I: VOORAFGAAND AAN DE PEREGRINATIO

>> HOMEpage

Een brief uit 1594 aan Johannes Saeckma van achterneef Georgius/Gysbert Wiarda
Uitgegeven, vertaald en toegelicht door M.H.H. Engels, Leeuwarden 1994; internetbewerking 2003


INLEIDING

Eind februari of begin maart 1594 vertrokken Johannes Saeckma (1572-1636) en Georgius Wiarda (ca.1576-1604) uit Friesland voor een peregrinatio academica naar Heidelberg, Bazel en Genève.(1) Beiden hadden rechten gestudeerd te Franeker bij Henricus Schotanus, tot dan toe de enige hoogleraar rechten. Wiarda was een achterneef van Saeckma: zijn grootvader Jorrit Bockes Wiarda was gehuwd met zuster Fedt van Saecke Harings van Rinia, grootvader van Johannes Saeckma. Wiarda's eigenlijke voornaam was Gysbert. Voordat hij zijn studie in Franeker begon, was zijn vader al overleden. Hij werd opgenomen in het gezin van zijn moeders zuster, die getrouwd was met de Leeuwarder advocaat Jacobus Bouricius. Vanwege zoon Gysbert Bouricius kreeg het pleegkind Gysbert Wiarda de naam Georgius. Georgius Wiarda en Gisbertus Bauritius/Bouricius begonnen samen op 12 mei 1592 een rechtenstudie aan de universiteit van Franeker. De zus van Georgius, Fedt Wiarda, was gehuwd met Jochem Hoppers, de secretaris van Wymbritseradeel.(2)


1. M.H.H. Engels, Peregrinatio academica in Germaniam. Friesische Jurastudenten in den deutschen Landen: Johann Saeckma und seine drei Vettern. In: Grenzgänge. Literatur und Kultur im Kontext. Amsterdam 1990, blz. 379-397. Ook onderdeel van deze site: zie de HOMEpage.
2. Georgius Wiarda was tot nu toe niet thuis te brengen in de genealogie. Vgl. J. Wiarda, Wiarda's, studenten aan universiteiten, hogescholen, en aan doorluchtige scholen sinds de zestiende eeuw tot de twintigste eeuw, blz. 165. In: Wiarda 1369-1969. Uit de 600-jarige geschiedenis van de Friese familie Wiarda. Bolsward 1970, blz. 145-184.

Jacobus Bouricius was de oom, Jochem Hoppers de zwager van Georgius Wiarda, die moest toestemmen in de peregrinatio respectievelijk die een goed woordje daarvoor heeft gedaan, zoals te lezen valt in de brief die Wiarda op 16 januari 1594 uit Franeker schreef aan Saeckma, die vandaar al naar Dokkum was gereisd, waar hij in afwachting van zijn vertrek naar Duitsland waarschijnlijk verbleef bij zijn neef Sjoerd Hania, de stadssecretaris.

In de brief wordt ook bericht over andere studenten naar wie Saeckma geïnformeerd heeft en die deel hebben uitgemaakt van een studiegroep onder zijn leiding. Gedeeltelijk overlapte dit samenwerkingsverband van juristen de groep studenten in de 'artes' ten huize van professor Arcerius.(3)


3. G.Th. Jensma, Uit het huis van Arcerius. Acht 'artes'-studenten en hun opvattingen over wetenschap en maatschappij, 1589-1639. In: Universiteit te Franeker 1585-1811. Bijdragen tot de geschiedenis van de Friese hogeschool. Leeuwarden l985, blz. 452-469.

>> begin


DE LATIJNSE BRIEF

S.P.

Quod nihil scripseram priusquam a te provocarer, cognate chariss., primum avunculi in respondendo tarditas, deinde inopinatum hoc gelu obstitit, quibus causis puto me tibi hac in parte purgatum. Consortium tuum avunculo placet, sed Germania prorsus displicet, quod ea natio ab urbanitate et humanitate, ut ait, alienior sit, pocalis exhauriendis addictissima. Ego arbitror hanc ipsi displicere, non tam ob mores istos Germanicos quam ob religionem, quam amplectuntur. Interim tamen negotium cum sororio sibi diligentius expendendum censuit, ut iam dulcissimam consuetudinem tuam non tam speram quam optem. Aliqua tamen adhuc spe ducor, nam Idib. Ian. scripsi sororio literas quibus rogo ut meam causam agat.

Franciscum Camminga, postquam tuas accepissem literas, non vidi; bis accessi eius aedes, bis negabatur esse domi, sed ut ex Antonio tuo intellexi, ante Calend. Maii non est hinc profuturus. Lotum mihi gustasse videtur: deperit puellam nescio quam; duas continuas noctes cum ea in familiari diversorio suo desedit, tertiam adiecturus nisi primum a famula, deinde a syncero illo Schagio, tandem etiam ab ipso Scotano fuisset accersitus. Nunc cum Offenhusen et quibusdam aliis nepotibus nuptias Regeneri Burmania cohonestat. Ab Henrico Buser, qui se conferet Hierosolymam, accepit nescio quid centum aureos, ut audio reverso redditurus. Sed nae ego sum caecus: alterius vitia video, mea ipsius non video.

Salutavi Viglium Wiarda et Gisbartum; hic te resalutat. Literas tuas non commisi Vulcano, perpetuo enim eas mihi servabo tanquam [Graece] keimèlion. Nihil tam exopto, quam ut liceat frui tua consuetudine. Quod te mihi dedit, utinam posses a me mutuum expectare. Polliceor tibi si nihil alius, certe morum in me meritorum perpetuo memorem ac gratum animum. Mitto tibi nummum hunc quadrangularem, mei in te studii qualecunque symbolum, quem uti boni consulas oro. Saluta, si placet, matrem et cognatum tuum pariter ac meum D. Suffridum Hania. Bene vale cognate charissime et amice syncerissime.

Franekerae anno 94, pridie d. Antonii.

Tui amantiss. cognatus Georgius Wiarda

[Adres:] Virtute pariter ac literis praecellenti iuveni Ioanni Saekema.

Doccetum.

>> begin


VERTALING:

Gegroet.

Dat ik niets geschreven heb, voordat ik door jou daartoe werd aangezet, beste neef (van moederszijde), dat heeft eerst de traagheid van antwoorden van oom [Jacobus Bouricius] en vervolgens de onverwachte vorst van nu verhinderd, om welke redenen ik meen tegenover jou in deze verontschuldigd te zijn. Jouw gezelschap staat oom aan, maar Duitsland juist niet, omdat dat land van de beschaving, zoals hij zegt, ver verwijderd is en zich geheel en al overgeeft aan het ledigen van drinkbekers. Ik denk dat dit land hem mishaagt, niet zo zeer vanwege die Duitse gewoonten als vanwege de godsdienst die zij aanhangen. Intussen heeft hij toch gemeend de zaak samen met mijn zwager [Jochem Hoppers] nauwgezet te moeten beoordelen, zodat ik nu op de alleraangenaamste omgang met jou niet zo zeer hoop als die veeleer wens. Toch koester ik nog steeds enige hoop, want op 13 januari j.l. heb ik mijn zwager een brief geschreven, waarin ik hem vraag mijn zaak te behartigen.

Frans van Camminga heb ik niet gezien, sedert ik jouw brief ontvangen had; tweemaal ben ik bij hem thuis aangegaan, tweemaal werd ontkend dat hij thuis was, maar zoals ik van jouw Antonius [= Marcus Lycklama (4)] vernomen heb, zal hij niet voor 1 mei van hier vertrekken. Mij dunkt hij heeft geproefd van de lotusboom: hij is verliefd op een mij niet bekend meisje; twee nachten lang heeft hij met haar in zijn vertrouwde herberg gezeten en hij zou er nog een derde nacht aan toegevoegd hebben, als hij niet eerst door de dienstmaagd, vervolgens door die serieuze [Petrus] Schagius en tenslotte zelfs door [professor Henricus] Schotanus zelf zou zijn weggehaald. Nu woont hij met [Andreas van] Offenhuizen en enige andere neven (van vaderszijde) het huwelijk van Rienk van Burmania bij. Van Henricus Buser, die naar Jeruzalem gaat (5), heeft hij zo'n 100 gulden ontvangen, die hij naar ik hoor hem zal teruggeven als hij teruggekeerd is. Maar voorwaar ik ben blind: de gebreken van een ander zie ik, die van mezelf niet.


4. Zie Marcus/Antonius Lycklama.
5. Henricus Buser komt niet voor in het Album studiosorum. Hij maakte, waarschijnlijk met anderen, een pelgrimsreis naar Jeruzalem, mogelijk naar het voorbeeld van Hessel van Martena en Tjalling en Juw (Julius) van Botnia uit 1517. Van het reisverslag van laatstgenoemden circuleerden verschillende afschriften: een uit 1592 van de copiist Leo Sibrandus van Slappeterp (bij Menaldum) bevindt zich als onderdeel van de collectie Gabbema in de PBF onder signatuur 286 Hs; vgl. de uitgave door J. van Leeuwen in De Vrije Fries 3(1844), 219-276.

Ik heb de groeten gedaan aan Wigle Wiarda en Gysbert [Bouricius]; de laatste doet de groeten terug. Jouw brief heb ik niet aan (de vuurgod) Vulcanus toevertrouwd, want ik wil hem als een kostbaar eigendom altijd bewaren. Niets wens ik zo zeer als dat ik van jouw gezelschap mag genieten. Ik beloof je zo niet iets anders in elk geval altijd aan de weldaden jegens mij te denken en er dankbaar voor te zijn. Ik stuur je deze vierkante penning, een symbool, herkenningsteken van mijn toewijding voor jou, dat je, bid ik, moge aanvaarden. Groet alsjeblieft je moeder en jouw evenals mijn neef (van moederszijde), mijnheer Sjoerd Hania. Het ga je goed, mijn dierbare neef en oprechte vriend.

Franeker 1594, daags voor St. Antonius [d.i. 16 januari].

Je zeer liefhebbende neef Georg [d.i. Gysbert] Wiarda

Aan de in deugd evenals in de letteren uitblinkende jongeheer Johan Saeckma te Dokkum.

>> begin


STUDENTEN ROND SAECKMA

Inschrijfdatum in het Album studiosorum Academiae Franekerensis en verblijfplaats of beroep in 1594. De namen van niet in de brief genoemde studenten cursief; * wil zeggen: ook in de groep Arcerius


wapen Wiarda

>> begin


MARCUS/ANTONIUS LYCKLAMA

Marcus Lycklama had de bijnaam Antonius. Al op het gymnasium, de Latijnse school te Leeuwarden was hij bij zijn vrienden onder die naam bekend; vgl. de brief van Sabinus Odulphi Baerdt aan Johannes Saeckma d.d. 19 januari 1588.(6) Onder het pseudoniem Antonius Mercator liet Lycklama in 1616 te Leiden Pro Jac. Cuiacio Operae gratuitae de condictione furtiva, adversus operas Ant. Fabro subsidiarias verschijnen.


6. In Een luit voor muziekles in Franeker, 1588, van opbrengst schoolboeken, Leeuwarden 1588, hadden we "Antonium tuum" nog niet kunnen thuisbrengen als Saeckma's beste vriend Marcus Lycklama.

Deze bijnaam kan zeker in verband gebracht worden met zijn geboortedag 17 januari, Antoniusdag, 1573.(7) De naamdag, d.i. de gedenkdag van de heilige naar wie een katholiek gedoopte genoemd is, zou samengevallen zijn met zijn verjaardag, als Lycklama Antonius had geheten.


7. Vgl. Het testament van Marcus Lycklama, opgemaakt door zijn beste vriend Johannes Saeckma; uitgegeven door M. Engels, Leeuwarden 1992. Ook onderdeel van deze site: zie de HOMEpage.

Mogelijk is de bijnaam ook gekozen met de gedachte aan Marcus Antonius (83-340 v. Chr.), de vriend van Caesar. Een spel van jonge humanisten aan het gymnasium? En was Saeckma toen misschien Caesar? Het eerder genoemde pseudoniem van Lycklama, Antonius Mercator, lijkt een omkering van Marcus Antonius; mercator (handelsman) is daarnaast een tegenhanger van faber (handwerksman).

>> begin


NASCHRIFT

Dat Gysbert Wiarda in het gezin van zijn oom Jacobus Bouricius te Leeuwarden ter onderscheiding van diens zoon Gysbert juist de voornaam Georgius kreeg, kan verklaard worden uit de Griekse/Latijnse betekenis van die naam: landman. Wiardastate lag in Goutum, buiten Leeuwarden. Gysbert Bouricius was een stedeling.

>> begin

M.H.H. Engels, 24 juni 2003