>> HOMEpage

W. Bergsma
Willem Lodewijk en het Leeuwarder hofleven

Bron: It Beaken, jg. 60 (1998) nr. 3/4, 191-256
Internetuitgave van de biografie (191-228): M.H.H. Engels, februari 2021
ter herdenking van Wiebe Bergsma (1955-2015)
en n.a.v. de ontdekking in 2020 van het dagboek van Willem Lodewijk in het Koninklijk huisarchief door André Buwalda en Jeroen Punt: zij zullen een geannoteerde uitgave verzorgen, met de hulp van vrijwilligers voor de transcriptie

'Als men sig hier uit [de geschriften van Vervou] verbeelt het Hofgesin van Willem Lodewijk t welk in het klein na dat van Willem de Iste was geformeert, sal me byna ophoude sig te verwonderen, hoe die Heeren de door geheel Europa gevreesde Magt van Spanjen hebben konnen tegenstaan, en so een hand vol volk, als Neerlant, tot sulk een magtige natie maaken: 't is seker dat sulke Princen alleen bekwaam syn om na menschen gedagten, onverwinnelyke swarigheden te boven komen: Gelyk Willem Lodewyk door alle dissensien van de Regenten, flaumoedigheit van het volk, jaloussie tusschen de Provincien, onwilligheit tot de nodige contributien en lasteringen van groot en klein heeft heen geworstelt'. Jagt-Praatje, 35-36.

Summary
   In the present article the author wants to shed some new light on court life in Friesland in the Early Modern period by making a comparison between the court of the Frisian stadholder William Louis (1560-1620) and other European courts. The author has chosen for a biographical approach. In the first place a short biography of William Louis, count of Nassau, is presented. His life as a military commander, his character and his Reformed belief are important for a better understanding of the modest court life in Leeuwarden and Groningen. Due to two chronicles, written by William Louis' major domus Frederik van Vervou, we gain some inside information about the life at the court in Leeuwarden. The Leeuwarden court was a kind of Ritterakademie, where the stadholder lived between horses and scholars. Learned Calvinists translated military books of Greek and Latin authors.


1. Inleiding

   In 1610 kwam het Willem Lodewijk ter ore dat Franse en Duitse edellieden klaagden over de 'slappe springhengsten' in Leeuwarden. De stadhouder stelde een memorie op waarin hij bepaalde dat geen vreemde paarden, maar alleen 'recht welgewassene Vriessche hengsten, geurich van beenen ende reijn van spatten ende gallen, van goede hoeven ende goede oogen' waren toegestaan." De hofmeester gaf in 1609 de opdracht om zelf de haver op de markt van de boeren te kopen, niet van de 'voorkopers', want die wilden altijd winst genieten.' In datzelfde jaar had de hofmeester Regemorter een bont paardje gezien van de edelman Juckema, van zulk een leest dat 'wij t souden konnen gebruicken om over straten te rijden'. Hij wilde het graag voor zijn neer kopen. Liefde voor paarden had Willem Lodewijk volgens zijn biograar, zen en gereformeerd geloofsgenoot," de Groningse hoogleraar Ubbo Emmius ) van jongsaf meegekregen. Emmius brengt ons van de paarden naar de verdiensten van Willem Lodewijk.
   Na het overlijden van de stadhouder schreef Emmius over Willem Lodewijk. dat hij na Willem van Oranje de tweede redder was van het vaderland, en de ver geiser van de godsdienst. Vervolgens typeerde Emmius de verhouding Maurits en Willem Lodewijk:
191
Zijn neef Maurits, aan wie na diens vader zonder twijfel de eerste lof en dank verschuldigd is voor het verdrijven van de Spaanse tirannie en het verdedigen van vrijheid en godsdienst, heeft hij voortdurend zo terzijde gestaan, is hij met zijn adviezen en daden zo van dienst geweest, dat niemand die onze geschiedenis kent, zou kunnen loochenen dat de helft van de roem en de verdiensten hem toekomt.
   Het citaat is ontleend aan een grafrede, die uitgroeide tot een biografie. Willem Lodewijk zelf had Emmius bij herhaling verzocht om over de eigentijdse gebeurtenissen en de Nederlandse oorlog te schrijven. Emmius zag de betekenis van Willem Lodewijk vooral in zijn aandeel in de strijd tegen Spanje en de verdediging van de ware gereformeerde religie. Anders dan de oudere geschiedschrijving ons wil doen geloven, was Willem Lodewijks aandeel in die strijd niet minder dan dat van Maurits. Willem Lodewijk was 'de man die door zijn neef Maurits werd geraadpleegd als een Nestor in politieke en als een Hector in militaire zaken'. De vele jaren te velde van Willem Lodewijk in de strijd tegen Spanje hebben zeker consequenties gehad voor zijn hofleven.
   Een grafrede als die van Emmius is niet een objectieve bron. De overledene wordt ook in de vroegmoderne tijd in een oratio funebris vaak als een heilige afgeschilderd. Toch vinden we in Emmius' biografie belangrijke opmerkingen over het hofleven van de stadhouder. Na een opsomming van allerlei deugden van de stadhouder geeft Emmius een typering van het hof: 'Zijn hofhouding was beperkt, eerder ingericht met het oog op bescheidenheid en waardigheid, dan trots en ijdelheid'. Emmius beschrijft het hofleven in termen van vroomheid, eenvoud, geleerdheid, bestuurlijke wijsheid: hij noemt enkele raadgevers en beschrijft de convivia aan het Leeuwarder hof. In dit opstel wil ik Emmius' typering van het hofleven van Willem Lodewijk nader uitwerken.
   Wie hofleven in het algemeen in de vroegmoderne tijd wil onderzoeken, kan te rade gaan bij vele studies. Of deze uitdijende historiografie van groot belang is voor het Friese hofleven zullen we nader bezien. Wie wil schrijven over het Friese hof van Willem Lodewijk doet er verstandig aan een eenvoudige weg af te leggen. Ik kies voor een beschrijving van het leven van de Friese stadhouder. Diens leven was bepalend voor het Friese hofleven en niet andersom. Willem Lodewijk was sedert zijn aanstelling in 1584 de eerste dienaar van de Staten van Friesland. Zijn 'allure' als graaf ontleende hij aan zijn Nassause herkomst. Willem Lodewijk trof bij zijn komst in Friesland geen bestaand hof en geen rituele structuur aan waar zijn rol al was vast gelegd. Hij bouwde zelf zijn hof op, daartoe in staat gesteld door de soevereine Staten van Friesland, die werden gedomineerd door de grietmannen ten plattelande, onder wie veel edelen. Willem Lodewijk was als militair vaak afwezig in Leeuwarden, aan zijn hof verbleef geen vrouw en er was weinig continuïteit met een eerder hof. Tezamen met het gereformeerde geloof en het karakter van de stadhouder waren dat bepalende elementen voor het Leeuwarder hofleven. Willem Lodewijk stond als militair bevelvoerder gewoon op de 'loonlijst' van de Friese Staten en als stadhouder was hij slechts dienaar van de Staten, maar zijn persoonlijk gegroeid gezag maakte dat hij informeel als stadhouder een bepaalde uitstraling had.
   Willem Lodewijk leek als scribent niet op de latere stadhouder Willem Frederik, die deed als Nero: '… en schreef alles in mijn almenack op wat men seide': dus heeft Willem Lodewijk niet een dagboek nagelaten. Wie Willem Lodewijk als militair en als mens wil leren kennen is vooral op de briefwisseling van deze Nas-
192
sauer aangewezen. Helaas was mededeelzaamheid niet Willem Lodewijks opvallendste eigenschap; zijn meest vertrouwde medewerker Everard van Reyd typeerde hem als een man die "weinig wort braucht und von seinen verrichtungen nicht viel trallen mag'.
   E.H. Waterbolk heeft opgemerkt dat de levensbeschrijving van Emmius van Willem Lodewijk te weinig is gelezen; ook aan de stadhouder zelf en aan Everard van Reyd, secretaris en adviseur van Willem Lodewijk, is naar zijn mening te weinig aandacht besteed. Wie het hofleven wil onderzoeken kan inderdaad veel profijt hebben van de werken en brieven van Ubbo Emmius en diens secretaris Everard van Reyd. Te weinig aandacht in deze context is er ook geschonken aan twee kronieken van Frederik van Vervou. Vervou was een edelman uit Franeker, die een belangrijke rol speelde in het leven van de stadhouder als militair bevelhebber en hofmeester. Via de geschriften van Vervou maken we kennis met 'hofrituelen' en komen we indirect in aanraking met patronage, een van de zuilen genoemd van het onderzoek naar de hofcultuur in de vroegmoderne tijd. Begrippen als 'factie' en 'ritueel' kunnen 'slechts als bouwstenen van een verklaring dienen als zij van voldoende historisch vlees worden voorzien'. Dit verhaal is geen prosopografische studie, maar wordt ook geprezen als een desideratum voor onderzoek naar hofcultuur. Toch leren we in dit opstel vele verwanten van Vervou kennen, die actief waren in de strijd tegen Spanje. Enkele van die verwanten vinden we aan het hof terug. Het leven en de werken van de 'hoveling' Vervou geven een indruk van wat wij ons bij het Friese hofleven omstreeks 1600 moeten voorstellen.
   Ik schets eerst de lotgevallen van Willem Lodewijk. Voor een biografisch portret van deze stadhouder kunnen ook historiografische argumenten worden genoemd. Daarna ga ik uitvoerig in op de relatie tussen Willem Lodewijk en zijn hoifmeester Vervou. Ik geef de voorkeur aan eenvoudige biografische portretten boven een beschouwing over een Duits vorst als Idealtypus of een edelman als homo aulicus. Deze omtrekkende bewegingen rond het Leeuwarder hof bieden naar mijn mening meer over het hofleven dan een theoretische benadering. Ter illustratie van het Leeuwarder hofleven is in de bijlage het hofreglement uit 1595 getranscribeerd.

2. Het leven van Willem Lodewijk

   Willem Lodewijk werd te Siegen geboren als zoon van Jan de Oude (1536-1606) en Elizabeth van Leuchtenberg (overleden in 1579 bij de geboorte van haar dertiende
193
kind). Jan de Oude, zoon van Willem de Rijke en Juliana van Stolberg, kreeg bij drie vrouwen 24 kinderen. Het leven van Jan van Nassau stond in het teken van de strijd tegen het iugum Romano-Hispanicum; hij rekende zich tot de 'Christ- und vatterlandtsliebhabender leuth'. In de loop van 1572/73 bekende Jan de Oude zich tot 'de ware gereformeerde religie', hoewel hij lange tijd als een tegenstander van het calvinisme gold. Met de keurvorst van de Palts behoorde Jan van Nassau tot de actieve kern van het calvinisme in het Duitse Rijk. Ook was hij nauw betrokken bij de heroprichting van de 'Wetterauer Grafenverein', mede naar aanleiding van het Concilie van Trente. Vier broers van Jan van Nassau zouden het leven laten in de strijd tegen de Spanjaarden: Adolf (1568), Lodewijk (1574), Hendrik (1574) en Willem van Oranje (1584). Uit dynastieke overwegingen en uit een zekere internationale protestantse solidariteit, zeker niet uit liefde voor de inwoners van de Lage Landen, steunde Jan de Oude de Opstand onder meer met sommen gelds: hij was een groot pleitbezorger van de Unie van Utrecht (1579). De lotgevallen van deze familie gaven Emmius een citaat van Horatius — hier in een vertaling van Vondel — in de pen: 'In kalvers en veulens blijckt des vaders deught, en fiere adelaers teelen geene weerlozen duif'.
   Op 6 mei 1560 werd Willem Lodewijk in Siegen luthers gedoopt. Of er bij deze doopsbediening zevenhonderd paarden waren gestald zoals acht jaar later bij de doop van Maurits, weten we niet. Jan de Oude was een strenge vader voor zijn talrijke kinderen: 'Het is goed als onze kinderen in de jeugd aan dienstbaarheid gewoon raken, en vroeg leren wat lijden is. De beste jaren van ons leven mogen we niet in luiheid verkwisten'. Willem Lodewijk bezocht korte tijd de hofschool. Aan het hof van Jan van Nassau werd het nut van de bonae litterae voor de opgroeiende edellieden ingezien. Als opvoedingsidealen golden de ware religie, een hoog zedelijk leven, kennisverwerving en lichaamsoefening. Alleen aan het laatste opvoedingsideaal zou Willem Lodewijk niet beantwoorden; hij was gewoon te dik. Van jongsaf ging zijn belangstelling naar paarden uit.
   Mede dankzij de overgang van Jan de Oude naar het gereformeerd protestantisme ging Willem Lodewijk op zijn zestiende met zijn broers Johan, George en Filips, zijn neef Maurits en met zijn vier neven Van den Bergh onder de hoede van de gouverneur dr. Otto van Grünrade naar het gereformeerde Heidelberg. In Heidelberg was een 'Paedagogium', waar Johannes Piscator (1546-1625) de scepter zwaaide. Willem Lodewijk werd bij een gereformeerd oud-hoogleraar in de kost gedaan. Na de dood van de gereformeerde keurvorst Frederik III kwam de lutherse vorst Lodewijk. Daar-
194
om verliet Willem Lodewijk Heidelberg. Nadat Willem Lodewijk een korte reis naar Engeland had gemaakt, verbleef hij beurtelings bij zijn vader in Gelderland. die in 1578 stadhouder van dit gewest was geworden, en aan het hof van Willem van Oranje. Onder leiding van deze oom — 'een verstandiger en meer ervaren man kende het Noordelijk halfrond niet' — leerde hij niet alleen een staat te besturen, maar ook de inspanningen van Mars te verdragen.
   De militaire loopbaan van Willem Lodewijk begon in september 1579 op negentienjarige leeftijd met een aanstelling tot overste over tien vendels. Was het roeping, de eer van het eigen huis of besefte Willem Lodewijk dat 'de aardse welvaart van het hele huis aan de Nederlanden hing'? We weten het niet. Willem Lodewijks begin was niet gelukkig. Het beleg van Groningen mislukte en bij Hardenberg werd een zware nederlaag geleden. Bij het beleg van Coevorden werd Willem Lodewijk getroffen aan zijn linkerbeen door een kogel van zes pond. Sedertdien was hij mank, liep hij met een stok en verplaatste hij zich bij voorkeur te paard. Zijn zwaarlijvigheid hangt met deze gebeurtenis wellicht samen. In 1581 werd hij overste van de ruiterij in de gewesten Friesland, Gelderland en Overijssel; de Friese gedeputeerden Duco van Martena en Abel Franckena hadden in mei 1580 al een beroep op hem gedaan. In juli 1581 schreef Willem Lodewijk vanuit Kampen aan zijn vader dat hij was geroepen tot 'een christelijk werk', namelijk de bevrijding van het noorden. Dat credo had hij gemeen met zijn oom Willem van Oranje, die enkele brieven aan het Leeuwarder stadsbestuur had geschreven.
   In februari 1584 werd Willem Lodewijk als opvolger van Bernard van Merode, heer van Rummen, benoemd tot luitenant-gouverneur van Friesland; in dat jaar werd hij ook aangesteld tot gouverneur en stadhouder van de Friese Ommelanden. Na de dood van Willem van Oranje in juli 1584 werd Willem Lodewijk op 16 oktober 1584 door de Landdag benoemd tot 'absoluut' gouverneur en kapitein-generaal van Friesland, hetgeen een maand later door de Staten-Generaal werd bekrachtigd. Hij was de eerste dienaar van de Staten van Friesland, verder was hij onder meer legeraanvoerder en had hij het recht om in de steden, Leeuwarden en Franeker uitgezonderd (sinds 1586), jaarlijks uit een dubbeltal de magistraten te benoemen. Ook benoemde hij met Gedeputeerde Staten de grietmannen. De Hollandse en Friese stadhouders bezetten in de Raad van State de eerste plaatsen. Het traktement van Willem Lodewijk werd in 1584 bepaald op 4.000 gulden.
   Aan veel problemen moest Willem Lodewijk in het Noorden het hoofd bieden. Dertig jaar van zijn leven (1579-1609) streed hij tegen de Spanjaarden, die onder leiding van Verdugo en later Spinola over goede strategen beschikten. In dat kader moest hij samenwerken met de niet-gemakkelijke, altijd even dorstige militair Filips van Hohenlohe, die getrouwd was met Maria, een dochter van Willem van Oranje. Vele interne Friese geschillen zouden hem jaren bezighouden: de perikelen tussen de edellieden, de al vroeg begonnen factiestrijd in de Staten, de spanningen tussen de steden en de plattelandskwartieren, de problemen tussen Gedeputeerde Staten en het Hof van Friesland onder leiding van de president Hessel Aysma, later de nationalistische Roordisten, die het stadhouderschap wilden afschaffen, en de in de ogen van Emmius vele papisten die 'in zeer groten getale in het hart van de staat achterbleven'. Dat waren nog niet alle problemen. In 1589 stuurde Willem Lodewijk een reeks klachten naar de Raad van State. Zo waren er personen 'die sinisterlijck die vredehandelinge hebben gedreven ende onder des vyants verbont ende sauvegarde sitten, ofte oyck met andere factien besmet' waren. Voortdurend ook moest Willem Lode-
195
wijk in Leeuwarden en Den Haag pleidooien houden voor meer geld voor de werving van troepen. Hij vreesde terecht interne partijschappen in de Staten. In 1600 brak een grote onenigheid uit tussen de gedeputeerden onderling, die dankzij ingrijpen van de Staten-Generaal in het voordeel van Willem Lodewijk werd beslist. In dat jaar stond Friesland zelfs op de rand van een burgeroorlog. Naast zijn groot aandeel in de strijd tegen Spanje, heeft Willem Lodewijk een belangrijk aandeel gehad in de 'consolidatie van het Statenregiem' ten koste van de nationalisten en de Hoffactie. Daarmee heeft hij in Friesland zelf zijn positie uiteindelijk verstevigd.
   Volgens Van Reyd overwon de stadhouder de genoemde problemen door 'sijne maticheydt'. Ziekte en verwondingen waren gedurende de helft van zijn leven — 1579-1609 — geregeld zijn deel. Zo kon hij in september 1584 het huwelijksfeest van zijn broer George en Anna Amalia van Nassau-Saarbrücken niet bijwonen.
   Na zijn benoeming tot stadhouder in 1584 ging Willem Lodewijk op verzoek van de Staten in Franeker wonen. Hij betrok in 1584 het Botniahuis, eigendom van een vriend, de Franeker edelman Julius van Botnia. Later woonde de stadhouder bij Hero van Ockinga. Het zal geen toeval zijn dat in datzelfde jaar in Franeker verschillende onbetrouwbare personen werden opgepakt, die later tegen borgstelling werden vrijgelaten. Aan zijn hofmeester Adam van Haren, die ook in dienst van zijn vader
196
was geweest, gaf Willem Lodewijk een instructie om bij de Leeuwarder magistraat aan te dringen op speciale defensiemaatregelen en 'een zuivering op bepaalde verdachte elementen' eer hij naar Leeuwarden zou willen verhuizen. In 1584 kon Willem Lodewijk reeds over het Cammingahuis beschikken, dat door de Staten van Friesland was geconfisceerd, omdat de eigenenaar Tiete van Cammingha een prominente katholiek was. De hofmeester kocht meubels voor deze woning. Kort heeft Willem Lodewijk hier gewoond, want in 1587 betrok hij het pand dat zou uitgroeien tot het stadhouderlijk hof.
   Op 22 oktober 1587 trouwde Willem Lodewijk met zijn nicht Anna, de dochter van Willem van Oranje en Anna van Saksen. Zij werd in 1563 geboren, rooms-katholiek gedoopt, ging in 1567 naar de Dillenburg en werd aldaar opgevoed door Juliana van Stolberg, haar grootmoeder. Hoewel Jan de Oude tegen het huwelijk was vanwege de schulden van Willem van Oranje, zette Willem Lodewijk zijn zin door. Een hindernis die voor dit huwelijk moest worden genomen was het feit dat Willem Lodewijk en Anna neef en nicht waren; gereformeerde theologen gaven hun instemmend advies. Uit het sterfhuis van Willem van Oranje kreeg Anna als bruidsschat een jaarrente van 2.000 gulden mee. De bruiloft vond plaats op het Botniahuis in Franeker. Anna werd al spoedig ziek en overleed onder helse pijnen tijdens haar zwangerschap reeds in het jaar na de huwelijksvoltrekking. Jan van Nassau probeerde zijn zoon te troosten met preken van Calvijn, die hij in Herborn had laten vertalen in het Duits en aldaar doen drukken. De preken van Calvijn vormden volgens Jan van Nassau een rijke troost 'voor alle bedrukten, bedroefden en bekommerden'.
   Anna werd mede door Vervou ten grave gedragen in de Jacobijnerkerk te Leeuwarden, met op een tombe twee inscripties: 'Mihi Christus in vita et in morte est lucrum' (Fil. 1:20) en 'Hac in carne mea videbo Deum' (Job 19). Willem Lodewijk is niet hertrouwd, ondanks enkele bemiddelingspogingen van derden. Het verlies van zijn vrouw is hij nimmer teboven gekomen.
   Vanaf 1584 tot het Twaalfjarig Bestand in 1609 stond het leven van Willem Lodewijk, afgezien van de interne Friese problemen, grotendeels in het teken van de oorlog tegen Spanje, geregeld met gevaar voor eigen leven. Wie een tijdbalk maakt van zijn leven, ziet hem voortdurend heen en weer trekken door de Lage Landen. Een van Willem Lodewijks grote verdiensten was de stoot tot de offensieve oorlog en een reeks militaire hervormingen, die met wisselend succes hebben geresulteerd in de verovering van tal van steden en schansen: Zutphen, Deventer, Delfzijl en Nijmegen in 1591, Steenwijk en Coevorden in 1592 en Groningen in 1594. Na de slag bij Nieuwpoort werd in 1602 Grave veroverd en in 1604 Sluis. Tegen het Bestand heeft Willem Lodewijk zich verzet, waarbij hij zich kon beroepen op een nagelaten geschrift van Van Reyd. De stadhouder had ook een scherp oog voor de problematiek van de soevereiniteit.
   Willem Lodewijk was een vrome, gereformeerde man. Gereformeerde theologen steunde hij waar hij dat nodig achtte. Hij verdiepte zich grondig in ketterse geschriften. De opbouw van de gereformeerde kerken beschouwde hij als een van zijn belangrijkste taken. In de verzwakking van de gereformeerde religie zag Willem Lodewijk het verlies van de vrijheid van het vaderland. De kerkelijke ontwikkelingen vormden dan ook een voortdurende zorg. In 1589 maakte hij een einde aan de ruzie tussen de gereformeerde predikanten Ruardus Acronius en IJsbrand Balk. De stadhouder koos partij voor de orthodoxere Acronius. In 1596 was hij betrokken bij het lange debat tussen de voornoemde Acronius en de doopsgezinde leraar Pieter van Ceulen. In 1603
197
werkten Willem Lodewijk en Maurits, het Leeuwarder stadsbestuur en de kerk samen om Johannes Bogerman (1576-1637), die in Enkhuizen stond, naar Leeuwarden te halen. In een brief zette de stadhouder uiteen waarom Bogerman, zoon van een balling, naar Leeuwarden moest komen: vanwege zijn leer en leven, om twisten en scheuringen tegen te gaan én omdat Bogerman verplicht was om in Friesland te werken. Hij was alumnus, voedsterling, geweest en had op kosten van het gewest gestudeerd. Bogerman stond na zijn komst naar Leeuwarden op goede voet met Willem Lodewijk en later Ernst Casimir.
   Na de Reductie van Groningen in 1594 werd Willem Lodewijk stadhouder van Stad en Lande, in 1596 van het gewest Drenthe. Was in Friesland reeds voor de komst van Willem Lodewijk het calvinisme de heersende religie geworden (1580), in Groningen was Willem Lodewijk vanaf 1594 en in Drenthe vanaf 1598 persoonlijk sterk betrokken bij de invoering van de publieke gereformeerde kerk. Voor de opbouw van de gereformeerde kerk in Groningen deed Willem Lodewijk een beroep op de Franeker professoren Sibrandus Lubbertus en Martinus Lydius en de in Eelde geboren Menso Alting, predikant in Emden. Nadat de Martinikerk van beelden was gezuiverd, hield Menso Alting de eerste preek over Ps. 118:22-24. Maurits en Willem Lodewijk waren beiden aanwezig. Willem Lodewijk regelde de kerkorde, die hij eigenhandig ondertekende. Hij betoonde zich al snel minder onverdraagzaam dan sommige gereformeerde predikanten en Ubbo Emmius. Emmius was een voorstander van het scherpe plakkaat van het Groninger stadsbestuur (1601) tegen de dopers. Willem Lodewijk daarentegen nam hen later in bescherming.
   In Drenthe was de invoering van de publieke kerk mede het werk van Willem Lodewijks adviseur Everard van Reyd. In dit gewest kon Willem Lodewijk als een Duits vorst opereren. als een tutor religionis. Zeer krachtig heeft hij hier de Reformatie proberen in te voeren.
   Aanvankelijk probeerde Willem Lodewijk tijdens de Bestandsjaren te bemiddelen in de twist tussen de remonstranten en contra-remonstranten. In Den Haag ontbood hij geregeld de voormannen Johannes Uytenbogaert, die Willem Lodewijk jaren eerder nog naar Leeuwarden had willen halen, en de Fries Festus Hommius. Uiteindelijk koos hij duidelijk partij voor de contra-remonstranten. Van een 'blind fanatisme' is — anders dan in de populaire overlevering wordt gesuggereerd — bij hem geen sprake. De remonstranten dienden hun plaats te krijgen, maar niet ten koste van de gereformeerden. De terechtstelling van Oldenbarnevelt wees hij af. Aan Maurits schreef hij een indrukwekkende brief om hem af te houden van de 'uiterste rigueur'. In Leeuwarden verving hij in 1616 de 'rekkelijke' magistraat door een contra-remonstrantse; in het taalgebruik van Ubbo Emmius: 'Zo heeft hij het gezwel weg kunnen nemen'. Voor Willem Lodewijk en de Leeuwarder predikant Johannes Bogerman waren alleen 'Geneefsche Geusen' en 'oprechte Relionsverwanten' betrouwbare medestanders in de strijd tegen Spanje.
   Willem Lodewijk was er trots op dat tijdens zijn stadhouderschap zowel de Franeker academie (1585) als de Groningse universiteit (1614) was gesticht. In het algemeen vond hij het oprichten van scholen een belangrijke zaak. In dit verband was hij een zoon van zijn vader, die in 1584 een hogeschool in Herborn (de Johannea) had opgericht. Na de dood van Jan de Oude bemoeide Willem Lodewijk zich persoonlijk met de leges scolae van Herborn. Zijn jongere broer Johan de Middelste (1561-1623) stichtte in 1616 een 'Kriegsschule' in Siegen. Volgens hem behoorden klassieke werken tot de geestelijke bagage van een rechtschapen kapitein. 198
Terugkerend van een van zijn vele reizen naar Den Haag, werd hij in mei 1620 getroffen door een beroerte, die hem het leven nam. Bij het sterfbed was de bevriende Leeuwarder predikant Johannes Bogerman aanwezig. Zijn laatste woorden waren
199
volgens zijn arts Nicolaus Mulerius, die aan het sterfbed stond: 'O Here, Uw wil geschiede'. Volgens Willem Lodewijks secretaris luidden die: 'Here Jezus Christus, erbarm U mijner.' Hij werd bijgezet in het graf van de hem zo vroeg ontvallen Anna. Bij de graftombe werd geen lijkrede gehouden, zoals dat wel het geval was in het graafschap Nassau. Een lange volgstoet, bestaande uit onder meer de fine fleur van Friesland, droeg hem 'met statie ende pompe' ten grave: edellieden, familieleden,
200
grietmannen, de vier Leeuwarder predikanten, raadsheren, professoren en andere bekleders van hoge ambten. Een grandeur die Willem Lodewijk in Friesland tijdens zijn leven niet had meegemaakt.
   De ironie wil dat als eerste in deze rij een van de rijkste Friezen, Schelte van Aebinga (1588-1666), wordt vermeld, die zijn gehele leven katholiek is gebleven.
201
Van het hofpersoneel worden onder meer genoemd: Willem van Haren, kapitein en stalmeester van de stadhouder; Petrus Regemorter, ridder en hofmeester van Willem Lodewijk; Idzard van Burmania, ceremoniemeester; de hofjonkers Sybe van Aylva, een Rengers en Reyn Schaffer, en Joris Lorayn, kamerling van Willem Lodewijk. Verder waren er vele vrienden van de stadhouder: Rembertus Ulenburg, Gellius Hillama,
202
Johannes van den Sande, Nicolaus Mulerius en Frederik van Vervou. Opvallend is de aanwezigheid van vele Eysinga's: Aede van Eysinga, die het wapen van Willem Lodewijk droeg; kapitein Sjuck van Eysinga; Tjalling en Frans van Eysinga: Julius van Eysinga, bevelvoerder over het Friese regiment, en Pieter van Eysinga, grietman van Rauwerderhem.
   Na de dood van Willem Lodewijk werd een tiental carmina funebria gepubliceerd. De rector van de Latijnse school te Leeuwarden Edo Neuhusius publiceerde in dichtvorm een lijkrede, vol ontzag voor de stadhouder en zonder enige distantie. In een oratio funebris noemde de Groninger hoogleraar Herman Ravensberger, een Nassauer, Willem Lodewijk het schild en Maurits het zwaard van de Republiek. Het devies van de stadhouder zou 'Volente Deo cum honore et gloria' zijn geweest. Ds. Westerman van Workum schreef een klaagrede op de dood van de stadhouder."
   Wat Emmius, die aan de lippen van Theodorus Beza 'twee volle jaren hing', in 1594 schreef bij de aanvaarding van het rectoraat van de Latijnse school in Groningen, geldt ook voor de held van zijn oratio: '[…] het enige doel is, dat de jeugd, daarin van kindsbeen af met de orthodoxe religie doordrenkt, in de letteren der oudheid onderwezen, aan een kuise en zuivere levenswandel gewend, tot mannen opgroeit, die door hun vroomheid, geleerdheid en deugd gelijkelijk aan de Kerk en aan de staat tot nut en sieraad kunnen zijn'. Emmius en Willem Lodewijk waardeerden pietas, doctrina en virtus in school, kerk en staat: voor Willem Lodewijk gold nog een vierde terrein waar deze deugden zouden moeten gelden: in het legerkamp.
   Emmius, zelf 31 jaar lang ouderling in Groningen, schilderde de stadhouder als
203
een overtuigd gereformeerd man. Van Reyd schreef in 1589 aan Jan de Oude, dat de stadhouder in Leeuwarden dagelijks in de bijbel las. Willem Lodewijks liefde ging volgens Emmius uit naar de ware, dus gereformeerde, godsdienst, de eredienst en de zuivere leer; 'bederf daarin haatte hij het meest, daartegen stelde hij zich uit alle macht te weer en hij waakte ervoor, zoveel in zijn vermogen lag, dat dat niet zijn provincies binnensloop of met geweld in bezit nam'. Calvijn en Beza waren zijn voorbeelden. Hij was anderen tot voorbeeld in kerkgang, avondmaalsbezoek en gebed. Hij had liever geen mensen in zijn nabijheid die een ander geloof beleden. 'En hoewel hij zich jegens allen welwillend en vriendelijk betoonde, schepte hij toch het meest genoegen in de omgang met vrienden van de ware godsdienst. Dezen nam hij liever dan anderen als zijn dienaren aan en hij bevorderde hen tot eervolle openbare ambten of zag erop toe dat dit gebeurde'. Verder beminde Willem Lodewijk volgens Ubbo Emmius de schone letteren en vooral geleerdheid.
   Willem Lodewijk werd opgevolgd door zijn jongere broer Ernst Casimir (1573-1632), die in 1632 sneuvelde bij het beleg van Roermond. Hij was in 1606 getrouwd met Sophie Hedwig van Brunswijk-Wolfenbüttel. Twee zoons, Hendrik Casimir I, omgekomen bij de belegering van Hulst in 1640, en Willem Frederik zetten het stadhouderschap voort. Anders dan Willem Lodewijk kregen zij een instructie mee, waarin precies was vastgelegd wat de plichten waren van de eerste dienaar van de Staten.
   Het stadhouderschap, een staatsrechtelijk monstrum, betekende dat de stadhouders tijdens de Republiek leiding gaven aan het leger. Ook waren zij tutores religionis, beschermers van de publieke kerk. Aan hun hoven beoefenden zij patronage. Bij Willem Lodewijk staan het leger en zijn rol als beschermer van de gereformeerde religie centraal. In de instructie van Ernst Casimir wordt expliciet vermeld dat hij de gereformeerde leer, zoals die op de Synode van Dordrecht was vastgelegd, moet handhaven. Ook de Friese stadhouders leefden in een duidelijk spanningsveld. Willem Lodewijk dankte zijn vorstelijke status aan zijn bezittingen in het Duitse Rijk, in Friesland zelf was hij slechts dienaar van de Staten. Zo konden de Friese Staten Willem Lodewijk nog jaren na de slag bij Boksum (januari 1586) verbieden om 's winters bij vorst op reis te gaan!

3. Vervou en Willem Lodewijk

   Geen hof zonder hovelingen. In Friesland had de adel in vergelijking met de overige provincies veel invloed. Al weten we in het algemeen nog te weinig van de relatie tussen de Friese adel en de stadhouder, duidelijk is dat aan het stadhouderlijk hof te Leeuwarden geregeld adellijke personen verbleven als hofjonker. Velen hadden een functie als officier in het Friese regiment. Het reglement voor het Friese hof uit 1595 bepaalde dat de officieren en hofdienaars de eer en het profijt van de hofhouding moesten zoeken. Een van de edelen die de eer en het profijt van Willem Lodewijk heeft gezocht, was Frederik van Vervou.
   Frederik van Vervou (1551-1621) werd in Franeker geboren op het Martenahuis, gesticht door de Schieringer veteleider en trouw Saksisch partijganger en daardoor een van de rijkste Friezen aan het begin van de 16e eeuw, Hessel Martena. Hessel Martena was getrouwd met Both van Hottinga. Hun dochter trouwde met Frits van Grombach, drost van Harlingen en grietman van Barradeel. Hun dochter Amelia (Emerentia) trouwde met Jan Alberts van Egmond van Meresteyn. Na diens dood
204
huwde zij de Luikse jonker Raes van Vervou. Uit dit huwelijk werd Frederik van Vervou geboren. Vervou was dus gelieerd aan vooraanstaande adellijke families. De Vervou's behoorden tot de 63 edele families die Friesland in 1550 rijk was. Vervou was een halfbroer van de watergeus Albrecht van Egmond van Merestein. Hij had een bastaardbroer, David, die als knecht diende bij zijn vader in het Luikse. In zijn lijkrede op Vervou tekende Winsemius over diens verwanten aan: '… pro libertate provinciarum gloriosa arma sumpserunt'.
   Vervou maakte in 1573 een studiereis naar Leuven en ging naar het contra-reformatorische Dowaai om, zoals destijds gebruikelijk bij een adellijke grand tour, Frans te leren. Daarna trad hij, niet bepaald een logisch uitvloeisel van zijn verblijf in Dowaai, zoals zijn broer Jan van Vervou (1551-1580), toe tot de troepen van de geuzen. Hij was page van de graaf Van der Marck, die in 1578 in zijn armen stierf ten gevolge van een vergiftiging. Vervou vervulde vervolgens allerlei militaire opdrachten.
   Onbemiddeld was Vervou niet, want in 1582 leefde hij welbewust ambteloos bij zijn moeder in Franeker. Met een dienaar maakte hij een reis naar het Luikse om de vaderlijke goederen te inspecteren. Hij bewoog zich in de hoogste echelons van de Friese maatschappij. Vele verwanten bekleedden prominente functies. In 1584 trad hij in dienst van Willem Lodewijk, nadat hij eerst Bernard van Merode had gediend. Nadat hij op 5 juli van dat jaar zijn commissie had ontvangen, bleef hij vier maanden met een vendel soldaten in Franeker in garnizoen. In datzelfde jaar vroeg hij op een nacht om drie uur in de kelder Jel van Oosthem bij haar huis ten huwelijk. Hij trouw-
205
de haar tegen de zin van zijn moeder. Zij was een dochter van Hessel van Oosthem, een aangetrouwde kleinzoon van Hessel Martena. Hessel was grietman van Idaarderadeel; hij ging na de komst van Alva in ballingschap. Willem Lodewijk was bij de kerkdienst en op de bruiloft aanwezig. Als legeraanvoerder en bouwer van schansen trok Vervou onophoudelijk door de noordelijke Nederlanden. De tien kinderen uit zijn huwelijk werden in verschillende plaatsen en schansen geboren.
   Sedert 1595 was Vervou hofmeester van Willem Lodewijk. Hij maakte zich verdienstelijk als bevelhebber van Delfzijl in 1592; in deze plaats was hij ook ouderling in de gereformeerde kerk. In 1604 werd hij gouverneur in Emden, de stad die Willem Lodewijk beminde als ballingsoord voor gereformeerden uit de Nederlanden. In 1616 werd hij lid van de Raad van State; in 1620 werd Vervou namens de Staten-Generaal afgevaardigd naar Engeland. Vervou overleed in 1621. In zijn testament had hij bepaald dat 'mijn lichaem d' aerde, daer aff het gecomen is, willende dattet selvige sonder clockengeluydt, in alle stilligheyt, Christelijcker wijse begraven sal worden'. Na zijn dood tekende de Zutphense predikant Wilhelmus Baudartius (1565-1640) aan: 'mijnen insonders goeden vrient, ende patroon, die mij in het versaemlen deser historyen seer behulpsaem is geweest, zijn seer neerstich om aen te teeckenen 't gene daglix hier te lande ende elders was voorgevallen'. Vervou werd bijgezet in de grafkelder van het zeer aanzienlijke Martenahuis. Het familiewapen en een gedicht werden in de Martinikerk gehangen. Zijn devies luidde: 'Sine labore nihil'. Met de dood van Vervou's tiende kind, Hessel, stierf het geslacht in mannelijke lijn uit. Hessels dochter Saepk of Sofia overleed in 1671 op het Martenahuis.
   De Zutphense predikant Baudartius wist al dat Vervou een chroniqueur was van het 'dagelijkse' leven. Frederik van Vervou is de schrijver van Enige gedenckvveerdige geschiedenissen tot narichtinge der nakomelingen, sommarischer wijze beschreven en Enige aanteekeningen van 't gepasseerde in de … Staten Generaal 1616-20, pas uitgegeven in 1841 en 1874. Deze kronieken zijn mooie bronnen voor de geschiedenis van de Nederlanden vanaf 1572. Vervou beschrijft de Opstand tegen Spanje en zijn eigen rol daarin als bevelhebber en hofmeester van stadhouder Willem Lodewijk, de rol van de legers, de vestingen, het weer, de pest, zelfmoorden, het geloofsleven, internationale gebeurtenissen, geheimschrift; hij noteert memorabele voorvallen als het aanspoelen van walvissen op het strand bij Scheveningen, het sterfbed van Willem Lodewijk, de terechtstelling van Oldenbarnevelt, de perikelen in de gereformeerde kerk in verband met de arminianen, de vele 'goddeloze' tijdgenoten die 'ongebonden' leven en de wreedheid van de Turken met inbegrip van de meest gruwelijke martelingen die deze 'heidenen' bedreven. Hij verbaast zich over drie 'Indiaensche Gesanten' uit Sumatra, die alleen hoenders willen eten die zij zelf gedood hebben. Goedgelovigheid was Vervou niet vreemd, want hij memoreerde een vrouw die een aap in plaats van een kind had gebaard. In geldzaken toonde hij zich soms een beginselvast man.
   De kronieken vormen een goede bron om een idee te krijgen van de opvattingen van de schrijver zelf. Over het Haagse hofleven schrijft onze chroniqueur:
In den Hage en gaet het, Godt betert! niet veel anders oyck toe, als in Franckrijck; want die hoererije ende ouerspel aldaer seer gemein is, waermede die van de huise van Nassau seer besmettet sijn, ende waervan die perticulariteiten seer hatelicken souden sijn bij vele menschen, die gene haet dragen totte sonden. Van Graeff Willem van Nassau hoort men het weinichste. Godt die Here wilse alle totte rechte kennisse ende naervolgende sijnes woorts fueren ende daerinne laten sterven!
206
Een auteur die zo schrijft, die discipline, tucht en Gods Woord belangrijk vindt en bovendien in dienst is van Willem Lodewijk moet in de context van deze stadhouder wel een calvinist zijn. In 1591 heeft Vervou op vrij late leeftijd met zijn vrouw belijdenis afgelegd in Franeker. Voortdurend blijkt in Vervou's geschriften dat hij een gereformeerd protestant is, met ogen op steeltjes voor de zonden van zijn medemensen. Van 'wereltsche begeerlickheyden als dansen ende springen' had hij een afkeer. Ubbo Emmius en Sibrandus Lubbertus beschouwden Vervou als hun amicus communis. Maar liefst acht jaar had Vervou's zoon Hessel bij Lubbertus in huis gewoond, voordat hij in 1605 naar Genève vertrok. Lubbertus had al een aanbevelingsbrief voor hem geschreven aan Simon Goulartius in Genève, waarin hij Hessel aanbeval als iemand van oude adel en geschikt voor kerk en gemenebest. Ook Wiliem Lodewijk schreef een Franstalige aanbevelingsbrief aan de Geneefse predikanten, evenals Johannes Bogerman uit naam van de Leeuwarder predikanten.
   Vervou zag in Delft hoe daar het lichaam van Willem van Oranje 'met grote eere ende magnificentie' werd begraven. Hij noemde Willem van Oranje kloek, verstandig, diepzinnig, met een vooruitziende blik, begaafd en met een sterke memorie. Met veel moeite heeft de prins er voor gezorgd 'dat vele steden ende landen die waere Christelijcke religie hebben aengenomen'. Na de dood van Willem Lodewijk gaf Vervou in 1620 een typering van zijn voormalige superieur: hij was godvrezend, ging graag ter kerke, 'tuchtich in sijn levent', goed van verstand, een gezond oordeel, goed voor de armen, sober in drinkgewoonten, liefhebber van geleerde en vrome lieden, niet gierig, matig, 'haestich over sijne dienaren t' welck hem terstondt beroude', traag in het straffen, vergevingsgezind, liefhebber van schone en goede paarden. Hij prees het Dillenburgse hof, 'ende ick wolde wenschen, dat alle Heren in Duytslandt soo
207
een tuchtich levent wilden leyden'.
   Een indruk van hety leven van Willem Lodewijk en van Vervou krijgen we wanneer we Vervou's relaas volgen vanaf het eerste jaar van zijn aanstelling in 1595 als hofmeester en vertrouwenspersoon. In het begin van 1595 werd Vervou ouderling in Delfzijl. Op 1 februari beviel zijn vrouw van een dode zoon, die in Farmsum werd begraven. Op 16 februart 1595 verzocht Willem Lodewijk aan Vervou om hofmeester te worden: Vervou weigerde. Na een herhaald verzoek ging Vervou naar Groningen en bereikte met Willem Lodewijk overeenstemming. Jaarlijks zal hij 600 gulden verdienen, vrije kost en inwoning voor zichzelf, zijn vrouw en zijn zoon Hessel, hij zal een dienaar krijgen, die jaarlijks een hofkleed zal ontvangen, een dienstmaagd en 'een peert in hoy ende hauer; wel verstaende, dat, wanneer Sijne Genade geen Hoff houdet binnen Leuuerden ofte Gronningen, dat mijn huysfrouue alsdan haer eygen costen doen sal int Hoffmeysters logement'. Vervolgens verliet Vervou Delfzijl en vertrok naar Leeuwarden, alwaar hij op Paasavond arriveerde. Drie dagen later werd Vervou door Willem Lodewijk als hofmeester aan het 'hoffgesindt' voorgesteld.
   In datzelfde jaar werd Willem Lodewijk gewond bij een militair treffen, evenals graaf Ernst van Solms, die later overleed. Ook graaf Filips van Nassau liet er het leven. Willem Lodewijks broer Ernst Casimir werd door de Spanjaarden gevangengenomen, maar op verzoek van Willem Lodewijk dankzij de bemiddeling van Vervou en tienduizend gulden weer vrijgelaten. Op 23 februari 1596 beviel Vervou's vrouw van een dode dochter, die in Leeuwarden werd begraven. In dat jaar was het leger niet te velde geweest, 'soo datter niet gedenckuueerdichs verrichtet is'. Op 24 oktober 1596 kreeg Vervou's vrouw opnieuw een dood kind, ongeveer vier of vijf maanden oud. Op 18 december van dat jaar vertrok Vervou met Willem Lodewijk naar Dillenburg, waar zij op 2 januari 1597 arriveerden.
   Jan van Nassau herkende zijn zoon niet, want hij had hem in geen twintig jaar gezien. De oude graaf maakte in aanwezigheid van Vervou zijn testament om onenigheid en twist tussen de kinderen te voorkomen. De oude heer had vele vrienden ter tafel genodigd. Aan deze tafel zag Vervou een gezelschap dat hij in Leeuwarden niet was tegengekomen: 'soo dat ick aen ene tafel gesien hebbe 14 Graven ende 17 Gravinnen. Mij werde die ere gedaen, mede aen dese tafel te sitten'. Bij het afscheid kreeg Vervou 'ene hoge vergulte cop'‚ die ongeveer honderd gulden waard was. Op 3 februari vertrokken Willem Lodewijk en Ernst Casimir en Lodewijk Günther naar Groningen, alwaar zij op 19 februari aankwamen.
   In maart 1597 deden de Spanjaarden een mislukte aanslag op Steenwijk. Vervou kreeg een paspoort om naar het Luikse af te reizen om aldaar zijn zakelijke belangen te behartigen. Op de terugreis ging hij via Brussel om twee paarden, die Willem Lodewijk hem had gegeven, te schenken aan de zoon van Willem van Oranje, Filips Willem van Oranje. Meer dan twintig jaar had deze Filips, die volgens Vervou sterk op zijn vader Willem van Oranje leek, gevangengezeten. Met diens hofmeester sprak Vervou in het Frans onder meer over de grote confiscaties door Filips II van de goederen der Oranjes. In Brussel werd Vervou met een geheel andere vorm van hofleven geconfronteerd. Hier zag hij de aartshertog Albrecht van Oostenrijk (1559-1621) in een 'Cardinaels roodt cleet'; deze man werd zeer grote eer gegeven. Want als hij wijn kreeg, geschiedde dat op de knieën, 'ende neemt alsoo dese mensche hem godtlike ere aen'.
   Na een gevaarlijke reis arriveerde Vervou op 2 juli in 's-Gravenhage alwaar hij Willem Lodewijk aantrof. Aldaar dineerde hij met Maurits, die hij over zijn reis ver-
208
telde. Ook de leden van de Staten-Generaal en de Raad van State vroegen naar zij wederwaardigheden. Op 19 juli verliet Willem Lodewijk 'met het hoffgesindt' Groningen voor een militaire expeditie.
   Vervou laat soms indringend zien hoe de Nassaus leefden of aan hun einde kwamen. Willem Lodewijk trekt voortdurend met zijn 'hoffgesindt' van Leeuwarden naar Groningen en vice versa, naar Arnhem of naar Den Haag. In 1604 beschrijft hij het sterfbed in Sluis van de broer van Willem Lodewijk, Lodewijk Günther. In september leed deze aan een hevige koorts. Op een middag raakte hij wanhopig, 'roepende, dat Godt die Here hem verlaten hadde, seggende hij was een kint des duyuels, met noch vele schrickelijcke propoosten, die ick seluer gehoort hebbe'. Na twee uur werd hij verlicht. De predikant Johannes Uytenbogaert werd aan zijn sterfbed geroepen. Lodewijk Günther ontsliep volgens Vervou 'seer Christelijcken in den Here'. Op 28 september werd het lichaam per schip naar Arnhem gebracht. Graaf Willem Lodewijk had al een kapitein naar Arnhem gezonden om de weduwe in te lichten over de dood van haar man. Een optocht van vele Nassaus met hun hofmeesters en hofjonkers, vijftien trompetters, gevolgd door een zwarte wagen met de kist, daarna enkele broers van Willem Lodewijk en andere prominenten, trok naar Arnhem. Pas op 20 november werd Lodewijk Günther ceremonieel begraven. In dat jaar stierven eveneens in Sluis de hofjonker van Willem Lodewijk Focko Eysinga en een page, 'Mansaert genaemt'.
   Vervou en zijn verwanten komen in de kronieken geregeld aan de orde; een netwerk van zijn verwanten is aantoonbaar in relatie tot Willem Lodewijk en zijn omgeving. Een greep uit de vele namen in Vervou's geschriften vormt hiervoor een bewijs. In 1580 werden Vervou's broers Jan en Jurrich, oud 29 en 17 jaar, door de Spanjaarden doodgeslagen, 'ende kunde ick met nauuer noot ontkomen'. Gevaarlijk en afwisselend bleef het leven van Vervou toen hij in dienst was van Willem Lodewijk. Vervou klaagde soms over de zwaarte van zijn werk. Voortdurend trok Willem Lodewijk, anders dan Emmius suggereerde, door de Nederlanden. Lange periodes kreeg Vervou zijn vrouw niet te zien. In 1601 werd Raes van Vervou, een neef, vaandrig van een andere neef, Jacques van Challensi. Raes werd ziek in Oostende en stierf op 22-jarige leeftijd. In 1603 gaf Willem Lodewijk toestemming aan Vervou om zijn zieke moeder en haar dienstknecht op het hof te laten wonen. Aan het hof verbleef als hofjonker Hessel van Oosthem, een zwager van Vervou. In het genoemde jaar stierf de oudste broer van Vervou's moeder, Hans van Oosthem, in IJlst aan de pest. 'Hij is een wild, ruych mensch ende een goedt crijchsman geweest. Hij beminde mij seer; mocht oyck wel lijden, dat ick hem somtijts met woorden straffede'. Een jaar later stierf Vervou's neef Jurrich van Challensi, die ook in het leger streed. Het merendeel van diens vermogen erfde Vervou. Vervou liet hem in Franeker bij zijn familie begraven. In 1664 [1602] stierf ook Jacques van Challensi, gehuwd met Susanna van Ewsum; hij werd opgevolgd door de luitenant Georg van Challensi. In 1605 stierf Orck van Doyem. Hij was getrouwd met Johanna, de dochter van Jan van Vervou. Hij liet een dochter Atke na. In dat jaar liet Sibrandus Lubbertus Vervou weten dat zijn moeder, oud 85 jaar, was overleden. Ook zij werd te Franeker begraven. In oktober van 1605 stierf te Leeuwarden Anna van Mockema, die getrouwd was geweest met Jan van Vervou. Zij werd in Dronrijp begraven. Tytke van Vervou, een nicht, was eerst getrouwd met Seino Lewe, een papist, en later gehuwd met Abel Coenders van Helpen.
   Het zal duidelijk zijn dat Vervou's gereformeerde levensovertuiging, zijn adellijke status, zijn verwantschapsbetrekkingen, zijn rol als militair en als hofmeester en zijn
209
karakter van invloed zijn geweest op zijn visie op de Nassaus en zijn aandeel aan het hofleven. Het behoeft niet te verbazen dat Vervou aan de Nassaus een prominente plaats toekende in de geschiedenis. Zij hebben gestreden voor de gereformeerde religie en de vrijheid van de noordelijke gewesten, met 'lijf ende goet sesettet'. Vervou zelf verwonderde zich over de dap perheid, de goede 'resoluties' en de ijver van Maurits en in het bijzonder over het 'diepsinnig verstant' van zijn meester. Willem Lodewijk heeft deze Luikse edelman bewust gekozen als zijn bevelhebber, hofmeester en raadsman. Die keus verraadt veel over wat Willem Lodewijk met zijn hof wilde betekenen in Friesland.

4. Het Friese hof

   Een hof kan worden bestudeerd in engere zin: hoe groot was het hof als gebouw, hoe omvangrijk was de hofhouding en hoe groot was de inboedel. Ik zal eerst het hof en de hofhouding beschrijven. Vervolgens behandel ik het hof in ruimere zin, als familia of Gefolgschaft. Wie werden door de stadhouder uitgenodigd? Met wie correspondeerde hij? Wat waren zijn idealen? En wat moeten we verstaan onder hofcultuur?

4a. Het hof in engere zin

   Op tien juli 1598 vertrok Everard van Reyd uit Den Haag als adviseur van Willem Lodewijk naar Rolde om aldaar de eerste classisvergadering te leiden, in feite om de Reformatie in Drenthe in te voeren. Aangezien de vergadering nog niet was uitgeschreven, wachtte hij 16 dagen aan het hof te Leeuwarden. Dat kostte hem 25 gulden, omdat hij in een herberg moest eten, 'diewijl in afwesen van sijne genade gene koeken (keuken) ward gehalden'. Een klein, veelzeggend detail over het hofleven te Leeuwarden. Willem Lodewijk had een hof in Leeuwarden en in Groningen. Na de dood van zijn vader had hij de Dillenburg en Herborn geërfd. Ik beperk mij hier tot het Friese hofleven.
'Een rijk-Oostinje was in dezen tijd de stadhouderlijke hofhouding niet', is een van de weinige understatements die de biografie van L.H. Wagenaar bevat. De eerste hofmeester die we bij Willem Lodewijk vermeld vinden, is Adam van Haren, telg van een uit Limburg afkomstige adellijke familie. Van Haren werd gereformeerd, tekende in 1566 het Compromis en werd gebannen. Hij vluchtte naar Nassau en vertrok vandaar naar Friesland. In 1568 werd hij uit Friesland gebannen. Deze geus was een vriend van Willem van der Marck, die hem met een zwaard vereerde. Hij was aanwezig als hopman bij de inname van Den Briel. Van Haren was eveneens kamerheer en raad van Willem van Oranje, kwam vervolgens in dienst bij Jan de Oude in Arnhem en volgde deze naar de Dillenburg. In 1584 trad hij als hofmeester in dienst van Willem van Oranje. In 1587 moest Willem Lodewijk eigenlijk een oude dienaar wegzenden, maar vanwege zijn staat van dienst kon hij hem niet laten gaan. In oktober 1588 moest Willem Lodewijk een andere trouwe dienaar, Jacob Commethur, de dienst opzeggen 'om den duren tijd'. Het jaar daarop vertrok de Nassauer Johan Engelhardt, die hem drie jaar had gediend. Leicester had gelijk toen hij constateerde dat deze Nassaus 'merveillous poor' waren.
   Zoals de orangist Epo Sjuck van Burmania (1698-1775), de schrijver van het Jagt-
210
Praatje
(zie motto), in de achttiende eeuw al opmerkte, was het hof van Willem Lodewijk een kleinere variant van het hof van Willem van Oranje, dat weer gemodelleerd was naar de Bourgondische hoven. Aan het hoofd van cour en cuisine stond de hofmeester, vaak een edelman. Er was een grote kamer voor de persoonlijke verzorging van de vorst, de chambre. Aan het hoofd van de stallen (écurie) stond de stalmeester. Dit model werd in vrijwel alle Europese hoven gevolgd, ook in het Leeuwarder hof. Gelukkig is een hofreglement uit 1595 bewaard gebleven van het Friese hof, dat ons een mooie inkijk biedt in deze 'hofsamenleving'.
   Het is geen toeval dat als eerste taak van de hofmeester het toezicht op de stal wordt vermeld. Evenals bij Jan de Oude waren de hofmeesters van Willem Lodewijk van adel. De adellijke jongens moesten met tucht en discipline worden opgeleid; zo zij zich niet gedroegen, dan volgde correctie in de stal. De Friese vorm van politesse en 'zelfbeheersing' hield in dat de ontuchtige edellieden vervolgens met roeden werden gekastijd. Zonder toestemming van de hofmeester mocht de rentmeester geen penningen ontvangen. De hofmeester moest zelf een schaduw-boekhouding bijhouden. Voor bedragen hoger dan tien gulden was toestemming van Willem Lodewijk nodig; bedragen daaronder bepaalde de hofmeester. De keukenmeester moest goed acht slaan op de keuken. Hijzelf moest wild, vlees en vis inkopen. Het eten mocht niet worden verkwist. In een register moesten de aankopen gespecificeerd worden verantwoord. De vellen van de beesten moest de keukenmeester verkopen en het geld aan de rentmeester geven. Hij moest er op toezien dat de kok daadwerkelijk alle gekochte etenswaren gebruikte. Vreemden mochten zonder medeweten van de hofmeester niet aan tafel. De bottelier moest van dag tot dag aantekenen hoeveel bier er werd getapt. De keukenmeester beheerde het brandhout en de turf en moest er voor zorgdragen dat op bevel van de hofmeester het vuur werd aangestoken. Officieren en hofdienaren moesten, zoals vermeld, de eer en het profijt van de stadhouder zoeken
211
'ende dese onse hoffhoudinge so wel onse ganssen hoffgesinde in gracien als ellick int particulier conserveren'. De hofmeester, de jonkers en de dienaren moesten letten op alles wat tot verbetering van de hofhouding kon leiden.
   Aan het hof van Willem Lodewijk was zuinigheid troef, zoals dat ook het geval was bij zijn vader. We kunnen niet spreken van conspicious consumption. Zo was er in 1595 geen aparte stalmeester. Op verspilling werd nauwlettend toegezien. De jonge edellieden waren aan tucht onderworpen. Al was Willem Lodewijk streng voor zijn ondergeschikten, de doodstraf voor zijn domestiques die zich aan diefstal bezondigden, kende hij niet. De stadhouder was gesteld op orde, zoals er Zucht und Ordnung was in de Duitse gereformeerde territoriale gebieden. De belangrijkste functie, die van hofmeester, werd ten tijde van Willem Lodewijk waargenomen door mannen van adel, afkomstig, uit de zuidelijke Nederlanden: Van Haren, Vervou en Regemorter. Zij vormden de gentilshommes domestiques, die de stadhouder te allen tijde steunden, zoals eerder de gentilshommes de service Willem van Oranje."
   Een Bourgondisch hof kunnen we het Leeuwarder verblijf van Willem Lodewijk niet noemen. Willem Lodewijk liet niet, zoals Maurits, een 'Orde en reglement' na over hoe de maaltijden dienden te worden genuttigd. Er was geen tafelordonnantie waarin de plaats van de gentilhommes was beschreven. Bij Maurits werd in vier tafelrondes gegeten volgens de hofetikette, waarbij ongeveer negentig disgenoten aanwezig waren. De hiërarchie werd bij Maurits strikt gevolgd.
   Het Leeuwarder hof was in vergelijking met andere hoven erg klein. Dat blijkt ook uit een boedelinventaris van 1597. De boedel van Willem Lodewijk bevatte in 1597 slechts 201 nummers, meest meubels en een aantal schilderijen, die alle op de kamer van de graaf hingen. De boedelinventaris betrof zowel de panden in Friesland als in
212
Groningen. In de inventaris wordt een kamer genoemd voor Willem Lodewijk, waarinm zich onder meer bevonden een bed met een rode Spaanse deken, een kussen getekend met Zijn Gen., een tafel en een aantal stoelen, een buffet en een boekenkast. Er worden veertien 'taferelen' vermeld, die een kleine Ahnengalerie vormen. Er waren schilderijen van Maurits, Willem Lodewijk en Anna, Jan de Oude, graaf Lodewijk, en een doodsportret van Anna, graaf Filips, een broer van Willem Lodewijk, en een heer van het Gulden Vlies. Ook hing er een Tiengebodenbord in de kamer. Tevens worden vier kaarten genoemd, die uiteraard onmisbaar waren voor een militair. Verder wordt een kamer vermeld voor de kamenier met slechts een bed en dekens; er wordt bij aangetekend dat een deken in de oorlog verloren is gegaan. Er was een iets ruimere kamer voor Lodewijk Günther, voor de hofjonkers, voor de secretaris, en een 'toornkaemer'. Er was eveneens een kamer voor Peter Regemorter, die vele vertrouwelijke opdrachten voor de stadhouder uitvoerde: hij was nauw betrokken bij de opvoeding van de jongere broers Ernst Casimir en Lodewijk Günther. Regemorter kwam na de dood van Willem Lodewijk als hofmeester in dienst van Ernst Casimir en zijn vrouw Reynsck van Dekema werd dame d'honneur van Ernst Casimir. Verder was er een kamer voor de rentmeester, voo mr. Antoni, een 'koeckenschrijvers caemer', een bottelierskamer, een garderobe met daarin twee bedden en een tafel, een 'jongesdackkamer', een salon voor de stadhouder (drie tafels, een buffet en een stoel met rood laken, drie banken en twee met leer beklede stoelen) een kleine salon, een 'gemeens sael' met drie tafels en twee banken. Tot slot worden nog een benedenkamertje, een kamer voor de maagden (een bed) en een kamer voor de kok vermeld. Aan dit hof verbleven lange tijd verwanten van Vervou. Naast Ernst Casimir en Lodewijk Günther verbleef sinds 1603 broer Adolf in Leeuwarden. Ook Pieter van Dekema, een hopman, 'een jonck onbedacht man', verbleef een tijdje aan het hof.
   Zonder veel vergelijkingen is duidelijk dat dit een eenvoudig hof was zonder allure: het bevatte een twintigtal vertrekken. In 1603 werd het hof uitgebreid met de aankoop van het Dekemahuis. Het hof bestond uit twee patriciërs-
213
woningen, die tot één geheel waren samengevoegd en dat eigendom was van de Staten van Friesland. Over het dagelijkse hofleven is weinig bekend. Uit een lijst van 'kostpenningen' over de periode 1604-1619 kunnen we bij benadering achterhalen wie er aan het hof verbleven. Er is een niet-gedateerde lijst van het gevolg van Willem Lodewijk, waaruit blijkt dat dat uit 24 personen bestond:
Zijne Genade
de secretaris Jacob Junius en een dienaar
de rentmeester Sluijsken en een dienaar
jonker Manninga en een dienaar
jonker Eysinga en een dienaar
jonker Bootsma en een dienaar
Dirck, kamerling
mr. Caspar, chirurgijn
Anthoni Haes, klerk
Joris Lorrain, onderklerk
drie pages
drie lakeien
twee hellebaardiers
mr. Jacob, kok
   Een hofleven in grootse stijl kan Willem Lodewijk niet gevoerd hebben. Willem Lodewijk had geen 1200 à 1500 dienaren zoals Filips II; evenmin telde het Friese hof ongeveer 250 personen, zoals in 1562 bij zijn oom Willem van Oranje. Toen Willem Frederik in 1652 trouwde met Albertine Agnes had hij een gevolg van 55 personen, het gevolg van zijn vrouw waarschijnlijk niet meegerekend. In 1658 werden in het Friese hof 78 monden gevoed, een halve eeuw later 90 à 100. Aan Willem Lodewijks hof waren aanvankelijk een twintigtal personen verbonden, al is dat aantal aan het eind van het leven van de stadhouder gegroeid. Het aantal is gering, zeker in vergelijking met Maurits' hof waar zich 140 personen ophielden. Een hellebaardier fungeerde in Leeuwarden ook als wijnschenker. De Friese stadhouders tij-
214
dens Karel V hadden ongeveer 30 personen in dienst.
   Tijdens het stadhouderschap van Willem Lodewijk is het hof zeker gegroeid, zowel als gebouw als in aantal functionarissen. Het aantal bezittingen tijdens Ernst Casimir is in omvang sterk toegenomen. In 1633 worden in de boedel 1045 stukken vermeld, waaronder 288 schilderijen, met tal van staatsieportretten van hoogwaardigheidsbekleders en vorsten. Ongeveer honderd jaar later was het hof flink uitgebreid en telde het 79 kamers. Zelfs dit hof maakte in 1710 op de geletterde koopman Zacharias Conrad von Uffenbach uit Frankfort geen grote indruk. In zijn reisverslag noteerde hij: 'De stadhouder en prins woont in een huis, dat niet groot is, met twee kleine irreguliere vleugels, zodat ook private personen even zulke, zo niet betere, huizen hebben.
   Aantallen kamers, hofrituelen, rijkdom, mecenaat en uiterlijke 'pompe' zijn niet alleen bepalend voor de betekenis van een hof. Dat bewijst Willem Lodewijk, ondanks zijn materiële povere staat, zijn kleine hofhuishouding en zijn relatief armoedig hof.

4b. Willem Lodewijks hof: paarden en geleerden
Sijn Graeflijck huys, syn hof, als men het recht wil mercken
Wat was het anders als een Goddelijcke kercke?
Daer de Godvruchticheyd aendachtelycken in
Gheert wierd en ghevierd ghelijck als een Goddin.
Wie isser die in't hof Godslasterlijcke woorden,
So wel van hoogh of laegh syn leven spreken hoorden?
Dan 't Hofghesin dat pad ghemeenelijck in staet,
Daer hun ghebiedend heer haer in te voren gaet.
En hij, ghelijck hy was 't uytmuntend Hooft der leden,
So was hij insghelijcx d'uytmuntenst in de zeden.
Starter, Lyc-Klacht.
   Het testament dat de stadhouder in 1617 opstelde, kan als uitgangspunt dienen voor de vraag wat Willem Lodewijk zelf pelangrijk vond. Zijn laatste wilsbeschikking begint met een vrome introïtus. Hij vertrouwt erop dat God zijn 'corper' zal opwekken. Hij wil begraven worden in de Grote Kerk te Leeuwarden met een grafschrift in de muur. Het fijne hiervan is bekend aan de hofmeester Peter Regemorter, de secretaris Jacob Junius, die een zeer lange staat van dienst zou krijgen, en de rentmeester Johan Sluysken. De Nassause bezittingen vermaakte Willem Lodewijk aan zijn broer George. Zijn opvolgers in Nassau-Dillenburg moeten scholen en kerken stichten. Aan zijn familieleden laat hij sieraden na. Het geschiedwerk van Everard van Reyd moet worden voortgezet door diens neef Johan van den Sande. Tot executeurs benoemde hij de bekende burgemeester van Leeuwarden, tevens ouderling, Rembertus Ulenburg (ca. 1554-1624), de raadsheer, curator van de Franeker academie en vriend Gellius van Hillema, de secretaris Junius (in jeder geval reeds in 1602 in dienst). de hofmeester Regemorter, die commandant van het Statenkasteel bij Groningen was geweest, de Geldersman Johan Sluysken, rentmeester, en de stalmeester Willem van Haren, een zoon van de eerdere hofmeester Adam van Haren.
   Het stichten van scholen en kerken in het Nassause beschouwde Willem Lodewijk
215
als een groot goed. Het geschiedwerk van Van Reyd, eerst in 1626 gepubliceerd, moest worden voortgezet door Van den Sande. Willem Lodewijk wilde zelf een geschiedverhaal in het Latijn schrijven en wilde daarbij gebruik maken van het werk van Van Reyd, zonder diens naam te noemen. Willem Lodewijk wilde dat het geschiedwerk van Van Reyd eerst na de dood van Maurits zou worden gepubliceerd, om hem geen aanstoot te geven. Van Reyd immers had het volle pond gegeven aan Willem Lodewijks aandeel in de krijgssuccessen!
   Het hofreglement gaf instructies voor de ideale praktijk, Ubbo Emmius biedt een beschrijving van het leven aan het hof zelf. Emmius verhaalt dat de stadhouder genoegen schiep in een verfijnde dis. Aan elk hof werd uiteraard gegeten; de ceremoniën rond de eetcultuur konden sterk verschillen. Ook bij Willem Lodewijk verliep de maaltijd volgens een bepaalde orde. Als zijn gezondheid het toeliet ging de stadhouder graag met anderen aan tafel. In een regelmatig herhaalde volgorde nodigde hij zijn disgenoten uit de kringen van de magistraat of openbare ambten, kerkelijk of burgerlijk, officieren of anderen die een eervolle functie bekleedden. Over uiteenlopende onderwerpen werden tijdens die convivia vertrouwelijke gesprekken gevoerd. Afhankelijk van de gasten waren die bijeenkomsten grappig, vrolijk, ernstig of waardig. Tijdens die maaltijden probeerde hij de inborst van zijn tafelgenoten te doorzien. 'Dit was er de oorzaak van dat hij hen die hij bestuurde, haast even goed kende als een huisvader zijn gezin'. De Friese stadhouder verstond de kunst van het observeren van mensen, door de socioloog Norbert Elias (1887-1990) terecht als een belangrijke overlevingsstrategie aan een hof beschouwd.
   Exotische gerechten werden te Leeuwarden niet genuttigd, maar wel vlees, boter, kaas en inheemse vruchten. De Stadhouder dronk nooit meer dan zijn natuurlijke behoefte. Nu kan die per persoon nogal verschillend zijn, maar Emmius heeft wel gelijk: Willem Lodewijk was matig in spijs en drank. Na de maaltijd ging hij soms te paard een tochtje maken, liever dan zijn tijd door te brengen met dobbelen. Schaakspelen kon hem wel behagen. Van zijn bezittingen waren zijn paarden hem het dierbaarst, zozeer zelfs dat hij de naam Philippus verdiende. Emmius typeert Willem Lodewijk als een zeer kuis man, die losbandigheid en wellust en alles wat naar oneerbaarheid zweemde, haatte. De Franeker hoogleraar Sibrandus Lubbertus, evenals de
216
stadhouder in 1584 in Friesland gekomen, had in zijn strijd tegen de zijns inziens grote bandeloosheid onder de studenten Willem Lodewijk geheel aan zijn zijde.
   Willem Lodewijk had zijn anti- en sympathieën. Raadgevers van vorsten waren volgens Willem Lodewijk een ramp voor de staat: 'om zich bij hun meesters geliefd te maken en aan hun wensen tegemoet te komen leggen zij wetten, bevoegdheden. overeenkomsten en verdragen op geraffineerde wijze volgens de wensen van hun meesters uit en verdedigen zij de daden van hun vorsten ook al zijn die in strijd met recht, wetten, overeenkomsten en verdragen'. Nog erger dan vorstelijke raadgevers waren de jezuïeten, die ook Ubbo Emmius beschouwde als 'de gemeenste mensen die er zijn'. Katholieken waren in het algemeen niet te vertrouwen. Socinianen vielen evenmin binnen de grenzen van zijn verdraagzaamheid. Willem Lodewijk waardeerde volgens Emmius de leiders der regimenten, mits zij zich hun functie waardig betoonden, de soldaten, mits zij moedig waren en een fatsoenlijke levensstijl voerden, en zijn hofbeambten, als zij zich tenminste van hun taak kweten.
   De meeste tijd schonk de stadhouder volgens Emmius aan het in stand houden van de eendracht tussen de 'Verbondenen', een oordeel dat eeuwen later is bevestigd. In eendracht lag de kracht van de staat. Personen die eigenbelang zochten kon hij niet verdragen. Zelf wilde Willem Lodewijk zich niet verrijken ten koste van de staat. Hij was gul en schonk veel geld aan de armen. Wanneer hij vrij was las hij graag gewijde boeken of werken op het gebied van de geschiedenis of staatkunde.
   Een belangrijke eigenschap voor een stadhouder was het vermogen mensen te binden aan zijn hof. Willem Lodewijk wist in zijn omgeving vertrouwen te wekken, in tegenstelling tot zijn vader Jan de Oude, 'wiens contactstoornissen verergerd werden door een spraakgebrek'. E.H. Waterbolk heeft laten zien hoe de stadhouder mensen voor zich innam, onder wie Johan van den Corput, Frederik van Vervou, Sixtus Arcerius, Petrus Regemorter en Petrus Pappus van Tratzberg. Met geschenken, aanbevelingsbrieven, tafelen en opvoeden wist deze Nassauer mensen voor zich te winnen. Emmius zelf verhaalt hoe hij eens in Groningen bij Willem Lodewijk aan tafel ging met Janus Dousa Sr. met twee zoons en met Caspar van Ewsum en drie van zijn zoons, waarbij een uitvoerig en goed gesprek werd gevoerd over de dichtkunst. Al was Willem Lodewijk geen epistolair talent, hij wist hoe hij, in tegenstelling tot Maurits, een brief moest schrijven. Aan de vierde vrouw van Willem van Oranje, Louise de Coligny, schreef hij eens: 'met het voorjaar hoop ik als de beer uit mijn hol te kruipen en uwe handen te kussen'.
   Geloof in opvoeding was een humanistisch ideaal dat Willem Lodewijk deelde. Hij had dit niet van een vreemde. Jan de Oude bepleitte in een brief aan een van zijn zoons het nut voor de Nederlanden van ware kennis van God, het stichten van kerken, scholen, bibliotheken, boeken, drukkerijen, krijgslieden, 'rüstkammer' en bondgenootschappen. Voor de opvoeding van edellieden had hij aan Marnix van Sint Aldegonde (1540-1598) gevraagd een verhandeling te schrijven over de opvoeding van de adellijke jeugd. Sixtus Arcerius (1570-1623), graecus, opvoeder van de jongste broers van Willem Lodewijk, tevens diens veldarts, vond het geschrift tussen de papieren van de stadhouder en publiceerde het te Franeker in 1615 (De institutione principum ac nobilium puerorum). Ook beeldhouwen, bouwen, musiceren, zingen en schilderen beschouwde Marnix, een liefhebber van dansen, als een onderdeel van de opvoeding. Verder noemde hij het maken van aard- en hemelgloben, tuinieren, schetsen van steden en burchten en boetseren in lood, tin, goud en zilver. Het tractaat van Marnix borduurde voort op Cicero en Quintiltanus.
217
Portret van Sixtus Arcerius (1570-1623), graecus, veldarts van Willem Lodewijk en hoogleraar te Franeker. In een uitgave van Aelianus schreef hij - 1623 - in de opdracht aan Willem Lodewijk: 'Toen ik 12 jaar geleden mijn verblijf aan uw hof had, heb ik vaak met Everard van Reyd, nu overleden, maar toen uw raad, vertrouwelijk verscheiden gesprekken gevoerd over militaire aangelegenheden en over oefening in wapens, zowel bij de Grieken oudtijds als bij de Romeinen …. Geciteerd in Waterbolk, Omtrekkende bewegingen, 134, noot 43. (Vermoedelijk een kopie naar een niet meer bekend origineel in Stedelijk Museum 't Dr. Coopmanshûs, Franeker)

   Veel tijd en zorg heeft Willem Lodewijk besteed aan de opvoeding van zijn jongere broers Ernst Casimir en Lodewijk Günther. 'Ein sondere freude' had Willem Lodewijk in de ijver van zijn broers: hoewel Lodewijk Günther zorgen baarde vanwege zijn dobbelen en verkwisting. Twee leraren waren aan het Friese hof actief: een geleerde theoloog die Latijn en de bonae litterae onderwees en een medicus die de broers wiskunde bijbracht, 'so einen kriegsregenten fur allen andern sachen notig seind'. Onderwijs kregen Willem Lodewijks verwanten onder meer uit Cicero's De Officiis, een werk dat ieder welopgevoed mens in de Renaissance had gelezen. Ook Willem Lodewijk beval de religieus veelkleurige Justus Lipsius (1547-1606) aan als een opvoeder voor zijn jongere broers. Volgens de stadhouder was Lipsius een geleerd filosoof en een wijs politicus. Willem Lodewijk wilde zijn verwanten liever aan zijn eigen hof opvoeden dan hen onderbrengen bij het hof van Maurits, 'obwol die leufften, sonderlich dieser ort, sehr theuuwer und mir die hoffhaltung schwer felt'. Tot hun achttiende moesten zijn broers Latijn en de fundamenta geometricae leren, de beste voorbereidingen voor een toekomstig vorst. Willem Lodewijk bood aan 'selbst ir hoffmeister' te willen zijn, 'zum lesen und studieren (darin ich mich so offt es mir gebüren mag übe) sie vermahnen und anhalten'; hij wilde hen uiteraard ook in het veld meenemen. De lessen hebben blijkbaar succes gehad, want Vervou noemde in 1606 Ernst Casimir een 'seer cloeck ende wacker crijchsman'.
   Naast geschenken, brieven, convivia, opvoeding, én de bemoeienissen met de magistraatsbestellingen en de benoeming samen met Gedeputeerde Staten van de grietmannen, vormden vriendschappen een bindend element in het leven van Willem Lodewijk. Onder de vrienden van Emmius waren enkele amici van Willem Lodewijk: de Franeker hoogleraar Lubbertus, de raadsheer Gellius Hillema, de Emder predikant Menso Alting, Everard van Reyd en Pancratius Castricomius, syndicus van de Stad."
*
218
Drie beroepscategorieën behoorden in de zestiende eeuw tot de entourage van een hof: geleerden, beeldende kunstenaars en musici. Bij Willem Lodewijk is eigenlijk alleen de eerste categorie vertegenwoordigd. Vervou noemde Willem Lodewijk een liefhebber van geleerde en vrome lieden. Daarmee heeft hij het hofleven goed gekwalificeerd. De stadhouder omringde zich met geleerde mannen, voldoende om het merendeel van de faculteiten uit die tijd te vullen. Soms nam hij een van deze geleerde mannen in bescherming en functioneerde hij als een schutspatroon. Emmius had zich eens zeer kritisch uitgelaten over het werk van de Oldenburger hofhistoricus Hamelmann. Diens werk over het voorgeslacht van de Oldenburger graaf kwalificeerde hij — 1599 — als 'mehr dan Fabulwerck, Narrenthing, falsches erlogen und von den Schmeichelern dem Hove dardurch zu liebkosen erdichtet ding'. De graaf wilde dat Willem Lodewijk die 'schoolmeester' — Emmius was op dat moment rector van de Latijnse school te Groningen — het zwijgen oplegde. Daar wilde de stadhouder niet van weten. De stadhouder repliceerde dat Emmius slechts 'umb die wahrheit von seines Vatterlants alten Geschichten geeifferrt. darin die Scribenten etwas freiheit pflegen zu gebrauchen'.
   Emmius vermeldde twee namen van geleerde mannen aan het Leeuwarder hof: de secretaris Van Reyd en de strateeg Van den Corput. Gelet op Emmius' constatering dat de stadhouder bij voorkeur geloofsgenoten benoemde, ook een vorm van patronage, ligt het voor de hand dat alleen gereformeerden worden genoemd. Over Everard van Reyd (1550-1602) is Emmius lovend: 'Van de mensen in zijn hofhouding nam hij vooral Everard van Reyd in zijn liefde op zolang deze leefde, een zeer getalenteerd en wijs man met een uitzonderlijke kennis van zaken in vrede en oorlogstijd van zowel recente als eerdere jaren'. Emmius kon dit weten want hij onderhield met Van Reyd een briefwisseling, brieven die we kunnen rekenen tot de epistolae familiares. Adviseur en geadviseerde achtten elkaar hoog. Van Reyd typeerde de stadhouder als 'wesende van natueren stil, lanckmoedich, bedachtsaem ende wijtsiende met gheduldt … wel wetende dat onwaerheden ten laetsten van selfs vallen'. Door het overlijden van Van Reyd werd Willem Lodewijk diep getroffen, evenals ds. Johannes Fontanus, predikant te Arnhem. Volgens Winsemius was Van Reyd een bijzondere vriend van de stadhouder.
   Everardus Reidanus werd in Deventer geboren als zoon van de arts Johan van Reyd en Clara Everts. Zijn vader en grootvader waren gestudeerde lieden. Na de komst van Alva was Van Reyd uitgeweken naar Heidelberg, alwaar hij 1569 werd ingeschreven aan de universiteit. Hij was geparenteerd aan rijke regentenfamilies in Deventer en Arnhem. Van Reyd laat zich kennen als een ernstig gereformeerd man, hoewel hij pas in 1598 lidmaat van de gereformeerde kerk in Kampen werd. De jurist Van Reyd vervulde belangrijke ambten: burgemeester van Arnhem, afgevaardigde van de Staten van Gelre en de Staten-Generaal. Hij was secretaris van Jan de Oude op de Dillenburg, keerde met hem in 1578 terug naar Arnhem en later werd hij secretaris, adviseur en vertrouweling van Willem Lodewijk. De stadhouder luisterde graag naar hem. Op de Dillenburg was de vereenzelviging van Van Reyd en Willem Lodewijk vanzelfsprekend; wie van de twee een brief had geschreven kon niet worden bepaald. In 1589 was Van Reyd over de tijd van vijf jaren niet meer dan voor twee jaar en vier maanden loon uitbetaald. Toen in 1600 het testament van Everard van Reyd in Leeuwarden werd opgemaakt, waren als getuigen aanwezig: Frederik van Vervou, de hofmeester; Peter Regemorter; Jacobus Bouricius, raadsheer in het Hof van Friesland; Jacob Junius, de secretaris; Johan Godert Huis, rentmeester; Willem Clots, keukenschrijver; Hans Clergs. conciërge en Derric Dibbets.
219
Van Reyd beschouwde soberheid als een grote deugd. Toen hij de huishouding van Ernst Casimir moest inrichten, matigde hij het aantal bedienden, want 'den hofjunker konte man wol sparen, und wirt so notig sein, als einen armen den fleischgabel'. Van Reyd ergerde zich mateloos aan de gebrekkige discipline in het Staatse leger. Over de hoplieden velde hij een vernietigend oordeel: 'Oock conden harer vele selfs niet regeeren noch ontsigt maken, wesende door gunst ende niet door verdienst opgheklommen, ende meer op banquettieren, proncken, dobbelen ende andere lasteren als op haer beroep denckende …'. Van Reyd en Willem Lodewijk waren gegrepen door klassieke geschriften over militaire strategieën en door het werk van ingenieurs. Die liefde deelden zij met hun legeraanvoerder Van den Corput.
   Met de vestingbouwer en strateeg Johan van den Corput (1542-1611), eeuwenlang bekender via zijn alter ego Renico Fresinga, verdiepte Willem Lodewijk zich in militaire strategieën uit de Oudheid. Emmius kende Van den Corput goed, omdat deze hem had geadviseerd omtrent de behandeling van een abces, dat bij Emmius' stervende zoon Egbert de rug had aangetast. Willem Lodewijk zag in Van den Corput een geestverwant. Verbazen hoeft dat niet want Van Reyd schreef — 1593 — dat hij ijverig was "voor de religie ende 't vaderlandt. ende gheleert, dat onder krijghsluyden vreemt is'. Zeker drie medewerkers (Van Reyd, Van den Corput en Regemorter) moesten op verzoek van Willem Lodewijk vertalingen van antieke militaire teksten controleren. Vele Latijnse en Italiaanse boeken over de krijgsgeschiedenis en fortificatie bestelde Van Reyd voor de stadhouder — via Daniel van der Meulen (1554-1600) — in de grote boekencentra Frankfort aan de Main en Venetië. Ook had Willem Lodewijk er de hand in dat in 1598 Adriaan Metius (1571-1635) werd benoemd tot hoogleraar in de wiskunde aan de Franeker universiteit; een stimulering van de praktische wiskunde, nodig voor de vestingbouwkunde.
'Alles wat in de werelt geschiet, iss om profijt ofte ehr, en daerdoor laet sich eenyeder leiden'. Willem Frederik kon door al die profijt, banen en eer zoekende Friezen in Leeuwarden bijna dagelijks de waarheid van zijn adagium bevestigd zien. Willem Lodewijk omgaf zich met geleerde mannen, die vooral de praktijk van oorlogstactiek en legerhervormingen bestudeerden. Waren zij vrienden of cliënten van de stadhouder? Wie een boek opslaat over hofsamenlevingen kan de indruk krijgen dat een hof zonder patronage en gunstenverlening geheel ondenkbaar is. Heeft de stad-
220
Tekening met inscriptie van de legeraanvoerder Jacques Wijts in het album amicorum van de latere burgemeester van Harderwijk Ernst Brinck, d.d. 24 april 1607. De half-geleerdef/half-soldaat toont de combinatie van wetenschap en krijgskunst. (Bijschrift ontleend aan Jensma e.a. red. Universiteit te Franeker, 42)

houder Willem Lodewijk geleefd volgens het do-ut-des-principe, was wederkerigheid de basis voor zijn vriendschappen, gaf hij giften en verleende hij gunsten als een vorm van krediet met bepaalde verwachtingen ten aanzien van de gever? Mogelijk, maar zijn ernstige zorg voor de handhaving van de in zijn ogen ware kerk en de bestrijding van de Spanjaarden doen toch vermoeden dat het antwoord ontkennend moet zijn. Zijn levensloop en die van zijn hofmeester Vervou maken aannemelijk dat als Willem Lodewijk patronage beoefende, deze een hoger ideaal diende, waar de stadhouder zelf geen garen bij spon. Als stadhouder benoemde hij bij voorkeur gereformeerde magistraatspersonen en officieren, streefde hij naar een de-katholisering van de samenleving en droeg hij er zorg voor dat zoveel mogelijk gereformeerden aan zijn hof werden aangesteld. De notie eer was ook aan het Leeuwarder hof van belang. Vervou en Van Reyd betoonden beiden een grote mate van fidélité, van persoonlijke aanhankelijkheid jegens Willem Lodewijk. Van Reyd schreef dat 'particuliere persoonen matelijck getracteert ende niemant aen eer ofte goet gekrenckt mochte worden'.
   Willem Lodewijk heeft niet gestreefd naar een ceremonieel hof of een lustslot. Daar was hij de man niet naar. De eerste vijftien jaar van zijn stadhouderschap zullen ook de interne politieke ontwikkelingen Willem Lodewijk weerhouden hebben van een al te ostentatieve levensstijl, omdat de Roordisten in feite het stadhouderschap wilden afschaffen. De 'Franeker' in een anoniem Jagt-Praatje in de achttiende eeuw, gaf zijn tegenstander lik op stuk door hem terecht in herinnering te brengen: 'Tot Graaf Willem Lodewijk hadden de Vermaarde Ubbo Emmius en andere groote Mannen vrye en gestadige toegang, so dat syn Hof een regte Oeffen-school in saaken van Staat en Oorlog was'.
   Inderdaad was het hof van Willem Lodewijk een leerschool voor militairen. We zagen al dat vijf leden van de familie Eysinga achter de baar van Willem Lodewijk liepen. Ook uit Vervou's kroniek blijkt duidelijk dat vooral de Eysinga's een belangrijke rol rond Willem Lodewijk speelden. Zo vermeldt Vervou dat Focko Eysinga, een hofjonker van Willem Lodewijk, bij het beleg van Sluis is overleden. Aan het hof, zoals
221
later bij Willem Frederik, kwamen inderdaad vele leden van de prominente adellijke familie van Eysinga, die tal van militaire functies vervulden.
   De geschiedenis van de adellijke familie der Eysinga's uit Tietjerksteradeel is een duidelijk voorbeeld van een geslacht dat voor en na 1580 sterk op de voorgrond trad in kerk en staat; reeds vóór 1580 kozen zij duidelijk partij voor de gereformeerde kerk en tegen Spanje, na 1580 kwamen vele leden van dit geslacht op het kussen. Aede van Eysinga en zijn vrouw Tiedt Juckema kregen vier zonen die allen in de Opstand en de Reformatie in Friesland een belangrijke rol hebben gespeeld en in relatie stonden met Willem Lodewijk. Een aangeklede fragment-genealogie kan dit verduidelijken.
1. Frans van Evsinga (ca. 1545-1603) ontwikkelde zich tot een prominent jurist, trad toe tot het groot-compromis en werd na Alva's komst verbannen; zijn goederen werden verbeurd verklaard. In 1578 werd hij lid van het Hof van Friesland. Frans was ouderling op de synode van Friesland. Hij huwde driemaal. Uit zijn eerste huwelijk met Lisck van Jouwsma kreeg hij twee zoons: Aede en Juw.
   Aede van Eysinga (1560-1619), studeerde rechten in Leiden en Genève, keerde als doctor terug, werd lid van de Friese Staten en bemiddelde met onder meer Eilardus Reinalda, Sicke van Dekema, Jelger van Feitsma en dr. Rembertus Ulenburg in het conflict tussen Willem Lodewijk en Karel Roorda. Hij was meermalen vertegenwoordigd als ouderling op de Friese synodes. In 1596 was hij nauw betrokken, tezamen met de Leeuwarder burgermeester Rembertus Ulenburgh, bij het lange dispuut te Leeuwarden tussen de doopsgezinden en de gereformeerden. In 1596 werd hij door Willem Lodewijk naar Den Haag gestuurd om toestemming te krijgen om van Coevorden een Friese vesting te maken. In 1607 was 'mijnheer Eisinga' gecommitteerde van de Staten op de synode van Sneek.
   Aede huwde met Foeck van Eelsma; uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren. De oudste, Gellius van Eysinga, was hofjonker bij stadhouder Ernst Casimir. De tweede zoon Frans van Eysinga (1594-1661) trad als kapitein in dienst van het Friese regiment. Hij liep in 1620 achter de baar van Willem Lodewijk. In 1622 werd hij grietman van Tietjerksteradeel.
   Juw van Eysinga (1564-1631), was kapitein en luitenant-kolonel in het Fries-Nassause regiment, stond in dienst van Willem Lodewijk, Maurits en Frederik Hendrik. Hij was getrouwd met de stiefdochter van Hessel Aysma. In 1584 werd hij door Vervou aangesteld tot vaandrig; in 1593 wordt hij als hopman vermeld, in 1603 wordt hij overste luitenant van het Friese regiment. Hij was onder meer betrokken bij het beleg van Steenwijk (alwaar hij gewond raakte), Sluis (1604) en van Grol (1627). Juw was in 1618 gecommitteerde op de synode van Leeuwarden, 'zynde de ed. erentveste manhafte Julius van Eijsinga, overste lutenant vant Friessche regiment', maar Maurits excuseerde hem. Juw werd begraven in de kerk van Wirdum
2. Tjalling van Eysinga woonde in Leeuwarden. Ook hij werd een bekend jurist. In 1557 werd hij raadsheer in het Hof van Friesland. Hij bezocht de gereformeerde kerkdiensten in Leeuwarden en moest na de komst van Alva vluchten. Hij zou het klein-compromis hebben opgesteld. Tjalling vluchtte naar Wezel en is ver-
222
moedelijk in ballingschap overleden. Tjalling trouwde met Hylck van Haringsma thoe Slooten. Uit dit huwelijk werden twee zoons geboren: Tjalling en Pieter.
   Tjalling van Eysinga (1562-1603) was eveneens een jurist. Hij schreef een boekje Commentarii breves in Institutiones Juris civilis (Franeker 1594). Hij werd in 1601 benoemd grietman van Menaldumadeel. Tjalling woonde op het verblijf Heringastate in Marssum met zijn vrouw Womck van Heringa. Uit dit huwelijk werden drie zoons geboren. De eerste twee stierven op jonge leeftijd.
Tjalling van Eysinga (1596-1653) volgde de baar van stadhouder Willem Lodewijk. In 1639 werd hij benoemd tot grietman van Menaldumadeel.
   Pieter van Eysinga (1564-1645) volgde eveneens de lijkstatie van Willem Lodewijk. Hij hield een rede bij de installatie van stadhouder Ernst Casimir. In 1602 werd hij grietman van Rauwerderhem. Pieter woonde op Jongema-state onder Rauwerd. Hij was bewindhebber bij de West-Indische Compagnie ter kamer van het NoorderKwartier en was tevens lid van de (Gedeputeerde) Staten van Friesland. In 1610 wordt Pieter als grietman door de classis Sneek ingeschakeld om een dwarse schoolmeester te ontslaan; in Deersum wordt hij gevraagd om een schoolmeester te verwijderen die de kinderen met behulp van 'papistige boecken' onderwijst; Pieter grijpt niet ogenblikkelijk in. Pieter huwde met Foockel van Heeringa. Zij kregen drie zoons.
   Aede van Eysinga (ca. 1600-1636) leidde met Sjuck van Burmania het derde paard bij de begrafenis van Willem Lodewijk.
   Frans van Evsinga (1621-1673) werd in 1658 grietman van Rauwerderhem, was volmacht ten landdage. In 1649 trouwde hij met Aeltje van Eysinga.
   Hessel Roorda van Eysinga (ca. 1600-1654) werd in 1637 grietman van Leeuwarderadeel en was eveneens lid van Gedeputeerde Staten.
   Tjalling van Eysinga (1603-1658) werd kapitein, grietman van Rauwerderhem en lid van Gedeputeerde Staten.
3. Ritske van Eysinga (ca. 1525-1573), werd lid van het klein-compromis, werd na de komst van Alva verbannen en stierf in ballingschap in het Oost-Friese Leer. Hij was gehuwd met Marij van Tjaarda.
4. Focke van Eysinga (ca. 1530-?) trad eveneens toe tot het klein-compromis, werd na Alva's komst eveneens een balling en behoorde tot de gereformeerde kerk in Emden.
De Eysinga's vormden een prominente familie, begonnen met Aede als de stamvader van het geslacht 'nieuw-Eysinga', die voor 1580 ballingschap en confiscatie ten deel vanwege betrokkenheid bij de strijd tegen Spanje en de invoering van de gereformeerde kerk. Deze familie steeg dankzij de Opstand en de invoering van de Reformatie op de maatschappelijke ladder. Na 1580 namen zij deel aan het bestuur als grietman en Statenlid, dienden in het leger, fungeerden als curator van de Franeker academie, waren aanwezig als prominente ouderlingen op de Friese synodes en als hofjonker van Willem Lodewijk en Ernst Casimir. De grietman van Tietjerksteradeel, Frans van Eysinga (1594-1661), memoreerde nog in 1648 trots dat zijn voorzaten ballingen waren geweest. De voormalige stalmeester van Willem Lodewijk, Willem van Haren, plaatste vraagtekens bij de oudheid van de Eysinga's, die preten-
223
deerden 900 jaar oud te zijn: Hij seyde — 1648 — dat de Eissinga so olde edelluyden niet waeren, en de overste lieutenant Eissinga had Grettinga tot een vrauw, en sijn moeder [Lisk van Juwsma] wass een slechte vrau van Douay'.
5. Conclusie
   De kleinschaligheid van het Friese hof zowel qua gebouw als qua aantallen bewoners rechtvaardigt de vraag of er ook sprake is van hofcultuur. Wat is trouwens hofcultuur? Ph.H. Breuker beschouwt de Friese hofcultuur als 'een burgerlijke emancipatiebeweging': 'Om misbegryp út te sluten is it faaks better om yn 't plak fan hofkultuer — in term dy't te direkt assosjaasjes mei keunst opropt — te sprekken fan in kalvinistyske boargerkultuer …'. Wie dat begrip zo omschrijft, ontneemt het een onderscheidend vermogen. Zo wordt de cultuur buiten het hof van Willem Lodewijk gesitueerd, wiens hof ook bevolkt werd door adellijke officieren en hofmeesters. Wat stelt het Friese hof eigenlijk voor als we de ruim twintig man aan het Leeuwarder hof ten tijde van Willem Lodewijk vergelijken met de 20.000 personen die later verbonden waren aan het hof van Lodewijk XIV? G.R. Elton beschouwde als de enige zinvolle definitie van een hof '… that it compromised all those who at any given time were within "his grace's house"; and all those with a right to be there were courtiers'. We kunnen nu wel een beroep doen op Wittgensteins familiegelijkenissen in verband met algemene termen en beweren dat zowel Versailles als het Leeuwarder hof hoofse kenmerken vertonen, maar daarmee wordt de discussie eigenlijk gesloten. Toch was het verblijf te Leeuwarden van Willem Lodewijk een hof, hij had wat hijzelf noemde een hofgezin en er was een zekere aantrekkingskracht van dit hof, hoe klein het ook was.
   L.J. Rogier (1894-1974) schuwde pregnante kwalificaties niet. Willem Lodewijks vader Jan de Oude noemde hij een zeloot, 'een Filips II in deutsch-reformierter Übersetzung', Willem Frederik was 'een karakterzwak intrigant van geringe begaafdheid'. De Friese tak van de Nassaus leefde op een lager plan van welstand en in veel provincialere stijl dan de Hollandse. De Friese heren wekken de indruk slechts producten te zijn van een eenzijdig op het krijgswezen gerichte opvoeding in de stijl van de Duitse vorstenhuizen. Hun brieven 'openbaren een gebrekkige ontwikkeling'. Zij zijn typisch eenvoudigen, die nooit de blik over de heining van hun eigen confessie slaan. Rogiers rhetorische stijl en katholieke vooringenomenheid deden ook hier afbreuk aan het beeld van de door hem beschreven personen.
Voor een deel heeft Rogier gelijk. Het hofleven in Leeuwarden was eenvoudig, de oorlog vergde veel van de tijd van Willem Lodewijk, geldgebrek maakte een ostentatieve levensstijl onmogelijk, zo Willem Lodewijk die al gewenst had. Rivaliserende hovelingen vinden we in Leeuwarden niet en het Friese hof is altijd veel eenvoudiger geweest dan het Hollandse. Willem Lodewijk was, evenals zijn oom Willem van Oranje, geen 'grand seigneur'. Hij leefde in Leeuwarden niet als een Italiaanse cortegiano of een Franse honnête homme. Willem Lodewijk was een ernstig gereformeerd man; hij zou bij wijze van spreken zijn oom Willem van Oranje niet nagezegd hebben: 'Sum calvus et calvinista — ik ben kaal en calvinist — en zo wil ik sterven'.
   Een bijdrage aan het album amicorum van Emanuel van Meteren of van Homme van Harinxma thoe Slooten kunnen we moeilijk als een uiting van hofcultuur beschouwen. Toch vormen deze inscripties een van de weinige voorbeelden van een min of meer literaire uiting of citaat van Willem Lodewijk. Aan Willem Lodewijks
224
hof zal niet uitbundig zijn gedanst of toneel gespeeld, zoals er in Friesland trouwens in vergelijking met Holland weinig aan het toneel werd gedaan. Willem Lodewijk was geen mecenas, zoals Frederik Hendrik; aan het Friese hof werden geen Franse toneelstukken opgevoerd, zoals aan het Hollandse hof. Tijdens het leven van de stadhouder werd de rederijkerskamer Och mochtet rijsen! in 1619 te Leeuwarden verboden, omdat er rooms-katholieke toneelstukken werden opgevoerd. Wel werd de stadhouder in Leeuwarden eens feestelijk ingehaald door deze rederijkerskamer, vermoedelijk muzikaal ondersteund door het belangrijke Collegium musicorum. Bij een inname van een stad wilde een jong student nog wel eens een Latijnstalig lofdicht op Willem Lodewijk en Maurits schrijven. Maar deze georganiseerde en incidentele uitingen van feestvreugde zijn in aantal en omvang niet te vergelijken met die te 's-Gravenhage, waar bijna ieder jaar tot het Twaalfjarig Bestand een door Willem Lodewijk en Maurits gewonnen veldslag door de rederijkers met tableaux vivants werden herdacht. Ook woonde en dichtte Jan Jansz. Starter (1593-1626) in Leeuwarden en was hij lid van de genoemde rederijkerskamer. Maar aan het hof verbleef geen poeta laureatus, geen bibliothecaris zoals bij Frederik Hendrik of een hofhistoricus. Ook gaf de stadhouder geen opdracht om een Tableau de l'histoire des princes et principeauté d'Orange te schrijven van bijna duizend folio's. Maskerades en riddertoernooien werden in Leeuwarden niet gehouden. We vinden hier geen dwergen als hofnarren en troeteldieren. Willem Lodewijk kon geen hofprediker benoemen, zoals Frederik Hendrik. Het aanleggen van tuinen hield hem niet bezig, wel 'het sluiten van de tuin der Zeven Provinciën'. De afwezigheid van een echtgenote heeft in het geval van Willem Lodewijk zeker bijgedragen tot een sober hofleven. Een leven met vele wisselende seksuele contacten zoals zijn neef Maurits heeft Willem Lodewijk niet geleid. Anders dan de latere stadhouder Willem Frederik bezweek Willem Lodewijk niet voor de Sirenen van hofdames, gokken en drank. Een enkele maal vinden we een vermelding van een portret van de stadhouder. Willem Lodewijk was geen patroon onder wiens aegis beroemde beeldende kunstenaars werkten. Voorname schilders aan het hof komen we niet vaak tegen. Wel schilderde de graveur en schilder Pieter Feddes, die mogelijk rooms-katholiek was, uit Harlingen de stadhouder. Een katholieke schilder als Wybrand de Geest, die Willem Frederik en tal van andere Nassaus schilderde, kunnen we niet aan Willem Lodewijks hof verwachten. Van Willem Lodewijk zijn een veertig afbeeldingen bekend. Vrijwel alle gemaakte latere afbeeldingen van de stadhouder berusten op het werk van Michiel Jansz. van Mierevelt (1567-1641), hofschilder van Maurits, die in Delft zijn atelier had. De bescheiden Willem Lodewijk zal niet de behoefte hebben gehad 'om de glorieuze momenten uit zijn carrière in staatsieportretten vast te laten leggen'.
   Een vergelijking van het Leeuwarder hof met andere grote Europese hoven zoals dat van Lodewijk XIV tijdens het ancien régime is weinig zinvol. Wie zoals Elias, een eerste blik werpt op het gebouwencomplex van Versailles, ziet een complex dat vele duizenden personen kon herbergen. Het grote hof van Rudolf II (1576-1612) is van een zo totaal andere orde, dat een vergelijking zinloos is. Leeuwarden draaide als stad niet rond het hof, zoals dat in Spanje tijdens Filips IV met Madrid het geval was. Voor het hof van Willem Lodewijk geldt de typering die van de kleinere Duitse vorstenhoven in de vroegmoderne tijd is gegeven: 'Immerhin lässt sich der deutsche Hof der frühen Neuzeit vorläufig als Haushalt eines fürstlichen Herrschers definieren'. Het Leeuwarder hof is een voorbeeld van het hoftype 'hausväterlicher Hof': een vorstelijk hof waar niet de Gloire of de ceremoniën centraal stonden, maar
225
waar de 'Landesvater' een deugdzaam leven — 'guter zucht, tugend, gottesfurcht und erbarkeit' — leidde tot voorbeeld van zijn onderdanen. Voor Duitse hoven wordt deze matigheid in verband gebracht met Luther, voor Willem Lodewijk en zijn medestanders moeten we denken aan het gereformeerd protestantisme als basis voor deze vorm van 'Innerweltliche Askese'. Verwonderlijk is het niet dat een vorst, die een deugdzaam leven leidde als voorbeeld voor de onderdanen, door J. J. Starter in een gedicht met 'ons vader' werd aangesproken, en voortleeft als 'ús heit'. Vermoedelijk vinden we over het hof van Willem Lodewijk geen contemporaine zegswijzen waarin de hypocrisie aan een hof werd gehekeld ('nahe bei Hofe ist nahe bei der Hölle' of 'exeat aula, qui vult esse pius').
   Ik zie bij Willem Lodewijk vooral, zoals tijdens Willem Frederik, politieke cultuur, waarmee eenvoudig gezegd is, dat Willem Lodewijk zijn leven als militair, evenals vele verwanten, in dienst heeft gesteld van de bevrijding van de noordelijke gewesten en de opbouw van de gereformeerde kerk. Willem Lodewijk heeft geen theoretische bijdragen geleverd aan de calvinistische verzetstheorieën, hij schreef geen politieke of intellectuele pamfletten ter rechtvaardiging van zijn eigen handelwijze, sterker nog, hij heeft geen enkel werk in druk nagelaten. Willem Lodewijk was een man van de praktijk: schansen, aanvallende strategieën, zorg voor discipline onder de soldaten, fondsen werven en beteugelen van de wreedheid, ook van de eigen soldaten, aandacht voor het voorkomen van plunderingen na behaalde successen.
   Hofcultuur bij Willem Lodewijk was vooral ook militaire cultuur. Bij Willem Lodewijk lag de nadruk op het laatste substantief van Castigliones ideaal van de combinatie 'arte et marte'. Boeken uit de klassieke oudheid werden aan het hof gelezen en vertaald in dienst van de strijd tegen Spanje. Zoals het hof van Maurits als een legerkamp is getypeerd, zo zou, gechargeerd gezegd, het Friese hof als een zeer kleine Ritterakademie met een ruiterij kunnen worden beschouwd, waar de liefde voor paarden domineerde. Ook Frederik Hendrik moest in 1602 naar de Friese stadhouder 'ten einde deselve hem tot het commandement wat fasonneren soude'.
   Bij bestudering van hoven kunnen het vorstelijk vertoon en het 'gedroomde hofleven' het zicht op de betekenis van deze hoven in de Republiek belemmeren. De aanwezigheid van het Haagse hof vormde niet de aantrekkingskracht van de Republiek. Buitenlanders kwamen voor Leiden als hét centrum van geleerdheid en de metropool Amsterdam als centrum van wereldhandel. Den Haag was ook een groot bestuurlijk centrum: Staten van Holland, gerechtshof, instellingen van de Generaliteit, stad van ambassadeurs; met als gevolg een rijke bovenlaag. Ook daarom kwamen velen naar Den Haag.
   Voor Friesland heeft waarschijnlijk hetzelfde gegolden: de buitenlanders kwamen niet naar het Friese gewest vanwege de aanwezigheid van het hof van Willem Lodewijk. Studenten kwamen vanwege de Franeker universiteit, de doopsgezinden vestigden zich in Harlingen vanwege de nijverheid, buitenlandse militairen, Engelsen vooral, kwamen naar het Noorden, niet vanwege het hof van Willem Lodewijk, maar vanwege zijn bevelhebberschap van het Friese regiment waarin zij dienden en hun soldij verdienden. Juristen van buiten Friesland werden raadsheer in het Hof van Friesland. Tijdens Willem Lodewijks leven kwamen enkele schilders en dichters naar de Friese hoofdstad, niet omdat de stadhouder hun mecenas was, maar omdat Leeuwarden expandeerde en er geld te verdienen viel. Theologen droegen hun geschriften ook op aan de stadhouder en Gedeputeerde Staten van Friesland met de bedoeling om een verering in carolusguldens te ontvangen.
226
Toch is hiermee nog niet alles gezegd. In tegenstelling met vele Europese hoven was het hof van Willem Lodewijk uiterst bescheiden; om nog maar te zwijgen van hoven die wij uit de geschriften van antropologen. Ook de hoven van Maurits en Frederik Hendrik kenden een veel grotere allure dan de Friese. Niettemin heeft dit bescheiden hof van de stadhouder ook in Friesland, ondanks de ondergeschikte positie van de stadhouder als dienaar van de machtige Staten van Friesland, een zekere aantrekkingskracht sui generis gehad. Die aantrekkingskracht werd nog versterkt doordat Willem Lodewijk werd beschouwd als de tweede redder van de provinciën; de eerste was Willem van Oranje, de grondlegger van een nieuwe staat. Zouden Friese edelen eenzelfde minachting jegens Willem Lodewijk hebben gehad, zoals Tjalling van Eysinga eens in de richting van Willem Frederik liet zien: 'wat bruyt ons die lytse stadtholder'?
   Lieden in verschillende functies zochten een entree aan het hof. Zo wilde in 1603 de gereformeerde landsgeschiedschrijver Bernardus Furmerius (1542-1616) een bezoek brengen aan het hof in Leeuwarden. De secretaris deelde hem mee dat de stadhouder ziek was. Maar Furmerius had juist van een bediende gehoord dat Willem Lodewijk met een officier een partijtje schaak speelde. Later werd hij meer dan eens aan tafel genodigd, onder meer in gezelschap van de uit Brugge afkomstige Nicolaus Mulerius, die later aan Willem Lodewijks sterfbed stond. Een ontvangst aan het hof werd door Furmerius op prijs gesteld. De 'mercator sapiens' Daniel van der Meulen onderbrak een reis van Bremen naar Leiden om de stadhouder een bezoek te brengen in Leeuwarden. Hij schonk Willem Lodewijk een boek over oorlogstactiek en deelde hem mee dat hij graag boeken voor hem zou bestellen op de Venetiaanse boekenmarkt. Van Reyd wilde de stadhouder graag dienen, ook al ontving hij soms meer dan twee jaar geen salaris. Vervou was een dienstbaar edelman aan het hof, die de stadhouder oprecht vereerde. Uit Emmius' beschrijving van de convivia aan het hof blijkt dat de gasten aldaar graag verschenen.
   In de Friese context was het stadhouderlijk verblijf van Willem Lodewijk omvangrijker dan de ongeveer 200 adellijke stinzen of states. In de Friese context had ook het bescheiden hof van Willem Lodewijk een uitstraling die nu eenmaal bij een hof hoort. De notie eer zal zeker een rol hebben gespeeld, ook rond dit kleine hof. In het hofreglement stond immers vermeld dat de leden van het 'hofgezind' de eer en het profijt van het hof moesten zoeken. Bovendien had Willem Lodewijk persoonlijk gezag, onder meer vanwege zijn successen in de strijd tegen Spanje. Willem Lodewijk was bovendien graaf van Nassau en dankzij die titel nam hij de hoogste plaats in binnen de toenmalige adellijke hiërarchie. Voor Friese edellieden was een plaatsje als hofjonker aantrekkelijk, om zichzelfs wil, maar wellicht ook als opstapje naar een leidinggevende functie in het leger. Bij de latere Willem Frederik was het een komen en gaan van grietmannen of zij die dit ambt begeerden, gereformeerde en katholieke edelen, die de stadhouder soms tot wanhoop brachten. Maar ook Willem Lodewijk was al betrokken bij geschillen om ambten, want tijdens zijn leven werd er al driftig gekuipt om stemmen en ambten.

*

   In dit artikel heb ik het leven van één Friese stadhouder beschreven. Dat leven werd bepaald door de oorlog. Het leven als militair en het karakter van Willem Lodewijk impliceerden een eenvoudig hofleven, zoals het hofreglement uit 1595 duidelijk
227
maakte. We stuitten op de rol van familierelaties (de families Vervou en Eysinga), uitwisseling van geschenken en enkele gunstenverdelingen, zoals dat aan hoven gebruikelijk was. De edelman Vervou en zijn verwanten speelden aan dit hof een rol van betekenis. Dankzij de nagelaten geschriften van Vervou en de lijkrede van Emmius konden we een glimp opvangen van wat zich achter de coulissen van het Friese hofleven afspeelde.
   Veel algemene uitspraken die wij van elders kennen over hoven en intellectuele entourage, mecenaat, patronage, ceremoniën, rituelen, figuraties, 'interdependentie- vlechtwerk', inner circle, afhankelijkheidsverhoudingen, favoriete hovelingen, factiestrijd, 'instrumentele vriendschappen', e.d. heb ik in relatie tot de hofcultuur in het algemeen niet gedaan. Ik vermoed dat de met overkill bedreigde geschiedschrijving van de hofsamenlevingen vooralsnog het best gediend is met een concrete beschrijving van een vorst, zijn hof, zijn familie en zijn omgeving in relatie tot de speelruimte die hem door de politieke constellatie werd geboden of, zoals wellicht elders in Europa, waar het vorstelijk hof de politieke constellatie kon domineren.
   Als achttienjarige had Willem Lodewijk zichzelf een doel gesteld. Seneca, Calvijns eerste liefde, schoot hem bij de formulering ervan te hulp: schoon is het uit te blinken temidden van uitstekende mannen. Op zijn wijze wilde de Friese stadhouder uitblinken. Zijn hof had geen hoofse allures. Rond de dis werd een bescheiden ritueel opgevoerd. Aan Willem Lodewijks tafel schoven geleerde mannen aan, uitgenodigd door de stadhouder zelf. De disgenoten van stadhouder Willem Lodewijk waren bij voorkeur geleerde en gereformeerde mannen, onder wie Emmius, Vervou en Van Reyd belangrijke personen zijn geweest. Bij Willem Lodewijks vertrouwelingen gingen studeerkamer en velddienst — met een groot gevaar voor eigen leven — in elkaar over. Niet bij bed-, maar bij tafelgenoten is de hofcultuur van Willem Lodewijk te vinden.
228

>> begin