendeels weggenomen en het metselwerk ontbloot. Daarbij bleek,
dat de ronde zuilen van hardsteen zijn tot aan de geboorte der gewelf-
bogen. Deze bogen zijn van mergel evenals de gewelfkappen; het met-
selwerk is van baksteen.
Onder de voornaamste kunstwerken, die de kathedraal bezit noe-
men wij:

le. Den preekstoel in eikenhout, een XVIIde eeuwsch meesterwerk
met twee trappen, afkomstig uit de voormalige Minderbroederskerk.
Onder de rijk versierde kuip ziet men een groep van bijna levensgroote
figuren, van welke één, voorstellende den Minderbroeder Joannes à
Capistrano, de kuip steunt.
2e. De koorstoelen, waarvan de achterste rij XVIde eeuwsch met
merkwaardige humoristische gesneden kopjes; de voorste rij is nieuw.
In 1930-1931 zijn de eikenhouten ruggen der koorstoelen door den
tegenwoordigen Deken hernieuwd, voorzien van de wapens der Roer-
mondsche Bisschoppen.
3e. Zes biechtstoelen in eikenhout, evenals de preekstoel XVIIde
eeuwsch en ook uit de Minderbroederskerk afkomstig. Ze zijn rijk ge-
beeldhouwd; bij elken biechtstoel staan twee levensgroote figuren van
Franciskaansche heiligen.
4e. Het Sacramentsaltaar in het N.O .- koor, einde XVIde eeuw. Het
is van natuursteen. In het middengedeelte vlak boven de altaartafel is
een klein tabernakel tot berging der pyxis, daarboven een tweede, hoo-
ger tabernakel, tevens ingericht tot expositietroon en bewaring der
monstrans.
5e. Twee gesneden eiken communiebanken, begin XIXde eeuw.
6e. Een groot kruisbeeld, ± 1200, afkomstig van de abdij van Dalheim.
7e. Twee sierlijke vrijstaande groote wijwatervaten in rood marmer.
Verder noemen wij nog: goud-, zilver- en koperwerken; rijke, gebor-
duurde kerkgewaden, en een aantal oude, meest alle gerestaureerde
schilderijen.

DE MUNSTERKERK.
Over de stichting der Munsterkerk heeft men gegevens in de volgende,
historisch vaststaande feiten.
1. Knippenbergh vermeldt dat nabij het praalgraf van Gerard III en
zijne echtgenoote een opschrift stond, met de woorden: „die met zijne
echtgenoote Margareta, op aandrang van zijne moeder Richarda van
Nassau, de eerste abdis van deze plaats, een monasterium stichtte
in 1218."
2. In 1219 werd in het algemeen kapittel der Cisterciensers behandeld
een verzoek van den graaf van Gelre om een monasterium te bouwen.
3. In 1220 wijdde, volgens het „liber privilegiorum" van het Cistercien-

367
al te mogen verwijzen naar de bijgevoegde afbeeldingen, die meer nog
en beter dan uitvoerige beschrijvingen een inzicht geven in den sier-
lijken rijkdom der kerk, zoowel uitwendig als inwendig en in welke
ook de architect de bouwgeschiedenis en de architectonische vorm-
geving zal kunnen lezen.
In het midden van afb. Plan Munsterkerk hebben wij aangegeven eene
schets van den platten grond der kerk van vóór 1213, zooals wij ons dien
voorstellen. Ons oog valt al spoedig op eene bijzonderheid van den plat-
ten grond der tegenwoordige kerk. De hoofdabsis is halfcirkelvormig,
de twee absiden aan de zijden van het transept zijn veelhoekig. Vanwaar
dit verschil, dat men toch bij een nieuwbouw niet zoude verwachten?
Fundeeringen worden niet weggebroken zoo niet volstrekt noodzake-
lijk. Dat kost onnoodig geld. Men heeft de nieuwe absis opgetrokken
op de fundeering van de absis der oude kerk.
In de eerste periode van de verbouwing en vernieuwing door Richarda,
welke verbouwing zich uitstrekte tot en met de eerste travee van de
zijbeuken, bleef het muurwerk van de absis waarschijnlijk zooveel mo-
gelijk behouden, evenals dat der bestaande twee aansluitende kleine
torentjes. Beneden werden drie kleine absiden tegen de absis aange-
bracht en het bovengedeelte der absis en de torentjes werden omgeven
door een mantel in de rijke vormen van den toenmaals heerschenden
Rijnschen bouwstijl. Tegen den noordelijken en zuidelijken kant van
het transept werden veelhoekige absiden aangebracht, uitwendig geheel
overeenkomend met het uiterlijke der hoofdabsis en inwendig bene-
den voorzien van sierlijke nissen, en boven van diepliggende vensters,
voor welke een smalle loopgang, die ook voor de bovenvensters der
hoofdabsis doorgaat. De ruimten op de eerste verdieping der torentjes
werden omgebouwd tot kleine kapellen - voorzien van een altaar -
en voorzien elk van twee zeer sierlijke vensteropeningen uitziende naar
het koor en naar de zijbeuken. De eene was bestemd voor de abdis; de
andere, bereikbaar vanuit de abdij, diende als ziekenkapel.
Tegen den westmuur van het transept, boven de zijbeuken ziet men
binnen de kerk aangebouwd twee sierlijke, kleine absiden, geheel in
steen, afgedekt met een kegeldak en rustend op een kraagsteen. Zij
zijn ontstaan doordat men de laatste vakken van de galerijen boven de
zijbeuken heeft omgebouwd tot kleine kapellen, van welke de altaren
plaats vonden in de kleine aangebouwde hangende absiden. De oude
kleine, eenvoudige venstertjes dier kapellen werden veranderd in hoef-
ijzervormige lichtopeningen volgens den stijl van den tijd. Van uit de
genoemde kleine kapellen zijn de loopgangen vóór de vensters der
absiden bereikbaar.
Boven de viering rijst de achthoekige koepel omhoog, waarvan het een
lantaarndragende dak koepelvormig is met in en uitspringende hoe-
ken. Het verschil tusschen het dak voor en na de restauratie is uit de
bijgevoegde afbeeldingen voldoende zichtbaar.
De tweede periode van den bouw van Richarda omvat den bouw van
het schip en van den westbouw. De hoofdbeuk - vanaf het transept
tot aan den westbouw - heeft twee vierkante gewelfvakken; met deze

369
vlakte van de tribune te klein voor de behoefte. Daaraan werd te-
gemoet gekomen door aanbouw van een voorbouw in het midden tegen
den westelijken muur der kerk. De benedenverdieping van dezen voor-
bouw werd een waarschijnlijk open portaal waarin een ingang naar de
kerk. De oorspronkelijke ingang der kerk was de tegenwoordige aan
de noordzijde. Waarschijnlijk is een tweede ingang geweest recht tegen-
over de genoemde aan de zuidzijde, alleen toegankelijk van uit de abdij.
De tribune kan nog toegankelijk zijn geweest onmiddellijk van uit de
bovenverdieping der aansluitende abdij
De sierlijke gothische gewelven boven de tribune zijn aanmerkelijk
hooger opgevoerd dan de gewelven der kerk. Voor verdere architecto-
nische détails moeten wij verwijzen naar de afbeeldingen.
De vraag of de kerk twee westelijke torens heeft gehad, zooals zij thans
na de restauratie bezit, heeft indertijd stof tot vele discussies gegeven.
De meeningen waren zeer verdeeld. Sommigen waren van meening
„neen”, anderen van meening „ja”. Ingenieurs van den Waterstaat, ar-
chitecten, Burgemeester en Wethouders en andere deskundigen en niet-
deskundigen hebben hun licht laten schijnen. Zelfs Viollet le Duc is er
bij te pas gekomen - deze was van meening: „ja”. - Een krachtig argu-
men voor „neen” was: „De Cisterciënsers mochten geen torens aan
hunne kerken hebben, hetzij een kleine op de viering". Toch wijzen èn
grondplan èn opbouw der kerk duidelijk op twee westertorens, ter
plaatse n.l. waar de tegenwoordige staan. De tegenspraak verdwijnt
echter, wanneer wij aannemen dat er vóór de tegenwoordige kerk eene
andere heeft bestaan. Deze, geen Cistercienserkerk, had wèl twee
torens. Doch bij de verbouwing door Richarda of haar opvolgster, heeft
men een groot gedeelte van den ouden westbouw met de bestaande
torens bewaard en den nieuwbouw daaraan aangepast, de plaats der
torens van boven door een gevel afgesloten en zoo voldaan aan de
voorschriften der orde. De centrale toren op den westbouw - zie afb.
Munsterkerk bij het artikel van Mr. R. de Nerée tot Babberich - is
van lateren tijd (18de eeuw).
De Munsterkerk is van 1864 tot 1891 gerestaureerd door Dr. Cuypers.
Zij is inwendig rijk gepolychromeerd en voorzien van gebrandschil-
derde vensters, die het inwendige van de kerk wel wat donker maken.
Onder den koepel, in het midden der viering, is het graf van Gerhard III
en zijne echtgenoote Maria van Brabant. Op het rijke, gebeeldhouwde
onderstuk rust de krachtig geprofileerde zware dubbelzerk van gepo-
lijst zwart marmer, waarvan de eenigszins verdiepte oppervlakte de
levensgroote beelden van den stichter en diens echtgenoote draagt.
Het monument is door de milddadigheid van Z. K. H. Prins Frederik
der Nederlanden in 1873 geheel hersteld. Het grafschrift van den steen
is verdwenen, doch eene nauwkeurige copie er van werd door den
Heer C. Pijls in het gemeentelijk archief gevonden en berust aldaar.
Het bevat o.a. de woorden:
Richardae de Nassovia, natae ducisse Juliacensis,
Richarda droeg dus haar „mansnaam": van Nassau, doch was geboren:
hertogin van Gulik.

371
Het gebouw is een driebeukige hallenkerk van 6 traveëen en een waar-
schijnlijk iets ouder koor van één travee en een 58 koorsluiting. Zware
vierkante hardsteenen pijlers scheiden de beuken. De middenbeuk is
aan de westzijde gesloten door de loodrecht afgesneden westelijke helft
van den vroegeren toren, thans portaal. Aan de westzijde is de kerk
afgesloten door drie puntgevels; op het dak in het midden is een dak-
ruiter geplaatst. Bij de restauratie zijn de traceeringen vernieuwd en is
de kerk beschilderd met ornament naar gevonden voorbeelden. De
kerk zelf, te oordeelen naar hare inrichting als hallenkerk en naar hare
vormen, moet dateeren uit het laatste gedeelte der XVde, wellicht uit
de eerste helft der XVIde eeuw. De toren kan blijkens het bouwmate-
riaal uit het tijdperk der stichting - 1372 - dagteekenen.
De kerk bevat aan kunstwerken o.a. twee zilveren avondmaalskelken,
een zilveren avondmaalskan en een zilveren schaaltje uit de XVIIIde
eeuw. In het koor liggen eenige grafzerken uit de XVde, XVIde en
XVIIde eeuw.

HET KARTHUIZERKLOOSTER, THANS GROOT SEMINARIE.
Volgens Slichtenhorst stichtte Graaf Gerhard III in de eerste helft der
XIIIde eeuw ook een karthuizerklooster te Roermond en Knippenberg
verhaalt, dat ridder Werner van Swalmen, terugkeerend van een pel-
grimstocht naar het H. Land op een hem toebehoorend terrein in „de
Steegh" een kapel liet bouwen naar het model van de kerk, die hij te
Bethlehem had gezien. Op 23 Juli 1376 schonken Werner met zijn huis-
vrouw en zijn broeder hun stichting met al hun goederen aan de vol-
gelingen van den H. Bruno. Het klooster bleef steeds den naam Bethle-
hem dragen en werd in 1380 definitief in de orde der Karthuizers in-
gelijfd. Het bleef bestaan tot 1783, toen het door Joseph II werd
gesupprimeerd. Het werd toen betrokken door nonnen uit Houthem.
In 1841 werd het ingericht tot Groot Seminarie van het Bisdom Roer-
mond.
Van de oorspronkelijke gebouwen bestaat niets meer. In den loop
der tijden zijn ze alle vernieuwd. De kerk is het oudste der bestaande
gedeelten. Zij moet o.i. dateeren uit het laatste gedeelte der vijftiende
of het begin der zestiende eeuw. Door het ontbreken van de oorspron-
kelijke gewelven is juiste dateering moeilijk. De kerk is eenbeukig met
5/8 koorsluiting, geheel in baksteen, met spaarzame toepassing van
natuursteen. Aan de Noord- en Zuidzijde heeft ze een achtkant trap-
torentje. De oorspronkelijke gewelven zijn verdwenen, waarschijnlijk
ingestort bij de belegering van 1632 of bij den brand van 1665. Ze zijn
vervangen door een gewelf op ellipsbogen van hout en pleisterwerk. De
oorspronkelijke spitsboogvensters zijn vervangen door renaissance-
rondboogvensters. De orgeltribune, de orgelkast en de ingangsdeur
schijnen uit de 18de eeuw. Het orgel zelf is modern. Boven de ingangs-
deur is een in eikenhout gesneden bovenlicht met het Oostenrijksch
wapen. Het inwendige der kerk is voor eenige jaren eenvoudig, doch
smaakvol beschilderd, geheel naar den vroegeren toestand in de
18de eeuw.

373
HET PRINSENHOF, THANS LOUISAHUIS.

Deze deftige stadhouderlijke woning - het Prinsenhof - viel in 1665
ook als slachtoffer van den brand. Reeds den 3den Juli - de brand
was 31 Mei uitgebroken - richtte de stadhouder, Prins graaf d'Isengien,
een verzoek aan de Gedeputeerden der Staten van het Overkwartier
tot herbouw der woning. Den 5den Augustus besloten de Staten daar-
toe volgens het plan van den architect Bertholet. Eerst in 1700 was het
gebouw geheel voltooid.
In 1740 was kolonel Rulle stadskommandant. Deze vond het Gouver-
nementshuis te groot en door hem werd nu in overleg met Mej. Doro-
thea Bors aan de Aartshertoginne verzocht, het gouvernementshuis
tegen het huis van Mej. Bors te ruilen. Dit laatste lag aan de Markt en
was voor kommandantshuis zeer geschikt. De ruil geschiedde 7 Sep-
tember 1747. Zoo werd het Prinsenhof Hospitaal-Generaal, wat het
gebleven is tot 1930.
Het huis, aan het Munsterplein gelegen, is een groot, eenvoudig, vier-
kant gebouw aan de langszijden met negentien, aan de smalle zijde met
vijf vensters. De voorgevel komt uit op een binnenplaats, door een hek
van het Munsterplein afgesloten. Daar liggen tegenover het hoofd-
gebouw de vroegere stallen en koetshuizen. In het midden der beide
langsgevels is een dubbele trap in hardsteen en boven de kroonlijst ter
plaatse en ter breedte van drie vensters een fronton. Het gebouw is van
baksteen, de vensteropeningen zijn omgeven door hardsteenen banden.
Behalve de kelderverdieping heeft het gebouw twee verdiepingen onder
een krachtige kroonlijst en een zadelvormig leidak, met schilddaken
aan de smalle einden.
Het inwendige is geheel verbouwd, maar bevat nog uit vroegere perio-
den de groote tweevleugelige eiken hoofdtrap met vierkante balusters,
beneden een zwart marmeren consoleschoorsteen waarop in eiken ge-
profileerde boezembekleeding. Op de bovenverdieping een schouw op
twee zwart en wit marmeren zuilen en pilasters en nog een schouw op
rood marmer getorste zuilen en pilasters met eikenhouten boezem-
bekleeding.
De stichting bezit o.a. een eiken kast met dubbele deuren met inleg-
lijsten en voorts nog twee schilderijen voorstellende het eene kanunnik
Bors en het andere diens zuster Dorothea.

HET STADHUIS.
Met de stichting van een raadhuis voor Roermond zal vermoedelijk
wel begonnen zijn eerst geruimen tijd nadat de plaats stadsrechten
had gekregen. Er is wel eens beweerd, dat het vroegere raadhuis
met zijn front gericht was naar den kant der Swalmerstraat. Ter
plaatse waar thans de Sociëteit Concordia is gelegen, dacht men
zich dan een voorhof en waar nu de voorgevel van het Stadhuis is
gebouwd, zou dan de zijgevel van het alleroudste magistraatsgebouw
hebben gestaan. Misschien kan de omstandigheid, dat de kelders

375
vleugelige hardsteenen bordestrap, overdekt door een balcon, rustend
op twee zuilen met hoofdgestel.
Midden op het dak staat een achthoekige koepeltoren. De raadszaal,
links van den ingang heeft een vernieuwde balkzoldering en een Ré-
genceschouw, waarin 'n haardplaat met het Oostenrijksche wapen. Het
schoorsteenstuk erboven stelt keizer Karel VI voor, in 1719 door Jacob
Sytterich geschilderd. Aan de wanden prijken verder nog acht levens-
groote portretten van vorsten der Oostenrijksche Nederlanden o.a.
van Maria Theresia. Een piedestal draagt de buste van H. M. Koningin
Wilhelmina, een werk van den beeldhouwer August Falise. De burge-
meesterskamer, rechts van den ingang heeft een stucplafond met het
jaartal 1723, waarschijnlijk het jaar waarin de restauratie van het stad-
huis geheel voltooid werd. In de secretariskamer achter de raadszaal
hangt o.a. een schilderij, voorstellende de H. Geestkerk tijdens de af-
braak in 1821.
Op de bovenverdieping rechts ligt de groote ontvangzaal. Men vindt er
o.a. een levensgroot portret van H. M. Koningin Wilhelmina door Albin
Windhausen en het portret van Dr. P. J. H. Cuypers door Jan Kruysse,
geschenk van de stad op den negentigsten verjaardag van Roermonds
grooten burger. De verschillende zalen bevatten o.a. nog gewasschen
penteekeningen van stadsgezichten door Jan de Beyer e.a. Op de
archiefzalen worden bewaard een onvoltooid stadsgezicht omstreeks
1800 in waterverf uitgevoerd door een Fransch genieofficier, en een
vrijheidsbeeld uit den Franschen tijd, ter herinnering aan de Con-
stitutie van het jaar VIII. Verder bezit het archief nog enkele
haardplaten, verschillende merkwaardigheden uit de stadsgeschiedenis
en de stadsbibliotheek. Op de balconkamer is de verzameling onder-
gebracht bestaande uit Romeinsch, Germaansch, Middeleeuwsch en
Renaissanceaardewerk en een mooie collectie munten en penningen.
De gevelsteenen, consoles en bouwfragmenten, vroeger ook op het stad-
huis bewaard, zullen thans een plaats vinden in een der gevels van
het nieuwgebouwde museum.
Wij vermelden hier nog als stadseigendom de bekende drinkbekers. De
oudste beker, uitgevoerd in verguld zilver en dateerend van 1588, is
een geschenk van hertog Johan Willem van Gulik uit erkentelijkheid
voor de eer aan hem en zijn gemalin Jacoba van Baden bewezen bij
een bezoek aan Roermond op 8 Maart 1588. Op het deksel staat een
ridder, die in de rechterhand een vaandel en in de linkerhand het
Guliksche landwapen draagt. De andere, eveneens van verguld zilver
is de zoogenaamde Moffenbeker, ook wel eens Nederhovenbeker ge-
noemd. De naam herinnert aan de bezetting van de stad door de hoog-
duitsche soldaten onder overste Pollweiler van 1572 tot 1578. Er was
toen gebrek aan geld om aan de soldaten de toegezegde soldij te kun-
nen betalen. Daardoor was de magistraat genoodzaakt al het zilver
in de stad en in kerken en kloosters te versmelten en daarvan munt
te slaan. Van het overgeschoten zilver werd de beker gemaakt en als
herinnering aan de bezetting „Moffenbeker” genoemd. Johan van Ne-
derhoven was de toenmalige muntmeester der stad, die met de aan-

377
klooster behoorend berust op het Rijksprentenkabinet een gewasschen
teekening door Jan de Beyer. Een foto hiervan is als illustratie opge-
nomen. In den tuin ligt een merkwaardig kapelletje met kruisgewelf
op platte ribben afgedekt; het gebouwtje toont een fraai front en om-
blokte rondboogdeur waarvan de sluitsteen een bisschoppelijk wapen
draagt. Op twee gevelsteentjes staat het jaartal 1696.
Van het vroeger bestaande Begijnhof is niets meer overgebleven. Nadat
het reeds door de Begijnhofstraat was doorsneden, zijn de laatste huis-
jes, uit de 2de helft der 17de eeuw, in 1929 gesloopt. Alleen een 17de
eeuwsch kruisbeeld onder afdak thans in den tuin der Ursulinen ge-
plaatst, is alles wat van het vroegere Begijnhof is overgebleven.
Van de particuliere gebouwen noemen we nog het zoogenaamde huis
Drehmanns in de Brugstraat 7. De gevel, van omstreeks 1500, is van
baksteen en bergsteen opgetrokken, vier verdiepingen hoog en drie
vensters breed, thans ten deele gecement en geverfd. De onderpui is
gemoderniseerd evenals de vensters van de eerst verdieping. De kruis-
kozijnen der tweede verdieping zijn geprofileerd en met rondbogen
in rijke blinde traceering overspannen. De dakverdieping heeft een
trapgevel, waarin weer een kruiskozijn met versierden rondboog en aan
weerszijden een halfrond overtoogde driedeelige nis met rijke tracee-
ring. Overblijfselen van hoekpinakels stonden op uitkragingen, die zijn
Het huis „De Steenen Trappen“ heeft een 17de eeuwschen baksteen-
weggekapt.
gevel, is boven een onderverdieping twee verdiepingen hoog en heeft
een drie verdiepingen hooge, iets vooruitspringende middenrisaliet van
vier vensters breedte onder een frontongevel met cartouche, waarin 1666
en de voorletters van den stichter Peter van Boshuysen. De zijvleugels
zijn elk twee vensters breed. In het midden geeft een tweevleugelige
bordestrap toegang tot de hoofddeur. In den gevel zijn hardsteenen
kruisvensters geplaatst, de muurkanten geblokt, consolekroonlijst over
de risaliet doorloopend en deuren met gesneden bovenpaneelen (1724).
Aan de kraanpoort, hoek St. Nicolaasstraat heeft het huis Tonnaer
een voorgevel van vier vensterbreedten met segmentboogvensters, met
hardsteen omraamd en met een sluitsteen versierd. De topgevel bevat
een gevelsteen (1764), is met lijsten gedekt en draagt siervazen op de
hoeken en op den top. De deuringang heeft een gebeeldhouwd kalf
en gesneden bovenlicht Lodewijk XV en een gesneden deur met koper-
beslag.
Het huis „Au cheval blanc" in de Marktstraat 18, bewoond door den
Heer Loven, heeft een rijken hardsteenen gevel met kroonlijst, en is drie
vensters breed en drie verdiepingen hoog. Boven het middenvenster
van de eerste verdieping het jaartal 1767. De deuren en vensters van
den beganen grond en de eerste verdieping hebben geprofileerde omlijs-
tingen en versierde bovendorpels. De bovenvensters hebben getoogde
omlijstingen en sluitsteenen met acanthuscartouches.
Wij noemen verder nog een merkwaardigen achtergevel aan de Kraan-
poort met achthoekigen traptoren uit de 16de eeuw; enkele eenvoudige
huisgevels in de Luifelstraat waarvan een het jaartal 1665 draagt, en

379
PUBLIEKE WERKEN
IN LATEREN TIJD
door
J. A. KUIJLAARS

R
OERMOND, het aardige midden-Limburgsche
stadje, vertoont in de nauw samengetrokken kern-
bebouwing, de regelmatige en weloverwogen be-
bouwingsblokken, de rondloopende singels, nog
sterk het karakter van de voorheen versterkte
plaats. Eerst nadat de stad werd ontmanteld kon zij zich onbelemmerd
ontwikkelen; voordien werd alles tusschen de stadsmuren en vesting-
grachten samengedrongen.
Bij resolutie van de Oostenrijksche Regeering van 31 December 1781
werd aan de stad gelast de vestingwerken te slechten, en den toren en
het gewelf van de Brugpoort onmiddellijk af te breken. Het zou echter
nog tal van jaren duren, vooraleer de ontmanteling geheel zou zijn vol-
tooid. Nog in 1842/43 werd een gedeelte der muren gesloopt, terwijl
enkele oude restanten thans nog herinneren aan de oude vesting. De
Oostenrijksche Regeering stond in 1781 de binnen- of droge gracht met
de strook grond langs den muur aan de stad af. De verdere vesting-
gronden werden verkocht. De aan de stad gekomen bezittingen gingen
echter in 1795 weder verloren. Daarna heeft Koning Willem I bij Ko-
ninklijk Besluit van 24 Juli 1819 La. M. de stad weder hersteld in het
bezit van de stadsgrachten, muren, torens, enz., op den voet zooals
zulks gedurende de jaren 1782 tot 1795 had plaats gehad. Op 1 Septem-
ber 1819 werden deze bezittingen door den „Procureur des Domaines"
bij procesverbaal aan den Burgemeester Clout overgegeven.

Na de ontmanteling der stad werd uitleg van de bebouwing beter mo-
gelijk, maar toch zou het nog geruimen tijd duren eer de groei der stad
in die mate toenam, dat aan de verkregen vestinggronden behoefte
ontstond voor stadsuitbreiding. Daaraan gaan nog vooraf een verrui-
ming en nieuwe bebouwing van de Kloosterwandstraat, destijds ge-
naamd Achter Kloosterwand, en de vorming van het Munsterplein. Uit
den aard der zaak hing de nieuwe vormgeving van dit stadscentrum
ten nauwste samen met de restauratie van Roermonds pronkjuweel
op bouwkundig gebied, de alom bekende Munsterkerk, door den jeug-
digen Roermondenaar, architect P. Cuypers. Op het tegenwoordige
Munsterplein stonden destijds een oude Brouwerijstal, het oud Arrest-
huis en de Meelwaag, terwijl een nauwe steeg, genaamd Achter de Meel-
waag, zich bevond ter plaatse waar nu de Christoffelstraat ligt. In 1857
werd door Charles Guillon, notaris en raadslid, een rapport uitgebracht
over den aanleg van een plein om de Munsterkerk. Dit plan omvatte
in groote trekken het latere Munsterplein. In 1861 kocht de Gemeente



381
gelegd. Deze wandelingen werden beplant met twee, drie en plaatselijk
zelfs met vijf rijen boomen. Van de beplanting van deze wandelingen
zijn nog afkomstig de groote lindeboomen langs den Roersingel, geplant
in 1820, en de oude lindeboomen bij de Protestantsche Kerk en op het
terrein van het klooster der zusters van St. Salvator, de restanten van
de in 1835 aangelegde wandeling op den Krankenwal.
De singelaanleg dateert van 1868, in welk jaar de wal tusschen de Niel-
derpoort en de Kapellerpoort aan den openbaren dienst werd onttrok-
ken. In 1869 werden de eerste bouwplaatsen verkocht en wel 31 stuks.
Tien jaren later worden aan de markt gebracht de bouwterreinen op
het voormalige Kruisheerenplein. De opbrengst van deze bouwterreinen
liep wel zeer uiteen; kleine hoekjes voor het verkrijgen van meer ge-
wenschte grensregelingen werden verkocht voor 20 cent per vierkante
meter; de normale opbrengst schommelde echter om de f 3 .- , terwijl
op het oude Kruisheerenplein zelfs terreinen werden verkocht voor
f 19.30 per vierkante meter. Voor 1879 zeer zeker een mooie prijs.
In dienzelfden tijd kreeg ook het Stationsplein zijn tegenwoordigen
vorm en indeeling. Na den bouw van het station in 1863 was het
Stationsplein onverhard gebleven. Van de Hamstraat en van de Veld-
straat leidde een veldweg naar het station. Nog in 1879 vindt corres-
pondentie plaats tusschen het gemeentebestuur en de staatsspoor om
verbetering in dezen toestand te krijgen. In 1884 komt dan een over-
eenkomst tot stand tusschen de Gemeente en den Staat over ver-
legging van overwegen en over bestrating van het voorplein van het
Stationsplein met behakte keien. Bij deze overeenkomst behoudt de
Staat zich het recht voor te allen tijde den overweg bij kilometerpaal
46/8 (de Veeladingstraat) te doen vervangen door een doorgang onder
den spoorweg, en de aansluitende wegen in verband met dien door-
gang voor zooveel noodig te doen verleggen. Mocht men hieruit al wil-
len lezen dat de Staat van 1884 van oordeel was het gewoon verkeer bij
de overwegen niet onbeperkt te mogen belemmeren, de latere regee-
ringen erkennen dat standpunt geenszins, als gevolg waarvan de tunnel-
kwestie nog niet is opgelost. Als uitvloeisel van de overeenkomst van
1884 werd in 1885 het Stationsplein bestraat en werd aldaar plantsoen
aangelegd. De bestrating vond plaats met behakte keien. Hiermede
werd een nieuw tijdperk ingeluid: de tot dusver te Roermond voor de
bestrating overal toegepaste veldkeien, ook wel „kinderkopjes“ ge-
naamd, werden genegeerd. Zij zouden echter nog tot 1930 gelegenheid
behouden op andere plaatsen de voetzolen van de Roermondenaars te
pijnigen. Het Kruisheerenplein was na den verkoop der bouwterreinen
in 1879 spoedig bebouwd, en nadat in 1881 de laatste bouwplaatsen aan
den Zwartbroekwal waren verkocht, werd de singelaanleg op den ouden
Godsweerderwal ter hand genomen. De vaststelling van deze plannen
vlotte echter niet zoo goed als in de voorafgaande jaren met de plan-
nen voor den Boulevard tusschen Nielder- en Kapellerpoort het geval
was geweest. Tegenover het plan van Burgemeester en Wethouders
werd gesteld een plan van het raadslid Corsten, hetgeen tot zeer scherpe

383
digde gronden daartoe waren aangekocht volgde in 1907 de doortrek-
king van de Begijnhofstraat over het Begijnhof naar den Godsweerder-
singel. Tegelijkertijd werd de Godsweerderstraat tot aan dien singel
doorgetrokken en ontving het Wilhelminaplein zijn tegenwoordige ge-
daante. Ten behoeve van de doortrekking van de Begijnhofstraat moes-
ten enkele der huisjes van het Begijnhof worden afgebroken. Dit was
het begin van de volledige slooping van dit historisch hofje. De eene
helft van hetgeen daarna nog resteerde heeft plaats moeten maken
voor de R. K. Meisjes H.B.S., de andere helft voor de nieuwe school
van het Klein College, twee moderne schoolgebouwen van den archi-
tect Ir. J. Franssen. Zoo ontstond hier een centrum van onderwijs-
inrichtingen, dat minder behoefte aan verkeerswegen heeft dan
een zakencentrum; want komt men in het laatste steeds verkeers-
wegen te kort, in dit onderwijscentrum kon in 1931 de verbinding in
het verlengde van de Begijnhofstraat naar den Godsweerderssingel
weder aan het openbaar verkeer worden onttrokken, om te worden ge-
voegd bij het terrein van de zich steeds uitbreidende Nijverheidsschool,
die zonder deze bijvoeging aan het einde van hare expansiemogelijk-
heid zou zijn gekomen.

De ontwikkeling van de verkeersmiddelen in de tweede helft van de
negentiende eeuw was voor Roermond al vrijwel gelijk aan die in andere
streken van ons land. Eerst de grootewegenaanleg, daarna treden de
spoorwegen op den voorgrond, gevolgd door de tramwegen, waarna
ten slotte in den laatsten tijd het autoverkeer allesoverheerschend
wordt.
De aanleg van de groote wegen, speciaal die van den weg Roermond-
Weert, deed de behoefte gevoelen aan een beter communicatiemiddel
over de Maas bij Roermond dan de Rijksveerpont opleverde. Deze be-
hoefte werd zoo sterk aangevoeld, dat onder dagteekening van 17 De-
cember 1840 door een vijftal heeren, met name Jhr. Chr. Petit, Rob. Mag-
née, J. L. Baudrihaye, G. Bongaerts en F. W. Milliard aan het Rijk voor
99 jaar concessie werd verzocht voor den aanleg van een pontonbrug.
Gelukkig voor den tegenwoordigen tijd is deze concessie niet verleend.
In 1849 volgde een nieuw verzoek om deze concessie, hetwelk eveneens
werd afgewezen, waarna in 1856 het gemeentebestuur zich tot het Rijk
wendde met het verzoek voor Rijksrekening een schipbrug te willen
bouwen. Ook dit verzoek werd afgewezen, en daarbij werd medege-
deeld, dat volgens het gevoelen van het Departement van Oorlog
s Lands defensie niet gedoogde, dat er vaste bruggen over de Maas
zouden worden gelegd, op andere punten in het Hertogdom Limburg
dan te Maastricht en te Venlo, de eenige plaatsen bij de Maas, alwaar
vestingwerken waren. Voorwaar een somber geluid voor het naar een
betere verbinding snakkende Roermond. Maar ondanks dit weinig
hoopgevend resultaat van de poging van 1856 zou de Gemeente vrij
spoedig in het bezit komen van de verlangde concessie, wanneer zij
zelve den bouw van een brug, en nu geen pontonbrug, doch een vaste
brug, wilde ter hand nemen. De spoorweg tusschen Venlo en Roermond

385
spoorbaan Eindhoven-Weert-Roermond en verder in de richting Dü-
ren. In Juni 1858 vragen J. Suermondt en P. J. Landry met nog 10 ande-
ren concessie met rijkssteun voor den aanleg en de exploitatie van de
spoorwegen, die Rotterdam en Vlissingen met den linker Rijnoever en
Maastricht moeten verbinden. In Januari 1859 sluit daarbij aan een
uitvoerige memorie van de Kamer van koophandel en fabrieken te
Roermond, betoogende, dat de Zuiderlijn zal moeten loopen, zooals
trouwens reeds door de Regeering voorgesteld, rechtstreeks van 's-Her-
togenbosch over Helmond, Asten naar Roermond, en niet langs Hel-
mond-Venlo. Deze memorie legde bijzonder den nadruk op Roermond
als industrieplaats. Destijds waren alhier gevestigd: een papierfabriek
met drie stoomwerktuigen en waterkracht; een wolspinnerij en ver-
verij met stoom- en waterkracht; vijf fabrieken van wollen, halfwollen
en katoenen manufacturen; drie meelfabrieken met stoom- of water-
kracht; een grootsch atelier van beeldhouwkunst; een fabriek van
stoomwerktuigen; een fabriek en ververij van adrianopelrood garen
met stoomkracht; een ijzergieterij; fabrieken van brandwaarborgkasten;
een fabriek van goudborduurwerken; een fabriek van looden buizen
met stoomkracht; fabrieken van behangselpapieren. Deze fabrieken
verschaften aan meer dan 3.500 personen werk, zoodat in dien tijd Roer-
mond met recht zich op zijne belangrijke industrie mocht beroepen.
Niettemin kwam de Zuiderlijn over Roermond niet tot stand. De ver-
binding in de richting van den Rijn werd over Venlo geleid. Roermond
kwam te liggen aan een lijn van Venlo naar Maastricht. In 1863 werd
het station Roermond aan deze lijn gebouwd.
In 1869 werd concessie verleend voor de spoorlijn Antwerpen-Glad-
bach, welke lijn in 1879 zou gereed komen, een verbinding, welke voor
Roermond zeer aan beteekenis zou toenemen, na de totstandkoming
van de verbinding Eindhoven-Weert.
Nog meerdere pogingen werden in het werk gesteld om een verbin-
ding in de richting Heinsberg te verkrijgen. Zoo werd in 1872 door de
Belgische Maatschappij Banque des Travaux Publics een concessieaan-
vrage ingediend voor een lijn Eindhoven-Roermond-Heinsberg-
Jülich, terwijl daarna in 1882 nog een comité, gesticht op verzoek van
den Landraad te Heinsberg, trachtte een verbinding Roermond-Heins-
berg-Linnich-Jülich-Düren tot stand te brengen. Deze pogingen
bleven echter zonder succes. Niettemin heeft Roermond reden tot te-
vredenheid over zijne spoorwegverbindingen, welke het in recht-
streeksche verbinding brengen met: westelijk en noordelijk Neder-
land via Eindhoven; oostelijk en noordelijk Nederland via Venlo; zuide-
lijk Nederland via Sittard; België via Hamont, Antwerpen; en Duitsch-
land via München-Gladbach.

Nadat de spoorwegen tot stand waren gekomen ontstond de behoefte
aan aanvullende lokaallijnen. Reeds in 1882 ontving de Gemeente een
aanvrage om concessie van den aannemer J. Hillen uit Grave, ten be-
hoeve van een verbinding Venray-Horst-Helden-Kessel-Roer-
mond. De concessionarisinspé was blijkbaar zeer bevreesd voor andere

387
mond-Vlodrop. De verdere aanleg stagneerde nu tengevolge van den
oorlogstoestand, doch niet zoodra was de vrede hersteld, of de werk-
zaamheden werden met kracht voortgezet, en kort na elkander volg-
den de openingen van de trambanen naar Meijel in 1919, Deurne in
1920 en Roosteren in 1922. Het tramlijnennet om Roermond was toen
gereed. Inmiddels was in 1920 de C.L.S.M. geliquideerd en overgegaan
in de Limburgsche Tramweg Maatschappij, de Maatschappij, welke het
geheele tramwegnet in Midden- en Zuid-Limburg exploiteert.
Bij den aanleg der diverse tramlijnen was het noodig enkele belangrijke
wijzigingen in de stad aan te brengen. De breedsporige tramlijn naar
Roosteren kon het tracé van de smalspoorbaan van de lijn naar Vlodrop
over den Willem-II-Singel niet volgen. Het was toen noodig deze lijn
om te leggen door Kruisheeren- en Mariagardestraat. De Mariagarde-
straat werd bij die gelegenheid verbreed, en van een steeg tot een
behoorlijke straat omgevormd. De andere belangrijke wijziging was de
omlegging van de trambaan langs den huidigen Wilhelminasingel in
verband met de ophooging van de Maasbrug, waarvan reeds eerder
gewag werd gemaakt. Zoo is de tram de aanleidende oorzaak geweest
van den aanleg van den Wilhelminasingel en het daarlangs gelegen
plantsoen, hetwelk naast de Kapellerlaan de wandeling van Roermond
is geworden.

In het midden der negentiende eeuw, in het tijdperk van bloei der
Roermondsche industrie, was er op de Maas een niet onbelangrijke
scheepvaart. Zoo vermeldt de Kamer van Koophandel en Fabrieken
te Roermond in een memorie over de richting der Zuiderlijn, uitge-
geven in 1859, dat het vervoer te water toentertijd bedroeg aan
ontvangen goederen per stoomboot 4.400.000 Ned. ponden, per gewone
schepen 13.100.000 Ned. ponden, aan verzonden goederen per stoom-
boot 3.840.000 Ned. ponden en per gewone schepen 3.400.000 Ned. pon-
den. Het Gemeentebestuur laat zich in dien tijd dan ook voorlichten
over de maatregelen te nemen in het belang van de scheepvaart door
den Ingenieur van den Rijkswaterstaat J. L. Schneitter, die in 1853
een rapport uitbrengt over een in de Stadsweide aan te leggen haven.
Dat scheepvaart in dien tijd op de Maas mogelijk was, was wel een
gevolg van den zeer geringen diepgang der schepen, welke nog niet 1 M.
bedroeg. Ondanks den geringen diepgang der schepen ondervond de
scheepvaart toch nog aanzienlijken hinder van de ongelijke waterstan-
den op de Maas. Zoo wordt in het jaarverslag der gemeente over 1865
ernstig geklaagd over de bevaarbaarheid der Maas. In dat jaar was de
Maas gedurende 9 maanden onbevaarbaar geweest. Roermond trof het
dat jaar dan ook wel bijzonder slecht, want juist het jaar te voren had
de stad zich de belangrijke uitgave van f 22.000 .- getroost om den kaai-
muur aan de Werf te verhoogen en door te trekken langs de Looskade.
Na de totstandkoming der spoorwegen, welke een geregelden af- en
aanvoer konden waarborgen, verdween de scheepvaart op de Maas ten
slotte geheel en al. Slechts een kleine opflikkering kon worden gecon-
stateerd in 1918, toen de Regeering, gedwongen door den nood der

389
tricht, via Weert met Antwerpen en via München Gladbach met Düssel-
dorf. De tramlijnen verbinden de naaste omgeving met Roermond, en
wel de dorpen Horn, Beegden, Heel, Thorn, Ittervoort, Baexem, Heijt-
huijzen, Roggel, Meijel, Melick-Herkenbosch, St. Odiliënberg, Poster-
holt, Vlodrop, Herten, Linne, Maasbracht, Echt en Roosteren. De ge-
kanaliseerde Maas verbindt Roermond via het kanaal Wessem-Neder-
weert met de Zuid-Willemsvaart en de Belgische waterwegen, via het
Maas-Waalkanaal met den Rijn en de Duitsche waterwegen, en voorts
rechtstreeks met het uitgebreide Nederlandsche waterwegennet. Uit-
stekende wegen voor gewoon verkeer verbinden Roermond met Nijme-
gen en Maastricht; de verbinding met Weert-Eindhoven wordt verbe-
terd; de kortste weg van Zwitserland langs den Rijn naar het centrum
van Nederland voert via Heinsberg over Roermond. Deze bij uitstek
gunstige verbindingen moeten bevorderlijk zijn aan de industriëele ont-
wikkeling van Roermond.
De geweldige ontwikkeling van het automobielvervoer in den laatsten
tijd bracht voor Roermond de noodzakelijkheid mee de straatverhar-
ding te moderniseeren. In het midden der negentiende eeuw was
de straatverharding in Roermond van het karakter als thans nog
alleen in de slechtst geplaveide dorpen wordt aangetroffen. Het
verhardingsmateriaal bestond uitsluitend uit de beruchte veldkeien,
niet alleen voor de rijwegen, doch ook voor de voetpaden, voor zoo-
ver althans van voetpaden sprake was.
Rioleering ontbrak ook nagenoeg geheel. In 1849 was voor Roermond een
rioleeringsplan ontworpen door Remont, welk plan later bij de uitvoe-
ring is aangehouden, zij het ook, dat het door Ir. van den Berg in 1867
werd herzien. Een rioleering, zonder welke thans geen samenleving
meer denkbaar is, was in die dagen nog een vrij onbekend begrip, waar-
omtrent in onze oogen zeer eigenaardige meeningen werden verkon-
digd. Wanneer in 1866 in den Raad aan de orde is de uitvoering van een
gedeelte van het plan Remont om een kanaal te leggen van het Begijn-
hof naar de Roer, en dit voorstel sterk verdedigd wordt door den heer
Michiels, merkt de Burgemeester op, dat het onmisbare der kanalen
voor de gezondheid wel wordt betwist (raadsvergadering van 18 Decem-
ber) !! En bij een discussie in den Raad op 26 Maart 1867 over hetzelfde
onderwerp, betoogt een der raadsleden, dat men geen kleinere kanalen
moet maken dan 1.5 M. hoogte, aangezien kleinere kanalen niet kunnen
worden gereinigd !! In 1867 en volgende jaren werd het grootste deel van
het stadscentrum van rioleering voorzien. Daarbij werd toen reeds in
de Hamstraat onder den grond een zooveel lager gelegen straatverhar-
ding aangetroffen, een gelijke ervaring als in 1923 bij de rioleering van
de Pollardstraat werd opgedaan. De rioleering werd geleidelijk voort-
gezet, en tevens werden trottoirs aangelegd, welke werden bestraat met
platines. Voor de rijwegen bleven de veldkeien nog behouden. De strijd
tegen deze „kinderkopjes“ zou lang duren.
Reeds in 1858 besloot de Raad een aanvang te maken met belegging
van de straten met paveisteenen. Niettemin werden de eerste be-


391
deze zijde langzamerhand kwamen te ontbreken. Zoo werden in 1899
de z.g. woningen van den Volksbond gesticht aan de overzijde van de
spoorbaan nabij de Veelading. De woningbouwvereenigingen, welke na
de totstandkoming van de woningwet in 1901, nieuwe en betere arbei-
derswoningen stichtten, bouwden het overgroote deel hunner woningen
in het Roermondsche Veld. Ook de ambtenarenbouwvereeniging „Eigen
Haard" bouwde er in 1920 een complex van 80 middenstandswonin-
gen, zoodat aldaar een stadsdeel ontstond van rond 500 woningen met
kerk, scholen en nu sedert kort het nieuwe Laurentiusziekenhuis. De
verbinding van dit belangrijke stadsdeel met de oude stad ondervindt
momenteel nog hinder van den spoorweg, welke beide stadsdeelen
scheidt, doch een oplossing van deze moeilijkheid is in 't zicht.
Aan de algemeene ontwikkeling van de gasindustrie in de tweede helft
der negentiende eeuw heeft het particulier initiatief zeer veel bijgedra-
gen. Zoo werd ook voor de gemeente Roermond concessie gevraagd
voor de stichting van een gasfabriek door de Heeren Burghoff, Magnée
en Co .; bij Koninklijk besluit van 24 Februari 1848 No. 41 werd aan
genoemde Heeren vergunning verleend tot het aanleggen van een „gaz-
etablissement", doch de gevraagde exclusieve vergunning werd niet ver-
leend. Van de verkregen vergunning werd geen gebruik gemaakt. In
1859 besluit daarop de Gemeente zelf een gasfabriek te bouwen. De
nieuwe fabriek zou in Februari 1861 in bedrijf worden gesteld.
De straatverlichting, die nog pas in 1853 was verbeterd door de over-
name van 63 olielantaarns van Nijmegen, dat reeds toen gas kreeg, werd
nu omgebouwd in gasverlichting. De nieuwe straatverlichting werd door
de bevolking geestdriftig begroet, en de Maas- en Roerbode van 2 Maart
1861 was er zoo door begeesterd, dat zij het heuglijke feit mededeelde
in de volgende bewoordingen:
„Het was een hoogst aangename verrassing voor onze stadgenooten
„j.l. Donderdagavond eensklaps de heerschende duisternis herschapen
„te zien in eene geheel en al ongewone klaarheid, doordien namelijk het
„reikhalzend verbeide gaslicht alstoen voor de eerste maal zijn glanzen-
„de stralen over Roermonds pleinen en straten verspreidde, terwijl
„mede in vele societeiten, herbergen en particuliere huizen met het
„nieuwe verlichtingssysteem een aanvang kon worden gemaakt. Zeer
„natuurlijk is het, dat de meeste ingezetenen dien avond een togtje door
„de stad ondernamen om zich over het effekt der nieuwe verlichting te
„vergewissen. Haasten wij ons te zeggen, dat men in zijne goede ver-
„wachting ten deze niet teleurgesteld is geworden; iedereen moet tot de
„overtuiging gekomen zijn, dat dit systeem om de duisternissen te ver-
„jagen boven elk ander de kroon spant. Het gaslicht was dan ook zeer
„zuiver en helder en droeg in zulke mate de goedkeuring weg, dat
„menigeen, die de gasverlichting in andere en grootere plaatsen gezien
„heeft, de ronde verklaring aflegde, nooit geene betere te hebben aan-
De fabriek onderging tijdens haar bestaan drie groote verbouwingen.
,getroffen."
Toen in 1873 de gasafgifte van 65000 M3. in den aanvang tot 140.000 M3.

393
de zaak rusten, en het zou nog duren tot den 30sten Juli 1898, voordat
door Burgemeester Raupp de eerste steen kon worden gelegd voor een
slachthuis volgens de plannen van den architect G. Osthoff. Op 19 De-
cember 1899 werd het slachthuis geopend en konden de 56 slachterijen,
welke in de stad bestonden, worden gesloten. Het Roermondsche
slachthuis was het eerste slachthuis in Nederland, waaraan tevens een
koelhuis was verbonden.
Ruim 25 jaren heeft dit slachthuis vrijwel ongewijzigd dienst gedaan.
Het gebrek aan voldoende koelruimte werd echter toen zoo nijpend,
dat tot uitbreiding van het koelhuis en vernieuwing der koelmachines
moest worden overgegaan. In nauwe samenwerking van den Directeur
van het Slachthuis met den dienst van Publieke Werken, en op koeltech-
nisch gebied geadviseerd door Ir. Mink, kwam in 1929 een groote uit-
breiding van het koelhuis tot stand, zoodat Roermond in het belang der
volksgezondheid thans de beschikking heeft over een goed geoutilleerd
en uitstekend werkend openbaar slachthuis.

De vrij geregelde constante waterstand op de Maas sedert de voltooiing
van de kanalisatie maakte het mogelijk aan den oever van de Maas
even boven de stad een bad- en zwembassin uit te graven. Deze in
1920 gereed gekomen, en in 1929 nog uitgebreide inrichting met talrijke
kleedkamers en waterleidingdouche, gelegen in een mooie, rustige
natuur, biedt een prachtige gelegenheid voor de beoefening van de
zwemsport, waarvan dan ook een druk gebruik wordt gemaakt.

De telefoon wordt in Roermond geëxploiteerd door den Rijkstelefoon-
dienst, terwijl de radiodistributie wordt verzorgd door de Federatie
van R. K. Radio-Vereenigingen in het Bisdom Roermond, St. Servatius.

Onder het bestuur van burgemeester Raupp werden verscheidene van
de tegenwoordig voor den openbaren dienst bestemde gebouwen ver-
nieuwd of gesticht. Het openbaar slachthuis werd daarvan reeds ge-
noemd. In 1903 werd in de Hamstraat het tegenwoordige commissariaat
van Politie gebouwd, in 1904 werd het gebouw der Teekenschool aan
den Godsweerdersingel opgetrokken en in 1905 werd een groote ver-
bouwing van het raadhuis uitgevoerd. Aan het gebouw der teekenschool
is zeer goed de invloed van den architect P. Cuypers waar te nemen;
de andere werken werden ontworpen en uitgevoerd onder leiding van
den dienst van Publieke Werken.
Het raadhuis, gebouwd tusschen 1692 en 1700, werd in 1905 ingrijpend
gewijzigd. De kantoorlokalen werden bij die gelegenheid gebouwd, ter-
wijl ook het representatief gedeelte een grondige wijziging onderging.

In 1909 werd gesticht het Rijkskantorengebouw aan de Begijnhofstraat,
welk gebouw in 1921/22 belangrijk werd uitgebreid. In dit gebouw, dat
door de Gemeente aan het Rijk is verhuurd, zijn ondergebracht alle
rijksdiensten met betrekking tot het belastingwezen, het kadaster en
het hypotheekkantoor. Deze samenvoeging van verscheidene diensten

395
SOCIALE INSTELLINGEN
NA DEN GILDENTIJD
door
FRED. HOEN PR.

I
N het bestek van dit Gedenkboek kan een socio-
grafie van Roermond in de 19e eeuw uiteraard
slechts zeer beknopt zijn. Hoe interessant en leer-
zaam het onderzoek op dit weinig ontgonnen ter-
rein der sociologische en psychologische verhoudin-
gen in de voorgaande eeuw ook moge zijn voor den sociograaf, hier
is slechts plaats voor een zeer summier overzicht van die verhoudingen
in het begin en het midden dier eeuw, die, behoudens de inwerking van
enkele locale factoren, een weerspiegeling zijn van de algemeene econo-
mische toestanden in ons land. 1) Voor eene beschrijving van de sociale
instellingen, die ontstaan zijn tegen den uitgang der vorige en het begin
onzer 20ste eeuw, toen een vereenigingsleven zich begon te openbaren
dat verder strekkende doeleinden had dan gezellig samenzijn of in-
standhouden eener ziekenbus, blijft dan ook nog wat plaats beschik-
baar.
Als met één pennestreek had de Fransche wet van 1791, hier afgekon-
digd den 19 Brumaire IV (10 November 1795), alle „Gilden en Corpora-
tiën" afgeschaft. Nochtans, eeuwenoude sociale instellingen, die zoo
diep geworteld stonden in het volksleven, het economische zoowel als
het godsdienstige, worden zoo maar niet weggevaagd. Ook hier kwam
spoedig de reactie. Lodewijk Napoleon vaardigde voor Holland op
30 Januari 1808 een wet uit, die aan de gemeenten de bevoegdheid ver-
leende de gilden te herstellen, maar tevens de daaraan verbonden na-
deelen trachtte te vermijden: de deelneming was verplicht, maar het
poorterschap, het afleggen van proefstukken e.d. was geen voorwaarde
tot toelating. Ofschoon toen in onze stad, als deel uitmakende van de
„Departements réunis", de Fransche wetgeving gold, waren de gilden bij
de Restauratie nog geenszins dood, maar toch verbleekte langzamer-
hand hun economische werkzaamheid en bleven ze alleen finantieel
voortbestaan. Een Kon. Besluit van 26 Juli 1820 bracht een liquidatie-
regeling der gildefondsen: het bleven steunfondsen voor de bedrijfs-
genooten. Godsdienstige gildegebruiken hebben zich nog weten te
handhaven tot in de 20ste eeuw. Zoo het vieren van de Patroonfeesten.
Tot voor enkele jaren nog was de dag van den Schutspatroon der ver-
schillende ambachten in onze stad voor de vakgenooten een vierdag.
's Morgens werd een plechtige H. Mis opgedragen, waaronder patroons
en knechts gezamenlijk „ten offer” gingen en 's avonds was er feest.
In het begin der 19de eeuw en nog tientallen jaren later werd de

1) c. f. De arbeidende klasse in Nederland in de 19de eeuw, door Dr. I. J. Brugmans.




397
gaarne zag als den grooten weldoener der arbeiders, die werkgelegen-
heid en dus brood gaf, in die, tengevolge van de Napoleontische oor-
logen en de verschillende bestuurswisselingen, verarmde tijden.
De arbeiders werden gerekend onder „de arme volksklasse“ en de
ondernemer, die trouwens geen exorbitante winsten maakte, droeg het
karakter van een philantroop. Overigens ontbrak het dezen „armen”
aan de noodige ontwikkeling, om tot eenig serieus vereenigingsleven
te kunnen komen.
Het oudste (werklieden-) „Reglement voor schrijnwerkers, timmer-
lieden, metzelaars, leyendekkers en andere werklieden in dagloon
werkende", opgesteld door de „Regering der Stad Ruremonde“ in de
Vergadering van 6 April 1820, bepaalde een arbeidstijd voor de zomer-
maanden van 12 uur, voor de overgangsmaanden van 10 uur en voor de
wintermaanden van 712 uur en stelde de loonen vast op respectievelijk
voor meesters 2 gulden, 1 gulden en 15 stuivers, 1 gulden en 10 stuivers,
voor knechten 1 gulden 15 stuivers, 1 gulden 10 stuivers, 1 gulden 5 stui-
vers, waarvan 5 stuivers voor den meester wegens surveilleeren en ver-
strekken van gereedschappen. Dit alles in Cleefs geld (1 gulden =
461/2 cts.).
In dien tijd begon zich alhier in den vorm van huisindustrie een
textielnijverheid te ontwikkelen, die zich tegen het midden der eeuw
tot belangrijke grootbedrijven uitbreidde. 1) In 1825 richtte het Bureau
van Weldadigheid een spinnerij of spinfabriek in om „het weldoende
oogmerk van onzen geëerbiedigden vorst betrekkelijk de vernieling der
bedelarij te bereiken" door den armen werk te verschaffen. Na een drie-
jarig bestaan werd ze reeds opgeheven wegens het werken met verlies.
In 1841 wordt bericht dat het weven bij de arbeiders thuis geschiedt,
in de fabriek heeft slechts de voorbereiding van het weven, benevens
het verven plaats. De wevers zijn onafhankelijk van de fabriek, heb-
ben geen vaste dienstneming en werken meestal in „gehuurde kamers“.
In 1848 waren er volgens de opgave van het Bureau van Weldadig-
heid op een bevolking van ruim 7000 zielen, ondanks de ruime werk-
gelegenheid, toch nog 1657 geheel of gedeeltelijk bedeelden. Het sterfte-
cijfer was abnormaal hoog. In 1847, een jaar, waarin in 't heele land de
sterfte een recordhoogte bereikte, was het aantal overlijdens 243. Het
euvel van drankmisbruik bestond hier gelijk elders, in die tijden,
ondanks de lage loonen. Ook bestond het euvel der gedwongen win-
kelnering. In 1841 zeggen Burgemeester en Wethouders dat de „ge-
woonte tot nadere afrekening der arbeidsloonen eenig crediet in
goederen te openen slechts facultatief is en tot geen misbruiken aan-
leiding geeft." Ook bestond de veertiendaagsche betaling. In 1849
klaagt het Provinciaal verslag over gebrek aan werkvolk te Roermond
voor de fabrieken van wollen en katoenen stoffen, doordat men er
niet in slaagt het landvolk tot fabrieksarbeid over te halen. Daarnaast

1) De wever P. M. Kaysers, in dienst bij de firma Claus, bood in 1848 aan Zijne
Majesteit Willem II twee linnen broeken zonder naad aan, als een bewijs zijner
vakkennis. Burgemeester en Wethouders adviseeren Z. M. hem een gratificatie toe te
kennen, gelijk in het naburige Pruissen bij een dergelijk geval ook geschied is.


399
woordige Munsterplein, zouden afgebroken worden, vroeg de St. Vin-
centiusvereeniging in het belang der door haar beheerde spijskokerij
de „Meelwaag“ het laatst aan de beurt te laten komen, „om zoodoende
deze spijskokerij zoo voor de armen als voor de werkende volksklasse
bij te houden. Wat de werkende klas betreft kunnen de vrouwen. die
anders veel tijd verliezen en voor dezelfde hoeveelheid spijs meerdere
uitgaaf moeten aanwenden, den vollen dag aan fabriek of anderen
arbeid aanwenden."
De verdwijning dezer industrie na de zestiger jaren is niet zoozeer
een symptoom van verval dan wel van verplaatsing. Immers terwijl
de Twentsche textielnijverheid juist in de zestiger jaren begon op te
bloeien en steeds toenam naarmate de beschermingsmaatregelen wer-
den verminderd en afgeschaft, ging deze industrie hier te gronde bij
gebrek aan protectie tegen de concurrentie van het insluitende buiten-
land. Daarbij kwam het gebrek aan communicatiemiddelen, vooral te
water, wegens verzanding der rivier en de wateraftappingen in België,
waardoor omstreeks de zestiger jaren de scheepvaart herhaaldelijk ge-
stremd werd. Over dit laatste uitten de gemeenteverslagen reeds tien
jaren vroeger gerechte klachten. Ook werd de behoefte aan een betere
haven gevoeld. Burgemeester Beerenbroek had zich reeds in zijn boven-
vermelde installatierede eenigszins bezorgd getoond: „vergelijken wij
den toestand van Roermond met dien van voor 25 jaren, men zal moe-
ten erkennen dat handel en nijverheid eene vlugt hebben genomen,
welke niet was te voorzien en waarvan zich de weldadige werking, voor-
al bij de neringdoende en arbeidende klassen, heeft doen gevoelen; maar
zal die vooruitgang duurzaam wezen, sluiten wij dan de oogen niet
voor de versnelde middelen van gemeenschap, die hier en ginds in onze
nabijheid zijn tot stand gekomen, noch voor de verschillende spoorweg-
lijnen, die reeds ontworpen zijn of zullen worden."
Wat den handeldrijvenden middenstand betreft, ontmoeten we tegen
het midden der 19de eeuw telkens klachten als deze: „kwijnende als
minder bescherming ontmoetende en tengevolge van de vele concur-
rentie in de stad, van mededinging van elders of door kramers of ven-
ters, die al niet in de gemeente dan toch de plattelandsgemeenten
doorkruizen; op de dorpen heeft zich van lieverlede een kleinhandel
gevestigd, eene vermindering van vertier voor de stad medebrengende".
Als van ouds gingen de burgers zich dan op het boerenbedrijf toeleg-
gen, vooral bij den opbloei van den landbouw na 1840. Zoo kreeg de
oude Geldersche hoofdstad een echt landelijk karakter en werden er
in 1852 niet minder dan 353 melkkoeien gehouden, die door 2 koe-
herders, die 40 c. per dag verdienden, naar de stadsweide gedreven en
daar gehoed werden. In het middaguur togen dan de melksters naar
den „Doolhof” waar het vee werd samengedreven. Ook mestte menig
burger zich een krulstaart.
Als in de zestiger en zeventiger jaren, na jarenlange actie van Gemeen-
teraad, Kamer van Koophandel en een plaatselijk „Comité voor Spoor-
wegen" de lijnen Venlo-Roermond-Maastricht (1863) en Antwerpen
-Roermond-Gladbach (1879) alsmede de vaste brug over de Maas,

401
was gebleken, dat een tachtigtal krotten voor verblijfplaats van men-
schen totaal ongeschikt was gebleken. In de laatste jaren werd ook het
vrijwel onbewoonbaar geworden Begijnhof opgedoekt, waarbij men m.i.
een fout beging, door de grootendeels onsociale bewoners wederom in
één wijk samen te brengen.
Gaan we nu over tot het geven van een overzicht der sociale organisa-
ties en instellingen in onze stad, die ontstaan zijn in den jongsten tijd
en die nu nog bestaan.

ORGANISATIES.

Als een gevolg van den Wereldzendbrief „Rerum Novarum” van Z. H.
Paus Leo XIII z.g. in 1891 verschenen, werd op 23 April 1893 hier ter
stede de R. K. Volksbond opgericht, die o.a. ten doel had de beroeps-
belangen der leden te behartigen, de goede verstandhouding tusschen
patroons en leden te bevorderen, verzekeringsfondsen te stichten en
middelen te beramen tot werkverschaffing aan de leden. Het door Z. H.
Exc. Mgr. Boermans benoemde bestuur, bestaande uit den Hoogeerw.
Heer P. Corten, Plebaan-Deken, Eere-Voorzitter, en de Heeren Mr.
Regout, Voorzitter, E. v. d. Broek, Secretaris, Fr. Nicolas, Penning-
meester en Jos. Höppener, A. Hendriks, F. Janssens en H. v. d.
Marck, leden, met de geestelijke adviseurs Prof. Dr. W. Bauduin en
Rector Vrancken, pakte onmiddellijk aan. Reeds op 2 Juli 1893 werd
een Ziekenfonds opgericht voor uitkeering bij ziekte voor loonder-
ving en kosten voor geneesheer en apotheker. Na een algemeene ver-
gadering op 7 Augustus 1893 steeg het ledental van den Volksbond
van 685 tot 893 n.l. 317 patroons en 576 gezellen. Datzelfde jaar
werd overgegaan tot oprichting van een Bouwcommissie, ten doel
hebbende het bouwen van arbeiderswoningen. Het bestuur was samen-
gesteld uit de Heeren: Jos. Cuypers, architect, Voorzitter, Felix
Janssens, 2e Voorzitter, Arthur Schreurs, Secretaris, H. Willemsen,
Penningmeester, A. Hendriks, J. F. Scheuller en E. v. d. Broek, leden.
De statuten werden koninklijk goedgekeurd op 29 Mei 1894 en versche-
nen in Staatsblad No. 48. Door Katholieken uit Roermond werd inge-
teekend voor een bedrag groot f 15.000,-, zoodat de Bouwcommissie
met hare werkzaamheden kon beginnen. In hetzelfde jaar werd een ter-
rein gekocht, waarop een vijftiental woningen werden gebouwd. Tot
op heden wordt deze huizengroep Volksbond genoemd. Op 16 April
1895 had de eerste steenlegging plaats, welke plechtigheid geschiedde
door nu wijlen Mgr. Dr. W. Everts en Dr. P. Cuypers. De woningen
kwamen in September van dat jaar gereed en werden alle verhuurd
aan leden van den Bond. Op 1 October waren alle bewoond. De stede-
lijke Gezondheidscommissie stelde een onderzoek in en schreef in haar
jaarverslag van 1895 o.m. als volgt:
„Den Roomsch Katholieken Volksbond komt de eer toe, het initiatief
te hebben genomen tot den bouw van woningen voor arbeiders. De
Gezondheidscommissie, wier taak het in de eerste plaats is, het wel
en wee der talrijke volksklasse ter harte te nemen, brengt daarvoor

403
welke afdeeling een reminiscentie aan den gildentijd opriep toen zij
in de Votiefkerk van het H. Hart haar eigen St. Rafaëlaltaar stichtte,
de afdeeling St. Paulus voor personeel in Overheidsdienst, de afdee-
lingen van Transportarbeiders, Bouwvakbond St. Jozef, R. K. Mijn-
werkersbond en de afdeeling Metaalbewerkers.
Naast deze R. K. Arbeidersorganisaties bestaan nog enkele bij het
N.V.V. aangesloten vakorganisaties van arbeiders met te samen 100
leden, gecentraliseerd in den Bestuurdersbond, benevens een uiteraard
kleine groep Protestantsch-Christelijk en neutraal georganiseerden.
De organisatie van den Middenstand kwam eerst veel later tot stand
en had met groote moeilijkheden te kampen. De Roermondsche Ver-
eeniging tot bevordering van Handel en Nijverheid heeft jaren lang op
velerlei wijzen de middenstandsbelangen behartigd. Zij werd in 1921
opgeheven, wijl ondertusschen de R. K. Middenstandsvereeniging op-
gericht en tot eenigen bloei gekomen was. De weg dezer organisatie
liep niet over rozen, ofschoon zij verschillende acties, vooral gedurende
de oorlogsjaren 1914-1918 met succes gevoerd heeft. Een Coöperatieve
inkoopvereeniging moest geliquideerd worden en de organisatie zelve
ging te niet. Heropgericht op 27 Januari 1930, bloeide zij snel op en
telt thans 215 leden en twee vakafdeelingen: de R. K. Kappers- en de
R. K. Bakkersvereeniging. De leden van den R. K. Slagersbond zijn
meestal individueel lid van de R. K. Middenstandsvereeniging. Sinds
een paar jaren zijn de jongere middenstanders georganiseerd in den
Katholieken Jongen Middenstand, met als voornaamste doel de ontwik-
keling der leden.
De Gemeentelijke Handelscursus in 1908 geopend, biedt den jongen
middenstand eveneens gelegenheid zijn kennis te verrijken. Voordien
heeft de Roermondsche Vereeniging tot bevordering van Handel en
Nijverheid van af 1899 in een tweetal localen der Openbare Lagere
School Handelsonderwijs gegeven. Bij gebrek aan geld werd dit onder-
wijs in 1902 gestaakt.
Een afdeeling van den Limburgschen Land- en Tuinbouwbond bestaat
aan de Kapel in 't Zand
Voor de behartiging der algemeene Vrouwenbelangen werd de R. K.
Vrouwenbond in 't leven geroepen, die zijn actie op een breed arbeids-
veld ontplooit.
Afdeelingen van „Voor Eer en Deugd“ voor mannen en vrouwen ko-
men op voor gezonde volkszeden en tegen de openbare zedenontaarding.
In zijn streven hieraan verwant is de R. K. Bond voor groote gezinnen.
De organisatie van de bevolkingsgroep, die algemeen tot den Werk-
nemenden Middenstand gerekend wordt, dateert uit de periode na 1900.
Als oudste dient genoemd te worden de afdeeling Roermond van den
R. K. Onderwijzersbond. Sterk uitgegroeid is in de laatste jaren de
Algemeene Roomsch Katholieke Ambtenarenvereeniging (Arka) met
hare verschillende groepen. Tot deze categorie behooren nog de orga-
nisaties van R. K. Handelsreizigers St. Wiro, van Kantoor- en Winkel-
bedienden St. Franciscus van Assisië, van R. K. Post, Telegraaf en
Telefoonpersoneel St. Petrus, de R. K. Politiebond en de R. K. Bond

405
wen Buitenop, kwam in 1914 in 't bezit van het gebouwencomplex
van het vroegere Pensionaat St. Louis, waarin het 170 jongens van
6-18 jaar bergt. In het vroegere Pensionaat „De Steenen Trappen"
werd in 1908 een dergelijk gesticht voor meisjes gehuisvest door de
Zusters van het Arme Kind Jezus, met 150 pupillen.

SOCIALE INSTELLINGEN.

In 1911 werd door een Comité genaamd „De Katholieke Actie" het
Katholiek Vereenigingsgebouw „Het St. Christoffelhuis“ gesticht, als
centrale voor het Katholiek Vereenigingsleven. Het waren vooral de
toenmalige Kapelaans A. van de Venne en P. Corten, die zich hierbij
verdienstelijk maakten. Dezelfde personen, n.l. twee uit de verschil-
lende georganiseerde bevolkingsgroepen, die het bovengenoemde Co-
mité vormden, constitueerden zich in 1920 tot het Comité der Katho-
lieke Sociale Actie (Kon. goedgekeurd 1 April 1921). Dit Comité der
K.S.A. nam tot 1932 de exploitatie der R. K. Arbeidsbeurs op zich, riep
een leeszaalcomité in 't leven en besloot op 10 December 1920 tot
stichting eener R. K. Openbare Leeszaal. Aanvankelijk in het St. Chris-
toffelhuis gehuisvest, heeft deze leeszaal met uitleenbibliotheek thans
een gebouw gehuurd op 't Munsterplein. Sinds dit jaar, 1932, is de naam
van dit Comité: „Katholiek Roermond.”

Het Landbouwhuis. De Limburgsche Land- en Tuinbouwbond onder
den naam „Limburgsche Landbouwbond“, den 15 Januari 1901 opge-
richt, heeft zijn zetel te Roermond. Tot 1911 had hij echter geen kan-
toor. In voornoemd jaar werd besloten een lokaal te huren in het
Christoffelhuis. Weldra bood dit lokaal geen voldoende ruimte meer
en werd omgezien naar een huis, waarin meerdere lokalen beschikbaar
waren. Op 21 Januari 1914 werd besloten een pand te huren op het
Stationsplein, dat den naam kreeg van „Landbouwhuis“. In 1919 deed
zich de gelegenheid voor een geschikt pand te koopen n.l. het Hotel
„du Lion d'or" in de Neerstraat. Op 1 December van dat jaar werd het
eigen kantorengebouw plechtig ingezegend door Mgr. Schrijnen. In
dit Landbouwhuis, met zijn vele kantoor- en vergaderlokalen hebben
haast alle onderafdeelingen en instellingen, zooals verzekeringen, coö-
peraties en commissies van den L.L.T.B. haar zetel. De voornaamste
op economisch gebied is wel de aan- en verkoopvereeniging „Land-
bouwbelang". Nog in dit jaar, 1932, is de kantoorruimte door bijbouwen
aanmerkelijk uitgebreid. Ook het orgaan van den Bond „Land en Vee”
heeft er zijn bureau.

R. K. Landbouwwinterschool. In het voorjaar van 1923 werd door
den L.L.T.B. een ruim pand (gedeelte van een voormalig Ursulinen-
klooster) in de Steegstraat aangekocht, waarin 23 October van dat
jaar de R. K. Landbouwwinterschool geopend werd na de plechtige
inzegening door Mgr. Dr. Mannens, vicarisgeneraal van het Bisdom.

407
door vrijwillige bijdragen van donateurs in stand gehouden. De rente
van dit fonds, dat thans ruim f 2200 .- kapitaal bezit, wordt besteed
voor steun aan onvermogende leerlingen. Vooral de Roermondsche
Spaarbankvereeniging heeft in de laatste jaren dit fonds mild bedacht.
In de laatste jaren moesten herhaaldelijk leerlingen worden afgewezen.
Nu terrein is verkregen is ook nieuwbouw reeds overwogen. Met het
oog op de tijdsomstandigheden zullen deze plannen voorloopig moe-
ten blijven opgeschort.
De vereeniging hoopt dit jaar het 25-jarig bestaan te kunnen vieren
door een tentoonstelling van werkstukken en teekeningen van de leer-
lingen der beide scholen.

SOCIAAL-ECONOMISCHE INSTELLINGEN.
Kamer van Koophandel en Fabrieken. In 1829 werd bij Kon. Besluit
van 21 Augustus te Roermond eene „Kamer van Koophandel en Fa-
brijken" opgericht en den 14 September d.a.v. geïnstalleerd. Toen echter
de Gemeenteraad der stad Roermond in verband met het Kon. Besluit
van 9 November 1851, uitgenoodigd zijnde om te beslissen omtrent de
vraag „of al dan niet in die stad eene Kamer van Koophandel gevestigd
zou blijven", in zijne vergadering van 11 December 1851 met meerder-
heid van stemmen (6 tegen 5) besliste geen nieuwe zoodanige Kamer
meer te verlangen, werd deze op 1 Juni 1852 ontbonden. Al spoedig
bleek de Raad de nadeelige gevolgen van het ontbreken eener Kamer
van Koophandel geducht te voelen. Hij haastte zich dan ook in zijn
vergadering van 17 Februari 1853 terug te komen op het dienaangaande
genomen besluit en nam „de uitgebreidheid van handel en fabrijken
en het wenschelijke en noodzakelijke eener dergelijke Kamer overwo-
gen hebbende" met algemeene stemmen het besluit de vestiging binnen
deze stad eener nieuwe Kamer aan te vragen. Bij Kon. Besluit van
1 April 1853 is dan ook bepaald, dat in de gemeente Roermond eene
Kamer van Koophandel zal gevestigd worden, bestaande uit 7 leden.
De installatie vond plaats 1 Juli 1853 door Burgemeester Karel Theo-
door Leurs en als eerste Voorzitter werd gekozen de Heer Jean
Mathieu Nacken.
Eene lang en vurig verwachte reorganisatie van de Kamers van Koop-
handel werd een feit door de wet van 26 Maart 1920. Het land werd
verdeeld in 36 districten, waarvan Midden-Limburg er een was, met
als zetel der Kamer Roermond. Elke Kamer bestaat uit een afdeeling
Grootbedrijf en een afdeeling Kleinbedrijf. In het Handelsregister die-
nen alle handelszaken te zijn ingeschreven. Wat de taak der Kamers
betreft, de Wet geeft haar een aantal verplichtingen, benevens tal van
bevoegdheden.
Aan een historisch overzicht van haar werkzaamheden door den tegen-
woordigen Voorzitter, den Heer H. M. F. Smeets, ontleenen we het
volgende: „Het is onmogelijk, ook maar in 't kort op te sommen het-
geen voor het verkrijgen van betere verkeerswegen, als van aanleg
van spoor- en waterwegen, van goede postverbindingen, van opheffing

409
De Coöperatieve winkelvereeniging Het Centrum, is gevestigd in haar
pand aan de Hendriklaan, met kantoren, bakkerij en winkel en een
winkel in de Hamstraat.

De Coöperatieve Roermondsche Groenten-, Fruit- en Aardappelvei-
ling heeft eigen kantoor en veilingsgebouw aan de Ernst-Casimirstraat.

De Coöperatieve Melkinrichting en Stoomzuivelfabriek St. Christoffel
beschikt over eigen gebouwen aan den Maastrichterweg, nabij de Mi-
chielsbrug.

Aan de Kapel bestaan nog de Coöperatieve Maalderij „Ons Belang”
en een afdeeling van de Boerenleenbank.

De Stroomverkoopmaatschappij heeft hier een bijkantoor en een scha-
kelstation. In 1931 werd de nieuwe, sierlijke hoogspanningslijn der
S.V.M. van Staatsmijn Maurits naar Roermond in gebruik gesteld.

SOCIAAL-HYGIENISCHE INSTELLINGEN.

Werd aan de volksgezondheid in 't begin der 19de eeuw niet veel zorg
besteed, toch was er van 't begin der eeuw af in onze stad een gemeente-
lijke keuringsdienst voor vleesch en levensmiddelen, die ter markt ge-
bracht werden. Voor de reiniging der straten werd door den Raad op
12 Juni 1818 eene verordening vastgesteld, waaraan wij het volgende
ontleenen: „gezien het oud reglement van 28 January 1698, de nadere
van 17 Mey 1806 van 14 Mey en 28 Juny 1811, gezien de schriftelijke
kennisgeving in dato 10 dezer maand Juny van den Heer P. F. Merts,
Doctor deser stad, dat uit de onzuiverheid der goten en straten zware
ziektens zouden kunnen ontstaan, heeft de Raad vastgestelt en stelt
vast bij deze: - volgt een serie artikelen - over het vegen en spoelen
van goten, ziepen en straten en het ophalen van huisafval - welke ver-
plichting elken dag door het luiden van de klok van het stadhuis zal
worden aangekondigd"
In den Belgischen tijd werd reeds aanstonds een plaatselijke Gezond-
heidscommissie ingesteld, zooals blijkt uit een schrijven van Burgemees-
ter en Schepenen der stad van 14 Sept. 1831: nous nous empressons de
vous présenter les personnes suivantes pour former la commission lo-
cale sanitaire, dont parlent les articles 47 et 52 de l'arrêté du 17 Août
dernier, bulletin no. 85; savoir: Ms Leurs Charles Théodore, docteur en
médicine, Demaes Joseph, adm. des hosp. civils, Mertz Henri, sécrétaire
de la ville, van Haelen, docteur en médicine et en chirurgie, Paredis,
curé primaire et Pitaffe Louis, pharmacien
Men vindt melding gemaakt van de „medische politie“ en in 1866 van
een „choleracommissie", die adviseerde tot het bouwen van arbeiders-
woningen. Op 18 October 1856 besloot de Gemeenteraad tegen de instel-
ling van een Gezondheidscommissie te zijn. In de zitting van 30 Juni
1890 werd een voorstel Romen tot instelling eener Gezondheidscom-

411
Vervolgens ontwierpen, in opdracht van het Gemeentebestuur, in 1849
de bouwmeester Jonkergouw en in 1852 de stadsbouwmeester Cuypers,
plannen voor een abattoir, doch tot bouwen kwam het niet.
Nogmaals in 1886 besloot de Raad tot oprichting van een Slachthuis,
doch ook nogmaals bleef de zaak rusten, totdat in 1888 de Gemeente-
raad eene Commissie benoemde ten fine van advies.
Nadat in 1892 de Plaatselijke Gezondheidscommissie een zeer belang-
rijk rapport had uitgebracht omtrent den toestand der slachterijen en
van de vleeschkeuring in deze Gemeente, en daarbij tevens had aan-
gedrongen om tot oprichting van een abattoir over te gaan, bracht de
benoemde commissie in datzelfde jaar een breedvoerig verslag uit om-
trent slachthuisbouw en exploitatie, en concludeerde daarbij, dat het
gewenscht scheen zoo spoedig mogelijk tot oprichting van een slacht-
huis alhier over te gaan. In 1893 vereenigde de Raad zich in principe met
deze conclusie en noodigde de commissie uit, om te zien naar een ge-
schikt terrein voor het beoogde doel.
In Maart 1895 stelde de commissie voor een terrein te koopen, gelegen
aan het Deemsel, doch op aandrang van de plaatselijke Gezondheids-
commissie besloot de Raad in December van genoemd jaar tot aankoop
van het terrein, waarop thans de inrichting is verrezen.
In Juni 1896 boden Burgemeester en Wethouders den Gemeenteraad
eene rentabiliteitsberekening en eene door wijlen den bouwkundige
Osthoff te Berlijn vervaardigd voorloopig ontwerp aan; in Januari 1897
verleende de Raad hieraan zijne goedkeuring, en ten tijde, dat onze
veel geliefde Koningin Wilhelmina 's Lands regeering aanvaardde, werd
de bouw aanbesteed en de eerste steen gelegd, en aan het einde der
19de eeuw, werd het Openbaar Slacht- en Koelhuis dezer Gemeente,
„de eerste inrichting van dezen aard in Nederland," geopend.
Een waterleiding kreeg de stad in 1898 toen de particuliere maatschappij
„de Naamlooze Vennootschap Industrieele Maatschappij de Roer-
mondsche Waterleiding" haar pompstation en watertoren onder Herten
in gebruik nam.
Nadat sinds jaren de roep was opgegaan naar een Badinrichting, werd
eindelijk in den Raad het besluit genomen een dergelijke hygiënische
inrichting voor de bevolking te stichten. In 1928 werd nabij de „Roode
Brug" aan de Maas, een gemeentelijke Bad- en Zweminrichting geopend,
welke in een dringende behoefte bleek te voorzien.
Eene afdeeling van het Nederlandsche Roode Kruis leidt geschoolde
krachten op voor hulp bij ongelukken enz.

SOCIAAL-CHARITATIEVE INSTELLINGEN
zijn in rijke verscheidenheid opgericht, naargelang de behoefte zich
voordeed. Als oudste dienen genoemd te worden de Drankbestrijders-
vereenigingen: Mariavereeniging, die in 1931 reeds haar zilveren be-
staan herdacht, het Kruisverbond, een Meisjesbond, een afdeeling van
den neutralen Volksbond tegen Drankmisbruik en vlak bij de grens der
gemeente het Sanatorium Schöndeln van de Dr. Ariëns-Vereeniging.

413
nen- en buitenland op kermissen en tentoonstellingen wel bekend, en
verdienden groote fortuinen. Anderen bleven tot die bescheiden groep
van „reizende menschen” behooren, die de kermissen afreizen met orgel
of harmonica, met draaimolen of schiettent, met schommel of kraam
en bezorgden aan de inwoners der aloude „illustre hooftstadt van Gel-
derlandt" een epitheton, waarin het woord orgel of harmonica voor-
komt. Het dient echter ter eere dezer bevolkingsgroep gezegd, dat
verreweg de meesten onder hen, ondanks de groote beroepsgevaren,
waaraan zij zijn blootgesteld, steeds tot de eerzame burgers der stad
konden gerekend worden.

Civitas Ruraemundensis Deo Duce
crescat et floreat.

415

meentebestuur zijne taak op - niets anders over, dan doel-
bewust een welvaartspolitiek te voeren, die niet slechts op
langen termijn, maar ook reeds onmiddellijk, hare vruchten
voor de bevolking kan afwerpen.
Méér kan niet worden gedaan, maar wij verrichten ons werk
met dankbaarheid in het hart en met een bede op de lippen:
wij danken God voor den zegen, dien Hij in de vervlogen
eeuwen ons zoo rijkelijk heeft geschonken en wij bidden
Hem, dat Hij in de komende tijden het goed moge maken
met de grijze stad van St. Christoffel!

WASZINK.

Roermond, 25 Juli 1932.
Feest van St. Christoffel.














6
begrafenis zijn de kransen en bloemen der medeburgers haar tribuut
van medelijden voor haar of hem, die naar haar doodenakker wordt
weggedragen. De bruidstooi zijn de meibloemen, die zij brengt voor het
nieuwe hymen en bij een geboorte lacht zij om haar geluk en de nieuwe
levenssappen. Men hoort haar jolijt in de vroolijkheid harer burgers
en zij waart somber rond bij twisten en krakeelen.
Haar hoofd en verstand zijn de vroede vaderen, die in wijs beleid voor
allen zorgen en de arbeid, handel en nijverheid harer burgers is haar
actief bedrijvig leven, waardoor zij voortbestaat. Haar hart is overal,
waar de liefde der burgerij voor de stad tot uiting komt, waar haar
rechten en belangen worden verdedigd. Haar afkeer gaat uit naar ieder,
die haar kwetst, naar alles wat haar schaadt.
Tweemaal brandde haar stad bijkans tot den bodem af, maar haar
levensdrang bouwde de stad weer op. Zij werd vaak zwaar gekwetst
door militair geweld, wanneer haar wallen werden bestormd, de stad
werd ingenomen en er bloed vloeide harer burgers. Zij herstelde, genas
en bloeide weer op. Het wel en wee van ruim 20 menschengeslachten
kent zij van generatiën, die kwamen en gingen. Zij zag 700 jaar neer
op het doen en laten eener burgerij in al haar schakeeringen. Zij zag ge-
slachten opkomen en weer ondergaan, nieuwe komen, andere verdwij-
nen. Zij leeft, juicht, jubelt, maar lijdt ook met en door haar burgers.
Zij is jong en oud tegelijk. Zij wordt ouder en kwijnt, wanneer de
gemeenschap sociaal en economisch kwijnt, niet mee kan. Zij wordt
jonger, wanneer eene nieuwe frissche geest de welvaart van allen be-
vordert, vitaliteit brengt voor de spirit of live, een nieuwe geestelijke
en materieele activiteit met versch bloed opstuwt. Geboren werd zij
in een tijd, toen velen harer zusters het levenslicht zagen. Zij was een
kind uit een huwelijk van liefde en verstand. Haar vader was een
Geldersche dynast en hare moeder de aanhankelijkheid en toewijding
harer burgers.
Er zijn nu mijlpalen aan den weg van dit leven, waarbij men goed doet
even stil te staan en een blik achterwaarts te werpen. Zoo'n mijlpaal
is het jaar 1932
Er zijn er, die reeds in 1931 dezen mijlpaal zullen zien, maar een
klein dubium deed naar 1932 overhellen. Wij missen helaas vooralsnog
het gewichtig document, waarbij de „civitas Ruraemundensis" werd
gesticht, maar tal van zekere gegevens, die men in de bijdragen, die vol-
gen, vindt aangehaald, laten weinig twijfel meer over, dat de giftbrief,
waarbij Roermond hare stedelijke rechten kreeg zeker tot op 1232 is
terug te voeren. Kort nadat de jonge graaf Otto II tegelijk met andere
oppida van zijn gebied ook Roermond tot stad met stadsrechten be-
giftigde, schijnt dit kostbaar stedelijk archivale verloren, althans zoek
geraakt te zijn. In ieder geval was het niet meer voorhanden toen de
Roermondsche Magistraat op 1 November 1351, dus ruim een eeuw
daarna, in het zoogenaamde „alt heerkoomen“ de reeds lang verkregen
stedelijke rechten en vrijheden voor het nageslacht te boek stelde en
dat „alt heerkoomen“ dan ook als een precieus stedelijk document
der privilegia voor de toekomst wenschte beschouwd te zien. In dit

8
ROERMOND
TOT 1543
door
MR. R. DE NERÉE TOT BABBERICH
R
OERMONDS verleden tot aan het tractaat van
Venlo is meer overzichtelijk in 4 tijdvakken te rang-
schikken.
I. De oudste tijden tot aan het begin der achtste
eeuw, toen de propaganda der christelijke leerstel-
lingen van het Zuiden naar het Noorden baan brak.
II. Het tijdvak van 700 tot aan het begin der 13de eeuw, waarin Roer-
mond als plaats ontstond om daarna onder de machtssfeer der Gelder-
sche dijnasten te komen.
III. De tijd van 1200 tot 1371, waarin Roermond als stad ontstond,
stadsrechten kreeg en zich daarna als hoofdstad van het Overkwartier
van Gelre ontplooide en onder de eigenlijke graven later hertogen van
Gelre als landsheeren ressorteerde.
IV. Het tijdvak van 1371 tot 1543, waarin de stad Roermond het wel
en wee van het hertogdom Gelre mee moest maken om ten slotte door
het tractaat van Venlo als onderdeel van het hertogdom Gelre inge-
deeld te worden bij de zeventien Vereenigde Nederlanden, die toen één
landsheer kregen in Keizer Karel V, die tevens als Koning van Spanje
deze vereenigde gewesten als Kroon- of Erflanden voor den Spaan-
schen troon bestemde.

I.

Reeds eeuwen voordat Roermond bestond, was de plek, waar thans de
kern der bebouwing staat, een stuk gronds, dat wel immer, zoolang
de Maas gestroomd heeft, rechts van haar hoofdbedding heeft gelegen.
De topografische gesteldheid der omgeving laat, ondanks de vaak gril-
lige terreinveranderingen, die de Maas in overoude tijden moet teweeg-
gebracht hebben, dienaangaande niet den minsten twijfel achter. De
terreinverheffing, waarop zich later de plaats ontwikkelde, sluit zich
logisch bij het hooger gelegen Leeuwen onder Maasniel aan en het
lagere land van den Molengriend laat nog duidelijk sporen zien, dat
wij hier te doen hebben met verzande Maasbeddingen, die voor langer
of korter tijd wellicht eertijds de hoofdbedding geweest zijn. De Maas,
die ook vroeger in voor- en najaar aanzwol tot grooter water en dan
wild en woest haar weg naar zee zocht, werd alleen gebreideld door de
hoogere oeverzoomen als door een van nature gegeven bedijking. Zoo-
als men thans nog dien breeden waterplas bij hoogen waterstand kan
aanschouwen, zoo zagen de oudste bewoners van Roermond dien ook
in vroeger tijden. De hoogten bij Beegden en Horn links, met het hoo-

10
Deze herhaalde volksverhuizingen waren dus wel weinig geschikt om
iets bestendigs bij de samenvloeiing van Maas en Roer te stichten. Men
kan er slechts naar gissen, welk landelijk beeld Roermond toen te zien
gaf. Geschiedkundig neemt men aan, dat Rome's macht in het Noorden,
dus ook voor deze streken, ophield in het begin der 5de eeuw om
plaats te maken voor de Franken, die oorspronkelijk vanuit het oosten
van Europa naar het westen doordrongen en daarna vanuit West-
Europa van zuid naar noord hun macht uitbreidden. De Frankische
invloedssfeer lag dus in het algemeen westwaarts van de Maas tot aan
zee en werd oostelijk begrensd langs een lijn, die tusschen Maas en Rijn
is door te trekken langs den IJsel tot aan de Zuiderzee. Het Roermond-
sche land heeft dus in dezen tijd gestaan onder Frankischen invloed en
de Salische wetten, terwijl meer oostelijk in het eigenlijke Germanië
de Saxenspiegel heerschte. In taal en gewoonten was dus de Frankische
inslag overwegend. Wij kunnen dus deze eerste eeuwen laten voor
wat zij waren en besluiten met de conclusie, dat Roermond en zijn
achterland als deel van het zoogenaamde „Germania Inferior“ wellicht
is bevolkt geweest, maar dan zeer sporadisch, met stammen van oor-
spronkelijken Germaanschen oorsprong, die daarna Frankisch wer-
den. Van deze stammen nu heeft Tacitus zoo helder en duidelijk in
zijn „Germania” de zeden en gewoonten beschreven, dat wij daardoor
iets weten van de oerbevolking, die in onze streken was gehuisvest.
II.
Toen de Franken hun macht min of meer geconsolideerd hadden,
kwamen ook de priesters, die steunend op de wereldlijke macht en
hare vastgestelde organisatie, overal de christelijke moraal gingen ver-
spreiden, kloosters en kerken gingen stichten en den oorspronkelijken
landsaard volgens de christelijke leerstellingen veranderden. In dit
tijdvak is Roermond als vlek ontstaan en het is beslissend geworden
voor zijn latere ontplooiing en maatschappelijken opzet, die in de
eeuwen daarna roomsch is gebleven en nog tot op den huidigen dag
het volle roomsche leven laat zien. Reeds eenige eeuwen terug was
de kerstening van het groote West-Romeinsche Rijk reeds onder Con-
stantijn begonnen, maar het zou nog eenige eeuwen moeten duren
voor zich de Frankenkoningen lieten doopen. Tongeren en Luik wer-
den reeds vrij vroeg christelijke centra en toen Luik zijn bisschop
kreeg werd van daaruit naar het Noorden de eerste christelijke predi-
king begonnen. Twee groote leeraars trokken uit en wij weten, dat
St. Lambertus links van de Maas de kerstening begon, terwijl St. Wil-
lebrod rechts van de Maas noordwaarts trok en via Susteren, Emme-
rich naar Utrecht kwam, waar hij Neerlands eersten bisschopszetel
stichtte. Te Susteren, het oude Suestra, had de groote apostel der Ne-
derlanden zijn eerste klooster gesticht. Den grond had hij gekregen
van den in onze streken niet onbekenden Pepijn van Herstal en uit den
stichtingsbrief van 714 weten wij, dat deze groote majerdomus der
Merovingers, wier macht aan het tanen was, hem de plek schonk om




12
thum, Vlodrop, Ascolon, Malicalicol en Curnilo, waarin wij thans nog
herkennen de gehuchten of dorpen, Roer, Lerop, Linne, Swalmen,
Vlodrop, Asselt, Melick en Niel of Maasniel. Roermond wordt nu wel
is waar niet genoemd, waarschijnlijk omdat ter plaatse nog geen mansus
of hoeve bestond, maar de grond, het „mundium" of hoogte bij de Roer,
is zoo door de genoemde plaatsen ingesloten, dat er geen redelijke
twijfel meer bestaan kan of de Roermondsche grond moet mede tot
Berg en zijne goederen hebben behoord. Deze laatste schenkingsacte
is nu verder nog van belang, omdat er uit blijkt, dat de Utrechtsche
bisschop toen reeds voor dit Bergsche bezit een voogd had, een „advo-
catus" of ook wel „mundiburnus" genoemd. Dit laatste dienen wij even
goed te onthouden daar wij later den Roermondschen voogd zien op-
treden, die in de wordingsgeschiedenis van de stad een groote rol als
grondheer heeft gespeeld, vóórdat de Geldersche graven optreden.
De banden nu die Berg, dus ook Roermond, aan Utrecht vastknoopten
hebben nog ongeveer een eeuw bestaan. Toen evenwel de geesel der
Noormannen begon te verdwijnen door de krachtigere tegenmaatrege-
len van wereldlijke en geestelijke overheid, kon de Utrechtsche bis-
schop zijn machtssfeer in het noorden weer herstellen en daarna zelfs
uitbreiden en ging er voortdurend naar streven zijn kerkelijk en gelijk-
tijdig wereldlijk bezit af te ronden. Wat Utrecht deed, deed ook de
bisschop van Luik, die zijn bisschoppelijke heerschappij noordwaarts
langs de Maas zocht te vergrooten en zoo zien wij uit een oud diploma
van 30 October 1057, dat beide bisschoppen een convenant aangingen,
waarbij Luik tegen contrapraestatie van ander bezit, dat in het
Utrechtsche lag, de kerken van Berg en Linne ontslagen kreeg van de
„servitia”, de diensten, waaronder in ruimen zin wel de materieele voor-
deelen van het patronaat te verstaan zijn voor Utrecht door Berg en
Linne op te brengen. Wanneer men nu verder nog weet, dat onder het
begrip „kerk“ niet alleen een geestelijk of ideëel maar meer nog een
oeconomisch materieel bezit in dien tijd wordt begrepen, waaraan
meer speciaal het parochiewezen met de financieele voordeelen eener
kerkelijke jurisdictie vastzat, in het algemeen toebehoorde aan hem,
die de kerk gebouwd had of zijne latere rechtsopvolgers, dan moeten
wij genoemde transactie zoo opvatten, dat de dorpen Berg en Linne
met den in cultuur gebrachten grond destijds in Luiksch bezit overgin-
gen. Merkwaardigerwijze wordt in dit convenant niet gerept van de
plaatsen, die rechts van Roer en Maas lagen en die wij tevoren heb-
ben vermeld. Dit is nu mogelijk hieruit te verklaren, dat er hoogst-
waarschijnlijk in deze plaatsen toen nog geen kerkbouw geweest zal
zijn en dus de „65" mansi, waarvan wij vroeger spraken, te Berg en
Linne hunne parochie en zielverzorging hadden. In ieder geval staat
vast, dat vanaf dien tijd de Luiksche bisschop gelijktijdig als wereld-
lijk vorst de hooge geestelijke autoriteit ter plaatse werd.
Te Rura d.i. wat thans nog als gehucht bij Roermond links van de
Roer ligt, lagen dus eenige „mansi", boerenhofssteden, waarop hof-
hoorigen woonden, die in natura cijnsplichtig waren aan het Bergsche
klooster. Dit is de eerste vaste nederzetting van menschen bij Roer-

14
gezien, dat het stichten van kerken naast het geestelijk doel dat er
mede werd nagestreefd ook voornamelijk beoogde eene soort van in
bezitname van den grond, een daad van toeëigening van een braak lig-
gend gebied, dat de parochianen als grondhoorigen tegen de retributie
van een zeker deel van de opbrengst in natura, in gebruik kregen.
De kerkbouw is evenwel niet later te stellen, dan de tweede helft der
11de eeuw. Wij weten namelijk uit een oud nog voorhanden gegeven
van 1104, dat een zekere Reinwidis, eene „nobilis matrona de Rurege-
munde", toen Roermond verliet om hare laatste levensjaren als we-
duwe te Rolduc te gaan slijten, waar Ailbertus het bekende klooster
van Kloosterrade gesticht had. Gezien nu het feit, dat dit gebeuren
in dien tijd de vermelding waard was, waardoor dus deze vrouwe niet
de eerste de beste geweest moet zijn maar eene hooge sociale positie
heeft ingenomen, en te Roermond vóórdien had gewoond, is het aan-
nemelijk, dat er reeds gedurende haar leven te Roermond een gods-
huis is geweest. Dit gegeven is verder het oudste stuk, dat wij van den
plaatsnaam Roermond hebben en waarin dus voor het eerst de naam
„Ruregemunde“, wat Roermond is, voorkomt. Ook zonder hetgeen
daarvan gezegd is, wijst ook de plattegrond van den stadsbouw erop,
dat het hart van Roermond oudtijds bij de Kathedraal gelegen heeft,
immers het aansluitende marktplein, waarheen de oudste bestrate toe-
gangsweg, de „Steenweg“, leidde, is daarvoor nog steeds de stille ge-
tuige. Toen de parochie er was, moest dit geestelijk bezit onder be-
scherming gesteld worden en daarvoor treedt in de oude geschiedenis
het instituut der advocatie op. De „advocati", de voogden, verschijnen
dus nadat de parochie gesticht is op het tooneel. Toen de christelijke
leer algemeen ingang begon te vinden kregen de kerkelijke goederen,
waartoe ook de onroerende goederen van een kerk of geestelijken werk-
kring behoorden, reeds vrij vroeg in de 7de eeuw het recht van immu-
niteit, dat op eigen verzoek of ook wel, „motu proprio” door de
Frankenkoningen werd gegeven. De immuniteit hield nu in, dat deze
goederen min of meer onafhankelijk werden van het wereldlijk gezag,
zoodat de geestelijken daardoor eene eigen wereldlijke administratie
kregen en den Keizer als hun directen heer beschouwden. Zij kregen
of vroegen daarvoor een „mundiburnus" of „advocatus", gewoonlijk ge-
nomen uit de meest gereede invloedrijke wereldlijke potentaten, en
deze zoogenaamde „voogd” had dan dit bezit te verdedigen en te be-
schermen. Aanvankelijk dus „advocati militares“, die met den sterken
arm naar buiten moesten optreden, werden zij al vrij spoedig de „advo-
cati judiciales" der geestelijke goederen tevens, waardoor het geeste-
lijk bezit onder hunne directe administratie kwam en zij tevens het
patronaatsrecht kregen, wat wil zeggen, dat zij de macht kregen om den
„parochus” aan te stellen, die de „cura animarum" voor zijn verant-
woording kreeg. In de 10de en 11de eeuw heeft zich dan ook dit
instituut zoo ontwikkeld, dat men kan zeggen, dat er verschillende
geestelijke immuniteiten bestonden, die zoowel in kerkelijk als wereld-
lijk opzicht onafhankelijk waren geworden en alleen den Paus en den
Keizer als hunne directe superieuren erkenden. Het spreekt van zelf,

16
voogden, die in de stukken voorkomen, schijnen tot een machtig rid-
dergeslacht behoord te hebben, dat zich naar „Straelen“ noemde en
waartoe ook leden hebben behoord, die de adellijke goederen Beren-
broeck en Berentrode, Daelenbroeck en Vlodrop bezeten hebben. Zij
komen van 1177 tot 1298 gewoonlijk alleen met hun titels als „advo-
catus de Ruremunde" voor en daarna is de Voogdij meestal door ver-
erving overgegaan in de oude geslachten van Vlodrop, Cortenbach,
Viversem, Bouwens van der Boyen en d'Overschie. De laatste Roer-
mondsche voogd is geweest een Maximiliaan Emmanuel Marie Joseph
baron d'Overschie, die in 1819 te Brussel ter ziele ging. Als merkwaar-
digheid kan nog vermeld worden dat een Roermondsche voogd in den
bekenden slag bij Woeringen aan Gelderschen kant strijdende gevan-
gen genomen werd. Het was Theodoricus, de stadsvoogd, die evenals
zijn voorgangers tot de hooge raadslieden van den Gelderschen graaf
heeft behoord. Mogelijk is ook, dat de tevoren gememoreerde adellijke
weduwe Reinwidis, die naar Roermond genoemd werd en die in 1104
naar Rolduc trok, om daar hare verdere levensdagen te slijten, de vrouw
geweest is van een der oudere voogden, van wien wij verder niets weten.
Wij kunnen nu dit hoofdstuk besluiten met vast te stellen, dat Roer-
mond in dit tijdvak is ontstaan doordat er eerst een parochiekerk werd
gebouwd, waaromheen samenwoning van menschen plaats vindt. Een
en ander wordt aanleiding voor eene „immuniteit" die een voogd ver-
langt als grondheer. De plaats breidt zich nu verder uit en wordt reeds
waarschijnlijk in het einde der 12de eeuw een oppidum, een plaats
met wallen en muren en poorten voorzien zonder nog stadsrechten te
bezitten, maar toch gewichtig genoeg om een grafelijke palts te her-
bergen.
III.
Eerst vlek daarna dorp, werd Roermond in het laatst der 13de eeuw een
oppidum, een dicht bijeen gebouwde kern in stadsbouw met wallen
omringd. Het was een geldersche graaf, die deze omwalling aanbracht.
Dankt Roermond nu aan parochie en voogdij zijn wording en ont-
staan, aan het oude stamhuis van Gelre heeft het de meeste verplich-
tingen en naar dit stamhuis gaan dan ook de mooiste historische her-
inneringen uit. Graaf Otto I + 1207, misschien reeds zijn vader Hendrik
+ 1182, gaf Roermond zijne omwalling. Gerhard, Otto's zoon + 1229,
schonk Roermond het Maria-Munster, waarvan in de annalen vermeld
staat, dat deze stichting Roermond „de eerste en meest groote luyster
gaf". Otto II + 1271, gaf het oppidum den stadsbrief, Reinald + 1326,
maakte Roermond tot eerste en hoofdstad van het Overkwartier, een
der 4 gewesten van zijn land, terwijl de eerstgenoemde graven tot
Gerhard Roermond als residentie hadden uitverkoren en er een grafe-
lijke palts bouwden.
De geschiedenis van Roermond in dit tijdvak, is dus zuiver geldersche
geschiedenis, waarin nu Roermond een hoofdrol speelt. Wij dienen dus
wat meer van dit oude stamhuis van Gelre te weten. Zoo goed als alle



18
welke „villa“ in 1213 door den gewezen en afgezetten duitschen keizer
Otto IV te vuur en te zwaard verwoest werd. De reden dezer brand-
schatting was eene wraakoefening van Otto IV, die zijn zwager
Gerhard IV 1229, Otto's zoon, wilde straffen omdat deze laatste te
Frankfort in 1212 zijn stem op den tegenkeizer had uitgebracht en be-
grijpelijkerwijze in hooge mate daardoor vergramd was. Haast alle
historici nemen nu aan, dat deze „villa optima de Ruremunde" de plaats
Roermond geweest is, die moest boeten voor de kwalijk te Frankfort
uitgebrachte stem. Maar wanneer men zich een oogenblik in dien tijd
kan verplaatsen en men weet van elders, dat Roermond toen reeds een
oppidum was of althans zoo genoemd werd en de tuchtiging door den
afgezetten duitschen keizer toch wel in eerste instantie den persoon
van den graaf, die notabene zijn zwager was, zal gegolden hebben, dan
moet men deze „villa optima" enger opvatten en is het slechts te ver-
talen door de „mooiste, schoonste bezitting", gelijk het in de oude
geschiedboeken gememoreerd wordt, die de graaf dan te Roermond
had liggen en deze „villa optima” was de „curia Pott”, de schoonste
„lusthof“ van den graaf die in 1213 in vlammen opging. Deze bezitting
moet oorspronkelijk tegen de wallen van het oppidum Roermond heb-
ben aangelegen en deze „Curia Pott” ook wel „Castrum Pott” genoemd,
was een burcht of kasteel met grachten afgesloten en toegang hebbend
tot het oppidum Roermond op gelijke wijze als het „castrum Gelre",
waaraan de stad Gelre later werd vastgebouwd. Op de puinhoopen
van deze „curia Pott” verrees later het Maria-Munster en toen dan ook
bij de restauratiewerken rondom de Munsterkerk grondpeilingen wer-
den gedaan, stootte men op grondlagen, die de oude grachten nog dui-
delijk aangaven. Wij weten ook door den nog voorhanden stichtings-
brief van het Maria-Munster, hoe groot het grafelijk complex van deze
„Curia Pott” geweest is. Dit praedium besloeg 40 areas ongeveer 6,5
hectaren gronds en op oude kaarten is nog duidelijk te onderscheiden,
waar deze gelegen hebben. Zij lagen tegen de zuidzijde aan van het oor-
spronkelijke oppidum in den vorm van een rechthoek, dus het com-
plex, dat thans zoo ongeveer wordt ingesloten door Neerstraat, Paredis-
straat noordzijde van het Munsterplein en Leliestraat tot aan de Veld-
straat met de Veldstraat als oostelijke begrenzing, en Kloosterwand-
straat met Bakkerstraat als zuidelijke afsluiting. Beziet men nu thans
nog den plattegrond van Roermond dan is met het gegeven van het
grafelijk praedium het oorspronkelijke oppidum van de stad, d.i. de
eerste omwalling, nog nagenoeg geheel te reconstrueeren. De wallen
nu daarvan hebben gelegen langs Paredisstraat en Molenstraat met
aansluiting op de Voorstad St. Jacob, waar de oudste toegang van Roer-
mond lag. Vandaar met inbegrip van Buitenop, waar oudtijds de paro-
chiekerk stond, langs de St. Janstraat ongeveer in rechte lijn naar de
Veldstraat en aan de zuidzijde begrensd door het praedium van den
graaf, wat later het terrein werd van het Maria-Munster. Toen Otto II
nu aan dit oppidum stadsrechten gaf in 1232 werd het complex van
het Maria-Munster reeds onder het oppidum begrepen en lag het
convent dus toen binnen de stadsmuren en wallen. In ieder geval staat

20
grond vertoefden, kwamen zij evenwel op den openbaren grond, dus op
pleinen en markten en handelden zij of maakten zij zich daar aan
overtredingen schuldig, dan waren zij burgers en vielen onder de
Schepenbank. Boven dezen eigenaardigen toestand bleef evenwel de
grafelijke autoriteit als opperheer zweven. Deze „magna discordia et
controversia" veranderde daarop in een „pax" en „concordia", gelijk
het in het stuk van 1244 heet. Roermond was dus van oppidum „civitas“
geworden, een stad met stedelijke rechten. Vroeger onder direct be-
stuur van den graaf, die zonder medezeggenschap der poirters het
publiek en gemeenschappelijk belang van allen behartigde, stelde de
graaf in 1232 bij den giftbrief van het stadsprivilege de schepenbank
in, eerst met 7 later uitgegroeid tot 9 en 13 schepenen, die de stads-
administratie kregen en over de burgers recht spraken en voortaan
het publieke lichaam werd, waarvoor zich alles, wat de gemeen-
schap raakte, afspeelde. Deze schepenbank werd oorspronkelijk be-
zet door den graaf, die daarvoor de meest gereede burgers uit-
koos, maar bij de latere uitbreiding der stadsprivilegia geschiedde
de bezetting der opengevallen plaatsen door de schepenen zelf.
De grafelijke schout evenwel, die voor den graaf als souverein in het
stadsbestuur mede optrad, was de rechter voor de zware misdrijven en
moest verder de vonnissen, die gezamenlijk door schout en schepenen
waren geveld, executeeren. Dit begin van eigenbestuur is wel het essen-
tieele van iederen stedebrief, waarin vaak nog wel andere bepalingen
staan, als het mogen houden van een markt op een bepaalden dag in de
week, het zijn of worden van poirter en hoe men zijn poirtersrecht
verliest, met enkele bepalingen omtrent vererving van nalatenschappen
van burgers, maar dit alles was onbelangrijk in vergelijk met het ver-
kregen recht van zelfbestuur, wat immers de kern is geworden der
stedelijke democratie, die zich van toen af, steeds meer door latere
privilegia van den landsheer uitbreidde. Het document, waarbij Roer-
mond zijn stedelijke rechten verkreeg, is helaas niet meer voorhanden,
maar bij de uniformiteit der stadsbrieven uit die dagen, zal de stads-
brief van Roermond in wezen wel niet veel verschild hebben van de
stedebrieven van Harderwijk (1231) of Emmerich (1233), die uit dien-
zelfden tijd dateeren en wanneer men deze documenten, die nog be-
kend zijn, er op náslaat, heeft men mutatis mutandis, wat Roermond
destijds gegeven werd. Toch bezit het stadsarchief in zijn zoogenaamd
„Alt herkommen” van 1351, waarbij de toen reeds verkregen rechten en
gunsten als „Jura et Privilegia” zijn vastgelegd door het toenmalig
stadsbestuur, nog altijd een zeer oud en hoogst merkwaardig stads-
archivale, dat ruimen blik veroorlooft in de stedelijke administratie
van dien tijd en daarvoor. De plaatsruimte laat niet toe om daarop
dieper in te gaan, genoeg zij, dat in dien tijd het dubbel burgemeesters-
schap - de raads- en peyburgemeester - ontstaan is.
Otto II + 1271, die als knaap de Roermondsche civitas creëerde, heeft
nu verder Roermond in zijne lange regeering steeds met eene zekere
voorliefde als „de stad“ van zijn land beschouwd en ondanks dat Gelre
zich noordwaarts onder zijn bestuur met groote landcomplexen uit-

22
zegt, dat de hoofdwond, die hij in 1288 bij Woeringen opliep en niet
genezen wilde, de oorzaak zijner geesteskrankheid geworden is. Maar
het was weer Roermond, dat zijn wettigen heer ondanks dit alles niet
wilde loslaten en hem vasthield en er hoogstens in toestemde dat de
zoon Reinald II als „ruwaard“ voor zijn vader, die de graaf van Gelre
tot aan zijn dood bleef, optrad. Tijdens het regentschap en regeering
van dezen Reinald II, die zijn vader in 1326 opvolgde en die de eerste
hertog van Gelre (in 1339) werd, waardoor het Geldersche land zeer
in aanzien toenam, heeft ook Roermond als eerste stad in menig op-
zicht van den voorspoed van het geheele land geprofiteerd, waardoor
de stad zich kon ontplooien. Reinald II was ook een wijs bestuurder,
hij verzorgde de verkeerswegen, gaf dijkbrieven uit ter beteugeling
van het water, hij verbeterde de waterwegen en groef kanalen en het
is onder zijne regeering geweest, dat de Maas langs Roermond verlegd
werd. Hij gaf Stad en Land van het Overkwartier door bemiddeling van
den keizer het zoogenaamde „jus de non evocando", waardoor men
door eigen rechters berecht moest worden. Hij codificeerde het zoo-
genaamde „Landrecht” voor zijn rijk, waardoor overal een zekere uni-
formiteit in de berechting kwam. Dit alles is nog uit de oude voor-
handen charters na te wijzen en heeft in niet geringe mate bijgedragen
om rechtszekerheid te krijgen, waardoor de metropool, die Roermond
zoolangzamerhand geworden was, haar handel kon uitbreiden en de
reeds opgekomen nijverheid harer burgers kon bevorderen. De Roer-
mondsche lakenindustrie van het „Gewanthuis“ en het Roermondsche
bier, de „Gruit”, begonnen toen exportartikelen te worden, die naam
kregen. En om den handel en nijverheid, die destijds begonnen te bloei-
en, nog meer en ook elders te vergemakkelijken, kreeg de stad ver-
schillende tolvrijheden op de rivieren voor den export harer goederen.
De regeertijd dezer laatste beide Reinalds heeft dan ook voor Roer-
mond de noodige welvaart der burgers gebracht en het laat zich be-
grijpen dat de stad een middelpunt werd van een grootere beschaving,
die de buitenwacht aantrok. Het is verder in dezen tijd, dat met het
sociale ook het religieuse leven tot uiting kwam en het is niet toe-
vallig, dat toen verschillende kloosterorden zich binnen de stadswal-
len gingen vestigen. Wij zien dan ook de Minderbroeders komen met
de Kartuizers, die door hunne kloosterbouwen en geleerden met den
aanhang, het stadsaanzien van die dagen naar buiten deden rijzen en
wijd en zijd bekend maakten. Ook is uit de oude gegevens bekend
dat in dezen tijd met de huishoudelijke stadsverzorging begonnen
werd. Markt en Steenweg werden verhard en bestraat, terwijl het ge-
meentebestuur verschillende bindende voorschriften vaststelde, die
de openbare orde regelden en de poirters dwongen in het publiek
iets na te laten of hen verplichtten ten algemeene nutte actief op te
treden. Tevoren was het interne leven binnen de wallen en poorten
vrijwel ongebonden en was de schepenbank een rechtsstoel, die eerst
dan in actie kwam, wanneer de burgers onderling rechtsstrijd hadden.
Reinald II nu ging in 1343 ter ziele en na hem kwamen zijne beide
zonen Reinald III en Eduard, die in een onzaligen broederstrijd om

24
gaande uitbreiding der stadsprivilegia, die iedere nieuwe souverein
na aanvaarding der regeering gaf en gewoonlijk plaats greep als de
nieuwe vorst zijne steden opzocht om er gehuldigd te worden, kreeg
Roermond vóór andere steden in 1311 reeds het privilegie om zijn
eigen schepenstoel en raden te kiezen, zonder grafelijke inmenging,
nadat het tevoren bij ditogunst van 1310 het recht „de non evocando"
waarover wij tevoren spraken, was deelachtig geworden. Deze beide
privilegia zijn voor later de hoeksteenen geworden zijner stedelijke
democratie en rechterlijke onafhankelijkheid, zoodat de burgerij van
Roermond voortaan zeker was alleen door eigen gekozen magistra-
ten te worden gevonnist. In 1347 krijgt de stad van graaf Reinald III
de erfpacht van het „gewanthuis“ aan de Markt gelegen, de „Lakenhal“
van Roermond, waar sindsdien het te Roermond gemaakte laken onder
Stadszegel zou verkocht worden. In hetzelfde jaar kreeg Roermond
voor de helft vrijdom van tol te Lobith en Tiel. In 1359 wordt te
Roermond het eerste particuliere bier gebrouwen, doordat graaf Rei-
nald zijn „gruit” afstaat aan den Roermondschen magistraat, die van
elk vat een zekeren accijns mag heffen en in 1371 wordt vrijheid van tol
te Mook en Nijmegen verkregen. De vele verdere gunsten van Eduard
bestonden hoofdzakelijk in schadeloosstellingen aan Roermond en zijne
burgers, die door den burgeroorlog van de zijde van Reinald en zijn
aanhang in hun handel buiten Roermond veel nadeel moesten boeken.
IV
Na doode van Reinald III + 1371, was het in 4 kwartieren verdeelde
Gelre zonder opvolger uit het oude stamhuis achtergelaten. Moeilijk-
heden ontstonden over de successie, die niet zonder strijd konden op-
gelost worden en eindigden met de erkenning en huldiging van Wil-
lem, tweeden zoon van den hertog van Gulick, die met Maria van Gelre,
dochter van Reinald II getrouwd was. Maar deze Willem van Gulick
+ 1402, en na hem zijn broeder Reinald IV + 1423, die beiden dus van
moederswege nog Geldersch bloed van het oude stamhuis bezaten,
stierven ook zonder wettig oir en waren de beide Gulickers, die na
elkaar hertog van Gelre werden. Na Reinald IV ontstond er wederom
een Successiekrijg, die eindigde met erkenning van Arnold uit het huis
Egmond, die van moederswege nog Geldersche parentage bezat. Het
zijn deze Egmonders, Arnold en zijn zoon Adolf, geweest, die in de
Geldersche geschiedenis den beruchten familiestrijd te zien hebben
gegeven, die het land haast bij voortduring in een zee van wee en
ellende hebben gedompeld. Arnold, de vader en zwakke regent + 1473,
door zijn ontaarden zoon Adolf + 1471, met steun der moeder gevan-
gen genomen en afgezet in 1465, was de verdwaasde hertog, die door
zijn aanhang verlaten en ten einde raad zijn land voor geld verpandde
aan een Bourgondiër, waardoor het Bourgondische huis in drie gene-
ratiën: Karel de Stoute + 1477, diens dochter Maria + 1482, gehuwd
met keizer Maximiliaan, en haar zoon Philips de Schoone + 1492, Gelre
als een gekocht wingewest beschouwde, totdat na Philips' dood, weder-



26
rol gespeeld. Zoo kennen wij de bekende verbondsbrieven van 1418,
toen het kinderloos overlijden van Reinald IV was te voorzien en na
zijn dood in 1423 het verdrag der steden, waarbij zij zich voor Arnold
van Egmond uitspraken, waardoor zij zich zelfs den banvloek van den
Duitschen keizer, die Gelre aan Adolf van Gulick in leen weggaf in
1425, op den hals haalden.
Toen Reinald III + 1371, gestorven was, koos Roermond met nog
andere steden partij voor den zoon van Maria van Gelre, Willem. Maar
vóór het zoover was, hadden er tusschen den Roermondschen magis-
traat heel wat onderhandelingen met Gulick plaats gehad. Mechteld van
Gelre, die met Jan van Kleef getrouwd geweest was en de oudste doch-
ter van Reinald II was, betwistte haar jongere zuster Maria de erf-
opvolging voor haar zoon en toen Mechtelds aanhang bij Straelen
in 1374 beslissend was verslagen, werd Willem algemeen als hertog
van Gelre erkend onder voogdij van zijn vader den hertog van Gulick.
Meerderjarig geworden in 1377 werd hij regeerend vorst van Gelre
en na doode van zijn vader Willem + 1393, tevens hertog van Gulick.
Maar dit tijdig partij kiezen van Roermond in 1372 voor den jongen
Willem is destijds uit een politiek oogpunt Roermond zeer voordeelig
geweest. Verschillende nieuwe voorrechten werden zijn deel. In Gelre
en Gulick kreeg Roermond vrijdom van tol te water en te land, ver-
meerdering van jaarmarkten, geen schatting of bede meer van eenig
goed van Roermondsche burgers in Gelre of Gulick, geen schout van
Roermond zou buiten de burgerij om aangesteld worden, de geldelijke
verplichtingen tegenover Brabant van stadswege werden door Gulick
overgenomen en nog veel meer werd gegeven, waardoor Roermond
niet alleen als hoofdplaats van het Overkwartier werd begunstigd,
maar daadwerkelijk de eerste stad van het hertogdom werd. Het is
nu juist in dezen tijd, dat Roermond als metropool zich voorname-
lijk voor handel en verkeer gaat oriënteeren op Gulick en zich langs
de heirbaan, die naar Gulick liep, het handelsverkeer ontplooide, dat
eenige eeuwen bloeide. Roermond en Julich werden nu eng verbon-
den steden, wier magistraten elkaars gasten bij festiviteiten wer-
den. In 1379 werden Willem en zijne gemalin Catharina van Beie-
ren dan ook met grooten luister te Roermond gehuldigd en ingehaald.
Roermond met een bevolking van 6 à 7000 zielen was nu langzamer-
hand een volmaakte middeleeuwsche stad geworden. De laatste verleg-
ging der wallen was tot stand gekomen en ook de zoogenaamde schuts-
wal, die rondom de stad tusschen beide stadsgrachten kwam te liggen,
was aangebracht. Een zevental stadspoorten de Inopspoort, de Brug-
poort, de Molenpoort, de Ezelspoort, de Swartbroeckspoort, de Veld-
of Nielderpoort, de Moerkens- of Venlosche poort met de St. Janspoort
gaven toegang tot de stad, van welke de Moerkenspoort, de Nielder-
poort en de Swartbroeckspoort de voornaamste waren voor het ver-
keer. Ook binnen de wallen had zich het interne leven vlot ontwikkeld
en een menigte godshuizen waren er gebouwd. Waar nu Roermond in
de middeleeuwen om de menigte kloosters en kerken, die binnen de
wallen hebben gelegen, wijd en zijd beroemd was geworden is het niet

28
grond, waren langzamerhand evenwel zoo talrijk in de stad geworden,
dat het leekenelement in verdrukking kwam en de magistraat moest
ingrijpen om verdere uitbreiding te beletten, wat geschiedde door
schenkingen aan of verkrijging van onroerend goed door de kloosters
officieel te verbieden en ongeldig te verklaren. Dit schijnt wel tijdelijk
geholpen te hebben maar toen de stad in 1665 voor de tweede maal
grootendeels in asch werd gelegd, gingen nog met 1100 huizen 9 kerken,
5 kloosters, het Begijnhof en de Munsterabdij in vlammen op.
Tegelijk met deze intense ontwikkeling op religieus gebied was ook
het stadsbestuur uitgebreid. Aanvankelijk sinds de stichting was er de
grafelijke Schout met de 7 schepenen, die feitelijk de geheele burger-
lijke administratie verzorgden. De schepenbank breidde zich nu succes-
sievelijk uit tot 9 en 13 schepenen, waarbij nog later de 6 raadsleden
uit de burgerij bijkwamen. En reeds vóór 1351 was de toestand zoo
geworden, dat buiten de genoemde magistraten er 2 burgemeesters
werden gekozen, de zoogenaamde raadsburgemeester, uit de schepe-
nen door de raadslieden gekozen en de peyburgemeester, dien de
schepenen uit de burgerij aanstelden. Beide burgemeesters bleven
een jaar in functie, traden op St. Pietersstoel (22 Februari) af en op
dien dag moest de peyburgemeester (gemeenteontvanger) rekening
en verantwoording afleggen van zijn finantieel beheer. Schout, sche-
penen en raadslieden werden oorspronkelijk door den landsheer be-
noemd maar later kwamen de privilegia, waarbij de burgerij haar eigen
magistraat mocht kiezen, die voor het leven zitting had, terwijl ook
de schout, de grafelijke commissaris, slechts uit de burgerij mocht aan-
gesteld worden. Toch bleek van lieverlede, dat ook deze stedelijke
administratie geen bevrediging schonk en locale wrijvingen en finan-
tieele onregelmatigheden niet kon voorkomen. De 5 groote gilden of
ampten, die de nijverheid der burgerij verzorgden en buiten het stads-
bestuur om reglementeerden, waren machtsfactoren in de stad gewor-
den en kregen grooten invloed op den gang van zaken, wat niet te
verwonderen is, waar feitelijk deze groepen nijveraars de geheele bur-
gerij samen onder hare leden telden. Het waren de wolwevers, de sme-
den, de brouwers, de schoenmakers, de schippers, die in hun gild of
ampt al de andere ambachtslieden coördineerden en opnamen. Zoo
behoorden bijv. de metselaars tot de „gewantmekers“ (wolwevers),
de „schroders” (kleermakers) bij de smeden, de timmerlieden bij de
brouwers, de bakkers bij de „schomekers“ en de schilders bij de schip-
pers. Dit zeer uitgebreid en inwendig goed geordend gildewezen met
zijne werkmeesters (leiders), gezworenen en meesters gebruikte nu het
stadswapen als officieel cachet voor hunne producten van uitvoer en
verkoop, waardoor de qualiteit moest gewaarborgd worden. Men had
dus naast het officieele stadsbestuur een officieus bestuur der gilden,
die de gelden voor de gemeentelijke administratie opbrachten en het
spreekt nu van zelf, dat, toen er finantieele onregelmatigheden plaats
grepen of het stadswapen buiten de gilden om voor producten van
nijverheid werd misbruikt, de gilden luid haar stem verhieven en mede-
zeggenschap opeischten. In het laatst der 14de eeuw en in het begin

30
laatste jaarmarkt schijnt geen opgang gemaakt te hebben. Zij ver-
dween spoedig, men weet zelfs niet meer op welken tijd deze markt
gehouden werd. Ook gaf deze hertog aan Roermond, toen het hem als
landsheer aannam, het voor een stad lucratieve stapelrecht, waardoor
alle goederen, die te water op- of afwaarts passeerden, te Roermond
8 dagen ten verkoop op de markt of elders in de stad moesten blij-
ven liggen om daarna verder vervoerd te mogen worden. Van deze
stapelgoederen moest dan stapelrecht aan de stad betaald worden, wat
per jaar aan de gemeentelijke inkomsten een aanzienlijke bijdrage in
geld bracht. Door dit stapelrecht was Roermond, bij het steeds toe-
nemend transport te water en sinds de Maas langs Roermond verlegd
was geworden, feitelijk het geheele jaar door een open markt gewor-
den. Uit de nog voorhanden lijsten van de verschuldigde stapelrechten,
waarin de koopwaren en handelsartikelen met name genoemd worden,
is nog duidelijk te zien, hoe druk het handelsverkeer reeds destijds
was en wat er omging. In 1410 verwierf de stad het gruitrecht, waar-
mede zij door Reinald IV voor een zware geldsom beleend werd. Gruit
was het gistprocédé bij de bierbereiding in die dagen en kon slechts
uit het „Gruithuys“ van den landsheer betrokken worden en gekocht,
en toen de hop het gruit ging verdringen en vervangen - er werd
reeds in 1359 hopbier gemaakt - moest de brouwer van ieder vat bier
een zekere belasting betalen door den landsheer vastgesteld. Dit regale
kreeg de stad nu bij koop, en later kwam daar nog bij het mout-
recht van den stadsmolen, waar de „stadsknecht“ dit recht inde. Het
bierbrouwen was dus een voornaam belastingobject geworden voor
de stad en werd nog waardevoller toen hertog Arnold in 1472 ver-
ordonneerde, dat in zijn ambt Montfort alleen Roermondsch bier mocht
gebrouwen en verkocht worden. Het handelsverkeer in den vreemde
moest zich in dezen tijd door de verschillende privilegia van vrijen
watertol te Mook, Nijmegen, Tiel, Zaltbommel en voor half geld bij
Lobith, wat Roermond in 1367 ook nog gekregen had, snel ontwikkelen.
De archiefstukken van dien tijd laten dan ook eene menigte handels-
relaties zien met Kampen, Nijmegen, Arnhem, Zwolle, Deventer en de
meeste Zuidersteden. Stroomopwaarts naar Maastricht en Luik, was
het geringer door de constante oorlogen en quaesties met Brabant,
want Maastricht was een Brabantsche stad. Was dit handelscontact
in het noorden in de 14de eeuw vrij regelmatig en druk, toch was
Roermond destijds nog niet tot de Hanze toegetreden. Een Hanzestad
werd het eerst in de 15de eeuw, hoewel zijne relaties met de Hanze,
waarvan de kern aan de Oostzee lag, met Lubeck als middelpunt, reeds
tevoren bekend waren en het Roermondsche laken te Reval gezocht
en bekend was. Uit de Hanzerecessen, meestal te Lubeck gehouden, we-
ten wij bijv., dat Arnold van Doirsdaell, de Roermondsche burgemees-
ter, daar in 1441 de stad vertegenwoordigde en dit geschiedde later
op gelijke wijze in 1476, 1484 en 1494. Roermond heeft dus tot de Hanze
behoord en werd in dien grooten stedenbond meer tot de kleinere
Hanzesteden gerekend, wat zijn ligging, niet aan de open zee, mak-
kelijk verklaart.

32
in den steek, toen het grootste deel van het land dezen zwakken regent
den rug toekeerde en zich voor zijn zoon Adolf in den onzaligen familie-
strijd uitsprak, die met het drama van Grave in 1465 eindigde, toen de
zoon zijn ouden vader in een winternacht haast ongekleed van het bed
lichtte, gevangen nam en opsloot. Ook daarna weigerde Roermond
Adolf te erkennen en met moeite werd het stadsbestuur in 1467 overge-
haald, nadat Arnold onder dwang afstand gedaan had van de regeering,
om den zoon als landsheer te huldigen. Eenige jaren later evenwel,
in 1471, toen de afgezette hertog door Karel den Stoute was bevrijd
uit zijne gevangenschap en de zoon Adolf als gevangene naar Kortrijk
was overgebracht, was het weer Roermond, dat den ouden hertog geest-
driftig inhaalde. Maar het was te laat. Arnold had de sympathie van
Gelre heel verloren en toen de stenden zich tegen Arnold hadden
uitgesproken en zij hun stadhouder, den graaf van Meurs, die voor den
gevangengenomen Adolf regeerde, op Roermond afstuurden om het
tot toegeven te dwingen, werd Roermond herhaaldelijk met troepen
bedreigd. Slichtenhorst, de bekende geldersche historicus, zegt daarvan
in zijn aardig oudhollandsch, dat terwijl Arnold en Vincent van Meurs
elkaar wederzijds „terghden“ de graaf van Meurs Roermond en Grave,
welke steden met Gelder Arnold nog aanhingen, ging „moeskoppen“.
De Roermondsche trouw aan Arnold is dan ook niet voor de stad zon-
der effect gebleven, want van dezen hertog kreeg de stad meer gun-
sten dan de andere steden. Er is daarover tevoren reeds meer gezegd.
In het historisch aperçu vóóraf, hebben wij gezien, dat de droevige
figuur, die hertog Arnold voor de geschiedenis uitbeeldt nog de slot-
apotheose kreeg, toen hij het land in 1471 verpandde voor 300.000
rynsche goudguldens aan Karel den Stoute. Dit verpanden, wat de facto
bij de politieke verhoudingen van dien tijd verkoopen beteekent, bracht
Roermond onder vreemde heerschappij met al de hatelijkheid, die
daaraan vastzit. Het Geldersche land bleef evenwel recalcitrant tegen
de Bourgondiërs en toen Adolf in 1477 voor Doornink sneuvelde, sprak
het zich uit voor Karel van Egmond, Adolfs zoon, die met zijne zuster
Philippa onder de directe hoede was gesteld van Maria, de dochter
van Karel den Stoute en echtgenoote van keizer Maximiliaan en aan
hun hof werden opgevoed en vastgehouden. Dit erkennen als lands-
heer van den 10-jarigen Egmonder bracht wederom de grootste poli-
tieke moeilijkheden en strijd en hoewel Maximiliaan, die de finantieele
aanspraken van zijn zoon Philips op het hertogdom niet wilde prijs-
geven en met zijne vrouw Maria in 1478 plechtig te Roermond werden
ingehaald en gehuldigd als landsheer, was toch alles slechts schijn voor
wezen, want reeds in 1487, toen Karel van Egmond door bemiddeling
van den graaf van Meurs eindelijk onder Franschen dwang vrij kwam,
werd hij onder grooten jubel door de Roermondsche burgerij ontvangen
en als den wettigen landsheer erkend. Dit erkennen en dus désavouee-
ren van de Bourgondische aanspraken, berustend op het convenant
van 1471, bracht Gelre en speciaal het overkwartier met Roermond
weer in oorlogstoestand met Maximiliaan, die met een groote troepen-
macht Saksers het Overkwartier binnenviel en Roermond belegerde

34
mond in 1539 feestelijk werd ingehaald. Maar gedurende den korten tijd,
dat deze hertog als landsheer optrad, had hij zijn hertogstitel steeds te
verdedigen, wederom in een successieoorlog, waarbij voornamelijk de
aartsvijand Brabant, zijne rechten betwistte. Van dien oorlog is de slag
bij Sittard van den Kollenberg wel de bekendste, waarbij de Brabanders
duchtig klop kregen. Toen nu keizer Karel, de machtigste tegenstander
van den hertog, op het tableau verscheen - hij was na 1538 door zijn
krijg tegen de Turken en Algiers en tegen Frans I van Frankrijk te
gebonden geweest om zich met Gelre te bemoeien - en den machte-
loozen hertog met een groot leger aanviel, vooraf Düren verbrandde
en daarna naar Roermond marcheerde, opende de stad, zwichtende
voor de groote overmacht, de poorten en gaf de sleutels over, keizer
Karel V als zijn landsheer erkennend en dit geschiedde in 1543. Venlo,
dat daarna aan de beurt was, wilde nog weerstand bieden, maar gaf
zich op aandrang van den hertog over, die door een deemoedigen
knieval in de keizerlijke tent voor Venlo, zijn hertogdom Gulick nog
kon redden, maar voorgoed van Gelre afstand moest doen. Deze hertog
Willem was dus de laatste hertog van Gelre, dien de steden en adel
als landsheer nog zelfstandig hadden aangenomen. Door het tractaat
van Venlo in 1543 was de zelfstandige macht der steden voorgoed ge-
broken en moesten zij Karel V erkennen, die het land in zijn staten-
bezit opnamen en als zooveelste titel van zijn macht zich ook nog
hertog van Gelre noemde.
Roermond, dat in het tijdsgewricht, dat wij thans besluiten, vrijwel
altijd een hoofdrol in de Geldersche geschiedenis heeft gespeeld en
eenigen tijd niet alleen de hoofdstad van het Kwartier, maar feitelijk
de voornaamste stad van het hertogdom geweest is, in omtrek steeds
het grootst, werd later wat naar het tweede plan gedrukt, toen de
machtskern van Gelre zich rondom en bij Arnhem ging concentreeren,
maar het bleef door de eeuwen heen een volbloed geldersche stad, waar
thans nog de voertaal, de zeden en gewoonten harer burgers deze her-
komst duidelijk verraden.

















36
derland en Zutphen. Het werd de hoeksteen van des Keizers centrale
macht over deze landen, het beginsel, waarnaar de staatsregeling van
het Overkwartier opgebouwd was. Voor het kwartier Roermond tra-
de hierbij op: Johan van Wittenhorst, heer van Horst en amptman van
het land van Kessel, Dirk van der Lippe genant Hoen, heer tot Affer-
den, Blijenbeek en Grubbenvorst, Reynier van Vlatten, amptman te
Düren en Martinus Boegel, heer te Oeijen bij Broekhuijsenvorst.
De Keizer beloofde alle voorrechten des lands te handhaven; alle mis-
verstand tusschen de enkele heeren in dit land zou opgeheven zijn.
Hij zou een goed stadhouder aanstellen, die de landstaal machtig was
en een kanselarij stichten tot het afdoen der landszaken. Zooveel mo-
gelijk zouden ingezetenen, die de landstaal spraken, tot ambtenaren
benoemd worden. Geen schattingen zouden geheven worden, noch
beden gevorderd, dan na goedkeuring der bannerheeren, ridders en
steden, maar alles onder opperbestuur van den Vorst (zie van Loon,
placcaatboek I pag. 27). Zelfs werd dit alles nog eens op den Rijksdag
te Spiers bij open brief vastgelegd. Gelderland en Zutphen zouden
voortaan bijeenblijven. Het eerste hield op een eigen hertogdom te zijn.
Een feit is het, dat sedert den Venloschen vrede het Overkwartier
van Gelderland met het Nederkwartier eene provincie werd der
Spaansche Nederlanden en tot stadhouder kreeg Réné van Chalons,
prins van Oranje, die naar de bevelen der Centrale Regeering te Brussel
had te luisteren.
Wat baatte het of de ingezetenen van Gelderland wrokten over hunne
verloren gegane zelfstandigheid. Integendeel, men ging onder de krach-
tige regeering van Keizer Karel eene zekerdere toekomst tegemoet.
Het tractaat van Venlo bracht Karel V nader tot de absolute monar-
chie, maar bevestigde ook de rechtszekerheid der inwoners.
Wat kreeg Roermond voor zijn gewillig buigen? Niet veel! Het bleef
de hoofdstad, maar moest het stapelrecht aan Venlo afstaan. Dit was
het recht om van alle voorbijgaande schepen te vorderen, dat zij hunne
waren eerst te Roermond enkele dagen opsloegen en ten verkoop aan-
boden. Het kreeg er echter voor in de plaats bevestiging van het recht
van den muntslag; ten stadhuize mocht men muntjes van kleine
waarde, peerdtgens van twee stuivers, oertgeens enz. doen slaan.
18 Mei 1469 bevestigde Hertog Adolf al het recht der stedelijke munt.
De Jura et Privilegia zeggen: 1492, 8 Mei, Hertog Karel geeft aan Roer-
mond voor den opbouw der moederkerk het recht van zilvergeld te
slaan ter waarde van eenen braspenning, onder hertogs naam of eigen
naam en wapen. Men heeft te Roermond in de opvolgende eeuwen
steeds kleine munt blijven slaan onder toezicht van waardijn en es-
sayeur door muntgezellen in een achterpand van het stadhuis. (Over
Muntslag, zie Sivré, Inv. deel I tot en met IV).
Maria van Hongarije, zuster van Karel V en sinds 1530 landvoogdesse,
een vrouw vol geestkracht, beleidvol en werkzaam, steunde Karel trouw
in zijne algemeene politiek. Wij herinneren er hier aan, hoe zij in
den zomer van 1549 in Roermond met veel staatsie ontvangen werd.
Naar „alder gewoente“ kreeg zij een „wellekom” van de twaalf groote

38
aan den Voogd betaald moest worden. Dit was dus een leenbank
in 't klein.
Ook had men nog het huijs den Beer op den Steenweg tegen Lam-
berts huijs van der Craicken van de deur tot den schoorsteen toe,
waarvan leenhulde ten Gelrischen rechte betaald werd; verder de vis-
scherij op de Roer ten Gulickschen rechte, de gruijt of 't recht op
graan voor het maken van bier bestemd, de Ruerenbosch bij de Roer
en nog kleinere leenen.
Dit alles viel bijna geheel onder Keizer Karels regeling. Ook in dit
opzicht kwam er meer orde.
Karels regeering was in verschillende richtingen heilzaam voor het land
en voor het Overkwartier. Maar de opkomende Hervorming bracht
vele zorgen en verdeeldheid; zij vertoonde zich ook in onze landen.
Deze en het Anabaptisme trachtte hij te bestrijden door strenge plak-
katen en velen werden om de nieuwe leer terecht gesteld en hunne
goederen verbeurd verklaard.
Tot het beoordeelen van den toestand van Roermond in de XVIde eeuw
moeten wij hier op het doordringen dier geesteswijziging in Roermond
zelf en in de omstreken, zij het dan ook in korte woorden, wijzen, waar
deze in dit werk in hare geheele ontwikkeling later gegeven zal worden.
Vooral helde men hier in den eersten tijd tot het Anabaptisme over,
dat in de practijk gevaarlijker was door het streven naar een wereldsch
Koninkrijk Sion, naar een gewelddadige omzetting van het bezit, en
zich uitte in het miskennen van de grondslagen der geldende zedenleer.
Door het misdadig en heiligschennend optreden van Jan Beukelszoon,
een kleermaker uit Leiden, in 1534 te Munster en door de overrompeling
in Amsterdam in 1535 werd de schrik er bij de Regeering ingebracht; de
vervolging werd onmeedoogender. De Anabaptisten predikten en her-
doopten in 1535 nog te Sittard, Dieteren, Ysenbroek, in 1548, trots de
plakkaten van 28 September 1543 en 6 Augustus 1544 tegen de nieuwe
leer, te Echterbosch, in 1551 te Havert, in 1558 te Sittard, in 1569 te
Roermond, waar in het eind van dit jaar Jurgen Snijder, bijgenaamd
Velport, nog om zijn anabaptistische propaganda ter dood gebracht
werd. Het was zoo diep doorgedrongen, dat in 1580 nog een Roer-
mondenaar, Jan Willemsen, in het land van Kleef optrad als Koning
David de Gerechte, het volk aanradend de rijken te berooven, ging
het niet door geweld, dan door list.
Wij volstaan hier met een overzicht. Het Bestuur van Roermond was
ook al laks in het uitvoeren der strengere hoogere bevelen en was
door zijne handelingen bij de regeering niet in hoog aanzien, wat de
belangen der stad schade toebracht. De tijden waren woelig en de stads-
regeerders beleefden geen aangename dagen. Ook werden zij door de
hooge overheid verplicht de fortificatiën der stad op te maken, waar-
toe dagelijks 125 man uit het Overkwartier opgeroepen werden om
het graafwerk te verrichten.
Maar men vergat niet zich hier in navolging van andere steden met
het onderwijs der jeugd te bemoeien en besloot einde 1553 „eene guede
particuliere schole" op te richten. Er waren promotors benoemd en

40
door Filips II, op en top Spanjaard, koel, afgemeten, deftig en trotsch,
maar man van beginselen, onvermoeid werkzaam en streng Katholiek.

§ 2. ONDER SPAANSCH BESTUUR.

FILIPS II, 1555-1596, overleden 1598.

Spanje was de hoofdmogendheid van Europa geworden. De Bourgon-
dische Kreits, waarover boven reeds gesproken, verviel en werd in
Stadhouderschappen of provincies verdeeld en met het Rijk vereenigd;
ze hadden ieder hun landdag en hielden sedert 1558 te zamen als Gene-
rale Staten vergaderingen. Filips maakte de groote fout om in 1559
het Hof naar Spanje te brengen en het Bestuur der Nederlanden aan
zijn halfzuster Margaretha van Parma over te laten, die door een
Staatsraad bijgestaan werd, met Granvelle als invloedrijkst lid.
Van uit Duitschland drong het Lutheranisme en Anabaptisme binnen,
van uit Frankrijk het Calvinisme. Daardoor was er overal onrust onder
het volk, waartoe de hooge belastingen, de inkwartiering der Spaansche
troepen en de algemeene verarming het hare bijdroegen. Het kerkelijk
verval trachtte de bul van Paus Paulus IV d.d. 19 Mei 1559 tegen te gaan,
vooral door de oprichting van 3 aartsbisdommen en 15 bisdommen.
In Roermond werd ook een bisschoppelijke zetel gesticht, ressorteeren-
de onder het aartsbisdom Mechelen.
In 1562 benoemde Filips tot eersten bisschop van Roermond Wilhelmus
Damasius Lindanus, geboren 1525 te Dordrecht, theologisch doctor,
professor te Dillingen, raadsheer enz. Lindanus kon door de opko-
mende beroerten geen bezit van zijn zetel nemen. Hij was 4 April 1562
gewijd en werd eerst 11 Mei 1569, dus zeven jaar later ingehuldigd.
Bij zijne inhuldiging waren tegenwoordig zijn vader Damasius van der
Lindt, zijne broeders, professoren, het kapittel der Domkerk, de geeste-
lijkheid en de magistraat van Roermond.
De Staten van Holland hadden de plannen tegengewerkt, voorgevende
dat deze tegen de landrechten streden. Het ligt niet op onzen weg
den persoon van den ijverigen, onvermoeiden, geleerden bisschop hier
te schetsen, dat zal een ander uitvoerig doen, maar wij moeten herinne-
ren, dat zijn apostolische heldenmoed Limburg, Brabant en een deel van
Gelderland voor het Katholiek geloof behouden heeft. Hij hield de
onwillige en dwalende magistraten hun plicht voor en verscheen overal,
met gevaar voor zijn leven, als boeteprediker.
De Hervorming kreeg langzamerhand meer kracht, ook te Roermond;
de hagepreeken werden achter de Kapel, op het Guliksch, gehouden.
Op St. Laurensdag, 10 Augustus 1566, preekte een predikant buiten,
op Zondag 25 Augustus trachtte men hem te vergeefs binnen te bren-
gen, 8 September predikte hij op de Markt in 't openbaar. De stad
werd door den stadhouder Karel van Brimen op haar plichten gewe-
zen, om den voortgang der nieuwe leer te stuiten. De magistraat gaf
daaraan geen gevolg. De aanhangers der nieuwe leer zonden afgevaar-
digden uit Roermond naar het Consistorie van Antwerpen, dat aan 't

42
tot op den huidigen dag aan den ingang der Hoogkerk nog de ledige
nissen zien, waaruit de beeldstormers de beelden geslagen en vernield
hebben; ze zijn thans vernieuwd onder toezicht van den Architect
Caspar Franssen Sr. zaliger.
De hertog van Alva gaf 31 Maart 1567 kennis aan den Magistraat van
het aftreden der landvoogdesse Margaretha van Parma. Het onderzoek
te Roermond werd naar alle kanten doorgevoerd.
Alva, de gestrenge, gaf 8 Maart 1569 aan den Stadhouder en het Hof
van Gelderland last, ten einde „wijt te roijen ende te extirperen alle
secten, dwalingen ende quaede leeringhen" alle kwade boeken te ver-
nietigen. Vooral moest men bij alle boekverkoopers den voorraad
onderzoeken, de kwade in beslag nemen en een lijst naar Brussel, het
hoofdkwartier, zenden.
Ook aan Roermond werd kennis gegeven, maar men talmde hier met
het onderzoek. In plaats van 17 Maart begon men eerst met Augustus.
De deken Theodorus Hoen en de Prior van Someren leidden het onder-
zoek, in tegenwoordigheid van den Magistraat. Zij onderzochten den
boekhandel van Gerard In den Iserencraem en vonden er 23 verboden
boeken, o.a. geschreven door Gesner, Melanchton en Erasmus.
We behoeven het wassende en groeiende verzet tegen Alva, zijne be-
lastingen, zijne vervolging der ketters niet te beschrijven, ook niet hoe
Egmond en Horne onthoofd werden en Willem van Oranje zich aan 't
hoofd van den gewapenden opstand tegen Spanje stelde. De Water-
geuzen onder 's Prinsen vlag veroverden den Briel, de steden stonden
op en de opstand was in vollen gang.
21 April 1568 op Goeden Vrijdag kwam een bende Geuzen naar Roer-
mond en wilde het innemen. De stad moest van die avonturiers onder
den beruchten kapitein Jan Ressen niets hebben en verdedigde zich
dapper. De Spanjaarden kwamen te hulp, ontzetten de stad, vervolgden
den troep tot Dalheim en sloegen er velen dood. Jan Ressen werd door
drie lanssteken afgemaakt. De strijd werd met afwisselend geluk ge-
voerd. Het meest hinderde aan beide zijden het gebrek aan geld om de
huurtroepen te betalen. Waar buit te halen was, werd gestolen, geplun-
derd en gemoord.
De Prins van Oranje was in volle actie. Hij trok in den jare 1572 met
een leger op Roermond aan en hield zijn hoofdkwartier te Hillenrade.
De stad had een zwakke bezetting en werd op 24 Juli 1572 ingenomen.
Men zag er tooneelen van wreedheid en bloeddorst. Drie en twintig
geestelijken, onder welke twaalf Kartuizers, werden na tal van kwellin-
gen vermoord. Oranje - zegt men - kon de Duitsche huurlingen niet
in toom houden. De bijzonderheden van den Roermondschen moord op
priesters en geestelijken zijn in extenso beschreven in Habets, Bisdom,
deel II blz. 66 tot en met bl. 75. Oranje trok verder, maar Roermond
weigerde hem later te gehoorzamen. Spoedig daarna ontbond hij zijn
leger.
Einde October kon Bisschop Lindanus terugkeeren. Een deel der uit de
kerken gestolen voorwerpen kon men te Aken opsporen.
Men wilde de heillooze twisten afsluiten door de Pacificatie van Gent


44
werkten met mannenmoed tegen de gaandeweg toenemende verarming,
en lieten niet na de hooge regeering op den dreigenden ondergang te wij-
zen. In Januari 1585 schreef de Stad weer naar den Landvoogd om van
den „onmenschelijken last” der lanciers van don Diego Sarmento be-
vrijd te worden. De Stadscommandant de Warluzel kon haar niet hel-
pen en verwees naar de Regeering. Maar ook deze kon niet helpen en
maande tot geduld aan. Want ook het platteland in de omgeving van
Roermond bad om hulp. 17 April 1586 verklaarden de Schepenen,
geërfden en inwoners van Asselt en Swalmen, dat „sij, in diesen ge-
ferlichen kriechstiden und ten tide als 't vurseyde kerspel genslich ver-
loupen und uitgeweecken was, im hoichsten noeden ter betalungh van
operlachter contribution geld opgenomen hebben".
Een scherp beeld van den toestand in het Roermondsche kwartier
levert een perkament van 10 Januari 1585, waarin de deken en het
kapittel der kathedrale kerk van den H. Geest te Roermond verklaren,
dat het platteland geheel bedorven is, de ingezetenen tot armoede ge-
komen zijn, de landerijen onbebouwd blijven en de pachten en renten
zeer verminderen door de groote contributiën die door de ruiters in
de Stad verordend, geëxecuteerd en afgedwongen worden, zoodat het
kapittel zijne bezittingen te gelde moet maken.
Rondom woedde de krijg; 28 Juni 1586 werd Venlo bij verdrag aan
Alexander Farnese, hertog van Parma, overgegeven, nadat verschil-
lende jaren Staatschen en Koningsgezinden om het bezit der stad
gevochten hadden en deze te schande gemaakt hadden, waarbij het
aan vernielen der kerken, afpersingen, brandstichtingen niet ont-
brak. In Roermond waren de toestanden er niet beter op geworden.
Dat er destijds in de stad aan de eerste levensbehoeften gebrek was,
bewijst de ordonnantie van burgemeijstere, schepen en raedt van 3 Juni
1587, waarbij zij kond doen „alzoe duer diese tegenwoirdige oner-
„hoirte duirte en versteigerongh der graenen in alle nabursteden und
„landen die voet und merckt op rogge und garste den 16 Aprilis lest-
„leden bij hun mitsampt den thienmans genomen und ingestaldt, langer
„niet gehalden kan werden, overmits dat dairduer diese Stadt van allen
„genabarsten (naburigen) soeseere van huere nottruft bysher geblue-
„tet (ontbloot) is" en waarom zij er op wijzen, dat alle korenhande-
laars er bezwaren tegen maken hun voorraden alhier aan de gestelde
prijzen van rogge aan 15 gld. en gerst aan 10 gld. te verkoopen. Het
gevolg van den uitvoer was, dat er in Roermond niets te krijgen was
„tot groten achterdeijll dieser schemeler gemeinten." Daarin wilden
„burgemeisters, schepenen en raidt" voorzien en bepaalden dat ieder
malder rogge aan 18 gulden en ieder malder gerst aan 12 gulden mocht
verkocht worden, onvermengd geleverd. Het brood van 10 pond zal
121/2 stuver kosten. Wie overvloed van graan heeft, zal dit aan de stad-
sche bakkers verkoopen en niet aan uitheemschen overdoen, op ver-
beurte van de geheele koopwaar bij overtreding van het gebod. Andere
granen als rogge en gerst zijn in deze ordonnantie niet begrepen „maer
staen op fortuijn van die merckt, wie in nabuersteden und landen." -
De Regeering bleek wel mede te werken ter voorkoming van den alge-

46
marckt, waerdoer veel oersaecken gegeven worden tot kettersche dis-
puten doer die ommeliggende Gulicksche ende andre neutrale provin-
cien." Tegen dat verleggen der Kermis was weinig bezwaar. De groote
processie trok toen al, evenals nu nog, in volle pracht door de versierde
straten der stad.
Na al het strijdgewoel, het overheerschen der soldateska, verlangde
men vurig naar een vreedzamer tijd en regeerders, die het heil van het
land zagen in rust en vrede. Deze zouden komen.
Groote mannen heeft het Overkwartier in die tijden toch opgeleverd.
Wij herinneren aan Surius, van Zijl, Boener, Budelius, Puijtlinck, Lin-
danus e.a.

§ 3. ROERMOND ONDER DE AARTSHERTOGEN
ALBERTUS EN ISABELLA 1596 -- 1633.
Bij de Unie van Utrecht, vóór reeds genoemd, die wij hier niet nader
bespreken, gingen de drie kwartieren van Neder-Gelderland in 1579
tot den Statenbond der Vereenigde Nederlandsche gewesten over. Het
Overkwartier Roermond bleef Spanje getrouw en heette verder
Spaansch Gelderland. Filips was inmiddels tot de overtuiging geko-
men, dat de Regeerder over de trouw gebleven gewesten te midden
zijner onderdanen verblijf moest houden. Hij had daartoe het middel
gevonden door 6 Mei 1598 aan zijne dochter Isabella Clara Eugenia,
die zou huwen met Albertus van Oostenrijk, den zoon van Keizer
Maximiliaan, de erfelijke Souvereiniteit der Nederlanden onder eenig
voorbehoud op te dragen. Hun streven was naar pacificatie gericht.
Daardoor was hunne regeering zegenrijk en werd veel onheil bezworen.
Uit de adressen van de landsstenden aan den stadhouder bleek nog
maar al te vaak, hoe de nood nog altijd gevoeld werd. Door mis-
gewas waren de schuren ledig, de boeren moesten zaadkoren leenen en
het brood was duur en schaarsch.
Uit het kerkelijk leven van Roermond stippen wij hier aan, dat de
Rector Magnificus van de Leuvensche Hoogeschool, Henricus Cuijckius
Johanneszoon, geboren in 1546 te Kuilenburg, op aandrang van Koning
Filips II en bevestiging van Paus Clemens VIII tot bisschop gewijd
werd. Hij werd 28 Juli 1596 te Leuven in de St. Pieterstraat door den
Aartsbisschop Mathias Hovius gewijd. Hij had de benoeming tot Bis-
schop van Roermond met schroom aanvaard, want het was met den
toestand der kerk zeer treurig gesteld, al had zijn beroemde voor-
ganger Lindanus met alle kracht en ijver aan de verbetering van het
godsdienstig leven gearbeid. Cuyckius handhaafde de tucht, herstelde
de vrome gebruiken, was een voorbeeld en een licht voor de geeste-
lijkheid. Hij ondernam in het najaar van 1599 een pelgrimstocht naar
Rome, destijds eene moeilijke reis.
Aartshertog Albertus van Oostenrijk werd 1 October 1602 te Roermond
luisterrijk ontvangen. De Roermondsche Kroniek, uitgegeven door Net-
tesheim, beschrijft hoe hij in Joncker Baerels huis ontvangen is, welke



48
64 personen aangeklaagd, van wie er verschillende achter de Kapel
verbrand werden. Te vergeefs traden P. Spee S.J. en andere geleerden
daartegen op. De procedures in Roermond vindt men in de Chro-
niek van Nettesheim blz. 442 en volgende.
Om het leven in onze stad gedurende het 12-jarig bestand te schetsen
zullen wij hier enkele voorvallen en daadzaken uit de Stadskroniek
schetsen. De geestelijke leiding van het bisdom berustte sinds 1611 en
daarna gedurende 29 jaar bij den derden bisschop, Jacobus van der
Borcht of à Castro, een Amsterdammer. Zijn devies was „Wees Waak-
zaam".
De Regeering bezat hier de Meelwaag, waar alle meel gewogen moest
worden tegen een vast recht. Zij verhuurde die voor eeuwig aan de Stad
voor 70 gulden 's jaars, wat nog al eenig voordeel opbracht. Alle baten
hielpen. In dit tijdperk van vrede werden allerlei vredeswerken verricht:
in 1617 het Clarissenklooster gebouwd, in 1619 het aloude Cremergilde,
dat stil gelegen had, weer opgericht, in 1620 weer nieuwe klokken gego-
ten. Valt nog te vermelden, dat onder de aartshertogen een groot en ge-
wichtig werk tot stand kwam, de vaststelling en verzameling van het
Landrecht in één Wetboek en wel op 19 September 1619. Men sprak
vóór dien tijd recht volgens de oude gewoonten des lands en de oor-
konden der voorvaderen, zoodat er geen eenheid was en er weinig
samenwerking kon zijn. Reeds onder Keizer Karel V en onder Filips
had men getracht tot eenstemmigheid te komen en alles in één bundel
samen te vatten. Door den aanhoudenden oorlogstoestand was men
er niet toe gekomen. Nu het twaalfjarig bestand zijn weldadigen in-
vloed deed gevoelen en er betrekkelijke rust heerschte, zou dit gewich-
tig werk tot stand gebracht worden. Er werd te Roermond hard aan
gewerkt door den Kanselier Uwens, den landsyndicus Tilman van Bree
met de raadsheeren. Wat wij het Burgerlijk Wetboek noemen, was
met het Strafwetboek vereenigd. Het wetboek voor het Landsrecht
was voor dien tijd voortreffelijk ingericht. Het werd voor de eerste
maal te Roermond bij Johan Hompesch op 17 Mei 1620 uitgegeven
en later dikwijls herdrukt o.a. bij Caspar du Prée in 1665 te Roer-
mond en in 1679 bij Johan Frederik Haegen te Arnhem. Sommige
exemplaren waren voorzien van de portretten der aartshertogen. Tot
aan de Fransche revolutie zijn deze Stad- en Landrechten de veilige
gids geweest voor de rechtsprekende collegiën. Overal heerschte ge-
durende bijna twee eeuwen éénvormigheid in het recht.
Den grooten stoot tot opbloei der stad had na 1224 de Munsterabdij
gegeven. Zij was dit in de eerste helft der XVIIIde eeuw nog. De abt
van Camp was opperraadsman en de abdis en de nonnen waren aange-
sloten aan de Cistercienserorde en hadden vele voorrechten en schen-
kingen ontvangen. Kerk en abdij waren prachtig gebouwd. Na eenige
eeuwen wilde men het sieraad van de stad in een gewoon klooster
omzetten. Maar dat beviel niemand en het gebeurde dan ook niet.
De aanvallen op het groote werk der Aartshertogen: 't Maas-Rijn-
kanaal of de Fossa Eugeniana door de Staatschen, toonden aan dat de
oorlogstoestand weer 't Overkwartier in rep en roer zette.

50
die semptliche burgerij met vliegende vendels uijtgetogen om sein Co-
nincklycke hoichheit in te haellen, als wanneer hem de stadssloetelen
deur den burgemeister Frans Pollart sijn gepresenteerd."
Sedert dien tijd bleef Roermond Spaansch, ook na den Munsterschen
vrede in 1648, tot 1715.

§ 5. ROERMOND ONDER SPAANSCH BESTUUR.
FILIPS IV 1637-1665.
Hoe was de toestand van de stad? Ze zat, evenals alle andere steden
van het Overkwartier, in schulden. Men nam toen het middel te baat,
om een omslag te heffen over de eigendommen, een gemeentelijke
grondbelasting. De schipperij, eens zoo bloeiend in de Maassteden
Roermond, Venlo, Wessem, Kessel was danig in verval; in Roermond
waren slechts 34 schippers meer. Zij hadden hun gildekapel in de groote
kerk, hun gaffel of vereenigingslokaal op de Werf. Het onderwijs begon
geld te kosten omdat men er meer zorg aan wijdde. Ook koning
Filips IV werkte mede en gaf den Jezuïeten in 1637 een nieuw octrooi,
eigenlijk een vernieuwing van dat van 1584, waarbij zij buiten de
academiesteden overal scholen konden inrichten.
Ook had men te strijden tegen de door de opeenhooping van volk in
huizen, schuren en kelders veroorzaakte besmettelijke ziekten, die van
1634-1638, zoowel Roermond als de andere steden en 't platteland
teisterden.
In 1639, na den dood van den waardigen Bisschop à Castro, overleden
24 Februari 1639, had men weer last den zetel bezet te krijgen wegens de
zeer geringe inkomsten. De beurzenstichter Peregrinus Vogels, in 1641
benoemd, stierf voor zijne wijding en de zetel bleef openstaan.
Wij moeten hier het bloeiend Collegie der Paters Jezuïeten nog verder
vermelden, dat grooten toeloop had en in het hoofdstuk, gewijd aan
Onderwijs, vermeld wordt. De Lombardstraat werd later Jezuïeten-
straat geheeten.
De watersnood van 1643 veroorzaakte veel schade, daar de Maas door
het gemis van bedijking op vele plaatsen vrijen loop had.
In 1648 eindigde de 80-jarige, voor onze streken noodlottige oorlog
en kon men zich aan het herstel van de slechte toestanden wijden.
Reeds vroeger is vermeld, dat Roermond sinds tijden terug het recht
had kleine munt te slaan „peerdtgens, myten en klein zilver“ met het
wapen van Gelderland en Roermond en de letters R.M. In 1649 begon
men, nadat de munt lang stilgestaan had, weer geld te slaan.
Gelukkig kreeg Roermond in 1651 in Andreas Creussen zijn nieuwen
bisschop, den vierden in de rij.
In September 1655 kreeg men weer koninklijk bezoek. Christina
Augusta, koningin van Zweden, kwam over Antwerpen, Leuven, naar
Roermond, om hare moeder te gaan begraven. Zij werd door den gou-
verneur van Roermond, den Prins van Isenghien, prachtig ontvangen.
Zij was eene zeer ontwikkelde vrouw en sprak zeven talen.
Overigens ging alles zijn regelmatigen gang. De burgemeesters werden

52
Vele besluiten van herbouw der afzonderlijke gestichten volgden de
naaste jaren. Voor het opbouwen van het „huys van Syne Excellentie”
trok men als eersten termijn 12.000 gld. uit. Het Overkwartier moest
100.000 gld. voor dezen bouw bijdragen op last der Staten. Het Bis-
schoppelijk paleis werd op grooter voet herbouwd. Evenzoo het ge-
bouw der Steenen Trappen in de Neerstraat; het jaartal 1666 staat
nog in de cartouche in den gevel. In 1669 werd de Vleeschhal her-
bouwd. De Cellenbroeders uit Maastricht moesten in dien tijd weer de
pestzieken komen verzorgen, terwijl de Penitenten van Stockem in de
gebouwen annex aan de H. Geestkerk, hoek Munsterstraat, kwamen
en de kerk in gebruik namen.
In het jaar 1666 op 24 Februari werd de nieuwe Koning Karel II (1665-
1700) te Roermond op de Markt plechtig ingehuldigd.
Vanaf het jaar 1667 begon Frankrijks koning Lodewijk XIV zijne
heerschzuchtige plannen ten uitvoer te leggen, die geheel Europa in be-
roering brachten en een allerschadelijkst gevolg hadden ook voor Roer-
mond en het Oostelijk gedeelte van het Overkwartier.
De devolutieoorlog, de Triple Alliantie, de coalitie tegen de Republiek
der Nederlanden volgden en de oorlog van 1672 ruïneerde geheele land-
streken. In dat jaar ging het ook op de Nederlanden los en Gelderland
werd met krijgsgeweld ingenomen en men weet, wat dat in die dagen
voor de steden, maar vooral voor het platteland zeggen wilde.
Trouwens de Franschen hadden in 1668 het ambt Montfort al uitge-
plunderd en vernield en van 1672 tot 1679 leefden de Fransche troepen
afwisselend ten koste der Overkwartierders. Daarbij kwam nog dat in
dien tijd de dysenterie of roode loop sterk „grasseerde“, zooals men in
verschillende sterfregisters zien kan. Zij werd door de soldatenbenden
ingesleept en door het voedselgebrek vermeerderd.
Keeren wij nu tot de stad Roermond en omgeving en zien wij hoe het in
die oorlogsjaren van 1670-1674 gevaren is.
Bij al die rampen der stad was er ook verwildering bij de bevolking
van het platteland te bemerken, en was het met de veiligheid ook
vanwege de soldaten niet te best gesteld. In 1670 klaagde de ambt-
man van Wassenberg dat personen op de marktdagen van uit zijn
ambt naar Roermond gingen en op den Kapellerweg door de sol-
daten van het garnizoen uitgeplunderd werden. Daarom zouden bur-
gers en vertrouwde soldaten de bezoekers afhalen en wegbrengen.
Als was de natuur ook in oproer, zoo werden door menigvuldige stor-
men en onweders in 1670 vele hooge gebouwen geteisterd en molens
De Bisschop van Roermond Eugenius d'Allemont werd benoemd in het
omgeslagen.
bisdom Gent. Lancelot de Gottignies volgde hem in Roermond 9 Fe-
bruari 1671 op als zesde bisschop en bleef slechts kort, tot 1673.
Men was om dien tijd wegens de oorlogsgeruchten beducht voor over-
val. De poorten werden in 1673 versterkt en iedere familie moest een
man stellen voor het opmaken der wallen. Er was een soldatenhospitaal
opgericht en het Oudmannenhuis op den Schuitenberg werd aan den
Koning afgestaan tot gerief der doortrekkende soldaten en volkeren

54
Prins Jan Frans Desiré van Nassau Siegen, een goed katholiek, was
sinds 1680 bevelhebber der stad; men kon het met hem goed vinden.
In 1682 werd door hem de eerste steen van het Gouvernementsgebouw,
het latere Hospitaal, gelegd.
In 1692 kreeg de stad bezoek van den nieuwbenoemden gouverneur-
generaal der Nederlanden, Max Emmanuel van Beyeren. In 1698 werd
het stadhuis verbouwd. In 1700 werd de grauwe Toren gedeeltelijk afge-
broken. Begin 1701 bezetten Fransche troepen het Overkwartier en
Philips van Anjou werd heer der Spaansche Nederlanden.
Er was weer wisseling in den bisschoppelijken zetel. In 1677 was Regi-
naldus Cools zevende Bisschop geworden tot 1700 en ging toen naar
Antwerpen; hem volgde op in 1701 Angelus d'Ongnies, achtste bis-
schop. Zijn borstbeeld staat nog in de kathedraal. De Dominicanen be-
gonnen toen les te geven in het Groot-Seminarie in de Veldstraat. Het
Seminarie werd in de eerste 25 jaren al vergroot (zie Habets III, 561).

§ 7. ROERMOND WEER ONDER STAATSCH BESTUUR.

7 OCTOBER 1702 - 14 NOVEMBER 1715.

Karel II, souvereine vorst der zuidelijke Nederlanden, overleed 1 No-
vember 1700. Filips van Anjou, dauphin van Frankrijk, werd zonder
veel omslag opvolger. Op 19 Februari 1702 werd zijn gevolmach-
tigde te Roermond op het Stadhuis gehuldigd. De tribune vóór het
Stadhuis was met rood fluweel bekleed, het beeld van den nieuwen
koning was onder een troonhemel opgehangen en onder het wapen
van Gelderland het opschrift aangebracht: Concordis animi sit
Geldria laeta monarcha. De gevolmachtigde was Filips Emanuel,
Graaf van Hornes, die sedert 1699 in Roermond woonde. Maar
Keizer Leopold I weigerde de beschikking te erkennen, wat alweer
aanleiding gaf tot een verderfelijken oorlog, den Spaanschen Suc-
cessieoorlog 1702-1713, waarin natuurlijk weer het Overkwartier
eene rol moest spelen. De Spanjaarden en Franschen beheerschten
het Overkwartier, legden schuren, kloostergangen en zolders vol
mondvoorraad voor menschen en paarden en ammunitie. Hooge Fran-
sche Heeren als de Hertog van Bourgogne, logeerden hier. De Staat-
schen waren in 1702 het land van Kessel binnen gerukt, zoodat nu
door de beide oorlogvoerende partijen de overeenkomsten geschon-
den werden. Einde Augustus werd Venlo door de Staatschen belegerd
en ingenomen. Nu volgde de belegering van Roermond. 2 October 1702
werden de eerste loopgraven geworpen van den kant van Maasniel. De
prins van Horn commandeerde in de stad. Zij was door de zwakke
bezetting niet te houden en werd 7 October 1702 overgegeven. De bezet-
ting vertrok naar Leuven.
Het verdrag bepaalde, dat de uitoefening van den Katholieken en Gere-
formeerden godsdienst gelijk zoude beschermd worden. De Gerefor-
meerden zouden twee kerken krijgen. De H. Geestkerk aan de Munster-
straat werd aan de Gereformeerden afgestaan, welke zij tot 1716 behiel-

56
oude gebruiken was. Een maand er na op 26 April was het weer alge-
meen feest voor de geboorte van een aartshertog; den 2den September
illuminatie voor de overwinning op de Turken bij Belgrado.
Het stadhuis bleek bouwvallig te worden, men had het in 1698 al her-
steld zoo goed dit ging; het dak werd in 1719 volgens een plan van Pleun
van Boles hersteld en verfraaid. Er werd een torentje op gezet met
een globe, naar den smaak dier tijden.
In Roermond bestond nog altijd een afzonderlijk klein rechtsgebied,
de Voogdij, waarover vroeger al eens is gesproken; de Voogd was oud-
tijds de vertegenwoordiger en verdediger der kerkelijke instellingen
geweest. Langzamerhand hadden die Voogden zich weten op te werken
tot vrije gebieders of bezitters van een gerecht of laatbank over een
gedeelte der stad. De rechten der voogdij van Roermond waren in Sep-
tember 1244 reeds bevestigd door Graaf Otto van Gelder, waartoe ook
nog behoorden de pastoorsbenoeming en een landdagszetel.
De stad vond een gebied in haar gebied lastig en kocht 18 Maart 1721
van den erfvoogd, den baron de Neerysche, de voogdijrechten voor
honderd gouden pistoletten of negenhonderd gulden Brabantsch geld.
9 Augustus 1721 had in de Kathedraal eene merkwaardige plechtigheid
plaats n.l. de wijding van twee bisschoppen, die van Frans Lodewijk
Sanguessa tot coadjutor van Mgr. d'Ognies en van Z. E. Santino,
nuntius, tot aartsbisschop van Trebizonde. Frans Lodewijk Sanguessa
volgde Bisschop d'Ongnies 1722 op als negende Bisschop - 1741.
Roermond gevoelde, dat de tijden niet gunstig waren, de stadsinkom-
sten geringer werden en besloot daarom de maaltijden ten stadhuize
in te krimpen, ook die op het koebranden. Wij halen dit aan, om aan te
toonen, dat Roermond destijds vele veehouders had, die hun vee op de
groote Stadsweide brachten. De veestapel bedroeg toen 370 stuks. Het
Koestraatje herinnert nog aan dien toestand, terwijl ook een „stads-
koehart" in de rekening voorkomt.
Op 26 Februari 1726 werden de klokken geluid wegens het overlijden
van den gouverneur der Nederlanden Max van Beyeren.
24 Juni 1730 werd hier te lande eene aardbeving gevoeld omtrent
middernacht.
Nog dient herinnerd te worden aan een eeuwen later nog geprezen
werk, in 1730 tot stand gekomen, n.l. den aanleg van de Kapellerlaan
of den Kapellerweg op eene breedte van 12 meter 82 cM.
Van het jaar 1734-1737 kreeg Roermond door de milddadigheid van de
postmeestersfamilie een Hospitaal-Generaal, onder de bescherming van
de H. Elisabeth van Thüringen.
In het najaar van 1740, na den dood van haar vader, kwam de erfge-
name van Karel VI, Maria Theresia, op den Oostenrijkschen troon; zij
was krachtens de verdragen eenige erfgename, maar er waren nog twee
pretendenten Albrecht, Keurvorst van Beieren en Frederik II de
Groote, die zonder recht de Silezische hertogdommen wilden innemen.
Oorlog naar alle kanten was daarvan 't gevolg. De belangen der vorsten
waren destijds vastgegroeid aan die der volkeren. Wij behoeven de
Europeesche beroering niet te volgen, Roermond bleef trouw aan de

58
betoon der stad ingeschreven. Alle ambtenaren en hunne vrouwen droe-
gen een half jaar zwaren rouw.
In 1770 kreeg Roermond een nieuwen Bisschop, den twaalfden, n.l. Mgr.
Henricus Joannes Kerens. In 1775 volgde Mgr. Damianus van Hoens-
broech als dertiende Bisschop van Roermond op; hij was een groot
kunstbeschermer en muziekliefhebber. Het muzikaal leven in Roermond
nam toen een groote vlucht. Men vindt dit beschreven in mijne geschie-
denis der Koninklijke Harmonie.
§ 10. ROERMOND ONDER OOSTENRIJKSCH BESTUUR.
JOZEF II, 1780-1790.
Roermond ontving 17 Juli 1781 bezoek van den nieuwen Keizer Joseph
II, die zijne moeder Maria Theresia opgevolgd was. Hij stapte af
in de herberge „de Keizer“ van Cremers in de Neerstraat (nu ma-
gazijn Cillekens) onder den naam van Graaf van Falckenstein. De
geestelijkheid met den bisschop aan het hoofd en de stadsdeputaties
gingen hem begroeten, als den zoon der goede Maria Theresia, die al de
rechten van Staat, volk en Kerk zou eerbiedigen. Men was over zijn
„lieftalligheijdt en gespraeckzaemheijdt“ zeer getroffen. Dat werd ter
eeuwige gedachtenis in het protocol der stad geboekt. Op 20 Augustus
1781 werd de inhuldiging van den keizer plechtig gevierd. De kanselier
van het Souverein Hof, onder het portret staande, verving den Keizer.
De schutterijen trokken op, de trommels werden geroerd. Men hield
een plechtigen dienst in de Kathedraal, men illumineerde en verbrand-
de vele tonnen teer op de Markt. De verwachtingen omtrent den Keizer
werden echter treurig beschaamd. Hij wilde hervormen, maar gebruikte
daartoe middelen, die tegen den volksaard indruischten, het wezen
en het bestaan der Kerk aantastten en daarom veel verzet uitlokten.
De wetten en besluiten volgden elkaar met verbazende snelheid op.
Jozef II schafte de censuur af, hief de kloosters en geestelijke stichtin-
gen op en wilde de opleiding der geestelijken veranderen. De lijfeigen-
schap, welke echter hier niet meer bestond, werd in 1784 afgeschaft,
de macht van den adel werd beperkt, het belastingstelsel herzien. Er
waren goede en kwade practijken bij. Maar het volk verzette zich en in
de Nederlanden ontstond een geweldige opstand.
Het ligt niet in ons bestek den strijd der Zuid-Nederlanders na te gaan,
maar het einde was dat Joseph II gedwongen werd zijne maatregelen
in te trekken, althans te beperken. De voornaamste gebeurtenissen in
Roermond tijdens het Josephiaansche tijdperk zullen wij hier laten vol-
gen, voor zoover zij betrekking hebben op de stad en ze niet elders
beschreven worden.
Reeds lang was besloten de stad van haren engen vestinggordel te be-
vrijden, dus van de wallen, muren, poorten en droge grachten te ont-
doen. De stad stond wel als vesting bekend, maar hare muren, bol- en
hoornwerken gaven geen beveiliging meer tegen aanvallen van buiten.
Het afbreken der poorten werd na aanbesteding in 1782 begonnen.
De muren werden in de dertiger en veertiger jaren der XIXde eeuw

60
DE FRANSCHE TIJD
door
DR. W. J. M. BUCH
D
E revolutie, die in 1789 in Frankrijk uitbrak, sleepte
in haar gevolgen een groot deel van Europa mede.
In alle landen, waarmede de Franschen in oorlog
geraakten en die zij veroverden, voerden zij hun
regeeringsstelsel in en drukten er hun stempel op
het openbaar leven van deze periode. Ook Roermond is hun onderwor-
pen geweest en diep hebben zij in het leven der bevolking ingegrepen,
zoodat dit tijdperk terecht, en niet alleen uit staatkundig oogpunt, de
„Fransche Tijd” der Roermondsche geschiedenis mag heeten.
Gelegen in de Oostenrijksche Nederlanden werd Roermond reeds van
den eersten oorlog, dien het revolutionnaire Frankrijk voerde, het
slachtoffer. Den 20 April 1792 verklaarde namelijk de Fransche Wet-
gevende Vergadering aan Oostenrijk den oorlog en kort daarop vielen
de Fransche troepen in de Oostenrijksche Nederlanden. Het begin was
voor de Franschen allesbehalve gelukkig. Graaf Mercy d'Argenteau,
de bestuurder der Oostenrijksche Nederlanden, was van hun plan de
campagne op de hoogte gebracht door Fransche royalisten en spoedig
waren de Fransche legerscharen over de grenzen teruggedrongen, ach-
tervolgd door het Oostenrijksche leger, terwijl terzelfdertijd de Oosten-
rijkers en Pruisen naar de Oostgrens van Frankrijk oprukten.
Doch weldra hadden de Franschen zich hersteld en de slag bij Valmy
op 20 September 1792 noodzaakte de troepen der verbondenen tot den
terugtocht. Onder Dumouriez vielen nu de Franschen opnieuw de
Oostenrijksche Nederlanden binnen, versloegen de Oostenrijkers den
6 November bij Jemappes en bezetten de eene stad na de andere.
Roermond, in het Noorden van het Oostenrijksch gebied gelegen, werd
voorloopig met rust gelaten en hierheen dan ook besloot de Brussel-
sche regeering met haar archieven uit te wijken. 11 November kwamen
de eerste leden der regeering met hun ambtenaren te Roermond aan
en de volgende dagen werd het getal vluchtelingen steeds grooter.
Verschillenden van hen reisden den 16en door naar Dusseldorp. Gedu-
rende enkele dagen legerden zich 400 militairen te Roermond. Doch
weldra gevoelde de Brusselsche regeering zich ook hier niet meer veilig,
zoodat zij den 30 November naar Wesel uitweek.
Inmiddels naderden de Franschen. Er was geen denken aan, dat de
keizerlijke troepen de stad tegen den overmachtigen vijand zouden
kunnen verdedigen. Den 11 December vertrokken zij dan ook in den
vroegen morgen naar Keulen, nadat zij eerst nog de Roode Brug in
brand hadden geschoten en andere beletselen gesteld om den vijand
den intocht te bemoeilijken. Veel heeft hun dit blijkbaar niet gebaat,
want reeds eenige uren later namen de Franschen Roermond in bezit.
Het stadsbestuur ging zijn opwachting maken bij den aanvoerder der

62
onder het Fransche bewind geenszins zou verbeteren, - zooals uit het
vervolg van ons verhaal zal blijken.
Het oude stadsbestuur werd vervangen door een ander, dat overeen-
komstig de Fransche wetten was ingericht. Van 13 tot 15 Februari
werden er een „maire“, een „procureur de la commune" en vijf „officiers
municipaux" gekozen.
De nieuwe stand van zaken bereidde de grootste moeilijkheden aan de
geestelijkheid. De stadscommandant eischte van haar een eed van
getrouwheid aan de Republiek. Welnu, men wist maar al te goed, aan
welke vervolgingen de geestelijken in Frankrijk blootstonden. De Roer-
mondsche geestelijkheid kon dus bezwaarlijk vertrouwen stellen in de
machthebbers van het oogenblik! Moeilijk was haar positie echter wel!
De Franschen dreigden dengene, die den eed zou weigeren, tot een „ver-
rader van de Republiek en van het vaderland" te verklaren. Een com-
missie uit de Roermondsche geestelijken wendde zich nu tot den bis-
schop, die in Straelen een toevluchtsoord gevonden had. Het antwoord
luidde, dat de gezondheidstoestand van den bisschop niet toeliet, on-
middellijk een besluit te nemen in deze gewichtige aangelegenheid, die
met zorg diende overwogen te worden en waarin overijling uit den
booze was.
Inderdaad was de gezondheidstoestand van den bisschop snel aan het
afnemen en vrij spoedig daarop hadden de diocesanen het overlijden
te betreuren van Philippus Damianus van en tot Hoensbroeck. Het was
den bisschop vergund in zijn bisschopsstad te sterven, want - sinds
verscheidene weken reeds hadden de Franschen Roermond ontruimd.
De Oostenrijkers hadden België namelijk niet opgegeven. Ook was de
bevolking hier reeds tot het inzicht gekomen, dat van de haar door
de Franschen beloofde vrijheid in de practijk weinig terecht kwam.
Dumouriez vond het dan ook noodig in een schrijven van 14 Maart
1793 de Fransche regeering te waarschuwen, dat zij bezig was, het volk
tegen zich in het harnas te jagen. Dit schrijven vermeerderde het wan-
trouwen, waarmede de generaal toch reeds door de regeering werd
bejegend. Danton en Lacroix vertrokken naar de Zuidelijke Neder-
landen om Dumouriez ter verantwoording te roepen. Toen zij hier
aankwamen, was het juist den Oostenrijkers gelukt, Dumouriez den
18 Maart bij Neerwinden te verslaan. Spoedig hierop volgde de alge-
heele ontruiming van België door de Franschen.
Roermond was reeds 5 Maart in handen van de Oostenrijksche troe-
pen gevallen, nadat deze de Franschen den 3 Maart bij Swalmen en den
4 op het Linderschoor, tusschen Merum en Montfoort, verslagen
hadden. Het baatte den terugtrekkenden Franschen niet, dat zij, na de
Gierbrug te zijn overgetrokken, deze in den grond boorden om aan de
hen vervolgende Oostenrijksche troepen te ontkomen. Zij werden bij
duizenden gevangen genomen.
Den 6 Maart vervoegde de Roermondsche magistraat zich bij generaal
Wekheim om haar respect te betuigen, terwijl zij den 21 opnieuw den
eed van trouw aflegde in handen van den kanselier Luytgens. Jacob

64
Ten slotte verlieten de keizerlijke troepen in den nacht van 3 op 4
October in alle stilte de stad, waar de Franschen reeds den volgenden
dag introkken.
De eerste maatregelen der nieuwe machthebbers betroffen het herstel
der rust en orde. De magistraat der stad kon ongestoord haar werk-
zaamheden voortzetten. De meeste aandacht vroeg voorloopig het in-
richten van Roermond als garnizoensplaats. Reeds in October werd het
bisschoppelijk paleis, tot groote droefheid der bevolking, als militair
hospitaal ingericht, evenals de daarnaast gelegen kanselarij. Voor de
verzorging der zieke militairen werden den 2 Februari 1795 de broeders
en knechts van het Franciscanenklooster opgevorderd. Den 4 Novem-
ber 1794 eischten de Franschen de Munsterkerk op als militaire sme-
derij, doch de burgerij verzette zich hiertegen zoo hevig, dat zij hiervan
afzagen en de smederij in het Seminarie vestigden.
De Fransche bezetting maakte het de bevolking allesbehalve gemakke-
lijk. Toen den 2 Januari 1795 generaal Dominicus Josephus van Damme
te Roermond kwam, eischte hij dadelijk verschillende leveranties.
Zware belastingen, zoowel in geld als in levensmiddelen, moesten aan
de Franschen worden opgebracht. De Fransche gasten trokken zich
daarentegen soms al zeer weinig van hun verplichtingen aan. De bons,
die zij afgaven, werden dikwijls niet betaald, terwijl de betaling met
assignaten, - welke de burgers krachtens ordonnantie van 9 October
1794 verplicht waren in betaling aan te nemen -, een ware ramp voor
de ongelukkige leveranten beteekende. De waarde van dit papieren
betaalmiddel was in dezen tijd snel dalende. Bedroeg deze immers in
Januari 1795 nog 18 %, in November van hetzelfde jaar was zij gedaald
tot 0.87%.
Economisch was de toestand ook in andere opzichten niet rooskleurig.
De prijzen der granen en overige levensmiddelen stegen tot een onge-
kende hoogte. En om de maat van ellende vol te maken brak er in het
laatst van December 1794 een pestziekte uit, welke bijna twee jaar
duurde en tal van slachtoffers maakte.
Een der nieuwigheden door de Franschen ingevoerd was de instelling
van het verplichte burgerlijk huwelijk. Van 26 Februari 1795 af moesten
alle huwelijken, om geldig te zijn, voor het stadsbestuur voltrokken
worden; het kerkelijk huwelijk werd weliswaar niet verboden, doch
bezat voor den Staat geen rechtsgeldigheid. Hiermede verdrong dus de
Staat de Kerk uit een deel van wat deze tot dusver als haar domein had
mogen beschouwen. Naast de kerkelijke doop-, trouw- en begraaf-
registers kreeg men mettertijd dergelijke registers van het burgerlijk
gezag. De instelling van den Burgerlijken Stand kan men te Roermond
laten aanvangen met de lastgeving van den minister, den 12 November
1797, om in ieder kanton te doen verkiezen een ambtenaar, die de acten
van geboorte, huwelijk en overlijden moest aanteekenen. De eerste
functionaris was D. Daenen.
Opnieuw werd er, na deze tweede verovering van Roermond door de
Franschen, op 10 Maart 1795 een vrijheidsboom geplant, een vrij droeve
vertooning overigens! Niemand toonde zich bereid den boom naar de

66
de secretarieambtenaren van de municipaliteit van Roermond een ver-
zoekschrift indienden, waarin zij om de uitbetaling van hun salaris ver-
zochten: vijf maanden hadden zij gewerkt zonder geldelijke vergoeding!
Met de inlijving bij Frankrijk begon ook hier ter stede de godsdienst-
vervolging, gepaard met de invoering van en de propaganda voor laïcis-
tische beginselen en instellingen. De Fransche revolutie, in wezen op-
standig tegenover het bestaande Staats- en Kerkgezag, had van den
beginne af een antikerkelijk karakter gedragen. Volgens besluit van de
Constituante van 2 November 1789 waren in Frankrijk de geestelijke
goederen geseculariseerd, terwijl volgens de „civiele constitutie van de
geestelijkheid" de pastoors en bisschoppen door dezelfde kiezers geko-
zen werden, die ook de volksvertegenwoordigers kozen. De Paus ver-
bood het afleggen van den door de regeering gevorderden eed op deze
civiele constitutie. Een minderheid van geestelijken legde desondanks
den eed af. Zij heetten voortaan „beëedigde“ of „constitutioneele”
priesters, waartegenover de aan het Kerkgezag getrouwe priesters „niet-
beëedigde" of „refractaire" geestelijken genoemd werden. Voor den
Franschen Staat golden de eersten slechts al de wettige functionaris-
sen; de anderen werden vervolgd, met kerkerstraf en verbanning be-
dreigd.
In 1795 was er in dezen toestand wel eenige verbetering getreden;
voortaan werd van de geestelijken slechts een eed van onderwerping
aan de Republiek geëischt. Vele priesters keerden nu naar Frankrijk
terug. Doch reeds in hetzelfde jaar werd de eed weer verscherpt ten
gevolge van een royalistisch oproer, waarbij ook geestelijken betrokken
geweest waren. Er moest nu een eed van haat aan het koningschap en
de anarchie gezworen worden. Ook deze eed werd nog door velen
afgelegd.
Voor de leeken werd de uitoefening hunner godsdienstplichten nu eens
toegestaan, dan weer verboden, doch altijd min of meer bemoeilijkt.
Vaderlandsliefde moest de plaats innemen van godsdienstzin; stellin-
gen en leuzen, afkomstig uit de rationalistische wijsbegeerte der acht-
tiende eeuw, moesten de godsdienstige gevoelens en praktijken ver-
vangen; de viering der Heiligendagen moest plaats maken voor volks-
feesten met nationale en filosofische namen, als het feest van de Jeugd,
van de Grijsaards, van de Echtgenooten, van de Dankbaarheid, van de
Vrijheid, van den Landbouw.
De mentaliteit der republiekeinen komt duidelijk tot uiting in de „Rech-
ten van den mensch". In navolging van de Amerikaansche koloniën,
die het eerst zulk een beginselverklaring hadden afgelegd, had de Con-
stituante den 26 Augustus 1789 een „verklaring van de rechten van den
mensch en van den burger" aangenomen, waarin de beginselen werden
uiteengezet, waarop een rechtvaardig en redelijk staatsbestuur en maat-
schappelijk leven dienden te berusten. Axioma's zijn het, afkomstig uit
de school der achttiendeeeuwsche filosofen. Volgens de geestelijke
vaders dezer „rechten” waren deze vanzelfsprekend en van nature ge-
schikt om elkeen, die er kennis van nam, met eerbied te vervullen.
In de negatie van deze „rechten van den mensch" zou men de oorzaken

68
De godsdienstvervolging was in Roermond toen reeds lang begonnen.
Eerst trof men de geestelijken in hun inkomsten. 2 Juli 1796 werden de
tienden afgeschaft, wat voor de meeste geestelijke instellingen een aan-
zienlijk verlies beteekende. Bovendien gaf deze maatregel aanleiding
tot geschillen tusschen de boeren van het omliggende platteland en de
geestelijkheid; genen beriepen zich op de Fransche verordening, dezen
op de kerkelijke wetten.
28 September 1796 werd bij proclamatie de opheffing der kloosters en
de ontheffing der kloosterlingen van hun kloostergelofte bekend ge-
maakt; volgens de Fransche opvatting waren immers kloosters en kloos-
tergeloften in strijd met de vrijheid! Spoedig mochten nu ook de reli-
gieuzen de geneugten(?) der „vrijheid“ smaken. Het begon 4 Januari
1797 met de verdrijving der Carmelitessen uit de Munsterabdij, waar
zij toentertijd gevestigd waren. Gelukkig vonden deze Zusters een
onderkomen bij de Weduwe Beckers op de Markt. Deze stond niet
alleen in haar sympathie voor de vervolgde religieuzen; telkens als er
in de thans aanbrekende vervolgingsperiode iets ondernomen zou wor-
den tegen de geestelijkheid of de kloosters, verwekte dit bij de burgers
medelijden met de vervolgden en wrevel tegen de vervolgers. Groot was
o.a. de vreugde in de stad, toen een pater uit Weert, die 3 October 1796
gevankelijk te Roermond was binnengeleid, door het vredegerecht werd
vrij gesproken.
In Februari 1797 verscheen een regeeringscommissaris in de stad om het
besluit betreffende de opheffing der kloosters uit te voeren. Achtereen-
volgens werden de verschillende kloosters van hun bewoners beroofd
en de heilige diensten in de daarbij behoorende kerken en kapellen
gestaakt.
Tevens begon de bemoeilijking der openbare godsdienstuitoefening en
de belemmering der priesters in de vervulling van hun taak. 26 October
1796 werd Pastoor Matthei het recht ontzegd, de lijken der overledenen
uit de sterfhuizen in processie af te halen.
De kerk der Minderbroeders moest 23 Februari 1797 op aandrang der
burgers, - die er zelfs voor naar Maastricht geweest waren -, weer
geopend worden en de pastoor der parochie droeg er 26 Februari de
H. Mis op met assistentie van de kapelaans Crebber en Simons. De
pastoor benoemde nu zijn oudsten kapelaan tot rector van deze kerk
en wees hier twee paters als biechtvaders aan. Ook stelde hij een pater
aan tot biechtvader in de kerk van het Begijnhof.
22 Mei 1797 werden de priesters opgevorderd binnen den tijd van tien
dagen een schriftelijke verklaring van onderwerping aan de wetten
der Fransche Republiek af te leggen, op straffe van geen kerkelijke be-
diening op Fransch grondgebied meer te mogen uitoefenen.
Met gevoelens van weerzin namen de geestelijken van Roermond kennis
van deze proclamatie. Onder de Fransche wetten waren er immers, die
in strijd geacht moesten worden met den Katholieken godsdienst. Het
kapittel der kathedraal vaardigde nu twee zijner leden naar de Univer-
siteit van Leuven, naar den aartsbisschop van Mechelen en den vicaris-
generaal van Antwerpen af om advies. Het antwoord luidde, dat de

70
een eed af te leggen van haat aan het koningschap en de anarchie, van
trouw aan de Republiek en aan de grondwet van het jaar 3. Twee dagen
later kwam een commissaris uit Maastricht de meubelen en kerksiera-
den der kathedraal inventariseeren, ten einde tot den verkoop er van
over te gaan. De kerkmeesters en andere brave burgers hadden inmid-
dels vele van de kerkelijke eigendommen in hun huizen verborgen. Den
pastoor werd aangezegd, de pastorie binnen eenige dagen te ontruimen.
Hij vond een toevluchtsoord in het huis van zijn broer.
Het scheen ten slotte, dat de Franschen toch eenig succes van hun werk
hadden. 29 September 1797 was de kapelaan van Kessenich, de heer
Fyten, te Roermond den eed komen afleggen. Rijkelijk werd hij hiervoor
door de Fransche autoriteiten beloond. Verschillende parochies boden
zij hem aan, waarvan hij de voorkeur gaf aan die van Thorn, welks
wettige pastoor Ramaekers voor hem plaats moest maken! Maar de
parochianen waren allesbehalve ingenomen met den hun opgedrongen
beëedigden pastoor!
Dat de vroegere regent van het seminarie, Dr. Ambrosius Schmising,
den 12 December 1797 den eed aflegde, kon bij wie van zijn verleden
wist nauwelijks verwondering baren. Zijn eedsaflegging heeft den Roer-
mondenaars heel wat moeilijkheden en onaangenaamheden berokkend,
doch zij hebben het hem vergolden! Wel werden voor Schmising de
kerken geopend, als hij er de H. Mis wilde lezen, doch het aantal per-
sonen, dat zijn Mis wilde bijwonen, was zeer klein. Liever getroostte
men zich den langen weg naar Melick! Doch toen het volk zich den
tweeden Kerstdag hierheen begaf, werden er tachtig personen door
gendarmen en huzaren gevangen genomen en naar het stadhuis ge-
bracht. Hier werden hun namen opgeteekend, waarop zij op vrije voe-
ten gesteld werden. Wel werd hun nog gevraagd, waarom zij niet ter
kerke gingen in Roermond bij pater Schmising en of diens Mis soms
niet geldig was. Zij antwoordden, over de al of niet geldigheid der Mis
van Schmising niet te kunnen oordeelen, maar aan de bevelen van hun
bisschop te gehoorzamen; overigens maakten zij slechts gebruik van de
„vrijheid” door naar Melick te gaan.
Het werd er met dat al voor den beëedigden priester niet gemakkelijker
op. Toen hij den 28 Januari 1798 in de kathedraal de Mis wilde lezen,
trof hij hier velen aan, die den Rozenkrans baden. Nauwelijks evenwel
hadden zij hem gezien, of zij verlieten de kerk, terwijl de kinderen hem
uitjouwden; slechts een klein getal geestverwanten bleef bij hem de
Mis hooren. Onderwijl was de politie gewaarschuwd, dat den priester
overlast werd aangedaan. Tegen het einde der Mis kwamen de gendar-
men en teekenden de namen op van degenen, die als de gangmakers
van het incident beschouwd werden. De koster kreeg last, de kerk
voortaan slechts op verlangen van den heer Schmising te openen.
Den 30 Januari werd de kerk weer geopend en tevens bekend gemaakt,
dat al degenen, die „den wettigen bedienaar van den godsdienst, den
burger Schmising" of de hoorders van zijn Missen zouden molesteeren,
gestraft zouden worden met geldboete of arrest. De ouders van de kin-
deren, die zich hieraan zouden schuldig maken, kregen inkwartiering

72
gevierd werd, moest hulde aan de volkssouvereiniteit verbeelden. Een
aantal oude lieden werd dan op het stadhuis ontboden en moest ver-
volgens, vergezeld van de autoriteiten, processiegewijze rondtrekken.
Gelukkig maar voor de oudjes, dat de zaak ook een meer praktischen
kant had en zij bij gelegenheid van dat feest goed onthaald werden!
De viering van het feest van den Landbouw werd den 28 Juni 1798 de
aanleiding tot een anticlericale manifestatie van de zijde der Fran-
schen. Bij het feest der Dankbaarheid werd op de Markt een stellage
opgericht, waarop een in het wit getooid beeld prijkte, voorstellend
de godin der Vrijheid.
Er ligt ten slotte over vele dier gebeurtenissen een min of meer humo-
ristisch tintje. Wie gevoel voor humor bezat, moet zich in die dagen
toch wel menigmaal vermaakt hebben met hetgeen zich in het eertijds
zoo rustige Roermond afspeelde! Niet altijd waren deze vertooningen
echter zoo ongevaarlijk! Men denke b.v. aan het gebeurde met het
St. Christoffelbeeld op de kathedraal! Men had het Kindje van het
beeld willen afnemen. Toen dit echter niet mogelijk bleek, zonder het
beeld onherstelbaar te verminken, stelde men zich schadeloos door een
Jacobijnenmuts, de „bonnet van de Republiek“, op den staf te plaatsen,
dien St. Christoffel in de hand houdt. Verder werd het kruis van de
kathedraal, evenals van de overige kerken, verwijderd.
In 1798 richtte de wekelijksche kerkgang zich niet meer naar Melick,
waar men den pastoor immers had gearresteerd, maar naar Herken-
bosch, dat weliswaar op Fransch gebied lag, doch, daar het vroeger
Guliksch geweest was, op andere voorwaarden dan het departement
der Neder-Maas aan Frankrijk was overgegaan.
Wel blijkt uit deze feiten de loyale kerkelijke gezindheid van de meeste
Roermondenaars! Er bestond immers te Roermond zelf thans ruim-
schoots gelegenheid, de Missen van onbeëedigde priesters bij te wonen:
De eed werd namelijk door steeds meer geestelijken afgelegd, daar ver-
banning, gevangenisstraf en kwelling van allerlei aard het lot der onbe-
ëedigde priesters was. Zoo legden in Juli 1798 te Roermond de geeste-
lijken Jochams, Vincken, De Haen en de subprior van het opgeheven
Kruisheerenklooster Luytgens den eed af. Tot hun verdediging konden
de beëedigde geestelijken aanvoeren, dat de Paus zich over deze aan-
gelegenheid nog niet had uitgesproken. Hun gedrag werd evenwel afge-
keurd door den bisschop, o.a. in een schrijven van 31 Juli 1798 uit Em-
merik. In de maand Maart van het volgende jaar kwam ook de pause-
lijke breve aan, die in strenge bewoordingen den eed afkeurde en de
getrouwheid der Belgische bisschoppen, die zich voor de goede zaak
de grootste offers getroostten, prees. Deze breve maakte diepen indruk
op de Roermondsche geestelijkheid, en toen bisschop Van Velde van de
beëedigde priesters uit zijn diocees een herroeping van den eed eischte,
gaven velen hieraan gehoor.
Troostvol was deze steun van de zijde der kerkelijke Overheid voor
het volk, waar de Franschen zich de grootste moeite gaven, zijn trouw
aan het wankelen te brengen. Zoo werd den 15 Juli 1798 van de bewo-
ners van het wees- en armenhuis geëischt, dat zij de Mis der beëedigde

74
de verkiezing van de Roermondsche moedervergadering voor ongeldig
verklaard. De scissionnairen hadden intusschen de agenda afgewerkt
en een hunner, Jacques Quisthout, tot president van het kanton ge-
kozen.
In 1799 kreeg de politieke constellatie in Frankrijk een geheel ander
aanzien. Napoleon Bonaparte, die zich op jeugdigen leeftijd van artil-
lerieofficier tot generaal had weten op te werken en als legeraanvoer-
der in 1796 en '97 op de Oostenrijkers schitterende overwinningen in
Italië behaald en daarna de Engelschen in Egypte had bestreden, was
den 8 October 1799 vrij onverwacht hieruit teruggekeerd om zich den
10 November door middel van een staatsgreep van de regeering mees-
ter te maken. Volgens de nieuwe constitutie van 13 December 1799,
die het gevolg was van deze veranderingen, werd Napoleon met den
titel van „Eerste Consul” het middelpunt der nieuwe regeering, welke
overigens bestond uit twee andere Consuls, het Wetgevend Lichaam,
het Tribunaat, den Staatsraad en den Senaat.
Een nieuw stelsel van verkiezingen werd ingevoerd voor de Fransche
vertegenwoordigende lichamen. Alle Franschen, waartoe de Roermon-
denaars natuurlijk ook gerekend werden, in het geheel ongeveer zes
millioen, wezen een tiende gedeelte hunner aan voor de lijst van ge-
meentelijke notabelen; de ongeveer 600.000 burgers, die daarop voor-
kwamen, benoemden een tiende gedeelte hunner voor de lijst van de-
partementale notabelen; deze ongeveer 60.000 burgers wezen weer een
tiende gedeelte hunner aan voor de lijst van nationale notabelen. Uit
de gemeentelijke notabelen werden de arrondissements- en gemeente-
magistraten gekozen, uit de departementale notabelen de departements-
bestuurders en uit de lijst van nationale notabelen koos de Senaat de
leden van het Tribunaat en van het Wetgevend Lichaam. In dit laatste
kreeg het departement der Neder-Maas 2 zetels, die bezet werden door
Hubar en Roemers.
De verdeeling der administratie in departementen en deze weer in
arrondissementen bleef gehandhaafd, terwijl de beteekenis van de kan-
tons in hoofdzaak beperkt werd tot de rechtspraak. Voor de admini-
stratie voerde men het stelsel van gemeenten in, ook voor plaatsen van
minder dan 5000 inwoners, zooals Roermond. De stad kreeg nu een
maire, twee adjuncten en een municipalen raad van 20 leden. De vroe-
gere municipale agenten werden afgeschaft; hun werkzaamheden wer-
den waargenomen door den maire en de adjuncten. Slechts eenmaal per
jaar, op den 4 Februari en voor niet langer dan 15 dagen, mocht de
municipale raad bijeenkomen. Den 9 Juni 1800 werd het nieuwe ge-
meentebestuur van Roermond door den onderprefect van het arrondis-
sement geïnstalleerd.
In het godsdienstige leek het bewind van Napoleon aanvankelijk een
voortzetting van de vroegere anticlericale richting. Maar allengs trad
er verbetering in. De meeste verbannen priesters mochten terugkeeren;
slechts werd van hen een eed van trouw aan de grondwet geëischt. De
viering der décadi werd praktisch niet meer verplichtend gesteld door
de bepaling, dat de bijwoning der officieele voorlezingen slechts voor

76
ingehuldigd. Kort daarop begon hij de visitatie van zijn bisdom; 31 Oc-
tober verscheen hij te Roermond.
Hoe langer hoe meer werd de persoon van Napoleon het middelpunt,
waarom heel het staatkundig leven zich bewoog. 18 Mei 1804 liet hij
zich tot keizer der Franschen uitroepen en den 2 December werd hij
door den Paus, die hiervoor naar Parijs gekomen was, als zoodanig
gezalfd. Het volgende jaar voegde de groote veroveraar aan den kei-
zerstitel dien van „koning van Italië” toe. In de officieele stukken, die
te Roermond ontvangen werden, kon men met diepen eerbied hooren
gewagen van „Zijne Majesteit, den Keizer en Koning, onzen Doorluch-
tigen Meester". Den 14 Augustus 1805 ontving het stadsbestuur een
brief van den prefect te Maastricht, waarin een plechtige H. Mis van
dankzegging bevolen werd, daar de Hemel zich verwaardigd had aan
Frankrijk een Keizer te schenken, waarvan „la clémence égale sa valeur
et dont l'esprit égale son courage". Ja, er werd op 15 Augustus 1807 in
den indicateur ter secretarie opgeteekend, dat het dien dag het ge-
boorte- en naamfeest was van „den grootsten man ter aarde, onzen
Doorluchtigen Meester". En de Roermondenaars moesten zoo goed als
andere Fransche onderdanen aan dien Napoleoncultus meedoen; door
machts- en suggestieve middelen werd deze van regeeringswege be-
vorderd.
Telken jare kwamen er te Roermond van de prefectuur te Maastricht
officieele voorschriften betreffende de viering van den 15 Augustus.
Deze datum werd als de geboortedag van Napoleon beschouwd, of-
schoon latere onderzoekers dezen op 7 Januari willen stellen. Als
patroonheilige van den keizer werd de H. Neapolis beschouwd, wiens
naam door de Italianen als Napoleone werd uitgesproken. Het feest
van dien Heilige viel op den 2 Mei, maar werd met goedvinden der ker-
kelijke Overheid op 15 Augustus gesteld, den vermeenden geboortedag
van den keizer. Dit feest moest op hoog bevel in de Roermondsche
kerken gevierd worden door een plechtige H. Mis met preek, processie
en Te Deum.
Uit dergelijke en uit tal van andere maatregelen blijkt Napoleon's in-
menging in kerkelijke aangelegenheden. De bisschoppen waren in zijn
oogen ten slotte Staatsdienaren, geschikt om onder het volk orde en
rust te handhaven en het gunstig te stemmen voor zijn plannen en
ondernemingen. Tal van stukken, door den bisschop van Luik uitge-
vaardigd, verraden de hand van den prefect van de Neder-Maas of van
den minister van Eeredienst. Zoo moest de bisschop Napoleon prijzen
als den redder der menschheid en vooral de door hem gevoerde oorlo-
gen als rechtvaardig voorstellen. Zelfs moest hij in September 1805 den
pastoors voorschrijven, dat zij in de kerk, vóór en na de H. Diensten,
de overwinningsbulletins van het leger moesten voorlezen.
Ook de stedelijke regeering moest herhaaldelijk den lof van den keizer
verkondigen en alles aanwenden om de vereering van Napoleon in de
harten der burgers dieper wortel te doen schieten. Telkens als er een
Napoleonsfeest in zicht was, ontving de Roermondsche magistraat uit
Maastricht voorschriften over de feestviering. Zoo voor den 15 Augus-

78
adjunct van den maire, - toentertijd Adrien van den Bergh -, die dit

geld zou uitdeelen aan de armen.
Van zorg voor de armen gaf ook blijk Henri Joseph Michiels van Kes-
senich, als maire de opvolger van Jacques Quisthout, welke laatste bij
zijn aftreden het ambt van adjunct kreeg. Vóór zijn installatie, die op
13 Februari 1808 plaats had, liet de nieuwe maire aan de armen der stad
driehonderd brooden uitreiken, benevens een gift in geld aan de ouden
van dagen en kinderen van het hospitium.
Groote zorg droeg de Overheid voor de gevangenen, waarover de maire
het toezicht hield. De concierge der gevangenis kreeg een in dit opzicht
nauwkeurig omschreven instructie. Hij moest o.a. den gevangenen een
goed voorbeeld geven in matigheid, (de gevangenen, die over geld be-
schikten, konden drank koopen), in zindelijkheid, moest zorg dragen,
dat iederen ochtend de kamers geveegd, eenmaal per week geschrobt
en tweemaal per jaar gewit werden. Hij moest zorgen, dat de zieken-
zaal geregeld ontsmet werd, moest den gevangenen elken Zaterdag
schoon linnen verstrekken en hun degelijk en voldoende voedsel geven.
Er werd dus wel naar gestreefd, het lot der gevangenen menschwaardig
te maken en dat volgens het humane beginsel, dat „er onder hen vaak
zijn, die meer ongelukkig dan schuldig zijn."
Betreffende de inning der belastingen, die in 1809 meer dan 20.000
francs bedroegen, werd er den 13 November van dat jaar bepaald, dat
dit door een speciaal daartoe aangestelden ontvanger zou moeten ge-
schieden. Het ambt werd vergeven aan dengene, die het tegen de laag-
ste financieele vergoeding wilde waarnemen. Dienovereenkomstig viel
de keuze op Loomans, die 11/4% van de opbrengst vroeg.
Blijkt dus uit tal van maatregelen, dat de keizerlijke regeering het wel-
zijn harer onderdanen beoogde, pijnlijk werd men hier getroffen door
het conflict tusschen Napoleon en den Paus. In 1809 werd deze zelfs
door den Keizer gevangen genomen en gevankelijk naar Savona, later
naar Fontainebleau gevoerd. Hier wist Napoleon den 25 Januari 1813
den Paus een nieuw Concordaat af te dwingen, dat zeer ongunstig was
voor de Kerk. Kort daarop, toen Napoleon het tegen de afspraak in
had laten bekend maken, herriep de Paus het, waarbij hij grooten bijval
vond bij de geestelijkheid. Gentsche seminaristen protesteerden tegen
het onwettig optreden van Napoleon en werden daarom bij een straf-
bataillon ingedeeld. Over Tongeren, Maastricht en Roermond werden
zij naar de vesting Wesel gevoerd. Met liefde werden de seminaristen
te Roermond door de burgerij onthaald en verzorgd. Dokter C. F. Leurs
behandelde er de zieken onder hen, die naar het hospitaal werden over-
gebracht, en hij wist bovendien middelen te vinden om hen, die her-
steld waren, eenigen tijd in het hospitaal te houden en hun vertrek naar
Wesel zoodoende te vertragen.
Hoogst onaangenaam was ook het militairistisch karakter van het
Napoleontische bewind. De aanhoudende oorlogen verwekten onrust
en droefheid. Telkens had men in Roermond oproepingen voor het
leger, inkwartiering van soldaten, doortocht van krijgsgevangenen met
de hen begeleidende Franschen. Ieder arrondissement had een contin-

80
niet kunnen redden! In October is hij in den slag bij Leipzig door de
legers der Russen, Pruisen, Oostenrijkers en Zweden volledig verslagen.
Als overwonnene moest de keizer in Frankrijk terugkeeren.
Ook na den ongelukkigen afloop van dezen slag bleef Roermond hem
gehoorzamen. Nog den 2 December werd er de keizerskroning van
Napoleon met een plechtige Hoogmis en Te Deum herdacht.
De mogendheden intusschen deinsden er nog voor terug, de Fransche
grenzen te overschrijden; zij boden den vrede aan op den grondslag,
dat Frankrijk in het bezit van zijn natuurlijke grenzen zou blijven.
België wilde men aan Frankrijk laten. Doch de Keizer aarzelde met zijn
antwoord en weldra was het te laat; tegen het einde van December 1813
overschreden de verbondenen den Rijn.
Napoleon had van zijn onderdanen nieuwe belastingen gevorderd en
nieuwe lichtingen van troepen uitgeschreven. Nog hoopte hij zijn tal-
rijken vijanden weerstand te kunnen bieden!
Reeds in dezen tijd legde Engeland, bij besprekingen tusschen de ver-
bondenen in hun hoofdkwartier te Langres, zijn bondgenooten het plan
voor, België met de Nederlanden te vereenigen onder den prins van
Oranje, ten einde aan de Noordgrens van Frankrijk een sterken staat
te vormen.
In de eerste dagen van 1814 overschreden de verbondenen de grenzen
van het Fransche grondgebied, tengevolge waarvan de Franschen wel-
dra België ontruimden. 11 Januari 1814 traden de Pruisen onder Von
Bülow de voormalige Oostenrijksche Nederlanden bij Hoogstraten en
Merxem binnen, terwijl op denzelfden dag de Russen onder Wintzin-
gerode bij Dusseldorp over den Rijn trokken en eenige dagen later Luik
innamen.
Den 13 Januari was het hoofdkwartier der Franschen door Roermond
getrokken en den volgenden dag verlieten zij onder den Hertog van
Tarente deze stad om er niet weer te keeren. Dienzelfden dag deelde
de burgemeester Michiels van Kessenich mede, dat den 15 Januari 5000
man van de geallieerde troepen door Roermond zouden trekken en
den daaropvolgenden dag 2000 man en 800 paarden in de stad zouden
overnachten; den 17 Januari zouden er 1800 man overnachten. De bur-
gers moesten zich derhalve gereed houden, aan deze militairen logies
en voedsel te verstrekken; aan hen, die daarom vroegen, zou om hun
lasten te verlichten vleesch en brood worden uitgedeeld.
Bij besluit van 4 Februari 1814 stelde de Russische generaal Wintzinge-
rode voor het departement der Neder-Maas een centrale gouverne-
mentscommissie in, waaronder dus ook Roermond kwam te ressortee-
ren. Dit bestuur was echter als voorloopig bedoeld. Immers 12 Januari
1814 was er door de verbonden mogendheden te Basel een overeen-
komst gesloten betreffende het bestuur der Zuidelijke Nederlanden,
waarbij het gouvernement van den Neder-Rijn werd ingesteld, bestaan-
de uit de vroegere departementen van de Roer, de Ourthe en de Neder-
Maas. Gouverneurgeneraal van den Neder-Rijn werd geheimraad Sack,
die 10 Maart het bewind op zich nam; Aken was hem door de mogend-


82
ROERMOND NA DEN
FRANSCHEN TIJD
door
C. PYLS

I. IN NATIONAAL OPZICHT.
D
E zevende Juni 1815 was voor Roermond een groote
feestdag. Koning Willem I, zich van Brussel naar
's-Gravenhage begevende, koos daartoe den weg over
Luik en Maastricht en bracht dien dag een bezoek aan onze
stad, alwaar Zijne Majesteit geestdriftig en luisterrijk werd ingehaald.
Nadat de stedelijke regeering den Vorst aan de Roerbrug hartelijk had
begroet, drong zich de opgetogen menigte om diens rijtuig en vroeg spon-
taan om de gunst de paarden te mogen afspannen. De Koning den aan-
drang niet kunnende weerstaan gaf zijne bewilliging en onder het blijde
gejuich van het jubelende volk trokken duizend armen het rijtuig langs
de met vlaggen, groen en bloemen versierde straten tusschen de in
de wapens geroepen en en haie opgestelde burgerij voort tot aan de
woning van burgemeester Michiels van Kessenich (tegenwoordig hotel
Kissels) alwaar Zijne Majesteit afstapte.
Zeer stak deze gemoedsstemming der Roermondenaars af bij die van
1 Januari 1790. „Toen zijn wij alhier door de Staeten independent ver-
klaert" zegt een kroniek, „ende is sulx ten halftwelf smorgens door den
Borgemeester Syben gepubliceert sonder eenig acclamatie der toehoor-
ders." Men voelde als bij intuïtie het hemelsbreed verschil: toen een
onafhankelijk België .... zonder souverein, thans een onafhankelijk, alle
Nederlanden omvattend rijk, met aan het hoofd een Koning van al-
ouden Nederlandschen stam van wien elkeen zich zoo voor zichzelf als
voor het schoone land de allerschoonste illusies vormde.
Intusschen waren de politieke toestanden in Europa nog allesbehalve
normaal, en moest de slag van Waterloo nog volgen. Maar Willem I
zou den droom van Willem den Zwijger en den zijnen tevens in ver-
vulling zien gaan. Holland en België werden vereenigd tot één rijk, het
koninkrijk der Nederlanden. In het begin van Maart reeds, na de be-
kendmaking der onderhandelingen van het congres van Weenen ten
gevolge waarvan Roermond met België aan Willem I zou overgaan,
had een deputatie uit Roermond zich gehaast bij Zijne Majesteit hare
opwachting te maken. Het waren de heeren: „Chevalier Michiels de
Kessenich, burgemeester, Jean Pollaert, Henri Clout, van Afferden en
van den Bergh, renteniers en Ant. Burghoff en P. M. Naus, indus-
trieelen". De opdracht van dit gezantschap was de volgende. Het
vroegere Fransche departement der Nedermaas zou geografisch zoo
goed als ongewijzigd een der XVII provinciën van het nieuwe konink-
rijk uitmaken. Het was toen echter nog een vraag hoe men deze pro-

84
Het antwoord op die vraag behoort niet tot het bestek van dit opstel.
In 1830 scheidde zich het zuiden af van het noorden. Roermond behoor-
de tot het zuiden en kwam toen onder het nieuwe Koninkrijk België
19 October nog had de Burgemeester aan den Gouverneur bericht dat
tot 1839.
er niets bijzonders te melden viel. Alleen was 's daags te voren door
een paar Sittardenaars het gerucht verspreid dat het garnizoen Maas-
tricht had verlaten in de richting van Breda, hetgeen aanleiding was
geweest, dat drie of vier personen de Brabantsche cocarde hadden
opgestoken. Het bericht bleek valsch te zijn en de cocardes verdwe-
In de raadsvergadering van 26 October 1830 is een circulaire voorgele-
nen weer.
zen van den commissaris van het provinciaal gouvernement van België
voor het arrondissement Roermond van den 25sten dier maand, hou-
dende kennisgeving van de aanvaarding van deszelfs functie, met uit-
noodiging om, ingeval de regeering mocht aarzelen hare functie tot de
aanstaande organisatie waar te nemen, daarvan dadelijk kennis te ont-
vangen en is eenparig besloten tot daaraan te blijven fungeeren. Zoo
luiden de raadsnotulen. Deze vergadering was echter de laatste onder
praesidium van burgemeester Jhr. van der Renne. 8 November d.a.v.
had de eerste onder burgemeester Leclercq plaats. In den nieuwen raad
was de latere burgemeester dokter C. T. Leurs de eenige die ook in den
vorigen raad zitting had gehad. 's Anderendaags voegden zich een
zeventigtal gewapende Roermondenaars bij het legertje van generaal
Daine, die opdracht had Venlo te bezetten. Na de inneming van Venlo
keerden zij terug. Een zestigtal anderen hebben in December d.a.v. de
belegering van Maastricht meegemaakt en zijn na de opheffing van dat
beleg meerendeels bij de geregelde troepen ingelijfd. Blijkens schrijven
van den Burgemeester van 26 Maart 1831 heeft Roermond tijdens de
eigenlijke revolutiedagen geen enkelen vrijwilliger naar Brussel ge-
zonden.
Onder dagteekening van 14 September 1832 ontving de gemeenteraad
van den gouverneur der provincie te Hasselt een uitnoodiging om een
deputatie naar Brussel te zenden ten einde op den 28sten dier maand uit
handen van den Koning het eerevaandel in ontvangst te nemen dat
o.a. ook aan Roermond was toegekend. Typeerend voor den toestand
waarin de stad was komen te verkeeren is wel het antwoord dat den
gouverneur den 17en d.a.v. werd gezonden. De drapeau d'honneur werd
beleefd geweigerd. Men beriep zich op den toestand waarin de stad
door de aanneming door België van de 24 artikelen, tengevolge waar-
van een gedeelte van Limburg aan Holland zou worden afgestaan, was
komen te verkeeren en welke door de aanneming van het gedane aan-
bod slechts verslechterd kon worden. Het zou toch verraad beteeke-
nen aan het land waaraan de stad was afgestaan en het gevaar zou
niet denkbeeldig zijn dat het vaandel spoedig aan stukken zou wor-
den gescheurd en met voeten getrapt.
Als later de economische toestand van Roermond gaat lijden tengevolge
van de stopzetting van de scheepvaart van de Maas opwaarts en van

86
noemt men de Limburgsche kwestie. De literatuur daarover ook in de
stadsbibliotheek is zeer rijk. De lezer lette er wel op dat de Limburgers
zelven aan die regeling part noch deel hebben gehad en bij de discussies
daarover in de Staten-Generaal zelfs niet waren vertegenwoordigd.
Waartoe deze vermelding dient? Een oogenblik geduld. Eerst even stil-
staan bij een heugelijker gebeurtenis.
Waren de dertiger jaren funest voor Nederland, zij waren zoo mogelijk
nog funester voor Limburg geweest, dat zich dan ook gouden bergen
beloofde van den nieuwen politieken toestand, speciaal van den nieu-
wen Koning, den held van Waterloo, Willem II, en zoo is het geen won-
der, dat diens ontvangst te Roermond op 13 Juni 1841, bij zijn bezoek
aan Limburg, zoo mogelijk nog enthousiaster is geweest dan die van
Willem I. De Raad voteerde met algemeene stemmen een bedrag van
f 3600,- voor openbare feesten, een bedrag dat naderhand met ette-
lijke honderden guldens bleek te zijn overschreden.
Uit de raadsnotulen van 29 Mei 1841 noteerde ik curiositeitshalve het
volgende: „Wordt in den Raad overeengekomen, dat om den Koning
te ontvangen, de kleeding van de leden van den Raad zal bestaan
in zwarten rok en pantalon, zwartzijden of satinen vest, ronden
hoed, witten halsdoek van achter gebonden, hemd met jabot en dia-
manten speld, zwarte zijden kousen, schoenen met strikken, witten
neusdoek en cabozetleeren handschoenen, en dat de Raad in vier of
vijf koetsen den Koning aan de grenzen van de stad zal tegemoet
gaan". De koninklijke stoet was samengesteld als volgt: Een deta-
chement marechaussee, een dito lanciers, de stadsregeering in rijtui-
gen, een detachement lanciers, hunne excellenties de gouverneur en
de luitenantgeneraal commandant der provincie, een detachement der
eerewacht, Zijne Majesteit de Koning in rijtuig, een detachement der
eerewacht, de adjudanten en andere leden van het gevolg des Konings,
de leden der rechterlijke macht en andere functionarissen in rijtuigen
en ten slotte twee detachementen lanciers en een van marechaussee.
De Koning stapte af in de Munsterstraat in het hotel van den burge-
meester Leclercq. *) Alvorens ten stadhuize aan tafel te gaan verleende
de Koning den baronstitel aan den arrondissementscommissaris M.
A. Michiels van Verduynen. Na de opening van het bal met een polo-
naise in de redoutezaal (Markt 33), om 11 uur des avonds, ging de
Koning de illuminatie bezichtigen. Tegen 1 uur trok Z. M. zich terug
ten huize van den Burgemeester wien hij het kruis der orde van den
Nederlandschen Leeuw verleende. In den morgen van den volgenden
dag benoemde de Koning Mgr. Paredis apostolischvicaris in Limburg
tot commandeur derzelfde orde. Om 9 uur verleende Z. M. audiëntie,
bij welke gelegenheid hij aan den commandant der eerewacht Frans
baron Michiels van Kessenich een prachtigen ring met diamanten en
koninklijk naamcijfer ten geschenke aanbood. Daarna heeft de Koning
nog een bezoek gebracht aan de parochiekerk en het Munster, in welk
laatste gebouw Z. M. werd rondgeleid door den grooten weldoener
van dit monument Jhr. K. Simon de Vlodrop.
*) Thans de woning van den heer Jules Breukers.

88
titeld: „De Limburgsche Kwestie“ door Mr. J. H. G. Boissevain. (Te
Tiel, bij L. Compagne 1848). De strekking daarvan is de onvermijde-
lijkheid eener scheiding met Limburg aan te toonen en de schrijver
slooft zich uit om Nederland ervan terug te houden „deze jammerlijke
strook gronds, welke den titel van hertogdom voert, zijn sympathieën
niet heeft, noch iets bijdraagt tot zijn bloei en welvaart, uitsluitend
tot de Roomsche kerk behoort, een uitwas van het land, dat zijn beste
sappen verteert" enz .... „tot een Nederlandsch gewest te verheffen."
Ik laat dit alles voor rekening van den schrijver, meen echter te mogen
vaststellen, dat daar niet veel meer bij hoeft, om den lezer te doen be-
sluiten: ik kan er in komen.
Maar het Frankforter Parlement verliep, de Unieplannen gingen in rook
op en de Bondsdag werd in Mei 1851 hersteld. Tengevolge echter van
den slag bij Königgrätz of van Sadowa, 3 Juli 1866, viel ook de Duitsche
Bond uiteen. Luxemburg werd neutraal en Limburg vrij. Bij tractaat
van Londen van 11 Mei 1867 werd zulks geconstateerd en onze grond-
wet van 1887 liet bewust „hertogdom" voor Limburg weg. Niettemin
heeft deze kwestie in de Provinciale Staten van Limburg in de jaren
1905 en 1906 nog heel wat stof opgejaagd eer in het laatste jaar door
het gewestelijk bestuur werd besloten de benaming „hertogdom” weg
te laten en daarvoor „provincie" in de plaats te stellen. Het leed was
Den 16den December 1918 werd met algemeene stemmen en onder ap-
geleden.
plaus door den raad der gemeente Roermond, zulks in verband met sedert
den wereldoorlog ontstane internationale verhoudingen, de navolgende
motie aangenomen: „De Raad der gemeente Roermond, in openbare
vergadering bijeen op 16 December 1918, gezien de toenemende propa-
ganda in een deel der buitenlandsche pers voor de geheele of gedeel-
telijke inlijving van Limburg bij een ander land, protesteert met kracht
tegen die actie, spreekt als zijn onwrikbaren wil uit, dat Limburg blijve
bij Nederland, besluit deze motie ter kennis te brengen van Harer Ma-
jesteits Regeering en gaat over tot de orde van den dag".
In meer dan een opzicht hoorde men, vooral sedert den naöorlogschen
tijd, spreken van: „ontdekking van Limburg.” Een gelukkig verschijnsel!
Terecht schreef Mr. R. de Nerée tot Babberich in het ter gelegenheid
van het zilveren regeeringsjubileum van Hare Majesteit Koningin Wil-
helmina door het genootschap Limburg uitgegeven Gedenkboek: „Lim-
burg heeft voor de geschiedenis van ons volk, vooral in de laatste jaren,
een zeldzaam gelukkige rol gespeeld; en banden zijn er gelegd van on-
verwachte sterkte, van ware saamhoorigheid en broederzin .... Was
het niet het Limburgsche zwarte goud, dat Holland warmde en ver-
lichtte en 's lands nijverheid voor ondergang behoedde?"
Bij diezelfde heuglijke gelegenheid schrijft J. S. van Veen uit Arnhem
terzelfder plaatse: „Voor drie en een halve eeuw zijn Gelderland en
zijn Overkwartier van elkander gescheiden. In een hoogere eenheid
hebben zij elkander teruggevonden en van die hoogere eenheid is
Oranje het symbool".
Dat Limburg in de laatste decennia zoozeer de aandacht trok, daaraan

90
geduurd eer men er algemeen toe kon besluiten van de nieuwe reeds
onder Jozef II aangelegde en door Bisschop Hoensbroeck ingezegende
begraafplaats gebruik te maken. Liever wendde men zich naar Melick,
Odiliënberg, Herten, Horn of Maasniel alwaar nog gelegenheid was om
de lijken althans op een „kerkhof“ ter aarde te bestellen. In de kerk
begraven mocht natuurlijk daar ook niet meer. Wie zou zich thans een
geordende samenleving zonder burgerlijken stand en zonder bevol-
kingsregister - want ook dit dateert uit den Franschen tijd, evenals
de nummering der huizen - kunnen voorstellen? Beide instellingen
toch dragen in belangrijke mate bij tot de maatschappelijke orde en
zijn van de voornaamste steunpunten der overheidsadministratie.
Het is hier wel de plaats om even rond te zien en enkele dingen vast
te leggen. De lezer zal zich dan gemakkelijker een voorstelling kunnen
maken van wat voorbij is en wat sedert den aanvang der nieuwste ge-
schiedenis is veranderd.
Dat Roermond is opgekomen met de kloosters en met de kloosters ten
onder gegaan, is tijdrekenkundig en cum grano salis opgevat juist. Wat
het eerste betreft zie men in mijn opstel over de kloosters de beteekenis
voor Roermond voornamelijk van de Munsterabdij. Wat het laatste
aangaat is het waar, dat Roermond bij den aanvang der nieuwste ge-
schiedenis in den letterlijken zin van het woord „une ville morte”
was. De genadeslag was aan de vroeger zoo bloeiende en rijke stad
toegebracht in de laatste paar decennia der 18e eeuw. Het verval begon
echter reeds vóór den Spaanschen tijd. In den Oostenrijkschen tijd is
de beteekenis der stad al tot een minimum gereduceerd en de gewone
burger hoe langer hoe meer tot armoede vervallen. Toen tegen het einde
der 18de eeuw nu ook nog de kloosters met den bisschopszetel en het
kapittel verdwenen, de stad als vesting was opgeheven en met de op-
heffing der hooge staatscolleges verschillende aanzienlijke families de
stad verlieten, waren van het oude aanzien nog slechts steenen resten
als getuigen over.
In den Franschen tijd werden te Roermond de volgende openbare in-
stellingen gevestigd. De souspréfecture (in het groote huis op de Markt
genaamd De Beurs), de parochiekerk met twee hulpkapellen, de recht-
bank van eersten aanleg met het vredegerecht, het arrondissements-
ontvangerskantoor, het brievenpostkantoor, de paardenposterij, de
contrôle op de directe belastingen, het bureau central de bienfaisance,
de strafgevangenis, het douanekantoor, het registratie- en hypotheek-
kantoor, het hoofdkantoor voor de „vereenigde rechten” en het kan-
toor van den waarborg voor gouden en zilveren werken. Bovendien
werd Roermond weer garnizoensplaats en lag er een brigade marechaus-
see onder bevel van een luitenant. Dat bleef allemaal zoo goed als
ongewijzigd onder de nieuwe regeering.
Het grondgebied der stad was door de Franschen uitgezet ten behoeve
van het kadaster dat in 1818 klaar kwam, d.w.z. dat het grondgebied
na meting en schatting in secties en nummers werd in kaart gebracht
en geregistreerd, zulks niet alleen ter verzekering van het eigendoms-
recht, maar ook ten behoeve van de grondbelasting. Er was voordien

92
over een houten brug over de Roer om van Buitenop het veer te berei-
ken. Over de Oude Maas lag een houten brug. Ook de Michielsbrug be-
stond sedert 1805 en verleende toegang tot het Hattemerveld en het Bui-
ten van den heer H. J. Michiels, die deze brug voor eigen rekening bouw-
de. En dan de Roode brug of de brug over de Hambeek in den weg naar
Maastricht? Toevallig is die er op het oogenblik niet. Zij was door de
Oostenrijkers bij hun vlucht voor de Franschen vernietigd. Een pont
bood overzetgelegenheid ten koste van betaling ten bate van de do-
meinen. Het veer over de Maas werd in 1822 verpacht voor f 1050 .-;
de overzetgelegenheid over de Hambeek voor f 1025 .-.
In de ten behoeve van de nieuwe haven in 1819 aangelegde Roerkade
hebben naast het puin van het hier afgebroken gedeelte der stadsmuren
volgens de overlevering oude grafzerken mede tot ophoogingsmateriaal
gediend. „De Ster“ een haven in de Voorstad St. Jacob was sedert ten
doode opgeschreven.
Om de topografische beschrijving voort te zetten bemerken wij ter
loops, dat in de gehuchten aan de Kapel in 't Zand, Roer en de Weerd
in b.v. 1826 samen slechts 34 huizen lagen met onderscheidenlijk 57, 64
en 41 zielen. In de stad lagen toen 819 huizen met 4662 zielen. Bon en
Kruis waren nog door een arm van de Maas gescheiden. Over de Brug,
buiten de Kapeller- en buiten de Venlosche poort stond een windmolen.
Op de Roer lagen vooraan stroomopwaarts links een pel-, looi- en olie-
molen, rechts een spinfabriek en verderop links een meelmolen en rechts
een papiermolen. Achter het Klein Hellegat lag het Steel, de Kartuizers-
boerderij. De Doolhof, een in 1813 aangelegd park met mooi plantsoen
en met borduur van naamschen steen afgezette bloemperken strekte
zich uit van Buitenop langs een met boomen beplanten dijk tot aan den
weg die van uit de St. Jansstraat naar de Stadswei liep. Buitenop en
Over de Brug, de „voorsteden", werden tot de stadsagglomeratie gere-
kend. Verschillende huizen lagen leeg, waren tot pakhuizen ingericht of
afgebroken. De Markt, de schoone markt in 1744 door de Beyer ver-
eeuwigd, was wel anders dan thans, maar de meeste van de door den
brand van 1665 gespaarde oude gevels, waren toch reeds verdwenen,
al waren het nog meestal gesloten huizen die er lagen. Speciaal de
Grauwe Toren was inmiddels geheel afgebroken. De Postwicksboog
zou nog toegang verleenen tot de Kerkstraat tot 1906, het jaar dat ook
de Voogdij met kapel aan het tegenwoordig Wilhelminaplein zouden
verdwijnen. Van al de oude kloosterkerken diende nog slechts de Mun-
sterkerk voor den eeredienst. De Minderbroederskerk diende vooreerst
nog tot profane doeleinden en de H. Geestkerk zou eerlang worden
afgebroken. Waar het Kruisheerenklooster en dat van Mariagarde had-
den gelegen, tusschen Kloosterwandstraat, Hamstraat, Kruisheeren-
straat, Mariagardestraat en Schuitenberg, was nu een open ruimte, op
de Kruisheerenplaats of het Kruisheerenplein na, dat voor de oefenin-
gen van het garnizoen diende, als tuingrond bij particulieren in gebruik,
evenals de plaats ten Noorden van de Karmelitessenstraat. Het Mun-
sterkwartier - de oude abdij van dien naam - was door een ring-
muur afgesloten. Daarop lagen behalve de kazerne het „Oud klooster“

94
afvoer duidt. Het ophalen van haardasch en straatvuil kon niet beletten
dat de straten niet steeds zindelijk uitzagen zulks vanwege het vele vee
dat nog in de stad werd gehouden. Met houten of ijzeren deksels voor-
ziene putten en houten of steenen pompen leverden drinkwater als van-
ouds. Als vanouds ook was Roermond de marktplaats voor de dorpen
uit de buurt. Het grondbezit was door secularisatie der kloostergoede-
ren, voorzoover het niet nog domeingoed was, in particuliere handen
overgegaan. Voor de gaffels der gilden waren de societeiten in de plaats
getreden. Aan den opbloei der industrie droeg niet weinig bij dat na
het najaar 1816 tot einde 1820 zich hier 115 jonge mannen uit Pruisen
kwamen vestigen, een feit dat door de opheffing van het gildewezen
mogelijk was gemaakt. Ook de vestiging van andersdenkenden was
thans mogelijk. Aan de vestiging van protestanten is een afzonderlijk
hoofdstuk gewijd. De eerste Joodsche familie kwam hier wonen 27 De-
cember 1817. Het was de slager Karel Falck met zijn vrouw en twee
kinderen. 17 Juni 1853 werd de nieuwe synagoge aan de Hamstraat
plechtig ingewijd. Voordien hielden de Israëlieten hun godsdienst-
oefeningen in een pand dat toebehoorde aan de weduwe H. J. Thissen,
thans de autogarage Royal. De gemeente bezit een wetsrol van herte-
leer en een antieke koperen lichtkroon. In 1830 telde ze 29, in 1840 99,
in 1850 141, in 1870 164 leden. Dit aantal dat niet zoolang geleden nog
90 bedroeg is thans tot ongeveer 50 gedaald. Overigens behoort de
beschrijving van kerkelijke geschiedenis niet tot dit opstel, evenmin als
o.m. die van onderwijszaken en sociale aangelegenheden en is zulks
met publieke werken slechts wel het geval tot aan de zestiger jaren.
Als ik mijn taak in dien geest opvattend de beschrijving der stadsge-
schiedenis na den Franschen tijd onderneem, dan wensch ik allereerst
een eeresaluut te brengen aan de schutterij en het garnizoen en ver-
volgens een in memoriam te wijden aan het oudgeldersch archief, beide
voor goed tot het verleden behoorende Roermondsche gedenkwaar-
digheden.
Van 1816 tot 1830 lagen hier achtereenvolgens in garnizoen: tot 1819
een bataljon infanterie nationale militie plus een eskadron van het 4e
regiment lichte dragonders en van 1819 tot begin September 1830 een
eskadron van het regiment lichte dragonders. En in 1830 nog van medio
September tot einde September bij wijze van temporaire plaatsing het
depotescadron van het regiment lichte dragonders no. 5 en van 6 Oc-
tober tot 12 October een detachement van ± 100 man van dat regi-
ment en ± 150 man infanterie. In Juni 1839 een compagnie infanterie
uit Maastricht, 1 November 1839 een escadron huzaren, 1 April 1841
een escadron lanciers, 1 November 1843 een escadron jagers te paard
(Limburgsche Bondscontingent), 1 April een escadron lanciers, No-
vember 1844 een escadron jagers te paard (Limburgsche Bondscontin-
gent), 1 Juni 1845 een escadron dragonders, in November 1845 twee
escadrons dragonders, 1 April 1848 bovendien een compagnie infante-
rie en 1/2 sectie artillerie, 1850 een escadron dragonders. Van 1855 tot
1860 geen garnizoen; 1860 twee escadrons dragonders, 1 Mei 1861 staf
en twee escadrons dragonders, 1 November 1867 staf en twee esca-

96
het toentertijd in wanorde achtergelaten oud gemeentearchief thans
kosteloos voor de gemeente inventariseert. *)
Als wij ons thans even op het terrein van publieke werken begeven,
dan past allereerst een herinnering aan de poorten, torens, muren, wal-
len en grachten, welke in dit tijdperk na een eervol eeuwenoud en
stormachtig verleden een roemloos einde hebben gevonden. Op 1
Januari 1861, zoo meldt het verslag, telde Roermond 1000 huizen bijna
alle van tuinen voorzien. „De omtrek over de wallen, die thans door
het afgraven en beplanten in aangename wandelplaatsen zijn herscha-
pen, welke soms teekenachtige punten en vergezichten aanbieden, is
een half uur gaans .... De stad is thans nog bijna geheel omringd
door grachten. De laatste wallen - met name tusschen Maasnielder
en Kapellerpoort - waren in 1843 reeds geslecht." Wat de beplanting
betreft besloot men in 1863 reeds tot rooiing van populieren op den
Minderbroederswal en van linden op den wal aan de Venlosche poort,
omdat ze het uitzicht belemmerden. Er werd aan herinnerd dat terwille
van bewoners van de „Zwamakerstraat” boomen op de weide waren
gerooid. Overigens waren de wallen als wandelwegen door „barrièren'
voor rijtuigen en paarden afgesloten en van rustbanken voorzien.
Het langst heeft de Exterentoren, vulgo de Kruit- of Polvertoren, het
uitgehouden, die nog onder burgemeester Brouwers maar niet weg te
krijgen was. 29 December 1853 werd besloten tot afbraak van toren en
huis aan de Nielderpoort. Van afbraak van muren wordt het laatst in
het gemeenteverslag over 1836 volgenderwijs melding gemaakt. „De
muren tusschen Kapelder en Maasnielderpoorten zijn in 1832, 1833 en
1835 afgebroken. Nu zijn de wallen genivelleerd en de laatste lente met
vijf rijen Italiaansche populieren beplant uit eigen kweekerij. Nog een
stuk muur en van de Venlosche tot de Ezelspoort zal één laan zijn."
De langst bewaard gebleven poorten zijn de Maas- of Kraanpoort en
de Venlosche poort geweest. De eerste is in den winter van 1835/1836
afgebroken. Zij was niets bijzonders, zegt het gemeenteverslag, en be-
gon bouwvallig te worden. „Het inkomen der stad eerst somber is nu
aangenaam. Het afbreken heeft in werkloosheid voorzien en niets ge-
kost, daar de afbraak de kosten ruimschoots heeft vergoed." De laatste
is in 1839 afgebroken.
Met opzet gaf ik een overzicht van de wegen welke over Roermonds
grondgebied liepen. Een gevolg mede van den Franschen tijd is ge-
weest, dat men cosmopolitischer is gaan denken. De tijd dat de bis-
schop Roermond niet kon verlaten zonder op vreemd d.w.z. niet-Oos-
tenrijksch terrein te komen, was immers voorbij. De Franschen had-
den van de lappendeken, waarop de Iandkaart geleek, welke het door
hen tot het departement der Nedermaas omgevormde gebied voor-
stelde, één geheel gemaakt, zonder andere dan gemeentegrenzen
en dit gewest, (met een brokstuk van het departement van de
Roer), thans Limburg genoemd, strekte zich uit van Maastricht tot

*) Deze beslissing is van den toenmaligen minister van onderwijs, kunsten en weten-
schappen, Mr. M. A. M. Waszink, onzen tegenwoordigen burgemeester.

98
volgenden winter reeds bezweek een gedeelte van den weg onder de
kracht van den stroom. Het is interessant te vernemen hoe de bewoners
van de Brugstraat en Over de Brug en andere medebelanghebbenden
tegen de richting van den nieuwen Maastrichterweg over het Hattemer-
veld hebben geageerd. Mijn rantsoen noopt mij helaas tot beknoptheid.
22 November 1849 besloot de gemeenteraad tot aanleg van den Elmp-
terweg. Dit werk werd weer geheel op eigen kosten uitgevoerd.
In den aanvang der vijftiger jaren kwamen de verbindingswegen met
Pruisen over Melick en Herkenbosch, Vlodrop en Posterholt mede tot
stand. 6 Maart 1848 had de stad daartoe de Kapellerlaan (1150 el lengte)
aan de Provincie afgestaan met voorbehoud van de boomen en ver-
plichting om verder den weg tot Melick te verharden met een bedding
van 20 duim kiezel minstens ter lengte van 400 el en kiezel af te
staan ten behoeve der verbinding met Pruisengrens over Melick, Odi-
liënberg en Posterholt. Op de begrootingen 1850 en 1851 vond ik boven-
dien telkens f 2000,- tot dit doel uitgetrokken. De gemeente verzette
zich naderhand tegen een aanschrijving van Gedeputeerde Staten tot
rooiing der middelste rijen boomen der Kapellerlaan op grond van
dezen gratis afstand en omreden de Kapellerallee de schoonste wan-
deling der stad uitmaakte. Als nadien de bewoners der laan om rooiing
der buitenste rijen boomen vroegen, beriep de gemeente zich op het
sedert den aanleg der laan in 1730 verkregen eigendomsrecht op een
strook gronds buiten de buitenste boomenrijen.
Opmerking verdient het dat men ook toen reeds meende dat het Rijk
of c.q. de Provincie de kosten der traversen door de stad van de
intercommunale wegen zou dragen.
De kiezelwegen waren klaar, maar inmiddels was Roermond reeds bij
zijn nabuursteden zoo ten Oosten als ten Westen zeer ten achter ge-
komen door het gemis van „ijzeren wegen” welke intusschen op ver-
schillende punten onzer landsgrenzen moesten doodloopen. België had
na zijn afscheiding weldra een spoorwegnet en directe verbinding met
Parijs en Berlijn. De aanneming der 24 artikelen hebben de totstandko-
ming van een spoorwegverbinding van de Schelde over Roermond naar
den Rijn omtrent een halve eeuw vertraagd. Bij zijn installatie zeide Bur-
gemeester Beerenbroek o.m .: „Vergelijken wij den toestand van Roer-
mond met dien van voor 25 jaren, men zal moeten erkennen dat handel
en nijverheid eene vlugt hebben genomen, welke niet was te voorzien en
waarvan zich de weldadige werking, vooral bij de neringdoende en ar-
beidende klassen, heeft doen gevoelen; maar zal die vooruitgang duur-
zaam wezen sluiten wij dan de oogen niet voor de versnelde middelen
van gemeenschap, die hier en ginds in onze nabijheid tot stand zijn
gekomen, noch voor de verschillende spoorweglijnen, die reeds ontwor-
pen zijn of zullen worden; wel stel ik mij niet voor dat al die projekten
uitvoering zullen erlangen, maar mogt het gebeuren dat deze of gene
wordt uitgevoerd zonder dat deze stad aan het spoorwegnet, dat om
zoo te zeggen alle staten van Europa bedekt, wordt aangesloten, dan
geraken wij in eenen staat van isolement, die bij lateren tijd de aller-
noodlottigste gevolgen voor onze belangen kan na zich slepen."

100
met de Limburgsche zustersteden is, dat, terwijl Weert 1 Januari 1853.
Maastricht en Venlo onderscheidenlijk met 1 Mei en 1 Januari 1866
en Sittard met 1 Januari 1880 tot heffing van een hoofdelijken omslag
of belasting naar het inkomen overgingen, Roermond daartoe eerst
op 11 December 1909 heeft besloten. Ik zal hier maar weinig van
zeggen; stilzwijgen, wat dit punt betreft, zou echter een onvergeef-
lijke leemte in dit opstel beteekenen. Belasting betalen behoefden
tot aan den Franschen tijd de geprivilegieerde standen niet. Men
kan zich voorstellen dat men het hatelijk heeft gevonden van zulk
een privilegie beroofd te worden. Allen gelijk voor de wet had ech-
ter ook in dezen gelijkheid gebracht. Dat deze gelijkheid een zware
last werd voor den kleinen man is een gevolg van de mentaliteit
der wetgevers uit dien tijd. Accijnzen werden door het Rijk, accijn-
zijn werden door de gemeente geheven op alles en nog wat. Wat
dit voor de gemeentekas beteekende wordt alleraardigst geillustreerd
door een rapport dat burgemeester Leclercq in de dertiger jaren
opmaakte in zake kazerneering van 600 man. In de Munsterkazerne
zouden 360 man kunnen worden ondergebracht, in de oude Griffie
(tegenwoordige gevangenis) 330 man en in het oud seminarie (aan de
Veldstraat) 150 man benevens de infirmerie, heet het. De gemeente
had echter geen geld om de kazerne in orde te brengen en deed daar-
om een beroep op de burgerij om de benoodigdheden voor te schieten.
De Burgemeester berekent daarbij de voordeelen voor de Gemeente
aldus: 600 man verteeren minstens f 54.750,- of fr. 115.873,- dat is
een kwartje per man per dag. De officieren te weten 1 majoor aan
fr. 4000,-, 4 kapiteins aan fr. 4 × 2000 is fr. 8000,-, 1e luitenants aan
12 × 1400 is fr. 16.800,- en de onderofficieren samen fr. 3600,- vertee-
ren totaal fr. 32.400, -. Het rechtstreeksch voordeel voor de gemeente-
kas bedraagt aan accijnzen naar rato van een liter per man per dag op
2160 H.L. bier aan 75 centimes per H.L. fr. 1620, -. Ieder man ontvangt
voor zijn rantsoen 1/4 K.G. vleesch per dag, dat is voor 600 man 182 K.G.
of per jaar 54.600 K.G. à 3 centimes per K.G. maakt fr. 1668, -. Item
het broodrantsoen van 34 K.G. per dag maakt 450 K.G. per dag en per
jaar 164.250 K.G. aan 1 centime per K.G. is fr. 1642, -. Dan de rijks-
vergoeding volgens K. B. van 26 Juni 1819 ad fr. 10.150,- of totaal
fr. 15.050,-, waarbij nog komt een bedrag van fr. 180,- voor belasting
op den wijn n.l. 17 officieren aan 8 liter wijn per dag of 2920 liter of
rond 30 H.L. per jaar, aan 6 fr. per H.L. Verder bedraagt het rantsoen
per paard 31/2 K.G. haver, maakt per jaar voor 300 paarden 105.600 K.G.
of 7665 H.L. aan 50 K.G. per H.L. aan 8 centimes per H.L. = fr. 613,20.
Het rantsoen hooi bedraagt 5 K.G. en stroo 412 K.G. maakt voor 300
paarden 1500 K.G. hooi en 1350 K.G. stroo per dag of resp. 547.500
en 492.750 K.G. per jaar, samen 1.040.250 K.G. aan 12 centimes per
100 K.G. = fr. 1248,30. In dit alles, besluit de Burgemeester is niet be-
grepen wat de inwoners aan kamerhuur en de ambachtslieden aan loon
verdienen.
Hieruit ziet men hoe het gemeentebestuur zich het voordeel voor de

102
indirecte belastingen kleven, waardoor het vrije verkeer wordt belem-
merd en de prijzen der belaste voorwerpen ten nadeelen van den ver-
bruiker worden opgedreven".
De afschaffing der accijnzen zelfs in 1865 is voor den gemeenteraad
geen aanleiding geweest zijn financieele politiek te wijzigen. De ge-
meente ging teren op de opbrengst der gasfabriek. Waren in 1868 ter
gelegenheid van het landbouwhuishoudkundig congres hier schitteren-
de feesten gevierd, in 1890 stemde men dat congres af: „het gras had
minder opgebracht, de kolen (men denke aan het gas) waren duurder."
Mr. Louis Baron Michiels van Kessenich toonde in een memorie op
de gemeentebegrooting van dat jaar aan, dat geen verhouding meer was
tusschen gewone inkomsten en uitgaven en drong aan op een inkom-
stenbelasting, terwijl zijn tegenstanders meer rechten wilden heffen en
voordeelen halen uit een waterleiding en een slachthuis. Bij de begroo-
ting 1893 zeide de heer Michiels „zoolang er overschotten uit vroegere
leeningen en baten waren heeft men onbezorgd geleefd zonder te den-
ken, dat eens die batige sloten zouden verdwijnen en zonder bedacht
te zijn op tijdige versterking der middelen."
Burgemeester Raupp, pas in functie, zegt dienaangaande bij de behan-
deling der begrooting 1895 o.a. het volgende: „Wat toch heeft plaats
gehad gedurende een reeks van jaren? De gemeente ging diverse geld-
leeningen aan tegen een rente van 41/2% en nam op zich na een bepaald
aantal jaren, aan te vangen met jaarlijksche aflossingen; doch zie, als
de tijd van aflossing was aangebroken, besloot men nog maar wat uit te
stellen met te voldoen aan de opgenomen verplichtingen, want er wa-
ren geen fondsen om te betalen wat men schuldig was. Men herhaalde
dit zelfs tot 3 maal toe. Geldleeningen welke thans reeds alle geheel
hadden behooren te zijn afgelost bestaan nog in haar geheel en de ge-
meente bleef hooge renten betalen, zoodat de schuldeischers dat uit-
stel op uitstel wellicht zeer aangenaam vonden. Getuigt die handel-
wijze echter van een goede financieele politiek? Is het niet eenigszins
baatzuchtig dat men de lusten der werken geniet, doch ze door het
nageslacht laat betalen? Hij wil de beantwoording dier vragen aan ande-
ren overlaten. En wijders naast hooge winsten, voortvloeiende uit de
exploitatie der gasfabriek, werd weinig of niets uitgegeven voor open-
bare werken. De rekeningen der laatste 5 jaren toonen aan dat slechts
f 600,- 's jaars op dezen post verwerkt is. En in het jaar 1893 de kapi-
tale som van zes gulden en 50 cents! Mag men op die wijze blijven
voortgaan, met andere woorden achteruitgaan?"
Bij de begrooting 1897 zeide dezelfde burgemeester: „Bij Koninklijke
Boodschap van 11 September 1896, is bedoeld wetsontwerp (de bekende
wet van 1897, regelende de financieele verhouding tusschen Rijk en
gemeenten) aan de Tweede Kamer aangeboden en de op 25 Augustus
uitgesproken vrees blijkt maar al te zeer gegrond. Immers krachtens
de wet van 26 Juli 1885 (Stbl. no. 169) ontvangt de gemeente Roermond
van het Rijk jaarlijks f 23.104,7812; overeenkomstig het ontwerp van
wet, zou zij slechts een jaarlijksche uitkeering ontvangen van f 1,02
per inwoner, en dus circa f 10.000,- minder dan thans, ware het niet,

104
werd dit ontwerp, eenigszins gewijzigd, door den koning vastgesteld;
deze wijzigingen bestonden in het volgende: het kiescollege zoude
bestaan uit 18 leden, van welke een derde gedeelte om de drie jaren
aftrad; de leden van den raad zouden voor het leven benoemd wor-
den, maar de eerste benoeming zou door den koning geschieden. Het
college van burgemeester en schepenen moest om de zes jaren ver-
nieuwd of herbenoemd worden, in dier voege dat één schepen na twee
jaren, de tweede na vier jaren en de burgemeester na zes jaren zoude
aftreden. Den 19den Februari werd het nieuwe bestuur ingevolge dit
reglement benoemd.
Thans volgt de Belgische tijd. Ingevolge een besluit van het voor-
loopig bewind te Brussel werd op den 30sten October 1830 door
de notabelen der stad een stedelijk bestuur gekozen, samengesteld
uit een burgemeester, twee schepenen en zes leden van den raad en
moest het oude bestuur daarna zijne taak nederleggen. Dit bestuur
werd, nadat de Belgische gemeente wet op den 30sten Maart 1836 was
uitgevaardigd, door een ander vervangen, dat uit elf raadsleden be-
stond, waaruit de koning een burgemeester en twee schepenen be-
noemde. De raad, rechtstreeks verkozen door de meerderjarige bur-
gers, die minstens 30 franken in de rijkscontributiën betaalden, zou
zes jaren zitting hebben en om de drie jaren voor de helft aftreden.
Na 1839 bleef de Belgische gemeentewet van 30 Maart 1836, wat betreft
het getal leden van den raad, van kracht; de vacaturen werden echter
aanvankelijk door koninklijke benoemingen en sedert 1 Januari 1843
volgens het bovenvermelde reglement van 5 Januari 1824 aangevuld, tot-
dat eindelijk den 29sten Juni 1851 de thans bestaande wet, regelende
de samenstelling, inrichting en bevoegdheid der gemeentebesturen, tot
stand kwam en de verkiezing voor het nieuwe bestuur in September
van dat jaar plaats had. 1 October d.a.v. had onder voorzitterschap van
C. F. Leurs de eerste bijeenkomst plaats van den nieuwen raad welke
verder bestond uit de heeren Bongaerts, logementhouder, Nijs, contro-
leur van den waarborg, Guillon, notaris, Weickmans, essayeur van den
waarborg, Jhr. Michiels van Verduynen, rechter, Frencken, brouwer,
Baudrihaye, koopman, Burghoff, koopman, Beerenbroek, lid Ie Kamer,
ridder Ned. Leeuw, Dirix, notaris, Mr. Thissen, procureur en Mr. Le-
clercq, ridder Ned. Leeuw, president arrondissementsrechtbank.
2 September 1919 zou de eerste vrouw in den Raad zitting nemen en de
eerste S.D.A.P.'er resp. Mej. M. Haan (nu Mevr. Wed. Lodewijk-Haan)
en de heer J. C. Sleebe.
De gemeenterekening 1815 houdt in aan gewone inkomsten: fr. 32.933.73.
Hierin zijn begrepen aan opbrengst van gemeenteeigendommen
fr. 10.085,85, van accijnzen fr. 5970,51, aan meelwaagbelasting fr. 10.616,60
en aan directe belastingen fr. 579,55, namelijk opcenten op grond- en
personeele belasting. De uitgaven over dat jaar beliepen fr. 26.931,01
waarvan fr. 11.685,33 voor inrichting van kazernen.
De rijksaccijnzen werden anders dan te Maastricht en Venlo en even-
als ten plattelande bij admodiatie of uitkoop geïnd, dat is naar kohie-

106
De invoering van het metriek stelsel, mede een vrucht van den Fran-
schen tijd, vorderde maar langzaam terwijl, als de Nederlandsche gul-
den de officieele was, de Kleefsche minstens de officieuze mocht heeten
Hiervandaan de onmogelijkste fracties bij de berekening der accijns-
belasting b.v. als deze in Nederlandsch geld moest worden uitgedrukt.
Interessant is het om te zien hoe geldverzendingen ten behoeve van
de schatkist plaats hadden. Dat schildwachten de wacht hielden bij den
betrokken agent laat zich begrijpen evenzeer als de vereischte tegen-
woordigheid van den burgemeester ter verifieering van het verzondene.
Waar men echter versteld van staat, dat is het aantal zakken en het
heterogene karakter van den inhoud als b.v. een bedrag van f 25.000,-
naar Maastricht moest worden gezonden. Van de verpachting der ac-
cijnzen was men in den Franschen tijd teruggekomen. De bruggeld-
heffing aan de Roode brug, de openbare verlichting en later de tol-
geldheffing op den Elmpterweg echter werden aanbesteed. In 1863 be-
sloot de Raad tot opheffing van vaste arbeiders. Het is wel geen wonder
dat dit jaar tevens het eerste is dat in de openbare raadszittingen de
verkiezingen ter sprake komen en een politieke strijd is ingeluid, die in
deze gemeente jaren lang met groote heftigheid zou worden gevoerd,
eerst op wilde wijze, maar sedert 1875, als wanneer bisschop Paredis
zijn herderlijk gezag in de weegschaal wierp, meer principieel.
Als de lezer vindt dat de toestanden nog al aartsvaderlijk waren, dan
vergete hij vooral niet dat ze elders over het algemeen zeker niet beter
waren. De negentiende eeuw heeft op menig gebied de reinste meta-
morphose gebracht zoo hier als elders. Geen eeuw heeft zooveel ingrij-
pende veranderingen in de materieele levensvoorwaarden der mensch-
heid tot stand zien komen als deze. Handwerk werd vervangen door
machinalen arbeid. In nijverheid en middelen van verkeer vonden
stoomkracht en electriciteit toepassing. De laatste honderd jaar brach-
ten meer verandering in de technische procedé's dan heel de bekende
geschiedenis. Gaarne zou ik met den lezer den ontwikkelingsgang wat
Roermond betreft op den voet volgen, doch helaas, dat is mij niet ge-
gund. Hier als overal echter hebben vooral de pers en het vereenigings-
leven op politiek en vooral op sociaal en economisch gebied wonderen
van vooruitgang gebracht. Wat het vereenigingsleven betreft daarover
schrijft een kundiger hand dan de mijne in dit boek. Over de pers nog
een enkel woord.
15 Maart 1685 is in onze annalen reeds sprake van „Saeterdaegsche
gasetten" gedrukt bij Linnert Ophoven alhier. Maar, o ongunst der
tijden, haar was blijkbaar geen voorspoedig bestaan verzekerd, im-
mers wij vernamen er verder niets meer van. Losse publicaties is
het eenige van dezen aard dat sindsdien nog te Roermond ter perse
gaat. Bij Gruyters in de Schoenmakersstraat verschenen begin der 19e
eeuw de twee Fransche tijdschriften: „Recueil de Nouvelles“ en „L'Es-
prit du Temps ou Annales politiques et litteraires". In de eerste helft
der vorige eeuw was een courant voor den doorsneemensch nog iets
ongewoons. Hier werden bladen voornamelijk uit Brussel en Maastricht
gelezen. Plaatselijke nieuws- en advertentieblaadjes omtrent het mid-

108
RECHTERLIJKE EN ADMINISTRA:
TIEVE COLLEGES IN ROERMOND
1232-1794
door
MR. ELISABETH F. J. A. ADRIAANSE
I.
D
E verheffing van Roermond tot stad in 1232 was
voor haar inwoners niet alleen in zooverre van be-
lang, dat de „villa Ruremunde" ommuurd werd en
daardoor niet langer open lag voor iederen vijandelijken inval, maar
ook juridisch werd hun positie veel verbeterd. De verheffingsbrief door
Graaf Otto II van Gelre, bijgenaamd „de Manke“ of „met den paarden-
voet", aan Roermond gegeven, is niet meer aanwezig, zoodat nooit meer
met absolute zekerheid is te zeggen wat er in stond en welke verdere
privileges bij gelegenheid van haar verheffing de nieuwe civitas van den
Landheer verkreeg. Doch omstreeks denzelfden tijd verleende Otto II
ook nog aan Arnhem, Harderwijk, Goch en Wageningen stadsrechten,
welke stadsprivileges onderling zeer groote overeenkomst vertoonen.
Met behulp van deze privileges en verschillende stukken van allerlei
aard uit later tijd is men er langzamerhand in geslaagd een vrij volledig
beeld te krijgen van de inrichting van het bestuur en de rechtspraak,
zelfs van de eerste tijden van Roermond als „civitas".
Vrij volledig, want van de gegevens is, vermoedelijk door de groote
branden, die Roermond in 1554 en 1665 geteisterd hebben, heel wat
verloren gegaan.
Het merkwaardige van de verheffing van Roermond tot stad is, dat
deze geschiedde door een daartoe onbevoegde. Otto II had zich het
verleenen van privileges aangematigd, zonder daartoe recht te hebben,
wat moge blijken uit de verklaring van Hendrik VII, Roomsch-Koning,
welke deze uitsprak op den in 1310 te Spiers gehouden Rijksdag, dat
geen vorst of heer eenige plaats mocht begiftigen met vrijheden of pri-
vilegiën, zonder uitdrukkelijke toestemming van den Koning, tot wiens
rijk het gebied van bedoelden vorst of heer behoorde.
De verschillende privileges, die de Geldersche graven hadden verleend,
werden dan ook bij die gelegenheid door den Keizer ongeldig verklaard,
waarbij tevens aan den Graaf werd gelast de verschillende diploma's
terug te vorderen en te vernietigen, terwijl hij zorg moest dragen, dat
er geen een achterbleef, opdat de steden er zich later niet op zouden
kunnen beroepen. Als gunst kreeg nu de Graaf het door hem aangema-
tigde recht: het verleenen van privileges. Van deze gunst maakte
Reinald I terstond gebruik door de steden nieuwe verheffingsbrieven
te verleenen. Van verschillende steden, zooals Arnhem, Nieuwstad,

110
te hebben. Zoo zien we in charters van 1240 en 1268 nog een zevental
schepenen optreden, doch reeds in 1278 is het aantal hunner tot negen
gestegen en nog later in 1307 schijnen er niet minder dan dertien sche-
penen te zijn geweest. Maar daarmee was dan ook het maximum be-
reikt; meer dan dertien schepenen vindt men nergens vermeld.
De namen dezer schepenen waren: Goeswinus de Roderburg, Henricus
de Crugten, Hermannus de Crana, Conradus de Utenrade, Arnt de
Hushoven, Johannes Gunteri, Hermanus Domini, Wilhelmus Gunteri,
Joannes Conradi, Gudo Wolframus, Mathias, Lambertus en Theodori-
cus. De naam van den toenmaligen schout was Wilhelmus, dictus Uves
de Parle.
Tot zoover wat betreft het aantal der Roermondsche schepenen; over
hun functie, wijze van benoeming en zittingstijd moge hier nog een en
Oorspronkelijk bedisselden Schout en Schepenen alle belangen van de
ander volgen.
burgerij van Roermond, zoowel de administratie in den meest uitge-
breiden zin, als de rechtspraak, waarbij de Schout fungeerde als de
vertegenwoordiger van den Hertog in rechtszaken over vreemden en
in halszaken. Vermeldenswaard is hierbij, dat door Arnoud van Gelre
12 Maart 1461 een privilege werd verleend aan de „clercken ind schoelre
die tot Ruremonde studieren ind ter schoelen staen", dat zij niet aan
den gewonen wereldlijken rechter zouden zijn onderworpen, zoodat
hun meesters alleen het recht hadden hen te straffen voor al hun begane
feilen, met uitzondering van doodslag, geweld en aanslag op de rechters
of magistraten en voor de schulden die zij eventueel bij de burgers der
stad zouden hebben gemaakt. Voor deze laatste feiten alleen kwamen
zij voor de Schepenbank.
De instelling van deze grafelijke Schepenbank maakte een ander gra-
felijk ambtenaar, den voogd, gedeeltelijk overbodig. Over de functies
van den voogd kan men van meening verschillen, maar zeker is, dat hij
rechtspraak uitoefende. Deze rechtspraak nu verloor de voogd ten deele
door de instelling der grafelijke Schepenbank.
Dat de bevoegdheid van deze rechtsprekende organen niet scherp om-
lijnd was en er daardoor wel geschillen zijn voorgekomen, blijkt wel
uit een oorkonde uit het jaar 1244, waarin Otto II, graaf van Gelre, uit-
spraak deed in een geschil, gerezen tusschen Theodoricus, voogd van
Roermond, en eenige inwoners der stad over de rechten van en de
rechtspraak over de mansionarii of litones, behoorende tot de curtis
Swartbroeck. Nu beweerde Theodoricus over deze litones of hoorigen
de crimineele rechtspraak te hebben, wat betwist werd door de be-
doelde burgers. De graaf kwam tusschenbeide en benoemde een com-
missie, bestaande uit oude schepenen en ingezetenen, om een oordeel
over deze kwestie te geven.
Nu verklaarde deze commissie, dat de hooge jurisdictie toekwam aan
de grafelijke schepenbank en de lage jurisdictie aan den voogd. Theo-
doricus had wel het recht om alle andere gevallen van buitensporig-
heden en misdrijven zijner laten of bewoners van de laatgoederen te be-
rechten, maar niet die van vreemdelingen en van personen buiten de

112
De schepenen werden hoogstwaarschijnlijk door den Landheer voor
hun leven benoemd, aanvankelijk tenminste, later is daarin verandering
gekomen en verkregen zij het recht van coöptatie. Maar niet alleen
kwam er verandering in de wijze van benoeming der stadsbestuurders,
hun aantal werd ook uitgebreid. Zoo vinden we reeds in het jaar 1329
gesproken van „burgemeesters, die scepenen en de rait van Roermond".
Het betrof hier een overeenkomst over het onderhoud van twee dijken,
welke in de Roer gelegd waren.
Dus reeds binnen een eeuw, wanneer precies is niet meer met zekerheid
te zeggen, maar stellig in 1329, bleek de aanvankelijke eenvoudige regee-
ringsvorm niet meer voldoende en onderging het stadsbestuur een mer-
kelijke uitbreiding. Ook deze nieuwe functionarissen werden waar-
schijnlijk aanvankelijk door den Landheer benoemd, doch in een privi-
lege, door Reinald III in 1371 aan de stad geschonken, werd hierin ver-
andering gebracht en vergunde deze aan „syne lieve stat van Rure-
monde ende aen syne scepenen ende rait aldair, dat zich die vurss.
scepenen ende rait alse nu ontsetten suelen ende moegen eynen anderen
gansen stoel van scepenen ende raiden weder kiesen, welcke sullen
blijven sitten onontsatt also lange als sy leven". Bij openvallen van een
zetel, hetzij door overlijden of vertrek, mochten zij „eynen nieuwen
kiesen ende setten alsoe dicke alse des to duen is." Vóór het verleenen
van dit privilege zal het dus wel de Landheer geweest zijn, die deze
bestuurderen benoemde.
Zoo bestaat er ook nog een stuk, van den len November 1351 datee-
rend, met den volgenden omvangrijken titel: „Dyt is onser stat van
Ruremunde alt heerkommen, recht ende gewoente, dat ons alle onse
alde heren ind ouch dese lesten van derretijt dat onse stat yerst gevrijt
wairdt, geswoeren ind geloift hebben onverbreicklich te halden then
ewelicken dagen tue, alsoe lange als onse stat staen sall", waarin wel
een verkiezingsregeling van burgemeesters en raden te vinden is, maar
van een zoodanige der schepenen gezwegen wordt.
Weer een bevestiging van de veronderstelling dat de Landheer eertijds
de schepenen benoemde.
Dit stuk van 1351 is een in vele opzichten merkwaardig en belangwek-
kend stuk, waarin bestaand gewoonterecht in schrift wordt gebracht.
Ten eerste blijkt eruit de samenstelling van het Roermondsche stads-
bestuur. Dit bestond uit een schout, dertien schepenen, zes raden en
twee burgemeesters, welke beide laatsten op „sent Peters avont ten
setell" (21 Februari) telken jare hun rekening moesten afleggen voor
schepenen en raden. Na het afleggen van de rekening traden beide
burgemeesters af en werden nieuwe gekozen.
Beiden waren echter terstond herkiesbaar. De eene was de raits- of
ritzburgemeester, de andere de peiburgemeester. De eerste presideerde
den raad, vertoont dus in zijn functie overeenkomst met den tegen-
woordigen burgemeester, en den laatste kan men vergelijken met den
tegenwoordigen ontvanger; hij had de zorg over de inkomsten en uit-
gaven van de stad.


114
de besluiten van den Magistraat, dat staat vrijwel vast zelfs, maar niet-
temin was in 1691 door het overlijden van den schepen Johan Reinier
Duprée het getal schepenen reeds tot negen geslonken, en na dien tijd
vindt men ook geen hooger aantal vermeld
Gedurende de jaren 1737-1757 was de Magistraat samengevoegd met
het Hof van Gelre, hetgeen hieronder nog nader zal worden besproken.
Behalve de hiervoren reeds genoemde leden van het stadsbestuur,
Schout, Schepenen en Raden, en twee Burgemeesters, waren er ook nog
twee Secretarissen en het college der Tienmannen.
Reeds in het oude stuk van 1351 wordt melding gemaakt van een schrij-
ver, doch dan duurt het lange tijd voor we weer iets van dezen functio-
naris vernemen. Tot hij in de eerste helft der 16e eeuw opnieuw in de
bronnen opduikt en dan wel onder den naam van secretaris. Dan is er
ook niet een, maar zijn er twee secretarissen. Gewoonlijk waren dit
geschoolde juristen, al of niet in het bezit van een akademischen graad.
Hun functie is een voortdurende; zij traden niet zooals de Burgemees-
ters telken jare af, doch werden evenals de Schepenen voor het leven
benoemd. Vaak werd het ambt van Schepen en Secretaris door eenzelf-
den persoon vervuld. Hoe precies de verdeeling der werkzaamheden
der beide stadssecretarissen is geweest, is niet meer nauwkeurig na te
gaan. De oudste hunner was nevens secretaris der stad tevens secretaris
van de Staten van het Overkwartier.
In de z.g. Donderdags-Protocollen, zoo genoemd naar den wekelijk-
schen vergaderdag der Roermondsche Raden, een soort notulen van die
vergaderingen, vinden wij een besluit van 1694, om één secretarisplaats
na den dood van den secretaris Arnoldt Collart te supprimeeren. Even-
wel staat in diezelfde protocollen, dat in het jaar 1698 nog oneenigheid
was over het vergeven van de tweede secretarisplaats der stad. Men
hield zich blijkbaar niet aan dat oude besluit.
Nu daareven de Donderdags-Protocollen ter sprake kwamen, is hier
wel gelegenheid, er een paar woorden over tusschen te voegen. Het zijn
de handelingen van den Magistraat van Roermond, aangeteekend door
den Secretaris; zij zijn uitstekend bewaard en nog volledig intact. Zij
geven ons een beeld van het Stadsbestuur vanaf 1596 tot den Franschen
tijd. Het hing van het oordeel van den boekenden Secretaris af of iets
al of niet in de Handelingen werd opgenomen. Het is daardoor natuur-
lijk mogelijk, dat er voor ons nu belangrijke aangelegenheden, niet in
zijn vermeld; de Protocollen geven geen getrouw spiegelbeeld van de
handelingen van den Magistraat. Niettemin krijgen we er wel een in-
zicht door in de verschillende werkzaamheden van het bestuur der stad.
Men krijgt zoo nu en dan den indruk, dat de Roermondsche burgers
zich niet beijverden de geboden en verboden van hun overheid op te
volgen, daar we soms jaar in jaar uit de herhaling van zoo'n zelfde
verordening vinden. Zoo b.v. het verbod om St. Martinusvuren te sto-
ken of St. Janskransen te hangen en stroodaken te hebben en meer
dergelijke.
De Gilden, die in het algemeen in deze streken geen grooten invloed


116
De functies van den Raad waren ook van administratieven aard en
onder dat opzicht dient vermeld te worden het registreeren van regle-
menten en ordonnantiën van den Vorst komende; hij beval er de ge-
wone afkondiging van en gaf ze vervolgens over aan de beambten van
de heerlijke geregten om afgekondigd te worden. Als leenhof behartigde
het de rechten van den souverein als leenheer, o.a. registreerde het de
verheffingen, overdrachten en bezwaringen van leengoederen.
Als nieuwe bepaling in de instructie van 1609 komt o.a. voor, dat de
partijen eventueel voor den Raad zouden moeten verschijnen om daar
zoo mogelijk, wat men tegenwoordig zou noemen, een schikking te
De nieuwe instructie bevredigde noch de Staten, noch de Steden, waar-
treffen.
om de Aartshertogen den Raad opdroegen een voorstel tot verbetering
te doen. Men kantte zich vooral tegen de vonnissen door de rechters
ten plattelande gewezen. Daarom werd den 16den September 1613, na
overleg met den souvereinen Raad, de Gedeputeerden van den Ridder-
stand en van eenige Steden, op aanraden van den Geheimen Raad een
ordonnantie over de Revisie uitgevaardigd, volgens welke de vonnissen
in burgerlijke zaken, door Schepenen of Wethouders, Regters van de
eerste instantie gewezen, bij de eerste kamers van den Raad voor hoo-
ger beroep of revisie vatbaar waren, indien zij de som van tweehon-
derd gulden in kapitaal te boven gingen.
Na den Spaanschen Successieoorlog werden aan het Geldersche Over-
kwartier aan alle kanten stukken ontnomen, zoodat na het sluiten van
de verschillende tractaten het Oostenrijksch Overkwartier van Gelder-
land zich niet verder uitstrekte dan Roermond en aanhoorigheden, de
Dorpen Swalmen, Elmpt, Niederkrüchten, Oberkrüchten en Wegberg,
de Heerlijkheid Daelenbroek, bestaande uit de dorpen Herten en Maas-
niel, de Heerlijkheid Weert, bestaande uit de Stad Weert en aanhoorig-
heden, de dorpen Nederweert en Leveroy en de Heerlijkheden Wes-
sem en Meyel. In de verschillende afgesplitste deelen werden aparte
Gerechtshoven opgericht, terwijl in het Oostenrijksch gedeelte de Sou-
vereine Raad bleef bestaan, in het decreet van Karel VI in 1720 Provin-
ciale Raad van Gelre genaamd, welke benaming echter nooit door den
Raad is aanvaard. Deze bleef zich tot zijn opheffing Souvereine Raad
noemen.
De Raad werd toen als volgt samengesteld: een Kanselier (tevens Luite-
nant der Leenen), twee Raadsheeren van den korten tabbaard en drie
Raadsheeren van den langen tabbaard, een Fiskaal en eenige lagere
beambten.
Er moest altijd minstens één Raadsheer van den korten tabbaard op de
zitting aanwezig zijn.
De nieuwe regeling voldeed echter evenmin. Het liefst had de Keizer
(Karel VI) zonder veel omslag Hof en Magistraat van Roermond tot
één College willen versmelten, doch hij zou daarmee in botsing zijn ge-
komen met de privileges. Daarom werd eerst toestemming door het
Generaal Gouvernement te Brussel aan de Staten gevraagd, welke toe-
stemming door deze werd verleend.

118
De tweede Kamer mocht ten getale van drie of vier Rechters vonnissen,
om de eerste Kamer steeds voltallig te doen zijn.
De beide Kamers traden ook wel vereenigd op, en wel in crimineele
zaken en voor de behandeling van de collatiën en provisiën der be-
De Instructie bevatte verder nog tal van voorschriften betreffende de
dieningen.
geheimhouding aan de Leden van den Raad, de Griffiers - er was aan
iedere Kamer een Griffier verbonden - en de klerken ter Griffie op-
gelegd, wraking van de Raadsheeren op grond van te nauwe bloed-
verwantschap met de partijen, de tractementen van den Kanselier, de
Raadsheeren, Griffiers, Ontvanger en Deurwaarders, de zittingsdagen
- dat waren alle dagen behalve de Zon- en Feestdagen -, de vacan-
tiën, welke duurden van altera Thoma (22 December) tot altera regum
(7 Januari), van Palmzondag tot beloken Paschen, terwijl met goedvin-
den van Kanselier en Raden, ook nog een maand vacantie in den oogst-
tijd werd gegeven.
De advocaten werden bij den Raad beëedigd.
De wijze van procedeeren komt nog in vele opzichten overeen met de
huidige; de functies van advocaat en procureur werden toen algemeen
en zoo ook bij den Souvereinen Raad door verschillende personen
De advocaten bij het Hof genoten vrijdom van zekere plaatselijke be-
uitgeoefend.
lastingen. Daar hun aantal echter steeds grooter werd, werd in de
Ordonnantie van 1683 bepaald, dat slechts de tien oudste advocaten
dezen vrijdom zouden blijven genieten. Hieruit blijkt wel, dat het totaal
aantal hunner niet klein was, te meer als men de veel geringere be-
volkingsdichtheid in aanmerking neemt. Hun aantal is blijkbaar in
den loop der tijden niet afgenomen, want in een almanak van 1794
vinden wij nog 35 advocaten vermeld.
Ook andere voorrechten en titels waarop de advocaten aanspraak
maakten in hun hoedanigheid, werden hun in 1695 en wel bij vonnis
van den Raad ontzegd.
De nieuwe regeling, ofschoon deze er niet kwaad uitzag, en daarbij uit
economisch oogpunt aanbevelenswaardig was, voldeed niet.
Aan de nieuwe Landsvrouwe, Maria Theresia, die in 1740 als keizerin
Karel VI opvolgde en in 1744 als Hertogin van Gelre plechtig werd
ingehuldigd, werden vele klachten gericht over het onvoldoende zijn
van de nieuwe inrichting. Maria Theresia had daar wel ooren naar; haar
positie was niet sterk genoeg om talrijke ontevreden onderdanen te
hebben.
In 1750 vaardigde de Keizerin een decreet uit, waarbij zij verbetering
in den toestand toezegde. De klachten waren vooral hierop neergeko-
men. Het personeel was te klein in aantal en de renteniers, goede bur-
gers en kooplieden waren geheel zonder invloed op het bestuur en de
bedieningen der stad. Daarom zou de tweede Kamer worden versterkt
met twee Raadsverwanten, jaarlijks uit den stand der renteniers,
goede burgers en kooplieden te vervullen. Verder zou de Raad worden

120
welke opstand in het eind van het jaar 1789 de Keizerlijke Regeering
noodzaakte het land te verlaten.
Een minder aangenaam avontuur beleefde de Kanselier Luytgens als
gevolg van den opstand. Hij werd n.l. in November 1789 op last van
Generaal van der Mersch naar Weert gevoerd en van daar naar Brussel,
waar hij tot het jaar 1791 in bewaring bleef. Met hem waren tevens
gevangen genomen de Raadsheer en Momboir Stuers en de Griffier van
der Renne van den Raad van Gelderland. Zij konden reeds in Februari
1790 terugkeeren. Door de heerschende verwarring werd de regeerings-
vorm in deze jaren telkens gewijzigd.
20 Mei 1790 werd de Magistraat weer samengesteld als voor de rege-
ling van 1783.
Reeds 6 December d.a.v. werd, na het verlaten van de Brabantsche be-
zetting, te Roermond een manifest van Keizer Leopold II, die inmiddels
Joseph II was opgevolgd, afgekondigd, dat hij de Constituties en pri-
vileges, die in werking waren onder de Regeering van Maria Theresia,
zou handhaven.
Na den terugkeer van den Kanselier Luytgens herstelde deze zoowel
Magistraat als Hof van Gelre, door het aantal opengevallen plaatsen
weer te doen bezetten.
Spoedig naderde het einde van het Oostenrijksch Bestuur. In 1793
namen de Franschen reeds voor een korten tijd Roermond in, waarna
de Oostenrijksche troepen het weer heroverden. In 1794 volgde inlij-
ving bij Frankrijk en daarmee hadden de bestaande bestuurs- en rechts-
instellingen der Stad afgedaan.

III.

Hier dient nog iets te worden opgemerkt over de voornaamste rechts-
bronnen, die in de latere Middeleeuwen en in den nieuweren tijd tot het
Fransche bestuur gegolden hebben.
Zooals we reeds vroeger hebben gezien, was het voornamelijk ge-
woonterecht, later vooral neergelegd in het Alt Heercommen van de
Stad Ruremonde en de privileges.
In 1531 vaardigde Karel V een Edict uit waarin hij beval alle costumen
op schrift te stellen. De Ridderstand en de Steden van het Overkwar-
tier gaven hieraan gehoor en vormden plannen om een ontwerp te ma-
ken, welke tot een gedeeltelijke uitvoering kwamen. Doch verschillende
omstandigheden, de voortdurende binnen- en buitenlandsche oorlogen
waren oorzaak, dat de uitvoering geen verderen voortgang had, tot ten
slotte in 1611 de Hooge Regeering ingreep en gelastte, dat er binnen zes
maanden een ontwerp gereed moest zijn en - de stok achter de deur -
zoo de Steden en Kastelenijen niet gereed waren, zij een commissaris
zou zenden, die het ontwerp zou maken.
Nu viel den Syndicus van den Souvereinen Raad, Tilman Bree, de eer
te beurt, om het oorspronkelijk ontwerp na te zien, en met behulp van
het gewone recht der naburige landstreken, een nieuw ontwerp samen

122
IV.

Evenals elders bij en door de opkomst der steden verscheen ook in
Gelderland het instituut van een standenvergadering of Staten in dien
tijd. Roermond was reeds vroeg de hoofdstad van het Overkwartier
en als de grootste stad en de tweede in rang in geheel Gelderland be-
kend. Reeds onder de hertogen hadden die hoofdsteden deel aan het
landsbestuur; met haar raadpleegde de vorst over de gewichtigste aan-
gelegenheden en vaak oefenden zij daarop een grooten invloed uit
Wanneer er over de algemeene belangen moest gehandeld worden, wa-
ren zij het, die, nevens de ridderschap, ook de kleine steden opriepen
om haar raadsvrienden ter landdagvaart te zenden; zij verzekerden de
uitvoering der kwartiersbesluiten en vertegenwoordigden bij menige
gelegenheid dat gedeelte van het gewest, hetwelk aan haar den naam
ontleende. De Staten van Gelre en het Graafschap Zutphen werden
samen vertegenwoordigd door de Bannerheeren, gemeeneridderschap
en negentien steden. Elk der vier kwartieren, dus ook Roermond, had
geruimen tijd zijn bijzonderen landdag. De algemeene landdagvaart was
ten tijde van Karel V nog geen vast college.
De geestelijke stand had in Gelre geen zitting in de Standenvergade-
ring; alleen Steden en Ridderschap hadden er hun vertegenwoordi-
gers in.
Bij decreet van 3 November 1687 vaardigde Karel II uit, dat de Bis-
schop van Roermond, met den Deken en een Kanunnik, provisioneel
werden toegelaten in de vergaderingen van de Staten als Kerkelijke
leden.
Reeds 30 October 1688 decreteerde Karel, dat de Staten zonder de gees-
telijken konden vergaderen. In 1689 werd dit decreet nogmaals be-
vestigd. De Bisschop pretendeerde evenwel het recht te hebben aan de
Statenvergaderingen deel te nemen, waar de Staten een paar maal tegen-
op kwamen, zoo de laatste maal in 1694. Waarschijnlijk heeft toen de
Bisschop geen verdere pogingen meer aangewend.
De Staten van het Overkwartier zijn onder de Spaansche en Oosten-
rijksche dynastie blijven voortbestaan.
In de gewichtige aangelegenheden werden de Staten geregeld geraad-
pleegd. We zagen reeds, hoe de Staten een daadwerkelijk aandeel heb-
ben gehad in de totstandkoming van het Geldersche Landrecht. Zoo
ook behoefden de inwoners van het Overkwartier geen belastingen te
betalen, die niet door de Staten waren goedgekeurd.
In den Spaanschen tijd vertegenwoordigden de Staten nog een vrij
groot grondgebied; het overkwartier omvatte toen Roermond, Venlo,
Gelder, Erkelens, Straelen, Wachtendonk, Echt, Nieuwstad en 62 Heer-
lijkheden.
Volgens de kwartierrecessen 1632-1644 zijn de Staten van het Over-
kwartier tijdens het Staatsche bewind (1632-1637), vertegenwoordigd
geweest op den Gelderschen Landdag, die te Zutphen werd gehouden
in 1633. Van eene vertegenwoordiging op latere landdagen is er geen
spoor. In de jaren 1702-1716 hebben de Staten van het Overkwartier

124
Brugge en Roermond tot een enkele Kamer met 4 rekenmeesters, 4
auditeurs en 1 griffier, waartoe genomen werden de oudsten in bedie-
ning, terwijl de superintendant van Roermond eerste rekenmeester zou
zijn. De eerste vergadering had plaats te Brussel, 29 October 1681; de
superintendant van Roermond of de eerste rekenmeester woonde deze
vergadering niet bij. De Kamer van Brugge-Roermond moest in het-
zelfde gebouw, doch in een afzonderlijke kamer als de Rekenkamer van
Brabant vergaderen. Van 1681 verdween alzoo de Rekenkamer uit Roer-
mond. Zij was gevestigd geweest in een gebouw, gelegen aan de tegen-
woordige Lindanusstraat (Hegstraat).
Den 16den Januari 1684 wijzigde Karel II zijn beschikkingen van drie
jaren tevoren.
De Geldersche Kamer werd gescheiden van de Vlaamsche te Brugge
en werd vereenigd met die van Brabant. De superintendant van Gelder-
land zou eerste rekenmeester zijn, doch na zijn dood zou de oudste
Geldersche rekenmeester slechts rang en zitting hebben na dien van
Brabant en Luxemburg.

LIJST van de namen van Burgemeesters van Roermond, in hoofdzaak
ontleend aan de aanteekeningen van wijlen den Heer J. B. SIVRE.
(Vanaf 1543 zijn deze aanteekeningen vrijwel aaneensluitend).

Hendrik op 't Oirt, 1329.
Emont van Effelt, 1351.
Willem Kellener, 1447.
Johan van der Kraecken, 1459.
Dederik Hoifft, 1469.
Arnold Neutkens, 1494.
Johan Mereell, 1523.
Palyck van Camphuysen, 1533.
Hendrik van Wessem, 1534.
Wilh. van Huschaeven, 1543, 1558, 1563.
Arend van Dursdaell. 1544, 1549, 1556.
Reyner Hillen, 1546, 1553
Johan van Lom, 1548, 1557.
Johan Drivener, 1554.
Gadert Mereell, 1555, 1559.
Dederik Hoifft, 1561, 1566.
Johan Hillen, 1562
Johan Buegell, 1564.
Lambrecht van Cruchten, 1560, 1565, 1570.
Gerard Kremer, 1567.
Gerard van Hammerstein, 1568.
Godard Mereell, 1569.
Dederich Koich, 1571, 1575.
Dederik Puytlinch, 1572.
Johan Vinck, 1573.
Andreas Busch, 1574, 1585 †, opgevolgd door Johan Hillen de jonge.
Frans van Hueckelhoven, 1576.
Korst Ruitzen, 1577
Blesy van Vegersheym, 1578 (usurpator).
Steffen van Herteveldt, 1579
Dederich in den Maen, 1580.
Jacob van Lom, 1581, 1586, 1591.
Johan Hillen de jonge, 1582, 1587, 1594, 1602.
Arent Goltstein, 1583.
Johan van Nederhoven, 1584, 1589
1597, 1603, 1608 †, opgevolgd door Gerhard Cox Janszoon.
Mr. Johan van Campen, 1588, 1593, 1604.
Goddart van Cruchten, 1590.
Mr. Gerhart Maissen, 1592.



126
A. H. Th. Michiels van Verduy-
nen, 1820-1822;
Jos. Janssen, 1822-1823.
Jhr. J. A. F. de Pollart, 1824-1828.
G. T. van der Renne, 1829-1830.
J. L. M. Leclercq, 1831-1842.
Jhr. M. F. J. Petit, 1843-1849.
C. T. Leurs, 1849-1856.
L. F. H. Beerenbroek, 1856-1875.
Mr. Hubert Joachim Brouwers,
1875-1884.
H. F. Andriessens, 1884-1889.
G. Diepen, 1889-1891.
Mr. Louis Geradts, 1892-1893.
G. R. C. M. Raupp, 1894-1907.
J. L. Th. Sanders 1907-1927.
J. A. H. Steinweg, 1927-1929.
Mr. M. A. M. Waszink, 1929 -.







































128
had hij, naar alle waarschijnlijkheid zeker in dien tijd, ook de hoogere
rechtspraak in zijn gebied moeten hebben. Wij houden hem dan ook
voor een ambtenaar van den graaf van Gelder, een meening, die door
Everssen en Meulleners in hunne Gemeentewapens van Limburg en
door Louis baron de Crassier in zijn artikel over de erfvoogdij in dl. 18
van het tijdschrift „Limburg”, wordt gedeeld. Voor die meening zou
overigens nog kunnen pleiten het feit, dat in genoemd jaar 1244 de
voogdij reeds in leen werd gehouden van den graaf van Gelder. Ten
slotte kwam de positie van den oudst bekenden voogd, Goswinus de
Berentrode, niet overeen met den rang, dien een kerkelijk voogd ge-
woonlijk had. Goswinus immers behoorde tot de ministeriales, d.i. de
dienstadel, van den graaf van Gelder, terwijl de kerkelijke voogdijen
doorgaans slechts aan beduidend hoogeren in rang werden gegeven.
Of nu de graaf van Gelder oorspronkelijk de kerkelijke voogdij over
Roermond heeft uitgeoefend is mogelijk, doch zal, althans voorloopig,
wel een open vraag blijven, bij gebrek aan bronnen, waaruit dit op te
maken zou zijn
De voogd van Roermond was evenwel in het bezit van een gedeelte
der tienden en het vergevingsrecht der parochiekerk van St. Christoffel.
Hoe hij dan als ambtenaar van den graaf in het bezit daarvan gekomen
is? Dit zou zoo te verklaren zijn, dat n.l. de graaf, die oorspronkelijk
dit recht en die tienden had, deze, toen hij zijn plaatsvervanger, zijn
advocatus, te Roermond aanstelde hem met andere rechten het bezit
daarvan verleende tot diens onderhoud.
De eerste vermelding, in de nog bewaarde oorkonden, van een voogd is
uit het jaar 1191, in welk jaar Goswinus van Berentrode als zoodanig
voorkomt. Wij komen naderhand kort terug op de personen, die het
voogdambt hebben bekleed. Eerst zal het een en ander worden medege-
deeld over het gebied der erfvoogdij en de daaraan verbonden rechten.
Er zijn stukken bewaard o.a. uit de jaren 1599, 1608 en 1678, waarin
de grenzen beschreven worden. In de akte, waarbij Johan van Vlodrop
het vruchtgebruik der erfvoogdij aan zijn vrouw Elisabeth van Hanxler
toezegt, worden de grenzen wel het duidelijkste omschreven, waarom
wij ze hier laten volgen: „van de voorss. erffvoegdye (bedoeld is het
huis van den erfvoogd in de Voogdijstr.) affgaende, die rechte syde op
nae de Stege, daervan dat naeste huys eertyts geweest is dat huys ende
die rosmolen van Salwinkel tegens der vooghdye voorss. over by der
stadswall gelegen ende dye alsoo volgende, ende dan van daer die Swal-
mestraete af aen die rechte handt tot op die halffstraete te weten over
off op die zype, tot op die Opperpoort toe tot buyten Op. Van den
Visscherstoern aen de Roer ende allen die Maescant aff den geheelen
stroom tot Leeuwen toe".
De grens liep dus vanaf het huis van den erfvoogd langs het rechter-
gedeelte der Steeg- en Swalmerstraat, Markt, Kraan- of Opperpoort tot
den Visscherstoren, die bij de monding der Roer lag. Blijkens de ver-
klaring van 1678 moest men van daar dan een denkbeeldige lijn trekken
tot den Hornschen toren voor de vaststelling der grens aan die zijde.
Met de „Maescant" zal wel bedoeld zijn de oude Maas tot aan Leeuwen.

130
hun oordeel te vernemen enz. De grafelijke boden hadden geen recht
om de hoorigen, zich op hunne laatgoederen bevindende, zonder be-
geleid te zijn door den gerechtsbode der erfvoogdij, te arresteeren.
De voogd werd na de verleening van stadsrechten aan Roermond lang-
zamerhand verdrongen door de schepenen, maar behield niettemin
voorloopig nog een vooraanstaande positie. Hij bleef de „Praefectus
militum", aanvoerder der gewapende burgers, wanneer dezen den graaf
moesten bijstaan. Zoo vocht de voogd Theodoricus (IV) met de Gel-
dersche edelen in den slag van Woeringen in 1288, maar werd gevangen
genomen.
In de rymkronyk van Jan van Heelu betreffende dat wapenfeit heet het:

   „-- Her Geraert van Kelre, ende van Rumonde
         Die voget: dese bleven alle gevaen."

In lateren tijd was hij ook lid der Staten van het Overkwartier van Gel-
der. Als riddermatig lid daarvan was hij niet onderworpen aan de
jurisdictie van den Magistraat van Roermond, ook al woonde hij daar.
De visscherij van den voogd begon bij den z.g. Visscherstoren bij den
mond der Roer, tegenover het „Loyehuys“ en ging dan tot het dorp
Leeuwen. Voor de zalmvisscherij waren in de Maas z.g. „weren“ aan-
gebracht. Omtrent het recht van veerovergang der beide Maasarmen
ontstond herhaaldelijk dispuut. In 1610 maakte de voogd van Binsfeld
een overeenkomst met de stad Roermond, waarin o.a. betreffende het
veer het volgende werd bepaald. Burgers die 's Zondags of op feest-
dagen naar de Weerd of over de Maas gingen „spaceeren“ zouden vrij
zijn van veergeld. Zij echter, die voor hun handel passeerden, moesten
betalen. De Weerd is dus ook toen blijkbaar reeds het ontspannings-
oord der Roermondsche burgerij geweest. De echtgenoote van van Bins-
feld, Lucia van Vlodrop, was het met deze overeenkomst echter geens-
zins eens en protesteerde er heftig tegen, zoodat wij vermoeden, dat
ze geen effect zal gehad hebben.
Verder had de voogd de „visitatie van verdronken personen ende sche-
pen". Wat de personen betreft kwam dit hierop neer, dat de voogd
recht had op de eigendommen van opgevischte en onbekende personen
en tweedens, dat hij een recht mocht heffen voor het geven van toe-
stemming tot begraven. Dit laatste maken wij op uit enkele gegevens,
welke daaromtrent nog bewaard gebleven zijn. Zoo vonden wij o.a. in
1608 op 26 Maart, dat Peter Dirsen, schipper van Luik, waarvan een
kind in de Maas onder het gebied van den voogd was verdronken, aan
dezen een „erkentenisse“ moest geven van 3 kopstukken, een munt ter
waarde van ± 76 centiemen. Van deze drie werden er echter twee terug-
gegeven aan den vader, welke ze op zijn beurt weer aan de armen moest
geven tot lafenis der ziel. Het derde kopstuk behield de voogd, doch
ook weer om het aan een arme te geven.
Wat met de gerechtigheid op het Elmpterbosch bedoeld wordt is niet
duidelijk. Is dit wellicht een recht, dat aan de erfvoogdij gekomen is
van de familie van Vlodrop? In het necrologium van O. L. Vrouw Mun-

132
hecht. In geen dezer brieven komt de bijvoeging „des hoeffs tot Assel"
voor.
Hebben wij hier nu te doen met twee laathoven der voogdij? Eén te
Roermond en één zich noemende „Hoeff tot Assel(t)."? Men zou ge-
neigd zijn het aan te nemen. Akten, waarin laten der voogdij van den
hof van Asselt voorkomen na 1467 zijn ons onbekend en na 1500 heet
het kortweg: laten der erfvoogdij van Roermond, zoodat wij wel kun-
nen aannemen, dat, zoo er oorspronkelijk al twee laathoven geweest
zijn, deze later tot één vereenigd zijn.
Verder nog enkele namen van stadhouders, laatschepenen enz. van
de erfvoogdij. In 1558 was Wilhelm Pelser, stadhouder, in 1584 vinden
wij vermeld de laten: Peeter Joesten, Korst Ramaeckers, Bernt Pelser,
Leonaerdt van Kuyckhoven en den gerechtsbode Claes van Brughen.
De burgemeester Johan van Nunhem en Jan van Vucht zijn in 1636
laten, terwijl Corn. Henrici toen het ambt van secretaris vervulde. Dan
verschijnen in 1632 de advocaat Arnold van den Bergh als scholtis,
Gerard Spe en Jan van Vucht als laten en de procureur Johan Craen
als secretaris. De voornoemde licentiaat van den Bergh was in 1674
nog in functie als schout; laatschepenen waren toen Jan Claessen en
Christ. van Vucht, secretaris was Mom. In de jaren 1687 en 1695 vinden
wij als zoodanig J. T. Telesius. Peter Eckmans en Peter Slex noemen
zich in 1690 „schepenen“ der erfvoogdij en de advocaat Portmans was
in 1706 schout. Dat een gerecht, hetwelk zoo langen tijd heeft gefunc-
tionneerd zijne handelingen heeft opgeteekend ligt voor de hand, even-
wel is ons geen enkel stuk, tot het archief der erfvoogdij behoorend,
in handen gevallen.
De erfvoogdij was niet altijd een ideaal bezit. Proces op proces is ge-
voerd door den erfvoogd tegen de stad. Dan ging het over de jurisdic-
tie, dan over de visscherij, het veer, de „aanwassen“. Dan hadden de
varkens van den voogd op de stadsweide gegraasd, over het houden van
schapen in de Weerd, over pesthuisjes, welke de stad op den Molen-
griend liet plaatsen. Een lange rij van conflicten schier zonder einde.
Eindelijk in 1721 gebruikten beide partijen verstand en kwam er een ein-
de aan de ruzie, die van 1582 af constant geduurd had. Op 18 Maart van
eerstgenoemd jaar kwam een accoord tot stand tusschen de stad eener-
zijds en J. A., baron de Neerysche, den voogd, anderzijds. In het kort
komt dit hierop neer. De laatbank van den erfvoogd wordt opgeheven;
deze staat zijn recht af aan den keizer, regeerder der Oostenrijksche
Nederlanden. De jurisdictie over de goederen en bewoners der erfvoog-
dij, zoo binnen als buiten de stad, komt aan de schepenen. De voogd
behoudt: 1) het jus patronatus (patronaatsrecht) der kathedraal (paro-
chiekerk), 2) de „leenzaele”. Hiermede schijnt bedoeld te zijn de leen-
zaal d.i. het leenhof, dat aan de parochiekerk toehoorde. In de be-
schrijving der rechten van den voogd uit de jaren 1599 en 1608 immers
staat vermeld: „de kerk giffte van de parochie ofte moederkercke tot
Ruremunde met erffcijns, laeten ende onderleenen". Dat laeten ende
onderleenen zou dan slaan op „moederkercke“. Ook behield de voogd
zich in een schrijven d.d. 26 Maart 1721 voor, de verpachtingen van zijn

134
wien hij het in leen had als behoorende tot de erfvoogdij, terug-
gegeven. Hij is daar vermeld als „Theodericus de Ruremunde, dictus
advocatus", wat wel eenigszins vreemd aandoet. Later zijn deze rechten
weer teruggegeven aan de voogden, die tot in de 18e eeuw in het bezit
ervan bleven. In 1271 vinden wij voor 't eerst zijn zegel, dat in dit boek
wordt afgebeeld. Het vertoont in een zuiver heraldisch schild, een
prachtige gothieke lelie. Het omschrift luidt: „f S. Theoderici advocati
de Ruremunde". Het meet in doorsnede 5 c.M. Eenzelfde zegel hangt
nog aan een charter van 1286, zoodat wij mogen aannemen, dat deze
Theodericus zeker tot dat jaar voogd was.
Theodericus (IV). Naar zijn zegel te oordeelen is dit een ander geweest
dan de voorgaande. Dit vertoont ook wederom de lelie, doch meet
slechts 21/2 c.M. in doorsnede en heeft tot omschrift: „S. Th. advocati
d'Roremod'." Deze Theodericus komt tot 1303 in vele akten voor. Zoo
ook in een oorkonde van 12 Juni 1288, waarin hij zich verzoent met de
stad Keulen, wegens zijn gevangenneming in den slag van Woeringen. Hij
heeft dus vermoedelijk in Keulen gevangen gezeten. Dan vinden wij nog:
Bernardus van Beggendorf als Roermondsch voogd. In het register van
het leenhof de Koppelberg, onder Dieteren bij Susteren, staat als volgt:
„Item advocatus de Ruremunde Bernardus de Begendorp helt toe leen
sommigh guet geheytten dy tyende op Graet by Swalmen, van den
huys van Diteren nunc her Wylhem van Vloederop". Wanneer deze
Bernardus van Beggendorp voogd geweest is valt moeilijk te zeggen,
aangezien in dat leenregister geen jaar vermeld is. Wij vinden wel een
Bernardus van Bekendorp in 1276 en in 1277 een Rutger de Becgendorp
met Tiezo de Kerrike, beide castellani en ridders. In het jaar 1276, of
daaromtrent, kan hij bezwaarlijk voogd geweest zijn, daar dit toen
Theodericus (III) was.
Nu rijst de vraag, tot welk geslacht hebben al die Theoderici behoord?
Baron de Crassier meent, dat het van Daelenbroeck's geweest zijn.
Hiervoor voert hij op de eerste plaats aan, dat de heerlijkheid Daelen-
broeck een leen der erfvoogden (niet der erfvoogdij) was, waarvan zij
eerst in 1440 ten behoeve van den heer van Heinsberg afstand deden.
Een ander argument is de gelijkheid van het wapen der eerste erfvoog-
den en dat der Daelenbroecks n.l. de lelie. Dit is m.i. wel geen heel
sterk bewijs, daar de families v. Wachtendonk, v. Pellant, Kriekenbeck,
Asselt, van Eyll, Grefrath en Elmpt eveneens de lelie voerden. Baron de
Crassier veronderstelt dan, dat de erfvoogdij door een huwelijk van
eene van Daelenbroeck met een van Vlodrop naderhand aan deze laat-
ste familie gekomen is. Godfried van Vlodrop, die van 1339-1364 voor-
komt, is de eerst bekende voogd uit deze familie geweest. Hoewel
hieromtrent geen absolute zekerheid bestaat, zouden wij deze meening
kunnen deelen voor wat betreft de eerste Theodorici, die voogd waren.
De laatste echter, die wij naar zegel en oorkonden in het tijdvak 1288-
1303 kunnen plaatsen, kan m.i. reeds tot het geslacht van Kerken be-
hoord hebben. Reeds uit de gelijkheid der wapens heeft baron de
Crassier vrijwel zeker bewezen, dat de latere van Vlodrop's oorspron-
kelijk van Kerken's waren. Hij meent, dat de van Kerken's zich door

136
De eerste van Vlodrop, dien wij als voogd aantreffen is:
Godfried van Vlodrop (I), vermeld in akten uit de jaren 1339-1364.
Als voogd komt hij het eerst voor in 1351. Zijne vrouw was Agnes
(Nesa) van Apeltern.
Godfried van Vlodrop (II). Hij komt voor van ± 1369 tot ± 1405. Zijn
echtgenoote was Sophia van der Nuerstadt (Nieuwstad). Hij en zijn
zoon Gerard gingen in 1388 een vergelijk aan met de stad betreffende
het slechten van hun huis Buiten Inop, waarover hiervoor reeds gespro-
ken is. In de leenregisters van Gelder staat omtrent de voogdij voor het
eerst het volgende vermeld: „Die voochdye van Rurmund met erve,
guede, moilen, visscherien ende allen anderen tobehoren, ende dat huys
tot Dalenbroicke ontfinck her Godert van Vlodrop ridder ao. 1402." Om
verwarring te voorkomen wijzen wij erop, dat hier alleen genoemd
is het „huys“ te Daelenbroeck, niet de heerlijkheid, waarvan hiervoor
sprake is geweest. Godfried werd opgevolgd door zijn zoon:
Gerard van Vlodrop (I), welke de voogdij in 1409 ter leen ontvangen
heeft. Deze Gerard huwde in 1391 met Elisabeth, dochter van Godart
van Schönau en van een dochter van ridder Aegidius van de Weyer. Zij
sloten hun huwelijkscontract op 26 November van dat jaar. Als huwe-
lijksgoed bracht Gerard o.a. mee den hof van Asselt, met de tienden
van Graet, laten, keurmeden, visscherij, den tol en het recht van lijn-
paarden op de Maas. Hier is weer sprake van de tienden van „Graet“
onder Swalmen, die de voogd, Bernard van Beggendorf, vroeger in leen
hield van den hof Koppelberg onder Dieteren-Susteren.
In 1412 verkocht hij den St. Christoffelberg aan de stad. Deze bouwde
hierop een molen. Gerard van Vlodrop stierf in 1423 en legateerde aan
het Munster een aam wijn en aan het broederschap van O. L. Vrouw, 5
gouden rijders en een waskaars. Zijn vrouw Elisabeth is in hetzelfde ne-
crologium, waarin ook haar man vermeld staat, op 19 Augustus inge-
schreven als „Elisabeth de Vlodrop, geheeten van Wynantray advoca-
tissa Ruremundensis". Zij behoorde n.l. tot een tak der Schönau's, welke
heer van Wynandsrade waren. Na haar dood kwam de voogdij aan:
Willem van Vlodrop (I), broeder van genoemden Gerard. In 1429 is hij
het eerst vermeld. Hij was ook drossaard van Wassenberg en is tot kort
na Juni 1447 voogd gebleven.
Willem van Vlodrop (II), zoon van Gerard en Elisabeth van Schönau
volgt daarna op. Hij is zijn ouders niet direct opgevolgd, vermoedelijk
wegens zijn minderjarigheid. Zijn vrouw was Cecilia van Hamal-Elde-
ren. In 1450 heeft hij een reis naar het H. Land ondernomen tegelijk
met den hertog van Kleef. Hij bekleedde de functie van maarschalk van
Gelder en was ook drossard van het ambt van Montfort. In 1492 op
31 Augustus maakte Willem van Vlodrop voor den onderpastoor van
Montfort, Bernardus van Dulken, zijn testament. Zijn echtgenoote was
toen ook nog in leven. Tengevolge van den vroegtijdigen dood van zijn
zoon Gerard in 1480 volgt hem zijn kleinzoon:
Gerard van Vlodrop (II) op. In 1505 verschijnt hij voor 't eerst in een
akte als voogd. Hij verheft de voogdij eerst in 1529, de goederen n.l.
tot de erfvoogdij behoorend, schijnen in dezen tijd gezamenlijk bezit

138
een dochter van Gilis, maitre de camp van den gouverneur van Roer-
mond. Zij woonden vermoedelijk te Mulbracht, waar Christoffel op
24 April 1713 overleed. Hij werd echter in de kathedraal te Roermond
begraven. Zijn goederen kwamen krachtens het hiervoor aangehaalde
testament aan zijn zoon Conrardus Antonius. Deze stierf reeds op
11 Juli 1715 aan de pokken op 16-jarigen leeftijd te Roermond. De pas-
toor teekent bij zijn doodakte het volgende aan: „ultimus illorum de
Cortenbach de praefectura" (de laatste der Cortenbachs van de erf-
voogdij). Zijn goederen kwamen nu, volgens het genoemde testament.
aan zijn neef Max. Hendr. baron van Cortenbachvan Wissen. Deze
heeft den Donck op 16 Juli 1716 als een afzonderlijk leen, „gehoort heb-
bende onder het leen der erfvoogdye", voor het Hof van Gelder ver-
heven. (Leenregisters thans te Brussel).
Jan Albert baron Bouwens van der Boyen, Baron van Neeryssche is dus
van 1693 de eigenlijke erfvoogd. Hij vernieuwde zijn eed voor het Hof
van Gelder in 1700 toen hij meerderjarig werd. Ook hij had niet on-
verdeeld genoegen van zijn erfvoogdij. In 1712 werd het tweederde
gedeelte der tienden van Roermond, een bezit van den erfvoogd, voor
2127 gld. geveild. Om van conflicten met de stad af te zijn staat hij in
1721, zooals wij zagen, den laathof van de erfvoogdij daaraan af. Uit zijn
huwelijk met Maria E. A. R. baronesse van Gelder-Arcen had hij negen
kinderen, welke hij na zijn dood in 1728 in finantiëele moeilijkheden
naliet. In 1731 werd de voogdij dan ook verkocht en werd de Stad
Roermond, eigenaresse ervan. Op 9 April 1739 is zij officieel er-
mede beleend. Een goed jaar later wordt de erfvoogdij echter wederom
teruggekocht door de voogden der minderjarige
Theresia Carolina Bouwens van der Boyen, welke op 30 Mei 1741 stierf,
en opgevolgd werd door haar zuster:
Antoinetta Petronella Raba Bouwens van der Boyen. Zij was ook
vrouwe van Helden en stierf reeds op 20 Juni 1744. Daarna werd haar
zuster
Maria Barbara Luc. Em. Bouwens van der Boyen, baronesse van Nee-
rysche en Helden, de erfvoogdes. Zij was op 3 September 1722 gehuwd
met baron Karel Jos. d'Overschie. In 1746 was genoemde Maria Bar-
bara gestorven en volgde haar zoon
Jan Albert Renier Ysebrant baron d'Overschie de Neerysche etc. haar
op als erfvoogd van Roermond. Deze was gehuwd met Maria Isabella
Jos. van Nassau-Corroy. Hij stierf op 22 Mei 1774, waarna
Maximiliaan Emmanuel Mar. Jos baron van Overschie van Neerysche,
de laatste erfvoogd werd van Roermond. Hij huwde 6 Augustus 1800
Maria Th. I. C. L. gravin d'Argenteau d'Ochain, en stierf 30 Mei 1819.
Zijne weduwe hertrouwde Joseph M. J. S. C. Gh. baron van der Linden
d'Hoogvorst.
Hiermede eindigen wij deze korte uiteenzetting van een instelling, die
voortgekomen uit de middeleeuwen, tot den huidigen dag nog in zeke-
ren zin voortbestaat, al is 't ook slechts in den titel van „erfvoogd van
Roermond", die de familie d'Overschie is blijven voeren.


140
ingesloten door gebied, dat onder het gezag stond van den bisschop
van Luik. Dat was vooral hierdoor gekomen, dat het zich ten slotte
had moeten beperken tot die streken, waarvan Philips II de heerscher
was. De andere vorsten, wier gebied tusschen dat van Philips verspreid
lag, hielden vast aan hun oude bisschoppen. Zoo maakten o.a. het twee-
heerig Maastricht, het Guliksche Sittard, het Luiker graafschap Horn
en het Kleefsche Gennep geen deel uit van het eerste Roermondsche
bisdom.
Van het begin tot de opheffing zijn er in het geheel veertien bisschop-
pen geweest. Ziehier hunne namen en bestuursjaren: Willem van der
Lindt of Lindanus, 1563-1588; Hendrik van Cuyck of Cuyckius, 1596-
1609; Jacobus van den Borgh of a Castro, 1611-1639; Andreas Creusen,
1651-1657; Eugenius Albertus d'Allamont, 1659-1666; Lancellot de
Gottignies, 1672-1673; Reginaldus Cools, 1677-1700; Angelus graaf
d'Ongnies en d'Estrées, 1701-1722; Franciscus Ludovicus Sanguessa,
1722-1741; Joseph Anselmus Franciscus van Werbrouck, 1742-1746;
Joannes Antonius de Robiano, 1746-1769; Henricus Joannes Kerens,
1770-1775; Philippus Damianus van Hoensbroeck, 1775-1793; Johan-
nes Baptista baron van Velde de Melroy, 1794-1801.
Opmerkelijk is het, dat van die veertien bisschoppen slechts ééne uit
het bisdom zelve afkomstig was, n.l. de voorlaatste: Philippus Damia-
nus van Hoensbroeck, die een Roermondenaar was van geboorte. De
eerste drie waren Noord-Nederlanders, de bisschoppen Creusen en
Kerens Maastrichtenaars, en de overige Zuid-Nederlanders; van dezen
waren er zelfs vijf te Brussel geboren.
Met uitzondering van Reginaldus Cools, die uit den kleinen burger-
stand was, waren zij van adel of van deftige, voorname familie. Vóór
hunne verheffing tot bisschop behoorden zij op vier na tot de seculiere
geestelijkheid. Reg. Cools n.l. was Dominicaan, Ang. d'Ognies, Capu-
cijn, Franc. Lud. Sanguessa, Minderbroederrecollect en Henr. Joh.
Kerens, Jezuiet. De meesten hadden in het Kerkelijk Recht of in de
Godgeleerdheid een universitairen graad behaald.
De Roermondsche bevolking had slechts één keer het voorrecht getuige
te zijn van een bisschopswijding, t.w. op 10 Augustus 1721, toen Franc.
Lud. Sanguessa gewijd werd als coadjutor van bisschop d'Ongnies. Al
de anderen ontvingen hunne wijding in een groote stad buiten het
bisdom.
In vergelijking met de naburige bisdommen was het oud diocees Roer-
mond klein en onaanzienlijk. Daarenboven was het lastig te besturen,
omdat het in de 17de eeuw voortdurend door oorlogen werd geteisterd
en in de 18de eeuw zijn grondgebied grootendeels overging aan Protes-
tantsche Staten, zooals de Republiek der Zeven Vereenigde Gewesten
en het Koninkrijk Pruisen. Alleen de bisschopsstad met eenige kleine
plaatsen bleef onder het gezag van Katholieke Oostenrijksche vorsten,
die in de rechten en verplichtingen traden der Spaansche koningen.
Ook liet de dotatie van het bisdom veel te wenschen over. Bij de op-
richting waren weliswaar tal van kloostergoederen aan het bisdom toe-
gewezen, doch ten gevolge van allerlei omstandigheden was daarvan

142
Aanvankelijk bestond het Kathedraal Kapittel uit den bisschop en
negen kanunniken, van wie er drie moesten zijn van adel, drie doctoren
of licentiaten in het kerkelijk recht en drie doctoren of licentiaten in
de godgeleerdheid. Later werd het aantal kapittelheeren uitgebreid ten
gevolge der stichting van nieuwe kanunnikaten door Peregrinus Vogels,
Nicolaas van Elsrack en Jacobus van Breugel, zoodat er veertien waren
bij de opheffing van het bisdom.
De kapittelheeren waren verplicht dagelijks de getijden te zingen in
de kathedrale kerk. Hun kleeding bestond in zwarten talaar met wit
koorhemd en daarover droegen zij een zwart schoudermanteltje in den
zomer en een pelsmantel van hermelijn in den winter.
Het kapittel had geen proost. Toen het kapittel van den H. Geest om-
gezet werd in een kathedraal kapittel, lijfde men de oude proostdij in
bij het tafelgoed van den bisschop, zoodat de waardigheid van proost
verviel. Volgens de bulle, die de inrichting van het bisdom regelde,
moesten er echter vier waardigheidsbekleeders in het kapittel zijn n.l.
een aartsdiaken, een deken, een scholaster en een penitencier. De aarts-
diaken komt slechts voor in de eerste vijftig jaren, terwijl van den
penitencier in het geheel geen spoor te vinden is. De twee anderen zijn
er geregeld geweest. Van hen stond de deken het hoogst in aanzien en
de Regeering maakte zelfs aanspraak op het recht hem te benoemen,
omdat de Koning zich de benoeming van den eersten waardigheids-
bekleeder na den bisschop had voorbehouden. De scholaster had niet
meer het bestuur van een school zooals in de middeleeuwen; hij was als
zoodanig enkel belast met het toezicht op de scholen der stad en vooral
op die van de kathedraal.
Tot aan de opheffing van het bisdom zijn in het geheel 131 kanunniken
met name bekend. De eerste was bisschop Lindanus en de laatste Simon
Antoine Magnée, die zijn benoeming ontving, toen de Franschen reeds
in het land waren. Groot is het aantal geboren Roermondenaars, die in
het oud bisdom de waardigheid van kanunnik hebben bezeten. Zij
kwamen voort uit de voornaamste families der stad en onder hen treft
men zeer verdienstelijke mannen aan zooals Peregrinus Vogels, den
stichter van nog bestaande studiebeurzen, en Goswijn Frans de Bors,
den oprichter van het hospitaal generaal.
Daar de bisschop doorgaans verhinderd was persoonlijk recht te spre-
ken, richtte hij in 1569 te Roermond een kerkelijke rechtbank op. Deze
droeg den naam van officialaat en was belast met de behandeling der
geschillen en aangelegenheden van de geestelijken onder elkaar en van
de geestelijken met leeken. Verder moesten daarvoor alle zaken worden
gebracht, die betrekking hadden op de tienden, de beneficies, de testa-
menten, de huwelijken en andere H. Sacramenten.
Het rechtsgebied van het officialaat der bisschopsstad omvatte alleen
de Geldersche landen van het diocees. Daar de bewoners der landen
van Cuyck en van Valkenburg niet mochten gedaagd worden voor rech-
ters, die buiten het land woonden, werden voor hen afzonderlijke offi-
cialaten opgericht. Het Roermondsch officialaat bestond uit een offi-
ciaal, een promotor en een griffier of secretaris, die door den bisschop

144
bij het geloovige volk, om eenige jaren later in vergetelheid zijn leven
te eindigen.
Wij meenen geen afscheid te kunnen nemen van het oud bisdom Roer-
mond zonder eenige woorden te wijden aan twee bisschoppen, wier aan-
denken te Roermond nog bijzonder levendig is, n.l. aan Willem Linda-
nus en aan Damianus van Hoensbroeck. (Zie afb.)
Willem van der Lindt of Lindanus was de eerste bisschop, die te Roer-
mond zijn zetel vestigde. Dordrechtenaar van geboorte had hij reeds
als schrijver en als ijveraar voor het Katholiek Geloof een grooten
naam verworven, toen hij tot bisschop werd benoemd. Hij ontving de
H. Wijding te Brussel op 4 April 1563 en het is wel een teeken der treu-
rige toestanden op godsdienstig gebied, dat er nog zes jaren moesten
verloopen alvorens hij zich te Roermond kon vestigen. De gouverneur
en de Staten van Gelderland, de stedelijke magistraat en een van den
alouden godsdienst vervreemd gedeelte der bevolking waren niet ge-
negen hem toe te laten. Eerst na de komst van den hertog van Alva
in de Nederlanden kon hij op 11 Mei 1569 zijn plechtige intree doen in
de bisschopsstad. In een schitterende processie voerden hem het Ka-
pittel, de geestelijkheid en de magistraat der stad met een groote me-
nigte volks onder het luiden der klokken en het daveren van het ge-
schut naar de rijk versierde kathedrale kerk, waar hij de Pontificale
Mis zong en bezit nam van zijn zetel. Hij sloeg onmiddellijk de handen
aan het werk om de kerkelijke tucht te herstellen en om het voorvader-
lijk geloof, dat langzaam wegkwijnde, op te beuren en het nieuw leven
in te storten. Hij riep de geestelijkheid bijeen op jaarlijksche synoden
en trof er nuttige hervormingsmaatregelen, hij zelf nam deel aan het
eerste provinciaal concilie van Mechelen en hield persoonlijk de kerke-
lijke visitaties, eerst in het Noordelijk gedeelte en later in het Zuiden
van zijn bisdom. Daarenboven gaf hij tal van geschriften uit om de dwa-
lingen te bestrijden en de ware leer te verdedigen.
Het zoo krachtig begonnen hervormingswerk werd echter jammerlijk
onderbroken in het vierde jaar van zijn bestuur, toen Roermond ver-
overd werd door de troepen van Willem den Zwijger. Wel was het den
prelaat gelukt nog tijdig de wijk te nemen naar het Zuiden, doch toen
hij eenige maanden later, na het aftrekken van den vijand, terugkeerde,
vond hij de stad grootendeels verwoest, zijn woning geplunderd en een
groot aantal zijner vrienden gebrandschat of vermoord. Zijn hofkape-
laan Paulus van Waelwijck was op gruwzame wijze afgemaakt in het
ijselijk bloedbad, dat de woeste soldaten hadden aangericht onder de
vrome bewoners van het Karthuizerklooster in de Swalmerstraat.
De jaren, die nu volgden, waren jaren van onrust en van voortdurend
oorlogsgevaar: van een geregelde werkzaamheid kon geen sprake meer
zijn. In 1576 moest hij andermaal Roermond verlaten wegens de muiterij
der Spaansche troepen. Hij verbleef toen veelal in het buitenland, be-
zocht Rome en Madrid en behartigde er de godsdienstige belangen niet
alleen van zijn eigen bisdom, maar ook die van de Nederlanden en
de omliggende gewesten. Na een afwezigheid van bijna vier jaar keerde
hij in 1580 terug naar zijn zetelstad. Zijn werkkring had zich intusschen

146
in de wijsbegeerte te Aschaffenburg en die van de godgeleerdheid in
het college van den H. Apollinaris te Rome. Na zijn terugkeer in het
vaderland legde hij zich nog toe op de studie der rechten. Intusschen
was de jeugdige van Hoensbroeck al geruimen tijd in den geestelijken
stand getreden en had hij o.a. een kanunnikaat gekregen aan de dom-
kerk te Spiers. Hij vestigde zich in die stad en won er weldra alle harten
door zijn rechtschapen en innemend karakter, door zijn belangloos en
onpartijdig optreden, doch vooral door zijn groote liefde voor de armen
en de behoeftigen. Men zag hem dan ook zeer ongaarne vertrekken,
toen hij in 1775 benoemd was tot bisschop van Roermond als opvolger
van Henricus Johannes Kerens. Na de wijding ontvangen te hebben uit
handen van den vorstbisschop van Spiers deed hij op 30 October zijn
plechtige intree te Roermond. Met grooten ijver nam hij zijn bisschop-
pelijke functies waar. Geen inspanning was hem te zwaar, wanneer het
de belangen gold van zijn diocees. De geestelijkheid en het volk eerden
hem als een vader en weldoener. Evenals te Spiers zorgde hij voor de
armen en noodlijdenden en besteedde hij een groot gedeelte van zijn
inkomsten om hun lot te verzachten. Hij was tevens een beschermer
van kunsten en wetenschappen, zag zich gaarne door kunstenaars om-
ringd en bevorderde de beoefening der muziek in de bisschopsstad. In
den zomer vertoefde hij gewoonlijk op het kasteel Hillenrade in de
nabijheid van Roermond. Hij kwam dan 's morgens naar de stad, woon-
de de kerkdiensten bij in de kathedraal, werkte eenige uren met zijn
secretaris en keerde dan tegen den middag naar het zomerverblijf terug.
De laatste jaren van het episcopaat berokkenden den bisschop veel
verdriet en onaangenaamheden. Vooral bedroefden hem de hervor-
mingsmaatregelen van Keizer Joseph II, die inbreuk maakten op de
rechten van de kerk. In de Zuidelijke Nederlanden werd ten slotte
de bevolking zoo ontevreden, dat zij in opstand geraakte en zich ont-
trok aan het gezag van den verlichten despoot. Roermond sloot zich
aan bij de partij van den opstand, schafte de gehate nieuwigheden af
en herstelde alles op den vorigen voet. Joseph II overleed kort daarna
en de opgestane gewesten keerden weer terug onder de gehoorzaam-
heid der Oostenrijksche vorsten. Doch slechts voor korten tijd. In 1792
werd hun Belgisch gebied overweldigd door de Fransche Republikeinen
en tegen het einde van dat jaar verschenen zij ook te Roermond. De
bisschop had de wijk genomen naar Pruisisch Gelderland en bleef er
tot na den aftocht der Franschen in de lente van het volgend jaar, doch
nauwelijks teruggekeerd overleed hij reeds op 17 April. Zijn begrafenis
gaf aanleiding tot moeilijkheden, die tot gevolg hadden, dat de stad
Roermond niet de eer verkreeg het stoffelijk overschot te bergen van
een zijner beste zonen. Door een plakkaat was er het begraven in de
kerken verboden en nu liet het kapittel den prelaat bijzetten op het
koor der parochiekerk van Venlo, dat destijds onder het bestuur stond
der Staten-Generaal van de Vereenigde Nederlanden. De grafsteen met
wapens en opschrift, dien de familie liet plaatsen, werd in 1835 dieper
gelegd en door een nieuwen vloer aan het oog onttrokken.

148
van 2 Juni 1840 maakte paus Gregorius XVI van Limburg een afzonder-
lijk apostolisch vicariaat en tegen het einde van dat jaar droeg hij het
bestuur daarvan op aan deken Paredis van Roermond met de waardig-
heid van bisschop van Hirene i. p. i. Aldus werd Roermond feitelijk
het centrum van het kerkelijk bestuur in Limburg, doch een formeele
bisschopsstad was het nog niet. Dat werd het eerst in 1853, toen paus
Pius IX op 4 Maart van dat jaar bij breve „Ex qua die arcano" de
bisschoppelijke hierarchie in de Nederlanden herstelde. Toen werd het
bisdom Roermond opgericht als een der vier suffragaanbisdommen
van de kerkprovincie Utrecht en het kreeg tot grenzen die van de pro-
vincie Limburg. Mgr. Paredis, de apostolische vicaris, werd zijn eerste
bisschop. Over dien voortreffelijken leidsman en bestuurder, die het
grootste gedeelte van zijn leven doorbracht te Roermond, mogen hier
eenige bijzonderheden volgen. (Zie afb.)
Johannes Augustinus Paredis werd geboren in het stadje Bree, Belgisch
Limburg, den 28 Augustus 1795. Toen zijn ouders bemerkten, dat hij
teekenen van roeping tot het H. Priesterschap vertoonde, lieten zij hem
studeeren, eerst bij den pastoor van Ophoven en later in het Groot
Seminarie van Luik. Den 7 April 1821 werd hij priester gewijd door
Mgr. de Méan, aartsbisschop van Mechelen, die zelf in 1817 uit handen
van den laatsten bisschop van Roermond het pallium had ontvangen.
Daarop volgde reeds 11 Mei zijn benoeming tot kapelaan aan de Sint-
Christoffelkerk te Roermond, waar hij onder pastoor Matthei zijn pries-
terlijken arbeid begon. Weldra onderscheidde hij zich door zijn ijver
in de zielzorg en door zijn goed hart voor de armen. In 1827 werd hij
rector van de hulpkerk van O. L. Vrouw in het Zand en van daar werd
hij reeds het volgend jaar als pastoor overgeplaatst naar Herkenbosch.
Ook hier verbleef hij niet lang, daar hij al in Mei 1830 belast werd met
de pastoreele zorg der stad Roermond. De bevolking was met zijn
terugkeer ten zeerste ingenomen en bereidde hem een schitterende
ontvangst.
In hetzelfde jaar, waarin Paredis optrad als pastoor in de veste van
Sint Christoffel, brak de Belgische Revolutie uit en kwam Limburg, be-
halve Maastricht, voorloopig onder Belgisch bestuur. Die toestand
duurde ongeveer negen jaren. Het was niet een onder alle opzichten
gelukkige tijd. De geestelijkheid genoot wel is waar meer vrijheid, doch
van den anderen kant maakten liberalen en vrijmetselaars het haar
dikwerf zeer lastig. Pastoor Paredis, die bij het herstel der dekenaten
in 1833 deken was geworden, wist door beleidvol en verstandig optre-
den den vrede te bewaren en aller achting en liefde te verwerven.
Toen onze provincie onder Nederlandsch bestuur was teruggekeerd,
werd zij tot een apostolisch vikariaat verheven en groot was de jubel,
toen deken Paredis aan het hoofd daarvan kwam te staan en tevens
de bisschoppelijke waardigheid ontving. Men was algemeen verheugd,
niet alleen over de benoeming van een hoog vereerden geestelijke, maar
ook over het vooruitzicht, dat Roermond weer bisschopsstad ging wor-
den. Die vreugde uitte zich vooral door een grootsche feestviering bij
de plechtige bisschopswijding in de Sint Christoffelkerk op 30 Juni 1841.

150
de bisschopsstad. Zijn levenswijs was matig en sober en daardoor is het
te verklaren, dat hij, ofschoon niet krachtig van gestel, den hoogen leef-
tijd bereikte van bijna 91 jaren. Hij overleed te Roermond 18 Juli 1886
en hoezeer hij algemeen bemind en geacht was bleek uit de grootsche
deelneming bij zijn plechtige begrafenis. Hij kreeg een laatste rustplaats
in een monumentale grafkapel, die voor hem en zijn opvolgers werd
gesticht midden op de Roermondsche begraafplaats en in de nabijheid
van het heiligdom van O. L. Vrouw in het Zand. Om zijn nagedach-
tenis te eeren werd nog in later dagen zijn naam gegeven aan de Olie-
straat, waar hij als bisschop zijn verblijf had gehad te midden van het
Roermondsche volk.
Zijn opvolger was Franciscus Antonius Hubertus Boermans (1886-
1900). Deze was voor de Roermondenaars geen onbekende, daar hij
eerst 23 jaar als secretaris van Mgr. Paredis en later 8 jaar als plebaan
der kathedrale kerk in hun midden had gewoond. Hij was reeds in 1885
als opvolger aangewezen, toen hij benoemd werd tot titulairbisschop
van Thermopylis en tot coadjutor van Mgr. Paredis met recht van
opvolging. Na zijn dood werd een zoon van Roermond op den bisschop-
pelijken zetel van zijn vaderstad verheven, n.l. Josephus Hubertus
Drehmanns (1900-1913). Ook deze was reeds het jaar te voren aan-
gesteld tot titulairbisschop van Phacusa en tot coadjutor van zijn voor-
ganger met het recht van opvolging. Na zijn dood werd het bisdom
gedurende eenige maanden bestuurd door den vicariscapitularis Mgr
Paulus Mannens, die president was van het Groot-Seminarie. Eerst in
Maart 1914 werd tot opvolger benoemd Laurentius Josephus Antonius
Hubertus Schrijnen, die gedurende achttien jaren met krachtige hand
het bestuur voerde en, door volk en geestelijkheid diep betreurd, op
26 Maart van dit jaar overleed. Slechts korten tijd te voren was hem op
zijn verzoek, ter verlichting van zijn zware taak, als Coadjutor met
recht van opvolging aangewezen Dr. Josephus Hubertus Gulielmus
Lemmens, titulairbisschop van Cardica. De Heer schenke den nieuwen
kerkvoogd een vruchtbare werkzaamheid in lengte van dagen!
Ten slotte nog een enkel woord over de bisschoppelijke residentie, het
Groot-Seminarie en het Kathedraal Kapittel.
Aanvankelijk had Mgr. Paredis geen eigen bisschoppelijk paleis. Eerst
woonde hij in de St. Janstraat en daarna vestigde hij zich in een groot
en deftig huis in de Steeg. Eindelijk gelukte het hem een geschikt pand
met huis en tuin door aankoop te verwerven in de Oliestraat. Hij
richtte het in tot een waardig bisschoppelijk paleis en droeg het in
eigendom over aan het bisdom, zoodat het ook de residentie werd van
zijn opvolgers.
De eerste kerkelijke instelling, die door Mgr. Paredis in het leven werd
geroepen, was een Groot-Seminarie voor de opleiding en vorming der
geestelijkheid. Hij vestigde het te Roermond in de gebouwen van het
voormalig Karthuizerklooster, dat in de Swalmerstraat was gelegen.
Na de opheffing onder Joseph II was dit klooster tot verblijf aangewe-
zen aan de Norbertinessen van Houthem-St. Gerlach, om er uit te
sterven, doch toen het onder het Fransch bewind werd aangeslagen en

152
UIT HET VERLEDEN VAN
HET KERSPEL RUREGEMUNDE
door
E. JANSSEN C.ss.R.
DE LANDPAROCHIE - DE „MODERKIRCKE“.
D
E stad is als een Sphinx! Het plaveisel van dezen
bodem en geheel de omtrek zit vol met raadsels.
En het oudste raadsel is de parochie van de „villa"
met haar voogd. Zoolang wij in dien bodem niet veel en diep kunnen
peilen en graven, zal Roermond een sphinx blijven, die haar verleden
zwijgend bewaakt.
Het werd voor ons een studie en een ontginning op een zeer vreemd
terrein, waar geen bouwstoffen waren aangedragen.
Dit geldt vooral voor de thans geheel vergeten oerkerk en haar onbe-
kende lotgevallen. Want de gerestaureerde grafelijke Munsterkerk had
als bouwwerk 60 jaar lang zoozeer de aandacht in beslag genomen,
dat de parochiekerk geheel in de schaduw bleef, en eveneens alles wat
mét haar ontstaan en samengegroeid was. Misschien zal deze studie
ertoe bijdragen, om haar weer eens in het centrum der belangstelling
te plaatsen.

GELOOFSVERKONDIGING. - STICHTING. - PATROON.
De streek rondom „Ruregemund“ moet het eerst gekerstend zijn door
de Frankische*) missionarissen, die uit het Zuiden kwamen, en zal ver-
moedelijk gedeeld hebben in het eerste Evangelisatieplan, dat tusschen
Maas en Roer - o.a. de Jülichergouw, Wassenberg, Geilenkirchen, ver-
der Erkelenz en de Molengouw omsloot. Keulens diocees reikte tot
hier; zoodat Ruregemunds parochie in een latere periode komt te lig-
gen als op een knooppunt tusschen de bezittingen van drie bisdommen:
- het eene: Maastricht-Tongeren-Luik, in het zuiden; Utrecht in het
noorden en Keulen, het oudste, in het Zuid-Oosten. Waterloopen vor-
men meerendeels de grensscheiding van diocees en landdekenaat.
Er blijkt bovendien na 800 een onmiskenbaar stoffelijk en geestelijk
verband met Akens Mariastift; een rechtsverband ook met de Akener
Palts. Terwijl de villa van Echt behoorde aan het Kapittel van St. Ser-
vaas te Maastricht, had Aken rondom Roermond vele bezittingen.
Als wij omstreeks 690-700 hier de drie Iro-Schotten, S. Wiro, Plechel-
mus en Otgerus, den laatste aanvankelijk als diaken, aantreffen, hetzij
als reisgezellen, of als onmiddellijke voorloopers van S. Willibrord, -
waarvan wij de twee eersten beschouwen als chorepiscopi (hulpbis-
schop) zonder vaste residentie, - dan denken wij bij hun optreden
alhier, aan méér geregelde en gevestigde toestanden dan in het Noor-
*) en Iersche.


154
De voornaamste punten zijn nog niet, of soms geheel verkeerd belicht.
Daarom, al is er bij gebrek aan positieve bescheiden en documenten
een groote lacune in de historie dezer stad, toch wil het ons voorkomen,
dat het mogelijk is, - naar de Duitsche uitdrukking - dit „Loch“, _
een groot en „dauernd Loch" - te vullen, maar daartoe is noodig dat we
én de opvattingen van Sivré, van Everssen en Meulleners e.a. over dit
oudste tijdvak, én hunne methode loslaten; dat we niet meer stilzwij-
gend een streep halen door geheel het bestaan en het karakter van
Roermonds bodem tijdens de Karolingische en ná-Karolingische perio-
den. Dit gaat o.i. niet meer. Zoo is de stand der kwestie sinds 1928,
toen wij voor de eerste maal het kerspel in het licht plaatsten.

INSULA DEI SUPRA MOSAM.

De opgenoemde schrijvers hebben vergeten, dat daar, waar een Voogd
is, en een insula Dei, tijdelijk staande op naam van de geheele gemeente,
een Sint Christoffel als kerkpatroon, een kerk met een zóó groot, nauw-
keurig omschreven „district décimable", (vertiendbaar district), reeds
in de 11e en 12e eeuw; dat daar deze drie wezenlijke kenmerken van het
oud kerspel niet later, maar juist vroeger moeten tot stand zijn geko-
men: m.a.w. een toestand en een instituut, die niet reeds aanwezig
waren in de 9e eeuw, zouden er ook later niet meer komen.
Overigens in het begrip en in de beschrijving van „insula", waard en
middelweerd, hebben Everssen en Meulleners, e.a. na hen, zich ver-
gist. Het gaat hier niet zoozeer om het eiland, - d.i. alleen maar een
geografisch begrip, - maar om de Christelijke dedicatie of wijding;
en men denke hierbij aan een insula St. Stephani, - Stephanswert uit
het Breviarium fisci Caroli Magni - aan de insula Dei bij Arnhem, aan
Mariënweerd elders, en men late den nadruk vallen op de geestelijke
schenking, de godsgave, die het oude kenmerk was voor den gekersten-
den bewoner en den heer: - „De Godsweerd op de Maas.” -
Verder: de verplichting tot het betalen der tienden vestigde zich defi-
nitief in de eerste jaren der 9e eeuw. Het gebruik zelf bestond reeds
eerder bij de dotaties onder de Pepijnen. - De kerken nu, die wij in het
bezit vinden van een groot, goed omlijnd, vertiendbaar district, kunnen
van niet veel lateren tijd dateeren dan van het Karolingische tijdvak.
En dat wijzen de grenzen van Roermonds kerspel ook uit. De opper-
vlakte besloeg circa 1100 bunders, Leeuwen niet medegerekend.
Letten wij nu op het missiewerk onder de Merovingers, op dat van
St. Servatius, van St. Lambertus; op de naaste omgeving der gemeente,
d. i. Herten, Merum, Linne, Wassenberg, Odiliënberg, Asselt, Maas-
niel, enz. en op de keuze van den Kerkpatroon, den martelaar St. Chris-
toffel, dan meenen wij de eerste titel- en begraafkerk, ofwel de eerste
op leekendomein opgerichte bidplaats (oratorium) reeds vóór 800 te
mogen plaatsen.
Zéér vroeg immers was het de gewoonte, wanneer tot het cultiveeren
van een meer aanzienlijk klooster- of domeingoed met boschgrond
(rooiland) en weiden vele laten (coloni) zich bij en op dat goed vestig-

156
en titelkerken voor Roermond en Herten, Maasniel en Berg, heeft men
vroeg de limieten moeten vaststellen, om te kunnen constitueeren de
gemeentelijke en geestelijke jurisdictie van kerk en Schepenbank. Al
gaat de eerste buiten de grenzen der immuniteit waar zij lag, dit ver-
andert niets aan haar rechtsgebied.
Ook het vermogenscomplex, de kerkegift der parochie, moet evengoed
als dat van Herten, Maasniel en Berg, vroegtijdig zijn omschreven, en
onverminderd zijn gebleven, gebonden aan de grenzen van het kerspel.
Deze vallen grootendeels samen met die der tegenwoordige gemeente.

HET VERMOGENSCOMPLEX.

OUDSTE BEZITTINGEN DER MOEDERKERK.
Een duidelijk overzicht van de bezittingen der Moederkerk gaf in het
jaar 1787, in opdracht van de Oostenrijksche regeering: pastoor A. v. d.
Steenwegh; tegelijk somt hij de lasten op die hieraan verbonden zijn
Dit is de onveranderlijke kern van het vermogen: de dos ecclesiae of
kerkegift.

BEZITTINGEN DER MOEDERKERK VAN ST. CHRISTOFFEL.

. „Bezittingen, die bestaen in Heerlijke goederen ofte gerechtigheden
die een deel uitmaken van het Corpus der Pastorye.
1e. Heeft den canonick ende pastor ofte plebaen: het derde deel in de
thiende van het Ruremondsche veld, waarvan de Erfvoogt, den Heere
Baron van Overschie ende Ne(e)rijssche heeft de twee andere deelen;
des heeft den Erfvoogt twalf malder rogge en twalf malder gerst vóór-
uyt, wegens 't Vrijveld onder de dominatie van Zijne keiserlijke Majes-
teit in 't zelve Ruremondsche Veld gelegen. etc.
2e. Heeft den pastor een derde deel van een thiende gelegen in den Ru-
remondschen Weert onder't gebied van zijne keizerlijke Majesteit, waer-
van den pastor de thien laetste jaeren getrokken heeft jaerl. aen gerst
3 malder, aen spelt 2 malder, aen terwe 3 vat en aen boekweyt 3 vat, enz.
3e. Heeft den pastor een derde deel van een thiendje tot Leeuwen
onder 't district Maasniel en de dominatie van sijn keiserlijke Majesteit,
en heeft hiervan jaerlijks: 1 malder rogge, 11/2 malder gerst en 11/2 mal-
der boekweyt. De grootte des voorss. thiendens is mij niet bekent.
(Ook in Leeuwen had de voogd bezittingen).
4e. De abdije Munster alhier binnen Ruremunde moet jaerlijks ab im-
memoriali*) aen den tijdelijken pastor vijf malders terwe kluppelmaet
welke doen in de ordinaire maete: 4 malder, 4 vat; item vijf malder
kluppelmaet aen Rogge, uytmakende 4 malder 4 vat; item aen gerst vijf
malder volle maet en vijf malder haver volle maet, enz."
Bovendien:
II. „In vaste goederen: niet hebbende de natuer van Heerdije of Heer-
lijke gerechtigheid:
*) Sinds 1268.


158
den uithoek der stad de pastor plebium op zijn post en wijkt niet, tenzij
om even schuil te gaan voor de revolutie en spoedig terug te keeren,
en te wachten op een nieuwen staat van zaken, en een nieuwen
bisschop. - Een kleine, haast onmerkbare verschuiving van kerk en
pastorie in 1400. Dat is alles, wat de plattegrond ons leert.
De pastoorswal is er nog; hij is bewoond, en hij vernieuwde zijn aan-
schijn nog in de laatste decennia. Hij geeft den herder uitzicht op
den „Donck”. Van de Voogdij zijn de laatste sporen verdwenen.

LEENZAAL. HET PATRONAAT VAN DEN VOOGD.
De „patroon” heeft zijn glorietijdperk van overwicht en van vrijheid
al achter den rug wanneer 's Graven macht haar hoogtepunt nadert
in dit gedeelte van Opper-Gelder. Het jaar 1232 mag dan een jaar van
beteekenis, een mijlpaal in Roermonds geschiedenis geweest zijn, deze
ontwikkeling - of sprong - van „Villa” tot stad was voorloopig niet
in staat de kalmte, de loome rust te storen, waarin de bezitters van
de parochiekerk op den „meulenberg” zich bevonden.
Eeuwenlang had deze haar overwicht en haar kleinen omvang bewaard,
onder de beschermende hand van den Voogd, wiens bescherming zeker
wel eens te ver ging. Zelfs de schokkende feiten en datums, de eerste
berichten, geruchten en teekenen van emancipatie van 1218, 1219, 1220
en 1224 welke aller aandacht vestigden op een nieuwe onderneming,
een vrome stichting, een nieuwe immuniteit, binnen het „oppidum” te
plaatsen, het bouwen verder zelfs van het grafelijk Munster, konden
noch den „advocatus” noch den investitus bewegen hun eeuwenoud
standpunt van „primi occupantes" en van „possidentes" te verlaten.
Maar de groeiende burgerij, de handwerkersklasse zag de beteekenis. En
langzaam zouden beide, - vooral de eerste - in het nauw gedreven
worden. In de eene en ondeelbare parochie was een wig gedreven. Na
het eerste klooster, al was het voor adellijke vrouwen bestemd, zouden
gestadig meerdere stichtingen volgen, van eeuw tot eeuw, en zelfs in
sneller tempo. Afgezien van de Begijnen, met haar eigen pastor, en
van de Bogaerden, kwamen de Minderbroeders, de Kartuizers, de
Kruisheeren, de Reguliere Kanunniken, de Zusters van den Godsweerd,
die van Mariawee en Mariagaard, en eindelijk de Jezuieten op het ter-
rein. Het Kapittel van Berg met eigen immuniteit vroeg in 1360 be-
scheiden verlof aan den pastoor om een plaats in de gemeente bij de
oude H. Geestkapel.
De eerste decennia na 1200 brachten dus het eerste groote keerpunt.
De bodem van het Kerspel was nu niet meer uitsluitend wat hij een-
maal was in 700, 800 en 900, d.i. het koninklijk domein, het leekenbene-
ficie van den Voogd met uitgebreide macht en een zeker overwicht.
De groote geschiedenis van het Keizerrijk was intusschen daarover
heengerold, en bracht den investituurstrijd ook in dien stillen uithoek
van het Luiksche diocees. Deze bracht een stijgende macht van den
bisschop en den graaf, een steeds veld winnende macht van schout
en schepenen, en tenslotte de emancipatie van de handeldrijvende,
de industrieele „kerspelluden".

160
lijke ontvoogding heeft plaats eerst 45 jaar later; en zij beïnvloedde
de benoeming der persona. De zielzorg en de „cura reliquiarum" mee
te deelen, den pastoor kerkelijk instellen kwam toch alleen toe aan den
aartsdiaken. Zijne rechtshandeling komt echter ná die van den patroon,
- hetzij Munsterabdis of voogd. -
Nu wordt in 1268, in de acte van abdicatie, van hem niet geëischt dat
hij de decimae (tienden) afstaat, al wordt erkend, dat hij ze telkens
in leen ontvangt van den graaf.
Ondanks den officieelen afstand, bekend als de abdicatie van 1268 ten
behoeve van de Munsterabdis gedaan, bleef de Voogd zijn bevoorrechte
positie verdedigen en heeft ze blijkbaar hernomen na een eerste of
tweede pastoorsbenoeming door de abdis. Het ging immers om zijn
vermogen, zijn erfdeel, al beweert de Graaf in de oorkonde, dat de
Voogd alles, cijnsen, tienden e.a. goederen en het collatierecht, van hem
in leen had: „a nobis tenet in feudum”, en al verzaakt de Voogd:
ob remissionem peccaminum suorum, et antecessorum ipsius; d.w.z.
tot vergiffenis zijner zonden en die zijner voorgangers. *)
Het kerkelijk recht deed zich hier gelden. Men voelt den invloed van
het IVe Concilie van Lateranen en de nawerking der laatste uitspraken
en beslissingen van **) Paus Honorius III, en Keizer Frederik II. Maar
hiermee was de kwestie van rechtmatig of onrechtmatig bezit niet van
de baan. Het bewijs? Dat er altijd eenige onzekerheid en zekere tole-
rantie omtrent dit presentatierecht bleef heerschen, ook bij de hoogere
organen, als bijv. bij den bisschop van Luik en den Paus, blijkt nog uit
de vage en voorzichtige termen, welke Paus Paulus III bezigt in den
brief van 16 September 1538 waarin een nieuwe pastoor, Theodoricus
Haen, van het Luiksche diocees als coadjutor van Sint Christoffel
wordt gesteld naast pastoor Theodoricus de Putheo, wiens neef en
zusterskind hij was.
Bij het verleenen van dit beneficie herinnert de Paus eerst aan zijn
recht, n.l. dat hij de uitdeeler en beheerder is van alle kerkelijke bene-
ficiën, en spreekt dan verder over het leekenpatronaat van Roermond,
waarmee hij rekening moest houden, maar zóó dat hij niets positiefs
schijnt te weten uit de genomen informaties, nóch iets wil uitmaken:
- „qui seu que, - ut a nonnullis asseritur, - de Jure patronatus dilecti
filii nobilis viri Caroli, moderni et pro tempore existentis ducis Gel-
driae, seu aliorum laïcorum forsan nobilium, vel" etc.
Voorzichtiger en onbepaalder kan het niet. De paus laat dus hier de
oude kwestie over het collatierecht open, en maakt niets uit, blijkbaar
bij gebrek aan zekere gegevens. De woorden duiden er op, dat er zelfs
geen eenstemmigheid heerschte in Roermond. De traditie en de pres-
criptie wogen het zwaarst bij den Voogd; hij bleef als erfgenaam
van de villa, en van den „Saalhof” niet enkel zijn laatbanck, zijn
dienstmannen beheeren, maar ook rustig twee derde van de tienden

*) Het geval van Theodoricus stond overigens niet alleen cfr. M. S. P. Ernst. Hist.
du Limb. T. VI (25) no. XXII, 24 Juni 1268.
** ) P. Alexander III.


162
keizers, vooral onder de Ottonen en de Salische vorsten. Dit was b.v.
het geval met het prinsbisdom Luik, waaronder Aken en Roermond
ressorteerden, en ook met Utrecht. En dit kwam wel het meeste tot
uiting in de 11de eeuw (na 1050) bij den Investituurstrijd toen het
hoogtepunt van het conflict tusschen Paus en Keizer bereikt was. De
kleine heeren volgden de groote machthebbers na. De gunst des kei-
zers maakte velen zijner vazallen - niet allen - tot slaafsche werk-
tuigen en blinde volgelingen, ten nadeele van de vrijheid der Kerk.
Eenmaal emancipeerden zich o.a. de graaf van Gelder en de graaf van
Holland. Een klein monument nu van die tijdelijke dienstbaarheid der
kerk bleef tot bijna 1400 voortbestaan in de eigenkerk van den Roer-
mondschen voogd, op den Christoffelberg.

Dit stadsdeel heette van ouds „inop" of „ingenop”
De pastorie of weem -- „domus dotis" *) -- stond dicht bij het heeren-
huis, de sala, de opperhof, gerichtshof, waarbij nog kwam een laathof op
het Swaertbroek en een heerenhof op den Donck, in de Ruremondsche
Weerd. Het Atrium of kerkhof diende als vergaderplaats en dingplaats
tot lang na 1500.
Naast de kerk, en waarschijnlijk dicht aangemetseld bij het hoogkoor,
stond gedurende een paar eeuwen een cluyse, waarin nu en dan een
recluse zich liet insluiten, maar welker bestemming sinds 1500 onzeker
is. (Een tijdlang diende zij voor de Zusters Dominicanessen van Maria-
wee; later als school). Daar lag het oudste kerkhof. Daar en in St. Jacob
over de Roer, werd het eerste Kruis geplant. Daar werd de eerste doop-
vont opgericht, en verrees de eerste Romaansche dubbelkapel voor den
heer en zijn villabewoners. Was er dan geen „vicus“, geen vrije grond?

DE VOORSTAD.

We zitten hier nu onmiddellijk in een belangrijke vraag, die ieder ste-
denkenner zich zelven zal moeten stellen na aandachtige beschouwing
van het terrein aan weerszijden langs de Roer.
Wat zou het lot en wat zou de ontwikkelingsgang van Roermond ge-
heel anders geweest zijn, als niet de vrije vicus St. Jacob met haar
eerste Kruiskapel in zulk een onvoordeelige ligging was geweest ten
opzichte van het water, waarboven de molenberg uitstak, terwijl de
villa inop zoo gunstig geplaatst haar over het hoofd groeide.
Daaruit had anders een zelfstandige parochie, een stadswijk kunnen
groeien, aan de overzij van de oudtijds losse brug, gelijk dit in Wijk-
Maastricht en elders het geval was.
M. i. doet de stichting der Kruiskapel of St. Jacob met haar oorspron-
kelijke bewoners in oudheid niet veel onder voor buteninop. Maar
er was geen proportie in macht en industrie; de omwalling n.l. sloot
de levenskansen af, en St. Jacob zou eenmaal, na het wegtrekken der
Bogaarden, en ao. 1588 bij het leggen van de eerste vaste brug, voor

*) Wehdomb, 1586 Past. Wichardi.

164
is onbekend, maar het staat vast dat de synode werd vereerd met de
tegenwoordigheid van den voogd Theodoricus. De landpastoors van
zulk een district vormden meestal een „fraternitas" een soort „gebeds-
broederschap", met geregelde vergaderingen.
Bij de boven vermelde acte van afstand van 1268, waaromtrent we bij ge-
brek aan charters niet kunnen bewijzen, dat de voogd of zijn familie een
proces begon tot verdediging der privilegiën, rijst van zelf een andere
vraag: n.l. hoe de pastoor zich bij dat alles hield. Dit is evenmin te
De toenmalige pastoor van de parochie, Rutgerus (+ 1272) hetzij resi-
zeggen.
deerend of afwezig, - onderteekende de akte niet; - wel teekent, doch
meer als getuige, - een Arnoldus, investitus de Egch (Echt).
Zooveel is zeker, dat na eenige tientallen van jaren de oude verhou-
ding weer bestond, zoodat de vraag gewettigd is, of de abdis behalve
bij de benoeming van Magister Daniël, - die eerst pastoor in Herten
was, tot 1272, en van Henricus Ludolphi, in 1313, veel kans gehad heeft
voor de moederkerk nieuwe pastoors te presenteeren. Alleen in dat
jaar (1313) won zij het pleit tegen den candidaat van den Voogd, Joan-
nes de Schaephuysen, Kanunnik van O. L. Vrouw te Maastricht. Voogd
was toen Theodoricus of Chiso de Beke.
In 1283 rijzen de eerste moeilijkheden over de collatie. De kwestie werd
in der minne geschikt, en de voogd belooft, dat men de abdis, en den
door haar benoemden pastoor niet meer zal „molesteeren“. - Als een
vriendelijke attentie en tegenprestatie van de abdis wordt op den eer-
sten Dinsdag van Juli 1293, een broer van den voogd, Godefridus, deken
van het Akener Mariastift, door Godfried (Gerard) van Nassau, aarts-
diaken van Luik, voor de vacante plaats toegelaten, en nu op verzoek
der abdis zelve.
Toch zou dit collatierecht nog dikwijls genoeg stof leveren tot velerlei
conflicten tusschen de twee leekemachten, - wrijvingen, die éérst in
het jaar 1546 en opnieuw in 1684 uitliepen op langdurige processen; het
eerste voor Koning Philips II, en het tweede voor het Hof van Gelder
te Roermond gevoerd, resp. tusschen de pastoors Dederick Haen en
Coomans en de adellijke abdissen.
Verder laat men blijkbaar van kerkelijke zijde de voogdenfamilies on-
gemoeid in hun bezit van vermeende rechten. Hierop komen wij terug
in een volgende periode.
De emancipatie van 1232 was de erkenning van een recht, dat de meer-
derheid der burgerij zich door handenarbeid feitelijk reeds lang ver-
overd had. Deze vrijmaking ging niet geheel voorbij aan het parochie-
leven zonder diepe sporen na te laten.
Van het uiterst stille, onbewogen, rimpellooze leven van een dorpspas-
toor was de plebanus toch ongemerkt gekomen in de sfeer van een
bewegelijke, neringdoende burgerij, in het druk vertier van een handels-
stad, die in anderhalve eeuw tijds tot hanzestad zou groeien door hare
laken- en wolnijverheid.
Wat den kerkbedienaar niet was gelukt met een beroep op hoogere
motieven, daarin was de bevolking der parochie wel geslaagd; zich

166
als geldig excuus te worden aanvaard. De brief van 1 Juni 1391, door
den magistraat uitgegeven, doet ongeveer begrijpen, dat de kerk veel
te klein was, slecht onderhouden, en bovendien buiten de omwalling
of stadsmuur gelegen, op den winderigen molenberg, wat allerlei onge-
rief met zich meebracht.
Maar, wat tevens aangevoeld wordt, is dit. Men wilde uit de beklem-
ming geraken, en greep de gelegenheid aan, nu de kerk als mikpunt had
gediend, om deze voorgoed binnen de muren te leggen, verder van het
veer en de losplaatsen verwijderd. Het was de schippersbuurt, met
haven en café's.
Van 1344-1404 was Godefridus van Vlodrop prefectus civitatis of
voogd. Of deze patroon, die zoo vaak geschil had met de stad, enkel
lijdelijk mocht toezien, en zijn handen in onschuld kon wasschen, blijkt
niet. Hij zou er voortaan allicht buiten moeten blijven, als hij niet zijn
aandeel in de groote financieele lasten wilde dragen. Wat deerde het
hem, als hem het benoemingsrecht niet werd ontnomen, en men hem
2/3 uit de tienden liet behouden.
Iets beters moest er nu toch komen; dit zag ook hij in. Met dezen bouw
van circa 1400 waren dus niet zoozeer de voogd en de Graaf van Gelder
gemoeid, als wel de burgerij, de gemeentelijke autoriteiten en de pas-
toor zelf; verder de landdeken en de aartsdiaken van Kempenland.
Den Hertog van Gelder zien wij na 1472 actieven steun verleenen aan
de voortzetting van den bouw, als het gaat haperen aan geldmiddelen.
Hij constateert in zijn brief dat de „Moderkircke arm is” en laat daarom
munt slaan in de gemeente (zie: Bijdrage van Jhr. E. van Nispen tot
Sevenaer), - item ao. 1492. -
Waar zou men de nieuwe kerk plaatsen? Voor waterschade zou in elk
geval geen kans zijn, als men bleef op de hoogte van het marktplein,
boven 't niveau van de Kraanpoort. Hier was bouwterrein genoeg. Er
lagen aldaar moeshoven of tuinen. Maar daarmee was niet alles gezegd.
Voor zulk een kwestie liepen toen, nog meer dan heden de gemoederen
heet, en aan het verschil van opinie, dat van 1390-1400 de stad ver-
deelde, hebben wij het interessante rapport van een der bisschoppelijke
commissarissen te danken, waarin de beide strijdige meeningen en
veler wenschen worden toegelicht, met aan het slot een eigen, sterk-
persoonlijk oordeel van den commissaris, wien wij thans het woord
laten.
Het Luiksche officialaat had om advies gevraagd, en zijn man goed
gekozen. Deze is op de hoogte van den toestand in Roermond en van de
strevingen onder de burgerij. Men oordeele. Na terloops de kwestie van
het begijnhof behandeld te hebben, welke eigenlijk ook een parochie-
zaak was, gaat hij onmiddellijk over tot de hoofdzaak, den herbouw
eener moederkerk, met als filiaal de herstelde kapel van buiteninop. -




168
wijding krijgen met het oog op de toekomstige begrafenissen, en men
zou dan geen reden kunnen laten gelden, dat men een kerkhof noodig
heeft binnen de stad; want dit ééne zou doorgaan als een en hetzelfde
kerkhof voor moeder- en dochterkerk beide.
Heel geschikt (op passende wijze) zouden ook zij, die het wenschten,
in genoemde kapel hunne sacramenten - behalve die van het doopsel
en het H. Oliesel, - kunnen ontvangen, tenminste in de veronder-
stelling, en uitgaande ván de vereeniging en annexatie dezer kapel met
de Moederkerk. (Men houde in het oog dat zoowel de nieuwe Moeder-
kerk nog gebouwd, en de oude parochiekerk nog gerestaureerd moet
worden op dit tijdstip).
Wat nu aangaat het eerste voorstel, n.l. om een kerk met pastorie bin-
nen de stad geheel nieuw op te bouwen; zoo moet men, wat de kerk
betreft, vooral drie zaken weten:
le. dat men met den herbouw der kerk binnen den eerstkomenden
zomer een begin zal maken;
2e. men (zal) hoopt haar te voltooien, den toren niet meegerekend,
binnen drie of vier jaren. (Men moet dit laten beloven.) En men be-
hoort deze toezegging te doen onder voldoende waarborgen.
3e. zij zal geplaatst worden op een meer geschikte, passende en meer
eerzame plaats naar de aanwijzingen van onzen heer den Bisschop van
Luik, met toestemming van den pastoor en na raadpleging van voor-
zichtige en eerzame parochianen; ongeacht (zonder te letten) op de vele
opgenoemde plaatsen, en niettegenstaande de tegenovergestelde mee-
ningen omtrent de ligging der kerk. De redenen die tot een meer vol-
ledige inlichting dienstig kunnen zijn, worden hieronder aangehaald.
Eveneens is het met de pastorie; ofschoon sommigen meenen, dat,
wanneer de kerk naast en dichtbij de markt wordt geplaatst, het pas-
toorshuis dan heel geschikt op de vroegere (oude) plaats kan gezet
worden, - toch lijkt het mij niet passend, dat de bruidegom des nachts
van de bruid is afgezonderd; dat de herder van zijn schapen worde
afgesloten, zoodat hij niet den wolf, die 's nachts den schaapstal binnen-
sluipt, zou kunnen afweren
Passend evenmin, dat de woning der zieken voor den geneesheer ge-
sloten zij (worde), zoodat niet tijdig de medicijn kan worden toege-
diend.
Daarom besluit ik, dat het pastoorshuis naast de kerk moet geplaatst
worden, opdat er, én des daags én des nachts een vrije toegang en door-
gang zij voor den bruidegom om de bruid te vertroosten, voor den
herder, om de schapen te weiden, voor den dokter om de zieken te
bezoeken en te verplegen (te genezen).
Over de kleine tienden der tuinen of moeshoven en uit de landgoede-
ren waarin opnieuw huizen gebouwd worden, valt op te merken, dat
de kerken hare tienden niet mogen verliezen (perdere non debere), die
ze trekken uit landerijen en goederen, waaruit zij van oudsher gewoon
waren deze te halen. -
Eindelijk, wat aangaat de nadeelen van den tijdelijken pastoor, het
worde aan het oordeel van degelijke rechtschapen mannen opgedra-

170
- Unica inter alias. - Sola necessaria!

„De parochiekerk als zoodanig de eenige tusschen de andere kerken der
stad en ook als zoodanig alleen noodzakelijk - de eenige noodige! -
is tot gemak, voor de behoeften en nooden van eenieder zoowel der
bedienaars, als van hen, die de kerkelijke Sacramenten willen ontvan-
gen, redelijkerwijze in een centrum te plaatsen, en dit zonder aanzien
van personen."

III. BEWIJZEN UIT DE H. SCHRIFT.
,De beste plaats moet aan God vertiend en toegewijd worden. Vandaar
de middenplaats, die beter is dan de uiteinden („Medius melior est
extremis"). Het midden moet vooral aan God worden toegewijd; van-
daar moet de kerk, die Gods huis is, in het midden der stad worden
gewijd, geheiligd. Hierop slaan de figuren, voorafbeeldingen en voor-
beelden der H.H. Vaders. Vooreerst: het visioen der stad Jerusalem,
beschreven bij den profeet Ezechiël. „De stad, in wier midden ik
een atrium (voorhof) zag, en in het midden van dit voorhof den tempel."
Evenzoo: de boom des levens, - waarmee God zelf of de Kerk kan
worden aangeduid, - stond in het midden van het paradijs. (Genesis
cII) en: „Ik zal mijn woontente in uw midden plaatsen, zegt de Heer."
(Leviticus c 26) - „Ik zal wonen in het midden van Jeruzalem" (Zacha-
rias II) - „In het midden van mijn volk zal ik wonen“, (lib. Regum
IV). Salomon wijdde (heiligde) het midden van den voorhof lib. II
Paralip VIII; van welk voorhof tezamen met den tempel men aanneemt,
dat zij midden in de stad Jeruzalem geplaatst waren, volgens het woord
van psalm 115 „Ik zal mijn gelofteoffers brengen aan den Heer, ten
aanschouwe van geheel zijn volk, in de vóórhoven van het Huis des
Heeren, in uw midden, o Jerusalem".

„Unica in Oppido”. - „Sola necessaria".

Uit dit alles wordt het duidelijk, dat bij voorkeur het midden aan God
moet worden toegewijd en opgedragen (vertiend). En bijgevolg moet de
kerk die een huis Gods is, en wel vooral moet de doopkerk, daar zij
het fundament, de grondslag is der andere kerken, en „de eenig noo-
dige" in genoemde stad, vooral in het midden geplaatst worden.
Heeft men al deze motieven verstaan en ingezien, dan kan men ge-
makkelijk van antwoord dienen op de eerst aangehaalde, tegenover-
gestelde redenen, vooral als men bekend is met de plaatselijke om-
standigheden. Vandaar worden zij kortheidshalve in reserve gehouden,
om het antwoord daarop te geven, niet in geschrifte maar mondeling.
Na al het voorafgaande make men het besluit, dat alles tot meerdere
eere Gods, om wiens zaak het hoofdzakelijk gaat, strekke, opdat èn
Zijne genade ons worde ingestort, waardoor onze begeerte naar aard-
sche dingen meer gelijkvormig worde aan het bovenaardsche en hemel-
sche verlangen; en zij dientengevolge, in overeenstemming daarmede,
heilzamer bestuurd worde in eeuwigheid. Amen."

172
2°. De Roermondsche kerkhovenkwestie op blz. 169 aangeraakt was
heel delicaat reeds in de middeleeuwen en zal zich later nog wel eens
herhalen, totdat Roermond definitief het groote moderne kerkhof kreeg
buiten de stad, links achter de Kapel in 't Zand. (ao. 1787 op het oude
Er waren overigens begraafplaatsen bijna bij alle kloosters, kapellen
Bloedkamp).
en kerken of daarbinnen; eveneens bij en in de Kapel in 't Zand. Ver-
der bij St. Joris, in en bij het Munster, den H. Geest, Minderbroeders,
Ursulinen, enz. Vele families maakten daarvan gebruik, en dit gaf in
verband ook met de vrome fundaties bij het graf en bij plechtige uit-
vaarten en jaargetijden, aanleiding tot conflicten met de moederkerk,
die de oudste begraafrechten had.
De eerste sporen van zulk een geschil vinden wij in 1311 op 1 Augustus
tusschen den investitus der St. Christoffel, en de Minderbroeders, even-
als dit elders het geval was. (Habets I 403).
Van latere geschillen en processen tot in de 17de eeuw getuigen de
akten in het Bisschoppelijk archief, o.a. in 1683 een strijd met de
Zusters Franciscanessen.

3°. Het verslag, kort na 1389, misschien wel in 1390 opgemaakt, was tot
nu toe onbekend gebleven. Het berust als handschrift in het Staatsar-
chief te Dusseldorf. Een bijbehoorende Transfixbrief is verloren gegaan.
Wie het samenstelde? *) In elk geval niet een man van de ultraconser-
vatieve richting, maar een die rekening houdend met het sterk gewij-
zigde stadsbeeld van 1400, en met de bevolking van het centrum veel
meer vrucht zag in een radicale verplaatsing en in eene afzwenking
van het oudste stadsdeel. Misschien zweefde hem ook een perspectief
voor oogen, waardoor hij rekende op een nog sterker uitbreiding. Want
van 1460-1490 ontvangen 150 nieuwe burgers, „die van buyten inneco-
men syn" het burgerrecht, niet gerekend het dienstpersoneel en hen die
„vreemdeling” d.i. „butenburgers” bleven. De aanwas ging betrekkelijk
snel. Geboortecijfers uit dien tijd zijn onbekend.

4°. De doxologie als besluit op de eerste helft van het rapport doet
mij denken aan een Kartuizer; en dan zou de bisschop van Luik naast
het advies van den aartsdiaken en den landdeken, ook dat van een
Roermondsch Kloosterling ingewonnen hebben, om iemand uit de
plaats zelve te hooren, wat zeer goed mogelijk is.
Eenigszins naïef en voor onzen zakelijken tijd zonderling en onbegrij
pelijk doet in het tweede en derde gedeelte zijn argumentatie aan, welke
dient om zijn persoonlijke opinie en zijn voorkeur voor de centrale
ligging der parochiekerk kracht bij te zetten.
Het is een argumentatie met teksten uit het oude- en nieuwe Testa-
ment, die alle moeten bewijzen dat een tempel in het midden des volks
moet liggen. Hier speelt het idealisme hem parten, terwijl overigens in
het voorafgaande de nuchtere geest van een canonist en practicus aan
het woord is.
*) Volgens een eerste gissing : Joannes de Lovanio, proost van Xanten.


174
want als er tevoren geen aandacht aan geschonken was, zou dit beeld
niet plotseling een centrum van cultus vormen in de nieuwe kerk.
De tekst luidt: „quandam imaginem beate Marie, sita in dicta parro-
chiali ecclesia preornatam". De woorden bedoelden een zeker beeld,
- was het een schilderij of een houten beeld, - geplaatst in de Maria-
kapel, die lag in de parochiekerk. Het O. L. Vrouwekoor bestond nog
niet; dit dateert eerst van 1489. Wel was er altijd in de vorige kerk een
„altare B. Marie” geweest. Over de verdere lotgevallen van dit beeld,
dat indirect aan de parochianen nog eerst ter vereering wordt aanbe-
volen, wordt later niets meegedeeld.
Vermoedelijk heeft zich rondom deze beeltenis de oude Broederschap
vereenigd, die wij terugvinden onder den naam van O. L. Vr. Broeder-
schap Op der Poorten, en over wier oorsprong en oudste verleden een
sluier hangt. Zij draagt altijd een aristocratisch karakter en telde maar
13 - hoogstens 18 - leden. De aflaten waren te verdienen op de feesten
van Kerstmis, 's Heeren Besnijdenis, in de Vasten, op Palm-Zondag,
Witten-Donderdag, Goede-Vrijdag, Paschen, Hemelvaartsdag, Pinkste-
ren, Drievuldigheids-Zondag, H. Sacramentsdag, Allerheiligen, op al
de feesten van O. L. Vrouw, H.H. Petrus en Paulus, Geboorte v. St. Joan-
nes den Dooper, het feest van St. Lambertus en St. Christoffel en op
de feesten van kerkwijding en altaarwijding. Dit gold voor alle altaren
in die kerk aanwezig. De aflaat werd gegeven te Bologna onder Paus
Alexander V.
In den transfixbrief van 14 December, waarin de bisschop Jan van
Beieren dezen aflaat bekend maakt, voegt hij er nog een bij van 30 da-
gen tegen enkele voorwaarden en eene van 10 dagen, voor hen die een
kort gebed tot zijn intentie in genoemde kerk storten.
In haar eersten vorm vertoonde het grondplan der nieuwe parochie-
kerk de gedaante van een kruis. De beide zijkoren links en rechts van
het lange hoogkoor, zijn eerst later aangebouwd n.l. het H. Sacraments-
koor in 1458, en het O. L. Vr. koor was voltooid in 1489, terwijl men in
dat jaar bezig was aan den restauratiebouw der Kathedrale of S. Lam-
bertuskerk te Luik.
Op een vraag over den bouw in 1667 door Antonius de Meo, secretaris
van het Bisdom gesteld: „cujus structurae et qualitatis", luidt het ant-
woord: satis egregiae, amplae et elegantis structurae, per modum crucis
cum triplici choro et cruce in medio, cum insigni quadrangulari turri ad
finem ecclesiae, etc. Deze kerk heeft den snellen bloei der gilden en
broederschappen, en daarmee een groote vermeerdering van altaren
gekend.

PASTOORS: (volgens Sivré.) I van 1200-1400. II van 1412-1932.

I.

Van de pastoors der eigenkerk vóór 1200 is niets bekend
In de periode die loopt van 1224 tot 1389 treffen wij de volgende namen
van pastoors in de parochiekerk van Roermond aan:

176
1593-1603. - Petrus (van) Groeningen.
1603 - Gangelt.
1607-1609. - Hermanus Bevers.
J. Schaden, Kapelaan, 1608.
1609-1614. - Martinus Luncenius.
a nativit Joann. 24 Juni 1609-1614; vertrok 1614; was pastoor in Leuven;
in S. Michaël; daarna in Antwerpen, St. Joriskerk; 1627 weer te Leuven, i. d.
hoofdkerk. + 1634.
1614-1634. - Johannes a Lapide, Braensi; of van den Steyn.
27 Sept. 1614. - + 23 Juli 1634. Zijn kapelaan was: Jacobus Parisius 1614.
1635-1640. - Theodoor Brouwers.
Benoemd 17 April 1635. Zijn kapelaan was: Albertus Tonsorius, Vicepastor.
1640-1652. - Joannes van Aken.
+ 1652.
1652-1684. - Johannes Gerardus Brantz. - Venlonensis.
St. Christoffel wordt Kathedraal en kapittelkerk: 1659.
1684-1695. - Casparus Coomans (pastor et canonicus). Proces met
de abdis.
1684-1695. - Christoffel v. d. Steenwegh, vicepastor ac pastoratus deservitor.
1696-1726. - Joannes D. Portmans.
1728-1763. - Johannes Albertus Hooffs.
+ 3 Januari 1763.
1763-1780. - Arnoldus Leonardus van Daell.
Aanlegger v. Dagboek der parochie; pastor et canonicus. + 21 Aug. 1780.
1781-1793. - Antonius v. d. Steenwegh, canon. et pastor.
Was eerst vice pastor primarius en deservitor onder P. v. Daell.
+ 30 Sept. 1793. Joes Matthei: deservitor.
1793-1829. - Joannes Matthei.
+ Nov. 1829.
1831-1841. - Joannes Augustinus Paredis.
1842-1877. - Stephanus Moonen.
+ 1877.
1878-1886. - F. A. H. Boermans.
1886-1903. - P. A. J. H. Corten.
1903 - Hoogeerw. Heer Mgr. L. N. Le Bron de Vexela, Deken en
Plebaan. Proost van het kathedraal kapittel.
NOGMAALS DE „PATROON” VAN ST. CHRISTOFFEL.
Wij moeten al te vlug voorbij gaan langs de vraag hoe de opkomende
ketterij zich in de parochie vastzette, en verder langs enkele toch ver-
meldenswaardige feiten, die een meer dan gewone storing veroorzaak-
ten in het gelijkmatig leven van den plebaan. De hagepreeken, de beel-
denstorm in St. Christoffel, de straffen van Alva (1568), het beleg der
stad door Oranje (1572) en de moord op de religieuzen, de komst van

178
open vraag: wie is nu rechtens patroon, collator van dit beneficie.
De graaf van Gelder, de Munsterabdis, de Voogd of de Magistraat?
In een request van 17 Januari 1732 geteekend „ter ordonnantie van den
Magistraat", wordt o.a. gezegd: niet alleenelyck als magistraat maer
oock als tegenwoordige patronen der pastorie, de berechtigden, enz.
Pastoor was toen J. A. Hooffs (1730-1763).
Gedurende ruim een jaar, van 1731-1732, bezat de stad tegelijk met
de erfvoogdij, het presentatierecht. Pastoor J. R. Matthei werd na 1794
weer benoemd door den erfvoogd Maximiliaan Emmanuel, baron van
Overschie en Neeryssche, in diens hoedanigheid van patroon. (Zie: Bij-
drage over de Voogdij).
Zoo beschouwden zij dus zichzelven. Opnieuw echter, in 1774, zullen
wij uit pastoors mond een beroep hooren doen op den patroon, als ware
deze de hoogste instantie, n.l. in de penibele kwestie der parochieindee-
ling, welke ons thans moet bezig houden. St. Christoffel voldeed niet
meer aan aller eischen.

GEEN DISMEMBRATIE. - EEN EN ONDEELBAAR.

Sinds lang was er niet gesproken over een splitsing der parochie, of-
schoon bij de overbrenging van het kapittel in 1659 die vraag, als een
annexe van het toen hangende probleem, zeker wel eens zal gere-
zen zijn.
Een eerste duidelijk geluid hieromtrent vernemen wij op 28 October
1774 door middel van pastoor van Daell zelve: Het gemeentebestuur
ging zich ermede bemoeien. „Vermits ick gehoort hadde, dat in den
Raedt was spraecke geweest, van eene tweede pastorije op het begijn-
hof: so hebbe den 28 October 1774 de naevolgende reflexie overgege-
ven aen den Stadtsburghemeester Sijben, en hem versocht van daer-
over te willen gaen spreecken den Heere Raedt-Commissaris Luytgens,
door den Raedt gestelt synde om het advys op te stellen."
In zijne reflexie betoogt Pastoor van Daell;

I. „dat de parochie kercke genoch en overgroot is voor de geheele
stadt; - dat in deselve kercke de geheele stadt gemackelijck can gerieft
worden; dat den pastoir door dese membreeringhe geen groot solaes
te verwachten heeft; eensdeels omdat, die dewelcke van de omliggen-
de plaetse alhier comen biechten dese kercke van het begijnhof om
hunne slechte gelegentheyt niet en sullen soecken; andersdeels, omdat
de borgers van dien candt *) (oostzijde) meest allen gaen biechten bij
de cruysheeren en minderbroeders, welcken twee cloesters aldaer ge-
legen syn; dat hierdoor niet alleen de pastorye, maar oock de costerie
(die geen vaste middelen heeft als omtrindt de vier malderen vruchten
en 't kerckebroodt) souden lijden in hun incompsten.
I. „dat om eene parochie aldaer te maecken noch veel méér sal
costen, als eenen tweeden onderpastoir of capellaen te stellen bij den

*) d.i. o.a. van de dorpen over de Maas; vooral op Zaterdag en Zondagmorgen.

180
blijkbaar vallen de actie der geloovigen aan de andere zijde der stad,
rondom het Begijnhof, (den Nieuwenhof) en de Jesuïetenkerk, en even-
eens van die der Minderbroederskerk, actie waarvan we een weer-
klank hoorden in het Dagboek van Pastoor van Daell.
Het Hof van Gelder interesseerde zich voor de vraag, de Magistraat,
de Gemeenteraad evenzoo. Was het noodig?
De staat der inwoners en huisgezinnen moet sinds 1500 bij de visitaties
méérmalen zijn opgemaakt (cf. Publications 1928). Na eene „Informa-
tie" genomen in 1645, dus vóór den brand, volgt een verslag door
Pastoor Joannes van Aecken opgemaakt, die o.a. verklaart, in zijn
kwaliteit van Aartspriester van het Dekenaat Montfort, dat Roermond
ligt „in solo fertili” op vruchtbaren bodem, en dat de stad groot is onge-
veer anderhalf uur in den omtrek, en bevat „ongeveer 400 huizen”
(bedoeld zal zijn van parochianen), „ofschoon er méér geweest zijn."
Onafhankelijk van den Pastoor geeft Dns. Henricus Maroyen het
totaal getal van circa 600 huizen; van de burgers echter circa 400 -
preter clerum, behalve den clerus en de koninklijke ambtenaren. Op
dezelfde informatie antwoordt een derde, - Ds. Petrus Bosman: „circa
800 huizen - maar vele zijn in oorlogstijd verwoest." Joannes Pol-
laert spreekt van 600 woningen.
De H. Geestkerk, - want het ging toen om de verplaatsing van kapittel
en Bisschoppelijken zetel, - is volgens P. Bosman, maar van een zwakke
structuur, terwijl de pastoor had verzekerd, de H. Geestkerk is sterk
gebouwd, doch zeer klein. In 1675 levert de magistraat een verklaring
af over de vele inkwartieringen en zegt: er zijn eigenlijk maar 500 bur-
gers, die een derde deel van de stad beslaan, de rest is bewoond door
de Geestelijkheid, kloosterlingen, leden van den Raad en van de Reken-
kamer - 't Hof van Gelder. - De burgerij is overbelast.
In 1784 telde Roermond volgens Habets slechts 4323 inwoners, waar-
onder 223 geestelijken en religieuzen; 3 à 4 kloosters waren toen reeds
gesupprimeerd. Omstreeks 1845 vinden we de opgave van een goede
6000 inwoners, (nu niet meer allen katholiek, dus niet enkel parochia-
nen zooals vroeger). In den Belgischen tijd waren de 5000 bereikt en
reeds gepasseerd. Daartusschenin - 1640-1840 - liggen nu de jaren,
in welke de beweging tot splitsing het sterkste was, en de actie voor een
nieuwe vicarie gevoerd werd.
Pastoor van Daell merkt op (2 December 1773) in een suppliek aan den
Magistraat: „Dat de cure van Ruremonde alleen zonder onderpastoir
of cappellaen van de geheele stad is gefondeert, niettegenstaande de
stadt met zyne buytengehuchten gereeckent wordt tot ontrindt de
dry duysent communicanten."
In 1770 tot 1780 kon dit getal parochianen dus nauwelijks 4000 ge-
weest zijn. De Minderbroederskerk, de H. Geestkerk en de andere
kleine kapellen voorzagen toen praktisch in den nood, evenals éénmaal
vóór 1400, ofschoon zulk een toestand niet de ideale is.
Welken maatstaf moest men nu aanleggen voor een nieuw op te rich-
ten parochie, gelet op het overzicht der geheele zielzorg. Niet alléén

182
de Vicarie. Uit den brief blijkt, dat dit plan slechts een onderdeel is
van de hervormingsplannen zijner Keizerlijke Majesteit Josef II, die
zich ook bezighield met het nieuwe kerkhof der parochie bij 't Zand.

Philipp. Dam. Marquis.

Aan de meesteresse van 't Begynhoff binnen de stadt Ruremonde,
onder ordinaire Jurisdictie, saligheyd in den Heere.
Aengesien het getal der Begyntjens nu sedert veele jaeren merckelyck
vermindert is, de fundatiën van 't selve begynhoff seer gering, ende
't officie van hunne kercke door zyne keys. Majesteijt gedestineerd is
tot het oprechten van eene curaete vicarie tot voordeel der Parochie
dezer stadt soo haest den modernen rector of Pastoor sal overleden
zyn, vinden wy ons genoodtsaeckt, ingevolge d'intentie van Hooghst-
gezegde majesteyt, U Eerw. te doen weten dat by provisie geene novi-
tiën meer zullen mogen aengenomen worden, tot dat wij U eerw. anders
sullen hebben verclaert. Gegeven Ruremonde in ons Bisschoppelyk pa-
leys, d.d. 23 Oct. 1782.
Ter ordonnantie van .....

Dit klonk als een doodvonnis voor den Nieuwenhof. Zij, de oudste stich-
ting binnen parochieel verband en met haar eigen karakter van vroom-
heid, waar eenmaal Peregrinus Pullen zijn onderricht gaf in het geestelijk
leven, zou dus de kerk moeten ontruimen voor een nieuwe parochie of
rectoraat. Maar zoover kwam het nog niet. De rector, waarover het hier
gaat, en op wiens dood men wachtte, om het nu gewijzigd plan tot ver-
deeling der parochie met curaete vicarie door te voeren, A. C. Galliot,
was voor bijna 40 jaren (1746) in zijne functie getreden; hij leefde nog
bijna 5 jaren na datum. (1785)? Na hem volgen nog 2 rectoren Palms
en Houwaert tot 1798. Pastoor van den Steenwegh leefde nog bijna
11 jaar, hij stierf op 30 September 1793, na het vertrek van den bisschop.
Johannes Mathei, die daags daarna, 1 October, als deservitor optrad,
staat op 19 December voor het eerst vermeld als „canonicus pastor".
Men stond aan den vooravond der vele omwentelingen die, na den
stoot in Frankrijk gegeven, zich snel voortplantten ook tot dit gewest.
Pastoor Mathei zou dit alles meemaken en het herstel nog beleven; hij
stierf eerst in November 1829 en werd in 1831 opgevolgd door Joannes
Augustinus Paredis. Geen wonder dat men in de jaren 1793-1815, toen
alles op losse schroeven stond, de zaak der parochieele splitsing liet
rusten en voorloopig zweeg. Maar zoodra was niet de normale toestand
wedergekeerd of er liet zich weer een geluid hooren, en nu direct van
de belanghebbenden uit de burgerij, van inwoners uit de Neerstraat
en het Swartbroek, die lang ontriefd van hun oude, trouwe en populaire
Minderbroeders, spoedig dit gemis wilden hersteld zien. Daarom stel-
den zij een rekest op aan den teruggeroepen koning Willem I. Het voor-
stel week echter weer af van het Brusselsche plan, dat niet vermeld
wordt door „de supplianten".

184
door den Pastoor, die het beiden als hun officie beschouwen een kapel
„van nuwes“ te timmeren. Dit woord is voor een dubbele uitlegging
vatbaar. De conclusie van Sivré is, dat de magistraat van Roermond
bij het bouwen en vergrooten der Kapel in 't Zand steeds het initiatief
heeft genomen. Wij kunnen nog daarbij voegen, dat hij ook steeds het
volledig patronaatsrecht over die kapel heeft uitgeoefend, zoodat hij
niet alleen de geestelijke bedienaars aan den bisschop voordroeg, maar
ook de personen die het kostersambt in de kapel vervulden, aanstelde.
Hare lotgevallen van 1400 tot op onze dagen zijn uitvoerig beschre-
ven eerst door den Eerw. Pater H. van Krugten, en daarna door Pater
Kronenburg in het VIe deel van Maria's Heerlijkheid in Nederland.
Na 1863 komt de kapel in handen van de Paters Redemptoristen, aan
wier geestelijke bediening tegelijk de zorg voor het bedevaartsoord
en de zielzorg der omwonende bevolking werd toevertrouwd. De eigen-
lijke aanwas der bevolking begon eerst sinds dien tijd en duurt tot op
heden, gelijken tred houdend met de toename der bedevaarten, zoo-
dat het „Zand” tot een flinke wijk is uitgegroeid (meer dan eenig ander
stadsdeel) en de Kapel van het rectoraat een nieuwe vergrooting nood-
zakelijk maakte, en ook thans na 35 jaren de ruimte 's zomers nog
slechts met moeite aan de eischen voldoet.
Daarom behielp men zich voorloopig door in 1920 met den aanleg van
een sierlijk Kruiswegpark te beginnen, een ware plantentuin, die binnen
7 jaren verrijkt werd met 14 staties, gebeeldhouwd door de hand van
den Roermondschen kunstenaar J. Lücker; de Calvarieberg is van Jos.
Geelen. Daar wordt sinds eenige jaren 's zomers het H. Misoffer in de
openlucht opgedragen voor honderden pelgrims.
De zorg voor de bevolking van het Roermondsche Veld behoorde tot
1921 grootendeels nog onder de Kapel, en is na het bouwen van de
H. Hartkerk in 1925 overgegaan in de handen van den pastoor en aldus
is dit stadsdeel tot een zelfstandige parochie verheven. De eerste en
eenige parochie, die als tweede binnen Roermonds kerspel zich ver-
hief naast de aloude „moderkircke“.
Maar de kom der oude gemeente, binnen de Maas en de spoorlijn,
vormt nog eene parochie, één en ondeelbaar!

„UNICA IN OPPIDO” (OORKONDE VAN 1390).
6 November 1784 „la seule et unique paroisse", „qui unicus in civitate
existit" (Pastoor Coomans aan den Magistraat 30 September 1687),
„de eenige in de stad"! Dit refrein klinkt door en herhaalt zich van
1400-1800, en lang daarna bij monde van vele herders. Immers in den
brief aan den bisschoppelijken commissarisrapporteur van de Luik-
sche Curie, 1390, wordt zoo de parochiekerk al genoemd. Zoo was het
altijd geweest; zoo zou het moeten blijven tot op heden; als men onder
het oppidum verstaan wil de kern der gemeente, omlijnd door de sin-
gels of oude wallen, en uitsluit de pas later buiten de spoorlijn ont-
stane stadswijk van het Roermondsche Veld, den ager, die nog niet
zoo lang bewoond wordt, en haar eigen kerk heeft.

186
ROERMONDS KLOOSTERLEVEN
door
C. PYLS
I. OUDE KLOOSTERS.
DE MUNSTERABDIJ.
A
LS een oud juweel zoo staat de grauwe Munster-
kerk gevat in het stadsbeeld van Roermond. Ken-
ners der historie zullen menigmaal met weemoed
terugdenken aan een lang verleden, toen deze schoone romaansche
tempel niet was een kerk als zoo vele andere in de stad, maar de
Roermondsche Abdijkerk, het kostbaarste kleinood der oude veste.
Immers, zijn er veel Nederlandsche steden wier geschiedenis vergroeid
is met een of ander klooster, dat binnen haar muren gelegen was, Roer-
monds geschiedenis is die der Munsterabdij, en zijn de tegenwoor-
dige Roermondenaars trotsch op hun Munsterkerk, de vroegere stads-
bewoners waren het nog veel meer op hun Munsterabdij. Deze abdij
was het eenige Cistercienserklooster in het tegenwoordige Limburg;
en is hierom al haar geschiedenis merkwaardig, nog meer is zij dit
door het feit, dat, waar de meeste adellijke vrouwenstiften het klooster-
lijk karakter al spoedig verloren, dit in de Munsterabdij steeds is be-
waard gebleven. Weliswaar is ook dit klooster, zooals elke menschelijke
instelling, niet bewaard gebleven voor onvolmaaktheid, en heeft het
korte perioden gekend waar de regeltucht, door samenloop van om-
standigheden, min of meer geslonken was; in groote lijnen nochtans
kan men beweren dat de Roermondsche Cistercienserabdij steeds be-
antwoord heeft aan het devies van den regel van St. Benedictus: „Ora
et labora; Bid en werk".
Om den jare 1200 regeerde over het graafschap Gelre graaf Otto I,
die gehuwd was met de vrome Richardis, een dochter van den hertog
van Beieren. Otto was het echte type van een middeleeuwsch vorst,
steeds gewikkeld in bloedige veeten en oorlogen, een man die met het
zwaard in de vuist leefde, maar die ten andere, ondanks alle krijgsmans-
ruwheid, een vurige Godsliefde in het hart droeg, die hem huis en land
deed verlaten om in Palestina den Turken 's Heeren plaatsen te gaan
bevechten. Na een leven vol van oorlogsgeweld, overleed Otto in het
jaar 1207 en werd begraven in de Cistercienserabdij Camp.
Richardis, Otto's gemalin, was nu vrij een roeping te volgen die zij in
zich meende te voelen. Zij wilde de rest van haar leven hier op aarde
geheel aan God wijden, en zocht daartoe een klooster waar zij in een
leven van gebed én voor haar echtgenoot én voor haarzelf het eeuwige
leven wilde verdienen. Den tijd dat haar keuze nog niet gedaan was
woonde zij nabij een klooster te Doetinchem, waar zij een zeer terug-
getrokken leven leidde.
Van haar echtgenoot schijnt Richardis de liefde tot de Cistercienser-

188
want de abdij Camp, wier abt het toezicht had op de ordesdiscipline
der abdij van onze stad, was een klooster waar een zeer strenge tucht
zoowel voor eigen bewoners als voor de onderhoorige huizen gehand-
haafd werd. - Waren de vrouwenkloosters binnen het juridisch ver-
band der orde opgenomen, dan zorgde men er met een bijna overdreven
ijver voor, dat, voor zoover het mogelijk was, dezelfde gebruiken en
observanties onderhouden werden als in de mannenkloosters. Uren van
gebed en arbeid, kleeding, voedsel, vasten, onthoudingen en stilzwijgen,
al deze voorschriften waren identiek met die der monniken.
De Zusters der Munsterabdij droegen de volgende religieuze kleeding:
een witwollen habijt, waarover een zwart scapulier, een lederen gordel
en zwarten sluier. Gedurende het koorgebed en in den tijd die niet
aan den arbeid besteed werd, droeg men den zoogenaamden „kovel“;
dit was een zeer wijd wit kleed met lange en breede mouwen.
Aan het hoofd der abdij stond „Mevrouw de Abdis“. Tot teeken harer
waardigheid voerde zij in kerkelijke functies den kromstaf en in latere
jaren, toen aan de abten der orde het zoogenaamde jus pontificalium
was toegestaan, droegen de abdissen eveneens het borstkruis en den
ring. De abdis bezat algeheele rechtsmacht over al haar onderdanen;
zoowel de koor- en leekezusters als de donaat- en leekebroeders der
abdij deden in haar handen de kloostergeloften. Al de overige ambten
van het klooster werden geheel volgens goedvinden van de abdis aan
personen en voor den duur dat zij besliste geschonken. Aan de abdis
ook was de geestelijke leiding der zusters, voor zoover deze niet direct
het priesterlijk karakter droeg, toevertrouwd. Zij moest de zusters
onderhouden over de kloosterverplichtingen en in het geestelijk leven
inleiden.
In het bestuur werd de abdis bijgestaan door de priorin en de sub-
priorin. Deze beiden moesten waken over de uitwendige tucht in het
klooster, terwijl aan de subpriorin ook nog de belangrijke taak was toe-
vertrouwd de zusters de talrijke ceremonies bij den koordienst aan
te leeren. De tijdelijke belangen werden behartigd door de „celleraria"
en de „bursaria", waarvan de eerste steeds de noodige inkoopen voor
het klooster moest doen en het toezicht had op de leekezusters, terwijl
de tweede de kloostergelden onder haar beheer had. De geestelijke op-
leiding der jonge novicen was het werk der novicenmeesteresse, die
een vrouw moest zijn rijp in jaren en deugden.
Elk klooster in de Cistercienserorde stond onder de jaarlijksche con-
trole van den zoogenaamden Pater „Immediatus”. Bij de mannenkloos-
ters was dit steeds de abt van het moederhuis, dit wil zeggen het huis,
dat het te visiteeren klooster gesticht had. Bij de nonnenconventen
echter werd deze visitator steeds door het generaal kapittel aange-
wezen. De Munsterabdij was door een speciaal indult van Paus
Gregorius IX onder het visitatierecht van den abt van Camp ge-
plaatst. Deze onderzocht in een persoonlijk onderhoud met elk der
kloosterlingen den stand van zaken en schreef zijn bevindingen en ver-
maningen ter verbetering van misbruiken in de „charta visitationis",
die elken quatertemperzaterdag van het jaar moest worden voorgelezen

190
Regel van Vader Benedictus biedt, om het abdijleven zooals dit in het
Munster moet zijn geleid te kunnen peilen. Het is hier niet de plaats
daar dieper op in te gaan, maar dit eene kunnen we wel getuigen, dat
waar een leven zoo vol is van geestelijke schoonheid, dat het zich in
stoffelijke schoonheid uit, daar wordt een intens geestelijk leven geleid.
En in de Munsterabdij was dit het geval. Staat de abdijkerk niet als
een eenig pronkjuweel hier in deze streken? De tot nog toe bestudeerde
documenten toonen ons dat deze uitwendige schoonheid waarlijk de
vorm was van een inwendige. De lezer oordeele zelf of het Cister-
cienserleven niet bijna eindelooze aspecten opent voor mystieke zielen,
en of de bewondering en vereering die het oud Roermond steeds
koesterde voor zijn abdij niet gegrond was.
Het leven volgens de Cisterciensergebruiken was inderdaad een
„schola dominici servitii", een goddelijke krijgsschool, zooals de
H. Benedictus het kloosterleven zoo schoon definieert, want de meeste
aandacht en ijver en ook de meeste tijd werden besteed aan een zoo
plechtig mogelijke viering van het koorgebed.
In den vroegen voornacht had het kleine klokje der Minderbroeders-
kerk de bruine monniken al naar het koor geroepen, maar in den
vollen nacht, omstreeks 2 uur, beierden de zware klokken van de Mun-
ster door de stad, en riepen de zusters uit haar rust ter kerke om de
metten te zingen. Statig, voorop Mevrouw de Abdis, kwamen de witte
zusters de kerk binnen en namen haar plaatsen in het koorgestoelte in.
Na een kort openingsgebed verhieven allen zich op het teeken der
abdis en dan, soms schreiend, soms jubelend, nu eens juichend en dan
weer zacht als murmelend klonken de fijne, psalmenzingende vrouwen-
stemmen door het nachtelijk duister der abdijkerk.
Tegen vier uur eindigden de metten. Een der kapelaans las dan een
stille H. Mis, die alle zusters bijwoonden en waarin op sommige feest-
dagen gecommuniceerd werd. Omstreeks half zes werden de primen
gebeden, die gevolgd werden door het „kapittel“. Hiertoe verzamel-
den zich alle nonnen in de kapittelzaal waar het martyrologium en een
hoofdstuk uit den H. Regel werden voorgelezen, en waar de abdis een
korte toespraak tot het convent hield tot uitleg van den regel.
Op het kapittel volgde de „arbeid“. De arbeidstijd werd in de vrouwen-
kloosters der orde gebruikt voor fijnere vrouwelijke werken, zooals
het vervaardigen van misgewaden en ander borduurwerk, het over-
schrijven en verluchten van de liturgische boeken enz. Zoo kwam het
dat tijdens de 13de en 14de eeuw de meeste Cistercienserinnenkloos-
ters een min of meer artistiek milieu vormden. - Het moet een verhe-
ven aanblik zijn geweest, als in het auditorium van het klooster de koor-
zusters ijverig in de weer waren met de haar door de abdis opgedra-
gen werkzaamheden. Hier hield zich een zuster onledig, gebogen over
haar schrijftafel, met het zorgvuldig copieeren van een of ander ge-
schrift der kerkvaders, elders schilderde een zuster prachtige minia-
turen in de koorboeken; weer anderen borduurden kerkelijke gewaden,
en zoo vond iedere religieuze een arbeid die haar lief was en de ledig-
heid uit de kloostermuren verbande.

192
vrij spoedig heeft de Abdij belangrijke ontwikkeling gekend. De
kerk als heerlijk gewrocht van Cistercienser bouwkunst ontplooide
zich in al haar schoonheid en warme weelde. In 1245 werden nieuwe
altaren ingezegend ter eere van St. Andreas en St. Elisabeth door den
aartsbisschop van Keulen, en in 1265 nog eenige ter eere van de
H.H. Anna, Jacobus, Mathias, Maria Magdalena, en Ursula en Gezel-
linnen. De kerk en het klooster waren echter nog niet geheel voltooid
in dat jaar, zooals blijkt uit het verleenen van een aflaat aan allen
die bijdragen ad consummationem operis ibidem inchoati. Tegen het
einde van de dertiende eeuw heeft de Abdij zich belangrijk uitgebreid
en is het normale type van een Cistercienser Abdij met kerk, kapittel,
refter enz. op grootsche wijze uitgewerkt, zooals ons bij de blootlegging
der kloosterruïnen in 1924 ten overvloede is gebleken.
Ook de bezittingen van de adellijke Abdij in de onmiddellijke nabijheid
en over het geheele huidige Limburg en daarbuiten zijn gestadig aange-
groeid. Reeds vóór het einde van de dertiende eeuw strekten zij zich
wijd en zijd uit en omvatten zoowel landerijen, hoven, bosschen en
akkers te Roermond zelf, te Herten, Dulken, Werden, Betenrode, Wet-
ten, Hedel, Wessem, Stevensweert en Maasbracht, Budel, Echt (Berke-
laer en Opwijck), Maasniel, Heugten, Aldekerk onder Gelre, enz., ja
zelfs tot Coblentz toe (Juxta Confluentiam), als tienden te Nieuwkerk
en Aldekerk (Gelder), Wittem, Venray, Budel en Stevensweert en in-
komsten te Gelder, Rode en Wetten en vrijdom van schatting, tol en tien-
den op de domeinen van Gerard van Wassenberg, Herten, Asenraai en
Berkelaer. Deze uitbreiding had zich voltrokken door schenking en aan-
koop van de meest verscheiden personen: het kapittel van Aken, Dirk
van Altena, Dirk van Heinsberg, Otto van Gelre, het kapittel van St.
Servaas te Maastricht enz., enz .. Paus Honorius III en Gregorius IX
hebben bij herhaling al deze bezittingen door pauselijk schrijven beves-
tigd en beschermd.
Welk een beleidvol en machtig beheer is er niet noodig geweest tot
het instandhouden van al deze bezittingen in den loop der eeuwen.
Vele van deze boerderijen en hoven werden bewoond en ontgonnen
door broeders en bedienden der Munsterabdij en werden op deze wijze
op hun beurt centra van agrarische cultuur en invloed.
En nog voortdurend lezen we, ook in het vervolg, van uitbreiding en
aanwas. Eenige grepen uit de geschiedenis mogen den lezer hiervan
overtuigen. Het gericht van Echt verklaart in 1307 dat het Cistercienser
Convent te Roermond in het bezit is van tienden van acht bunders
land genaamd Lottellope, gelegen naast den nieuwen molen. In 1356
verklaren Otto van Buren, ridder en heer van Arcen en Marina zijn
echtgenoote, ten overstaan van schepenen van Wetten dat zij „omme
Gaedtswille ende in gerichter elmosen omme heil haerer zeelen" den
hof, genaamd Sceepdonck, gelegen in het kerspel van Wetten, aan het
convent van de Cistercienserorde te Roermond gegeven hebben. In
het jaar 1420 komt de Abdij nog in het bezit van vijf bunder land gele-
gen boven „Cruchten op der Masen“. Zelfs tot in Keulen was de Abdij
in het bezit van huizen en hoven, die zij voor een jaarlijksche pacht

194
Ik zou deze enkele gevallen met zeer vele andere kunnen vermeer-
deren, maar geef er de voorkeur aan den lezer de belangrijke relaties
der Abdij even te laten aanschouwen.
In een enkele eeuw (de Dertiende) mocht zij de hooge waardeering
en bescherming ondervinden van de pausen Honorius III, Grego-
rius IX, Innocentius III, Innocentius IV, Alexander IV, Urbanus IV,
Clemens IV, Gregorius X, Nicolaas IV en Bonifacius VIII. Aartsbis-
schoppen, bisschoppen, prelaten en vorsten overlaadden haar met gun-
sten en voorrechten; zoo o.a .: Engelbert, aartsbisschop van Keulen,
Konraad, bisschop van Porto en Rufina, (pauselijk legaat), Gerard,
graaf van Gelre, en de meeste graven uit dit vorstelijk huis, Hendrik,
aartsbisschop van Keulen, Hugo, bisschop van Luik, graaf Hendrik
van Nassau, Koenraad, aartsbisschop van Keulen, Wilhelmus, abt van
Averbode, Reinald, hertog van Limburg, Sifridus, aartsbisschop van
Keulen enz., enz.
Ook op andere wijze blijkt overduidelijk de invloed der machtige
Abdij op godsdienstig gebied, zoodat wij de Munsterkerk het centrum
kunnen noemen van Roermonds religieus leven. Een sprekend bewijs
hiervoor ligt in het feit dat de Abdis vanaf het jaar 1554 verplicht is
tien sermoenen te doen prediken op vastgestelde dagen, en wel op:
de drie eerste Zondagen van de Vasten, 's Maandags na Paschen,
Hemelvaartsdag, Pinksteren, H. Drievuldigheidszondag, Feest van
Joannes den Dooper, Feest van Maria Magdalena en tweeden Kerstdag.
Die invloed en meteen ook de liefde van Roermond voor zijn Abdij,
zijn glorie en zijn trots, straalt helder uit bij gelegenheid der jaarlijk-
sche processie, die vanuit de Munsterabdij door de straten der stad
trok. Het moet een schitterend schouwspel zijn geweest dat zich voor
de oogen der stadsbewoners ontplooide, als de deuren der abdijkerk
zich openden en het geheele convent der zusters, voorafgegaan door
de Hooggeboren Vrouwe Abdisse, gekleed in de wijde witte kovels
zich in den stoet begaf. Geen moeiten en geen kosten werden er ge-
spaard, om aan deze processie zooveel mogelijk luister en praal bij te
zetten. Enkele rekeningenposten uit het laatst der vijftiende eeuw spre-
ken dienaangaande een duidelijke taal.
Dit medeleven van de inwoners der stad, met het lief en leed der abdij
blijkt ook nog uit het feit dat toen in het jaar 1683 de bisschop het
Cistercienser klooster wilde verplaatsen en onderbrengen in de gebou-
wen der Rekenkamer, wat zoo goed als gelijk stond met haar opheffing,
dit belet werd door de ijverige bemoeiingen van de Staten en den
Magistraat. De volgende regels dateerend uit het jaar 1794 teekenen
ook zeer scherp de verhoudingen die bestonden tusschen de Abdij en
de burgerij. „De Abdije Munster werd gerequireerd tot werkplaats
voor de smeden; maer door ijver van de borgers is hetselve belet, en
de smederij is gemaekt in het Convickt."
En zoo heeft de machtige Abdij, als het groote en edele hart van
Roermond, geleefd en geklopt, - en mèt de stad Roermond zou ook de
roemrijke Abdij haar ondergang naderen. En hoe zal Roermond ge-


196
1311 en 1324 echter is het hof reeds naar de stad overgebracht en het
nieuwe hof gesticht
Wie als begijn wenschte te worden aangenomen moest zooveel be-
zitten dat zij ten minste haar bier en brood had, dat is „een malder
rogghen ende een malder gersten"; zij moest „vrij zijn ende loss” van
alle beloften, hetzij van religie of van den huwelijken staat, bekend
staan als eene vrouw van „goeden name ende fame” en gedurende
den tijd van minstens een jaar op het hof hebben gewoond. Bij de
opneming moesten zij in handen des pastoors „Godt reynicheyt ghe-
loven" voor zoolang zij in het hof zouden wonen en bij die gelegenheid
kregen zij haar kleeding. Deze kleeding moest eenvoudig zijn en be-
staan uit zwarte rokken en falien naar het oud fatsoen; lang haar en
wereldlijke „heucken van curieus fatsoen met fluweel ofte zyden ploem-
coorde geboord" waren verboden. In de 17e en nog meer in de 18e
eeuw had het Begijnhof veel van zijn oorspronkelijken bloei ingeboet.
Het bleef niettemin bestaan tot in den Franschen tijd.
In de zeventiger jaren van de vorige eeuw genoten nog een tweehon-
derdtal menschen voor weinig of geen aan het Godshuis te betalen
huur huisvesting in de aloude woningen van het Begijnhof.
Het kerkje van het Begijnhof was 611/4 voet lang, 31 voet breed en
36 voet hoog. Het werd 28 November 1797 op bevel van het Fransche
bestuur gesloten en korten tijd daarna afgebroken.
Het zegel waarvan de begijnen zich bedienden had eene ovale gedaante
en stelde de H. Catharina voor met het omschrift in gotische letters:
+ S. PVELLAR'NOVE CVRIE RURMDE.

HOSPITAALBROEDERS VAN DEN H. GEEST.
Voor wat aangaat deze orde moge kortheidshalve worden verwezen
naar het opstel over Instellingen van Weldadigheid.

DE MINDERBROEDERS.
De orde der Minderbroeders is gesticht door den H. Franciscus van
Assisi (+ 1226). Zij heeft zich reeds in de jaren van dien grooten
heilige met wonderbare snelheid over heel de wereld uitgebreid. Tot
een van de oudste stichtingen in de tegenwoordige Nederlanden be-
hoorde het Roermondsche klooster.
Wie nu nog elk jaar de Minderbroeders - de bruine paters van Weert
- hun rondgang ziet maken door de straten van Roermond, heeft zich
wellicht nog nooit ingedacht in het feit, dat daarmede een traditie
wordt voortgezet van eeuwen; en wanneer thans Roermond zich op
maakt te gedenken al het lief en al het leed, dat het in 700 jaar door-
maakte, moge een korte herinnering aan hen, die al dat lief en al dat
leed deelden, niet worden nagelaten.
Om de wederzijdsche verhouding tusschen de Minderbroeders en de
bevolking te begrijpen moet men in feite een inzicht hebben in leven
en werken, geest en regel van eerstgenoemden. Het leven der Minder-

198
ningsverschillen het best kunnen leveren. Nu is het echter een op-
merkenswaardig verschijnsel, dat zulke geschillen, wat de Minderbroe-
ders betreft, in de Roermondsche stadsgeschiedenis nooit voorkomen.
Zoo bij blijde als bij droeve gebeurtenissen daarentegen als in den
gewonen gang des levens, het is altijd dezelfde innige verstandhouding,
dezelfde onderlinge waardeering. Was het dan wonder dat Jozef II, toen
hij de meeste kloosters te Roermond ophief, de Minderbroeders spaar-
de, en dat zelfs de Sansculotten listig den nacht afwachtten eer zij
tot hun uitdrijving overgingen, geschrokken als zij waren van de drei-
gende houding, welke het samengeschoolde volk had aangenomen,
toen het van dat boosaardig plan had vernomen?
Het is intusschen niet onaannemelijk, dat de bijzondere sympathie
van Roermonds bevolking voor de Minderbroeders onder meer ook
een economischen kant had. Wanneer men in de geschiedenis der Stad
leest, dat er nog al eens geklaagd wordt over een teveel aan vaste
goederen bij de kloosters en te weinig bijdragen in de algemeene lasten,
dan kon zulks de Minderbroeders immers niet gelden, die leefden van
de goede gaven van menschen en stadsbestuur. Wil men ideëeler gron-
den? Wel dan kan worden gewezen op het regelmatig contact tusschen
volk en klooster, op het drukke bezoek van hun kerk en biechtstoelen,
waar de broeders blijkbaar steeds de juiste snaar wisten te treffen,
zoo in goeden als slechten tijd, zoo bij blijde als bij droeve gebeurte-
nissen, om de menschen nader te brengen tot God, hun te dienen tot
steun en troost; op hun verdiensten bij het verplegen van zieken, welke
verdiensten zelfs door de Franschen werden erkend, toen zij hen in
1795 als oppassers in het militaire hospitaal riepen.
Niet alleen om de namen van eenige Minderbroeders en enkele bij-
zonderheden aan de vergetelheid te ontrukken, maar ook om de betee-
kenis van dit klooster voor de Stad beter te doen uitkomen moge hier
het volgende nog een plaats vinden
Bij de Minderbroederskerk was oorspronkelijk een „heiligdomstoren”
aanwezig waarin kostbare reliquieën werden bewaard, die op bepaalde
tijden aan de menschen werden vertoond.
De Roermondenaar van vroeger koos graag zijn graf in de kerk en
op het kerkhof der Minderbroeders. Ten teeken hiervan dienen nog de
veelvuldige grafsteenen in de kerk, welke de namen vermelden ook van
de aanzienlijkste geslachten
Bisschop Sanguessa was gardiaan in dit klooster, toen er in 1707 het
vierde eeuwfeest werd gevierd, dat een feest is geweest voor stad
en omgeving
Preekstoel en biechtstoelen in de kathedrale kerk, welke meesterstuk-
ken uit de Minderbroederskerk afkomstig zijn, zijn vervaardigd door
broeder Mathias Vincken, die in Rome het beeldhouwen had geleerd.
In 1662 was de torenspits van de parochiekerk zoo bouwvallig dat een
vernieuwing geen uitstel duldde. In de geheele stad was blijkbaar geen
bekwamer architect te vinden dan Broeder Jozef van Halle die het plan
Het waren de overheden van de Stad, die namens de Staten van het
moest maken.

200
gestichte Derde Orde, dat Roermond zijn Tertiarissenkloosters heeft
gehad en nog heeft. Als het eerste daarvan noemen wij:

DE BEGGAARDEN.
In den loop van de 13de en in de eerste helft van de 14de eeuw ver-
spreidden zich leekengenootschappen van bijeenwonende werklieden,
meestal wevers over onze landstreken. En in de 14de en 15de eeuw wor-
den achtereenvolgens Beggaardenhuizen opgericht o.a. te Maastricht,
Middelburg, Zierikzee, 's-Hertogenbosch en Roermond.
Van den beginne af had elk Beggaardenhuis zijn Regel, maar om aan
hun instelling meer vastheid bij te brengen en tevens een onloochen-
baar bewijs te geven van hun rechtgeloovigheid, vonden de Beggaarden
het raadzaam hier vroeger, daar later zich aan te sluiten bij een door
de kerk plechtig erkende instelling: de Derde Orde van Sint Franciscus.
Al die Beggaarden volgden den Regel van de Derde Orde, zooals deze
uitgelegd was in de Bulle Supra Montem, gegeven door Paus Nicolaus
IV, 19 Augustus 1289. Zij die onder de Beggaarden wilden opgenomen
worden moesten eerst in het proefjaar voldoende blijken geven van
godsvrucht en deugd en deden dan belofte van zuiverheid, gehoorzaam-
heid en betrekkelijke armoede. Elken morgen moesten de broeders,
vooraleer hun werk te beginnen, Metten en Lauden bidden en de
H. Mis bijwonen. Geen wapens mochten zij dragen, noch een proces
voeren voor de wereldlijke rechtbank. Een klok gaf het teeken tot
gebed, arbeid en verdere verdeeling van het etmaal.
Bij een bijeenkomst van afgevaardigden van 17 Beggaardenhuizen op
29 September 1346 waren er ook uit Roermond aanwezig. Tot in het
midden van de 15de eeuw waren deze Beggaarden werklieden, die met
Franciscus' boetekleed om de schouders en met zijn geest van blij-
heid en liefde tot God bezield, blij den weversarbeid verrichtten. Zij
behielden echter hun eigendom en het gebruik van de goederen, die zij
bij hun intrede bezaten en het loon van hun arbeid.
Het Roermondsche Beggaardenklooster was toegewijd aan St. Theo-
bald.
Aan hen herinnert de Bakkerstraat, wat een foutieve naam is voor
Bekkerstraat, een verbastering van Beggaardenstraat. Na de opheffing
van de Beggaarden werd op de plaats, door hen bewoond, het klooster
Mariawee gesticht.

DE FRANCISCANESSEN VAN GODSWEERD.
Een convent van Zusters, die den regel van Sint Franciscus' Derde Orde
volgden, vormde het klooster Godsweerd. De eigenlijke naam hiervan
was Emmaus, en het lag op een waard buiten de stad, aan de West-
zijde. Daarheen liep vroeger de Begijnenstraat door de Begijnenpoort,
ook genaamd Emmauspoort, langs het Minderbroedersklooster. Aan
den naam Emmaus herinneren nog de naam Deemsel op het kadaster,
('t Eemsel, Emmaus sacellum) en de Deemselstraat.


202
Van de 23 Kartuizers die in 1572 het klooster bewoonden kwamen
12 om het leven bij de inname der stad door Willem den Zwijger.
De eerste prior der Kartuizers was Hendrik Egher of Henricus van
Calcar, oud hoogleeraar der Universiteit van Parijs en man van groote
bekendheid. Een bekende prior is voorts Albertus Buer († 1439), zeer
ervaren in tijdelijke zoowel als geestelijke dingen. Later was hij prior
der abdij van Bazel, alwaar hij veel invloed heeft gehad op het Con-
cilie van dien naam. Bartholomeus van Maastricht, die aan hetzelfde
concilie heeft deelgenomen, een der beroemdste geleerden van zijn
tijd, was hoogleeraar en rector aan de Universiteit van Heidelberg
en in de jaren 1442-1446 prior te Roermond. Omstreeks 1600 werd
het klooster bewoond door den bekenden geschiedschrijver Havensius.
Een van de roemrijkste mannen uit de namiddeleeuwen is echter
Dionisius de Kartuizer die er 12 Maart 1471 als prior overleed na een
verblijf aldaar van 48 jaren. Een tweetal aanhalingen mogen hier vol-
gen, een uit de kerkgeschiedenis van Nederland vóór de Hervorming
door W. Moll, hoogleeraar te Amsterdam. „Dionisius van Roermond
wist een Brugman de waardigste stof zijner volkspredikatiën in den
mond te leggen, en met vorsten en prelaten van verschillende landen in
correspondentie, toonde hij met de daad, dat de afzondering der cel
een klaar geestesoog niet beletten kon de krankten waaraan de Chris-
tenheid alom leed, met een juisten blik te onderscheiden en tevens
de middelen tot hare genezing te ontdekken".
In „Herfsttij der Middeleeuwen“ haalt J. Huizinga Dionisius den Kar-
tuizer niet minder dan twintigmaal aan. Ik citeer alleen het volgende:
„Niet enkel vorsten, ook tal van edelen, geestelijken en burgers be-
stormen zonder ophouden zijn cel te Roermond om raad; hij geeft
voortdurend tallooze oplossingen van moeilijkheden, twijfelingen en
gewetensvragen". En verder: „Zijn arbeidskracht moet onverwoestbaar
zijn geweest. Zijn geschriften vullen 45 quarto deelen. Het is alsof de
geheele middeleeuwsche theologie nog eens uit hem terugstroomt. Qui
Dionysium legit, nihil non legit, heette het onder de theologen der
16de eeuw."
In de 18de eeuw kwam het klooster tot zijn grootsten materieelen
bloei. De abdij was toen rijk. Haar meeste goederen lagen in den om-
trek: Swalmen, Maasniel, Maasbracht, Echt, Posterholt, Helden enz.
Van haar overvloed bouwde zij kerken, voorzag die van priesters en
deed zij uitdeelingen aan de armen.
17 Maart 1783 supprimeerde Jozef II ook deze stichting, waaraan de
namen Swalmerstraat, Wernerstraat, Bethlehemstraat, Dionisiusstraat
en St. Brunoput, naast de schoone kerk van het Seminarie, de herinne-
ring echter blijven levendig houden.
In 1786 zijn de eveneens gesupprimeerde adellijke zusters Norberti-
nessen van Houthem St. Gerlach er komen uitsterven.
Mgr. Paredis kocht het gebouw voor een Seminarie. Bij de inwijding
19 October 1841 waren nog twee zusters over: Freule de Flaminge
(† Nov. 1841) en Sibille Bergrath († 1847).

204
werden de Lijdenspreeken zóó over de kerken verdeeld, dat op Goeden
Vrijdag de meditatie over Jezus' sterven in de Kruisheerenkerk werd
Meerdere plaatsen uit de kronijk bewijzen de goede verstandhouding
gehouden.
tusschen de Kruisheeren en de overige zoowel seculiere als reguliere
geestelijkheid eenerzijds en het wereldlijk bestuur anderzijds
Van hun kinderlijke liefde voor den Bisschop getuigen o.a. 't gedicht,
opgedragen aan Mgr. Sanguessa bij diens Wijding en de illuminatie
van het klooster bij den intocht van Mgr. Kerens.
Zichtbaar rustte Gods bescherming op 't klooster en zijne bewoners.
De groote brand, die 13 Mei 1665 twee derde van de stad verwoestte,
spaarde de wijk waarin de Kruisheeren woonden. Nóg grooter zegen
echter mogen we zien in 't feit, dat tijdens de hervorming alle leden
van dat klooster God en Zijn H. Dienst getrouw bleven, hoewel ook
zij in de kwelling, den religieuzen, bij de inname van Roermond aan-
gedaan, moesten deelen. Bekend is, hoe de Prior, na slagen en mis-
handeling, als een hond onder een kar werd gebonden, hoe hem bedor-
ven brood en water werd voorgezet en hem eerst voor een losprijs van
1000 daalders de vrijheid werd gegeven.
Toch moest door Gods toelating onder de vele kloosters, die de Orde
verloor, ook dat van Roermond vallen. Toen op bevel van Jozef II
meerdere kloosters in Roermond werden ontruimd, dreigde er ook
gevaar voor 't convent der Kruisheeren. De Subprior Hendrik van
Kruchten, hoewel zeer bevreesd, toont in een bewaard gebleven toe-
spraak nog eenig vertrouwen. „'t Volk zegt, dat we voor 't algemeen
welzijn arbeiden, zieken helpen, stervenden bijstaan." In geloof en
eenvoud gaat hij verder, „Wij erkennen Gods straf, we hebben ge-
dwaald, bidt dat God zijn gramschap van ons afwende." De Voorzienig-
heid beschikte anders; met aflegging van 't habijt, werden de Kruis-
heeren den 15 Mei 1784 gedwongen hun klooster te verlaten. Slechts
de namen Kruisheerenstraat en Cornelisstraat bewaren nog de her-
innering aan hun verblijf en arbeid in Roermond.
In 1808 wordt de plaats waar de Kruisheeren waren gevestigd beschre-
ven als volgt:
„Il ne reste maintenant que les démolitions du cidevant Couvent de ce
nom, sur un terrain de 100 mêtres environ de longueur sur une largeur
de 80 à 90 mêtres, d'une forme peu régulière, et dont la moitié du côté
de l'Ouest a servi de jardin et pourra être mise en culture; l'autre
moitié presqu'entièrement recouverte de décombres ne peut être utili-
sée qu'après qu'on les aura déblayés.
Ce terrain tient à l'est à la rue dite Hamstraet, du midi à celle dite
Achtermariengarde, *) du couchant aux jardins dits de Raemen et au
nord à la maison des héritiers de la Marck."
Bij de inwijding van het Vincentiusgebouw 8 December 1880 zeide ka-
pelaan Notermans o.a. het volgende:
„Hecht en sterk verheft zich dit gebouw op een terrein dat noch

D. w. z. het gedeelte, dat tegenwoordig Kruisheerenstraat heet.

206
Kruisheeren overlegd hoe het kloostertje zou zijn te herstellen. De
gebouwen werden gerestaureerd en de stad zegde 100 gulden b.b. jaar-
lijksch subsidie toe plus een voeder groot kolen en een prove uit het
Gasthuis op den Schuitenberg van zestig gulden en twee malder rogge
's jaars. Bovendien mochten zij op de vier hoogtijden omgaan en hare
termijnen houden als hetgeen zij met ziekenverpleging verdienden
voor haar levensonderhoud niet toereikend mocht zijn.
In 1615 als de pest heerschte regelde de Magistraat het tarief waarnaar
de zusters zich voor haar diensten mochten laten betalen.
Zij werden ook buiten de stad geroepen, maar leden niettemin gebrek.
Een en ander is af te leiden uit een vergunning welke de Bisschop
14 November 1699 verleende aan zuster Anna Verbeek en zuster
Adriana Bormans om in het land van Kessel „d'aelmoesen van de
goede luyden op te haelen hetzij in boter, graen oft andersints om
dairuyt hunnen noodtdruft te vinden." Ook deze zusters werden door
Jozef II overbodig geacht. Haar klooster werd in 1785 gesupprimeerd
en den 15 September van dat jaar verlieten zij het convent.

MARIAGAARD.
Het vrouwenklooster Mariagaard was gelegen aan de straat van dien
naam, die destijds de Nieuwstraat heette. Het werd gesticht in 1463
door Gertrudis Mans en hare dochters. Deze religieuzen waren kano-
nikessen der Orde van den H. Augustinus en bezaten vele eigendom-
men in het graafschap Horn.
De Magistraat der stad gaf den 6en Juli 1463 zijne toestemming tot
deze stichting, op voorwaarde dat het getal van twee priesters met
eenen knecht, twintig jonkvrouwen, zoo gewijde als ongewijde, en
zes of zeven donatrices, nooit zou overschreden worden.
Als overste stond aan het hoofd des kloosters eene priorin.
Het Klooster Mariagaard werd op keizerlijk bevel in 1784 gesuppri-
meerd. De gebouwen werden afgebroken.
De laatste tastbare herinnering aan dit klooster, een poort van naam-
schen steen, is pas in de Mariagardestraat opgeruimd.

DE JEZUIETEN.
Voor wat betreft de Jezuieten moge steller dezes zich refereeren aan
hetgeen over hen in het opstel over Onderwijs is medegedeeld.

DE CLARISSEN.
In den nacht van 18 op 19 Maart 1212 was Clara Scifi naar Franciscus
in Portiuncula gevlucht, waar zij een arm habijt ontving, door een
ruw koord bijeengehouden, om voortaan het Evangelie naar de letter
te onderhouden, gelijk Franciscus zelf.
Dat was het begin van de orde, naar Clara genoemd, het begin van de
tweede orde door Sint Franciscus gesticht.

208
haer mondcosten, maer 't ghene sy lheeren geschiet haer ter eeren
Godts. De schole der aermen is ghesepareert van d'andere. De schole
der maecten*) wordt gehouden op Sondaghe en de heylighdaghen".
Klooster en kapel werden in 1665 een prooi der vlammen, werden ech-
ter weder opgebouwd en uitgebreid. Op 21 October 1685 werd de prach-
tige kerk door bisschop Reginald Cools gewijd en weldra genoten in
deze inrichting behalve uit Roermond jonge juffrouwen uit Duitsch-
land en Engeland zoowel als uit Holland en België haar opvoeding.
In 1712 nam hertogin Henrietta Christina van Brunswijk-Luneburg
Wolfenbuttel, een tante van de gemalin van keizer Karel VI, haar intrek
in dit klooster en verbleef er tot aan haar dood, 20 Januari 1753
Den 6 Februari 1718 vierden de Ursulinen het eerste eeuwfeest harer
orde, de congregatie van Bordeaux. 200 leerlingen woonden het feest
bij. Des avonds was het prachtig klooster geillumineerd en geheel de
stad nam deel aan de feestvreugde. Ook de armen werden niet ver-
geten. De Hertogin de Wolfenbuttel deed onder hen 100 brooden
uitdeelen.
Den 3 October 1741 woonden in het klooster 25 koorzusters en 7
leekezusters.
Jozef II spaarde de Ursulinen om haar verdiensten voor de samen-
leving. Zelfs de Fransche republikeinen aarzelden tot 23 November
1797 met de opheffing dezer orde.
Den 26 Februari daarna werden de laatste lessen gegeven en den 13
December 1799 werden de meubelen en de kloostergebouwen verkocht
voor fr. 300.000 aan Mathieu Moreau.
Op 22 Maart d.a.v. werd de toren van de kerk afgenomen en ook deze
werd weldra afgebroken. Een gedeelte van de kloostergebouwen echter
dient heden nog tot particuliere woning, terwijl in het andere gedeelte
de R. K. Landbouwschool is ondergebracht.
De laatst overlevende Ursuline uit dit klooster overleed den 17 Augus-
tus 1853, nadat den 10 Januari van dat jaar de Ursulinen van Sittard
de overblijfselen van het door Jozef II in 1784 opgeheven klooster
Godsweerd aan de Voogdijstraat hadden gekocht om zich aldaar te
vestigen. Waarover later.

DE POENITENTEN.
In het begin van de 17de eeuw leefde in het klooster der Grijze Zusters
te Gent Zuster Joanna de Neerinck; haar kloosternaam was Joanna
van Jezus. Tot overste gekozen, voelde zij zich door Gods genade
aangespoord om het kloosterlijk slot en een strengere regeltucht in
te voeren. Na verschillende moeilijkheden overwonnen te hebben, kon
zij onder leiding en met hulp van den bekenden P. Petrus Marchant
O.F.M. zich met andere zusters vestigen te Limburg, de hoofdstad van
het oude hertogdom van dien naam. Naar dit klooster werden later de
Zusters „Penitenten-Recollectinen van de Reforme van Limburg” ge-
noemd. Deze Reforme bloeide weldra ook te Stockhem en van daar uit
*) Dienstboden.

210
Het klooster werd in 1783 gesupprimeerd. De Zusters vertrokken zon-
der iemand te zien in een gesloten rijtuig naar Frankrijk, alwaar zij
in een klooster harer orde werden opgenomen. Van Frankrijk togen
zij, toen het daar niet meer veilig was, naar Brabant en in Mei 1794
keerden zij ten getale van negen te Roermond terug, waar het oude
klooster weer voor haar werd ingericht.
Dezelfde maand nog moesten ze het klooster ruimen voor de Oosten-
rijksche troepen. Mevrouw de Abdis van het Munster verleende haar
nu een schuilplaats in hare Abdij. Drie jaren daarna 3 Februari 1797
zijn zij ook vandaar moeten vertrekken en zijn zij gaan wonen op
de Markt.
Pogingen na den dood van Jozef II aangewend om het onderbroken
kloosterleven te herstellen leden schipbreuk door het invallen der Fran-
sche revolutie.
Roermond telde een halve eeuw lang geen enkel klooster meer.

     „Daar vaart langs heel de wereld een woeste doodsorkaan
     De scheppingen der menschen verrijzen en vergaan.
     De scheppingen des Heeren behooren mee den dood,
     Want Hij alleen is Koning, Zijn macht alleen is groot!"

II. NIEUWE KLOOSTERS.

Bij Koninklijk besluit van 10 Juli 1845 no. 57 verkregen Vrouwe Douai-
rière van der Renne van Daelenbrouk geboren Michiels van Verduy-
nen en eenige andere aanzienlijke Roermondsche dames vergunning
tot het houden eener particuliere loterij van bijeengebrachte voor-
werpen, waarvan de opbrengst zoude strekken tot oprichting van een
gesticht van Zusters van Liefde.
Een der voorwaarden luidde: „Dat bij de vestiging van een vereeniging
of congregatie van Zusters van Liefde in het op te richten gesticht
van weldadigheid de verordeningen, in het decreet van den 18 Februari
1809 vervat, zullen behooren te worden toegepast en de belanghebben-
den zich derhalve daarnaar behooren te gedragen". De goedkeuring
van het gouvernement was namelijk vereischt voor de oprichting van
een zoodanig gesticht. Ziedaar het eerste officieele teeken van nieuw
kloosterleven te Roermond.

CONGREGATIE DER ZUSTERS VAN LIEFDE.
St. Augustinus-gesticht aan de Kloosterwandstraat.

23 November 1832 werd door Mgr. Zwijsen destijds pastoor van de
parochie 't Heike te Tilburg de congregatie der Zusters van Liefde
gesticht, waarvan de oorspronkelijke bedoeling slechts was eene stich-
ting van religieuzen, die opvoeding en onderwijs zouden geven aan de
arme meisjes der parochie. Het werk vond echter zooveel bijval dat


212
Sedert September 1931 geven deze Zusters ook lager onderwijs aan de
Kapel in de plaats van de Zusters van het arme Kind Jezus.
Van 1851 tot 1929 zijn deze Zusters tevens belast geweest met de huis-
houding en ziekenverpleging in het Hospitaal.

DE BROEDERS.
Door de zorgen van Mgr. Ludovicus Hubertus Rutten werden een drie-
tal jonge mannen in het religieuze leven opgeleid om met hem den voor
dien tijd gewaagden stap te doen om in Maastricht het eerste bijzonder
onderwijs te geven. Den 21 November 1840 werd de bidplaats in „De
Roode Leeuw" in de Bogaardenstraat ingezegend. Van dien dag af
rekenen de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis het bestaan hun-
ner congregatie. Was het begin klein, thans telt de vereeniging meer
dan 600 leden, werkzaam in 25 huizen.
De handelingen van den gemeenteraad van Roermond van 22 Juli en
11 Augustus 1852 vermelden den afstand van de stadsschool (welke
een armenschool zou worden) aan de Christelijke Broeders van Maas-
tricht, onder toekenning van een jaarlijksch subsidie van f 1000, -.
15 November d.a.v. openden de Broeders de school met 117 leerlingen
in een stadsgebouw. Het volgend jaar brachten zij ze over naar een
eigen gebouw in de Hegstraat thans Lindanusstraat genoemd. Hoofd
was Br. Stanislaus (J. Rouw).
Deze werd bijgestaan door vijf Broeders.
Aanvankelijk was bij de Broeders ook ondergebracht de stichting van
wijlen Z. D. H. den Baron van Wijkerslooth van Schalkwijk voor mili-
tairen weeskinderen, welke stichting in 1856 naar Weert werd over-
geplaatst.
Kapel en scholen werden 1 Mei 1854 plechtig ingewijd door Mgr.
Paredis, bisschop van Roermond.
Van 22 October 1864 tot in 1867 werd het gebouw langs de Karme-
litessenstraat gesticht bestemd voor klassen der stadsschool en het
pensionaat St. Louis.
De volgende data verdienen nog vermelding: 21 November 1876 werd
de nieuwe kapel ingewijd, 1 November 1907 de openbare school omge-
zet in een bijzondere, de St. Jozefsschool en 1 Januari 1908 had de
opening van de St. Vincentiusschool aan de Dionisiusstraat plaats.
1 October 1914 werd het pensionaat St. Louis overgeplaatst naar
Amersfoort en betrok de Landweer de gebouwen.
De Broeders wonen sindsdien Willem II Singel 63, van waaruit de
beide scholen aan de Dionisiusstraat tot heden werden bediend.
Sedert 1 September 1931 komt ook het onderwijs aan de St. Aloysius-
school in het Veld voor rekening der Broeders.

DE URSULINEN.
In Januari 1853 kwamen de nieuwe Ursulinen van de stichting van
J. C. M. Lambertz den heiligen pastoor van Thildonck zich te Roer-

214
oefeningen welke de Redemptoristen overeenkomstig het doel hunner
congregatie van uit hun klooster in het bisdom en daarbuiten preeken,
arbeiden zij aan het zielenheil van de bewoners van het rectoraat der
kapel en voor den bloei der godsvrucht tot O. L. Vrouw in 't Zand.
In 1883 werd door de Paters een later in tweeën gesplitste bewaar-
school opgericht en in datzelfde jaar een leerschool voor jongens
en meisjes samen. In 1900 volgde een afzonderlijke lagere jongens-
school, die aan onderwijzers werd toevertrouwd. In 1908 werd een
nieuw klooster van de Zusters gebouwd en de jongens- en de meisjes-
school uitgebreid en geheel nieuw ingericht. Ten slotte werd in 1920
een dubbele MULO-school een voor jongens en een voor meisjes ge-
opend, terwijl nog voor de meisjes een huishoud- en een naaischool
tot stand kwamen.
In 1909 was reeds een jongenspatronaat opgericht, waarvoor in 1911
een nieuw gebouw werd gezet. In dat jaar werd tevens een meisjes-
patronaat opgericht en in 1917 voor oudere jongens een gezellenzaal
gesticht met daaraan verbonden avondteekenschool. Het spreekt van-
zelf dat bovendien ook zuiver godsdienstige vereenigingen tot stand
kwamen en veel door hen werd gedaan voor den wederopbloei der
vereering van O. L. Vrouw in 't Zand.

Door de Meiwet van 1875 (Kulturkampf) werden alle geestelijke orden
en congregaties uit Pruisen geweerd met uitzondering van diegene die
zich uitsluitend bezig hielden met verpleging van zieken.
Dientengevolge vestigden zich te Roermond de Ursulinen van St. Sal-
vator, de Zusters van het Arme Kind Jezus en de Carmelitessen.

DE URSULINEN VAN ST. SALVATOR.
In 1876 kwamen te Roermond de Zusters van St. Salvator uit Mülheim
a. d. Rijn een filiaal van het klooster te Munstereifel in het voormalig
land van Gulik waar zij in de 16de eeuw gesticht waren door Marga-
retha Lynnerie en vestigden zich in haar tegenwoordig klooster aan de
Zwartbroekstraat, alwaar zij aan haar pensionaat een school voor lager
onderwijs toevoegden. In 1879 kwamen ook de Zusters uit Munstereifel
over en het volgend jaar voegden zich bij haar de Ursulinen uit Dus-
seldorf, die sinds 1875 haar verblijf hadden gehad te Maastricht. Met
toestemming van Mgr. Paredis vereenigden zich beide congregaties
in 1881 tot ééne communiteit onder den naam van Ursulinen van St.
Salvator en ontvingen in 1883 de pauselijke goedkeuring.
Toen het in 1887 de meeste onderwijsorden mogelijk werd gemaakt
naar Pruisen terug te keeren en scholen te openen (hoogere meisjes-
scholen) bleven de Ursulinen van St. Salvator niet achter en richtten
zij een hoogere meisjesschool te Dusseldorf op. Intusschen bleef het
huis te Roermond voortbestaan al wijdden de zusters zich sindsdien
aan een meer bescheiden werkkring. Duitsche moeders, vooral vroegere
pensionaires, vertrouwden graag haar kinderen aan het pensionaat toe,
dat echter ook veelal door Hollandsche, Belgische, Fransche en Engel-

216
Verder zijn zij werkzaam le. voor het Groene Kruis; 2e. het lager
onderwijs; 3e. het R. K. Godshuis en 4e. het St. Laurentius Ziekenhuis.
Toen de Zusters van Liefde 6 October 1910 verklaarden het niet op
zich te kunnen nemen geregeld zieken aan huis te verplegen, werd de
St. Jozefscongregatie daartoe bereid gevonden en nam 21 Maart 1911
de wijkverpleging een aanvang.
Het Groene Kruis was eerst gevestigd in de Pieter Cuypersstraat, daar-
na sinds 15 April 1925 in de Swalmerstraat en is 22 April 1929 in het
R. K. Godshuis, en eenigen tijd later in het St. Laurentius Ziekenhuis
ondergebracht.
De school in het Roermondsche veld werd geopend 11 Januari 1926
Er wordt op het oogenblik Fröbelonderricht en Lager onderwijs in vier
klassen gegeven door 5 zusters en 2 leekeonderwijzeressen.
De toekomstige oprichting van het katholiek bijzonder ziekenhuis in
het Veld had onverhoopt het gevolg, dat de Zusters, die in het R. K.
Godshuis en het Louisahuis èn weezen naast ouden van dagen èn zie-
ken verpleegden, zich uit deze stichting terugtrokken.
Mgr. Driessen, de stichter van het nieuwe ziekenhuis, nam toen, 22 Juli
1929, de verpleging in het Louisahuis op zich onder voorwaarde dat
de daar bestaande ziekeninrichting bij de opening van het nieuwe
ziekenhuis daarheen zou worden overgebracht.
In het R. K. Godshuis, waar de Congregatie eerst 45 zusters telde,
zijn, nu de school- en ziekenzusters elders wonen, thans nog ongeveer
15 zusters werkzaam.
Te Roermond bestond, vooral met het oog op de toekomst, het verlan-
gen naar een katholiek bijzonder ziekenhuis, voor welks oprichting
en exploitatie men zich tot Mgr. Driessen te Heerlen wendde.
Moeilijkheden werden overwonnen, en de werkzaamheden, begonnen
in April 1929, werden 10 Mei 1931, dag der officieele opening, beëindigd.
Er zijn ongeveer 50 zusters met 8 leerlingverpleegsters werkzaam,
welke voor ongeveer 100 patiënten zorg dragen.

DE VEREENIGING OPVOEDINGS- EN AMBACHTSGESTICHT
St. JOZEF.

Deze is opgericht den 23 Augustus 1902 door Mgr. van Boom en geves-
tigd te Roermond eerst Buitenop en sedert 6 December 1915 Lindanus-
straat 2, het vroegere pensionaat St. Louis
De vereeniging stelt zich ten doel in de eerste plaats aan verwaarloosde
jongens van 6 tot 18 jaar eene degelijke Christelijke opvoeding te be-
zorgen en hun gelegenheid te geven, om onder leiding van bekwame
meesters een ambacht aan te leeren, waardoor zij in staat worden
gesteld bij het verlaten van het gesticht op fatsoenlijke wijze den kost
te verdienen.
De statuten dezer inrichting zijn goedgekeurd bij K. B. van 13 Maart
1903. Op 10 Augustus d.a.v. had de plechtige inzegening plaats en den
17en Augustus daarna werd de eerste jongen in het gesticht opgeno-
men. De eerstvolgende maanden volgden zes andere, zoodat het getal

218
15 Augustus 1884 vestigden zich hoek Willem II Singel-Kapellerpoort
ter plaatse waar thans de Bisschoppelijke Kweekschool is de PATERS
CAMILLIANEN vulgo „de Fransche Päterkes“. Zij wijdden zich aan
ziekenverpleging.
De handelingen van den Gemeenteraad van 2 November 1920 be-
ginnen als volgt:
„De Voorzitter opent de vergadering met een waardeerend afscheids-
woord aan het adres van de Paters Camillianen wier vertrek uit de
Gemeente hij evenals alle gemeentenaren levendig betreurt. Zij deden
in de jaren dat zij hier vertoefden veel goeds zoo voor de Gemeente
als voor de omgeving en het is te hopen, dat zij, als betere tijden weder-
keeren hun goed werk zullen komen voortzetten."

Door den Kulturkampf gedwongen verlieten op 21 Augustus 1875 14
koorzusters en 5 leekenzusters het klooster te Munster en vestigden
zich te Katwijk aan de Maas, vanwaar zij 21 November 1877 naar Roer-
mond vertrokken, alwaar zij zich vestigden in een oud heerenhuis aan
de Kloosterwandstraat hoek Ramenstraatje ter plaatse, waar thans het
Postkantoor ligt andermaal de ARME CLARISSEN.
Zij zijn in 1898-1899 weer vertrokken naar Bocholt in Westfalen.

6 Januari 1903 vestigden zich, komende van Marchienne au Pont,
Heinsbergerweg 5 „LES SOEURS OBLATES DE L'ASSOMPTION"
in de wandeling de Fransche Zusters genoemd. Zij hebben zich aan-
vankelijk verdienstelijk gemaakt als ziekenverpleegsters. Menigeen
herinnert zich nog de Overste Mère Marie-Rose als zoodanig. Om
verder in haar onderhoud te voorzien hielden zij kostdames en gaven
Fransche conversatieles.
In den oorlog namen zij vele kindervluchtelingen ter verpleging op.
Zij zijn 1 October 1920 vertrokken naar Hulsberg waar zij evenals
te Doenrade een school voor lager onderwijs openden.

25 Januari 1903 hebben zich ook Fransche Zusters gevestigd Schuiten-
berg 45 namelijk LES DAMES DU SACRÉ COEUR. Zij kwamen van
Ruillé sur Loir. Dezen hielden eveneens kostdames en zijn in September
1923 verspreid vertrokken.
De laatsten komen ook voor als Zusters der Voorzienigheid, terwijl
het mij niet met zekerheid is gebleken of de zusters, die na dien tijd
hebben gewoond Willem II Singel 21 en ook kostdames hielden, van
dezelfde congregatie waren als de Zusters van de Kapel, gelijk men
meent, dan wel of het Zusters van de H. Familie waren, zooals zij in
het bevolkingsregister stonden ingeschreven. Zij zijn in elk geval met
eerstgenoemden vertrokken.
13 Juni 1916 ten slotte kwamen zich uit Simpelveld hier vestigen aan
de Kapellerlaan 46 eenige Paters van de CONGREGATIE DER H.H.
HARTEN. Zij zijn in 1920 weer vertrokken, de meesten naar Simpel-
veld.

220
werd geregeld op Zon- en feestdagen preek gehouden en op den 5den
September 1566 werd zelfs de predikant heimelijk in de Stad gebracht,
waar hij den volgenden Zondag op de Markt zijn preeken hervatte,
zonder dat de herhaalde pogingen der Overheid om hem dat te beletten
en hem uit de Stad te zetten, eenig gevolg hadden. Ook de bemoeiin-
gen van Karel van Brimen, Stadhouder van Gelderland, Graaf van
Megen, om deze preeken te onderdrukken, hadden geen resultaat. Hij
schreef zelfs den 15den Augustus aan den Magistraat van Roermond,
in naam der Landvoogdes, dat de Koning de Inquisitie nimmer in het
land zou invoeren, zoo slechts aan het oproerig drijven der nieuwe
predikanten werd paal en perk gesteld en de orde werd hersteld. 't Kon
alles niet helpen. Op den 29sten September verzocht de Stadhouder,
op bevel der Landvoogdes, den Magistraat van Roermond om boven-
gemelden Ludovicus Ornaeus, den hervormden predikant, naar het
voorbeeld van Nijmegen uit te drijven, op straf van de verbeuring
der stedelijke voorrechten. De wederspannige burgers antwoordden
aan den Scholtis, die hun dit bevel voorlas, „dat zij wel goede onder-
danen des konings waren en bleven, maar dat zij toch den predikant
van het „ „reine Woord Gods“" mochten behouden, totdat hem iemand
door de H. Schrift van valschheid zoude overtuigen".
Ook het dreigen van den Scholtis met 's Konings ongenade hielp niet;
integendeel, het verzet nam grootere afmetingen aan.
Zoo werd op het eind van September 1566 de parochiekerk bestormd
door de gereformeerden, en sloegen dezen nieuwe sloten op de deur om
voortaan de kerk in hun bezit te houden. Men ontbood zelfs een predi-
kant uit de Paltz, genaamd Hendrik Dibbetz, en er werd ook nog, onder
een bijzonderen predikant, de Wald genoemd, een Mennonietische ge-
meente opgericht. De Magistraat verloor het gezag zoozeer, dat hem
de sleutels der stad met geweld werden ontnomen. Al deze onlusten
voerden ten slotte tot een gruwelijken beeldenstorm. Kerken werden
geplunderd, altaren en beelden verbrand.
Om de leiders van het oproer in bedwang te houden en te straffen,
stelde de Stadhouder van Brimen aan de Landvoogdes de opheffing
van de stedelijke privilegiën voor, maar hij kon de noodige toestem-
ming niet verkrijgen. Want, ofschoon de Landvoogdes deze uitspattin-
gen der burgers van Roermond ten hoogste afkeurde en strafbaar noem-
de, meende zij toch, met het oog op de nog talrijk goedgezinde burgers
der stad, zich van dezen maatregel te moeten onthouden.
In het begin van 1567 herkreeg de regeering haar vorig gezag en macht
terug. De godsdienstige nieuwigheden werden afgeschaft en de predi-
kanten in de maand April uit de stad verjaagd. De Magistraat van
Roermond gaf daarvan omstreeks dezen tijd kennis aan den Stad-
houder, welke daarop den 15den April antwoordde, dat het beter ge-
weest ware, wanneer zulks vroeger geschied was, en dat de Landvoog-
des zich kwalijk daarmede zou tevreden stellen. Daarom meende hij de
stad geen beteren raad te kunnen geven dan: „van zich te verdemoe-
dichen, om weder in genade aangenomen te worden". Twee dagen later
schreef de Stadhouder weer aan den Magistraat, dat hij, de verjaging

222
hadden en hem niet vonden, lieten zij bij hun vertrek het oog op de
kist vallen en zeiden tot elkander; „wie weet of die geus Dibbetz niet
in die kist ligt", waarop de vrouw met onbegrijpelijke onbedeesdheid
van de kist afsprong en zeide: „zie daar of heer Hendrik Dibbetz daar
in is". De soldaten door dit optreden misleid lieten de kist ongeopend
en verlieten het huis. Dibbetz verliet daarop zoo spoedig mogelijk in
een metselaarspak, met een kalkbak op zijn schouders en een troffel
in zijn hand, de stad en vertrok naar Duisburg.
Door de veranderde tijdsomstandigheden, mede ook door het optreden
van bisschop Lindanus, is de protestantsche gemeente na 1572 even
schielijk en spoedig afgenomen als zij voor dien tijd was gegroeid en
zijn velen, zoo niet de meesten tot de R. K. Kerk teruggekeerd, terwijl
anderen naar elders vertrokken. Mogelijk zijn er ook nog eenigen ge-
bleven, want volgens Knippenberg heeft bisschop Lindanus in 1579 en
later in 1583 op ernstige wijze geijverd tegen hen, die niet in de Mis
kwamen. Dit zou ook strooken met hetgeen ik ergens las, dat in deze
en latere jaren de hervormden uit Roermond zoo nu en dan naar Heins-
berg (in 't Gulickerland), op 3 uur afstand van Roermond ter Kerke
gingen.
Wij moeten thans een reeks van jaren onbesproken voorbij gaan, daar
in dien tijd omtrent de Hervormden in Roermond niets te vermelden is.
Wij komen dan tot 1632, in welk jaar op 5 Juni Frederik Hendrik de
Stad innam. Kort daarop kwamen gecommiteerden van Gelderland
o.m. hier naar Roermond om allerlei zaken te regelen. In het
Verbaal" door dezen opgemaakt, blijkt, dat zij op Donderdag
21 Juni 1632 hier ter stede aankwamen en daags daarna een onder-
houd hadden met eenige Gecommiteerden van den Magistraat, dien
zij bij zich ontboden hadden, „ende deselve vermaent,- ingevolge
van de gemaeckte Capitulatie verdacht te willen zijn op eene Kercke
daer inne des Sonnesdaegs daer aen volgende die van de Religie moch-
ten Predigen." Hierop antwoordden de Gecommiteerden van den Ma-
gistraat, dat de in de Capitulatie genoemde Kerk van St. Joris (waar
thans het Munsterhotel ligt) daartoe gereed zou zijn. De Gecommiteer-
den van het Overquartier merkten hierbij op: „dat deselve veel te
kleyn was ten aensien van 't garnisoen ende d'apparente Gemeente die
daer solde moegen komen". De Magistraat wees toen de kerk op het
Bagynhof aan. Omtrent deze kerk zegt het verbaal der Gecommiteer-
den, dat zij niet grooter was dan „elff passen in 't breet ende 31 off 32
in de lengde, synde gelegen achter aen de Muyre van de Stad ende
alsoo ook nyet alleene te kleyn maer ook heel agteraff en ongelegen".
Voor opgemeld doel vermeenden de Gecommiteerden dat er geen „be-
quamer ende gelegener plaetse was als de Kerk van den Heyligen
Geest". Deze kerk werd dan ook in bezit genomen en op den daarop
volgenden Zondag werd door een predikant, genaamd Leone, daarin
een predikatie gehouden en „den text van de predicatie genoemen uyt
den Sentbrieff Pauli tot den Galaten". Van af gemelden datum konden
de Hervormden hun openbaren eeredienst hier ter Stede vrijelijk uit-
oefenen. Dit zou echter niet lang duren want reeds op 3 September

224
magazijn, de aanwezige kerkmeubels e.d. hadden gekocht en zelfs de
daken van het gebouw hadden onderhouden. Op dit verzoek werd
afwijzend beschikt en bij K. B. van 24 Juni 1820, no. 48, werd een ge-
deelte van gemeld kerkgebouw bestemd en ingericht tot „openbare
godsdienstoefening voor de Hervormde Gemeente". De burgerlijke
protestantsche gemeente werd eerst in 1825 georganiseerd; zij telde
toen 102 zielen en de geestelijke verzorging was opgedragen aan Ds. J.
Begemann.
Het overige gedeelte van de voormalige Minderbroederskerk, zoo mede
het nevensliggend terrein of oud kerkhof, werd blijkbaar in dezen af-
stand niet begrepen. Toch is een en ander sedert bij de Hervormde
Gemeente in bezit en genot geweest en was men van oordeel, dat men
daartoe ingevolge vorengemeld K. B. gerechtigd was. Omstreeks 1860
werd vanwege het bestuur der domeinen bij herhaling bij den Kerke-
raad aangedrongen om het niet tot den openbaren godsdienstoefening
ingerichte en gebruikte gedeelte van de Kerk met het daarnevens lig-
gend terrein, aan den Staat ter vrije beschikking over te laten. De Ker-
keraad verzette zich hiertegen en beriep zich op verkregen eigendoms-
recht; wees ook op de toeneming der gemeente en bijgevolg op de be-
hoefte aan meerdere ruimte. Het Domeinbestuur bleek bereid om den
Kerkeraad de eigendomsrechten van den Staat, die deze op het litigiëus
gedeelte van het kerkgebouw en daarbij behoorend terrein had, aan de
Hervormde Gemeente af te staan tegen betaling der waarde, door twee
deskundigen te schatten. Deze waarde werd bepaald op f 4700 .-.
En zoo werd bij overeenkomst van 2 April 1864 de Hervormde Ge-
meente alhier eigenaresse van het geheele kerkgebouw met het daarbij
behoorend terrein. Bij de wet van 8 Juni 1864 (Stbl. no. 66) werd deze
verkoop goedgekeurd. Vermeldenswaard is een der voorwaarden van
verkoop:
„De muren, die deze perceelen aan de eene zijde van de straat en aan
„de andere zijde van de openbare wandelplaats of wal afscheiden, zijn,
„voor zooverre die aan het domein toebehooren, onder dezen verkoop
„begrepen, des nogtans, dat het zich in den voormuur bevindende kruis
„of Christusbeeld door den Kerkeraad niet zal mogen worden betim-
,merd, afgebroken of weggenomen.”
Sedert 1864 had dus de Hervormde Gemeente de beschikking over het
geheele kerkgebouw, doch ondanks de „behoefte aan meerdere ruimte'
bleef het niet voor haren eeredienst gebezigde gedeelte bij het garni-
zoen in gebruik als hooi- en stroomagazijn. Velen onder de thans nog
levende Roermondenaren zullen zich het zeer vervallen monumentale
gebouw in dien tweeledigen toestand nog herinneren. In 1901 besloten
Kerkvoogden en Notabelen om het vervallen kerkgebouw te doen res-
taureeren. Subsidiën in de kosten dezer restauratie werden gevraagd
aan Rijk, Provincie en Gemeente, doch de plannen van de restauratie,
begroot op f 8800 .- , waren van dien aard, dat zij de goedkeuring van
wijlen den heer Dr. P. J. H. Cuypers niet konden wegdragen, daar zij
niet waren in den stijl waarin de kerk was gebouwd. Toen werden
plannen gemaakt in overleg met Dr. Cuypers, doch de kosten werden

226
HET ONDERWIJS
door
DR. P. J. M. VAN GILS

V
AN de oude Abbatia Rodensis, - het huidige Rol-
duc -, is een boekenlijst, uit het begin der der-
tiende eeuw, bewaard. Zij bevindt zich thans in het
Rijksarchief te Maastricht. Geen enkel Rolducsch
boek bleef ons uit die dagen gespaard. Zij zijn bij
den stadsbrand van Aken, - waar zich het refugium of vluchthuis der
Abdij bevond -, en bij andere gelegenheden verbrand, in ieder geval
reeds sinds de zeventiende eeuw onvindbaar.
Toch kunnen wij, enkel uit die boekenlijst, tot het bestaan eener Rol-
ducsche school besluiten. De titels immers der beide hoofdafdeelingen
luiden: „Hii sunt libri theoloici Rodensis ecclesie" en „Hii sunt libri
artium liberalium et Philosophorum et Auctorum et Poetarum". Het
waren dus boeken ten behoeve van de studie der Theologie en van het
trivium en quadrivium, die in de Middeleeuwen de voorbereiding tot de
theologische studie vormden.
De „Annales Rodenses” bevestigen deze hypothese. In het jaar 1123
worden vermeld „Scholares pueri, qui tunc in aecclesia erant educandi"
en daar „asperrimo regebantur magistro"; in 1137 was Gozwinus te
Rolduc „litterarum officio educatus" en in 1150 heet het van Meinerus
de Anstela: „transponens in conventus duos ad litteras filios".
Had nu Rolduc reeds in de dertiende eeuw een bloeiende school, ouder
waren de scholen te Maastricht.
Er bevond zich hier een Domschool, waarover echter maar weinig be-
kend is. Zij ontstond ten tijde van den H. Amandus. Toen deze om-
streeks 650 Rome bezocht had, werd hij op de terugreis door vier pries-
ters, genaamd Landoaldus, Amandus, Adrianus en Julianus, vergezeld,
wien hij het onderricht der jonge geestelijken van zijn bisdom toe-
vertrouwde. De beroemdste dergenen, die aan deze Domschool hun op-
voeding ontvingen, is wel de H. Lambertus, die eenmaal zelf op den
bisschopsstoel van Maastricht zou plaats nemen. Met de verplaatsing
van den bisschoppelijken zetel van Maastricht naar Luik werd ook de
Domschool hierheen overgebracht.
Dan waren er te Maastricht twee kapittelscholen, behoorende bij de
collegiaalkerken van St. Servaas en O. L. Vrouw. De oudste ons beken-
de scholaster van het kapittel van O. L. Vrouw was Adelo, die in 1133
leefde. De school van St. Servaas stond op het einde der vijftiende eeuw
onder leiding van Mathias Herbenus, den verdienstelijken schrijver van
het werk „De Trajecto instaurato”. Beide kapittelscholen zijn later aan
de Jezuïeten overgedragen
Blijkbaar waren deze kapittelscholen niet voor alle kinderen van binnen
en buiten de stad toegankelijk en moet hierin de reden gezocht worden,
waarom de Franciscanenpater Abraham Buren, rector of geestelijk be-

228
telijken, hetzij in den wereldlijken stand. De klooster- en kapittelscholen
beoogden met haar onderwijs in de eerste plaats de opvoeding der toe-
komstige geestelijkheid, doch namen daarnaast ook jongelingen op, die
een wereldlijke loopbaan wenschten te volgen; de parochiescholen be-
paalden zich veelal in hoofdzaak tot godsdienstonderricht, terwijl de
stadsscholen hun leerlingen een volgens de begrippen dier dagen meer
algemeene ontwikkeling trachtten mede te geven.
Tot welke soort der hier genoemde scholen zal de Roermondsche school
van 1343 behoord hebben? Welnu, wij kunnen met zekerheid aannemen,
dat de beide toenmaals in Roermond bestaande kloosters, de Munster-
abdij en het Minderbroedersklooster, geen scholen hadden, een kapittel
was er nog niet en de bloeitijd der parochiale scholen was reeds voorbij;
voorts werd er in den regel in de plaats, die tot stad verheven was, het-
geen Roermond omstreeks 1231 te beurt viel, weldra van stadswege een
school opgericht, ofwel de reeds bestaande parochiale school werd door
het stadsbestuur overgenomen en overeenkomstig de nieuwere eischen
gereorganiseerd.
De in 1343 genoemde school zal dus een stadsschool geweest zijn. Haar
ligging is ons niet bekend. Met betrekking tot het onderwijs, dat er
gegeven werd, valt niets met zekerheid te bepalen; een enkele aanwij-
zing is er evenwel, al heeft zij geen bewijskracht, dat hier sprake zou
kunnen zijn van een Latijnsche school. Immers de leerlingen zongen
voor den Hertog, en de zang behoorde tot de leervakken der Latijnsche
scholen.
Het bestuur der school zal wel niet anders geweest zijn dan dat der
middeleeuwsche stadsscholen in het algemeen en dus bij de stedelijke
regeering berust hebben, welke het onderwijzend personeel benoemde,
ontsloeg en bezoldigde en voor de aanschaffing der leermiddelen zorg
droeg.
In 1361, toen het kapittel van St. Odiliënberg naar Roermond werd over-
gebracht, waar de kanunniken de kapel van de Hospitaalbroeders van
den H. Geest verkregen, werd de stad een inrichting van onderwijs
rijker in de school, die aan het kapittel verbonden was. De gegevens, die
wij over de kapittelschool bezitten, dateeren eerst van 1517. In dat jaar
schonk de Rector van het H. Kruisaltaar van de H. Geestkerk, Johan
van Heickelom, een jaarrente van één goudgulden ten gunste van leer-
lingen „in de H. Geest", die elken Vrijdag om elf uur een responsorie
„Tenebrae factae sunt" zouden zingen.
Vóór de zestiende eeuw werden er in Roermond dan geen scholen meer
opgericht. Toch zou men zich van de geestesontwikkeling zijner bevol-
king in den herfsttijd der Middeleeuwen een onjuiste voorstelling vor-
men, indien men haar schatte naar het aantal en den aard der onder-
wijsinstituten, die binnen de stad gevestigd waren. Roermond telde
onder zijn zonen vurige adepten der wetenschap, die hun weg wisten
te vinden naar de nog jonge Midden-Europeesche universiteiten, sinds
1426 ook naar die van Leuven. Nauw is de universiteit van Keulen ge-
opend, (7 Januari 1389), of wij vinden daar, reeds in het eerste acade-
miejaar, twee Roermondsche studenten ingeschreven. De Alma Mater

230
plaats vinden. Verder moest zij de leeraarssalarissen vaststellen en het
openen der school bijtijds in de naburige steden, dorpen en vlekken
bekend maken. Aan geestelijken, kloosters, broederschappen en gilden
moest om ondersteuning gevraagd worden.
De school telde zes klassen, waarvan de leiders werden genoemd: Sep-
timaner, Sextaner, Quintaner, Quartaner, Conrector en Rector.
Deze school, die aan den Steenweg gelegen was, voldeed op den duur
niet aan de behoeften. De magistraat besloot dan ook den 27sten Sep-
tember 1589 er een tweede bij te bouwen, aan welk besluit in 1591 uit-
voering werd gegeven. De nieuwe school kwam te staan achter de
„groote kerk” en werd de „hooge schol” genoemd, terwijl die op den
Steenweg voortaan de „oude school" heette. De kosten van den bouw
bedroegen f 2586.
Roermond heeft zich blijkbaar niet te beklagen gehad over gebrek aan
Overheidszorg voor het schoolwezen. In de jaren 1590-1595 werden er
niet minder dan vier verschillende schoolreglementen uitgevaardigd.
Zeer belangrijk voor onze kennis van het onderwijs in de zestiende
eeuw is de verordening, vervat in het dagboek van den vicarisgeneraal
Gregorius Gherinx, die, sede vacante, het bisdom van 1588 tot 1596 be-
stuurde. Dit dagboek, dat getiteld is „Continuatio diurnalis sedis vacan-
tis pro 1592", bevat een in het Latijn gestelde verordening voor de
Latijnsche school en een Nederlandsche voor de Duitsche, Fransche en
rekenscholen.
Een verslapping van de tucht in de Latijnsche school, welke de bezorgd-
heid opgewekt had van den vicarisgeneraal, den scholasticus Sibertus
Romers en de provisoren Camptsius en Masius, gaf dezen heeren aan-
leiding een nieuw schoolreglement uit te vaardigen, dat „ten eeuwigen
dage" zou gelden. Men kan niet anders zeggen, of de bepalingen van
deze verordening waren wel geschikt om tuchteloosheid uit de school
te weren en de jeugd vroegtijdig aan een geregelde en godsdienstige
levenswijze te gewennen.
Volgens deze verordening had de rector der Latijnsche school het
oppertoezicht over de andere in de stad gevestigde scholen, waarvoor
deze hem een geldelijke vergoeding betalen moesten; de school van
den H. Geest was hiervan uitgezonderd. De rector had o.a. toe te zien,
dat door geen onbevoegde een Fransche, Duitsche of rekenschool te
Roermond geopend werd.
Groote zorg werd er besteed aan de godsdienstige opvoeding van de
leerlingen der Latijnsche school. De lessen begonnen des morgens met
het aanroepen van den H. Geest, gevolgd door andere gebeden; des
namiddags, voordat de leerlingen zich huiswaarts begaven, werden zij
met gebed besloten. Op Zon- en feestdagen werden gedeelten uit den
Catechismus van Canisius, verder het Epistel en Evangelie van den
dag, gewijde hymnen en psalmen voorgelezen en verklaard.
Gemeenschappelijke bezoeken aan de kerk of elders vonden plaats
onder leiding van den rector, conrector en praeceptor, die bij zulke
gelegenheden voor een ordelijk gedrag der leerlingen te zorgen hadden.
Hetzelfde voorschrift gold bij het deelnemen van de school aan begrafe-

232
een andere school wilde overgaan, een getuigschrift geven, tenzij hij het
verschuldigde schoolgeld betaald had, bedankt had voor het genoten
onderricht en met een handdruk afscheid genomen.
Uit geheel de schoolverordening, waarvan wij de voornaamste bepalin-
gen in het kort weergaven, blijkt duidelijk, dat de strekking van deze
schoolopvoeding allereerst godsdienstig en zedelijk was. Ten over-
vloede wordt deze strekking nog in enkele bepalingen met name uitge-
sproken: De rector moest zijn krachten in het werk stellen om de
knapen van den beginne af te doordringen van de vreeze Gods en
gevoelens van vroomheid; vervolgens hun de grondbeginselen der gram-
matica terdege leeren, opdat zij na eenige jaren rijp zouden zijn voor
de hoogeschool. De leeraren moesten hun plicht niet slechts voor het
oog van de wereld vervullen, maar voor God, Wien zij eenmaal reken-
schap hadden af te leggen; bovendien moesten zij voor oogen houden,
dat veelal de zonde ook reeds hier op aarde gestraft wordt!
De andere, in het Nederlandsch gestelde verordening, had betrekking
op de scholen, die naar de vakken, welke er speciaal onderwezen wer-
den, onderscheidenlijk den naam droegen van Duitsche, Fransche en
rekenscholen. Dat er te Roermond zulke scholen bestonden, blijkt uiter-
aard uit deze verordening; overigens kennen wij met name slechts den
Franschen schoolmeester Peter Semmers, die zich van 1581 tot 1624 hier
ter stede bevond. Hij werd van stadswege gesalarieerd, maar tegen de
belofte, geen Duitsch of Latijn te onderwijzen, ten einde aan andere
scholen geen afbreuk te doen.
Er bleek ons reeds, dat deze privaatscholen onder oppertoezicht van
den rector der Latijnsche school stonden; trouwens ook in andere op-
zichten was er overeenkomst tusschen de onderscheidene onderwijs-
instituten. Ook deze privaatscholen ontvingen, evenals de Latijnsche
stadsschool, in 1592 een reglement van den vicarisgeneraal, den scho-
lasticus Romers en de schoolprovisoren Campen en Masen naar aan-
leiding van de misbruiken, die er naar het oordeel dezer heeren in de
scholen waren ingeslopen. Ook in deze schoolverordening werd in de
eerste plaats gelet op de godsdienstige en zedelijke opvoeding der leer-
lingen.
Om een school te openen moest men hiertoe verlof hebben gekregen
van den Bisschop en de schoolprovisoren en zich aan een examen heb-
ben onderworpen, waarvan een schriftelijk bewijs verstrekt werd. Ver-
der moest de suppliant ten overstaan van den Bisschop of diens vicaris
een eed op het Katholiek geloof, volgens voorschrift van het Concilie
van Trente, afleggen.
Het was den leerlingen verboden, die van andere scholen te bespotten
of na te roepen; vooral zou deze onhebbelijkheid zwaar gestraft wor-
den, als zij den leerlingen van de Latijnsche school of die van den
H. Geest werd aangedaan.
De leerlingen der Latijnsche school zouden bij de privéonderwijzers
slechts in rekenen en schrijven les mogen nemen.
Coëducatie was in zooverre geoorloofd, dat jongens en meisjes dezelfde
school mochten bezoeken; de zitplaatsen moesten evenwel gescheiden

234
seminarie, in 1718 waren er vijftig. Het meerendeel der studenten woon-
de bij burgers in de stad. Bisschop D'Ongnies bepaalde evenwel den
25sten October 1718, ingevolge der besluiten van het Concilie van
Trente, dat voortaan de wijdelingen, voordat zij tot de hoogere Orden
werden toegelaten, zes maanden in het seminarie moesten gewoond
hebben, behalve de studenten uit Roermond zelf, de licentiaten in de
theologie en degenen, die reeds drie jaar aan een universiteit studeer-
den; voor dezen was slechts een verblijf van één maand in het semi-
narie verplicht.
In 1786 zag het seminarie zich in zijn bestaan bedreigd door de dwaze
maatregelen van den op hervorming belusten keizer Jozef II. Deze stel-
de voor geheel het gebied der Zuidelijke Nederlanden een Algemeen
Seminarie in, benevens een filiaal te Luxemburg; de bisschoppelijke
seminaria werden door hem veranderd in instituten, waar de in de philo-
sofische en theologische wetenschappen afgestudeerden zich tot het
priesterschap konden voorbereiden. De bisschoppen waren volstrekt
niet gesticht over dit ingrijpen van den Keizer in Kerkelijke Zaken;
het verzet kwam echter van de zijde der studenten, waarvan er velen
buitenslands gingen studeeren, al verbeurden zij daardoor het recht,
in hun vaderland een geestelijke bediening uit te oefenen.
Lang heeft het bewind van Jozef II gelukkig niet geduurd. Kort vóór
zijn dood werd de Keizer door een opstand in de Zuidelijke Nederlan-
den van zijn rechten op deze landen vervallen verklaard. De troepen
der Patriotten trokken in 1790 Roermond binnen en hun komst gaf aan-
leiding tot een wederkeerige wisseling van verblijfplaats tusschen het
seminarie en het voormalige Jezuïetencollege, van welke laatste instel-
ling wij thans eerst de geschiedenis willen nagaan.
Na de benoeming van Lindanus in 1588 tot bisschop van Gent, werd
zijn actie voor de oprichting van een Jezuïetencollege te Roermond
door de geestelijke en wereldlijke Overheid voortgezet. Den 10en Juli
1601 wendden zich de Staten van het Overkwartier dienaangaande tot
Albertus en Isabella met het verzoek om een bijdrage voor dit Gode
welgevallig werk. De Aartshertogen schenen evenwel dit verzoek niet
te hebben kunnen inwilligen en ook een correspondentie tusschen den
Bisschop en de magistraat der stad in 1606 leidde tot het negatieve
resultaat, dat besloten werd, het plan wegens gebrek aan de benoo-
digde gelden tot gunstiger tijden uit te stellen. Dan echter stijgen de
kansen vrij snel en nadat den Jezuïeten in 1609 door de stad een
jaarlijksche subsidie van zevenhonderd gulden was toegezegd, kon hun
college den 24sten Januari 1611 geopend worden in het gebouw der
„oude school” op den Steenweg, die den 23sten September 1610 door het
stadsbestuur opgeheven was. De Jezuïeten begonnen hun lessen met
vijf leeraren: er werden terstond vijf klassen geopend; maar er kwamen
het eerste jaar weinig studenten. In 1611 telde het huis zestien Paters en
Broeders. In 1613 waren er driehonderd leerlingen, van welke velen
tot den Gelderschen en Gulikschen adel behoorden. Het gebouw op
den Steenweg bleek weldra niet geschikt en na korten tijd verhuisden

236
hadden, voor seminarie werden ingericht. President van het seminarie
was toen Dr. Ambrosius Schmising, die zich in 1797 een treurige be-
kendheid verwierf door den eed op de „Constitution Civile du Clergé"
af te leggen.
Onder Leopold II werd het Koninklijk College hersteld. Bij keizerlijke
aanschrijving van den 5en October 1791 werd de gewezen Jezuiet Erix
voor de rhetorica benoemd op een salaris van f 700, Bouvier voor de
poësis op een salaris van f 700, de gewezen Jezuiet Detienne voor de
syntaxis, de priester Thys voor de grammatica, N. Verschuur voor de
groote en kleine figuur, de drie laatstgenoemde Heeren ieder op een
salaris van f 600 's jaars. Erix werd prefect en genoot als zoodanig een
extratoelage van f 200.
Voordat wij onze onderwijsgeschiedenis chronologisch vervolgen, moe-
ten wij uit den tijd van vóór de revolutie nog enkele scholen noemen,
die grootelijks tot de vorming der Roermondsche jeugd hebben bij-
gedragen, al is het historisch bronnenmateriaal in dit opzicht zeer
beperkt.
Het onderwijs der meisjes was vooral in handen der Ursulinen, die zich
in 1646 te Roermond kwamen vestigen. De toelatingsvoorwaarden hiel-
den in, dat zij meisjesscholen zouden openen en daarenboven 's Zon-
dags de dienstboden onderwijzen. Tot 1797 bleven deze religieuzen hier
werkzaam; toen werden haar kloosters bij de wet van 23 November
opgeheven.
In verschillende vertakkingen en onder verschillende benamingen werk-
ten ook de geestelijke dochters van den H. Franciscus aan de opvoeding
der vrouwelijke jeugd. De Clarissen vestigden zich hier in 1617, de Poe-
nitenten in 1666. Ook zij vielen in het laatste kwart der achttiende eeuw
als slachtoffer der hervormingswoede van Jozef II; de kloosters der
Clarissen werden in 1784, die der Poenitenten drie jaren later opge-
heven.
Of de verovering van Roermond door Frederik Hendrik in 1632 nog aan-
leiding heeft gegeven tot het oprichten van protestantsche scholen, is
niet bekend. Weliswaar besloot de Landdag te Zutfen het volgende jaar
tot de aanstelling van twee predikantenschoolmeesters, doch nergens
blijkt, dat dit besluit ten uitvoer gebracht werd. De krijgskans heeft
trouwens maar weinig tijd hiertoe gelaten; reeds in 1637 was de stad
weer in de macht der Spanjaarden.
De Fransche overheersching met haar godsdienstvervolging bracht het
onderwijs onder de censuur der rationalisten, waardoor het zijn vroeger
godsdienstig karakter weldra verloor. Van bisschoppelijken invloed
was, sinds de opheffing van het bisdom Roermond in 1801, natuurlijk
niets meer te bespeuren. Is het te verwonderen, dat het onderwijs ging
kwijnen? De bevolking van Roermond immers, van huis uit zeer aan
haar godsdienst gehecht, stelde er geen prijs op, haar kinderen naar de
godsdienstlooze school te zenden. De Fransche regeering mocht al ver-
ordenen, dat op de scholen de „Rechten van den mensch" en de con-
stitutie op het leerplan moesten voorkomen, de burgerij was niet tot
geestdrift te brengen voor de republikeinsche instellingen. In een schrij-

238
rijk der Nederlanden gevoegd; het onderwijs viel er dus voortaan onder
de Nederlandsche onderwijswetgeving. Een Koninklijk Besluit van den
2den Augustus 1815 regelde het onderwijs op de Latijnsche scholen.
Wanneer de heroprichting der Latijnsche school, die bij den val van
Napoleon opgeheven was, plaats vond, is niet met zekerheid te bepalen;
wij weten slechts, dat zij in 1819 bestond. In 1824 fungeerde de priester
Augustinus Rossié (gest. 1846), die vroeger professor in Zwitserland
en te Rome geweest was, als rector.
Er werd op het college onderwijs gegeven in Latijn, Grieksch, Neder-
landsch, Hoogduitsch, geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde en op bij-
zondere aanvraag in Fransch en Italiaansch. De leerlingen waren intern
of extern. Aan het hoofd van elk der zes klassen, waarin het college
verdeeld was, stond een regent. De principaal, die het college bestuur-
de, benevens de onderprincipaal, fungeerden tevens als regent eener
klasse. In de eerste klasse werd de rhetorica onderwezen, in de tweede
de poësis, in de derde de syntaxis, in de vierde en vijfde de grammatica
en groote figuur, in de zesde de kleine figuur. De surveillance tijdens,
en voor externe leerlingen ook buiten de schooluren, was toevertrouwd
aan ondermeesters. De prijsuitdeelingen aan het einde van het school-
jaar vonden met groote plechtigheid plaats ten overstaan van geeste-
lijke, burgerlijke en militaire autoriteiten, den Raad van Bestuur, den
principaal en overige leeraren.
Toen Roermond in 1830 onder Belgisch bewind kwam, bleef het college
bestaan, doch de Nederlandsche taal moest van de lijst der leervakken
geschrapt worden; het aantal studenten liep in dien tijd van tachtig op
veertig terug. De Belgische periode was evenwel van korten duur; het
jaar 1839 zag Roermond weer binnen het Nederlandsch staatsverband
terug. De laatste wezensverandering onderging de Latijnsche school,
toen in 1851 het stadsbestuur Mgr. Paredis aanzocht, haar over te ne-
men en er het onderwijs te laten geven door geestelijken van zijn
Vicariaat. Den 25sten April nam Mgr. Paredis dit voorstel aan en het
college, na het herstel der hiërarchie „Bisschoppelijk College“ geheeten,
ging onder de Roermondsche bisschoppen een tijd van bloei tegemoet,
passend bij het verleden van een instituut van zulk een oude en rijke
traditie.
Onder het Koninkrijk der Nederlanden was de toestand van het lager
onderwijs aanvankelijk, toen men de naweeën van den Franschen tijd
nog niet te boven was gekomen, niet zeer rooskleurig. Behalve de
stadsschool en de „Rijksschool voor Lager Onderwijs“, die in 1820 ge-
opend werd, waren er eenige bijzondere inrichtingen voor lager en
voorbereidend lager onderwijs, die wegens gebrek aan middelen in
eenigszins primitieven staat verkeerden. Op het Begijnhof bevond zich
de bewaarschol van „Tante“ Schonken, in de H. Geeststraat soort-
gelijke inrichtingen van „Tante” Klör en van Mieke Madam. Lees-
onderwijs en wel in Gotisch schrift konden de knapen ontvangen bij
den poortwachter Bellaerts aan de Brugpoort en bij den gepensionneer-
den onderofficier Van Eykeren op den Steenweg. Het onderwijs op
de Rijks Lagere School voor jongens en meisjes was, dank zij den rijks-

240
richt; het werkte onder leiding van een der professoren. En bij al zijn
streven naar het kweeken van geestelijke cultuur wist het College zich
bovendien aan te passen bij de eischen der moderne maatschappij, zoo-
dat in 1888 de eerste leerlingen zich voor het eindexamen gymnasium
opgaven en sinds het instellen van een Staatsexamen tot toelating voor
de Universiteit telken jare een aantal studenten de eer van het College
hooghielden door dit examen met succes af te leggen. Verder verkreeg
het College in 1901 het „jus promovendi”. Een nieuwe afdeeling van het
College kwam nog getuigen van zijn maatschappelijk aanpassingsver-
mogen, namelijk de afdeeling, welke - zooals het programma zegt -
dient ter voorbereiding tot elke eervolle burgerbetrekking in de maat-
schappij, maar vooral tot den handel. Van de vruchten, door het Col-
lege afgeworpen, kunnen ten slotte degenen onder onze tijdgenooten
getuigen, die er hun opleiding mochten ontvangen. Horatius' woorden,
door Z. Hoogw. Excellentie Mgr. L. Schrijnen, toenmaals Directeur van
het college, geciteerd in de rede, die Hij ter gelegenheid van het vijftig-
jarig bestaan van het College uitsprak, willen ook wij herhalen: „Exegi
monumentum aere perennius".
Tot voor enkele jaren bezat onze stad nog een inrichting voor hooger
onderwijs in het Juvenaat der Paters Redemptoristen aan de Kapel
in 't Zand.
Het werd 26 April 1870 geopend. Verschillende beroemde mannen zijn
er aan verbonden geweest. Stichter was de toenmalige Provinciaal Pater
H. Schaap, later apostolisch vicaris van Suriname. De eerste Directeur
was Pater W. Wulfingh, later eveneens apostolisch vicaris van Suri-
name. Van de professoren noemen wij Zijne Eminentie Kardinaal van
Rossum, de bekende historicus Pater J. Kronenburg en Pater J. Meeu-
wissen, later apostolisch vicaris van Suriname. Een van de leerlingen
die aan het Juvenaat studeerden, Mgr. Th. van Roosmalen, is thans nog
apostolisch vicaris van Suriname.
De toename van het aantal studenten maakte in 1897 en 1898 een ver-
bouwing en uitbreiding van de inrichting noodzakelijk; zelfs moest men
er in 1922 toe overgaan, de klassen te splitsen en de vier hoogste naar
Vaals over te brengen. Sinds September 1928 zijn echter weer alle klas-
sen vereenigd op den berg Nebo bij Nijmegen. Het aantal leerlingen
bedraagt thans ongeveer 150.
Wij eindigen met de vermelding van de onderwijsinstituten, die zich
thans te Roermond bevinden, opdat onze mogelijke opvolger bij het
achtste eeuwfeest deze mededeelingen als geschiedbron kunne gebrui-
ken, zooals wij hebben gebruik gemaakt van oudere schrijvers.
Hooger Onderwijs: Groot-Seminarie, Roomsch-Katholieke Leergangen,
Bisschoppelijk College (afdeeling gymnasium).
Middelbaar Onderwijs: Bisschoppelijk College (afdeelingen H.B.S. met
driejarigen cursus voor jongens en Hoogere Handelsschool), R. K.
H.B.S. voor meisjes, Rijks-H.B.S., Gemeentelijke Handelsavondcursus.
Nijverheidsonderwijs: R. K. Huishoud- en Industrieschool, Teeken-
school, Ambachtsschool, Nijverheidsavondschool.
Landbouwonderwijs: Landbouwschool, Tuinbouwwintercursus.

242
INSTELLINGEN VAN
WELDADIGHEID
door
J. H. F. H. LINSSEN
HET OUDE GASTHUIS.

D
EZE instelling treedt het eerst op in de Roermond-
sche geschiedenis en is vooral bekend geworden
door een tweetal charters uit 1259 en 1296. In het
eerste, tevens het oudste document over dit gasthuis, verleent Paus
Alexander IV een aflaat van 40 dagen aan alle christen geloovigen uit
de bisdommen Luik, Keulen en Utrecht, die bijdragen tot den bouw
van het gasthuis, dat de meester en broeders van het gasthuis te Roer-
mond met groote kosten begonnen zijn opnieuw op te bouwen. In het
tweede stelt Paus Bonifacius VIII den meester en broeders van het
gasthuis van den heiligen Geest der armen te Roermond en de plaats,
waar zij in een gemeenschappelijk leven verblijf houden, onder de be-
scherming van den H. Stoel en bevestigt de broeders en het gasthuis
in hun bezittingen.
Over deze instelling is betrekkelijk weinig bekend. Uit het charter van
1259 blijkt duidelijk, dat er nog een oudere stichting bestaan heeft;
immers er is sprake van „opnieuw bouwen“. De ligging kan met zeker-
heid niet bepaald worden. Eerst na 1482, in welk jaar een tweede gast-
huis wordt gesticht, wordt ter onderscheiding in de charters steeds
gesproken van het oude of groote gasthuis op den Steenweg. Waar
echter in de tusschen liggende periode nergens blijkt van den bouw van
een nieuwe inrichting, welk feit zeker niet zou zijn onvermeld gebleven,
is het waarschijnlijk, dat het reeds in 1259 op den Steenweg gebouwd
werd.
Algemeen wordt aangenomen, dat de stichters behoorden tot de hospi-
taalbroeders van den H. Geest. Deze orde werd gesticht door den
franschen ridder Guy de Montpellier, die in een der laatste jaren der
12de eeuw in zijn geboorteplaats eenige mannen om zich vereenigde
en hun een vasten regel gevende zoo den grondslag legde der orde, die
later haar hoofdzetel had in het oude Romeinsche gasthuis „Sanctus
Spiritus in Sassia". Op het einde der 13de eeuw had schier elke plaats
van beteekenis een klooster dezer orde, wier leden zich wijdden aan
verpleging van zieken en arme passanten.
Over de stichting van het Roermondsche huis is niets bekend, evenmin
als van het tijdstip, waarop de hospitaalbroeders van den H. Geest
ophielden te bestaan. Buiten de beide charters wordt er niets over hen
vermeld. Het door hen gebouwde gasthuis echter bleef; door wien wer-
den de werkzaamheden overgenomen? In 1455 blijken de „meesters
der huisarmen" tevens meesters van het gasthuis te zijn. De instelling,

244
nen de gebouwen definitief ontruimd te zijn, want op dien datum
worden de beide proveniers tijdelijk bij een burger in de stad uitbesteed.
Eerst op 4 Mei 1611 had de veiling der gebouwen „mit uytgaende
brandende kertsen" plaats in vier kavels tegen een inzet van 4300
gulden. In den tusschentijd dienden ze o.m. nog tot huisvesting der
stadsschool, terwijl ze zelfs een oogenblik in het bezit waren der paters
De tot het gasthuis behoorende kapel van St. Joris, gelegen op den
Jesuiten.
hoek Munsterplein-Steenweg, ter plaatse waar nu het Munsterhotel
ligt, was in den verkoop niet begrepen. Als zijnde een gewijde
plaats kon er niet eigenmachtig over beschikt worden. Ze diende
tevens als begraafplaats; zoo blijkt Everart van Swanenbergh, een
der laatste rentmeesters van het oude gasthuis, in de kapel begra-
ven te zijn. Over stichting en inwijding dezer kapel is niets bekend.
Het hoofdaltaar was toegewijd aan St. Joris en begiftigd met vele
schenkingen, waarvan het beneficie door den magistraat vergeven werd.
Toen de kapel geheel tot ruïne vervallen was, gaf in 1653 Andreas
Creusen, bisschop van Roermond, toestemming om het altaar naar de
Kathedraal over te brengen. De kapel zal wel spoedig daarna zijn
afgebroken.

HUISARMEN.

In de middeleeuwen werd streng onderscheid gemaakt tusschen vreem-
de armen en de eigen armen van stad of parochie, terwijl voor de ver-
zorging van beide categorieën meestal afzonderlijke organisaties wer-
den in het leven geroepen.
In onze stad bestond reeds vroeg een instelling voor de „huisarmen“
zooals hier de eigen armen genoemd werden. In de 18de eeuw en
later wordt ze meestal aangeduid met den naam „Tafel van den
H. Geest". Daar de zieken en proveniers in het gasthuis eveneens van
bedeeling waren uitgesloten, kan practisch gezegd worden, dat deze
instelling bestemd was voor alle armen die vielen buiten gestichts-
verpleging. Uit een stuk van 1634, waarin gesproken wordt van „Calvi-
nische Huysarmen" en „Calvinische uytheymsche ende vrembde
armen" blijkt, dat in de perioden dat de Protestanten in de stad waren
toegelaten, dezen een eigen armenzorg hadden. Protestanten konden
dan ook geen onderstand van de „Huisarmen” krijgen; eerst de Fran-
sche tijd bracht hierin verandering.
Al zijn de oudste gegevens dezer instelling van jongeren datum dan die
van het gasthuis, toch is vrij zeker de zorg voor de eigen armen veel
ouder, zoo ze niet even oud is als de parochie zelf.
De voornaamste bron is een 16de eeuwsch cartularium, dat geschre-
ven in een duidelijk handschrift, niet minder dan 221 copieën van char-
ters bevat. De oudst bekende schenking dateert uit 1366, in welk jaar
de bekende Johan de Montefia „der Lombarder“ een „erfftzies van
drie marck penninge jaers" geeft aan de „huisarmen van den heiligen
geyst tot Ruremunde".

246
bestuurders zijner instelling uit zijn eigen kringen. Het waren Heynen
opt Zant, Sietzen Breydels, Johannes Goltsteyn de jonghe en Heynrick
van Kryeckenbeeck. De laatste moet spoedig overleden zijn, want reeds
in 1448 treedt in zijn plaats de stichter zelf als medebestuurder op.
Het is een markante trek bij al de instellingen, dat de bestuurders bij
voorkeur gekozen werden uit de leden der magistratuur en der Roer-
mondsche patricische geslachten.
Ofschoon bescheiden in opzet en met een beperkt doel kreeg de
nieuwe instelling een groote beteekenis, toen ze de zorg voor de „huis-
armen van den H. Geest" overnam. Wanneer dit precies gebeurd is
en door wiens toedoen is niet meer te achterhalen. In een charter uit
1454 treden de vier bovengenoemde personen in beide kwaliteiten op,
dus in dat jaar had de overgang reeds zijn beslag gekregen. Tot in
1469 wordt onderscheid gemaakt of een schenking voor de eene dan
wel voor de andere categorie van armen gedaan wordt, nadien is ieder
spoor der fusie uitgewischt en wordt enkel meer gesproken van de
Waar was de zetel der instelling gevestigd? Vrij zeker was deze ver-
„huisarmen”.
bonden aan de „spinde“ d.w.z. aan de plaats waar de uitdeelingen
geschiedden, die uit den aard der zaak voor de stichting van groot ge-
wicht was, zoo zelfs, dat de bestuurders ook vaak „meesters der spinde"
genoemd werden. Uit verschillende gegevens blijkt, dat de uitdeelingen
plaats hadden eens in de week des Maandags in de gasthuiskapel op
den Steenweg of misschien in een kamer of gebouw aan deze kapel
annex. Of dit reeds zoo geweest is onder de oude broederschap is niet
meer na te gaan. De oudste aanwijzing dateert van 1472. In hoofdzaak
heeft de instelling brooduitkeeringen gedaan, daartoe in staat gesteld
door de in grooten getale geschonken graanrenten, doch ook andere
levensmiddelen werden verstrekt, zooals vleesch, boter, spek, bier en
in de vasten haring. Uitkeeringen in geld kwamen oudtijds niet voor;
eerst in latere eeuwen is dat in zwang gekomen, zoo werd in de tweede
helft der achttiende eeuw onderstand verleend met het geven van
schoenen, gereedschappen, ontbijtkoek, schoolgeld, geld en medicamen-
ten. De armenmeesters waren bij het doen der uitkeeringen niet altijd
vrij, doch soms gebonden door den wil der schenkers, zoo dezen bepaald
hadden wat en aan welke armen moest gegeven worden. Hunne
bevoegdheden waren al zeer sterk beperkt bij de vooral sedert de
tweede helft der vijftiende eeuw veelvuldig gestichte proven of pro-
viën. Dit waren fundaties, waarbij de stichter voor zich en zijn erf-
genamen het recht voorbehield om de prove te vergeven met de bepa-
ling, dat arme bloedverwanten voor anderen in aanmerking kwamen.
De kapitalen werden uitgezet bij de stad, die jaarlijks de renten aan de
armenmeesters afdroeg. Op 1 September 1610 gaf de magistraat een or-
donnantie uit op de proviën die juist daarom zoo merkwaardig is, omdat
ze een zekere verhouding regelde tusschen de proveniers en de instel-
ling der „huisarmen“. Degene, die met een prove werd begiftigd, moest
eerst met den armenmeester op het raadhuis voor den magistraat ver-
schijnen, die onderzocht of de arme de prove al of niet noodig had.

248
zelfs soms geheel achterwege gebleven waren, zoodat er van de spinde
weinig stichting was uitgegaan. De hoofdoorzaak werd bevonden in
het feit, dat de rentmeester alleen de uitdeelingen gedaan had en dat
na verloop van tijd toezicht geheel was achterwege gebleven. In deze
bevinding vond de magistraat gereede aanleiding om in te grijpen.
Vooreerst werd een wijziging in het bestuur aangebracht, dat voor den
vervolge zou samengesteld zijn uit twee provisoren en vier armen-
meesters. De eersten, gekozen uit den magistraat, waren enkel belast
met toezicht. Men achtte de tijdsomstandigheden niet geschikt om ma-
gistraatspersonen tevens met de directe leiding te belasten. Den armen-
meesters was de dagelijksche leiding van alle armenzaken opgedragen,
het doen der uitdeelingen ingesloten; voor gewichtige zaken echter
en in geval van moeilijkheden, moesten zij de provisoren of den magis-
traat raadplegen, terwijl verder nog werd bepaald, dat ieder op de
beurt voor een periode van twee jaren de functie van boekhouder zou
vervullen. De tweede groote wijziging bestond in de verplaatsing der
spinde van het gasthuis naar de parochiekerk, waar de uitkeeringen
des Zondags na de Hoogmis ten aanschouwe van iedereen moesten
plaats hebben. Door deze overbrenging werden de laatste relaties met
het oude gasthuis verbroken. Op 4 Mei 1592 kwamen de bestuurders
der beide instellingen ten stadhuize te samen ten einde te geraken tot
een scheiding der gebouwen en terreinen van het oude gasthuis, waar-
door mede ophield de verplichting der „Huisarmen“ tot onderhoud der
halve gasthuiskapel.
Ten einde „der huisarmen segell und alle ihre bescheitt" tegen „pery-
ckel van brandt und andere ongeval" te behoeden, werden met advies
van den Raad in 1593 alle bescheiden in de parochiekerk in tegenwoor-
digheid van den burgemeester opgeborgen en afgesloten. Van de twee
sleutels werd er een in bewaring gegeven aan den burgemeester en
de andere aan een der provisoren.
Anderhalve eeuw heeft de instelling haar zegenrijk werk verricht bin-
nen de muren der parochiekerk, totdat in 1738 de aanhechting volgde
aan het „Hospitael-Generael“. Art. 30 van het keizerlijk decreet van
25 Augustus van dat jaar bepaalde: „Men sal hechten aan het Hospitael-
Generael de taefel van den Heiligen Geest, ofte Armentaefel, wel
verstaende, dat door dese unie het Hospitael-Generael niet sal belast
syn, de fondatie van de H. Geesttaefel ront te maken". Door dezen
maatregel werd het bestuur opgedragen aan de nieuwe instelling, terwijl
noch de zelfstandigheid als stichting aangetast noch de bestemming
der goederen gewijzigd werd. Geheel in dien geest konden de direk-
teuren van het Hospitael-Generael dan ook in hunne vergadering van
30 October 1738 besluiten, dat de Tafel van den H. Geest zou geschei-
den blijven van de nieuwe instelling. Volgens hetzelfde decreet zouden
in den vervolge de uitkeeringen plaats hebben des Zondags om 10 uur
in het Hospitael-Generael, terwijl het onderzoek naar de armlastigheid
opgedragen werd aan drie direkteuren van die inrichting en wel
den pastoor, den burgemeester en den gedeputeerde der huisarmen.
Onder de hoede van het Hospitael-Generael passeerde de oude instel-

250
H. Geest te Roermond, overleden in 1465, had bij testament een zekere
rente bestemd tot stichting van een gasthuis en met de oprichting
belast zijn broeder Diederick „Canonick tot onser liever Vrouwen tot
Aken." Deze kwam te overlijden, vooraleer in de gelegenheid te zijn
geweest de opdracht te volbrengen na in 1479 tevergeefs een beroep
te hebben gedaan op den erfvoogd Willem van Vlodrop en droeg bij
testament den last over op zijn beide neven Derich Pollart en Johan
Pollart, kanunnik te Aken, aan wien het gelukken mocht in 1482, dus
17 jaar na het overlijden van den stichter, met medewerking van den
magistraat de opdracht tot een goed einde te brengen. De stichtings-
brief is in origineel bewaard gebleven met de zegels van de stad, van
het kapittel en twee Pollartszegels.
Volgens dezen fundatiebrief was het gasthuis, dat gebouwd werd op
den Schuitenberg naast den tuin van Maria Wee, bestemd voor op-
name en verpleging van armen ten getale van zes als volgt nader aan-
geduid: „die armen sullen syn man ind geyne vrouwe ind van rechter
alder gebroecken huysarmen van gueder famen end gerucht". Het
beheer werd opgedragen aan de stad en aan Derich en Johan Pollart
met dien verstande, dat na overlijden der beide laatsten hun plaats zou
worden ingenomen door den oudsten mannelijken afstammeling uit
het geslacht Pollart. In den aanvang zullen, zoowel de stad als de beide
Pollarts, het beheer persoonlijk wel gevoerd hebben, doch in lateren
tijd blijkt dat ieder een provisor benoemde onder wier leiding een
gasthuismeester den dagelijkschen dienst verrichtte. Volgens een
ordonnantie uit 1599 werd deze op voordracht der provisoren aan-
gesteld.
De stichtingsakte kende slechts één provisor, den deken van het kapit-
tel van den H. Geest, wiens taak het was algemeen toezicht uit te
oefenen en als zoodanig moest toezien, dat de stad en de familie Pollart
het beheer voerden overeenkomstig de voorschriften, tweemaal in het
jaar visitatie moest doen in het gasthuis en aan wien mede rekening
en verantwoording werd afgelegd.
Voor de familie Pollart, die te allen tijde vrijen toegang had, moest
steeds het beste vertrek in gereedheid gehouden worden. Deze preroga-
tieven, die ook na 1754 behouden bleven, werden eerst door de Fransche
revolutie opgeheven.
De proveniersplaatsen werden om beurten door de stad en de familie
Pollart vergeven met dien verstande dat bij oprichting de laatste het
eerst aan de beurt kwam, terwijl de zesde plaats ter beschikking van
den deken van het kapittel was. Niet steeds heeft de stad van dit recht
het juiste gebruik gemaakt. Zoo wordt in 1605 toegewezen aan de
zusters van den Broodboomgaard wegens hare verdiensten als ver-
pleegsters der pestlijders „eenen prove uyt den gasthuis op ten Scheu-
tenbergh van tsestich gulden und twee malder rogge tsjaers," terwijl
mede bij herhaling weeskinderen in het gasthuis geplaatst werden. Ook
voor deze instelling werd de tweede helft der 16e eeuw zeer nood-
lottig. De finantieele positie werd in 1581 zoo slecht bevonden, dat
besloten werd, voorloopig geen nieuwe proveniers meer op te nemen,

252
eerste fundateurs vant arme wyshuys". De eigenlijke stichting moet iets
vroeger hebben plaats gehad, want de Donderdagsprotocollen houden
reeds op 4 April de benoeming in van twee weesmeesters, terwijl op
dien datum reeds provisoren blijken in functie te zijn. In 1695 lag het
weeshuis op de Swalmerstraat op den hoek der St. Janstraat, doch
twee jaar vroeger is sprake van de „behuysunghe achter de muyre“
Aan het bestuur, bestaande uit twee provisoren en vier weesmeesters,
allen door den magistraat benoemd en aan dezen rekenplichtig, was
het toegestaan jaarlijks meerdere malen door de stad te collecteeren.
Deze collecten waren de hoofdbron van inkomsten.
In 1644 is het gesticht zoo bevolkt, dat geen weezen meer kunnen wor-
den opgenomen, doch afgezien van een korte bloeiperiode is het bestaan
steeds zeer kommervol geweest. In 1658 reeds zijn de middelen zoo
gering, dat zelfs voor de enkele overgebleven kinderen geen behoor-
lijke huishouding meer kon worden gaande gehouden, zoodat de ge-
bouwen een tijdlang moesten gesloten worden. De brand van 1665 voor-
al was zeer noodlottig. Door nalatigheid in het beheer en in het afdoen
der rekeningen raakte de instelling hoe langer hoe meer achterop.
Toen de magistraat in 1713 eindelijk tot een onderzoek overging, bleken
vroegere weesmeesters en hunne erfgenamen het weeshuis voor dui-
zenden guldens te hebben benadeeld. Tot tweemaal toe, in 1713 en 1722,
grijpt de Bisschop van Roermond, Angelus graaf d'Ongnies d'Estreés,
in, „geinformeert synde van de inordentelikheydt dewelke geploogen
wordt in het armenweyshuys". Om den slechten finantieelen toestand
te verhelpen stond de bisschop aan de weezen toe om in de parochie-
kerk onder hoogmis en lof te collecteeren, welk gebruik begonnen op
26 November 1713 tot voor weinige jaren bestaan bleef. Op een desbe-
treffende vraag der provisoren besliste de magistraat d.d. 8 April 1655,
dat de roerende en onroerende goederen der opgenomen weezen voor
de helft aan het weeshuis zouden verblijven, terwijl de andere helft
bij het verlaten der inrichting moest worden uitgekeerd. In 1754 werd
het Jongensweeshuis bij het Hospitael-Generael gevoegd.

B. VAN DULCKENSWEESHUIS. In 1649 stichtten Gossen van
Dulcken en zijne echtgenoote Maria Spee een weeshuis voor zes meisjes
van tusschen de acht en zestien jaar. De stichtingsbrief is in copie in het
„Verdrachsboek” bewaard gebleven. Van Dulcken, „Commis” van den
postmeester generaal, den graaf van Taxis, behoorde tot de aanzien-
lijke burgers, was gedurende 20 jaar secretaris der stad, later schepen
en syndicus der staten van het overkwartier. Het gesticht, gelegen in
de Jesuitenstraat tegenover de kerk der paters Jesuiten, was bestemd
voor huisvesting en opvoeding van „weesdochterkens gebooren ende
naer gelaeten van eerlycke ende d'armste borgers deser stadt", wier
kleeren moesten zijn „van donckere groen laeckense lyffkens ende stael-
grauwe rocken". De plaatsen werden vergeven door de stichters en na
beider overlijden door de twee provisoren, aan wien het algemeen be-
stuur en toezicht werd opgedragen. De stichtingsoorkonde was mede
onderteekend door Lamoral de la Tour, grave van Tassis, aan wien

254
in de tweede helft der 17e eeuw onmeedoogend gestraft „exemplairlyck
aen de lyve mit eene publyke geeselinge ende brantmercke." Ook een
burger, die een vreemden bedelaar onderdak verschafte, langer dan was
toegelaten, werd met lijfstraffen bedreigd.
In de enkele gevallen, waarin de magistraat zelf aan armenzorg deed,
werden de kosten bestreden uit het „armengeld“, een fonds dat ter
beschikking stond van den „Ritzburgemeester“ en waarvoor de gelden
verkregen werden uit verschillende boeten en uit één procent van den
verkoopprijs van onroerende goederen.
----------
Reorganisatie en concentratie onder Kanunnik Bors.

HET HOSPITAEL-GENERAEL.

Al is deze instelling opgericht bij keizerlijk decreet - waarschijnlijk
was onder het Oostenrijksch gouvernement een andere weg niet moge-
lijk - als eigenlijke stichters zijn terecht steeds beschouwd kanunnik
Goswyn Frans Bors en zijn zuster Dorothea. Aan hunne toewijding
en volharding is het tot stand komen te danken. Een gefundeerd oor-
deel over den persoon van kanunnik Bors is wegens te weinig onder-
zoek nog niet goed mogelijk. Wanneer men Habets naleest in zijn
„Geschiedenis van het Bisdom” blijkt zijn meening niet onverdeeld
gunstig te zijn doch mild aan het eind.
Toen de magistraat niet erg genegen bleek om ten gunste der voorge-
nomen plannen aanbevelingsbrieven voor Brussel te geven, antwoord-
de Bors zeer typeerend: „Il me parait d'entrevoir que vous avez quelque
peine à m'envoyer la lettre de recommandation à S.A.S., que j'avais
pris la liberté de vous demander en faveur des pauvres malades de la
ville de Ruremonde et comme mon intention n'est nullement de vous
gener à cet égard, je ne veux plus vous importuner pour la lettre en
question, cependant messieurs je vous prie d'être persuadés que cela
ne diminuera en rien le dévouement aussi sincère que respectueux avec
lequel je suis et serai toujours, messieurs, votre très humble et très
obéissant serviteur." Kanunnik Bors was iemand, die zijn eigen weg
ging en uit de aanwezige bescheiden valt voldoende af te leiden, dat
de magistraat met de stichting van het Hospitael-Generael niet erg was
ingenomen. Aanvankelijk werd slechts gesticht een hospitaal van twaalf
bedden voor zieken, waarvoor door den keizer octrooibrieven gegeven
werden op 9 December 1733, terwijl het reglement door hem werd vast-
gesteld op 4 December 1734. Dit ziekenhuis werd, zoowel betreffende
bestuur als inkomsten, gevoegd bij het Hospitael-Generael, opgericht
bij keizerlijk decreet van 25 Augustus 1738. Den algemeenen indruk
van dit feit samenvattend, blijkt, dat niet zoo zeer beoogd werd het
in het leven roepen van een nieuwe instelling, dan wel een volslagen
reorganisatie der armenzorg door concentratie. Een merkwaardigheid,
die aanstonds opvalt, is gelegen in den aanhef van art. 15 van het
decreet, in welk artikel het doel omschreven wordt: „Alsoo door een

256
af te staan. Het armengeld, de legaten aan de armen in het algemeen,
de opbrengst van armebussen, boeten en verplichte giften bij aanvaar-
ding van ambten, werden alle aan de instelling toegewezen. Ondanks
deze maatregelen is de finantieele positie niet altijd krachtig geweest,
zoodat meer dan eens uit de inkomsten der „Huisarmen“ moest worden
bijgepast, wat overigens niet verwondert, in aanmerking nemend een
bevolking van 120 personen.
In het begin van 1739 werd het gesticht begonnen in het ouderlijke huis
Bors aan de markt gelegen en voor dat doel door Dorothea afgestaan.
Vrouwen en meisjes waren gehuisvest in de Jesuitenstraat in een huis,
dat via den tuin in verbinding stond met het perceel aan de Markt,
waar de mannen en jongens verpleegd werden.
In 1741 moest het huis aan de Jesuitenstraat ontruimd worden en het
gelukte in dat jaar het huis Bors met het gouvernement te ruilen tegen
het z.g. Prinsenhof, het groote gebouw aan het Munsterplein waar heden
ten dage nog het Godshuis gevestigd is. Er waren toen reeds 90 per-
sonen opgenomen. Deze ruiling, waarnaar reeds langen tijd getracht
was, kwam niet tot stand dan na heftigen tegenstand van de zijde der
staten van Oostenrijksch Gelder, die den eigendom pretendeerden, om-
dat het gebouw op hunne kosten gebouwd was. De stemming der sta-
ten schijnt vooral fel verbeten tegen kanunnik Bors geweest te zijn;
in een der bescheiden komt de volgende zinsnede voor: „Les députés
des états assurent, que l'echange des maisons a été faite aux instances
du chanoine Bors, qu'ils représentent comme un homme inpertinent,
capricieux, fourbe ou intrigant et nuisible à la patrie".
Bij keizerlijk decreet van 24 Juli 1754 werd het provisioneel reglement
van 25 Augustus 1738 gewijzigd. Het aantal directeuren werd terug-
gebracht op vijf waarvan vier uit kracht van hun ambt, de bisschop,
de kanselier, een gedeputeerde van de tweede kamer en de pastoor en
slechts één bij verkiezing, aan welken laatste de dagelijksche leiding
was opgedragen. Bepaalde het reglement van 1738 nog dat men trach-
ten zou de verplichte aalmoezen van kloosters, kerken, broederschap-
pen en ambachten te verkrijgen, thans werden deze eenvoudig aan
het Hospitael-Generael toegewezen evenals goederen „geschickt voor
de armen en die sig bevinden verkeerd te syn tot een gebruyk strydig
aan hunne stichtingen". Op grond van deze bepaling werden bij decreet
van 22 November 1756 aan de instelling toegevoegd de bezittingen af-
komstig van het oude H. Geestgasthuis of pelgrimshuis te Wessem,
welke goederen door verloop van tijd in het bezit waren gekomen van
de armentafel aldaar.
De concentratie in 1738 begonnen werd gecompleteerd door de aan-
hechting van het oud manhuis en der beide weeshuizen. De zelfstan-
digheid dezer instellingen als stichtingen werd niet aangetast; hare goe-
deren bleven beheerd door de besturen der afzonderlijke instellingen,
doch de inkomsten werden toegewezen aan het Hospitael-Generael,
wat dus beteekent, dat voor den vervolge deze inkomsten aangewend
werden ten bate van het algemeene doel dezer instelling. De bestuur-
ders verloren tevens het recht op aanwijzing der op te nemen weezen,

258
het oude Hospitael-Generael zijn opgelost. Wel werden in de rekenin-
gen nog een tijdlang de inkomsten naar hunne herkomst in afzonder-
lijke rubrieken verantwoord, doch ook deze herinnering aan den vroe-
geren toestand is later verdwenen. De latere reglementen uit 1856 en
1913 hebben de oplossing in één instelling gewoon als feit aanvaard.
Een derde groote wijziging is het gevolg geweest van de wetgeving op
de bedelarij, die het toezicht, zooals haast van zelf spreekt, opdroeg aan
de burgerlijke autoriteiten en tevens oprichting van huizen gelastte
voor opzending van bedelaars. Hierdoor verloor het Burger Hospitaal
niet alleen zijn taak te dien opzichte, maar tevens een belangrijk stuk
van zijn algemeen karakter. Wel merkwaardig hoe juist de Fransche
tijd hier corrigeerend is opgetreden ten opzichte van den min of meer
onnatuurlijken opzet van 1738.
Ook het Burger Hospitaal leed aanzienlijke verliezen door de ontheffing
van de gemeenten van hare verplichtingen tegenover de instellingen,
doch anderzijds is in niet onbelangrijke mate profijt getrokken van de
wet van 4 ventôse an IX, waarbij de verzwegen domeingoederen be-
stemd werden voor „les hospices les plus voisins de leur situation". Na
den Franschen tijd werd het hospitaal in den eigendom der aldus ver-
kregen goederen bij K. B. van 6 Mei 1818 bevestigd.
Werd door de regeling op het stuk der bedelarij het algemeen karakter
reeds aanzienlijk ingeperkt, in nog grootere mate was dit het gevolg
van de beteekenis die de „hospices civils" hadden volgens de Fransche
wetgeving en van de afscheiding der Tafel van den H. Geest op
1 Januari 1824. Waar deze afscheiding mede een gevolg geweest is van
de ontbinding der bureaux de bienfaisance, kan men ze nog beschou-
wen als een uitvloeisel van den Franschen tijd. Het doel der instelling
was hierdoor teruggebracht tot enkel gestichtsverpleging, aan welke
opvatting de praktijk zich sindsdien geheel heeft aangesloten.
Zoo is dus aan het einde van den Franschen tijd de conceptie van
Kanunnik Bors aanzienlijk gewijzigd, wat zich mede afspiegelt in een
sterk verminderde bevolking, die sindsdien steeds geschommeld heeft
tusschen 80 en 90 personen. Onder het Koninkrijk is de toestand niet
veel meer gewijzigd. Het toezicht en de benoeming der bestuurders,
eerst geregeld bij enkele K.B.'s en daarna in het „Reglement voor het
bestuur der stad Roermond", werden geheel in handen van het ge-
meentebestuur gelegd.
De armenwet 1854 heeft, wat betreft de rangschikking, tot dezelfde
moeilijkheden aanleiding gegeven als bij het bureau van weldadigheid.
Toch is de rangschikking onder de burgerlijke instellingen de eenig
juiste geweest. De oprichting bij decreet van den keizer en de latere
reglementswijzigingen door dezelfde instantie, gevoegd bij het feit, dat
volgens een brief d.d. 22 Maart 1760 van den gouverneurgeneraal,
hertog Karel-Alexander van Lotharingen, rekening en verantwoording
moest worden afgelegd aan den momboir van het hof in kwaliteit
van keizerlijk commissaris,stempelen het Hospitael-Generael reeds in
zijn oorsprong tot een instelling geregeld en bestuurd door de burger-
lijke overheid; in welken feitelijken toestand de Fransche revolutie

260
van den aanvang af zijne intentie was de stichting te stellen onder de
hoede van het gemeentebestuur en haar het karakter te geven eener
burgerlijke instelling, werd door hem het gemeentebestuur in de uit-
voering van zijn last betrokken. Met beider samenwerking kwam de
Louisastichting bij akte van 8 Maart 1858 en bij besluit van den ge-
meenteraad van 12 Augustus van dat jaar tot stand.
Gevestigd in de gebouwen van het R. C. Godshuis, was ze bestemd
a) voor het tijdelijk verplegen van onvermogende zieken en gekwet-
sten; b) voor het tijdelijk verzorgen van zieken en gekwetsten, die de
verplegingskosten konden voldoen en c) voor het oppassen van zieken
en gekwetsten buiten het gesticht zoo vermogende als onvermogen-
de. Het onder c) genoemde is later vervallen en is dan ook in het
reglement van 1913 niet meer opgenomen. Voor de onder a) genoemden
moesten steeds twaalf en voor de onder b) genoemden zes bedden
beschikbaar zijn. Het beheer werd opgedragen aan de regenten van het
R. C. Godshuis, die jaarlijks rekening en begrooting den gemeenteraad
ter goedkeuring moesten voorleggen.
Het eerste begin is zeer bescheiden geweest in de beide groote zalen
van het hoofdgebouw van het R. C. Godshuis. De Zusters van Liefde,
die reeds sinds 8 Januari 1851 ten getale van twee in het Godshuis
de huishouding deden, werden met twee uitgebreid
Toen de noodzakelijke verbouwingen gereed waren, had op 8 Novem-
ber 1859 de plechtige inwijding der nieuwe ziekenzalen door Z. D. H.
Mgr. Paredis plaats.
Was in den oorspronkelijken opzet de verpleging van armen de grootste
taak van het Louisahuis, ze is in lateren tijd geheel overvleugeld door
de verpleging van betalende patienten, hoewel het eerste steeds is blij-
ven bestaan, al werd het aantal vrije bedden van twaalf op acht terug-
gebracht. Daar de beschrijving van de ontwikkeling van het Louisahuis
als ziekenhuis buiten het bestek van dit artikel valt wordt ze hier
achterwege gelaten. De eigen ziekenverpleging heeft door het in wer-
king treden van het St. Laurentiusziekenhuis op 1 Mei 1931 een einde
genomen.
Strikt genomen kon hier geëindigd worden, doch volledigheidshalve
dient nog gewezen te worden op een reeks instellingen van weldadig-
heid ontstaan sinds de tweede helft der vorige eeuw en die alle uit-
sluiting der directe overheidsbemoeiing als een bijzonder kenmerk
dragen.
Het zou vreemd zijn, indien in een stad, die de schoone kunst der
charitas op zoo uitstekende wijze te beoefenen wist, niet reeds vroeg-
tijdig de roep van Frederik Ozanam weerklank gevonden had. Ver-
eenigd ten huize van deken Moonen besloten op 27 Februari 1859 de
heeren K. Bongaerts, Ch. Guillon, Fr. Stolzenberg, H. Schreurs en J.
Tijssen tot oprichting van een conferentie van den H. Vincentius van
Paulo, welke op 16 Mei door den Algemeenen Raad te Parijs onder
den titel van Conferentie van den H. Christophorus erkend werd. Deze

262
SOCIALE INSTELLINGEN, GIL-
DEN, PUTTEN EN CONFRERIEËN
TE ROERMOND VAN 1232-1795
door
J. HUIJSMANS
DE GILDEN OF AMPTEN.
B
IJ ontstentenis van gegevens is niet te beantwoor-
den de vraag of er omstreeks 1232, toen Roermond
zijne stadsrechten kreeg, in een of anderen vorm
hier ampten of gilden bestonden.
Het oudste stuk, waarin over ampten wordt gesproken, is van 1351.
Daarin worden de „van ouds“ geldende rechten en gewoonten der stad
tegenover de vroegere en huidige landsheeren opnieuw herinnerd en
We lezen er in, dat de gezworenen van het wollenampt, - dus beëedig-
bevestigd.
de vertegenwoordigers -, jaarlijks op St .- Petersdag (St. Petrusstoel,
22 Februari) vier werkmeesters zullen kiezen, die het ampt „op haar
eyde wairden ende hueden ende halden suelen".
Keuren of verordeningen bij overtredingen zullen deze werkmeesters
ter uitvoering voorstellen niet aan den richter - den toenmaligen ver-
tegenwoordiger van den graaf - maar aan den burgemeester, die voor
uitvoering en handhaving door den stadsbode zal zorg dragen.
Van de boeten op overtreding gesteld, ontvangt de landheer een derde,
de stad een derde en de werkmeesters eveneens een derde; de kleinere
boeten vervallen alleen aan de werkmeesters, die ze ook zelf mogen
innen.
Verder worden nog andere ampten genoemd, die ook jaarlijks op
St. Petersdag hunne gezworenen zullen kiezen. Deze zullen voor den
burgemeester „op de heiligen“ zweren, (op de relieken der Heiligen en
op het Evangelieboek), dat zij de belangen van hun ampt zullen voor-
staan. De keuren dezer ampten - brouwers, bakkers, vleeschhouwers,
visschers en schoenmakers - zullen ook aan den burgemeester worden
voorgesteld, die zal zorgen voor handhaving en uitvoering. Deze keuren
konden echter door burgemeesters, schepenen en raad in het belang der
stad naar goeddunken worden veranderd, iets wat bij de keur op het
wollenampt niet mogelijk was.
Hier is een verschil, dat door verschillende schrijvers over de Roer-
mondsche stadsgeschiedenis ook werd opgemerkt.
Ook op andere plaatsen vond men dat onderscheid.
Dezen overwegenden invloed had het wollenampt natuurlijk te danken
aan den steeds toenemenden handel in wollen stoffen. Dien voorrang
vinden we ook in een opsomming der ampten in het „Verdrachsboek“.

264
straat vermeld; deze herinnert aan het ampt der pelsers of bewerkers
van huiden.
Behalve in het „Verdrachsboek” vinden wij nog in de Roermondsche
amptsbrieven een niet gedateerde opgave der vijf groote ampten met
de daarbij behoorende kleinere ampten.
Het zijn: 1e. de gewantmekers, waartoe nog behooren de droochsche-
rers, de muyrers (metselaars) en leydekkers, de goldtsmeden en glaes-
maekers, schilders of melers, de wapensteeckers en de bildtsnijders;
2e. de smeden, waartoe ook behooren de cooldragers en de snijders of
3e. de brouwers met de timmerluyden, de cuypenbinders, raemakers,
schroders;
schrijnwerkers, pelsers of looiers, witmekers en hoedemekers;
4e. de schomekers, waartoe ook gerekend worden de beckers (bakkers),
de wevers, wenmeckers en korvers (mandenmakers);
5e. de schippers tevens omvattend de cremers (kooplieden) en ververs.
Een archiefstuk van 1566-1569 geeft ongeveer dezelfde opsomming.
Daarin staan echter de schippers op de tweede plaats en komen de
smeden het laatst.
Wat in deze opgave vreemd aandoet, is de samenvoeging van ambach-
ten en beroepen, die in het maatschappelijk leven niets met elkaar heb-
ben uit te staan. Een verklaring schijnt slechts mogelijk door de nood-
zaak een te veel van „groote ampten” te beperken en daardoor te groo-
ten invloed te voorkomen. Ook op andere plaatsen vinden we dit ver-
schijnsel terug.
Opvallend is, dat de zoogenaamde kunstvakken bij het voorname en
eerst genoemde gewantmakersampt zijn ondergebracht.
De ambachten der goudsmeden, kunstschilders of melers, wapenste-
kers, beeldsnijders en goudborduurders stonden in de middeleeuwen
op hoog peil. Voor Roermond vinden we echter slechts spaarzame ge-
gevens over beoefenaars dier kunstvakken.
In Sivré's „Inventaris van het oud archief der gemeente Roermond"
lezen we hier en daar over schenkingen van glasschilderingen en ge-
sneden koorbanken, van vergulde kelken, beelden en kandelaars. Maar
die gegevens verdwijnen geheel in het midden der 16de eeuw en bij het
begin van den tachtigjarigen oorlog. De stad was er toen door den
grooten brand van 1554 en de krijgstroebelen slecht aan toe. Eerst als
de stadsregeering door milde bepalingen en voorrechten vreemde kun-
stenaars en ambachtslieden tracht over te halen tot vestiging in de stad,
lezen we onder de nieuw ingekomen burgers weer goud- en zilversme-
den, tingieters, koperslagers en later nog beeldsnijders en steenhouwers.
De laatste vooral komende uit het Luiksche.
Onder het bestuur van Roermonds derden bisschop Jacobus à Castro
en deken Pollius begon men met de herstelling der moederkerk, die
door brand, storm en plundering veel had geleden.
Reeds in 1569 - dus kort na den beeldenstorm - had de Magistraat
van Roermond de ampten en broederschappen ernstig aangemaand om
de koren en altaren te herstellen en op te sieren, zooals dat van dege-
lijke ambachtslieden kon worden verwacht.

266
die van het kleermakersampt, dateerend van 30 September 1405, be-
krachtigt de Magistraat deze voorschriften, verbiedende aan meesters
en gezellen op bepaalde feestdagen te werken. Daaruit zou kunnen wor-
den besloten, dat de eigenlijke ordonnantie door het ampt zelf in het
leven was geroepen. Hetzelfde kan worden gezegd van een ordonnan-
tie van het bakkersampt van 29 Februari 1540. In den aanhef van dat
stuk heet het, dat de bakkers deze voorschriften hebben gemaakt, zoo-
als van ouds gebruikelijk is geweest en zij nu samen overeengekomen
zijn „te halden guede geselschap ende broderlike mijnne te hebben als
hijr nae bescreven steit ende lieff en leit tsame te liden wes onsen ampt
aengeit off aestaede ist".
Ook hier stelt dus het ampt nog zelf zijne wetten vast.
Niet lang daarna zien we dit veranderen. Op 6 Augustus 1556 vinden
we reeds in een blijkbaar vernieuwden amptsbrief der bakkers, dat de
Raad der stad Roermond in de daarin omschreven artikelen bewilligt
en er zijn vergunning aan geeft, echter tot wederopzegging en onder
voorbehoud den amptsbrief „toe koirten ind toe lenghen tot nuth ind
wailfairt gemeyne burger und ingeseten der stadt"
Bijna alle andere amptsbrieven - er zijn er ook onder, die van 18 No-
vember 1540 dagteekenen - hebben ongeveer denzelfden aanhef als de
genoemde van 6 Augustus 1556, al wordt er dan bijna geregeld in ge-
vonden, dat de vernieuwing geschiedde op verzoek van de leden van
het ampt.
Tracht men de oorzaak hiervan op te sporen, dan valt op een ordon-
nantie van Karel V, uitgevaardigd in 1528, waarbij aan de gilden in het
Sticht alle politieke macht werd ontnomen.
Voor Roermond is nog van beteekenis, dat in 1543 Gelre en dus ook het
Overkwartier kwam onder de Spaansche heerschappij en Karel V land-
heer werd.
In het licht van deze en andere feiten is het niet te verwonderen, dat
de vroegere autonomie, het zelfbestuur der ampten, in het midden der
16de eeuw heeft plaats gemaakt voor meerdere zeggingschap van het
gemeentelijk bestuur in de gildenorganisaties. Het is ook aan te nemen,
dat een streven naar machtsuitbreiding bij de ampten zèlf, de gemeente-
besturen tot die meerdere zeggingschap heeft gebracht.
We zien dit streven naar machtsuitbreiding bij de gilden ook in het
voortdurend grooter worden van het getal der vertegenwoordigers van
de ampten in de stadsregeering.
Volgens een archiefstuk van 1449 worden van de zes mannen er twee
door de gemeente gekozen uit de gezworenen - beëedigde afgevaardig-
den of voorzitters der ampten - en de vier andere uit de burgers
amptsleden. Deze worden dan de viermannen genoemd.
Bij ontvangsten en uitgaven van de stad, moesten de zesmannen aan-
wezig zijn en één der drie sleutels van de kist, waarin het stadszegel
werd bewaard, berustte bij de zesmannen.
Berustte dus het eigenlijk stadsbestuur bij burgemeesters en schepenen,
de burgerij werd daarenboven nog vertegenwoordigd door een zooge-


268
een resolutie, welke de vertegenwoordigers der ampten moesten onder-
De verhouding van de ampten tot kerk en geestelijkheid was over het
teekenen.
algemeen van anderen aard.
Elk ampt had zijn heiligen schutspatroon, gewoonlijk om zijn bijzondere
verdiensten voor het ambacht, maar niet zelden slechts om een min
of meer toepasselijk attribuut daartoe uitgekozen.
De gildekapel, het choor, altaar of beeld in de parochiekerk werden
door het ampt onderhouden en op feestdagen met wapens, vlaggen en
emblemata gesierd en met waskaarsen verlicht.
Op het patroonfeest en op andere „bandagen“ waren de amptsbroeders
verplicht - de gehuwden met hun vrouwen - de H. Mis bij te wonen
en daaronder ten offer te gaan.
Van de Kathedrale kerk zijn anno 1740 gegevens bekend over de dagen,
waarop de verschillende ampten hun „bandach“ hielden.
De „kooldragers“ vereerden Antonius Abt op 17 Januari en de timmer-
lieden St. Joseph op 19 Maart.
Van de laatsten wordt vermeld dat onder de H. Mis aan de ampts-
broeders de H. Communie werd uitgereikt.
Het Kremer- of Koopliedengild hield zijn feestdag daags voor Sacra-
mentsdag: de pastoor zong dan de Mis van den H. Geest.
De schrijnwerkers vereerden geen bepaalden patroon, maar „teerden“
op den feestdag van Kruisverheffing 14 September.
Ook waren er gilden die twee maal 's jaars patroonsfeest hadden. Dit
waren o.a. de kleermakers. Zij eerden St. Joris op 12 Maart en St. Anna
op 26 Juli.
De schilders hadden behalve op St. Lucas, 18 October, nog een feest-
dag op Sacramentsdag en Maria Hemelvaart. En over de zilversmeden
lezen wij, dat zij op 26 Juni hun patroon St. Eligius vereerden en op
dien dag een plechtige H. Mis bijwoonden. Daags daarna hoorden zij
een stille H. Mis voor de afgestorven ambtsbroeders.
In hetzelfde stuk worden nog genoemd de patroons en offerstokken der
volgende ampten: St. Crispinus en St. Crispinianus, patroons der
schoenmakers op 25 October, St. Rumoldus patroon der brouwers op
1 Juli, St. Nicolaas als de patroon der schippers en huurvaarders op
6 December, St. Ivo, patroon der raadsheeren en advocaten op 19 Mei,
St. Petrusstoel op 22 Februari als patroon der schepenen en senatoren,
St. Catharina 25 November als patrones der handboogschutters en
St. Jacob op 25 Juli als patroon der wevers. De offers op het hoog-
altaar, het gildealtaar of een der andere altaren neergelegd kwamen
toe aan den pastoor der Moederkerk.
Had het ampt een volgenden dag zijne overledenen in zielmissen her-
dacht, dan werden ook de armen door brooduitdeeling en andere goede
werken niet vergeten. Soms werden onder de H. Requiemmis de na-
men der overleden amptsbroeders van den kansel voorgelezen.
In de processies moesten de amptsbroeders verschijnen in hun beste
gewaad, gewapend of fakkels en kaarsen dragend.
Over de volgorde in den stoet raakten de ampten dikwijls in strijd.

270
aan de ordonnanties van den Raad en wel naar gelegenheid des tijds
en naar gelang de prijzen voor het koren vastgesteld.
In denzelfden amptsbrief wordt onderscheid gemaakt tusschen
,beckers" en „cremerbeckers“. De eersten bakten voor loon, zooals dat
nog in Limburg gebruikelijk is. Daarbij wordt het door de huisgenoo-
ten bereide deeg naar den bakker gebracht om te laten bakken. „Cre-
merbeckers" bakten, verkochten en bezorgden het brood voor eigen
rekening. Men kende toen roggebrood, huysbackenbrood, uitgezift
brood of „mick” en wittebrood. Elken Donderdag moesten de mees-
ters de marktprijzen van rogge en „weith“ aan den Raad overbrengen.
Daarnaar werd de prijs van het rogge- en witbrood vastgesteld. Ook
het bakloon moest de goedkeuring van den Magistraat hebben; op
18 Januari 1624 werd de eigenmachtige verhooging van het bakloon
door het Stadsbestuur afgekeurd.
Het bakkersampt had zijne bandagen op St. Petrusstoel, op Sacraments-
dag en St. Aubertdag.
In de processie van Dinsdag na Pinksteren (als men Onze Lieve
Vrouwe draagt) moesten de amptsbroeders aantreden op Johan Segers
Oirt en op Sacramentsdag op „Tollenersoirde“. Dezelfde verzamel- of
loopplaatsen waren ook voor sommige andere ampten voorgeschreven.
Voor toelating tot meester wordt in den amptsbrief der bakkers geen
proefstuk vermeld.
Dat lezen we wel van de toelating tot meester in het muyrers- of metse-
laarsampt. De gezel moest dan een huisgevel, een put of een kelder met-
selen. Het loon der metselaars zullen de meesters zoo stellen, dat de
burgers zich daarover niet kunnen beklagen. Mocht dit wel het geval
worden, dan zullen de meesters het loon verminderen, tot het overeen-
komt met het loon in de naburige steden. Wanneer er dan gezellen niet
bereid waren voor dit loon te werken, konden vreemde arbeidskrach-
ten worden toegelaten, die ongemoeid moesten kunnen werken.
Het „muyrersampt” had op Dinsdag na Pinksteren zijn loopplaats aan
Straesborchsoirt en op Sacramentsdag aan Dulckenoirt. Het patroons-
feest werd gevierd op 4 December St. Barbaradag; het gebruik bestaat
nog hier ter stede bij de metselaars en opperlieden.
De leerjongens moesten twee jaar bij een meester werken en den bak
dragen „eer zij den troffel mochten gebruiken“. Bij toelating tot gezel
waren zij verschuldigd vier pond was en vier kwart wijn.
Voor de leidekkers was als meesterproef voorgeschreven het maken
van „een keele van een dack mit leyen gedeckt". Er was ook voor-
geschreven dat - als een meester, knecht of jongen den burgers kalk,
leien of lood ontvreemdde - hij „sal staen tot straf ende correctie des
heeren ende van het gericht".
De meesters tot het ampt toegelaten moesten hun harnas, geweer en
wapenrusting hebben zooals voor het ampt was voorgeschreven op
boete van een gulden „current”. Dergelijke bepalingen vinden wij ook
bij de andere ampten.
Bij het timmerampt vinden we een voorschrift, dat slechts zelden bij
andere ampten voorkomt. Voordat de gezel als meester werd toegelaten

272
kettenstaal bedoeld, dat eenige tientallen jaren geleden nog voor ver-
schillende doeleinden werd gebezigd.
Ook het koopen der smeekolen was in den amptsbrief geregeld
Het kolendragersampt te Roermond schijnt vooral door zijn aantal
amptsbroeders groote beteekenis te hebben gehad. Behalve het dragen
der kolen was ook het vervoer van andere koopwaren als kalk en steen,
koren enz. aan hen opgedragen. Hun taak was voornamelijk het lossen
der schepen, die deze waren aanvoerden. De korven of manden waarin
gedragen werd, moesten behoorlijk zijn gemaakt, op juiste maat, wel
beproefd en geijkt; de meesters moesten daarop toezien. Ook met zak-
ken werd gedragen; in latere tijden werd ook het ampt wel zak-
kendragersampt genoemd. ·Het werd met de andere ampten officieel
opgeheven, maar is als societeit of vereeniging blijven voortbestaan.
Nog tot ver in de 19de eeuw wordt het als kolendragersampt ge-
noemd; de leden hadden het privilege de lijken te mogen begraven.
Voor verdere bijzonderheden wordt naar de behandeling van dat tijd-
vak verwezen.
Bij de goudsmeden werd evenals bij de smeden het werk van de mees-
ters kenbaar gemaakt door een bepaald teeken. Bovendien gaf dit aan-
wijzing over het gehalte van het materiaal. Ook het stadsteeken - de
lelie - werd soms als merk op de voorwerpen geslagen.
De goudsmeden maakten werk voor eigen rekening of „op den coop".
In opdracht van een bepaalden lastgever gemaakt, mocht het werk
alleen voorzien zijn van eigen meestersteeken.
De nieuwe amptsmeesters der goudsmeden moesten op St. Eloidag wor-
den gekozen en voor de aftredende meesters een maaltijd aanrichten.
Des anderen daags deden zij rekening en verantwoording van hun
beheer.
De vernieuwing van den amptsbrief der schoenmakers dagteekent van
28 April 1611. Daarin vinden we een voorschrift, waarbij verboden
wordt paardenleder aan schoenen te gebruiken. Vond men zulke schoe-
nen, dan vervielen ze aan het ampt, behalve de straf op de overtreding
gesteld. De gezworenen moesten hierop toezien. In denzelfden ampts-
brief lezen we ook nog bepalingen voor de schoenlappers en voor in-
en verkoop en vervoer van looi. Volgens „het alt heerkommen” was
het looi van zekere rechten en belastingen vrijgesteld
In den amptsbrief der kleermakers van 1 Januari 1612 wordt als proef-
stuk voor den „aankomenden meester” o.a. opgegeven het snijden van
een mantel en een wambuis, alles van laken zooveel er toe noodig was
en tegen meestersprijs. Het snijden geschiedde op de gaffel. Er werd
eerst ontbeten en daarna werden de toeziende meesters op bier ont-
haald. Vervolgens werden de stukken gesneden en werd de plechtig-
heid weer besloten met een hartigen dronk.
Als er in het proefstuk fouten waren, werd de proeveling een kwartaal
uitgesteld om beter te leeren; kwam hij binnen dien tijd niet terug, dan
verbeurde hij twee ahmen bier. De meesters moesten zich onthouden
hun knechten en zonen aan te raden om de proef te vroeg en slecht
voorbereid te maken „opdat niemandt zijnen stoff verdorven worde".

274
lezen we zelfs van pogingen om op de Roer scheepvaart mogelijk
Op 17 Februari 1605 zag de Magistraat zich genoodzaakt - om de
te maken.
groote kosten tot gerief der schippers en kooplieden aan de haven be-
steed - voort te gaan met het ontvangen van havengeld en wel tot
voortdurend onderhoud der haven.
Het havengeld bedroeg „voor einen hochmast 30 stuivers, voor einen
hochaerts 20 stuivers, voor een jaegschip 10 stuivers en voor een coppe-
lenpont 5 stuivers".
In de oorlogsjaren werden, om in de oorlogskosten te voorzien, vele
tolrechten en licenten op de vaart geheven.
Na den oorlog verminderden deze rechten en kwam de vaart ten deele
vrij, waardoor ook de binnenvaart toenam.
Op 17 Maart 1639 werd door Jan Claassen wederom het marktschip
aangepacht. Dat wijst er op, dat vroeger al reeds beurtdiensten op
naburige plaatsen bestonden, maar die wellicht in den krijg waren
te niet gegaan.
De verplichting, om op bepaalden tijd te varen, onafhankelijk van wind
en getij, heeft het ampt der huurvaarders in het leven geroepen.
Dit waren gezellen, die zich voor bepaalden tijd en zeker traject ver-
bonden om de schippers te helpen bij het boomen in ondiep water, door
het trekken aan de lijn of door jaagpaarden, ingeval van tegenwind,
bij ongunstig getij of bij het drijven van houtvlotten.
De amptsbrief der schippers is zeer uitvoerig; hij bevat niet minder
dan 60 artikelen. Het ampt had St. Nicolaas tot patroon; de ampts-
broeders of kogelbroeders, zooals ze in den brief worden genoemd,
hadden het privilege op St. Nicolaasdag vóór de H. Mis de klok te
mogen luiden. Onder de H. Mis ging men ten offer en er na hielpen
meesters en gezellen naar ouder gewoonte het armenbrood „uitspijn-
den". Op St. Nikolaasavond, op Dinsdag na Paschen, des Zaterdags
vóór en 's Maandags ná de kermis hielden de schippers hun teerdagen.
Op St. Nicolaasavond en telkens als een nieuw gezel werd aangenomen
moest de amptsbrief aan de vergaderde kogelbroeders worden voor-
gelezen.
We lezen voorschriften „opdat den coopman niet en mach ontriefft
worden" en die aangeven hoe gehandeld moest worden, als een der
gezellen op Zaterdag voor kermis te Beesel of elders door zijn beurt-
dienst werd opgehouden.
Zijn afwezigheid werd toegelaten, mits hij op kermisdag in de processie
verscheen, waarin dan de kogelbroeders optrokken, nadat zij de pro-
cessie der Minderbroeders van uit hun kerk naar de Munsterkerk had-
den begeleid.
De indeeling der schippersgezellen was ook geregeld.
Wanneer te Linne houtvlotten waren aangekomen uit het Luiksche en
de kooplieden of agenten en de amptsmeesters daarvan in kennis wa-
ren gesteld, dan kwamen de gezellen op de Steenen Brug over de Roer
te zamen om daar te worden ingedeeld.
Op Zon- en Heilige dagen mochten geen rotten of groepen worden in-

276
bevoorrechting van bepaalde families. Soms kon een ampt alleen door
aanhuwelijking worden verkregen of gekocht, niet zelden ten koste van
den goeden naam der voortbrengselen van het ampt.
Soms werd machtsmisbruik in de hand gewerkt. Bijvoorbeeld door
regeling van het aannemen van leerlingen en gezellen, om daardoor het
aantal meesters laag te houden, en de zittende meesters daardoor te
bevoordeelen.
Achteruitgang van het ampt was dikwijls het gevolg, omdat men -
waar mogelijk - kocht op de vrije markten, of op andere wijze in zijn
behoeften trachtte te voorzien. Ook in Roermond kwamen zulke mis-
standen voor. Talrijk zijn de geschillen, waarvan de Donderdagsche
Protocollen gewagen en waarbij de Magistraat het geschil moest be-
slechten.
Van goede trouw blijkt weinig als men leest, dat op 10 Juni 1677 de
bakkers werden veroordeeld wegens te licht wittebrood. Nalatigheid
in de verplichtingen lezen we in het herhaalde voorschrift van 11
Augustus 1678, om het was, door de gezellen bij de intrede in het ampt
verschuldigd, aan de kerkmeesters te leveren.
Tweedracht blijkt ook uit de geschillen tusschen de ampten onderling of
tusschen broeders van eenzelfde ampt. Op 17 Juli 1681 lezen we van
kwesties in het smedenampt; van een geschil onder de kleermakers
vernemen we in Augustus 1730. De schoenmakers kibbelden tegen de
looiers in Juli 1732; meermalen lezen we van twisten tusschen gewant-
makers en cremers en in het tijdvak 1748 en 1763 was er oneenigheid
tusschen smeden en schrijnwerkers, brouwers en zeepzieders, looiers
en gewantmakers en twistten de kuipers en de zoogenaamde kraan-
kinderen met de marktschippers. In 1752 spreken de Donderdagsche
Protocollen zelfs van oproer der ambachtslieden.
Een andere ouderdomskwaal der ampten is voorzeker ook geweest de
overdadige weelde bij de gildemaaltijden. Reeds 10 Juli 1664 moest de
Magistraat paal en perk stellen aan de overdaad op de eetpartijen bij
gelegenheid van het kiezen der nieuwe meesters. Van toen af moesten
de kosten van het bier bij die maaltijden komen voor rekening van het
ampt op boete van 10 gulden. Deze voorschriften golden voor alle amp-
ten en moesten op de gaffels aan de amptsbroeders worden voorgelezen.
De kwaal bleef echter voortwoekeren; nog in Februari 1785 beval de
Magistraat dat de ampten buitentijds geen maaltijden mochten houden.
De troebele oorlogstijden waren voor de burgerij en handel en nijver-
heid ook verre van gunstig. Soms gingen daardoor enkele takken van
bedrijf geheel te niet. Door het vergeven van bepaalde voorrechten en
belofte van vrijdom van belasting bewoog de stadsregeering vreemde
ambachtslieden om zich hier te vestigen.
Vooral de groote brand van 1665 was voor de stad noodlottig. Om de
stad met nieuwe burgers te bevolken stelde de Magistraat voor om
aankomende ambachtslieden slechts de helft te laten betalen van het
bedrag in den amptsbrief bepaald, behoudens datgene wat voor de kerk
was bestemd.
Opleving der nijverheid zagen we reeds bij de intrede van het Be-

278
den Magistraat. Daaruit blijkt wel, dat de tienmannen tot het laatst
de vertrouwensmannen van de burgerij in de conservatieve stadsregee-
ring zijn gebleven.
De genadeslag kwam door een besluit van de Fransche Regeeringscom-
missarissen op 19 Brumaire, An IV (10 November 1795). Daarbij werd
bevolen in de met Frankrijk vereenigde departementen de afkondiging
en uitvoering van de wet van 2-17 Maart 1791, waarbij de corporaties
en hare voorrechten werden opgeheven; eveneens van de wet van 14
17 Juni 1791 waarbij aan de arbeiders en de ambachtslieden van den-
zelfden stand (état) en van hetzelfde beroep verboden werd zich te ver-
eenigen, zelfs in vrije groepeeringen.
Zoo vonden de gilden hun einde. Het moge te betreuren zijn, dat daar-
mede ook het goede, wat het gildewezen bezat, is te gronde gegaan,
anderzijds was het geen nadeel, dat ook verouderde begrippen werden
opgeruimd.
Zijn de gilden in de middeleeuwen voor velen een zegen geweest, in
de moderne maatschappij met haar massaproductie en wereldhandel,
met haar intens verkeer en groote behoeften zouden ze in hun oervorm
een vreemd figuur hebben gemaakt.
Bij de wisseling der eeuwen zijn ze misschien te rechter tijd verdwenen
om plaats te maken voor andere instellingen en stroomingen, die na de
Fransche Revolutie een nieuwen tijd hebben ingeluid. „Niets is besten-
dig op aarde", is de les, die de opgang, ontwikkeling en ondergang van
het gildewezen aan het nageslacht meegeeft en ook uit deze schets over
de Roermondsche ampten kan blijken.

DE PUTTEN.

De putten, buurtschappen of wijkvereenigingen hebben zich in Roer-
mond tot op heden nog gehandhaafd. Ook op andere plaatsen vindt
men nog sporen van dergelijke buurtschappen. Maar alleen te Roer-
mond blijkt nog van het duidelijk verband tot de vroegere putten en
de daarop volgende pompen, die behoorden tot de stadswijken. Die
samensmelting van de buurtvereeniging met „de Brunnengemeinde of
Pumpenschafte" vond men ook in het naburige Rijnland. Zooals in
later tijd voor de gilden werden door het stadsbestuur ook aan de put-
ten voorschriften en reglementen gegeven. Daaruit blijkt wel dat de
putten een zeker organisme in het gemeentelijk bestuur vormden.
Duidelijk blijkt dit uit de voorschriften, die werden gegeven tot voor-
koming van brand en de maatregelen tot blussching.
Het onderhoud en de vernieuwing der putten en pompen was ook door
den Magistraat geregeld.
Tot de bemoeiingen van de putbesturen behoorde verder de regeling
van het schapenweiden op de gemeenteweide, het ophalen van het ker-
kenbrood, het toezicht op inkomende vreemdelingen en ook het bege-
leiden van den priester met brandende flambouwen als in de buurt een
der putgenooten van de H. Teerspijze werd voorzien.


280
hoek der Oliestraat vergunning om een pomp van Naamschen steen
te plaatsen; zij mochten daarvoor opnemen 100 pattacons.
De verkiezing der putmeesters vond gewoonlijk plaats op Vastenavond:
er werd echter bevolen dat men het bierdrinken, wat gewoonlijk daarbij
hoorde, zou uitstellen tot na Paschen.
In een later reglement van 25 Februari 1751 wordt bevolen, dat de put-
meesters zouden worden gekozen beurtelings uit alle bewoners van
den put.
De indeeling in wijken hield soms verband met de poelen, die hier en
daar in de stad verspreid lagen.
Zij dienden deels tot verzamelplaats van het afvloeiende hemelwater
en ook wel tot bewaring van het opwellende water uit de putten. In
een verordening in „Jura et Privilegia” en hieronder afgedrukt, worden
deze poelen opgenoemd (vermoedelijk midden 16e eeuw).

Ordenungh mitten poelen.

1. „Toth die poel in die broderstrate gehoeren alle die naeberen van
den Heijligdombs Thoren an der Nederstraten aff then beyden sijden
bisthot der brughstraten ort, und dan van den bergh op then beyden
sijden soe ver der puth in de Nederstraet aldair sich streckt; item die
gantse Eselstraet, und achter die Muyr thot leen van venraydtz huys,
nu Marten Montenaecks huys.
(Een tusschen gevoegde noot vermeldt over den Heyligdombtsthoren,
dat nu - het tijdstip, waarop het afschrift werd gemaakt - op die
plaats was, „den uyt- en inganck van 't kerckhoff der p.p. minderbroe-
ders mits den hilligdomsthoren gants bouwvalligh anno 1695 is wor-
den affgebrocken, mit kennis en permissie van 't Magistraat, bij p. gar-
diaen affgevraeght).
2. Item tot den poel aen 't Swartbroeck op die wenmeeckersstraete
gehoert die broerstraete van den hyllickdombsthoren mit die put an
die beggarden und so voert af tot an die porte ther beijder sijden.
3. Tot den Creedepoell tegens hoeghrugks Bomgardt gehoeren die van
den ort an der Swartbroeckerporte mit die puth achter den marien-
garde. Item die munsterstraete ten beijden sijden.
4. Tott den poell op den scheuttenbergh hoert der gantzer scheutten-
bergh then beyden sijden thot unser lieven vrouwen oert thoe, dye
schoenmaeckersstraete ten beyden sijden.
5. Item thot den poell op unser lieven (vrouwen) oert, hooren die Beg-
gardtstraete then beyden sijden, der puth achter Cloisterwandt, puit-
lingkputh mit die pelsersstrate then beyden sijden.
6. Tot den Gasthuyspoell nu St. Jorispoell, hoert den puth in die oly-
strate mit den naburen an 't bussenhuys onder selven puth gehorigh,
der steinwegh then beiden.
7. Tot den poell an 't Munster bij den kirckhoff hoert den puth neest
desen poell gelegen, soo wijet der selver sich streckt bij an der Cloister-
porte op die hamstrate.
3. Toth den poell an die nieler poerte hoert die hamstrate van der

282
zijn ze haast alle als slachtoffer van de betere watervoorziening ver-
dwenen. Een enkele staat er nog in de Voorstad St. Jacob.
Alle pompen prijkten vroeger met het beeld van den patroon, onder
wiens bescherming put en pomp waren gesteld. In de illustraties vindt
men putbeelden behoorende bij de pompen van O. L. Vrouw Zwart-
broekput, St. Brunoput in de Swalmerstraat voor het Groot Seminarie
en de St. Josephsput op de Varkensmarkt voor het huis Berbers.
Van een der putten, de St. Christoffelput, gedeelte Markt en Kraan-
poort, is bekend dat hij geschreven stukken met eigen zegel zegelde.
Na den tijd der Fransche overheersching leest men weinig meer over de
bemoeiingen van het stadsbestuur met de putten en hunne bewoners.
De putten als buurtvereenigingen bleven echter bestaan tot op onze
dagen. Wordt bij gouden bruiloft op een put feest gevierd, dan behoort
in den regel ook het dagelijksch bestuur der Gemeente tot de velen,
die de jubilarissen komen gelukwenschen. Dit min of meer officieele en
sympathieke gebruik herinnert nog eenigszins aan de landsvaderlijke
bemoeiingen met de putten van weleer.
Aan de rechten der putten werd niet gaarne getornd. Nog op 15 Decem-
ber 1919 vinden we in de raadsnotulen het volgende: „Van A. v. d.
Broek, Mariagardestraat 13, een verzoek om verplaatsing van de voor
zijn perceel staande pomp. Wordt ter afdoening gesteld in handen van
B. en W. De heer Ronden zegt, dat v. d. Broek bij hem is geweest en
hem mededeelde, dat het water van de pomp al driemaal is afgekeurd
door de Gezondheidscommissie. Willen B. en W. daar rekening mee
houden? B. en W. hebben het wel in hun macht om de pomp aan den
ketting te leggen" zegt de Voorzitter „maar ze afbreken kan enkel de
put". In de laatste jaren schijnt men zich niet zoo nauwgezet aan deze
opvatting te hebben gehouden.
Over de straatkapelletjes, bij de putten behoorend, zal iets gescheven
worden onder het Hoofdstuk „Zeden en Gewoonten“ evenals over de
gebruiken die in het putleven nog in eer worden gehouden.

DE CONFRERIEËN EN SCHUTTERIJEN.

Hoewel we moeten aannemen, dat de Roermondsche ampten vroeger
reeds broederschappen, confrerieën en schutterijen hebben gevormd,
die meer bijzonder voor den krijgshandel waren aangewezen, lezen we
toch van een officieele oprichting eerst op 3 Januari 1574. Toen werden
door Burgemeester, Schepenen en Raad ten behoeve van de gemeente
uit goede en vrome burgerzonen vijfenveertig eerbare gezellen tot
zoogenaamde jonge schutters benoemd en werd verordend, dat elk
jaarlijks als belooning dertig bescheiden stuiver zou ontvangen en de
gezamenlijke gezellen bovendien met Pinksteren drie ahmen best bier,
op Sacramenti drie ahmen en op Sebastiani ook drie ahmen. Er werd
echter voorbehouden, dat - wanneer de stadsregeering de schutterij
wilde afschaffen - dit geen bedenking mocht ondervinden.
Een gaffelhuis zou hun vrij ter beschikking worden gesteld. De jonge


284
ingedeeld in burgerkwartieren. Aanvankelijk, op 10 Januari 1619, lezen
we slechts van een Zwitsersch, Spaansch en Italiaansch kwartier. Onge-
veer een eeuw later op 9 Juli 1717 worden vermeld een Spaansch,
Engelsch, Bourgondisch, Croatisch, Zwitsersch en Waalsch kwartier.
t Is niet onmogelijk, dat de doortrekkende huurtroepen van verschil-
lende nationaliteit bij wekenlange inkwartiering, zooals dikwijls gebeur-
de, hun naam in dat stadsgedeelte hebben achtergelaten.
Elk kwartier had een kapitein, een vendrig en twee commissarissen.
De burgerkapiteins, zooals ze genoemd werden, moesten met hun ven-
dels ook in de processie optrekken en bij plechtige gelegenheden wer-
den de vaandels door de vendrigs op het stadhuis gebracht om het
feest luister bij te zetten. De plaatsruimte noodzaakt ons, het bij deze
beknopte gegevens over de Roermondsche confrerieën te laten. Door
het stelsel der conscriptie zijn deze instellingen in den tijd der Fransche
overheersching te niet gegaan. Met hetzelfde doel is men in de 19de
eeuw overgegaan tot het oprichten der dienstdoende schutterij en later
nog van het instituut der burgerwacht, dat vooral preventief van be-
teekenis kan zijn.































286
opslagplaatsen der buitenlandsche goederen, de groote afhaaloorden
voor het achterland, de uitwisselkantoren voor binnen- en buitenland-
schen handel.
De meer binnenlands gelegen steden - nu heel weinig overzeesch ver-
keer meer hebbend - krijgen de taak der uitwisseling in vrachtvaart
voor anderen, of in kooplustigen actieven handel voor eigen rekening.
In dit verkeer „binnen dunen” nemen de Waal- en Maassteden een lang
niet geringe plaats in: zij verbinden de nieuwe centra aan de rivier-
monden en de oudere binnenlandsche middelpunten, als Keulen en het
Luiksche gebied.
Zoo ook Roermond dus. Zijn belang als centrum der meer onmiddel-
lijke omgeving komt later ter sprake.
De voornaamste bron onzer kennis ligt in de steeds weer voorkomende
tol- en handelsovereenkomsten, pogingen om zooveel mogelijk te ont-
komen aan die talrijke heffingen: op hun beurt weer een gevolg van
een zeer min gecentraliseerd gezag.
Het jaar 1277 geeft ons eenig houvast. Als Venlo echter reeds vroeger
in de 13de eeuw een vrij levendigen handel kent, waarom zou Roermond,
van ongeveer gelijke ligging, dien dan niet bezeten hebben. In 1277 nu
sloot Roermond met den Bosch een handelsovereenkomst, waaruit dus
blijkt dat onze stad handel dreef op de Maas. Hetgeen bevestigd wordt
door een in 1308 getroffen tolregeling te Venlo. Verder van huis treffen
we onze handelaars in 1347: Roermond krijgt dan voor de helft vrijdom
van tol te Tiel en Lobith, terwijl midden 14de eeuw vermeld wordt,
dat het vrijdom van tol genoot op de Waal te Nijmegen, Zaltbommel
en - nu geheel - te Tiel. Bij een in 1348 gesloten accoord over den
tol te Kessel is er sprake van schepen „gheladen tot Dordrecht of op
den water". In 1367 wederom vrijstelling voor de helft van den tol te
Lobith, iets later te Mook en Nijmegen. En in 1361 gewerd zijn bur-
gers tolvrijdom in Gorcum en het land van Arkel.
Maas, Waal en Rijn zijn dus de handelswegen. De IJssel echter niet
minder. Met Zwolle, Kampen en Deventer kende men drukke relaties.
In 1365 verleende Zwolle „eenen ganschen stedenvrede aan schepenen,
raden en gemeynen burgeren" van Roermond. In 1366 wordt op verzoek
van den graaf een voor Roermond gunstige beslissing genomen ten op-
zichte van Nijmegen, Zutphen, Arnhem, Harderwijk, Tiel en Zalt-
bommel. Kampen sluit het jaar daarop een „gans bestant" met Roer-
mond, en verbindt zich aan de burgers dezer stad „geynre kunne arch,
krot noch scaden tue te keeren"; en na een geschil staan in 1375 de
„wantsnyders“ of lakenkoopers van Roermond op de Kampensche
markt tusschen die van Zwolle en Zutphen.
Verdere opsomming van tolvrijheden als te Grave, Ravenstein, Maas-
bommel, Lith, Heerewaarden, van de later (16de eeuw) opkomende
licenten en superplus, heeft weinig nut, omdat in den loop der tijden de
aard van den handel niet gewijzigd wordt.
Ook Zuidwaarts bewoog zich de handel van Roermond. Volgens een
overeenkomst van 1253 mochten de „burgenses de Ruremunde“ - met
enkele restricties voor bepaalde tijden - vrij wijn vervoeren met wa-

288
vinden we hier in een oorkonde van 1367, waarbij Reinoud aan Roer-
mondsche burgers vergunt, dat „si haer wine ind ander guede, soe wel-
ker lande dat sy syn, vueren sullen ind moegen den Ryn ind den Wael
neder ind die Maese up vur onse tolle te Lobbede om half gelt dairvuer
te gelden." Daar is de weg in het verkeer tusschen Boven-Rijn en Boven-
Maas compleet aangegeven, compleet loopend over Geldersch gebied.
„Vur onse tolle te Lobbede” staat pas ná de vollédige wegaanduiding.

Een mooie samenvatting van de handelsartikelen op de Maas, geeft ons
een oorkonde van 9 Juni 1581, waarbij Philips II octrooi verleent aan
Roermond om gedurende een jaar licentgeld te heffen van de koop-
waren, die de Maas op- en afgaan.
Als de Maas afgaand worden daar genoemd:
Metalen: als ijzer, koper, nagels.
Kolen: groote steenkolen, smeekolen of kleine steenkolen; houtkolen.
Bouwmaterialen: kalk, grauwe of blauwe steen, blauwe en roode sca-
liën (leien, pannen), mergelsteenen.
Meststoffen: mergel (tot steun aan den landbouw was het licentgeld
hiervoor lager dan voor mergel als bouwmateriaal).
Fruit: vooral peren en appelen.
Hout: geschild en ongeschild wishout; „klapholt“ voor tonnen; rond-
hout en ribben (voor huizenbouw).
Stoffen: vlas (per zak) en laken (per pak) en ten slotte honing.
De Maas op gingen:
Etenswaren: zout, peperkoek, Holl. kaas en boter, haring, bokking,
sprot, labberdaan, kabeljauw, schelvisch, stokvisch, raapolie.
Verder nog: lijnzaad, zeep, traan, was, pek, potasch, ossen- e.d. vellen,
gerst, boekweit, wol, Fransche wijn en Rijnwijn (de Maas op deze Rijn-
wijn!)
Sporadisch spraken we reeds van landhandel. Ongetwijfeld hebben wij
in de 15de eeuw reeds verkeer over land gekend in de richting Ant-
werpen. Een groote weg van Keulen naar Vlaanderen liep door het
Overkwartier, al trok men ook veel via Luik of Maastricht naar den
Scheldemond. Ook op Brussel reed men, z'n weg nemend over Neer-
itter, Bree, Diest en Leuven. Herhaaldelijk, zeker in latere tijden, is er
sprake van voermanskarren uit Aken en omliggende plaatsen, welke
karren gewoonlijk hun weg namen langs den Oostkant van de Maas
door het ambt Montfort. Naast de op ongezette tijden rijdende karren,
waren er ook voerlui, die met concessie van de overheid een vasten
dienst onderhielden op zelfs verafgelegen plaatsen, als Antwerpen,
Keulen, Luik, Brussel, Aken en Nijmegen.
Het direct verkeer met 't verre buitenland overzee heeft ongetwijfeld
niet bijster veel belang gehad. Van eenig verkeer met eigen schepen
is zeker geen sprake daar Keulen zelfs in de 15de eeuw geen zeesche-
pen meer bezat.
Vanzelf komen we hier op de betrekkingen met de Hanze. Oorspron-
kelijk een koopliedenorganisatie, werd zij later - omdat zij steun zocht
in een politiek verband - tot een stedenbond, die langen tijd den heelen

290
het Londensche Staalhof na gesloten vrede terugkeerden, gooiden ze
die van Keulen er uit. Keulen, dat ondanks verbod handel was blijven
drijven op Engeland, en in 't Staalhof optrad als vroeger, werd „ver-
hanst": uit de Hanze gesloten, en al is 't in 1476 reeds als lid weer toe-
gelaten, in 't Londensche Staalhof bleef het geruimen tijd uitgesloten.
Tot goed begrip van Roermonds houding, zooals die blijkt uit volgende
feiten, eerst nog een kort woord over Vlaanderen: Brugge en Ant-
werpen. Tusschen de Hanze en Brugge bestonden nauwe relaties: de
Hanze stapelde er, genoot voorrechten. Toch wilde Brugge aan die
voorrechten wel eens tornen - als midden 15de eeuw -; gewoonlijk
bleven ze elkaar steunen. De Rijn- en Maassteden nu, die tegen het
einde der Middeleeuwen nauwelijks meer handel dreven op de Oostzee,
hadden maar matig belang bij den stapeldwang te Brugge en zochten
daarom „vrije markten” op, als het opkomende Antwerpen, al poogde
Brugge dan ook blijkbaar weer door overeenkomst met Antwerpen het
gevaar te keeren. En al blijft de stapeldwang officieel tot 1530 bestaan,
practisch hadden de Wendische steden hem al niet strikt gehandhaafd.
In dit kader nu zijn de volgende feiten te zien:
In 1452 zijn te Nijmegen bijeen Keulen, Roermond, Arnhem, Kampen,
Wesel, Duisburg, Tiel, Zaltbommel en Nijmegen. Deze richten zich tot
Lübeck, en verklaren dat zij de tegen Vlaanderen gerichte besluiten van
den laatsten Lübeckschen hanzedag, en de door Lübeck geëischte sta-
king van het verkeer met Engeland niet kunnen inwilligen; ze stellen
een spoedige bijeenroeping van een hanzedag voor, en vragen tevens
om antwoord! (28 Juni.) Dat antwoord komt op 2 Augustus d.a.v., en
't klinkt eenigszins kleineerend: Jullie zijn maar kleine steden; we zul-
len er later wel eens samen over praten! In 1456 is Roermond niet te
Lübeck, ofschoon men de stad met dreigementen wilde dwingen.
't Scheen dus niet te boteren! En in 1458 nóg niet: want Keulen - dat
als zeer vaak de leiding heeft - richt op verzoek van Nijmegen tot
Wesel, Dortmund, Duisburg en Roermond de vraag of zij te Wesel
bijeen willen komen ten einde te confereeren over een voor deze steden
nadeelig contract dat de Duitsche koopman (de Hanze) te Brugge had
gesloten met Antwerpen. In 1460 is er nog wrijving: op 13 September
zijn dan te Wesel bijeen Keulen, Nijmegen, Deventer, Wesel, Zutphen,
Zwolle, Roermond, Kampen, Duysborch, Moenster en Osenbrugh. Zij
schrijven aan de „wiisen oldermannen des gemeynen koepmans van
der Duytscher hansen, nu ter tiit to Brugge residerende", dat zij het
niet rechtvaardig vinden, dat van handelaars belasting wordt geheven
door de hanzevertegenwoordigers aldaar. Daarom verzoeken ze daar-
mee op te houden tot den volgenden hanzedag.
In 1462 schrijft Roermond af voor een Reces te Wesel; in 1469 heeft
het te Lübeck zijn vertegenwoordiger, in 1470 ontbreekt het.
Ofschoon uit sommige stukken blijkt dat de steden uit deze streken
gewoonlijk een lijn trokken als 't ging tegen de Noord-Duitsche, toch
was er onderling wel eens herrie: zooals in Februari-Mei 1474: men
voert dan te Utrecht onderhandelingen naar aanleiding van een klacht,
die Keulen richtte tot verschillende hanzesteden, waaronder ook Roer-

292
Roermonds handel blijft zich gedurende de volgende eeuwen in dezelfde
richtingen bewegen. Alleen zien we een toenemende vermindering van
de relaties met de Zuiderzeesteden, zoodat de handel zich meer richt
naar de steden aan Maas en Rijn en Waal.

Groot waren in al die eeuwen de moeilijkheden, en 't verwondert wel
eenigszins, dat ondanks den velen hinder de handel nog kon gedijen. We
spraken terloops reeds van tollen. Hun aantal op de Maas - in Lim-
burg alleen al - was werkelijk verbijsterend. Voor den inval der Fran-
schen bestonden er een 26-tal tollen en licenten, eventueel nog ver-
hoogd met superplus: deze licenten dateeren van den 80-jarigen oorlog,
en bleven nadien gehandhaafd. Doordat er op enkele plaatsen tot zelfs
3 tollen of licenten tegelijk werden geheven, klopt het aantal tollen
niet met het op te noemen aantal heffingsplaatsen: Gorcum, Bommel,
Oyen, Batenburg, Grave, Gennep, Well, Venlo, Kessel, Roermond, Ur-
mond, Navaigne, Eysden en Luik. Hierbij kwamen dan nog een 27
markttollen, op eene uitzondering na gelegen op de Beneden-Maas of
-Waal: Gennep, Kuik, Ravenstein, Batenburg, Megen, Maasbommel,
Herwaarden, Alem, Giesen, Gorcum, Zalt-Bommel, Woudrichem en
Hexgh (tegenover Navaigne). De inkomsten van deze tollen of „péa-
ges", kwamen terecht in de kas van den souverein en de heeren, die voor
verbetering en onderhoud der rivier bijna niets deden.
Buiten bovengenoemde plaatsen ontmoetten we in den loop der tijden
nog tol- of licentplaatsen als Tiel, Mook, Nijmegen, den Bosch, Zalt-
bommel, Lobith.
Natuurlijk bestond er een uitgebreid systeem van wederzijdsche vrij-
stellingen, ook met het doel den handel in handen te houden van de
stedenbewoners. Ontduikingen bleven evenwel niet achterwege. Zoo
had Roermond immers in 1372 in heel Gelre tolvrijheid gekregen voor
zijn eigen goederen. Reeds van 't zelfde jaar dateert een klacht van de
hertogin, dat men waren als Roermondsche aangaf, die dat niet waren,
en dat „ander lude mede voeren op die burgerschafft": dat dus vreem-
delingen zich als Roermondsch burger voordeden. Om dit bedrog te
voorkomen zou men voortaan de Roermondsche goederen merken met
het stadsmerk, waarvan de tolbeambten duplicaten kregen ter contrôle.
In 1394 herhaalde de hertog een dergelijk verzoek: men zegelde toen
met het oorspronkelijke stadszegel: de roode lelie. En om aan tolheffing
te ontkomen spraken in de tweede helft der vijftiende eeuw Venlo
en Roermond af, om geen hout meer langs Lith te vervoeren; men
bracht het tot Grave, Megen of Ravenstein, en de kooplieden uit
den Bosch, die te Lith wel tolvrijheid genoten, kwamen het daar
dan halen!
Tot de plaatselijke voorrechten, die toch vaak zeer sterk de handels-
vrijheid temperden, behoort ook het stapelrecht. Roermond heeft het
ook gekend; en in dit verband komt ter sprake de rivaliteit met Venlo,
die soms verbonden was met politieke tegenstelling als tegen het einde
der 15de eeuw, toen Roermond de partij trok van Arnold, terwijl Venlo
meeging met Adolf, met als gevolg wederzijdsche plundertochten. Voor-

294
schrift zond van de previlegies, ten opzichte van dien stapeldwang. Wel
schijnt dus onze stad eenige ontheffing genoten te hebben. Philips had
dus Venlo wel bevoordeeld, ofschoon hij reeds vroeger toch ook aan
Roermond gedurende vele jaren toegekend had (vanaf 1580) het recht
om licenten te heffen op de Maas van alle op en neer varende sche-
pen: een licentrecht dat Venlo en Luik in 1591 ontduiken, door vervoer
per ás lángs Roermond. Zéér veel teekenen van rivaliteit tusschen de
twee steden Roermond en Venlo treffen we aan in het begin der 17de
eeuw: ruzies over licenten, tollen en „huerverders“. Het stapelrecht, dat
Venlo kreeg in 1343, schijnt zeker nog in 1665 te bestaan, want in dat
jaar vraagt Roermond, dat Venlo geen opslag zal eischen van eenige
bouwmaterialen die Roermond kocht tusschen Venlo en Well.
De belemmering die de handel ondervond door de tollen, licenten,
superplus en stapeldwang werd nog versterkt door de vele veeten en
oorlogen. Groot was de onveiligheid te water en te land. In iedere eeuw
zijn er herhaaldelijk perioden van krijgs- of strooptochten aan te wijzen.
Vooral in den 80-jarigen oorlog waren de streken zeer onveilig. Nu eens
plunderden de Spanjaarden, dan weer de Staatschen. 't Kwam zelfs
soms zoover dat men soldaten ter bescherming op de schepen plaatste,
of een met soldaten bemande boot de Maas op en neer liet kruisen.
Eenige verlichting in deze wederzijdsche belemmering bracht de uit-
reiking van paspoorten door de Spaansche en Staatsche autoriteiten,
welke paspoorten wederzijds geëerbiedigd werden, zoodat heel wat
schippers van Luik op Dordt konden blijven varen. Men was zelfs
zoo slim twee „Coppeleien” - waarover later - aan elkaar te ver-
binden, om zoo met één paspoort „door te commen". Toch hielpen
deze paspoorten vaak niet. Zoo is bekend dat in 1584 „die eerste alge-
meyne sluytinghe van de Maesstroom" begon, die 3 jaren duurde
en waardoor vele Maasschippers te gronde gingen.
In 1599 begon weer zoo'n driejarige „algemeyne sluytinghe".
Naast de tollen en de onveiligheid, deed de minder goede bevaarbaar-
heid der Maas afbreuk aan den handel, ofschoon de toestand beter
schijnt geweest te zijn dan in de 19de eeuw. In verband hiermee een
enkel woord over de Maasschepen. Hoorende tot de categorie der
Bovenlanders, zijn het blijkbaar alle lange, smalle, platboomvaartui-
gen, welk scheepstype door de eeuwen heen vrijwel stationnair is ge-
bleven. Deze schepen werden gewoonlijk gebouwd op de werven te
Visé of Luik, en opgetakeld te Dordrecht. Om volledig toegerust schip-
per te zijn moest men minstens een „coppeleye“ of „coppele“ bezitten;
deze bestond uit „een schip met eynen roef, met noch eynen aanhanck
van een klein paetschip of pedde, ende dairby gemeynlick noch een
pont, daer sy die peerden met over voerden".
Dat schip „met eynen roeff“ kon zijn een „hoogmast” (te trekken door
5 à 7 paarden) of een „hoogaars" (voor 2 à 4 paarden). Andere namen,
als „ghetimmerden schiep“, „aak” en „pontuyn” komen ook voor. Het
„paetschip of pedde“, elders „lichtschiep“ genoemd, diende om bij on-
diep vaarwater een deel der lading over te nemen, zoodat de hoog-
mast of hoogaars hooger op 't water kwam te liggen. De pont moest

296
eenige scheepvaart tot stand te brengen in de richting Wassenberg.
Zeer interessante gegevens over den waterstaatkundigen toestand bij
Roermond leveren ons allerlei accoorden over dijkonderhoud en haven-
gelden. Reeds in 1329 is er sprake van twee dijken in de Nieuwe Roer!
Men is dus toen blijkbaar al aan 't graven geweest. En die dijken? Om
den snellen stroom van het water te keeren dat misschien te sterken
zijdelingschen druk uitoefende op den linkeroever der Maas? Om de
schepen een rustige ligplaats te bezorgen? Of slechts om 't water voor
de molens op de Roer op te houden? Deze laatste veronderstelling vindt
misschien steun in het feit, dat de persoon die de dijken moest onder-
houden, als tegenprestatie van de stad het recht kreeg molens op de
Roer te bezitten.
Om de kosten van dijken en waterkeeringen te dekken, kreeg de stad in
1492 het recht om kleine munten te slaan. Het batten of leggen van
dijken of waterkeeringen bleef in de 16de eeuw aanhouden, tot bij Ool
toe. Dat de stad haar eigendommen ook hiermee beschermde tot nadeel
van anderer bezit, blijkt uit sommige twisten met de heeren van het
land van Horn. Kort voor de plannen van 1601 en later, was er, na
tweejarigen arbeid, in 1594 een nieuw hoofd aan de Roerhaven gelegd;
t geen echter blijkbaar geen voldoende oplossing bracht voor het
scheepvaartverkeer. Geen wonder, dat de landsheer - ook tot ver-
meerdering van eigen inkomsten - deze waterstaatszorgen steunde
door toekenning van superplus en havengeldverhooging (1605); door
verlof tot het bij den vijand aanvragen van sauvegardebrieven - het
waren onveilige dagen in 't begin der 17e eeuw - ten dienste van de
arbeiders aan de dijken, waarbij o.a. speciaal melding wordt gemaakt
van de dijken, die aan den linkeroever der Maas moeten dienen om de
rivier in haar bedding te houden (1628).
Ter zake dient een enkel woord over de z.g.n. marktschepen. Dat dit
schepen zijn die uitsluitend op de markten - die van Roermond en
andere - varen mag betwijfeld worden: tenminste hier en daar klopt de
tijd van vertrek en aankomst niet met de marktdagen. Zulks zou ook
lang niet altijd mogelijk zijn voor de weekmarkten, wel natuurlijk voor
de jaarmarkten. En al ligt dus hun opkomst wellicht in verband met de
marktdagen, later - b.v. in de 17de eeuw - zijn het ongetwijfeld vaste
beurtdiensten op een bepaald niet al te lang traject. Voor zoover be-
kend voeren onze Roermondsche marktschepen niet verder dan Mook
en Maastricht. Deze vaste beurtdiensten dienden hoofdzaklijk voor het
vervoer van personen, correspondentie en kleinere quanta goederen,
die in bonte hoeveelheid de bergruimte vulden. Begrijpelijk in dit ver-
band is de vervanging van tolplichtigheid - een heelen last met zoo'n
verschillende lading - door een jaarlijks te betalen vaste som, zooals
we dat aantreffen bij het eerste ons bekende marktschip van Roermond
van voor 1557 reeds. Het voer op Mook en kon de tollen van den hertog
van Gulick voorbijvaren tegen een constant jaarbedrag. Wel bleef het
Roermondsche marktschip onderworpen aan den Venloschen stapel op
den rechteroever der Maas, zooals we dat ontmoeten in 1574, 1679 en
1788. Ter beveiliging in woelige tijden werden er soms soldaten op ge-

298
dient kort nader toegelicht het belang der stad als middelpunt van het
omliggende platteland. Het gold als verstandige politiek den handel en
nijverheid zooveel mogelijk te concentreeren in de stad, 't geen door
den vorst meestal bevorderd werd, omdat hij de steden noodig had.
Hier dienen we terug te komen op het stapelrecht. Boven werd reeds
vermeld het voorrecht van 1372, waardoor de stad recht had op het
aanleggen van alle langskomende schepen. Toch blijkt dat Roermond
voor zich opeischte ook dat andere soort stapelrecht, zooals Venlo dat
ontving in 1343. Geschillen hierover uit de 16de en 18de eeuw bewijzen
dit, al krijgen we den indruk, dat de rechtsgronden van Roermond bui-
tengewoon zwak zijn.
In 1571 gaat er een klacht van Roermond naar den Kanselier en Raden
van den Koning in Gelderland, waarin gewezen wordt op de groote
concurrentie die Linne Roermond aandeed, mede door de schuld van
Vlodrop. Linne had aan de Maas een opslag, vooral van kolen, kalk,
mergel, mergelsteenen en leien. Vlodrop had inplaats van de eerst be-
staande brug voor het vee een „geweldighe“ brug over de Roer laten
slaan, waardoor de kooplieden van den rechteroever der Roer met hun
zware wagens hun weg konden nemen naar plaatsen als Linne, en ver-
der Maaseyck, Stockum en de Brabantsche steden. Vroeger moesten
deze kooplieden naar Roermond, waardoor daar de nering groot was.
Het request vraagt dan ook opheffing van den opslag te Linne, en af-
breken van de brug te Vlodrop.
Vlodrop verdedigt zich kalm; wijst er op, dat die brug hem was toege-
staan reeds bij previlegie van 1377; dat het verkeer daarover vroeger
toen het veer bij Panheel nog bestond, veel grooter was; dat de karren
der inwoners zeker even zwaar zijn als die der passeerende kooplieden.
De verdediging van Linne is van een schitterende ironie. Zij schrijven
in dezen trant: die van Roermond noemen dat klein beetje lossen en
laden hier aan de Maas een stapel: zij „baptiseren“ dat „eynen stappel“;
dat bestaat hier al wel 60 jaar, en wie hier komt koopen heeft heusch
geen voordeel, want wij meten met dezelfde maten als de Roermonde-
naars, en het weggeld is hier bovendien nog hooger. Laat die van de
stad zorgen dat ze de kooplui trekken door goede handelsaccommo-
datie! Als van dat enkele schip mergel of kolen de welvaart van de
stad moet afhangen! Roermond schijnt het plan te hebben ons en het
heele ambt Montfort aan deze zijde der Roer met een deel van Guli-
kerland om Waldfeucht en Heinsberg tot economische slaven te ma-
ken! Het bieraccijns in dat heele ambt hebben ze al! En wat die klacht
van Roermond betreft over het verhuizen van zijn kooplieden hier-
heen: och, ja; er is een arme vleeschhouwer, die nu biertapper is. hier
komen wonen; als daarvan de welvaart der stad mocht afhangen, dan
kunnen ze hem terugkrijgen, en we betalen hem ook nog een jaar of
drie de huishuur!
Het geschil bleef hangende, want in 1573 herhaalt Roermond de klacht,
nu ook tegen Asselt. En nu beveelt de stadhouder, dat de magistraat de
rechtsgronden van het stapelrecht duidelijk zal uiteenzetten! Het schijnt
niet gebeurd te zijn! Want pas in 1579 verkrijgt Roermond de opheffing

300
soorten van lakens op de zes jaarmarkten mogen brengen en ver-
koopen, juist omdat te Roermond niet genoeg laken voor de burgers
gemaakt werd. En dat terwijl tot dan geen vreemde lakenkooplui moch-
ten verschijnen. In dezen lakennood past ook een invoerconsent van
1615 voor 40 stukken Engelsch laken dat de stad binnen komen mag,
maar dan langs de Maas en door de Kraanpoort. Zeker ter contrôle.
De kwijnende industrie is niet meer herleefd; zeker niet meer na het
slot van den Spaanschen Successieoorlog (1714). Toen immers werd het
heele Overkwartier verbrokkeld, waardoor Roermond economisch
leed, vanwege de talrijke in- en uitvoerrechten.
Wel zijn er in de 18de eeuw door kanunnik Bors krachtige pogingen
gedaan om met vrij ruimen stadssteun de lakenindustrie te doen her-
leven, en zulks ten bate der arbeidende klasse. De fabriek floreerde
niet, ofschoon Bors op eigen risico 6000 pattacons voorschoot en men in
1741 en 1742 steungelden opnam, nog bóven de stedelijke subsidies.
En dát, terwijl er geen winst behoefde gemaakt te worden: alleen „even-
tueele" winsten kwamen aan het Hospitaal-Generaal. Met nog zwaar-
dere inbreuk op gildeprevilegiën ging de fabriek in 1750 over in parti-
culier beheer, blijkbaar met niet veel succes, ondanks den nog voort-
durenden steun der vrij leege stedelijke kas.
Een niet minder glorieus product der Roermondenaars was het bier.
Reeds in de 13de eeuw was er te Roermond een gruittol: immers de
Bosschenaars kregen in 't jaar 1277 daar vrijstelling van. En tegen het
midden der 14de eeuw had zich in Roermond, in aansluiting aan den
levendigen bierhandel, een groot aantal bierbrouwerijen gevestigd. Het
recht om gruit - giststof voor bier - te maken, kwam toe aan den
landsheer, en de bierbrouwers waren verplicht hun gruit op het lands-
heerlijke gruithuis te halen. Langzamerhand echter kwam de hop meer
en meer als giststof in gebruik, waardoor de inkomsten van het gruit-
huis daalden. Daarom gaf Reinout III in 1359 aan zijn gruithuispachter
Robijn van der Gruythuysen het recht om van elk vat bier, dat met hop
was gebrouwen, zooveel te nemen als de schepenen en raden der stad
redelijk keurden.
In de 15de eeuw zal het bierbrouwen zeer sterk geconcentreerd wor-
den in de stad. Wegens betoonde trouw kreeg zij in 1472 van den vrij-
gekomen hertog Arnold een zeer belangrijk previlegie, volgens hetwelk
in 't heele ambt Montfort - behalve in de steden Nieuwstadt en Echt -
geen bier meer gebrouwen mocht worden, en geen bier meer vertapt
dan dat in Roermond was gebrouwen. Ter handhaving mocht de Schout
desnoods geweld gebruiken!
In 1492 werd dit voorrecht door Karel bevestigd en het bleef in dien
omvang tot 1714 bestaan: het noodlottige jaar boven vermeld, bij de
lakenindustrie. In geringer uitgebreidheid leeft't echter in de 18de eeuw
nog voort. Wel trad er in 1553 een zekere verzachting in bij een accoord,
getroffen door de Stad met enkele plaatsen in het ambt Montfort.
Voor de stad, die accijns hief op het bier, was deze industrie een
mooie bron van inkomsten. Dat het biergebruik populair was blijkt uit
een maatregel, waarbij bepaald werd dat bij vergissingen begaan bij het

302
een convooi soldaten aan de Kapel plaatsen (8 uur v.m.) om de Gulik-
sche onderdanen heen en terug te begeleiden.
De geschiedenis der jaar- en weekmarkten is niet zonder meer duidelijk.
In het jaar 1372 zijn er reeds 3 jaarmarkten, want het aantal wordt dan
van 3 op 4 gebracht en wel op een zoo royale wijze als nooit meer
voorkwam. Willem van Gulik en hertogin Maria geven dan aan de stad
4 vrije jaarmarkten; de data ter keuze van de stad, met acht dagen
vrijgeleide voor en na. Het blijkt dat reeds in de Middeleeuwen de jaar-
markt op Sint-Nicolaasdag bestond: veel is er te doen geweest in den
loop der tijden over de plaatsing, zulks in verband met de zeer plech-
tige kerkelijke viering van dien dag. Daarom immers wordt in 1461
die jaarmarkt verplaatst naar St. Barbaradag: 4 December (met slechts
één dag vrijgeleide voor en na). Men had echter geen rekening ge-
houden met der boeren ingeroeste gewoonte om traditiegetrouw op
St. Nicolaasdag naar de stad te trekken: ze bléven komen, in de ver-
keerde meening dat die dag en de dag er na vrij gebleven waren;
daardoor raakten ze echter herhaaldelijk in ongelegenheid. Hertog
Karel (1494) schikte tengunste van de stad, - die „het gemeyne volk van
buten Ruremunde" graag komen zag - de zaak zoo, dat naast de vrij-
heid op de drie dagen op en om St. Barbara, ook St. Nicolaasdag en
de daarop volgende geprevilegieerd zouden zijn.
Eenigen tijd na de vestiging der Habsburgsche macht in deze streken,
zien we plots, dat Philips II opnieuw drie jaarmarkten verleent (1562).
Of we hier te doen hebben met een bevestiging van het dan nog be-
staande, of met een radicaal nieuw previlegie, is niet zeker. Wellicht
het eerste. Ofschoon hier wel uitdrukkelijk als koopwaar paarden ge-
noemd worden, hebben we hier toch niet te doen met paardenmarkten
alleen, maar met de gewone jaarmarkten, want er is sprake van paarden
en „koementschappen“. Ook hier weer werd een driedaagsch vrijgeleide
voor en na verleend. Deze jaarmarkten vielen op Woensdag voor Half-
vasten, 12 Juni en 7 November. Later in 1589 geeft Philips II er nog
twee nieuwe vrije jaarmarkten bij: op 25 Januari en 20 Juli. Nu blijkt
er in 1596 nóg een jaarmarkt te zijn en wel op Dinsdag en Woensdag
na Pinksteren. Deze wordt n.l. in dat jaar verplaatst naar de week
daarop: op Maandag, Dinsdag en Woensdag na Drievuldigheids-Zon-
dag. Op dezen Zondag viel dan de kermis. In 1597 valt die van Woens-
dag voor Halfvasten reeds op Maandag in die week. Zoo zien we Roer-
mond geleidelijk in 't bezit gekomen van zes jaarmarkten, een aantal
dat in 1607 ook werkelijk blijkt te bestaan, al vallen ze dan op andere
dagen. De reden waarom verschillende jaarmarkten in 1607 blijken
verschoven te zijn, ligt voor de hand. Bij een eenigszins nader bezien
blijkt de verdeeling dier jaarmarkten over het heele jaar vrij onregel-
matig. Vooral die van 12 Juni en van de dagen na Drievuldigheids-
Zondag lagen te dicht op elkaar. De toestand van 1607 is dan ook veel
rationeeler: 25 Januari, Maandag voor Halfvasten, Maandag na Drie-
vuldigheids-Zondag, 4 Juli, 1 October en 6 December. Met de jaarmarkt
van 6 December viel samen - tenminste later - een groote varkens-
markt: in 1711 wordt die n.l. gehouden op Maandag en Woensdag en

304
paardenmarkt. Wie ze heimelijk of openbaar elders heen brengt of
elders verkoopt, is strafbaar. Wel hoefde men van koop en verkoop de
stedelijke „accijzen” niet te betalen, terwijl de vreemdelingen van Don-
derdagnamiddag tot Zaterdagmorgen niet arrestabel waren, tenzij voor
schulden op de markt zelf gemaakt.
Het blijkt dat op Marktdagen de stad soms volliep met „savoyaerts,
verkoopers van kant, lint, doeck", die langs de straat of in particuliere
huizen verkochten. Eind 17de eeuw (1699), loopt 't zoo druk van zulke
lui, ook buiten de marktdagen, dat op verzoek van winkeliers, leden
van het cremerambt, een verbod komt om alsnog in de stad te ver-
koopen, tenzij aan de winkeliers van het cremerambt zelf! Hulp aan den
Middenstand! Alleen op de jaarmarkten en kermissen mochten ze hun
waren verkoopen aan de dan aanwezige vréémden!
Hiermede ligt voor ons een globaal overzicht van Roermonds handel
tot het einde der achttiende eeuw. Het getuigt van de voortvarend-
heid en vaak zuiver economisch inzicht der magistraten en bewoners;
van perioden van bloei en achteruitgang. Men spiegele zich aan het
goede tot bloei der geliefde stad.































306
typisch wapen aannamen was in Gelre, Kleef, Brabant en Holland
destijds verre van inheemsch en kwam zoo goed als niet voor.
De speer- of pijlpunt, die in uitbeelding de lelie nabootst of omgekeerd,
werd in deze landen veelvuldig gebruikt. Al wordt nu later deze „gleve“
in de heraldiek met de heraldische lelie vrij algemeen aangeduid en
vereenzelvigd, het is daarom nog niet de „fransche” lelie en van „gal-
lischen" oorsprong, gelijk verschillende genealogen dit willen doen
voorkomen. Erger wordt het nu verder, wanneer men dan op grond
van deze zoogenaamde „fransche” lys voor de origine dezer geslachten
den franschen kant uitwil en deze van hunnen oudgelderschen oor-
sprong wil losmaken. Iets anders is of wellicht niet op grond van het-
zelfde wapenembleem, zij het dan in verschillende heraldische kleuren
en op andere velden voorgesteld, de geslachten, die het voerden, tot
een stam, een „sippe“, zijn terug te brengen. Verder voert thans nog
als merkwaardigheid de stad Straelen in haar wapen een pijl, terwijl
de eerste voogden, waartoe ook onze Theodorich heeft behoord, tot het
oudriddermatig geslacht van dien naam schijnen behoord te hebben.
In het Roermondsche wapen wordt deze „gleve“ nu van keel aange-
geven in een veld van zilver, hetzelfde wapen dat het thans uitgestor-
ven geslacht van Asselt eertijds voerde en dat te Swalmen gebloeid
heeft. De leeuw is, gelijk wij zagen, de geldersche leeuw. Maar Gelre
heeft niet altijd den leeuw gevoerd, het voerde oudtijds in een veld van
goud 3 mispelbloemen (2 en 1) van keel. Dit laatste wapenembleem,
oudtijds ook wel de „geldersche roos” genoemd, heeft ook zijn mythe
gehad, evenals de geldersche dynastie haar oorsprong verloor in de ver-
beelding der vroegere genealogen, die in het dooden van een fantas-
tischen draak éclat aan het dynastengeslacht hebben willen geven. De
stervende draak, gedood door het zwaard van een gravenzoon, zou,
„Gelre“ rochelend, onder een mispelbloem gestorven zijn, terwijl de
bloesems van den boom neervielen in het drakenbloed, wat dan het
keel is geworden van deze mispelbloemen. Deze mispelbloemen, die
men als geldersch wapen thans nog aantreft op het mooie grafmonu-
ment van Gerhard en Margaretha in de Munsterkerk te Roermond,
hebben de geldersche dynasten vrij spoedig verlaten om, toen zij in
macht en aanzien waren toegenomen, den nietinheemschen leeuw aan
te nemen. De kruistochten brachten hen namelijk als machtige ridders
naar het heilige land, waar zij op vaandels en schilden der Saracenen
den leeuw, het zinnebeeld, ook thans nog, van kracht en moed, zagen
uitgebeeld om de vijanden te imponeeren. Men neemt nu aan, dat ver-
schillende vorstengeslachten van die dagen daarom dit wapenembleem
aannamen en er destijds een zoogenaamd „Leeuwenverbond“ ontstond,
kenbaar aan de aangenomen wapens, waarin de leeuw figureert. In
ieder geval is het een feit, dat de meeste vorstengeslachten van dien
tijd, die meer speciaal in den noordelijken westhoek van Europa woon-
den, een leeuw in hun schild gingen voeren. Men kreeg den holland-
schen, brabantschen, limburgschen, luxemburgschen, zeeuwschen,
gulikschen, gelderschen en nassauschen leeuw met den leeuw van
Vlaanderen, dien Henri Conscience vereeuwigd heeft, om te zwijgen

308
Wij zagen tevoren, dat de heraldische leeuw zijn ontstaan dankt aan de
kruistochten. Maar het waren geen kruipende, liggende, loopende of
slapende leeuwen, die uitgebeeld werden, een aanvallende, klauwende
leeuw was het schildinsigne, dat de kracht en moed van den ridder
moest weergeven. Bij hooge uitzondering liet men het beeld van den
klimmenden of vechtenden leeuw los en men kan welhaast zeker zeg-
gen, dat iedere andere stand van den wapenleeuw, zooals wij dien
tegenwoordig in verschillende wapens nog aantreffen, te wijten is aan
misstellingen van wapenkoningen, die veel later de geslachtswapens
ontwierpen of gegeven wapens accepteerden en de zinnebeeldige voor-
stelling van den schrik der woestijn op zachtzinniger wijze weergaven.
Wat natuurlijk weer niet wil zeggen, dat andere dan klimmende leeu-
wen foutieve heraldische figuren behoeven te zijn, en dat schilden, waar
zelfs meerdere leeuwen in voorkomen met de heraldiek in strijd zijn.
Want de heraldiek als wetenschap kreeg eerst haar bloeitijd, toen de
geslachtswapens het décor der vorsten en ridders werden op de groote
tournooien en steekspelen, die in de middeleeuwen de groote natio-
nale feesten werden der souvereinen en waarop de jonge edelman zijn
moed en kracht kon toonen. Zoo is ook de loopende leeuw in het
Roermondsche wapen een gewrongen voorstelling van dien ouden
heraldischen leeuw en kan men wellicht hiervoor eene verklaring vin-
den in de omstandigheid, dat de ontwerper van een later stedelijk
wapen, toen hij in het schild nog de heraldische lelie of „gleve” moest
aanbrengen, ruimte te kort schoot om een klauwenden leeuw uit te
beelden. Mogelijk is ook, dat de latere graveur of ontwerper zonder
vast in de heraldiek te zijn, op aesthetische gronden, waarvoor iets te
zeggen is, den loopenden leeuw uitbeeldde. Zelfs is er een Roermondsch
wapen gedrukt, waarvoor de ondeskundige graveur het spiegelbeeld
van het bestaande wapen als cliché maakte, zoodat alle figuren foutief
in omgekeerde richting zijn weergegeven en dat o.m. in 1667 als officieel
cachet heeft dienst gedaan.
Vast staat evenwel, dat het stadszegel, waarover wij in den beginne
spraken en dat van 1336 dateert, in het schildhoofd voerde den dubbel-
staartigen klauwenden en rechtopstaanden leeuw en deze derhalve
later op andere wijze is uitgebeeld geworden.
Waarom heeft de stad Roermond zoo vrij snel het schepenzegel van
1278 laten varen en een ander officieel cachet aangenomen? Wij moe-
ten in deze daad een soort van grootere onafhankelijkheidsgeest
terugzien, die de stedelijke magistraat van toen wilde uitdrukken. Toen
de stadsschepenbank in 1278 zegelde waren het nog de door den graaf
benoemde, aangestelde schepenen, die voor hem optraden en direct
van hem afhankelijk waren. Maar in 1336 was dit anders geworden.
De schepenen en het verdere stadsbestuur van toen werden niet meer
door den graaf gecreëerd maar door de burgers gekozen en vormden
met den grafelijken ambtenaar den schout, die als „richter“ in crimi-
neele en burgerlijke zaken de vonnissen der schepenbanken moest
executeeren, een administratief geheel in een deels onafhankelijke split-
sing. De burgerij der stad was toen reeds aangevangen een min of meer

310
wende leeuw met gespleten of dubbelen staart en gekroond. Het.om-
schrift luidt: „Sigillum majus Burgensium de Ruremunde“. Het zegel is
rond met een middellijn van 7.7 c.M. Hieraan is evenwel aan de keer-
zijde een zoogenaamd contrazegel aangebracht met dezelfde voorstel-
ling maar veel kleiner, evenwel met een zittenden éénstaartigen leeuw.
Het is een los voorhanden zegel, zonder dat men weet aan welk docu-
ment het gehangen heeft.
3. Een zegelafdruk van 1419. Het schild is doorsneden, boven een
uitkomende leeuw met dubbelen staart, onder de lelie, met omschrift:
„S. Secretum Burgensiu' de Ruremu'de" met een middellijn van 4,4 c.M.
4. Een zegelafdruk van 1564. In een trifolium boven een klimmende
éénstaartige leeuw, beneden een lelie; omschrift :„Sigill(um) Ruremun-
densis", met een middellijn van 2,9 c.M.
5. Een dito van 1593 en idem van voorstelling maar met omschrift
„Sigillum Civitatis Ruremend(en)sis", middellijn 2,9 c.M.
. Een zegel van 1654, idem als voren maar zonder omschrift.
7. Een zegel van 1665, met voorstelling als voren maar met in trifo-
lium het omschrift „Sigillum Civitatis Ruraemundensis ad Caus.” Mid-
dellijn 4 c.M.
8. Een zegel uit de 18de eeuw, voorstellende een doorsneden schild,
boven een leeuw, beneden een lelie met omschrift „Sigillum Civitatis
Ruraemundensis." Middellijn 2,8 c.M.
Uit deze zegels ziet men nu, dat tot in de 15de eeuw in het randschrift
stond: Zegel der „burgers“ van Roermond, en dat eerst in de 16de eeuw
daarvoor in de plaats kwam „Civitatis“ van de „stad” Roermond. In
wezen was de beteekenis gelijk, maar er zit een aardig conservatisme
in om het oude zoo maar niet zoo snel overboord te gooien.
Voor gewichtige documenten gebruikte men het groot zegel, aan het
document gehecht, eerst met zijden koordjes, later met reepjes perka-
ment in de was gelegd en waarover het zegel werd ingeprent. Het
contrazegel aan de keerzijde was een veiligheidsmaatregel om alles in-
tact bijeen te kunnen houden en als echt te kunnen herkennen en bijna
uitsluitend door vorsten en steden gebruikt.
Gelijk het Roermondsche wapen thans wordt afgebeeld in de heraldi-
sche kleuren moet het nu als volgt omschreven worden.
Fransch wapenschild, horizontaal in 2 gelijke deelen gedeeld.
Boven: in een veld van azuur een naar rechts (heraldisch) gaande één-
staartige gouden leeuw met opgeheven voorklauwen, alle pooten zicht-
baar geklauwd en met een ver uitkomende tong van keel.
Beneden: in zilver een heraldische lelie van keel.
Boven het schild bevindt zich een open helm, waarboven een wrong(5)
van zilver en keel, die het helmkleed, dat zich in lofwerk (loofwerk)
oplost, vasthoudt. Het helmkleed wordt aangegeven in zilver (buiten)
en azuur (binnen). Op den wrong bevindt zich als kleinood of sieraad,
het helmteeken, zijnde een waaier van witte paauwenoogen (pauwen-
staart), waarop zich het wapenschild in het klein herhaalt.
De paauwenstaart stamt ook van Gelre, evenals de leeuw.
Afgezien nu, dat het heraldisch vreemd aandoet, om gemeenschappen

312
DE STEDELIJKE MUNT
door
JHR. E. VAN NISPEN TOT SEVENAER

I
N het Maasdal is reeds in de vroege middeleeuwen
munt geslagen. Ik herinner hierbij aan de gouden
muntjes, welke al in den tijd der Merovingen te
Maastricht zijn geslagen, terwijl later, doch nog
vóór het midden der XVe eeuw in de navolgende
plaatsen door de Heeren dier heerlijkheden het recht van munt werd
uitgeoefend: Born, Bunde, (Ob)Bicht, Elsloo, Hoorne (Weert en Wes-
sem), Kessenich, Stein. Men dient echter onderscheid te maken tus-
schen een stedelijke Munt en die van aanzienlijke Heeren, wier recht
meestal teruggaat tot een ver verleden; bijgevolg is ons in de meeste
dier gevallen onbekend door wien en op welk tijdstip het recht van
munt werd verleend. Anders is het gesteld met de stedelijke munt van
Roermond.
Haar geschiedenis kan niet hooger opgevoerd worden dan 24 Novem-
ber 1472.
Dat graaf Reinold in 1290 van den Keizer toestemming kreeg zijn Munt
naar verkiezen naar Roermond of Harderwijk te verplaatsen, doet
hier niet ter zake, omdat het niet de stedelijke Munt van Roermond
betreft; deze bijdrage gaat dus niet verder terug dan het jaar 1472 waar-
mede wij tevens historische zekerheid hebben. Hertog Arnoud heeft
voor zijn dood den Roermondenaars een dubbelen dienst willen bewij-
zen; hij zegt immers: omdat „onse lieve getruwe stat van Ruremonde
ons menigen truwen dienst gedaen, sich altijt bij onsen Vurvaideren
ind ons tot hiertoe, noch geloiffelicker ind trouwelicker dan anderen
gehalden ind bewesen, ind ons oich meer in onsen lasten ind noitsaeken
guetlick ain gueden gereiden gelden geleent heeft VIc rijnsche gul-
den ... " zoo schenkt hij de stad eenerzijds het privilegie van den alleen-
verkoop van Roermondsch bier binnen het geheele Ambt van Mont-
foort, anderzijds het recht zelf te voorzien in de behoefte aan klein-
geld. Er was toen minderwaardig kleingeld in omloop „dair bij den
armen lieden vele hynders kompt", weshalve de hertog de stad toestaat
„altyt wanneer hoin des genoegen ind guetduncken sall, kleynen gelt
. (te) doen munten van onser wegen, doch nyet swaerer noch hoger
dan tot eynen oirtken, off vierdel van eynen Coilschen witpennynck.
onder onsen off onsen nacomelingen name ind helmteyke toe doen
munten ind slaen .... ". De Hertog verwachtte hiervan voordeel voor
de stad, want hij wenscht, dat als „dair eynich profijt in der munte
affqueme, off komen muchte, dat sy dat keren sullen tot bouwen ind
nutheit huer moder kircken bennen derselver onss statt .... " De stad
mag van het gegeven recht genieten tot een jaar na de terugbetaling
der VIc gulden.
Het ligt voor de hand, dat de stad uitbreiding van het gekregen recht

314
stadt munte (nae t privilegium daervan seinde) weder in esse - d.i. in
wezen - toe stellen" en „wederom stucken van 11/2 st., Peertgens ge-
nant und stucken van einen stuver .... " aan te munten.
1593. Den 25 September wordt Mr. Dederich van Moerss tot waardijn
aangesteld en wij lezen in de toen uitgegane verordening, dat de waar-
dijn de qualiteit der geslagen munten moet onderzoeken; bij goedkeu-
ring moet hij „ein stuck offt penningh in ein billetgen (op welcken,
jair ende dach der probation und uitgave is angeschreven) ingewickelt
alsdat het niet daeruit vallen en maigh in einer daertoe verordenter
wael verwaerter und beslotener bussen insteecken .... " De bus is voor-
zien van twee sleutels, waarvan de eene ter „schrifcameren in der
stadtkisten", de andere bij schepenen berusten zal. Verder wordt be-
paald, dat de muntmeester onder eede zal staan, dat hij geen munt-
ijzers mag achterhouden, maar deze na gebruik weder aan den waar-
dijn moet inleveren, dat hij openlijk, noch in 't geheim eenig accoord
mag maken met de „smitmeisteren und muntgesellen“ enz. Muntmees-
ters werden toen Mr. Willem Struyss van Toer en Mr. Derick Boen;
al had men nu een waardijn en twee muntmeesters, men kon toch nog
niet beginnen: er ontbraken nog de benoodigde muntijzers en „alzoe
gegenwoirdich niemandt voirhanden der die muntijzere steecken solle",
wordt door den raad hierin voorzien door Meester Dierick voornoemd
op te dragen ze voor dit keer te maken „under sulcke titel en opschrift
als hem van ein Erss. Rath voirgebildt sal werden
Voor den wind ging het echter nog niet. Meester Diderich van Moers
heeft zijn functie slechts kort kunnen waarnemen; hij sterft den 2en
Februari 1594; den 10en daaraanvolgende dingt Asswerus Kox, Stoffer
Kox zoon, naar het ambt van waardijn, zeggende, dat hij voor tien
jaren het „Goltsmit ambt zu lehren angefangen” en dit zoo binnen de
stad als daarbuiten heeft uitgeoefend. Den 17en Februari wordt hij aan-
gesteld; zijn vader Christoffel en oom Veit Koch zijn zijn borgen; van
Meurs' weduwe, Hilleken Brewers vraagt den Raad terugbetaling van
door haar man gemaakte onkosten (11 Mei 1594).
Nu kan Roermonds Munt aan het werk .... Maar vergeten wij niet,
dat haar bevoegdheid niet verder gaat dan het voorzien in de behoefte
aan kleingeld, en zoo lezen wij in een stuk van den 24en April '95, dat
van wege den Magistraat werd geordineert „dat dieser stadt munte
gegenwoirdich in stilstandt soldt werden gestelt und verbliven bis thot
t gebreck van cleyne munte dessen voertganck weder soll ver-
eyschen ..
Intusschen werden de Roermondsche muntjes niet voor vol aangezien,
wat de Raad ertoe brengt zich te wenden tot het Hof van Gelderland
met het verzoek de erkenning ervan te gelasten.
1605. Den len September 1605 oordeelt de Raad, dat er weer behoefte
aan kleingeld bestaat en men is van gevoelen, dat er „112 st. stuivers,
halve stuivers, ortgens ende lupsen in roet coperen" geslagen dienen
te worden. Aan Walraven Daniels zal men instructie geven als waar-
dijn en men zal voorts „asseye nemen van de proefstucken der peert-
gens, stuyvers, halve stuyvers und ortgens anno (15)94 geslagen". Nau-

316
van Hollandt.
.. welchers slagh sall hebben aen d'een sijde 't waepen
vant gemeene landt, wesende twee climmende leuwen, ende aen de
andere zijde van de stadt Ruremonde .... ". Eerst den 4en November
1638 gewerd de stad een volledig octrooi. Tevoren hadden burgemees-
ter, schepenen en raad zich gewend tot de hooge finantieele colleges,
en onder verwijzing naar privilegies van 1612, '13 en '16 (waarbij was
toegestaan „stooters, halve, vierendeelen en daeronder" te munten)
hadden zij gevraagd om in zilver en koper te mogen munten naast reeds
genoemde ook „oortiens, duyten en dergelijke specien“ eraan toevoe-
gend, dat zij zich belast vinden met „overgroote nootsaeckelyke costen
tot onderhout van de moederkerke ende den inloop van de Maese te
versien met batten", terwijl het kleingeld weder schaarsch is en er
alleen aangetroffen wordt, dat geslagen is te „Luyck, Thour, Cleve,
Batenborch ende andere gebuerlijcke plaetsen, faillerende in gewichte
ende alloy". Het octrooi wordt verleend, maar onder bepaling van een
jaarlijksche verantwoording, waarvan de geldigheidsduur van het
octrooi afhankelijk wordt gesteld.
1639. Den 14en Januari '39 keuren „Cantzelaer ende raeden van syne
Co. Mat. des vorstendombs Gelre" goed, dat de stadt „sal moegen
slaen voor een proeve coopere oirtkens ende deuten in alles tot XXV
pondt coopers, van behoirlick gewicht met kenelicke indruckinghe van
de waepenen van Gelderlandt op de eene sijde, ende op d'ander van
den naem van zijne Mat met die Lre P boven alleen ende dese letteren
D. G. ende dese woirden DUX GELRIAE ende daeronder een schilgen
inhoudende die waepenen der stadt Ruremonde, soo ons een forme
daeraff is gethoont". Den 14en December worden de „patroonen van
stooter ende peertgens" ook door het Hof van Gelderland goedgekeurd.
Een aardig staaltje van de mentaliteit dier dagen onder de beoefenaars
van een ambacht, spreekt uit het rekwest (d.d. 1644, 13 Juni), dat Jan
Hennissen, Lenard Wolffs, Jan Cremers en Nelis Driessen, muntgezel-
len van het land van Thorn, richtten tot den Magistraat van Roermond.
Zij zeggen in hun schrijven, dat zij voorheen steeds aan de Munt ge-
bezigd werden, en verzoeken nu wederom aangesteld te worden. De
muntgezellen, die nu ter stadsmunt werkzaam zijn, zijn vreemden
„vuijten Lande van Luyck, van Hasselt, .... "; zij beklagen er zich over,
dat „die van Hasselt alhier tegenwoordich int werck voor een jaer ofte
twee ongefehr soo tot Dinant alsoock tot Luyck dese supplianten heb-
ben doen opstaen vuijt Haeren arbeijdt, daer zij nochtans vele maenden
terselver plaetsen int werck geweest waeren."
De Magistraat schijnt het gevoelen der Thornsche muntgezellen niet te
hebben gedeeld! Op hun verzoek werd immers in margine aangetee-
kend: „In dit versoeck en kan niet getreden worden, ende indien de sup-
plianten vermeynen eenich privilegie te hebben, soo sullen sij daervan
naerder doen blijcken."
1644. Vijf jaren later treffen wij dan ook als muntgezellen aan: B. van
Elserack, meester Ernest van Laurete, mr. Benestus en Melchior.
De Roermondsche munters schijnen in dit jaar vol goeden moed en
groote verwachtingen geweest te zijn, want de Raad besloot den 22en

318
ce que les suppliants requièrent ne se peut accorder ..
De stad moest
er wel in berusten, totdat zich de gelegenheid voordeed den „hr. Lt
ende Ritzburgemeester G. F. Bossman ter occasie van zijn tegenwoor-
digh deputaet naer Brussel" op te dragen de zaak nog eens bij zijne
keurvorstelijke Hoogheid aanhangig te maken, waartoe de Raad be-
sloot 12-XI-1696. Het schijnt weer niets gegeven te hebben, want den
10-VIII-'99 wordt burgemeester Knop 200 ducaton toegezegd, „bijaldien
hij kan effectueeren, dat de stadt den deutenslagh wederom krijget".
Tenslotte schijnt de raad van van der Sterren te zijn opgevolgd; een
request is tot Madrid doorgedrongen; het wordt met brieven van den
6en September 1700 om advies doorgestuurd, het advies luidt gun-
stig ..... , maar eer de Koning een einde kon maken aan deze lang
hangende kwestie, hebben de Hoog Mogende Staten der Vereenigde
Nederlanden de souvereiniteit erlangd.
Daar nu de Staten in 1633 toestemming hadden verleend om voor 6000
Mark duiten te mogen slaan, had men er in Roermond goede hoop op
een verzoekschrift gunstig beoordeeld te zien. Dit zou echter niet mee-
vallen, want een rekwest van 1702 werd op advies der „gesamentlijke
Raaden en mrs. Generaal van de Munte der Vereenighde Nederlanden"
van de hand gewezen. Toen nu Burgemeester, Schepenen en Raad
andermaal rekwesteerden, meenden zij vooral naar voren te moeten
brengen, dat de stad, „selfs ten tijde soo wanneer als de voorschreven
stadt was onder de gehoorsaamheyt van desen Staet", in het jaar 1633
bij resolutie van den l1en Maart en den 4en April toestemming had
gekregen om door haar muntmeester te laten munten „ses duijsent
marck duyten, waervan yder marck ten minste soude moeten geven
hondert en sestien duyten ....."
De resolutiën van 1633 waren intusschen niet meer van kracht, want
het Advies der Raden en Generaalmeesters der Munte vermeldt, dat
in Holland in het jaar 1702 de voet der duiten is teruggebracht van
116 stukken tot 68 in 't Marck, wat in 1703 door Gelderland werd over-
genomen.
Alleen met verlies zou dus de stad van het door haar begeerd recht
gebruik kunnen maken. Het voorstel luidt dan ook, dat het verzoek
moet worden „gedeclineerd gelijk in December 1702 .... is gedaen en
de remonstranten gerecommandeert ...
(zich) .... te gedragen na het
exempel van de andere generalitijts quartieren, dewelcke hun behulp
vinden in de provinciale duyten." (28 Augustus 1704).
Dit is m.i. het doodvonnis der Roermondsche stedelijke Munt; nadien
zijn geen „eigen munten” meer te dezer stede geslagen.

Dit artikel is samengesteld uit gegevens, welke door den Archivaris
J. B. Sivré in het laatst der vorige eeuw uit het stadsarchief zijn ver-
zameld.



320
den en het aanzienlijk ampt der cremers en schippers St. Nicolaas als
patroon vierde. De schippersgezellen genoten dan het voorrecht de
groote klok te mogen luiden.
Het rijke ampt had in de „Hoochkerk” zijn eigen St. Nicolaaskoor.
Gebrandschilderde vensters, waarvan nog enkele fragmenten ten stad-
huize worden bewaard, vertoonden er tafereelen uit het leven van den
grooten volksheilige.
In de Gulden Mis, die 's morgens vroeg op Quatertemper-Woensdag
van den Advent wordt gelezen, bestond vroeger het gebruik dat de
Boodschap des Engels aanschouwelijk werd voorgesteld, waarbij zelfs
de nederdaling van den H. Geest werd gesymboliseerd. Zooiets be-
stond ook te Roermond. De Donderdagsche Protocollen verhalen ons,
dat op 19 December 1619 aan den choraal Christiaen Tymmermans
voor zijn moeite gedaan onder de Gulden Misse, voorstellend den
Engel Gabriel, „een pond groot” werd gegeven.
Kerstmis onderscheidde zich niet door bijzondere gebruiken; overdag
is het nog wel gewoonte de verschillende kerken der stad te bezoeken.
Op St. Thomasdag waren de kinderen baas en moesten de ouders bui-
tenstaan, tot zij tegen een klein geschenk weer werden binnen gelaten.
Hetzelfde geschiedde soms op Onnoozelekinderendag. Het gebruik be-
staat nog slechts in enkele gezinnen en in sommige kloosters, waar op
Onnoozelekinderendag aan den jongste in jaren eenige macht wordt
toegekend.
Hier is een combinatie merkbaar van beide feesten met herinnering
aan het buitenblijven van St. Thomas bij de tweede verschijning van
Christus na Zijn verrijzenis, en aan den marteldood der allerjongste
martelaren in de H. Kerk.
Op Nieuwjaarsdag kende men vroeger hier het gebruik van „voejagen“.
Eigenlijk was het een verkapte bedelarij of najagen van fooien of zoo-
genaamd „voebier“. Ook op andere feestdagen en op den vastenavond
hoorde men van „voejagen".
Het gebruik ontaardde in misbruik en werd meermalen met kracht
door de stadsregeering bestreden.
Op Driekoningendag of „Dertiendag” zooals hij vroeger heette, wordt
in vele gezinnen nog een koek gebakken, waarin een boon verborgen
zit. Die mee aanzit en bij het verdeelen de boon krijgt is koning, en
moet tracteeren, of krijgt, als bij pand verbeuren, een taak aangewezen
waarvan hij zich, al of niet met tegenzin, moet kwijten.
Ruim een week later, op 17 Januari, heeft St. Antonius-Abt zijn ker-
kelijken feestdag. De heilige wordt voorgesteld met een varken aan
zijn voeten. Daarom ook wel kregen de varkens, die in de Middel-
eeuwen vrij in de straten rondliepen, den naam van St. Teunisvarkens.
In Roermond werd het losloopen van varkens nog op 19 September
1613 verboden. En het herinnert ons ook aan het gemeenschappelijk
koeweiden, dat nog in Limburgsche gemeenten bestaat en vroeger ook
te Roermond in gebruik was. Eens per jaar werden de koeien der ver-
schillende eigenaars op de hoorns gebrand en soms werd naar aanlei-

322
het is te begrijpen, dat aan het einde der vroeger strenge veertig-
daagsche Vasten, dat gilde de aandacht vroeg. In de Hollandsche ste-
den werd daartoe de versierde Paaschos rondgeleid. En ook hier is het
nog niet zoo lang geleden, dat de slager met zijn schoonste koebeest
bij de klanten aan de deur kwam.
Een vrome Roermondsche gewoonte is de nachtwake in de Munster-
kerk bij het H. Graf ter vereering van het H. Sacrament. Ze heeft
wellicht haar ontstaan te danken aan het zingen van de Donkere Met-
ten, dat in de Liturgie van die dagen is voorgeschreven.
De droefheid van den Goeden Vrijdag, die het orgel doet zwijgen en
geen schellen laat klinken, bracht vroeger de jeugd naar buiten, en
met ratel en klep door de stad gaande, onderhield zij de treurige stem-
ming, die bij den dag paste.
Op de Paaschdagen ging men vroeger eierenkippen op de Markt.
Ouden van dagen herinneren zich nog van hun ouders te hebben ge-
hoord, dat men op Paaschdag van het jaar 1822 eieren kipte op de
dichtgevroren Maas. In kraampjes op de Markt opgesteld, kocht men
de eieren. Men kipte op verschillende manieren, „spits", „aars” en
„loddering“.
Roermond behoort met de meeste Limburgsche plaatsen nog tot de
bevoorrechte steden, waar processies als openbare godsdienstoefenin-
gen zijn toegelaten. Men kent hier nog de processies op de Kruis-
dagen en St. Marcusdag, op Drievuldigheidszondag en den Zondag
daaropvolgend.
Gewoonlijk trekt katholiek Roermond op den eersten Zondag der
Meimaand in processie naar O. L. Vrouw in 't Zand.
De processie van Drievuldigheidszondag kreeg in de stadsgeschiede-
nis een treurige vermaardheid, doordat in 1665, vermoedelijk door het
lossen van kamerschoten bij het trekken der processie op het Zwart-
broek brand ontstond, die bijna de gansche stad in asch legde.
Een vrome legende verhaalt, hoe het vuur stuitte op de plaats, waar
zich thans op den hoek van Pelserstraat en Minderbroedersstraat nog
een Mariabeeld bevindt.
Tegen het misbruiken der processies tot wereldsch vertoon zijn de
bisschoppen meermalen met klem opgetreden.
Wellicht dat deze misbruiken zijn ontstaan uit de vroegere gewoonten,
om tijdens den ommegang op bepaalde plaatsen een kort mysterie-
spel of sproke op te voeren, waarbij de spelers in den stoet volgden.
Het is bekend, dat in de 16e eeuw tijdens den ommegang een sproke
werd opgevoerd, getiteld „de Echtverbintenis van Maria.'
In later tijd werd ook het reuzenbeeld van St. Christoffel, den stads-
patroon, en Cuckephas, den eremiet met de lantaarn, in den om-
megang meegevoerd, wat ook weer aanleiding gaf tot profanatie en
daarom door den bisschop werd verboden.
Dat Roermond een Mariastad is, getuigen de vele straatkapelletjes,
bijna alle aan de Moeder Gods toegewijd. De putbewoners zorgen
voor het onderhoud en het ontsteken der lampen, en bij processies
worden ze op het schoonst gesierd.

324
bidt men een rozenhoedje voor het miraculeus beeldje, waarna de
terugtocht wordt aanvaard.
Ook is nog wel gewoonte, dat nà het overlijden acht jongedochters
wederom naar de kapel trekken, maar dan met de intentie om voor den
overledene te bidden.
Van hechte traditie getuigt ook de viering der jubilé's aan de Kapel.
Men leest in de Kronieken van jubilé's in 1785, 1835 en 1885, en hoe
geheel Roermond deelnam aan die grootsch opgezette Mariafeesten.
Tusschen 15 Augustus en 8 September valt ook de eerste Dinsdag in
September. Dan was er jaarmarkt in Merum en velen uit den omtrek
kwamen daar samen. Dat gaf ook in Roermond veel drukte door de
vele passeerende vreemdelingen.
De bakkers zorgden hier voor mondkost en dan werden de bij velen
nog bekende broodjes of „spinweggen“ gebakken. De bakkers begon-
nen al vroeg in den nacht en soms was er als 't ware wedstrijd, wie
z'n brood het eerst gaar zou hebben. Was het zoover, dan bliezen de
bakkers op den hoorn en er werd door de ramen geroepen: „spinwegge
zeen gaar". Soms werd zoo hard geroepen en zoo lang geblazen, dat
het door de politie verboden werd.
Dien dag - „Merummer mert” - hield ook te Roermond „den unjer“
op. Dat was een middagdutje, dat aan de werkende menschen in het
heetst van den zomer was toegestaan. Kleermakers en naaisters, die in
lamp werken.
loondienst werkten, gingen dan 's avonds voor 't eerst weer bij de
Met St. Remigius of Sintermijs, op 1 October, werden de dienstboden
ingehuurd en verviel de pacht. Ook kende men het gebruik om de pacht
te betalen op St. Bavo of St. Bamis, eveneens op 1 October.
Daags na Allerheiligen viert men Allerzielendag. Dan bestaat nog het
gebruik om naar het kerkhof te gaan, de graven te sieren, er kaarslicht
bij te branden en voor de afgestorvenen te bidden.
St. Maarten, 11 November, sluit ongeveer het kerkelijk jaar. Evenals
op andere plaatsen kende men hier vroeger de gewoonte van St. Mar-
tensvuren te stoken. We lezen in de Donderdagsche Protocollen, dat
het stoken van St. Martensvuren meermalen werd verboden binnen de
stadsmuren, vooral met het oog op het brandgevaar voor de houten
huizen en de rieten daken.
Op de putten leven nog verschillende gebruiken voort, die wij beknopt
zullen schetsen.
Bij het aangeven van een jonggeborene voor den Burgerlijken Stand,
verleenen gewoonlijk de mannelijke buren assistentie; soms na afloop
bezegeld met het drinken van een glas bier in een naburige herberg.
Een op handen zijnde gouden bruiloft brengt meer drukte mee. Onder
leiding van de putmeesters wordt dagen lang gewerkt aan de versie-
ringen, die op den put en aan het huis der jubilarissen worden aan-
gebracht. Alles werkt mee om het feest te doen slagen. Gewoonlijk
plaatst men een tijdelijke beplanting van kleine dennen, gesierd met
papieren rozen en verbonden met guirlandes in kleuren. Aan het begin
en het einde van den put, soms ook voor de woning van het feestpaar,

326
Hier vermelden wij nog het ophalen van „het kerckebroot”. De putbe-
woners waren vroeger verplicht in het levensonderhoud van den koster
bij te dragen. Soms bleef men nalatig en dan werd den koster van stads-
wege een bedrag in geld gegeven, zooals we op 2 April 1609 vermeld
vinden. Later lezen we nog enkele malen voorgeschreven aan de put-
meesters om het kerkebrood in te zamelen. Bekendmakingen vanwege
de stad geschiedden vroeger dikwijls door de putmeesters en werden
dan op de putten „met den hoorn omgeblazen". Putreglementen zijn
meermalen door den Magistraat vastgesteld en brachten regel en orde
in de gebruiken en gewoonten op de putten, voorzoover het de rechten
en plichten betrof tegenover de naburen en de stedelijke overheid.
Lang geleden - zooals we b.v. lezen van 31 Januari 1619 en 10 Januari
1644 - bestond de gewoonte bij de jeugd om de jonggehuwden bij
het terugkomen uit de kerk te vragen naar geld en kleine geschenken,
te „vangen”, zooals het genoemd werd. Die gewoonte ontaardde in
misbruik en daarom werd het door de stadsregeering verboden. Op
sommige dorpen bestaat dit gebruik echter nòg.
Op den St. Jacobsput in de Voorstad bestaat nog „de vangst met den
sluier" en bij gouden bruiloften op genoemden put wordt met die tra-
ditie niet gebroken.
De geheele feestelijkheid verloopt zooals reeds is beschreven, maar
als de jubilarissen bij hun woning zijn aangekomen, worden zij weer-
houden door een soort guirlande, die de straat in de breedte afsluit.
De guirlande of sluier wordt vastgehouden door de twee oudste be-
woonsters van den put. Deze naderen dan elkaar, zoodat de jubila-
rissen door den sluier worden ingesloten. Aldus „gevangen“ wordt de
eerewijn aangeboden en gedronken op de gezondheid der feestelingen.
Bij processie wordt geregeld door de putten gesierd en worden rust-
altaren op enkele putten rijk met bloemen getooid. Vooral in den laat-
sten tijd wordt door de putten van die bloemversiering weer veel
werk gemaakt
Telkens ook wanneer Roermond een nieuwen Herder over het diocees
als Bisschop mocht begroeten, waren het wederom de putten die voor
passende straat- en huisversiering zorgden.
Bij den intocht van vorstelijke personen kwamen de putten ook volop
in actie. Nog levendig blijft in herinnering de schitterende straatver-
siering bij het bezoek van H. M. de Koningin en den Prins-Gemaal
op 17 Juli 1903
In vroeger tijden werd het ceremonieel, waarmee vorstelijke personen
zouden worden ontvangen, eenvoudig door de Stadsregeering voorge-
Toen b.v. in Maart 1692 de Keurvorst van Beieren hier zijn intocht
schreven.
hield, werd door den Magistraat bevolen 24 amptsmeesters uit te kie-
zen, die Zijne Hoogheid zouden geleiden van het Zwartbroek tot het
logement. De meesters droegen elk een witte brandende flambouw.
Op de markt werden drie staken opgesteld om er teertonnen op te
stoken. Een wacht aan het logement bestond uit 40 personen, allen in
hun beste kleedij. Nadat Z. Exc. de markt gepasseerd was, werden drie

328
mori". Stond de plank rechts, dan was de overledene een man of
jongen, in het andere geval stond de plank links van de voordeur.
Thans wordt nog aan deur- of belknop van het sterfhuis een zwarte
sluier gehecht en bij de meer gegoeden tijdens de begrafenisplechtig-
heid een rouwversiering rondom de huisdeur aangebracht. Ook
heerscht nog steeds de goede gewoonte, dat de putbewoners voor de
zielerust van den overledene een H. Mis laten lezen.
In de laatste jaren leeft het gebruik weer op, dat door de putten de
putkaars naar O. L. Vrouw in 't Zand wordt gebracht. De kaars, ter
grootte van een Paaschkaars, is met kleurige randen en prentjes ver-
sierd en prijkt in vergulde letters met den naam van den put en het
jaartal, waarin ze wordt geofferd.
In de Meimaand of in den vacantietijd wordt de kaars door de bruidjes
naar de Kapel gebracht, gevolgd door de kinderen van den put, door
of harmonie.
putmeesters en ouders begeleid en soms voorafgegaan door fanfare
In de Kapel wordt de kaars door den priester gezegend en op een
kaarsendrager geplaatst en aangestoken. Men hoort een H. Mis en
daarna wordt huiswaarts gekeerd. Op den put wordt de jeugd gewoon-
lijk onthaald op krentebrood en andere versnaperingen.
Vroeger hadden de putten ook de zorg voor de lantaarns, die in het
midden der straten hingen. Verlichting en onderhoud werden door den
put bekostigd. Ook de verlichting der straatkapelletjes en van het
groote kruisbeeld in de Neerstraat geschiedt door de putten.
De pompen droegen vroeger het beeld van den putpatroon. Een der
putten, de St. Christoffelput, zegelde zelfs met eigen zegel, dat natuur-
lijk de afbeelding toonde van den schutspatroon.
De pompen zijn thans bijna verdwenen, alleen de Voorstad-St. Jacob
heeft nog haar pomp.
De putmeesters hielden dikwijls vergadering bij de pomp, althans wan-
neer het een korte bespreking gold. Gewoonlijk tusschen 12 en 1 uur,
wanneer het maal was genuttigd, werd daartoe door een der putmees-
ters driemaal op de pomp geklopt en kwamen de anderen toegeloopen.
Staande om de pomp - op den put - deelde men elkander het nieuws
mede en werd een voorloopige bespreking gevoerd over de voorberei-
ding tot een of ander feest.
Tot zoover over de gewoonten op de putten.
Maar behalve deze waren er gebruiken aan het oude recht ontleend.
Om b.v. het in bezit nemen van nieuw gewonnen grond, van aan-
was in de Maas, aan de omstanders en de aanwezigen duidelijk in
den geest te scherpen, werd het nieuwe land bevaren of bereden.
Zoo geschiedde het op 16 Juli 1615, dat drie afgevaardigden van
de stedelijke regeering een griend bij den Holtgriend lieten bevaren
met een mestwagen, waarvoor drie paarden, elk van verschillende
kleur, waren gespannen. De paarden waren bemand met ruiters, die,
nadat zij den wagen zoover over het overstroomde land hadden ge-
reden, dat de vier raderen in het water stonden, van een flesch wijn
moesten drinken en deze elkaar moesten overreiken. Dit werd enkele

330
collen leest men meermalen, dat in Roermond verkoopingen en aanbe-
stedingen „mit de kersse“ werden gehouden.
Reeds twee eeuwen terug was het te Roermond gebruik naar de „buite-
nijen" de Weerd, de Kapel en de Broekhin te wandelen en daar een
glas bier te drinken. Men leest er zelfs klachten over, omdat daarmee
den Roermondschen brouwers concurrentie werd aangedaan. Buiten
de stad werden namelijk Guliksche bieren en andere bieren verkocht,
die goedkooper waren dan het zwaarder belaste Roermondsche bier,
Dit laatste heeft natuurlijk tot het bezoek der genoemde gehuchten bij-
gedragen. En het is wel opmerkelijk, dat de echte Roermondenaars
zich nog gaarne aan de Kapel en in de Weerd gaan verpoozen.
Het beugelen, dat men thans nog in de Weerd speelt, was vroeger niet
zoo bekend. Men vermaakte zich toen met het vogelschieten en ook
wordt het klootschieten enkele malen genoemd.
Op het gebied van geneeskundige voorzorg huldigde men vroeger ook
eigenaardige opvattingen. Zoo werd in 1574 bij het heerschen van de
pest voorgeschreven, dat men het huis, waarin een pestlijder gestorven
was, 14 dagen gesloten moest houden. Zelfs geen venster aan de straat
uitkomende mocht worden geopend. Als kenteeken moest aan die hui-
zen een stroowisch worden gehangen. Een genezen pestlijder moest
eenigen tijd een witte roede in de hand dragen.
Van de melaatschen lezen we, dat, voorzoover het stadgenooten waren,
zij alleen Zondags, Woensdags en Vrijdags mochten „omgaan“. De
vreemde melaatschen hadden dat recht slechts om de veertien dagen.
Zij moesten dan wel voorzien zijn van een Lazarusklep, om vooraf
hoorbaar hun komst aan te kondigen.
Er waren vroeger ook afschrikwekkende gewoonten. De zelfmoorde-
naars werden toen openlijk op sleden naar hun graf gesleept. Eerst
in de vorige eeuw werd getracht het brandmerk te vervangen door
detentie in een verbeterhuis.
De pijniging of torture mocht toen verder slechts toegepast worden na
inzage van de stukken op order van het gouvernement.
Nog een merkwaardig gebruik lezen we bij de lijfstraffelijke rechts-
pleging in onze stad, zooals het vermeld wordt in de Donderdagsche
Protocollen van 20 Februari 1687. De Magistraat beval toen den burger-
kapiteins hun kwartieren op de Markt in het geweer te roepen tegen
22 Februari 's morgens 8 uur. Met den Scholtis zouden twee kwartie-
ren buiten de stad trekken om volksoploopen te beletten wanneer aan
de Kapel misdadigers zouden worden „gericht“. De halfer van het
Muggenbroek moest met zijn wagen bij het openen der poorten in de
stad komen om het schavot te halen, dat aan de Kapel (op den Galgen-
berg) thans Kitskensberg moest worden opgericht. Op dienzelfden
morgen moest „de halfersche“ van den Armenhof op het Muggen-
broek twee karren met paarden leveren om de misdadigers naar de
gerichtsplaats te brengen. Om 9 uur precies moesten de inwoners van
Roer het „gericht" aan O. L. Vrouw in 't Zand opbouwen op boete
van 25 goudgulden; portiers, nachtwakers en veltschutten moesten
daarbij helpen. Het varen van het gericht naar Kitzenberg (Kitskens-

332
ROERMONDS
KUNSTLEVEN
door
IR. JOS. CUYPERS

W
IJ kunnen ons geen vorstelijke daad denken, die
gunstiger kan zijn om den grondslag te leggen voor
de kunstzinnige ontwikkeling eener jonge stad, dan
de stichting van eene adellijke abdij met zulk eene
monumentale kerk als „het Munster“ te Roermond.
De bewoonsters dezer stichting van adellijken huize zullen in haar
vrijen tijd meer dan de vrouwen der wereld gelegenheid hebben gehad
belangstelling te kweeken voor kunstbeoefening, juist in de 13de eeuw.
toen de opkomende burgerij in de vestingstad rustiger bestaan vond
en haar welvaart zag toenemen. Het bouwwerk ook zal, zoo door
zijn uitwendig voornaam en feestelijk karakter, als inwendig door de
verrassende doorzichten en stemmige geslotenheid van den massieven
aanleg, een opwekkenden indruk hebben gemaakt op alle bezoekers.
De omgevende natuur langs de boorden van Maas en Roer, die haar
dalen zacht hebben ingesneden in het Limburgsche hoogplateau, biedt
die afwisseling, welke noodig is om belangstelling voor die natuur op
De verschijning van de Gebroeders van Eyck, geboren op een afstand
te wekken.
van slechts 19 K.M. ten Zuidwesten onzer bisschopsstad, staaft dui-
delijk de waardevolle karakteristiek van dit Limburgsche landschap,
als bijzonder geschikt voor den verfijnenden invloed die reeds op het
jeugdig gemoed moet worden uitgeoefend om den fijn gevoeligen kun-
stenaar te vormen. Geen enkele Limburgsche stad, met uitzondering
van Maastricht, mocht zich in vroeger eeuwen verheugen over die
duurzame welvaart, welke noodzakelijk is om in de bouwwerken een
sprekend beeld te geven van de kunstliefde der bewoners.
De houten huizen der middeleeuwen, die steeds bijzonder karakteris-
tiek zijn geweest, werden juist in de steden door brand verwoest.
Naast de branden heeft ook de beeldstormerij in 1566 schuld aan het
verloren gaan van kunstschatten en tenslotte de opheffing der kloos-
ters en de verkoop mede van hun roerende goederen. Bij de Kartui-
zers b.v. werden meer dan 200 schilderijen verkocht. Van de Minder-
broeders zijn de preekstoel en biechtstoelen in de Groote Kerk over-
gebracht. Een der verguldzilveren bekers der Stad, de kleine, 1) is van
den stedelijken muntmeester Nederhoven (1609).
De beschrijving van de schaarsovergebleven monumenten tot in de
tweede helft der 18de eeuw heeft den lezer kunnen overtuigen dat de
bouwmeesters, die hier arbeidden, zoowel als de beeldhouwers van hei-

334
voor de grootheid van het verleden wist hij de schoonheid en rijk-
dom, daarin verborgen, weder in 't volle licht te stellen en hij deed
dit met zooveel eerbied, liefde en stuwkracht, dat de bouwkunst onzer
Vaderen, ook na zijn verscheiden, de eereplaats zou blijven innemen
die haar toekwam. Die gedachte was met hem saamgegroeid, daar leef-
de hij voor. Al had Limburg een beeldenstorm gekend, het schisma
had het niet verscheurd; het Katholiek geloof bleef daar de band en
de grondslag van het openbaar leven. Voor gevoelige naturen vooral
beteekent dat een rijkdom, een poëzie en levensvreugde, die moeilijk
onder woorden te brengen zijn. De voorliefde van dezen kunstenaar
ging naar „de Meesteres der Kunsten“: de Architectuur.
Al viel zijn jeugd in den Biedermeyer tijd, de oppervlakkige kunst-
verschijnselen van dien tijd voldeden zijn gemoed niet. Zijn geest was
hooger gestemd, zocht dieper voldoening. In Limburg kent men geen
keurslijf, geen dompige moerassen, geen binnenkoorts. Hij ging op
studie ter Antwerpsche Academie, om daar die algemeene ontwikke-
ling op te doen, na voleindigde gymnasiale studie, die hem den breeden
grondslag verschafte die noodig is om met goed gevolg de leider te
kunnen worden van een kunstcentrum, waar de beeldhouw- en schilder-
kunsten, ijzer- en kopersmeedwerk, de vervaardiging van gebrand glas,
kortom alle nevenkunsten, medewerken tot één harmonisch geheel.
De openbare geloofsuiting der Middeleeuwen boeide zijn geordende
en geloovige natuur meer dan de klassieke opvatting der Academie.
De kerkelijke bouwkunst was in 1850 stom, zij had haar taal verloren
in Nederland, dank zij de „plakkaten” en het gebod om eerediensten
van ons geloof onopgemerkt te houden. Zou hij eenmaal een kerkje
bouwen, dan ontbrak toch nog de samenwerking voor de innerlijke
afwerking, omdat er geen beoefenaars dier sierende kunst meer waren.
In Roermond leefde een man, die op eigen gelegenheid en zooveel mo-
gelijk bijgestaan door jongelui, die werkten onder leiding van den
beeldhouwer Georges, kerkornamenten en paramenten deed vervaardi-
gen. Daar konden de Eerwaarde Heeren Geestelijken hun wenschen
in vervulling doen gaan. Toen de hier bedoelde heer Stoltzenberg
reeds op leeftijd was, kwam de jonge Cuypers uit Antwerpen terug,
en de lauweren, welke hij in zijn studietijd behaald had, verkondig-
den zijn roem vooruit. De terugkeer van een begaafd artist in Roer-
mond ging in die dagen van harmonie niet onopgemerkt voorbij, en
toen Mgr. Paredis den heer Stoltzenberg aanried, deze kracht tot zich
te trekken, kwam hij spoedig tot het inzicht, zijn jongen stadgenoot
aan te bieden, een gedeelte der leiding van zijn atelier op zich te nemen.
Deze aanbieding werd met vreugde aanvaard.
Nu zag Cuypers de verwezenlijking van het gewenschte ideaal, een
klein gilde om samen opwaarts te streven. Door die samenwerking
werd de grondslag gelegd voor een atelier, dat weder de bakermat
werd voor verschillende andere. De artisten, welke als jonge mannen
zoowel uit de Rijnprovincie als uit België hierheen togen en jarenlang
samenwerkten, voelden voor en na in zich de kracht om zelfstandig
op te treden, zooals hierachter nog nader wordt geschetst.

336
dat herstellen of toevoegen wil, waarvan het bestaan in vroeger eeuwen
onomstootelijk vast staat!
Hier te Roermond in de zestiger jaren bestond reeds de tegenstelling
die zooveel later in ons Vaderland in Oudh. Bond en Rijks-Monumen-
tenzorg werd uitgestreden tusschen 1910 en 1920.
De leidende personen besloten een buitenlandschen deskundige te raad-
plegen. Zoo kwam Keulens Dombaumeister Vinc. Statz en hechtte zijn
goedkeuring aan de plannen. Dit brak den weerstand niet, immers dat
oordeel werd aan collegialiteit en niet aan overtuiging geweten. Daar-
op werd de bekende archeoloog, Kanunnik Bock uit Aken, verzocht
te komen. Ook zijn goedkeuring werd ervan verdacht, door vriend-
schapsgevoelens te zijn ingegeven.
Eerst nadat Eug. Violetle-Duc, de beroemde Fransche archeoloog, op
de teekening was komen schrijven „vu et approuvé. E.V.L.D.”, besloot
de kerkelijke overheid tot uitvoering van deze plannen. De restaura-
tie en de afbouw der Munster Abdijkerk werden hem opgedragen.
Het machtige, schoone gebouw, welks ontwerper helaas onbekend is,
mocht door Cuypers' toedoen zijn lang gewenschte bekroning ver-
krijgen.
Vanaf dien tijd zenden die twee torens ten hemel het acte van geloof,
door Graaf Gerard van Gelder ingezet, hetwelk wij nog mogen voort-
zetten .... honderden jaren! Dat geve God!
Met de restauratie van het Kasteel Haarzuylens is duidelijk gebleken,
hoe uitgebreid de historische kennis was en de levendige fantasie van
Roermonds grooten zoon. Den aandachtigen bezoeker moet het opval-
len bij het betreden van de hal en al het inwendige van dit stoere
bouwwerk, dat respect inboezemde aan de vijanden van toen, maar
waarin gebracht is rijkdom aan kunstnijverheid op alle gebied, zooals
men in bijna geen enkel kasteel bijeen vindt; wonderen van hout en
steenbewerking, smeed- en schilderwerk, gebrand glas, oude weefkunst.
Op monumentale schaal zijn intérieurs geschapen, die wel geïnspireerd
zijn op de voorbeelden van middeleeuwsche kasteelen, maar hier tot
een geheel van persoonlijk en lokaal karakter zijn opgevoerd, dat zijn
weerga in West-Europa niet vindt. Daartoe hebben niet alleen vele
van de na te noemen kunstenaars maar ook vele begaafde meesters
van 't kunstambacht, zooals Meyers, de kunstsmid, medegewerkt.
De aan Cuypers opgedragen restauratie van den Dom te Mainz, bracht
hem in kennis met den Rheingauer schilder Martin, die als volbloed
Neogothieker in zijn vlot en kleurrijk werk de XIV en XV eeuwsche
schilders sterk benaderde. Gedurende meerdere jaren werkte hij in de
ateliers te Roermond, waar hij zich aan de Kapellerlaan een trapgevel-
huis bouwde (thans Harmonietuin). Zijn werk was te oergermaansch
om op den duur invloed te blijven uitoefenen.
Toen Museum en Centraalstation waren afgebouwd, nam Cuypers de
leiding van 't atelier weer geheel direct in handen, terwijl eerst Valken-
burg en later Roermond weer zijn woonplaats werd.
Waren deze Kunstwerkplaatsen tot verstarring, tot schabloonwerk
gedoemd? Neen. Daarvoor was de geest van den stichter te helder,

338
plooiing. Dr. Rembert zeide daarvan: „Am wertvolsten sind, von sei-
nem Künstlerischen Standpunkt beurteilt, seine Skizzen, Sittenbilder
und Bildnisse." In deze portretten en genrestukken spiegelt zich ook
duidelijk de richting van den tijd af: de vroegere portretten zijn
sterk classicistisch, de latere meer romantisch. Tot aan zijn dood bleef
Johann Jozef Hubert Lücker opdrachten voor Cuypers uitvoeren.
Dr. Cuypers achtte hem hoog, zooals blijkt uit verschillende persoon-
lijke brieven, waarin hij hem aanspreekt met: „mein lieber Joseph“.
Peter Joseph Lücker (Jos. Lücker Jr.), de vader van 't tegenwoordig
werkende geslacht, was geboren in Crefeld 29 Maart 1847 en overleed te
Roermond 8 Januari 1915. Was hij vóór 1873 reeds eenige jaren met
tusschenpoozen bij Cuypers & Stoltzenberg werkzaam geweest, in dat
jaar kwam hij er voor vast en bleef er werken tot aan zijn dood, in 't
geheel 42 jaar. Bestond zijn werk in 't begin uit decoratieve kerkschil-
derkunst, later hield hij zich meer bezig met muurschilderingen met
figurale voorstellingen. Hij was meer ornamentaal van aanleg, waarvan
de ontelbare ontwerpen en cartons voor kerkparamenten, kasuifels,
stola's, teekeningen voor borduur en kantwerk getuigen.
August Jacob Joseph Lücker, geboren 29 Februari 1852 te Roermond
en aldaar overleden 19 April 1923, tweede zoon van Joseph Lücker Sr.
werkte van 1883 tot 1912 bij Cuypers hoofdzakelijk als decoratieschilder
van kerken, wat het ornamenteele gedeelte betreft.
Ook de leider van het decoratieve werk ter plaatse, Piet Helwegen,
maakte vol ijver alle evoluties mede. Meer dan de andere medewerkers
kwam hij op de werken in aanraking met vele personen. Door herstel-
lingen van oude schilderingen had hij een kennis van techniek opge-
daan, die te gelegener tijd o.a. door een onzer meest beroemde historie-
schilders werd ingeroepen, om diens wandschilderingen voor onder-
gang te behoeden.
Frans Reclair uit Venlo werkte als figurist in vele kerken. Hij is de
eenige leerling geweest van de Gentsche St. Lucasschool, die in deze
ateliers heeft medegewerkt. Later toog hij naar de Vereenigde Staten
van Noord-Amerika.
J. Berens, geboren te Deventer, studeerde aan de Academie van Brussel,
waar hij tijdgenoot was van Anton Derkinderen en Jan Toorop. Hij
heeft het belangrijkste deel van de geschiedenis der School voor nuttige
en beeldende Kunsten (gesticht in 1905) medegemaakt. Door persoon-
lijke toewijding wist hij, niettegenstaande de beperking van de weinige
klassen, bij het onderwijs aan de Roermondsche jongelieden, die 't tee-
kenen en de kunstnijverheid wenschten te beoefenen, elk naar zijn
persoonlijken aanleg, een maximum van ontwikkeling mede te geven.
Hoewel in hart en ziel landschapschilder, toog hij des daags naar 't
atelier om onder architectenleiding kartons te ontwerpen voor muur-
schilderingen en gebrand glas. Tot kort voor zijn dood mocht hij de
voldoening hebben te kunnen doorwerken.
Terugkomende op de beeldhouwers die in de ateliers van Cuypers en
Stoltzenberg hebben gewerkt, moeten wij allereerst noemen den nog ge-
heel academisch voelenden Georges, die echter al spoedig zijn taak

340
als waarin hij de vier hoekfiguren voor Vondels standbeeld of de
Poëzie en de Faam boetseerde voor de Vondelfeesten! Vóór 't jaar 1870
zijn de kartons voor gebrand glas onder Cuypers leiding wel in hoofd-
zaak door Lauweriks geteekend.
Met eenigen trots mag Roermond vaststellen, dat de glasbranderskunst
in de 19de eeuw binnen zijn muren in ons vaderland het eerst werd
beoefend, en wel door F. Nicolas, den stichter van het bekende atelier,
waarin zijn twee zonen Frans en Charles, en thans de bekende klein-
zoon Joep Nicolas, steeds den roem van een veelomvattende techniek
en kleurenrijkdom hooghouden. Ook op dit gebied ontstaat een wis-
selwerking met bouwkunst en beeldhouwkunst, welke duidelijk spreekt
in de geleidelijke ontwikkeling in de kunstopvattingen. Ook hier biedt
het terrein van restauratie van oude werken, als de glazen van Soest
in Westphalen, opdrachten voor Gellsehausen, voor den Duitschen
Staat, voor Mainz en Frankfort in de zeventiger jaren, en in vele Belgi-
sche en Engelsche kerken, evenals in de bouwkunst de gelegenheid om
den kunstsmaak te ontwikkelen door vergelijkende studies der histori-
sche stijlen en de techniek te vervolmaken door beoefening van de op-
volgende technieken.
Evenals naast het atelier van Cuypers-Stoltzenberg in den loop der
tijden verschillende beeldhouwers hunne ateliers vestigden, zoo zien
wij ook de gebroeders den Rooyen, J. Lommen en P. Stroucken en Zoon
meerdere glasschildersateliers stichten in een tijd naast de glasschil-
ders van Utrecht en Delft in 't Noorden, waar zeer spaarzaam deze
kunst beoefend werd.
Op architectuurterrein vinden wij onder de ouderen de ontwerper
van eene interessante reeks kerken in Brabant, Karel E. M. Weber.
Zijn ontwerpen nemen den Rijnlandschen overgangsstijl als uitgangs-
punt. De meest sprekende werken zijn de kapelkerken van Geldrop,
Uden, Vught, Mierlo en waarvan die van den Zevenbergschenhoek de
beste verhoudingen vertoont. Aan deze figuur, die vol illusie en ijver met
studie en fantasie zijn ontwerpen maakte, zijn tragische herinneringen
verbonden, waarvan de gevolgen onbepaalden tijd van invloed blijven.
Daar de opdrachtgevers wel bouwwerken verlangden die monumentaal
waren van afmeting, maar niet de fondsen daarmede in overeenstem-
ming konden beschikbaar stellen, werd de bouwmeester ook niet zoo
gehonoreerd, dat aan voorbereiding, detailleering en controle gedurende
de uitvoering die zorg kon worden besteed, welke aan elk bouwwerk,
zeker aan het godsdienstige, dient te worden gegeven. Het gevolg daar-
van is geweest, dat de detailleering aan ongeschoolde opzichters moest
worden overgelaten, hetgeen de bezoeker met eenige architectonische
aanvoeling moet ervaren, terwijl de bouwmeester, toen de jaren zijn
gezicht sterk hadden doen verminderen, in onze stille stad een zoo stil
en vreugdeloos bestaan heeft gevoerd
Karel Weber bouwde de neogothische spits op den toren van St .- Chris-
toffels kathedraal na den brand van 1892. In zekeren zin is hij kenne-
lijk onder de neomiddeleeuwsche bouwmeesters de meest specifiek
Roermonds gestemde geweest. Immers in aansluiting aan het karakter

342
aan den Amstel zijn stoffelijk overschot op hunne schouders ter laatste
rustplaats hebben gedragen, nu enkele jaren geleden.
De familie Oor heeft in de laatste driekwart eeuw in nauw verband
gestaan met ons stedelijk kunstleven. Van den beeldhouwer Oor Sr.
vinden wij kerkmeubels, die meest romaniseerend of vroeggotisch van
opbouw zijn, terwijl de behandeling der figuren niet is bedoeld als
zich aansluitende bij middeleeuwsche plastiek, verspreid over alle pro-
vincies van ons vaderland. In de latere jaren werden door den zoon
Jac. Oor, die de academie te Antwerpen had bezocht, en daarna teza-
men werkte men zijn vader, ook opdrachten uitgevoerd voor Engeland.
De kunstwerkplaatsen Jan Oor en Zonen leverden in 1901 een nieuw
hoogaltaar in de Kathedraal en in het Seminarie. In 't begin dezer eeuw
heeft Jac. Oor de practijk vaarwel gezegd, en wijdde zich zoowel aan
't Teekenonderwijs en Algemeen Kunstonderwijs als daarna ook aan
het voorzitterschap van het Bestuur der Ambachtsschool, en vertegen-
woordigde den Roermondschen Kunstkring in de Provinciale Schoon-
heidscommissie van 1926-1929
De door zijn Annales Archéologiques baanbrekende fransche schrij-
ver Didron, die in 1856 het atelier Cuypers-Stoltzenberg te Roermond
bezocht, schreef over den jeugdigen Jozef Thissen: „Surtout j'ai pris un
grand intérêt au travail d'un tout jeune élève: Thissen, qui promet
un artiste." Hij behaalde in 1871 de groote gouden medaille I kl. in de
beeldhouwkunde aan de Antwerpsche Academie, en werd in Roermond
door de Kon. Harmonie feestelijk ingehaald. Van hem zijn bijzonder
verdienstelijk vele Mariabeelden, over het gansche diocees verspreid,
het H. Hartbeeld van de Munsterkerk en de St. Christoffel die van
1892-1920 in Webers spits stond.
Het oude Christoffelbeeld in 1892 door brand vernield, was van den
vader van den schilder Frans Douven. Deze werkte te Dusseldorf aan
het hertogelijk Hof. Hij schilderde koningen en keizers, maar Roer-
mond heeft niets van hem!
Van Sitterich integendeel, een niet-Roermondenaar van geboorte, maar
langen tijd inwoner, is een schilderij in de Kathedraal en een schoor-
steenstuk in de Raadzaal voorstellende Keizer Karel VI (1719).
Van een ander geslacht, waarvan de kunstwerken sedert een halve
eeuw over geheel Nederland verspreid werden in kerken en kapellen,
s Windhausen de stamvader.
Peter Heinrich Windhausen werd in 't Duitsche stadje Burgwaldniel
21 September 1832 geboren, ontving zijn opleiding aan de academie
van Dusseldorf en vestigde zich in 1873 in Roermond, waar hij tot zijn
dood verbleef. Hij voelde zich aanvankelijk vooral tot de portretschil-
derkunst getrokken, waarbij hij om zijne ongekunstelde manier en
typisch rake gelijkenis zeer de aandacht trok, zoodat hij reeds spoedig
een zeer gezocht portretschilder was, wiens naam tot ver over 's lands
grenzen bekend werd. Later bewoog hij zich meer op 't gebied der
Christelijke kunst, uit welke periode heden nog vele kerken vooral in
Duitschland zijne werken in eere houden. Hij overleed te Roermond
22 Januari 1903. Zijne traditie wordt nog voortgezet, vooral op 't gebied

344
naast begroeten wij in Henri Tijssen, die de K. Z. Roermonds Mannen-
koor tot grooten bloei bracht, een begaafd componist, wiens Lim-
burgsch volkslied door onze toffe jongens van 't 13de regiment in de
mobilisatiejaren over gansch Nederland werd verspreid. De schrijver
der geschiedenis van de Harmonie levert het bewijs dat de kunst leef-
de te Roermond op muzikaal en ook op letterkundig gebied. Wat
het laatste betreft moge ik herinneren aan het letterkundig genootschap
,De Lelie” dat in de vijftiegr jaren is opgericht en tot zijn grootsten
bloei gekomen. Het meest bekend lid is wel geweest Emile Seipgens,
geboren te Roermond, 16 Augustus 1837 en overleden te Leiden in 1896,
wiens werken meerendeels in „de Gids” zijn verschenen. Voor Roer-
mond heeft hij zich onsterfelijk gemaakt door zijn „Schinderhannes“
De tooneelkunst werd in dien tijd mede met succes beoefend. In 1858
werd een subsidie van gemeentewege toegekend aan de Dramatische
Societeit voor bijwoning van een concours te Leuven „ter aanmoediging
van dit letterkundig genootschap dat diende tot luister dezer stad".
De muziekschool en de teekenschool zijn in dit verband mede een ver-
melding waard.
Over den schilder Linssen die de teekenschool op hooger peil bracht
het volgende. Franciscus Henricus Linssen, geboren te Roermond in
1806, studeerde te Antwerpen 1824-1829 aan de Academie teeken- en
schilderkunst, verbleef van 1829-1833 te Roermond en werkte daarna
tot 1842, het jaar van het overlijden zijner echtgenoote, te Parijs. Hij
keerde dat jaar in zijn vaderstad terug, alwaar hij leeraar werd aan
de teekenschool en de schilderkunst met veel succes beoefende. Hij
overleed te Roermond den 18 April 1869. Te Parijs schilderde hij in 1834
voor de Kathedraal een altaarstuk, voorstellende de H. Familie, te Roer-
mond in de zijkapel van het Seminarie de Mater Dolorosa en in de
O. L. Vrouw Munsterkerk op den rechter- en linkerwand der abside
het medaillon en hooger op de Cherubijnen.
Dr. Cuypers had het voorrecht zijn loopbaan te beginnen in een op-
levend Roermond; de stad floreerde ook economisch, de industrie was
tot bloei gekomen, dank zij een aantal fabrikanten die zich hier vanuit
Duitschland hadden gevestigd.
In onze stad, waar zoo velen zich wijden aan den dienst van edele
vormen en harmonische kleuren, mag verwacht worden, dat, onder
medewerking van de omringende natuur, ook in het dagelijksche leven
de goede smaak zich doet gelden. De toepasselijkheid van deze op-
merking is niet alleen dagelijks, maar vooral op Zon- en Feestdagen
op straat waar te nemen, maar blijkt ook uit de ontwikkeling die de
luxeschoenfabricatie naast andere kleedingvervaardiging heeft gekre-
gen. Immers door de bezoekers van buiten wordt algemeen opgemerkt
hoe goed de Roermondsche vrouwen er in slagen met veel smaak voor
goeden vorm en harmonische kleuren zich te kleeden. Daar wordt blijk-
baar veel waarde aan gehecht en veel zorg en talent aan besteed.
Aan 't slot van onze mededeelingen aangaande het kunstleven in Roer-
mond gedurende de moderne periode van ontwikkeling der stad, mo-
gen deze opmerkingen worden geplaatst, gegrond op het hiervoor ver-

346
HET ROERMONDSCHE
DIALECT
door
J. KATS

M
et nog meer vreugde zou ik aan deze bijdrage ge-
werkt hebben, als ik niet telkens en telkens weer
opnieuw was overmeesterd geworden door de ge-
dachte, dat ik een „ten afscheid“ aan het schrij-
ven was.
Waarmee ik niets meer of niets minder zeggen wil, dan dat onze dia-
lecten - ons geliefd „Remunjs” niet uitgezonderd - ten doode zijn
opgeschreven. U kijkt mij verbaasd en ongeloovig aan? Begrijpt mij
goed: ik wil hierdoor geenszins profeteeren dat over enkele jaren het
Roermondsch zal zijn uitgestorven; maar dat het is aangetast door de
langzaamvoortwoekerende echter onherroepelijkdoodelijke ziekte, die
als een epidemie woedt onder onze Limburgsche dialecten, dat is een
harde waarheid, die zich opdringt aan iedereen, die den juisten stand
van zaken wil en durft te zien.
Het karakter van dit opstel laat niet toe, dat ik hier diep op inga, maar
de voornaamste oorzaken (die alle hun oorsprong vinden in „de mo-
derne tijd") wil ik toch even aanstippen: door de vestiging van vele
niet-Limburgers (speciaal in de mijnstreek!) verliezen onze stadjes en
dorpen meer en meer hun specifiek Limburgsch karakter; het gemak-
kelijke, moderne verkeer (fiets, auto, autobus, tram) wischt de onder-
linge grenzen uit; huwelijken tusschen personen, die een verschillend
dialect spreken, zijn aan de orde van den dag; de enkele jaren gebrek-
kig onderwijs konden vroeger niet verhinderen, dat voor de groote
massa de plaatselijke taal de eeniggekende bleef (en wat wordt er daar-
entegen tegenwoordig niet gestudeerd, onder alle lagen der bevolking!);
het intense - interlocale - vereenigingsleven met zijn vereenigings-
en vakbladen verruimt den gezichtskring en gedachtensfeer, ook van
den niet-intellectueel, waardoor zijn woordenrepertoire om uitbreiding
vraagt; de tegenwoordig in bijna geen enkel gezin ontbrekende krant,
de film, de radio bewerken dit nog in grootere mate. Al deze factoren
hebben natuurlijk ieder hun eigen werking, maar uit elkaar voortsprui-
tend en elkaar in de hand werkend, vormen zij, vereenigd, zulk een
nivelleerende kracht, dat onze eeuwenoude tongvallen daar niet tegen
bestand zullen blijken te zijn.
Noch de belangstelling, die de laatste tientallen jaren onze dialecten
ondervinden van de zijde der taalgeleerden, noch de veilige schuilplaats,
die hun wordt aangeboden in diverse tijdschriften en vereenigingen1),
zullen dezen langzamen ondergang kunnen verhoeden.

1) Men leze echter hieruit niet één onvriendelijk woord aan het adres van een
vereeniging als „Veldeke“ bijvoorbeeld. Recht van bestaan heeft zij als iedere andere
liefhebberijvereeniging, maar bovendien kan zij veel van het bestaande vastleggen.


348
toch even in 't kort beantwoorden, temeer daar dit de achting voor de
dialecten, het zoo vaak gesmade „plat”, slechts kan doen stijgen.
De taalkundige verdeeling van ons land in Friesch, Saksisch en Fran-
kisch dateert niet van vandaag of gisteren. Deze toestand is even oud
als de Friezen, Saksen en Franken bewoners van deze streken zijn. En
wij weten nog allen uit onze vaderlandsche geschiedenis, dat dit sedert
de eerste eeuwen onzer jaartelling is. Echter niet alle Franken, die het
latere Nederland bewoonden, spraken precies hetzelfde. Hun taal was
al vroeg dialectisch geschakeerd. Zoo onderscheidt men tegenwoordig
nog: Hollandsch-, Brabantsch- en Limburgsch Frankisch. Uit een der
dialecten nu van het Hollandsch Frankisch heeft zich in de 16e en 17e
eeuw door bijzondere omstandigheden, vermengd met vele Vlaamsche,
Saksische en Friesche bestanddeelen, een taal ontwikkeld, die eerst als
schrijftaal, later ook als spreektaal, het algemeen, beschaafd Neder-
landsch is geworden
Het Nederlandsch is dus secundair en veel jonger dan de levenskrach-
tige dialecten, die de grondstoffen leverden voor den opbouw dezer
taal, zonder zelf echter 't minst belemmerd te worden in verderen groei
en ontwikkeling.

Bepalen wij ons nu echter meer bijzonder tot het dialect van Roermond.
Van den eerbiedwaardigen ouderdom hebben wij intusschen eenig
idee gekregen. Maar natuurlijk heeft het niet altijd geklonken zooals
op het oogenblik. Eerst langzamerhand heeft het zijn tegenwoordigen
vorm aangenomen. Evenals ieder levend organisme heeft het zich ge-
leidelijk ontwikkeld, is het gegroeid. Van deze levensgeschiedenis der
Roermondsche taal weten wij echter zoo goed als niets. Al zijn er bron-
nen, in den vorm van magistraatsbesluiten, koopacten, pacht- en gilde-
brieven, registers etc .: wij moeten zeer voorzichtig zijn, hieruit con-
clusies te trekken. Want zulke administratieve stukken hebben meestal
een ambtelijken toon; hun taal is een soort kastetaal van officiëele „cler-
cken", een kanselarijtaal. Ons ontbreekt hier een grondige studie, die al
deze documenten critisch heeft onderzocht en antwoord geeft op de
vraag, in hoeverre zij een afspiegeling zijn van de plaatselijke, levende
volkstaal uit dien tijd.
Als ik dan nu een overzicht wil geven van de voornaamste klank-
eigenaardigheden van het Roermondsche dialect, dan is daarmee be-
doeld het Roermondsch, zooals het de laatste 50 jaar is gesproken.
Wij beginnen met enkele algemeene klankverschijnselen.
Boven hebben wij gezien, dat Roermond (evenals bijna geheel Limburg)
gerekend wordt tot het Nederfrankisch. Dit is dat gedeelte van het
Frankisch, dat niet aangetast is geworden door de zgn. Hoogduitsche
klankverschuiving. Deze heeft plaats gehad tusschen 400 en 700 en
heeft een ingrijpende verandering gebracht in het Oudgermaansche
consonantisme. Zoo werden bijv. oorspronkelijke pt-k, midden in een
woord, tot ff-ss-ch. Zetten wij maar eens naast elkaar:
     Ndl. eten - Hgd. essen
     slapen - schlafen
     teeken - Zeichen

350
stemming met het Venloosch weer, van „schoen“, terwijl de Roermon-
denaar „sjoon” (= mooi) zegt.

Na deze eigenaardigheden op consonantisch gebied, die het Roer-
mondsch met vele andere Limburgsche tongvallen gemeen heeft, willen
wij nu even de aandacht vestigen op verschijnselen van anderen aard.
Karakteristiek voor de Limburgsche dialecten is de vorming van het
meervoud zonder aparten meervoudsuitgang. De stamklinker wordt in
dit geval veranderd. Ik zal dit met enkele Roermondsche voorbeelden
illustreeren:
sjtool : sjteul - knoup : knuip - loes : luus - sjlaag : sjlaig -
bank : benk - rok : rök - woard : wörd
Ook bij de vorming van de verkleinwoorden, bij de vervoeging der
werkwoorden en in de namen voor handelende personen, treedt deze
klinkerwisseling op (de zgn. Umlaut). Voorbeelden:

a) rat : retje - poal : pölke - sjtool : sjteulke - doem : duumke
hok : hökske - gaat : gaitje
b) ich hang - doe hings - hai hink - veer hangen enz.
ich sjloap - doe sjleeps - hai sjleep - veer sjloapen enz.
ich haai - doe hils - hai hilt - veer haaien enz.
ich loup - doe löps - hai löp - veer loupen enz.
ich sjtoot - doe sjteuts - hai sjteut - veer sjtooten enz
c) bakken : bekker - jagen : jaiger - koupen : kuiper - vangen :
óntfenger

Op het gebied der klinkers vertoonen de Limburgsche dialecten nog
enkele andere in het oog vallende eigenaardigheden:
1° Aan de A. B. N. ij beantwoordt een ie:
Nederlandsch: wijn - pijn - rijk - bij - tijd
Roermondsch: wien - pien - riek - bie - tied
2° Aan de A. B. N. ui beantwoordt (vaak) een oe:
Nederlandsch: huis - muis - luik - vuil - kruik
Roermondsch: hoes - moes - loek - voel - kroek
3° Aan de A. B. N. ee beantwoordt (vaak) een ei:
Nederlandsch: been - bleek - deel - heet - kleed
Roermondsch: bein - bleik - deil - heit - kleid
4° Aan de A. B. N. oo beantwoordt (vaak) een ou:
Nederlandsch: boom - doof - hoop - 0og - zoom
Roermondsch: boum - douf - houp - oug - zoum

Al lijkt dit misschien, op zichzelf beschouwd, zoo belangrijk niet, als wij
echter constateeren, dat de Roermondsche woorden hier in hoofdzaak
den klinker bewaard hebben, zooals die was in het oud-Germaansch,
dan kan het weer niet anders of de achting voor „het plat" stijgt weer,



352
nen de perken houden door een gemeentegrens! En ook vormt geen
enkel plaatselijk dialect een afgesloten eenheid tegenover het aangren-
zende. Het eene gaat geleidelijk in het andere over. Dialectische eigen-
aardigheden verbreiden zich vanuit een „haard“, zooals kringen in het
water, veroorzaakt door een daarin geworpen steen. Hoe verder van
het kernpunt verwijderd, hoe flauwer zij zijn en hoe meer afwijkingen,
maar nergens is een plotselinge overgang te constateeren. (Afgezien
van verkeersbelemmeringen, zooals in vroeger dagen breede rivieren,
uitgestrekte heidevelden enz. Deze kunnen werkelijk scherpe dialect-
grenzen vormen).
Wat dadelijk opvalt, als een Roermondenaar spreekt, zijn enkele klan-
ken, die de taalkunde gepalataliseerde of gemouilleerde consonanten
noemt. Wat onder deze geleerdklinkende namen verstaan wordt, kan
men ongeveer aanduiden als medeklinkers, die onmiddellijk gevolgd
(of begeleid) worden door 'n jklank. Ik stel ze dan ook op deze manier
voor als: dj (tj), nj en lj. Ze komen voor op het einde en in het midden
van 'n woord. Enkele voorbeelden:
hóndj, vrundj, handj, viltj, wildj, veldj.
wintjer, mantjel, grantjen, sjantjen.
benj, wónj, tenj, manj, inj, henj.
binjen, wanjelen, manje, linje, rónje.
wailj, noalj, wilj, (ich) melj, (ich) sjelj.
guuljen, sjeljen, golje, wilje, zelje.

lj komt niet zoo vaak voor. dj (tj) en nj daarentegen zijn zeer frequent.
Merkwaardig genoeg heeft de Roermondenaar dezen typischen klank
van zijn dialect kunnen vastleggen in den naam van zijn geboorteplaats:
,Remunj".
De dj (tj) komt slechts voor na n en 1, en beantwoordt aan Ndl. nd (nt)
en ld (lt).
nj (op het einde van een woord) correspondeert met Ndl. -nde. In de
weinige gevallen, dat het Nederlandsch niet -nde maar -nd heeft, kan
men steeds aantoonen, dat de oorspronkelijke vorm -nde was en de e
later is afgevallen. Bijvoorbeeld:
Roerm. manj : Ndl. mand, maar Middelnederl. mande
(ich) branj : (ik) brand, ic brande
(ich) vinj : (ik) vind, ic vinde

Ook de lj (aan het woordeinde) beantwoordt aan oorspronkelijk Ndl.
-lde.
Terloops wil ik in dit verband even opmerken dat de naam „Remunj”
ons dus bewijst, dat onze vaderstad oorspronkelijk Roermonde heeft
geheeten.
Met deze zgn. palataliseering vormt het Roermondsch een overgang
naar de dialecten in het Z.O. van Limburg, (ook enkele dorpen rondom
Venlo) die voor deze ndj (ntj) en nj resp. nk en ng hebben (de zgn.
gutturaliseering).

354
Bovendien kent het Roermondsch nog de oa (roachelen - oamere -
toat), de ai (sjtailen - baiter - vlaigel) en de ö (= ongeveer gelijk aan
den klank in het Fransche beurre): böken, sjtöker, köken, göl, göt.
Nog is hiermee niet de volle rijkdom van het klinkersysteem geschetst.
Want bijna al de bovengenoemde klanken hebben 2, enkele zelfs 3
lengten, die aan het woord een geheel verschillende beteekenis geven.
Als u bijvoorbeeld, buiten eenig verband, het Roermondsche „boek“
ziet geschreven staan, dan weet u niet wat bedoeld is: „buik” of „bok”.
Het gesproken woord laat u echter niet in twijfel. „Geer sjtónk” heeft
twee beteekenissen, al naargelang de ó kort of lang is, en u zoudt er u,
tot iemand sprekend, niet gaarne in vergissen!
En dit zijn geen toevallige, op zich zelf staande gevallen. Ten bewijze
zullen wij van alle klinkers enkele voorbeelden geven.
zalt (zout) en (geer) zalt (gij zult)
(ich) kan (ik kan) en kan (kan)
haas (handschoen) en haas (haas)
(veer) waren (wij waren) en (de) ware (de ware)
tentje (tentje) en tendje (tandje)
nej (zuinig) en (ich) nej (ik naai)
teen (teen) en teen (tien)
veer (wij) en veer (vier)
ins (eenmaal) en ins (eender)
(hai) hink (hij hinkt) en (hai) hink (hij hangt)
bie (bij = voorzetsel) en bie (bij = substantief)
lies (lijst) en lies (gemakkelijk)
Hier hebben we zelfs 3 klinkerlengten:
wies (wijs) : wies (melodie) : (hai) wies (hij wijst)
krieg (gebiedende wijs) : (ich) krieg (ik krijg) : (hai) krieg (hij krijgt)
zorg (gebiedende wijs) en zorg (substantief)
sjoon (schoen) en sjoon (mooi)
doon (doen) en doon (dichtbij)
klump (klompen) en (hai) klump (hij klimt)
sjtump (stompen, brokken) en ('t) sjtump ('t klopt)
buut (buit) en (hai) buut (hij biedt)
verluus ('t verlies) en (hai) verluus (hij verliest)
eike (eiken) en eike (eitje)
sjtein (steen) en sjtein (steenen)
oug (ook) en hout (hout)
oug (oog) en (hai) hout (hij slaat)
proeme (pruimen - subst.) en proemen (pruimen - werkw.)
boek (buik) en boek (bok)
Ook hier hebben wij weer 3 lengten, want de oe in „boek“ is weer korter
dan die in „proemen".

356
Det waas pennekevét!
'ne wuiles,
Eemes sjnutten.
noapikkerke doon.
'ne sjloebermiechel.
mit belump.
sjtieven hings!
'ne foeteleer.
matsjgaar.
'ne pitsbekker.
Dai is zoo lank es elmp.
'nen toegenejde.
Maak mich neet laam!
'ne barg.
joedevét.
Waat 'n kuit!
'n kwetsjproem.
loepetig.
rölsen.
Hai is sjniebel!
'ne sibbedeiës.
'ne pennefoekser.
Op merode zeen.
'ne pintekoo.
sjlappe kakkedoeles.
Waat 'n sjtröts!
Eemes sjwaarzen.
'ne kroekesjtop.
sjebbetig.
kopkuikelen.
'ne gaam.
Hai is buis!
'ne köls.
kweggelen.
'ne naakse roepzak.
sjweinickel!
'ne groep.
prel zeen.
ne kieskedie.
zaatvraiters.
Dao is poor aan!
klaatskörtje.
Eemes koetsen.
'nen alfatter.
meeken.
'ne moetsjkop.
sjlidderen.
'n vlostmoel.
móddeldiek.
Dai is oug zóó keurspel!
klitsreem.
föddelen.
'nen Ertentélder.
Ich bön keps.
oamere.
Det zuut 'r roepetig oet!
'ne sjnörige.
'nen drielenjer.
Verbergmenke doon.
'nen albesjtél.
troschelvaam.
ongemooid.
Dai duit de keef neet oap!
'ne gefiefde.
waat 'nen hoesjel!
moeffelen.
ougsbroaje.
'ne kevietesjpringer.
'ne laige petroon.
D'r is hoar aan de bótter!
Sjtinken wie 'nen hoep.
Loupen wie 'n heks die 't gaat brandj.
t Sjteit hie zoo vol wie pötjesnert.
Zich örges aan begaaien.
„,Lietertied“, zingen de veugelkes!
Doe bös neet good bie grósje!
Doa höbs doe de zegel van in dienen hempsjlip!
In den hoak zeen.
Brökkelkes is oug brood!
Moos, is det oug vleis?
Doe luls op soep!

358
ROERMOND
DE GESCHIEDENIS ZIJNER VESTINGWERKEN,
MONUMENTEN EN VOORNAME GEBOUWEN,
door
IR. L. KEULLER

DE VESTINGWERKEN.

R
OER-MOND, 't welk het plompe volk verkorten-
derwijze verdraeyt in Remond is onder de vier Gel-
dersse hoofdsteden de tweede in waerdigheyd, ende
van omloop wel de allergrootste, leggende aen de Maes;
die alhier de Swalm als mede de Roer naer hem neemt; waarvan de
stad sijn doopssel heeft ontfanghen." Aldus Slichtenhorst in 1654,
toen Roermond de hoofdstad was van het Geldersch Overkwartier.
Midden-Limburg toont een licht golvend plateau, waarin de Maas en
hare zijrivieren dalen hebben uitgeslepen. De dalwanden zijn somwij-
len steil, soms afgevlakt en vormen - op de kaart - kronkels met vele
naar de rivier gekeerde bochten. Uit het dal gezien, doen die bochten
zich voor als min of meer steile hoogten. Zulke hoogten waren voor
de eerste bewoners het meest geschikt ter vestiging. En waar een klei-
nere rivier uitmondt in een grootere, heeft men - volgens Dr. Blink,
die juist Roermond als voorbeeld aanhaalt -, een dier centrale punten,
noodig voor samenleving en waar menschen elkaar kunnen ontmoeten.
Op een dier hoogten naast de Roer is dan ook de oorsprong van Roer-
mond te zoeken.
Waar de nevenrivier in de hoofdrivier uitmondt, bestaat, door de ver-
plaatsing hunner beddingen, steeds kans, dat eilanden worden ge-
vormd. Zoo is de reeds genoemde hoogte waarschijnlijk door een vroe-
geren arm van de Roer van haar basis afgesneden en vormde een
eiland tusschen Maas en Roer. De Roermondsche voorstad St. Jacob
ligt op een tweede eiland, gevormd door de Maas en een tak van de
Roer. In oude geschriften wordt Roermond ook vermeld als Insula Dei,
Godsweerd, wat als grond voor deze meening kan gelden.
Het eerstgenoemde eiland is de kern van Roermond. Het werd ook
genoemd Christoffelberg en later Op. Hier vestigden zich de eerste
bewoners als landbouwers. Beschermd voor vijandelijke overvallen,
vonden zij in de waarden van het rivierdal weideplaatsen voor het vee
en op de hoogte van het plateau, meer oostwaarts, vruchtbare bouw-
gronden. Een groote versterkte hoeve, door kleine woningen omgeven,
in Christentijden een kleine kapel, aan St. Christoffel toegewijd, zoo
was het begin van Roermond. Vandaar de naam Christoffelberg. De
gunstige ligging van de plaats aan een groote rivier trok handelaren
aan zich daar te vestigen en al spoedig bood de kleine Christoffelberg
geen ruimte meer voor de wassende bevolking. De oostelijke Roeroever,



360
Nederlandsch Hervormde kerk - lag in de nabijheid der omwalling.
Het onderste gedeelte van den voormaligen toren dier kerk is nog aan-
wezig en bestaat uit blokken kolenzandsteen, waarschijnlijk uit den
muur van 1232.
In den loop der XIVde eeuw werd het verdedigingsstelsel der stad
uitgebreid en vervolmaakt; in 1342 werd ook de Maas verlegd. Deze
verlegging heeft niet bestaan in het graven van een nieuwe, doch slechts
in het heropenen van een vroeger bestaande bedding, die onmiddellijk
langs den voet van den Christoffelberg liep. Daartoe werd bij Ool de
aanslibbing doorgegraven, die den ouden loop afsloot. Deze verlegging
had een dubbel doel. Ten eerste voor den handel, die meer gebaat was
met een rivier vlak langs de stad, dan op een half uur afstand. Maar
vooral de verdediging der stad is ongetwijfeld het voornaamste doel
Bij vergelijk van 8 October 1338 tusschen den magistraat der stad en
geweest
Gowert van Vlodorp, voogd van Roermond, werd besloten tot slech-
ting van den Christoffelberg, zooals het beschreven staat: „onse huy-
sen ind woeningen, die wer by den stat buten in opspoirten liggende
hebben, aff te breken ind mit den berge dair die huisinge opstaende
syn te slichten, bis ter mueren gelijck an der straten". Hier eene nuch-
tere vraag: waar heeft men het afkomend puin en den afgegraven grond
gelaten? De nog bestaande muur van 1232 ligt met zijn zichtbaren
onderkant in hoogte „gelijck an der straten“ en gaat met zijne fundee-
ring nog dieper. Het is dus niet aan te nemen, dat de Christoffelberg
zich in volle hoogte tot tegen den stadsmuur heeft uitgestrekt. Nemen
wij nu aan dat vóór den stadsmuur de oude tak der Roer heeft geloo-
pen met een bedding naar schatting ± 4 M. onder de tegenwoordige
straathoogte, dan ligt het voor de hand, dat men den afgegraven grond
gebruikt heeft om dien ouden tak gedeeltelijk te dempen „bis ter mue-
ren gelijck an der straten". Om een oud-Hollandsche waterstaatsuit-
drukking te gebruiken: „ter naester lage en minster schade“.
De Christoffelberg was een uitstekende, niet omwalde hoogte, slechts
gedeeltelijk omgeven door de Roer, die geen verdediging bood. West-
waarts daarvan, tot aan den vroegeren Maasloop, lag de vlakke uiter-
waard, die alle gelegenheid gaf tot den aanval. Na de verlegging
stroomde de Maas langs den voet van den Christoffelberg en werd
dus een krachtige, natuurlijke verdediging. Tusschen den stadsmuur
en de Maas lag nu echter de Christoffelberg als een hoogte hinderlijk
voor de verdediging. Hij werd dus geslecht „bis der mueren“ d.i. tot
den stadswal, „gelyck an der straten“ en de vroegere Roertak, voor de
verdediging van geen verder nut, werd gedempt. Naar onze meening
hebben alle deze werken: verlegging der Maas, afgraven van den Chris-
toffelberg en dempen van den Roertak, betrekking gehad op de ver-
dediging der stad. En wel was er reden om in die onrustige tijden
Roermond te versterken.
In het voor dien tijd grootsch opgezette verdedigingsstelsel, in een tijd-
perk van grooten opbloei en rijkdom der stad, waarin de burgerij mach-
tig werd en zich machtig voelde, paste in dat stelsel een sterke verde-


362
DE ROERBRUG.

Hoewel de Roerbrug strikt genomen niet tot de vestingwerken der stad
behoort, meenen wij toch haar hier te moeten vermelden, omdat zij bij
elke belegering een rol heeft gespeeld. Dat, waar nu de Roerbrug ligt,
reeds in oude tijden een vaste brug geweest moet zijn, is zeer waar-
schijnlijk. Daarover liep immers de heirbaan naar Maastricht en de we-
gen naar Ool, Bree en Diest. Bij een verhaal over den brand van 1554
leest men „die ganse Brugstraite .... uijtgebrandt." Op de kaart van
Jacob van Deventer van 1559 is de brug aangegeven.
De brug leidde naar de voorstad St. Jacob, waar zich ook de St. Jacobs-
kapel bevond, die in 1588 door krijgsgeweld is verwoest en later geheel
„demoliert”. Deze afbraak kon geschieden, omdat er toen een vaste
brug was, waardoor de bewoners der voorstad steeds gelegenheid
hadden de St. Christoffelkerk te bezoeken.
Op 1 Januari 1764 werd de bestaande brug „van blauwen naemschen
steen" - zooals Slichtenhorst in 1654 vermeldt - door een watervloed
vernield. Waarschijnlijk geruimen tijd vervangen door een noodbrug,
is zij in 1771 door Karel van Lotharingen, namens Maria Theresia, ver-
vangen door de thans bestaande brug. Eveneens van Naamschen steen,
heeft zij vier bogen, waarvan de twee middelste de Roer overspannen
en hooger zijn dan de twee andere. De pijlers zijn voorzien van ijsbre-
kers. De middelste bogen zijn blijkbaar hooger aangelegd voor de
scheepvaart op de Roer, in 1771 van meer beteekenis dan nu. De op-
ritten der brug zijn dan ook vrij steil. Na de voltooiing werd aan de
zuidzijde in het midden der brug in een steen een latijnsch opschrift
gehouwen.

DE PAROCHIEKERK ST. CHRISTOFFEL,
THANS KATHEDRAAL.
De eerste vermelding van de St. Christoffelkerk is van 1224. Zij lag bui-
ten de Opspoort op den Christoffelberg. Blijkens een charter van 1391
nam toen de magistraat de verplichting op zich „eene betemelicke
kapel" te bouwen „buijten in Opp”, waar eertijds de moederkerk stond,
„die omme kenlicke grote nootsaecken afgebroken is”. De magistraat
voldeed aan deze verplichting, want in 1412 is er sprake van „de kapel
buiten in Opp". Deze kapel schijnt niet te hebben voldaan aan de be-
hoeften der steeds grooter wordende bevolking. De stad verlangde ook
een eigen parochiekerk, die kon getuigen van de macht, de welvaart,
en den godsdienstzin der burgerij. Als gedachtenis der oude moeder-
kerk in Op werd later aan de nieuwe kerk, nabij den hoofdingang aan-
gebouwd eene kleine kapel, de nog bestaande St. Jacobskapel. Ook om-
dat de benificiën aan de oude kapel en haar altaar verbonden, niet ver-
loren mochten gaan.
Over den bouw is weinig bekend; alleen dat er in 1410 aan begonnen is.
Andere bescheiden zijn in 1554 en 1665 verbrand. De kerk moet spoe-
dig voltooid zijn geweest, want reeds in 1458 werd er aan verbouwd.

364
Het O. Lievevrouwekoor is rechthoekig afgesloten, wat vreemd aan-
doet, maar wel gemotiveerd werd door de enge straat achter de kerk
doorloopend, en die door een veelhoekig koor grootendeels versperd
zou geworden zijn.
Het inwendige der kerk maakt door zijn ruimte, grootsche afmetingen
en het lijnenspel van zuilen en gewelven, een grootschen indruk. Behalve
de pijlers der kruising zijn alle zuilen cilindervormig met basement.
Zij hebben geen kapiteel. De gordelbogen van den hoofdbeuk en enkele
diagonaalribben worden gesteund door ronde schalken, die óf doorloo-
pen tot den vloer op een eenvoudig basement, óf op zekere hoogte
eindigen, gesteund door een zeer eenvoudigen kraagsteen. Enkele
schalken bezitten een niet geornamenteerd kapiteeltje uit eenige pro-
fielen samengesteld. De profielen der bogen loopen dood tegen de zui-
len. Gebeeldhouwde ornamenten zijn niet aangebracht, met uitzonde-
ring van eenige sluitsteenen van het gewelf. De vensters in het oostelijk
gedeelte zijn hoog en voorzien van vermoedelijk nieuwe traceeringen.
Het O.L.Vr .- koor bezit in zijn oostelijken muur een zeer breed venster.
Het glasschilderwerk is grootendeels modern.
De buitenzijde der kerk is zeer sober. De eenvoudige steunbeeren heb-
ben eenige geledingen. Ook de daklijsten zijn al even eenvoudig. Lucht-
bogen ontbreken en zijn er ook nooit geweest, evenmin als steunbeeren
langs de muren van den middenbeuk boven de zijpanden. Het even-
wichtsprobleem der gewelven van den hoofdbeuk, waarvan de muren
nog te lood staan, is door den bouwmeester meesterlijk opgelost. De
hoofdingang der kerk was en is nog in den zuidelijken transeptarm.
Hier is ook versiering aangebracht door beeldhouwwerk, dat eerst kort
geleden is hersteld en gedeeltelijk vernieuwd. Eenige beelden ontbre-
ken nog. Andere ingangen zijn in het Noordertransept en aan de West-
zijde naast den toren. De groote deur onder den toren wordt als toe-
gang niet gebruikt.
Het bouwmateriaal is hoofdzakelijk gewone baksteen van ongeveer
28 c.M. lang. De basementen aan de buitenzijden en de afdekking der
steunbeeren zijn van natuursteen
De toren heeft vier geledingen. De drie onderste zijn gelijk met de
kerk gebouwd; de bovenste is, blijkens een daar geplaatst jaartal waar-
schijnlijk van 1604. In 1663 werd het kapwerk vernieuwd en het beeld
van St. Christoffel geplaatst. Reeds in 1578 droeg de toren een uurwerk.
In 1814 werd de wijzerplaat vernieuwd.
Herhaalde malen is de kerk door brand geteisterd en meermalen werd
de toren door den bliksem getroffen. In 1614 werd de kerk door een
storm geteisterd en groote schade gedaan aan het gewandmakerskoor.
De branden van 1554 en 1665, het inslaan van den bliksem in 1790 en
de brand van 1819 hadden de kerk vrijwel gespaard. De torenbrand
van 1892 heeft echter de torenspits, de klokken, het orgel en het kerk-
dak vernield; de gewelven zijn niet bezweken. Op 6 November 1921
is de spits bij een hevigen storm op het dak van de kruising neergeploft,
vernielde het gewelf der kruising en richtte groote schade aan. Sedert



366
serklooster te Roermond, de bisschop van Luik de kerk van Roermond.
4. Een tweede wijding der kerk geschiedde in 1224 door bisschop
Engelbert van Keulen.
5. Richarda wordt abdis genoemd in twee diploma's, één van 1220 en
één van 1222 en zij zelve noemt zich abdis in een oorkonde van 1223.
Zij overleed 17 December 1231, nadat zij gedurende zes jaren aan het
hoofd van het klooster had gestaan, zooals gebeiteld staat op haar
6. Na 1224 is waarschijnlijk nog aan de kerk gebouwd, want in 1244
grafzerk.
verleende bisschop Konrad van Keulen een aflaat aan hen, die bijdroe-
gen tot het voltooien van de abdij.
Eenerzijds is men de meening toegedaan dat het Munster in zijn ge-
heel kort voor 1224 gebouwd is. Anderzijds echter acht men de aan-
gehaalde historische gegevens gedeeltelijk met elkander in tegenspraak.
Immers twee stichtingen in 1218 en 1224, en ook twee wijdingen in
1220 en 1224 geven grond voor zulke tegenspraak. Deze verdwijnt ech-
ter o.i. bij eene grondige bestudeering van het steenen archiefstuk
n.l. de kerk zelve. Het is eenvoudig onmogelijk, dat het Munster in een
tijdsverloop van 31/2 jaar - 1220 tot 16 Juni 1224 - voltooid is kunnen
worden. Men denke slechts aan het aanvoeren en het bewerken der
materialen: mergel en hardsteen in de 13de eeuw, waar alle vervoer per
as of te water moest geschieden. Men heeft de kerk bij gedeelten ge-
bouwd, of juister gezegd: eene bestaande kerk bij gedeelten vernieuwd.
Want het is onze overtuiging, dat er in 1213 reeds een kerk bestond
ter plaatse waar thans het Munster is gelegen.
In 1213 was Roermond door Keizer Otto IV verwoest en geplunderd.
Dat de bestaande kerk toen tot op de fundeering werd vernietigd is niet
aan te nemen. Dak en gewelven stortten wellicht door brand in, doch
de muren bleven grootendeels bestaan. Deze ruïne werd in 1218 door
Richarda onder haar beheer genomen en een gedeelte ervan n.l. het
schip voorloopig tot noodkerk ingericht en in 1220 gewijd. Na de defi-
nitieve, canonieke stichting der abdij in 1219 werd begonnen met her-
stel en vernieuwing der kerk. In eene eerste periode werden het koor en
het transept hersteld en vernieuwd, zoodat dit gedeelte in 1224 kon ge-
wijd worden. In eene tweede periode werd het schip gebouwd; in eene
derde periode de westbouw. Na 1224 is nog meer aan de kerk gebouwd,
zie hierboven (6). Van de bouwgeschiedenis der kerk gedurende de ver-
dere middeleeuwen is weinig of niets bekend. In de 18de eeuw werd
zij voorzien van een achtkanten koepel op het midden van den west-
bouw (zie afb. Munsterkerk bij het artikel van Mr. R. de Nerée tot
Babberich). In de jaren 1864-1891 werd de geheele kerk gerestau-
reerd door Dr. P. J. H. Cuypers, waarbij genoemde koepel werd afge-
broken en de twee torens aan den westbouw werden opgetrokken.
Het gebouw is van mergel en in kleine hoeveelheden van Naamschen
steen en Drachenfelder trachyt opgebouwd; de zuilschachten zijn van
zwart Belgisch marmer.
De beschikbare ruimte veroorlooft ons niet af te dalen in vele détails;
wij moeten ons bepalen tot hoofdpunten. Daarom meenen wij hier voor-

368
correspondeeren de 8 kleinere vierkante gewelfvakken der zijbeu-
ken. De galerijen boven de zijbeuken hebben gelijke indeeling als de
zijbeuken. De wanden van den hoofdbeuk vertoonen in de hoogte drie
geledingen; overeenkomend: de eerste met de boogstellingen der zij-
beuken, de tweede met die der galerijen, terwijl de derde die der ven-
sters van den hoofdbeuk vormt. Ook langs deze vensters gaat een loop-
gang door, rustend aan de voorzijde op slanke zuiltjes. De boogstelling
der zijbeuken heeft 8 halfronde openingen boven welke op de galerijen
correspondeeren: een gelijk aantal dubbele door een zuiltje gescheiden
en door één grooteren boog omspannen halfronde openingen. Uitwen-
dig zijn de zijbeuksmuren met hunne kleine halfronde vensters zeer
eenvoudig; zij zijn nog vrijwel onveranderde overblijfselen der eerste
kerk.
De gewelven der zijbeuken en der galerijen hebben nog den romaan-
schen halfronden vorm; enkele zijn eenigszins, hoewel bijna onmerk-
baar, spitsboogvormig. Zij zijn nog afkomstig van de oude kerk. De
gewelfbogen van hoofdbeuk, transept en absiden zijn alle spitsbogen.
De gewelven van den hoofdbeuk rusten op kruisribben, in hun kruis-
punt overgaande in een vreemdsoortigen stalactietvormigen sluit-
steen. Bij de ondergeschikte bogen als muurbogen en dergelijke vonden
zoowel halfronde als zeer gedrukte spitsbogen aanwending.
Westbouw. Een geheel ander karakter dan het overige der kerk ver-
toont de westbouw. Met uitzondering van het onderste gedeelte, dat
nog van de oude kerk moet afkomstig zijn, komt hier overal en uitslui-
tend de spitsboog voor. De geheele bouw draagt dan ook een vroeg-
gothisch karakter. Hij bestond bij de oude kerk, zooals bij zoovele
klooster- en stiftskerken, uit twee verdiepingen. De benedenste, liggen-
de gelijk met de kerk, was dikwijls een westelijk koor en bevatte een
altaar; de bovenste was eene tribune, bestemd voor de kloosterzusters
of de stiftsdames, zooals b.v. ook te Thorn en te Susteren. Ze was het
„jouffrenkoor”. Men zie afb. Plan Munsterkerk, het plan der oude kerk.
De westbouw in de oude kerk was zeer ruim (zie afb. Plan Munsterkerk)
en bestond uit 6 gewelfvakken, van welke het vierkante, middelste aan-
sloot aan den hoofdbeuk. Ten N. en Z. waren tegen de zijden van het
vierkant rechthoekige vakken, aansluitend aan de zijbeuken, en in de
N.W. en Z.W. hoeken twee het geheel sluitende kleine vierkante vakken,
waartusschen een rechthoekig vak. De gewelven boven de benedenver-
dieping - het westelijk koor - waren riblooze romaansche gewelven
rustend op tamelijk vlakke segmentbogen. De tribune stond in directe
verbinding met de galerijen boven de zijbeuken. Toegang van uit de
kerk tot de tribune werd verkregen door twee wenteltrapjes in den
N.O. en Z.O. hoek, ongeveer ter plaatse waar ze thans nog zijn doch
met gewijzigden toegang. Deze trapjes voerden. van uit de tribune
ook hooger op.
Eenigszins later, doch in elk geval in de eerste helft der 13de eeuw, moet
men de behoefte hebben gevoeld om den hoofdbeuk der kerk uit te
breiden, hetgeen werd bereikt door het groote vierkante gewelf weg
te breken. Resten van dit gewelf bestaan nog. Daardoor werd de opper-

370
Ook Richarda is in het Munster begraven, in den zuidelijken transept-
arm. De steen, die thans haar graf dekt is van veel later tijd, waar-
schijnlijk uit de 17de eeuw. De kerk bevat nog een aantal grafsteenen,
doch deze zijn van minder waarde.
Het Munster bevat o.a. nog de volgende kunstvoorwerpen:
1. Gesneden altaarretabel ( 1500) met beschilderde binnenzijde der
vleugels.
2. Ebbenhouten sacramentskastje met zilverbeslag (17de eeuw).
3. Roodmarmeren doopvont (18de eeuw), voet nieuw
4. Beelden: groep voorstellend de kruisafneming (14de eeuw); vijf
bijeenhoorende beelden (15de eeuw); Maria, Joannes en drie vrouwen;
H. Bernardus (16de eeuw); H. Jozef (17de eeuw); O. L. Vr. van Vogel-
sangh (15de eeuw); groot Kruisbeeld (14de eeuw), afkomstig van het Be-
gijnhof; houten Marianum (westhelft 13de eeuw, oosthelft 15de eeuw).
5. Paramenten, goud- en zilverwerk, koperwerk e.d.
Het groote beeld van St. Christoffel, geheel onder in de kerk geplaatst,
is het beeld, hetwelk door den beeldhouwer Thissen vervaardigd is
als model geheel overeenkomstig het bij den brand van den kathedraal-
toren in 1892 vernielde beeld van St. Christoffel.
Munsterabdij. De abdij, welke Richarda stichtte, lag ten Zuiden van
de kerk en sloot met haar oostelijken vleugel tegen het Z.O .- torentje
en met haren westelijken vleugel tegen den westbouw der kerk. Hare
fundeeringen zijn indertijd geheel ontgraven, doch thans weer onder
den grond verborgen. Bij het afbreken der kazernegebouwen, de ge-
bouwen der abdij zooals alle Roermondenaars ze nog hebben gekend,
zijn enkele resten van de eerste abdij ingemetseld tusschen de muren
teruggevonden; meer in het bijzonder overblijfselen van den refter,
met sporen van wandschildering, alle geheel in den stijl van de eerste
helft der 13de eeuw. De ingangspoort met gevel en een nis en het wapen
eener abdis (1670) vroeger gelegen in de Hamstraat is thans verdwenen;
het wapen is ingemetseld in den gevel der rectorswoning. Nog zijn te
noemen: het jaartal 1618 op zes balken en een gevelsteen van 1718.

DE NEDERLANDSCH HERVORMDE KERK.
De Nederlandsch Hervormde Kerk, voormalige kloosterkerk der Min-
derbroeders, is oorspronkelijk in 1307 gesticht door graaf Reinald I.
Volgens Slichtenhorst moet er echter reeds vroeger een Minderbroe-
dersklooster zijn geweest. Bij de inneming van Roermond door Prins
Willem van Oranje in 1572 werd de kerk verwoest, doch in 1576 weder
hersteld. In 1794 werd zij door de Oostenrijkers tot kazerne ingericht.
De Franschen maakten er een hospitaal van en riepen de verdreven
Minderbroeders terug om de zieken te verplegen, maar in 1797 werden
de kloosterlingen voorgoed uit kerk en klooster verdreven. De kerk
raakte in verval tot 1821. toen ze tot gereformeerde kerk werd ingericht.
Alleen het koor werd in gebruik genomen en in orde gebracht; het
overige gedeelte bleef bergplaats. In 1906 werd de geheele kerk door
Dr. Cuypers gerestaureerd en vanaf dien tijd in haar geheel voor den
dienst gebruikt.

372
De kerk bezit een driehoekigen lezenaaradelaar op driekanten voet,
werk uit de XVIde eeuw, bekend als „de specht"
Aansluitend aan de noordzijde der kerk bevindt zich een eenvoudige
gothische kapel, thans door de goede zorgen van den H.E. Heer Cloots,
Provisor, gerestaureerd. Tegen den westelijken muur van deze kapel
vond men een muurschildering voorstellend: Het Laatste Oordeel.
Zij is, - 't was noodig -, met het muurwerk waarop zij was geschil-
derd uitgebroken en naar een veilige plaats overgebracht.
Vóór de kerk ligt de vroegere kapittelzaal uit 1556. Het is een vierkante,
vrij hooge ruimte, overdekt door een stergewelf met renaissancekopjes
als kraagsteenen.
Naast de kapittelzaal is de refter, blijkens een jaartal in de zoldering,
uit 1748. De zoldering in stuc had veel geleden door witten, maar
is thans door de zorgen van den H.E. Heer Cloots gerestaureerd en
De ingangspoort op de binnenplaats heeft een ellipsboog, waarboven
geschilderd.
een horizontale kroonlijst en op deze met gezwenkten en geornamen-
teerden voet rustend een kleine sierlijke nis. Het geheel is in hard-
steen en dateert blijkens een opschrift uit 1773.
De uitgestrekte kloostergang, die den grooten tuin omsluit, is gebouwd
in 1743. De daaromheen naar buiten gelegen woningen der Karthuizers
zijn verdwenen. De geheele gang is met vierkante renaissancekruis-
gewelven overwelfd op vlakke ellipsgordelbogen, die met eenvoudige
lijstkapiteelen rusten op pilasters.
In den buitentuin stond tot voor enkele jaren een renaissance gebouw-
tje van goede proporties met dubbel gezwenkten topgevel. Het was
vroeger kapel, daarna bergplaats. Voor eenige jaren is het hoofdgebouw
vernieuwd; daarbij bleven de oudere gedeelten intact.

HET VROEGERE BISSCHOPPELIJK PALEIS,
THANS GERECHTSHOF.
Het gebouw dateert van 18 Augustus 1683. De vroegere bisschoppelijke
woning ging bij den brand van 1665 met een groot gedeelte van de stad
in vlammen op. Na den Franschen tijd heeft het gebouw verschillende
bestemmingen gehad. Omtrent het eigendomsrecht blijkt verschil van
meening te hebben bestaan tusschen Rijk en Gemeente. In 1871 werd
het gebouw tengevolge van een proces, dat aan de Gemeente den eigen-
dom toekende, door de Regeering aangekocht die het bestemde voor
de ariondissementsrechtbank en het kantongerecht, en het daartoe in-
wendig geheel liet verbouwen.
Het eenvoudige gebouw bestaat uit een middengedeelte en twee zij-
vleugels, die aan drie zijden een open plaats insluiten, terwijl de vierde
zijde, langs de straat, van deze wordt afgesloten door een ijzeren hek-
werk op hardsteenen onderbouw, in 't midden met tweevleugelig in-
gangshek, begrensd door twee hardsteenen pijlers. De dubbele ingangs-
deur in het midden is omsloten door hardsteen en geornamenteerd.



374
oorspronkelijk een tongewelf hadden, rustend op muren evenwijdig
aan den tegenwoordigen voorgevel, iets tot deze veronderstelling heb-
ben bijgedragen. Maar in het achterste gedeelte vindt men ook kelder-
muren loodrecht op deze richting. In een dezer muren bevindt zich
een nis van mergel, vermoedelijk uit het begin der 16e eeuw en die
wel tot de alleroudste overblijfselen zal hebben behoord van het oude,
nog niet verbouwde stadhuis. Over de ligging daarvan heeft men ech-
ter geen zekerheid. Het oude stadhuis brandde in 1554 geheel uit.
Wanneer met den herbouw is begonnen, is ook niet bekend. De Donder-
dagsche Protocollen beginnen eerst omstreeks 1596 en vermelden er
niets van. Wel staat in het Verdrachsboek 18 Juni 1592, dat om de vele
schrifturen van de stad te bergen achter het (toen bestaande) Raadhuis
een schrijfkamer zou getimmerd worden. Ruim veertien jaren later, op
9 Augustus 1606, werd besloten dat men „boven op 't heerenhuys door-
gaens (d.w.z. over de gansche lengte) eenen solder sal leggen" enz.
Op een der balken in het kantoor van den Burgerlijken Stand vond
men eenige jaren geleden tusschen de wapens van Roermond en Gelre,
omgeven van stukadoorwerk, het jaartal „Anno 1624". Waarschijnlijk
vormde dit kantoor met het naastgelegen „duitenhuiske" of ontvangers-
kantoor en de daarboven gelegen vertrekken en zolderingen, en mèt de
reeds genoemde keldermuren nog overblijfselen van den allereersten
bouw.
Op Drievuldigheidszondag 1665 werd bijna de geheele stad Roermond
door brand in asch gelegd, maar het raadhuis bleef gespaard. Om-
dat aan de vernieuwing en uitbreiding van het raadhuis voornamelijk
op het einde der 17de eeuw is gewerkt, is bij sommige schrijvers het mis-
verstand ontstaan, dat op dien onheilsdag van 1665 wederom het stad-
huis is afgebrand. Dat is niet gebeurd, maar wel verkeerde het gebouw
toen in desolaten toestand. En mèt den opbouw van de stad was de
magistraat er dan ook op bedacht om het stadhuis te herstellen en uit
te breiden.
In 1695 besloot de stadsregeering volgens de Donderdagsche protocol-
len tot den bouw der „Riddercamere“, en van „de Gedeputeerde Ca-
mere voor de Steden", nu als Raadszaal in gebruik.
Over den bouw van den voorgevel in 1698 geven de Donderdagsche
Protocollen meerdere mededeelingen. Op 9 Juni 1712 zou men overgaan
tot het vernieuwen van het dak, maar het schijnt dat toen de geld-
middelen ontbraken. Want op 22 Maart 1714 wordt voor de tweede
maal het besluit genomen het dak te vernieuwen, zelfs met „eenen
geproportionneerden thoren" Doch het duurde nog tot 1719 eer men
ertoe overging en wel volgens het model gemaakt door Pleun van Boles.
Uit die verbouwing van ± 1700 dateert de geheele voorvleugel boven-
grondsch, die ook in 1840 en 1905 nog is verbouwd en welke, behalve
de onderkelderde hoofdverdieping, nog een eerste verdieping en een
kapverdieping met schilddak toont.
De baksteenen voorgevel, in 1880 gecement, rust op een hardsteenen
plint en is door geblokte pilasters in elf venstervakken verdeeld. Het
iets vooruitspringende middenvak omvat den ingang aan een twee-

376
munting van het geld was belast. Uit het inschrift in het deksel: „Ex
liberali donatione Jacobi Nederhoven monetarii Ruremundensis 1609"
blijkt, dat de beker in 1609 door Johan van Nederhoven aan de stad
is geschonken.

HET VOORMALIGE PENITENTENKLOOSTER.
Van het oude gebouw resten nog slechts enkele kelders. De bij dit ge-
bouw behoorende kerk, de H. Geestkerk, werd in 1561 door Paus Pau-
lus IV tot kathedraal verheven. Bij den brand in 1665 werd zij grooten-
deels vernield, maar daarna weder hersteld. In 1821 werd zij afgebro-
ken; de gedeeltelijk afgebroken kerk is afgebeeld op een schilderij, be-
rustend op het Raadhuis.

MERKWAARDIGE GEBOUWEN EN HUIZEN.
De toegestane ruimte laat niet toe van de volgende gebouwen en hui-
zen meer op te nemen dan de namen, een korte omschrijving, de ligging,
het stichtingsjaar en van sommige kloosters het jaar van opheffing.
Van het klooster Mariagaarde rest nog slechts een poortje, waarvan
de sluitsteen het gekroonde jaartal 1693 draagt. Tot voor korten tijd
stond het poortje in de Mariagardestraat; thans is het afgebroken en
zal herbouwd een plaats vinden in het Museum. Het klooster is gesticht
in 1463.
Van het Beggaardenklooster St. Theobald, hoek Bakkerstraat-Zwart-
broekstraat, dat in 1783 werd opgeheven, rest nog een gedeelte van de
baksteenen kapel uit de 15de eeuw, overspannen door kruisribgewelven
met gebeeldhouwde sluitsteenen. De vensters zijn deels dichtgemetseld.
Het vroegere Carmelitessenklooster, thans St. Josephsgesticht der
Broeders Franciscanen, op den hoek van Lindanusstraat en Carmeli-
tessenstraat bevat van het vroegere gebouw nog slechts enkele gevel-
gedeelten. Het klooster werd in 1698 gesticht en ook in 1798 opgeheven.
Ook van het vroegere Clarissenklooster in de Neerstraat, vroegere
brouwerij Volkhemer, gesticht in 1620 en opgeheven in 1789, zijn nog
slechts enkele onaanzienlijke baksteenen muurresten overgebleven. Het-
slechts enkele onaanzienlijke baksteenen muurresten overgebleven.
Hetzelfde moet ook worden vermeld van het vroegere klooster Gods-
weerd der Franciscanessen, 1344-1784, thans pensionaat en school
der Ursulinen.
Het vroegere Jezuietenklooster, opgeheven in 1773, is thans het gebouw
der Rijks Hoogere Burgerschool. Het klooster is gesticht na den brand
van 1665. Daarvan bestaan nog twee loodrecht aaneensluitende bak-
steenen vleugels, twee verdiepingen hoog onder omgaande schilddaken.
Verder nog enkele met hardsteen omlijste vensters en poorten. Het
bekende straatpoortje moest in 1931 wegens verbouwing verdwijnen;
een foto ervan is onder de afbeeldingen in dit boek opgenomen.
Het vroegere Ursulinenklooster aan de Steegstraat werd in 1646 betrok-
ken, in 1685 vergroot en in 1798 opgeheven. Het is gedeeltelijk ver-
bouwd tot heerenhuis en tot R. K. Landbouwschool. Van de kerk bij dit

378
een zeer beschadigden met natuursteen gedetailleerden 16de eeuwschen
gevel in de Neerstraat 14. Volledigheidshalve sommen wij nog op de
volgende gevels: St. Nicolaasstraat 2, 1660; Pollartstraat 17, 1699:
Schoenmakerstraat, topgevel ± 1700; Steegstraat 9, uit de 17de en 18de
eeuw; Veldstraat 19, 1663; Jezuietenstraat 7, 18de eeuwsche gevel;
Steegstraat 30, het voormalige huis Bocholtz en op de Swalmerstraat
38 nog een 18de eeuwsche gevel.
O. L. VROUW IN 'T ZAND.
Deze bekende kapel, gesticht vóór 1435 is sedert meermalen verbouwd
en vergroot. De bestaande kapel dateert van 1895. Van het oude ge-
bouw zijn nog bewaard vier groote mergelsteenen cijfers (1613) en een
aantal geprofileerde gewelfribstukken met resten van polychromie.
Het beroemde mirakuleuze beeld is een klein, sierlijk, niet gepolychro-
meerd eikenhouten beeldje uit de 15de eeuw.



































380
enkele huisjes, waarna het plein kon worden aangelegd. Deze huisjes,
alsmede de reeds genoemde gemeenteeigendommen, de Brouwerijstal,
de Meelwaag en het oud Arresthuis werden daartoe in 1865 afgebroken.
In 1866 volgde daarop een ruilingsovereenkomst met het bestuur der
Munsterkerk, waarbij aan de Gemeente werden afgestaan de ommuurde
tuin en het voorplein van de Munsterkerk, terwijl aan de kerk werden
afgestaan de grond voor een nieuwe pastorie en een strook grond om
de geheele kerk ter breedte van 4 M. Reeds toen werd gedacht aan
uitdieping van het plein, want in deze overeenkomst werd tevens vast-
gelegd, dat, ingeval de Gemeente mocht overgaan tot uitdieping van
het Munsterplein, zij hetzelfde zal mogen doen met de 4 M. breede
strook grond aan de kerk toebehoorende, zonder dat zulks ten nadeele
van het gebouw zal strekken. Na deze overeenkomst is het Munster-
plein in zijn tegenwoordigen vorm aangelegd. De muur om den kerk-
tuin werd daartoe afgebroken.
Het in 1861 begonnen werk werd voortgezet in 1923, toen de Gemeente
weder in het vrije bezit kwam van de aan de Munsterkerk grenzende
terreinen, voordien bij het garnizoen in gebruik. Wegens opheffing
van het garnizoen was de Landsregeering verplicht de aan de Gemeente
toebehoorende kazerneterreinen en -gebouwen weder ter beschikking
van de Gemeente te stellen. Voor het meerendeel dezer terreinen en
gebouwen geschiedde dit in 1923, zoodat in dat jaar de Gemeente in
de gelegenheid kwam de Munsterkerk vrij te leggen. De plannen, waar-
naar dit werk is uitgevoerd, zijn van de hand van Ir. Jos. Th. J. Cuijpers,
den zoon van den bouwmeester onder wiens leiding de Munsterkerk
werd gerestaureerd. De uitvoering van deze plannen vorderde de sloo-
ping van het meerendeel der oude kazernegebouwen, waartoe dan ook
werd overgegaan. Bij het afbreken van een dezer gebouwen, genaamd
het oudklooster, werden belangrijke fragmenten van historische bouw-
kunst gevonden, door den Directeur van het Rijksbureau voor de Mo-
numentenzorg aangezien voor overblijfselen van de eetzaal der oude
Cistercienserabdij, door plaatselijke historici gehouden voor restanten
van een zaal uit een grafelijk Geldersch paleis.
Na verlegging in Oostelijke richting van de Graaf Gerardstraat werd
een gedeelte van het oude kazerneterrein, waarop een oud stalgebouw,
de cantine en de manége, overgedaan aan het Bisschoppelijk College.
Op het resteerend terrein werd de Abdijhof aangelegd, werden wonin-
gen en winkelhuizen gebouwd, terwijl een ander deel werd overgedra-
gen aan het Bestuur der Munsterkerk voor den bouw van een rectoraat,
een kapelanie en den aanleg van een nieuwen kerktuin. Hier werd
bovendien gelegenheid gevonden tot huldiging van den grooten bouw-
meester, Dr. P. Cuypers, door de plaatsing van zijn standbeeld in de
schaduw van zijn meesterwerk. Dit standbeeld, ontworpen door den
beeldhouwer A. Falise, werd op 10 Juni 1930 onthuld door Zijne
Koninklijke Hoogheid, den Prins der Nederlanden.
Op de oude vestinggronden, waarover de Gemeente in 1819 weder
de beschikking had gekregen, werden aanvankelijk „wandelingen“ aan-

382
rapporten en heftige discussies aanleiding gaf. In de raadsvergadering
van 17 Maart 1884, waarin ten slotte de voorstellen van Burgemeester
en Wethouders werden aangenomen, deelde de Burgemeester, Mr. H.
Brouwers, mede, dat hij ontslag als Burgemeester zou vragen, omdat
hij zich niet meer bestand gevoelde tegen bestrijding, welke niet op
eerlijke en loyale wijze geschiedde.
In datzelfde jaar nog vond de eerste verkoop plaats van bouwterreinen
aan den Godsweerdersingel. In 1898 werden langs dezen singel de laat-
ste bouwplaatsen verkocht.
Daarop volgde de aanleg van den Minderbroederssingel; de bouw-
gronden, welke de Gemeente langs dezen singel te verkoopen had, wer-
den in 1906 verkocht aan de aangrenzende eigenaars. Van de aan de
koopers opgelegde verplichting tot bebouwing van deze gronden werd
later ontheffing verleend, waarvan het gevolg is, dat enkele perceelen
thans nog niet zijn bebouwd.
De laatste uitbreiding, welke aan den gordel van singels om de stad
is gegeven door den aanleg van den Wilhelminasingel, ligt iederen
Roermondenaar nog versch in het geheugen. De belangen van de
scheepvaart op de gekanaliseerde Maas vorderden, dat de Maasbrug
zou worden omhooggebracht, waardoor de hellingen voor de stoom-
tram te steil werden. Hieraan was alleen tegemoet te komen door de
trambaan van Minderbroederssingel, Roersingel, Roerkade en Buitenop
te verleggen naar haar tegenwoordig tracé, waar destijds de Padden-
poel en de Prinsendijk (aangelegd in 1885) werden aangetroffen. Een
belangrijke ophooging, plaatselijk zelfs tot 6 M. hoogte, was hiertoe
noodig, waaraan door den Rijkswaterstaat rond 100.000 M3. grond-
specie werden verwerkt, verkregen door baggeren uit de Maas. Op
deze ophooging vond de Gemeente gelegenheid in 1927 langs den rij-
weg een plantsoen aan te leggen volgens het ontwerp van den tuin-
architect D. F. Tersteeg, welk plan door de eigenaars van de aangren-
zende panden welwillend ter beschikking van de Gemeente was ge-
steld. Zoo werd een nieuw plantsoen aangelegd in de onmiddellijke
nabijheid van de plaats, waar ruim honderd jaar te voren, en wel in
1813, een ander plantsoen was aangelegd, de Doolhof, waarnaar nog
een gedeelte van de Stadsweide wordt genoemd, welk plantsoen echter
in 1830 werd vernield. Als herinnering aan den Doolhof staat echter
aan de grens van de nieuwe ophooging nog de oude Koningsboom,
een plataan geplant als aandenken aan de troonsbestijging van Koning
Willem I.
De aanleg van den Minderbroederssingel bracht mede den aanleg van
een nieuwe verbinding tusschen de Minderbroedersstraat en den Min-
derbroederssingel, welke werd geprojecteerd naast de gerestaureerde
Protestantsche Kerk. Nadat in 1906 de Raad had besloten hiertoe twee
huizen aan te koopen, volgde in 1909 de aanleg van deze verbindings-
straat, welke Peregrinus Vogelsstraat werd genoemd.
Een andere ingrijpende verandering in de indeeling van het stadscen-
trum was het verdwijnen van het Begijnhof. Nadat in 1906 de benoo-

384
was in aanleg, en het werd als een groot Roermondsch belang aange-
voeld, dat de bewoners van de plaatsen aan den linker Maasoever een
goede en zekere verbinding zouden hebben met het spoorwegstation
Roermond. Bij beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken
van den 9den April 1863, No. 163, verkreeg de gemeente Roermond
dan ook de concessie voor den bouw van een vaste brug over de Maas.
De financiering van dit belangrijke werk leverde groote bezwaren op,
en om de benoodigde f 350.000 .- bijeen te brengen zag de Gemeente
zich dan ook genoodzaakt 58 bunder gemeente-weiden, gelegen aan den
linker Maasoever, te verkoopen.
De brug, ontworpen door Ingenieur Nierstrasz, werd gebouwd onder
toezicht van Ingenieur Schmich. De bovenbouw werd geleverd door de
Société John Cockerill te Seraing.
Op 7 Augustus 1867 werd de brug voor het verkeer opengesteld in
tegenwoordigheid van de Ministers van Binnenlandsche Zaken en Jus-
titie, den Commissaris des Konings, de Burgemeesters van omliggende
gemeenten, en verdere autoriteiten. Aan de bij die gelegenheid door
den Burgemeester van Roermond, den heer Beerenbroek, gehouden
redevoering zij ontleend, dat werd verwacht, dat de opbrengst van
het bruggeld, althans in de eerste jaren na de voltooiing, niet direct
toereikend zou zijn om den intrest van het kapitaal aan deze onder-
neming besteed en de kosten van onderhoud te kunnen dekken, waar-
aan de Burgemeester dan in een adem toevoegde, dat bij den Raad
de overtuiging vaststond, dat deze brug na verloop van jaren eene
bron van inkomsten voor de gemeentekas beloofde te worden, die zeer
mild zoude vloeien.
Uit de besprekingen, aan den bouw van de brug voorafgaande blijkt,
dat werd verwacht, dat de brug na 5, hoogstens 10 jaren rendabel
zou zijn. Deze verwachtingen kunnen alleszins gerechtvaardigd zijn
geweest, want toen was nauwelijks te voorzien, dat de spoorwegen het
verkeer van de gewone wegen zouden afleiden. In werkelijkheid bracht
de brug voor de Gemeente belangrijke finantieele verliezen, want in-
stede van een toename van het verkeer, had een vermindering daarvan
plaats, en de gekapitaliseerde tekorten op deze brug zouden heden
ten dage het niet onbelangrijke kapitaal van rond twee millioen gulden
bedragen.
Na den bouw van de brug is er nog sprake van geweest of zij niet
behoorde te worden voorzien van portalen, en om het effect daarvan
te kunnen beoordeelen, werden portalen in hout aangebracht, zooals
nog wordt getoond op een gekleurde teekening, aanwezig op het raad-
huis.
De groote oorzaak van de misrekening omtrent de finantieele opoffe-
ring, welke de Maasbrug zou medebrengen, was de aanleg van de spoor-
wegen. Aanvankelijk bestond in ons land de neiging de spoorwegen
door particulieren te laten aanleggen, hetgeen talrijke aanvragen om
concessie uitlokte. Zoo werd in 1857 door de heeren Robert Magnée
en Louis Beerenbroek concessie aangevraagd voor den aanleg van een


386
kapers op de kust, want hij verzocht tegelijk met het indienen van
de concessieaanvrage den wethouder om, indien het noodig was, een
kaart bij de aanvrage te willen voegen, en daarop met rooden inkt de
lijn te willen teekenen, zooals de wethouder het beste oordeelde!
Een zoo weinig serieuze aanvrage zou uit den aard der zaak geen resul-
taat opleveren. In 1885 kwam een verzoek in van het technisch bureau
L. Solten en Co. te Venlo om concessie voor een spoorwegverbinding
van het station met de fabrieken langs de Roer. Er zouden nog talrijke
concessieaanvragen volgen, eer inderdaad tot aanleg zou worden over-
In 1897 kwam een verzoek om concessie in van E. O. de Burlett voor
gegaan.
een tramlijn Blerick-Maaseyck met een zijtak Horn-Roermond, terwijl
in datzelfde jaar J. A. A. Jonkergouw concessie vroeg voor een tram-
lijn Venlo-Blerick-Horn-Ittervoort met zijtakken naar Meijel en
Roermond. De Gemeente gaf de voorkeur aan het project Jonkergouw,
zegde in 1900 een jaarlijksche bijdrage toe, doch van uitvoering kwam
niets. Inmiddels was in 1898 nog een verzoek ingekomen van A. J. C.
Vitringer voor een electrische tramlijn Roermond-Heinsberg, in 1900
van Nieuwmeijer en consorten voor een stoomtramlijn Roermond-
Haelen-Deurne-Helmond en in datzelfde jaar van B. J. Souman
voor verschillende tramlijnen. In 1901 verkreeg Nieuwmeijer, die de
lijnen zonder subsidie wilde bouwen, de verlangde concessie, doch na
herhaald uitstel kwam deze concessie in 1903 te vervallen wegens het
achterwege blijven van een begin van uitvoering.
Nadat de Gemeente in 1905 had besloten om voor f 100.000 .- deel te
nemen in het kapitaal voor een trambaan Roermond-Heinsberg en
Roermond-Maeseyck, scheen het dat er eindelijk voortgang in den
tramaanleg zou komen, toen in 1907 burgemeester Raupp als voorzitter
van het tramwegcomité aan belanghebbende gemeenten concessie
vroeg voor een trambaan Roermond-Kessenich. In 1907 werden de
statuten vastgesteld van de N. V. Eerste Limburgsche Stoomtramweg
Maatschappij, welke in 1909 ook concessie kreeg voor een trambaan
Roermond-Heinsberg. Maar ook deze concessie zou nog niet tot tram-
aanleg leiden. Eerst nadat in 1911 de N. V. Centrale Limburgsche
Spoorweg (Stoomtramweg) Maatschappij was tot stand gekomen, nam
de aanleg der lijnen een aanvang. De gemeente Roermond nam in het
aandeelenkapitaal dezer Maatschappij deel voor f 60.000 .- , welk
bedrag naar gelang de aanleg der lijnen vorderde is gestegen tot
f 300.000 .-. Een nog in 1912 ingekomen aanvraag van de firma La-
maison, Bouwer en Co. voor een trambaan Roermond-Deurne had nu
geen kans meer. De tramaanleg werd nu bij de C.L.S.M. gecentraliseerd.
Dertig jaar na de eerste aanvraag om concessie in 1882, werden de eer-
ste werken van de trambaan, de doorlaatbruggen in den weg Roer-
mond-Horn gebouwd. De werkzaamheden werden nu flink aange-
pakt, doch tengevolge van onvermijdelijke vertraging, voortvloeiende
uit den oorlogtoestand sedert Augustus 1914, duurde het tot 1915 eer
de eerste trambaan der C.L.S.M., de lijn Roermond-Kessenich, kon
worden geopend. Reeds het volgende jaar in 1916 volgde de lijn Roer-

388
tijden om zooveel mogelijk brandstoffen op de spoorwegen te besparen,
Roermond steun verleende voor het maken van een losplaats aan de
Maas, om het daarna ook tot nutstation te kunnen verklaren. Niet
zoodra was de brandstoffennood echter voorbij of de scheepvaart ver-
viel weder. Deze stilstand in de scheepvaart bleef voortduren totdat de
invloed van de werken der Maaskanalisatie op de vaardiepte der Maas
merkbaar werd. De scheepvaart herleefde toen onmiddellijk, om wel-
dra een te voren ongekenden bloei te bereiken. Het aantal en de tonnen-
maat der schepen, welke van den gemeentelijken loswal gebruik maak-
ten, stegen in de volgende mate.
jaar - aantal schepen - tonnenmaat
1924 - 309 - 39.947
1925 - 375 - 41.893
1926 - 405 - 45.183
1927 - 460 - 51.999
1928 - 876 - 85.982
1929 - 951 - 92.686
1930 - 1041 - 134.949
1931 - 1254 - 178.640
Duidelijk spreekt uit deze cijfers het geheel gereed komen van den
vaarweg op Roermond in 1928. In dat jaar kwam ook de nieuwe los- en
laadwal van de Gemeente gereed. Deze wal, welke is voorzien van een
stalen damwand en bestraat met Zweedschgranietkeien, is ruim
200 M. lang. Daarbij sluiten aan de niet beschoeide wal ter lengte van
100 M., en de steenen kaaimuren langs Looskade en Roerkade ter lengte
van 200 M.
In 1931 is een smalspoorlijn van de L.T.M. doorgetrokken naar den
loswal, zoodat thans gelegenheid bestaat om van smalspoor op schip
om te slaan en omgekeerd.
De werken der maaskanalisatie hebben deze rivier geschikt gemaakt
voor schepen tot 2000 ton, en schepen van deze grootte kunnen ook aan
den Roermondschen loswal laden en lossen.
Als onderdeel van de werken der maaskanalisatie is door den Rijks-
waterstaat op het grondgebied der gemeente Roermond een stuw met
schutsluis gebouwd. Dit grootsche waterbouwkundige werk is een be-
zichtiging ten volle waard
De gemeente Roermond liet zich ten aanzien van de wijze, waarop
hare scheepvaartbelangen het beste zouden kunnen worden ge-
diend, voorlichten door het adviesbureau voor Civiel-Ingenieurs-
werken te 's-Gravenhage, welk bureau in 1926 een plan indiende voor
den aanleg van een havencomplex in de lage gronden bij de Voorstad
boven de Maasbrug. Dit havenplan is door den Raad goedgekeurd, doch
nog niet tot uitvoering gebracht.
Ten aanzien der verbindingsmiddelen is Roermond wel buitengewoon
gunstig gelegen. De spoorwegen verbinden Roermond via Eindhoven
met het centrum van Nederland, via Nijmegen met oostelijk en noorde-
lijk Nederland, via Sittard met de mijnstreek in Zuid-Limburg en Maas-

390
hakte keien in eenigszins beteekenende hoeveelheid eerst gestraat in
1885 en wel op het Stationsplein. Denkt men zich in de behoeften van
die dagen in, dan verwondert zulks eigenlijk niet. De aanleg van begaan-
bare trottoirs werd door velen nog als een overbodige luxe beschouwd.
Als dan ook in 1883 Cuypers, Stoltzenberg, e.a. trottoirs vragen voor de
Pieter Cuypersstraat en Frans Douvenstraat, en zich bereid verklaren
de helft van de kosten te dragen, spreekt in den raad een raadslid als
volgt: „Daarbij komt, dat de noodzakelijkheid van zoodanige trottoirs
„ook uit niets blijkt. Wanneer toch de verzoekende firma ingevolge
„hare verplichtingen eene behoorlijke goot maakt, waarin het water
„komende van het voetpad en van den weg wordt opgevangen, dan
„zal dit voetpad met wat grint bedekt, zooals de voetpaden langs den
,Kapellerweg en Boulevard, een even gemakkelijken als zindelijken toe-
„gang verschaffen tot de nieuwe woonhuizen." Geen wonder, dat waar
dergelijke opvattingen nog moesten uitsterven, het tot 1919 moest du-
ren, eer met kracht tot vervanging der veldkeien werd overgegaan. In
1930 werden de laatste veldkeien uit rijwegen vervangen, zoodat bij
gelegenheid van het 7e eeuwfeest Roermond een bestrating kan too-
nen, die gezien en bereden mag worden.
De uitbreiding van de stad aan de oostzijde van de spoorbaan in „het
Roermondsche Veld" maakte uitbreiding van het rioleeringsplan van
Remont noodzakelijk. Voor deze nieuwe stadswijk werd een riolee-
ringsplan opgezet, waarvan het stamriool in 1921 als werkverschaffing
werd uitgevoerd.
Een verandering, welke niet zoozeer het uiterlijk aanzien der stad be-
treft, doch die niettemin diep in het stadsleven ingreep, was de naams-
verandering van vele straten, waartoe in de raadsvergadering van 21
Juli 1884 werd besloten. In die vergadering werden omgedoopt:
Swamakerstraat in Swalmerstraat;
Koe- of Beijerstraat in Wernerstraat;
Straat achter de Meelwaag in St. Christoffelstraat;
Ezelstraat in Molenstraat;
Achter Kloosterwand in Kloosterwandstraat;
Straat achter Bisschopsstal in Dionisiusstraat;
Kanjelstraat in Leliestraat;
Hegstraat (gedeeltelijk) in Pollardstraat;
Achter den muur in Roersingel.
Ook bij andere gelegenheden vonden nog naamsverwisselingen plaats,
zooals:
Achter de Luif in Luifelstraat;
Onder aan de Markt in Marktstraat;
Aan de Minderbroeders in Minderbroedersstraat;
Oliestraat in Paredisstraat;
Hegstraat (gedeeltelijk) in Lindanusstraat;
Achter Mariagarde in Mariagardestraat; en
Graaf Ottostraat in Pieter Cuypersstraat.
Meer zichtbare wijzigingen kwamen tot stand aan de overzijde van de
spoorbaan, toen de gronden, noodig voor de uitbreiding der stad, aan

392
was toegenomen, vond de eerste verbouwing en uitbreiding plaats. In
1896, toen de productie tot 440.000 M3. was gestegen werd opnieuw uit-
gebreid. In de jaren 1910 tot 1914, toen de gasproductie was toegenomen
tot 1.7000.000 M3. vond een vrijwel algeheele vernieuwing plaats, waarna
in 1920 de aanwezige horizontale retortovens nog werden vervangen
door verticale kamerovens.
Het zelfstandig voortbestaan van een gasfabriek op betrekkelijk zoo
korten afstand van een mijngebied als de gemeente Roermond, is in den
tegenwoordigen tijd economisch niet meer verantwoord. De fabriek
werd dan ook 1 April 1930 stilgelegd en sedert dien distribueert het
gemeentelijk gasbedrijf gas dat wordt betrokken van de Staatsmijnen
in Limburg, en dat afkomstig is van de groote cokesovenbatterijen op
de Staatsmijn Maurits. Daardoor is de Gemeente in staat het gas tegen
den lagen prijs van ongeveer 4 cent per M3. te leveren voor verwar-
mingsdoeleinden, waarvan dan ook een steeds toenemend gebruik
wordt gemaakt.

De electriciteitsvoorziening werd aanvankelijk door de Gemeente niet,
zooals de gasvoorziening, in eigen beheer gehouden. Bij overeenkomst
van 30 Mei 1913 werd door Roermond concessie voor stroomlevering
in deze gemeente gegeven aan de N. V. Maatschappij „Peel-Centrale“.
Einde 1913 werd met de stroomlevering begonnen, doch reeds in Augus-
tus 1914 kwam de concessionaris in liquidatie en in Maart 1915 moest
zij de verdere stroomlevering staken. Deze is daarop voortgezet door
de firma R. Smeets, totdat op 26 Maart 1917 de stroomlevering werd
overgenomen door de Stroomverkoopmaatschappij, terwijl de Gemeente
met ingang van dien datum de distributie zelf ter hand nam. Het elec-
triciteitsbedrijf ontwikkelde zich voorspoedig en is thans gegroeid tot
een bloeiend bedrijf, dat de stroom levert tegen prijzen, welke kunnen
worden gerekend tot de laagste in de provincie.
Ook voor de watervoorziening heeft de Gemeente concessie verleend.
De eerste besprekingen over waterleiding werden reeds in 1886 gevoerd.
De met Keuller te Venlo gevoerde onderhandelingen sprongen echter
in 1890 af. In 1895 is daarop de concessie verleend aan de heeren Th. A.
van Broek en G. W. van Barneveld Kooij Jr. te Amsterdam. In 1898
is de waterleiding in bedrijf genomen. Het water, dat wordt opgepompt
uit bronnen gelegen onder de aangrenzende gemeente Herten, voldoet
aan alle eischen, welke aan goed drinkwater kunnen worden gesteld.
De exploitatie van de concessie geschiedt door de N. V. Industrieele
Maatschappij.

Reeds in 1837 besloot het gemeentebestuur tot oprichting van een
slachthuis, doch tot uitvoering van dit besluit kwam het niet. In 1849
en 1852 werden plannen voor den bouw van een abattoir gemaakt res-
pectievelijk door den bouwmeester Jonkergouw en den architect P.
Cuypers. Ook toen kwam het niet tot uitvoering. In 1886 besloot de
Raad andermaal tot de oprichting van een slachthuis, doch weder bleef

394
levert groot gemak op voor het publiek. In 1910 werd nog de openbare
school met onderwijzerswoning aan den Minderbroederssingel ge-
bouwd, waarmede de periode van stichting van nieuwe openbare ge-
bouwen sloot. Ook deze gebouwen werden ontworpen en uitgevoerd
onder leiding van den dienst van Publieke Werken.
De totstandkoming van de lager onderwijswet 1920 gaf den stoot voor
den bouw binnen enkele jaren van een aantal scholen voor bijzonder
onderwijs. In 1923/24 bouwde de dienst van Publieke Werken de Lin-
danusschool aan het Wilhelminaplein; daarop bouwde de architect
J. Franssen achtereenvolgend in 1929 de St. Aloysiusschool aan de
Nieuwe Kerkstraat, in 1931 de Theresiaschool aan de Minister Bevers-
straat en in 1932 de Paredisschool aan de Begijnhofstraat.
Het resultaat van hetgeen op het terrein der Publieke Werken in den
lateren tijd is tot stand gebracht, maakt Roermond tot een goed aan-
gelegde, mooi bebouwde, goed geoutilleerde en zeer gunstig gelegen pro-
vinciestad. Roermond is een aangename woonplaats en biedt aan de
industrie speciaal door zijn bij uitstek gunstige verbindingen, groote
mogelijkheden.































396
wensch tot herstel der gilden vernomen, vooral in slechte tijden. 1)
Naast deze historische resten nam het dragersgilde of „kooldragers-
ampt" een afzonderlijke positie in. De „Regering der stad Ruremonde“
maakt op 15 November 1819 een nieuw reglement voor de Dragers,
daar enkele misbruiken waren ingeslopen. „Aflezinge en aanplakking
dezer zal door de Meesters in het dragershuiske 2) in een algemeene
vergadering der dragers gedaan worden, opdat een ieder hiervan werd
onderrigt."
Op een adres in dato 28 October van hetzelfde jaar „waarbij ver-
scheidene kooplieden vertoonen dat in den jaare 1816 de draagloon
voor het zout merkelijk is verhoogd geworden, uit hoofde der toen-
malige hooge prijzen der levensmiddelen, en verzoeken, daar deze om-
standigheden niet meer bestaan, dat het draaggeld opnieuw mag be-
paald worden op den voet zooals voorheen heeft plaats gehad, heeft
de Regering der Stad Ruremonde op 19 November 1819, gehoord op
dit stuk de Meesters der Dragers, overwegende dat de prijzen der voor-
werpen van eerste noodzakelijkheid aanmerkelijk gedaald zijn, en wil-
lende den draagloon regelen naar evenredigheid der behoeften en de
belangen der binnen deze stad dagelijks meer en meer toenemende
zoudnegotie teneinde de adressanten in concurrentie te laten met
andere steden in de nabijheid, waar desgelijks dit artikel buitenlands
vervoerd word, goedgevonden en verstaan den draagloon van het zout
te bepaalen zoo als volgt: te weeten per zak weegend 200 pond, van het
schip op de kar zes oortjens (kleefs) enz. per zak weegend 150 pond
of daaronder, eenen stuver enz."
In de notulen van het R. C. Godshuis vinden we vermeld: „Vergadering
van 17 Juni 1819: Aan Jean van Eck en Willem Hermans, meesters van
het kooldragersampt, toegelegd acht guldens Cleefs, welke hun sedert
verscheidene jaren zijn betaald geworden ingevolge mondelings accoord
voor het dragen der lijken, zijnde in vergelding der jaarlijksche rente,
die het gild der kooldragers in vroeger tijd was bezittende.
Vergadering van 25 Juni 1827: daar de lijkdragers te veel in rekening
gebracht hebben zijn de meesters van het kooldragersampt Jan van
Eck en Jozef Slegers op de vergadering ontboden. Hun is aangezegd
om den schuldige voor straf buiten zijn ploeg te stellen."
Ook de landsregeering bemoeide zich met deze zoogenaamde werkers
voor den handel. Op 18 Mei 1827 verscheen een Kon. Besluit „houden-
de bepalingen omtrent het daarstellen van vereenigingen van werk-
lieden, tot het lossen, laden, vervoeren, verwerken, meten en wegen
van goederen."
Dat wij daarna, tot de laatste decenniën der 19de eeuw van een ver-
eenigingsleven der arbeiders weinig of niets bespeuren, is niet zoozeer
het gevolg van wettelijke verbodsbepalingen, die hier niet bestaan heb-
ben, maar veeleer van de psyche dier eeuw, die den fabrikant zoo

1) Bij het bezoek van Koning Willem I in 1815 moest de burgerij in het geweer. De
vroegere gildesleden waren nog in 't bezit van hun wapens. 2) Het kooldragershuisje bevond zich op den hoek Kraanpoort-Roerkade en is pas begin dezer eeuw afgebroken.


398
wordt vermeld de reeds lang bestaande papierfabriek van Burghoff
Magné en Cie., de grootste des lands, met 150 arbeiders, 2 stoomwerk-
tuigen en 3 stoomketels, benevens een brandkastenfabriek met 90 à 100
arbeiders. De zeer overwegende beteekenis van de huisnijverheid blijkt
uit het volgende staatje van 1861:

Naam der firma
Aard der fabriek
Aantal arbeiders
in fabriek
Thuiswerkers


volw.
kind.
volw. kind.
Claus
Reidel
Mathei
Feldman, Jacobs en Cie.
Fabrieken van
katoenen en
halfwollen
stoffen
12
10
8
8
3 à 4
4
2
1
338
120
82
66
206
84
38
29

In 6 grootbedrijven waren toen werkzaam 858 volwassenen en 408 kin-
deren, in 10 kleinere bedrijven 197 volwassenen en 96 kinderen. In
smederijen, brouwerijen, molens, drukkerijen, kunstwerkplaatsen,
steenbakkerijen enz. nog ± 200 arbeiders.
De loonen bedroegen in de papierindustrie van 80 c. tot 1.20 fl. per dag
voor volwassenen, 20 tot 50 c. voor kinderen en in de textiel- en andere
industrie van 50 à 60 c. voor volwassenen en 15 tot 40 c. voor kinderen.
Als instellingen van zelfhulp voor de arbeiders in die jaren bestonden
een begrafenisfonds: de Broederschap van Barmhartigheid, en drie
ziekenbussen: St. Nicolaas-, St. Laurentius- en Driekoningenbus.
De belangrijkheid dezer industrie en van den daarmee verband houden-
den handel, moge blijken uit den volgenden passus uit de installatierede
van Burgemeester Beerenbroek op 31 Maart 1853:„onder de zoo menig-
vuldige belangen aan ons toezigt toevertrouwd, beslaan die van handel,
nijverheid en riviervaart een voorname plaats; en wanneer ik nu het
oog werp op de toenemende bedrijvigheid en den toenemenden vooruit-
gang, op het vermeerderd aantal stoomschepen, welke hier geregeld
den wal aandoen en waarvan de rij nog staat vergroot te worden; en
als ik mij te binnen breng, dat van de tien industrieëelen, die voorwerpen
van hunne nijverheid naar de wereldtentoonstelling van Parijs zonden,
drie eene medalje en drie eene eervolle vermelding behaalden, terwijl
het met grond te vermoeden is, dat, hadden onze overige fabrykanten
kunnen goedvinden dáár hunne voortbrengselen te vertoonen, het getal
bekroonden nog veel aanzienlijker zou zijn, dan zeker, zijn die belan-
gen niet alleen onze aandacht waard, maar op het Bestuur der Ge-
meente rust de plicht zich den verderen bloei en de verdere uitbreiding
ernstig ter harte te nemen."
In 1853 werd in den Gemeenteraad een voorstel behandeld tot soep-
bedeeling gelijk in 1847 had plaats gehad en daartoe een collecte te
houden. In 1860 werd een spijskokerij opgericht, die in de z.g. Meel-
waag gevestigd was. Toen in 1865 de gebouwen, gelegen op het tegen-




400
door de Gemeente op eigen kosten gebouwd (7 Augustus 1867), en goede
landwegen naar Wassenberg en Viersen zijn tot stand gekomen, ontwik-
kelt zich langzamerhand weer een aanzienlijke handeldrijvende mid-
denstand, die tot nu toe nog steeds is toegenomen en de Roerstad tot
een echte winkelstad gemaakt heeft. De opheffing van het Garnizoen
(1922) beteekende een nadeel, terwijl de aanleg van uitstekende tram-
verbindingen door de C.L.S.M., waaruit de tegenwoordige L.T.M. is
voortgekomen, voor den middenstand een merkbaar voordeel opleverde.
Ook bracht de kanalisatie van de Maas heel wat opleving voor handel
en industrie, zoodat voor de herlevende scheepvaart een loswal aan
Roer en Maas weldra noodzakelijk bleek.
De huisvesting der bevolking, vooral der volksklasse, liet in de eerste
helft der 19de eeuw veel te wenschen over, door het ontbreken van alle
overheidstoezicht op dit gebied. In 1798 telde Roermond 3960 inwoners.
In 1827 waren er 4874 inwoners waarvan 212 in de gehuchten Roer,
Kapel en de Weerd. Nagenoeg de geheele bevolking woonde dus „intra
muros". In 1830 waren er 864 huizen voor 1087 gezinnen met 5397 zielen.
In 1840 stonden er 882 huizen voor 1143 gezinnen met 5937 zielen. Ge-
leidelijk hoopte de bevolking zich op (in 1852: 7318 inwoners) terwijl
de vestingwerken als een lastig corset de stad insloten en expansie
bemoeilijkten. 1) „Intra muros” wonen thans (zonder kloosters en ge-
stichten) 5688 inwoners in 1078 huizen. De stadsuitbreiding heeft pas
een aanvang genomen na de zestiger jaren, toen de wallen geslecht
werden (bij wijze van werkverschaffing) en de singels geleidelijk gingen
bebouwd worden, alsook het Deemsel, de Venloscheweg en de Kapel-
lerlaan. De muren waren reeds grootendeels in de dertiger jaren, ook bij
wijze van werkverschaffing, afgebroken. Het ontstaan van het nieuwe
stadsdeel „Roermondsche Veld“ valt in de laatste twintig jaren, vooral
door den woningbouw der bouwvereenigingen St. Jozef, Roermond,
Lada, Eigen Haard, St. Barbara (van het Godshuis) en Gemeentelijke
Woningstichting. De eerste bouwverordening, d.w.z. een verordening
inhoudende gecodificeerde voorschriften omtrent bouwen enz. is van
6 December 1888. Voorschriften betreffende onderdeelen bestonden
reeds van eeuwen her.
Dat de gemeente in het Roermondsche Veld overvloed van bouwterrein
bezat en nog heeft, is te danken aan het voortvarend beleid van den
toenmaligen wethouder Beckers, die deze terreinen voor de Gemeente
aankocht, toen het allen schijn had dat het mijnveld Vlodrop zou ont-
gonnen worden. (Bij wet van 27 September 1920 werd dit mijnveld
groot 2200 H.A. ter ontginning van staatswege aangewezen. Bij wet van
24 December 1925 is de mogelijkheid van particuliere exploitatie ge-
opend.)
In 1866 kwam in den Raad een voorstel van de „Choléracommissie”
aan de orde tot het bouwen van arbeiderswoningen. Op grond van een
verordening van 1888 werden op 11 Maart 1895, 21 woningen onbewoon-
baar verklaard. Uit een rapport der Gezondheidscommissie van 1894

1) Haar 10000sten inwoner kreeg de stad in 1878.

402
dien Bond haren oprechten dank. Wij stelden een onderzoek in naar
de woningen van den Volksbond en het leven der arbeiders, die ze
huisvesten, en bevonden, dat ze waren eenvoudig en doelmatig, en be-
houdens kleinere gemakkelijk te verhelpen gebreken, beantwoordend
aan onze wenschen. Twee nette, ruime, met vierkante steenen bevloer-
de vertrekken beneden, een met planken beschoten en in tweeën ver-
deelde zolder voor slaapkamers. Wij zouden wel willen, maar mogen
thans niet meer eischen. De gezinnen waren tevreden met hunne behui-
zingen, en spraken ons met genoegen over het contrast van hunne
tegenwoordige verblijven met de dure krotten, waarin zij voorheen wa-
ren opgeborgen. En wat wij in 1901 voorspelden, bleek ons bewaarheid
te worden: „Waar men voor de arbeidende klasse gezonde, goed inge-
richte en goedkoope woningen beschikbaar stelt, waar toezicht wordt
gehouden, daar ontstaat langzamerhand een, in reinheid en ordelijk-
heid wedijverend, nieuw geslacht.""
Den 18 December 1894 werd bij de Zusters van Liefde op initiatief van
den R. K. Volksbond eene Spijskokerij geopend, welke thans nog be-
staat en ieder winterseizoen aan velen driemaal per week een warm
maal verstrekt.
Op voorstel van het „gilde der metselaars" werd in 1901 een borstel-
fabriek opgericht, tot bestrijding der werkloosheid. In het eerste win-
terseizoen vonden er 18 arbeiders werk, die 5 à 6 gld. per week verdien-
den. Lang heeft deze werkverschaffing zich niet kunnen handhaven.
Kort daarop kwam de splitsing tusschen patroons- en arbeidersleden,
niet zonder tegenstand dezer laatsten. Het lag echter zoo in den aard
van de ontwikkeling der dingen. Nu bestond de R. K. Volksbond, Roer-
mond, als afdeeling van den Limburgschen Bond. In 1918 kwam een
afdeeling aan de Kapel in 't Zand en bij de oprichting der Parochie van
't H. Hart in 1926, eene in het Roermondsche Veld. Een Centraal Be-
stuur en een Bestuursraad houden den band tusschen de afdeelingen
en instellingen in stand. De organisatie, die momenteel ruim 950 leden
telt, heeft een reeks van instellingen van groote beteekenis: een dok-
ters- en apothekersfonds, een centrale ziekenkas, kolenspaarvereenigin-
gen, bouwvereeniging St. Jozef met 257 woningen, afdeeling Eigen
Huis, agentschappen van de Spaarbank „de Volksbank” en de coöp.
Levensverzekeringsmaatschappij „„Concordia”, de coöperatieve Ver-
bruiks- en Productievereeniging „De Welvaart“ met bakkerij en vier
winkels, de Vereeniging Arbeiderstuintjes, het secretariaat van den
Arbeid (Bureau van rechtsbijstand voor on- en minvermogenden),
comité van Herwonnen Levenskracht (t.b.c .- bestrijding) en commissie
voor Liefdewerken, ontwikkelingscursussen, de vereeniging Roomsch
Tooneel en de harmonie St. Cecilia.
De door de Werkliedenvereeniging met beperkte middelen opgerichte
R. K. Arbeidsbeurs, werd later Districtsbeurs der Arbeidsbemiddeling
en sinds 1 Januari dezes jaars Gemeentelijke Arbeidsbeurs.
Reeds spoedig na het prijsgeven van het gildesysteem in den R. K.
Volksbond ging men over tot oprichten van R. K. Vakorganisaties:
de R. K. Grafische Bond, St. Rafaël voor Spoor- en Tramwegpersoneel,

404
van Leeraren en Leeraressen bij het Nijverheidsonderwijs St. Ber-
Een neutraal georiënteerde organisatie is in deze categorie de B.A.N.S.
nardus.
voor spoorwegambtenaren.

JEUGDWERK.

Als eerste jeugdwerkorganisatie in onze stad en een der eerste in den
lande, werd in 1874 door Kapelaan Mottu opgericht het St. Jozefs-
patronaat voor jeugdige ambachts- en werklieden. Aanvankelijk zon-
der vaste huisvesting, kwam het later onderdak in het St. Vincentius-
gebouw in de Kruisheerenstraat, waar het een zaal bijbouwde om in
1914 eigenaar te worden van een gedeelte der gebouwen van het vroe-
gere Pensionaat St. Louis in de Lindanusstraat, waar het thans nog
gevestigd is. Het heeft drie afdeelingen: een klein-, een grootpatronaat
en een gezellenvereeniging met circa 200 leden.
In het Vincentiusgebouw is sinds een tiental jaren een St. Vincentius-
patronaat werkzaam met gemiddeld 40 jongens.
Voor schoolvrije meisjes uit den arbeidenden stand werd reeds in 1848
door de Zusters van Liefde een Zondagsschool opgericht, waaruit
later het tegenwoordige St. Agnespatronaat gegroeid is. Het heeft
thans twee afdeelingen en een ledental van ruim honderd. Uit een door
het Patronaat opgerichte Huishoudschool groeide later de thans zoo
gunstig bekend staande Huishoud- en Industrieschool.
Aan de Kapel in 't Zand werd 7 November 1909 het St. Clemenspatro-
naat opgericht door Pater Blanken C.S.S.R., dat op 23 Juli 1911 een
eigen Patronaatsgebouw opende. In 1912 kwam naast de van het begin
af bestaande herhalingscursussen een Patronaatsteekenschool, door
Gemeente, Provincie en Rijk gesubsidieerd. In 1914 werd naast het
Klein- en Groot-Patronaat een 3de afdeeling ingericht: de Gezellen-
vereeniging. Een nieuwbouw voor Gezellen en Teekenschool kwam in
1917 klaar. Het gemiddeld ledental bedraagt 180. Einde 1931 werd „De
Jonge Werkman" opgericht met aanvankelijk 18 leden.
Voor meisjes stichtte men aan de Kapel, 12 November 1911, het
St. Agnespatronaat, met 3 afdeelingen en ± 120 leden. In 1920 richtte
dit Patronaat een eigen Huishoudschool en herhalingscursus in
In de Parochie van het H. Hart werd na het beschikbaar komen van
de voormalige Noodkerk al spoedig een Patronaat voor jongens ge-
sticht en in 1931 een afdeeling van „de Jonge Werkman”
Voor de meer ontwikkelde jongelui bestaat eene afdeeling van den
bond „Jong Limburg“ en voor de studeerende mannelijke jeugd de R. K.
Studentenclub „Sanctus Christophorus.”
Het R. C. Godshuis, weeshuis en tehuis voor ouden van dagen, is van
ouds gevestigd in het monumentale vroegere Prinsenhof aan het Mun-
sterplein.
Het op 23 Augustus 1902 door Mgr. van Boom opgerichte en door de
Broeders van St. Franciscus beheerde Opvoedingsen Ambachtsgesticht
St. Jozef, gevestigd in de thans aan de gemeente behoorende gebou-

406
De Huishoud- en Industrieschool, dag- en avondschool en opleidings-
school voor leeraressen werd in 1919 door de Zusters van Liefde ge-
opend en nam spoedig een zeer hooge vlucht. Vooral als opleidings-
instituut bezit de school een gunstigen roep in den lande.
De Vereeniging „Ambachtsonderwijs voor Roermond en Omstreken“
werd opgericht 23 Februari 1907. Hare Statuten werden goedgekeurd
bij Kon. Besluit van 16 Maart 1907, no. 7. Het Bestuur bestond uit de
Heeren: Dr. P. J. H. Cuypers, Voorzitter; F. Janssens, Ondervoorzit-
ter-Penningmeester; A. H. Nijskens, F. Nicolas, Jacques Oor en J. N.
Snackers, leden; A. F. van Beurden, Secretaris.
De vereeniging werd gesticht op voorstel van Burgemeester Raupp,
de Commissie der School voor Nuttige en Beeldende Kunsten, den
Gemeenteraad, Dr. Cuypers en belangstellende autoriteiten, onder
medewerking van den Inspecteur van het M. O. den Heer H. J. de
Groot. De vereeniging telde 180 leden.
De eerste lessen werden gegeven in de door de Vereeniging gestichte
ambachtsschool op 1 October 1908. De onderwijsvakken waren toen:
smeden, bankwerken, timmeren, meubelmaken en schilderen. De school
was gebouwd door de gemeente Roermond naast de bestaande School
voor Nuttige en Beeldende Kunsten. Subsidie werd verleend door Rijk
en Gemeente, ook voor de volgende jaren.
Als streekschool wordt het onderwijs gegeven aan jongelui uit Roer-
mond en de omliggende dorpen. De eerste uitbreiding dateert van 1913,
de tweede van 1921, waarna ook het vak instrumentmakenelectrotech-
niek kon worden onderwezen. Om het mogelijk te maken meer leerlin-
gen tot de lessen toe te laten ging men in 1930 over tot een derde
uitbreiding.
In 1931 werd het gebouw overgenomen door de Vereeniging; tevens
kon van de Gemeente een gedeelte straat worden aangekocht en van
particulieren een aangrenzend terrein met woning, loodsen, kantoor
en opslagplaats, waardoor voor afzienbaren tijd ruimte voor uitbreiding
is verkregen. Voor een en ander werd door Rijk en Gemeente subsidie
verleend volgens de bepalingen der Nijverheidsonderwijswet, die van-
af 1 Januari 1921 toepasselijk is op het onderwijs in deze school gege-
ven. Sinds enkele jaren wordt op de school ook Godsdienst onderricht.
Op 1 October 1925 werd tevens ook van de Gemeente overgenomen
de School voor Nuttige en Beeldende Kunsten en in het vervolg be-
heerd als avondschool voor Nijverheidsonderwijs met 5-jarigen cursus.
De vereeniging telt thans 159 leden en 1 eerelid.
Het aantal leerlingen der Ambachtsschool op 1 April 1932 bedroeg 247,
dat der avondnijverheidsschool bedroeg op 31 December 1931 241.
De gemeente Roermond stichtte in 1915 een fonds, waaruit elk jaar
aan een in Roermond wonenden leerling der beide scholen, die met
de meeste onderscheiding het einddiploma behaalt, een studiebeurs
van f 100 .- wordt toegekend.
De vereeniging bezit een Dr. Cuypersfonds, voornamelijk door wijlen
de Heeren Dr. Cuypers en Felix Janssens Sr. in het leven geroepen en

408
van te drukkende lasten, kortom van alles, wat maar ten voordeele van
handel en nijverheid kan strekken, gedaan is. Met een enkel woord wil
ik maar terloops memoreeren, hoe reeds in 1853 de hulp van de Kamer
van Koophandel te Antwerpen werd ingeroepen om bij de Belgische
Regeering te intervenieeren ter verkrijging van den spoorweg Antwer-
pen-Roermond-Gladbach, hoe reeds in 1854 tegen de circulatie van
vreemde munt in Limburg werd opgetreden, hoe reeds in 1857 de op-
merkzaamheid der Regeering werd getrokken ten opzichte van hare
handelspolitiek, voor het stelsel van wederkeerigheid, als zijnde de
eenige mogelijkheid om met het buitenland te concurreeren, hoe reeds
in 1858 bij de Regeering werd aangedrongen op de verbetering van de
Maas en haar gewezen werd op het nadeel, gelegen in de aftappingen
dezer rivier in België en de afsluiting in het Luikerland, hoe reeds in
hetzelfde jaar aan het stadsbestuur omtrent havenaangelegenheden
meerdere punten in overweging werden gegeven, hoe reeds in 1859 met
alle krachtsinspanning door haar gevochten werd om de door de Regee-
ring ontworpen spoorlijn Eindhoven-Venlo te doen verleggen over
Weert naar Roermond en tenslotte wil ik nog in het bijzonder geden-
ken de door den Heer H. Hermens, lid dezer Kamer, ingezette en met
schitterend succes verder gevoerde actie, om de circulatie van vreemde
munt, die feitelijk als eenigst betaalmiddel in Limburg gold, uit onze
provincie te bannen."
Na de reorganisatie kon dit semiofficieele instituut zijn sociaaleco-
nomische taak nog belangrijk uitbreiden en wint gestadig in popula-
riteit.

De Roermondsche Spaarbankvereeniging vierde het vorig jaar haar
50-jarig bestaan. Zij stichtte veel nut voor de „kleyne luyden“, wordt
door het Bestuur pro Deo beheerd en besteedt uit hare winsten belang-
rijke bedragen voor liefdadige en sociale doeleinden.

De Coöperatieve Roermondsche Eiermijn (C.R.E.) van den L.L.T.B. en
N.C.B., opgericht op 10 Augustus 1904 door den Heer J. M. Breukers,
hoofd der school te Neer, is thans een instelling met wereldnaam. Ze
is gevestigd in eigen gebouw, met kantoren, magazijnen, koelhuis en een
spoorwegaansluiting aan de Emmalaan. In 1930 bedroeg de aanvoer
2211/2 millioen stuks kippeneieren en bijna 1 millioen eendeneieren,
waarvoor aan de ledenleveranciers netto werd uitbetaald de som van
f 11.403.882,36.
De Zuid-Nederlandsche Zuivelbond heeft eveneens zijn kantoren te
Roermond sinds 1931 in een eigen pand op den Willem II Singel.
De Coöperatieve Groothandelsvereeniging, de Handelskamer, te Rot-
terdam, heeft een bijkantoor en magazijnen aan de Kapellerlaan 77.
De Coöperatieve Verbruiks- en Productievereeniging „de Welvaart"
heeft hare kantoren, bakkerij en winkel aan de Nassaustraat, benevens
nog winkels in de Dr. Leursstraat, de Herkenbosscherweg en de Lova-
niostraat.

410
missie aangenomen. Sindsdien heeft deze officiëele sociaalhygiënische
instelling steeds een waakzaam oog gehouden op de openbare volks-
gezondheid
Een afdeeling van het Groene Kruis werd den 11 October 1910 opge-
richt. Den 21 Maart 1911 kwamen vier Zusters van de Congregatie
der Kleine Zusters van den H. Jozef en betrokken een klein huis in
de Pieter Cuypersstraat. Van daaruit hebben de door de bevolking
zoo geliefde Zusters haar zegenrijke wijkverpleging beoefend tot 22
Maart 1915, toen een groot pand in de Swalmerstraat betrokken werd,
hetwelk in October 1920 werd aangekocht en ingericht als wijkgebouw.
Naast wijkverpleging en t.b.c .- bestrijding kwamen langzamerhand ook
kinderverzorging en kraamverpleging, die in eigen gebouw konden wor-
den uitgebreid, hetgeen in een behoefte voorzag, daar het Ziekenhuis
destijds daartoe geen gelegenheid bood. In hetzelfde gebouw zijn ook
nu nog de consultatiebureaux voor t.b.c .- bestrijding en sociale kinder-
hygiëne ondergebracht.
Op 30 Juni 1851 namen de Zusters van Liefde van O. L. Vrouw Moe-
der van Barmhartigheid van Tilburg, de huishouding op zich in het
R. C. Godshuis. Toen bij akte van 8 Maart 1858 de Louisastichting als
instelling voor ziekenverpleging was tot stand gekomen, werd deze in
het R. C. Godshuis gevestigd. Met voorbeeldige toewijding hebben de
Zusters van Liefde gedurende tachtig jaren in dat voor ziekenverpleging
niet zoo bijster geschikte oude Regeeringsgebouw hare liefdetaak uit-
Ondanks het bijbouwen van een nieuwen vleugel met moderne instal-
geoefend.
laties in 1911, bleek de inrichting aan hedendaagsche hygiënische
eischen niet te kunnen voldoen. Nadat een tamelijk onverkwikkelijke
„ziekenhuiskwestie“ de gemoederen langen tijd had bezig gehouden,
werd in 1928 tot den bouw van een nieuw ziekenhuis overgegaan. Be-
stuur en bediening van dit St. Laurentius-Ziekenhuis zijn in handen van
de Congregatie der Kleine Zusters van St. Jozef te Heerlen, wier Direc-
teur, wijlen Mgr. L. Driessen, in de totstandhouding zulk een groot aan-
deel heeft gehad. Op 10 Mei 1931 had de officiëele opening plaats, waar-
bij Mgr. Le Bron de Vexela, plebaandeken, de inzegening verrichtte.
Het ziekenhuis beantwoordt aan de allermodernste eischen, beschikt
over 180 bedden, benevens 36 bedden in het paviljoen voor besmette-
lijke zieken. Sinds Januari 1932 bedroeg het gemiddeld aantal patiënten
De Protestantsche Ziekenverpleging begon hare werkzaamheden op 5
per dag 100.
November 1900 in een huisje op de Kapellerlaan; sinds 13 Mei 1903 be-
schikt zij over een Ziekenhuis aan de Frans Douvenstraat met een
16-tal bedden en wijdt zich aan wijk- en particuliere verpleging. Tot
in 1926 stonden de verpleegsters in diaconessenhuisverband. Thans
zorgt de vereeniging zelfstandig voor het verplegend personeel. Er is
een vrijbed der Johanniter Orde.
Reeds in 't jaar 1837 besloot het bestuur dezer Stad tot het oprichten
van een Slachthuis, aan welk besluit Koning Leopold in 1838 zijn goed-
keuring verleende. Het besluit werd echter niet uitgevoerd.

412
Afdeelingen bestaan er van de R. K. Reclasseeringsvereeniging en het
genootschap tot zedelijke verbetering van gevangenen, de R. K. Ver-
eeniging van Gezinsvoogden, een Reclasseeringsraad, een R. K. Ver-
eeniging tot bescherming van meisjes met een Zitahuis, (tehuis voor
Sociale charitas wordt beoefend door „Hulp in de Huishouding", de
dienstboden).
Vereeniging van Sint Antonius en de afdeeling van Tesselschade, als-
ook door de sociale liefdewerken der St. Vincentiusvereeniging: Kin-
derbescherming, volksbibliotheken en werkverschaffing, en de sociale
onderafdeelingen der St. Elisabeth-Vereeniging.
Onder de rondreizende bevolking, die zich in het woonwagenkamp
neerlaat, werkt eene afdeeling van „het Woonwagenliefdewerk.”
INDUSTRIEËN.
Ofschoon Roermond in onzen tijd meer een aantrekkelijke woonstad,
een cultuurcentrum met zijn verschillende onderwijsinrichtingen, een
handelscentrum met zijn goede verbindingen te land en te water in
het welvarende Midden-Limburg is, toch zijn verschillende hier geves-
tigde industrieele ondernemingen de vermelding waard. Allereerst de
verscheidene kunstwerkplaatsen voor beeldhouw- en schilderkunst, de
ateliers voor glasschilderkunst en de kunstsmederijen.
De voornaamste fabrieken zijn: een electrische meelmolen, twee che-
mische fabrieken, een electrochemische Industrie (de E.C.I. wier op-
richting in 1926 beteekende de vestiging eener geheel nieuwe industrie
in Nederland n.l. de fabricage van verschillende „per“-verbindingen
langs electrochemischen weg; zij beschikt over de grootste water-
krachtcentrale van ons land, door de vroegere N.V. „Het Steel“ in 1918
op de Roer gebouwd en parallel geschakeld met het net der S.V.M.),
een steenfabriek, een rijwielfabriek, een stoomlinnenfabriek, een wapen-
fabriek, een chemische wasscherij en ververij; verder boek- en kranten-
drukkerijen, houtzagerijen en houtbewerkingsinrichtingen. Een goeden
naam in den lande hebben Roermondsche meubelateliers, schoenzaken
Ten einde meer werkgelegenheid te verkrijgen stelde het Gemeente-
en bakkerijen
bestuur voor enkele jaren een Commissie in, om de vestiging van nieuwe
industrieën alhier te bevorderen. Als een in dezen crisistijd zeer wel-
kom werkverschaffingsobject werd het terrein „de Molenberg“ door
werkloozen afgegraven en voor industrieterrein geschikt gemaakt. Op
9 Juli van dit jaar werd op dit terrein de N. V. Zuid-Nederlandsche
Emballagefabriek door Burgemeester Waszink officieel in bedrijf ge-
steld, terwijl terzelfder plaatse de fundamenten gelegd zijn van de ge-
bouwen der N. V. Betonmaatschappij „de Peel“. Beide nieuwe indus-
trieën zijn met finantieele medewerking van het Gemeentebestuur tot
stand gekomen.
Ten slotte verdient speciale vermelding een van ouds in Roermond
veel beoefend beroep, namelijk dat van kermisexploitant. Velen dezer
wisten zich op te werken tot toonaangevende ondernemingen, in bin-

414


>> begin