>> HOMEpage

Waringa over
huisnamen en straatnamen
in Leeuwarden

Bron: Tusschen Flie en Lauwers. Naamlijst van straten, wateren, gebouwen, landerijen, enz. binnen het rechtsgebied der Stad, tot in het laatst der vorige eeuw, [de nummers 41 t/m 64 van de serie artikelen over Leeuwarden]. Leeuwarder Courant 12 sept. 1936 t/m 14 aug. 1937.
   Internetuitgave met correctie resp. aanvulling van foutieve resp.
   ontbrekende OCR: M.H.H. Engels, augustus 2017.
N.B. Nicolaas Jan Waringa spelde consequent Fliet i.p.v. Vliet. Hij gebruikte interpunctie nog als leestekens, d.w.z. als spreekpauzes!
De OCR van "De krant van toen" heeft de leestekens weggelaten; die evenals de leesfouten herstellen, was geen sinecure. Een goede kant van de OCR was het bij afbrekingen als extra weergeven van het gehele woord naast de beide afgebroken delen, waardoor dat woord bij een zoekactie ook bij de resultaten voorkomt; helaas is dat niet consequent gedaan. In de hier gepresenteerde html-tekst zijn hopelijk álle afbrekingen opgelost. Attendering op alsnog gewenste correcties wordt op prijs gesteld.

Naast deze heruitgave van 'Waringa' raadplege men de "Leeuwarder straatnamen" van W. Dolk (1997) en H. Oly (2010).
A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W IJ Z Aanvulling 1 (A-H), 2 (G-S), 3 (B-Z)

||| 41. LC 12 sept. 1936.
♦ De Aaltje Hieronimuspijp (1), later de Hoogstraatspijp, lag vóór de Groote Hoogstraat over de Oranje Eewal.
♦ Aan de Drift, een aantal huizen, gedeeltelijk dáár gelegen, waar zich thans de voormalige Israëlitische begraafplaats, aan Groeneweg en Tournooiveld, bevindt.
♦ Het Abbe Freerks Gabbemagasthuis, in 1633 gesticht en tot 1900 zich bevindende Achter de Groote Kerk; thans noordzijde van de Wijbrand de Geeststraat. De voorpoort droeg tot opschrift: TER EERE GODS GESTIGT. 1634.
(Zie over den stichter: Eekhoff, Geschiedk. beschr. v. Leeuw. II. 379).
♦ Achter Cambuur, oorspronkelijk een als laan beplant voetpad, leidende naar de westwaarts daarvan gelegen Cammingha-burcht: later de aan dat pad gevormde buurt.
♦ Achter de Geweldige. Aldus wordt het noordelijk deel der Galileërkerkstraat, bij het Droevendal genoemd, naar het in 1831 afgebroken gebouw, de Geweldige of provoost van het provinciaal krijgsgericht, dat zich bevond achter den voormuur, naast het kooreinde der Galileërkerk. De volksmond spreekt van: "Achter 'e gewelgen".
♦ Achter de Gouden Bal. Zoo noemt de volksmond het oostelijk gedeelte van den Noordersingel, tot aan de Singelstraat, naar de ter plaatse dezer straat zich bevindende uitspanning "De Gouden Bal", welke in 1876 is afgebroken.
♦ Achter de Groote Kerk heet de rij huizen achter de Jacobijner- of Groote Kerk, ontstaan na de opheffing van "den Predicaren Clooster" in 1580.
♦ Achter de Groene Kanne werd na omstreeks 1650 genoemd het Achterom aan den wal, oostwaarts van de Wabbe Wisseszstraat, naar het uithangbord van een huis, waarachter de buurt gebouwd was.
♦ Achter de Hoven: oorspronkelijk een opreed of voetpad, loopende achter om de aan den Grachtswal gelegen hoven of tuinen en sedert ongeveer het midden der vorige eeuw met vele huizen bebouwd.
♦ Achter het Klooster heetten tot omstreeks 1890 een aantal woningen, gelegen achter het zoogenaamde Arendsklooster.
♦ Achter Pietersburen op het Zuidfliet is sedert omstreeks 1900 ingenomen door een deel der Willem Loréstraat.
♦ Achter het Poortje: een aantal huizen, gelegen achter het Poortje op Pietersburen.
♦ Achter Tulpenburg, eene buurt, sedert 1884 ontstaan, ten zuiden van Tulpenburg.
♦ Achter de Witte Hand, eene buurt, westwaarts van de Wabbe Wisseszstraat, genoemd naar het uithangbord van een huis, waarachter die buurt gebouwd was.
♦ Het Achterom aan den wal, later genoemd Achter de Groene Kanne. Behalve dit "Achterom" zijn nog bekend het Hoekster-, het Tuinster- en het Wirdummer Achterom, alle echte volksbuurten. Een Leeuwarder rijmpje luidt:
"Jan de Jong, dy nam 'n sprong,
Fan hier van deen na 't Achterom;
Fan 't Achterom na de Nijetoren.
Daar is Jan de Jong geboren."
♦ De Adsje Lammertszpijp, de meest westelijke pijp van de Nieuwestad, houdt den naam in herinnering van den Leeuwarder graanhandelaar, en burgemeester (1578-'86) nabij die burg aan de zuidzijde der Nieuwestad wonende, onder wiens bevel op 1 Februari 1580 het Leeuwarder Blokhuis, bolwerk der Spaansche heerschappij in Friesland, veroverd werd, waarna het spoedig daarop werd "gedemolieerd". Zijne lijfspreuk zou geweest zijn: "It is mei sizzen net to dwaen!"
(Zie verder over hem: "Dr. A. L. Heerma van Voss in Leeuwarder Crt., 23 Dec. 1933" en Dr. Heerma van Voss "De Vrije Fries", XXXII, 113 v. en over genoemde belegering: Eekhoff, Geschiedk. beschr. v. Leeuw., II, 232, v.).
♦ Aed Levwerd (Ald Ljouwert) = Oud Leeuwarden, is het Friesche onderschrift van een raadselachtigen gevelsteen, welke, in verband niet eene daarvan afwijkende teekening, - door U. Sprong vervaardigd voor Gabbema's "Verhaal van de stad Leeuwarden" (1701). - reeds vele pennen in beweging heeft gebracht. Zij komt voor in den frontgevel van een huis in het midden van de noordzijde der Groote Kerkstraat, vermoedelijk hetzelfde, dat in oude stukken 't olde Styns (of Stins) en van 1550-1625 de "Groote Schoole" genoemd wordt. Volgens overlevering is de afgebeelde stins het eerste voorname gebouw der stad, waaruit Leeuwarden zich ontwikkeld heeft. Zeker is, dat het langen tijd in het bezit van het oude geslacht Cammingha is geweest. Zeer vermoedelijk zal voor 1171 moeten gelezen worden: 1571, en vormt het achter dit jaartal geplaatste de initialen van den steenhouwer N. B. met diens handmerk(2).
♦ Al te na, eertijds het op één na eerste huis aan den Grachtswal, gerekend van het Zuidfliet af; het droeg een steen in den gevel met het opschrift: AL TE NA, welke zich thans in een der kelders van het Friesch museum van Oudheden bevindt.
♦ Het Ambachtsperk, omstreeks 1550 eene andere benaming van het Schoenmakersperk.
♦ De Amelandsdwinger. Aldus werd veelal genoemd de Oosterdwinger, het in 1583 aangelegde bastion aan den noordoostkant van den vestingwal(3), omdat het gelegen was achter den hof van het Amelandshuis.
♦ De Amelandshof vormde oorspronkelijk de uitgestrekte ruimte, als tuingrond gebezigd, bij het Amelandshuis; omstreeks 1625 was deze, als met een ringmuur, door eenvoudige woningen omsloten.(4)
♦ Het Amelandshuis, verkorte benaming voor het Heer van Amelandshuis. Stichter en bewoners van dit Camminghahuis behoorden klaarblijkelijk voornamelijk tot dien tak van het geslacht Cammingha, wiens leden achtereenvolgens Vrij- en Erfheeren van het eiland Ameland waren(5). Omstreeks 1475 heette het Heringahuis.
♦ De Amelandspijp ontleent haar naam aan het feit, dat zij, gelegen vóór de Ameland, bijna direct toegang gaf tot het vroegere Amelandshuis.
♦ De Amelandsstraat, omstreeks 1590 ontstaan door aanbouw langs den zuidkant van den Amelandshof, heette in de 18de eeuw nog Amelandssteeg.
♦ Andringahuis, een hoekhuis, omstreeks 1580 gelegen naast de Blokhuispijp. Een tweede Andringahuis bevond zich op Camminghahorne in de Groote Kerkstraat, op "Gabbe Douwamastede". Nog lag in de nabijheid der stad een Andringahuis, waarvan de plaats verder onbekend is.
♦ De Arend. De korenmolen van dezen naam stond op den Lieve Vrouwepoortsdwinger tot het eind van 1901, toen hij wegens bouwvalligheid op afbraak verkocht is.
♦ Het Arendsklooster is in 1788 in het zuidwestelijk deel der oude stad ontstaan. In dat jaar n.l. lieten de eigenaars van de daar nevens staande Linnenweverij en Klanderij de binnenruimte van de Verlaatsdwinger met acht woningen bebouwen, als een besloten geheel; rondom een bleekveld. De daardoor ontstane buurt ontving den naam van Arendsklooster. Vooral in de 18de eeuw kwam het n.l. meermalen voor, dat te Leeuwarden met den naam "klooster" een groep woningen aangeduid werd, welke rondom een pleintje of bleek gelegen waren, zonder ook maar in eenige betrekking te staan tot een verdwenen klooster of andere geestelijke stichting. Hier werd de naam Arend er aan toegevoegd, doordat men een ouden, elders gevonden steen, met de voorstelling van een dubbele adelaar en het onderschrift: IN DE SVARTE AERENDT in den muur der middelste woning liet plaatsen. Beneden dit opschrift werd het woord Hof aangebracht, terwijl onder bedoelden steen de stichters een andere lieten aanbrengen met het opschrift:
A: J: Rodenburg en M: J: Bruinsma
Hebben de Eerste steen Gelegt 1788.
♦ De Arendsstraat, omstreeks 1890 ontstaan, loopt evenwijdig met de Schoolstraat. De naam herinnert aan het nabijgelegen Arendsklooster.
♦ De Arendstuin, thans plantsoen aan den Noorderweg, was oorspronkelijk een tuin, eigendom van Heer Aerentsz, in 1550 vicaris der nabijgelegen Sint-Catharinakerk. In 1580 was ze verhuurd aan zekeren Arent Wolters. De volksmond spreekt van "de Aansentún", d.i. Aernsyntún. In de wandeling wordt ze "de Tuuntsjes" genoemd.
♦ De Arkelei, ook "Arqueley" gespeld, is eene verbastering van "Artelrye" of "Artelerye", gelijk het in oude stukken genoemd werd. Dit gebouw, onderdeel van het Blokhuis, diende n.l. sedert 1615 mede tot Artillerie- of Ammunitiehuis der stad, en is in 1824, ten behoeve der uitbreiding van het Huis van Seclusie en Tuchtiging, afgebroken.
♦ De Armelanden worden in 1543 vermeld ("die Aerme landen"): waar zij echter gelegen waren, is onzeker. De naam zal misschien ontleend zijn aan het feit, dat uit de opbrengst der jaarlijksche huur de armen gedeeltelijk onderhouden werden.
♦ Het Arsenaal noemde men het in 1780 op den Amelandsdwinger gebouwdo Lands Artillerie- of Wapenhuis.
♦ Het Aschland, een open stuk land, dienende tot bergplaats van haardasch, huis- en straatvuil, werd in 1685 verplaatst van den Wirdumerpoortsdwinger naar het terrein, vooraan in de Schrans, gelegen aan Wynhornsterzijlsloot en Potmarge.
♦ De Atsmasteeg. Onder dezen naam vindt men de Ipe-brouwersteeg (sedert 1620) vermeld op een plattegrond van Leeuwarden (1664) en in den Tegenwoordige Staat van Friesland (1785, bl. 66) vermeld. Waarschijnlijk was zij genoemd naar den Leeuwarder schepen Atsma, bij wien men, omstreeks 1680 het volgende glasschrift vond:
Leert spreeken daer het past,
Leert swijgen op uw tijt.
De tonge maekt u vast
Eer gy gevangen zijt.
♦ Het Auckemahuis, een oude stins tegenover het Stadhouderlijk Hof, sedert lang bewoond door het geslacht Auckema, welks leden vele jaren aan het hoofd van het Stedelijk bestuur hadden gestaan, werd na 1617 ingericht tot het tegenwoordige Raadhuis.
♦ De Ayttabrug, gelegen aan den oostkant der Weaze, over het Zwitsersch Waltje, is na 1894, door de demping van laatstgenoemd water, verdwenen. Zij bevond zich noordoostwaarts van, en zeer nabij het voormalige Ayttahuis.
♦ Het Ayttahuis bevond zich eertijds aan den westkant der Weaze, op den hoek der Wijdesteeg. Oorspronkelijk droeg het den naam van Montzimahuis, totdat het in het bezit kwam van hertog George van Saksen, die het in 1515 schonk aan Folkert Aytta, nadat de door dezen bewoonde hoeve Barrahuis onder Wirdum, in den strijd tegen de Gelderschen gedeeltelijk verbrand was. Na diens dood kwam het in het bezit van zijn tweeden zoon, den beroemden staatsman Viglius Aytta van Swichum, o.m. Zegelbewaarder des Keizers en Canselier van het Gulden Vlies. Vandaar, dat in den voorgevel een steen(6) was ingemetseld, vertoonende het keizerlijk wapen tusschen de pilaren van Hercules, met het ordeteeken van het Gulden Vlies en de zinspreuk "Plus Oultre".
♦ De Ayttasteeg, vroegere benaming van de Wijdesteeg, vormde de noordelijke begrenzing van het Ayttahuis met de daarachter geleden hof, welke tot aan den Wirdumerdijk doorliep.

(1) Pijp (Friesch piip) is in Friesland in 't algemeen de benaming van eene gewelfde, gemetselde steenen brug, te Amsterdam "slois", in Groningerland "boog" en te Bolsward "post" genoemd.
(2) Zie verder o.a. Eekhoff: "Geschiedk. beschr. v. Leeuw.", I, 32 v. Mej. Visscher in "De Vrije Fries", XXXII, 57. G. Veenstra en mr. Boeles in Leeuwarder Crt. 16 Jan. 1936.
(3) De tegenwoordige kazerne Prins Frederik is op een deel van dien dwinger gebouwd.
(4) Die hof wordt thans grootendeels door de Sint-Bonifatiuskerk en omgeving ingenomen.
(5) Tot voor kort werd de plaats er van ingenomen door het Sint-Bonifatiushospitaal.
(6) Die steen bevindt zich thans in het Friesch Museum van Oudheden te Leeuwarden.


>> begin

||| 42. LC 26 sept. 1936.
♦ De Baarsjessteeg, een doodloopende steeg in het Ruiterskwartier, westelijk van en evenwijdig aan de Oude Doelesteeg.
♦ De Bacuwa: waarschijnlijk een onderdeel van Leeuwarderadeel, hetwelk later tot het stedelijk rechtsgebied behoorde, terwijl de grietman van dat onderdeel misschien gelijk te stellen was met de gecommitteerde eener waterlossing. (In 1406 vindt men vermeld: Houke Minnema "gretman in der Bacuwa").
♦ Baen's Ein = Einde der baan, n.l. der harddraversbaan. Aldus heet het in 1864 gebouwde, en door den lateren eigenaar T.R. Velstra hernieuwde huis, geleden aan het eind van dat gedeelte van den Marssumerdijk, hetwelk, sedert den aanleg in 1840, tot harddraversbaan ingericht werd(1).
♦ De Bagijnekerk, een andere benaming voor de Westerkerk, welke zich bevindt ter plaatse, waar tot aan het einde der 16de eeuw de kapel van het Bagijneklooster stond.
♦ Het Bagijneklooster, of Sint Annaklooster, sinds 1510 van Fiswerd buiten de stad - uit strategische overwegingen - overgebracht naar een terrein, gelegen ten noorden van de tegenwoordige Bagijnestraat, werd bewoond door de zoogenaamde Grauwe Bagijnen, geestelijke zusters, die, hoewel in kloostergemeenschap levende, niet de drie kloostergeloften hadden afgelegd. Het stond hun vrij, weer in de wereld te treden en zelf den ongehuwden staat te verlaten. Grauwe bagijnen heetten ze naar hun opperkleed, dat "leeuwsgrauw" en hun mantel, welke grauw of grijs gekleurd was. Hoewel het klooster in 1580, na de Reformatie, ontbonden is, worden een achttal eenvoudige woningen om een bleekveld, in welke nog lang de structuur der vroegere kloostercellen te herkennen viel, het Bagijneklooster genoemd.
♦ De Bagijnepijp, in den volksmond "Beginepypke" genoemd en een enkelen keer als Bagijnebrug voorkomende, lag vóór 1863 over de Oudegracht, bij het oostelijk einde der Bagijnestraat.
♦ De Bagijnesteeg is na 1869 ontstaan door de demping van dat gedeelte der Oudegracht, hetwelk liep van het Bagijnepijpje zuidwaarts tot de Nieuwestad.
♦ De Bagijnestraat, vroeger ook als Sint-Annastraat en Westerkerkerkstraat voorkomend en in den volksmond Beginy - straat genoemd, verkreeg haar naam na de stichting van het bovengenoemde Bagijneklooster; zij loopt van de Weerd tot de Kleine Kerkstraat. Eertijds trof men daar op een stal het volgende gevelschrift aan:
1618
Spreekt van iemant geen quaet,
Door toorne obstinaet,
Want het doet u ziele schaet.
♦ De Baljéehuurt. Deze naam werd van Stadswege gegeven aan de streek huizen, gerekend van de Amelandsstraat noordwaarts tot het Hoekster Achterom, welke - deel uitmakende van de Nieuwe Kaai - sedert 1830 als Bij de Kazerne werd aangeduid en sedert omstreeks 1845 den naam in herinnering houdt van Jacobus Martinus Baljée, weldoener van het Nieuw Stadsweeshuis (geboren te Leeuwarden, 9 September 1752 en overleden bij Batavia, 18 Februari 1823). Diens vader hield aldaar - ter plaatse van het tegenwoordige Roomsch-Katholieke Spaarbankgebouw - een "breidwinkel", waar een 40-tal kinderen, zoowel jongens als meisjes, het eerste onderricht in het breien ontvingen, terwijl tevens door hem aan 60 personen buitenshuis breiwerk werd uitgegeven, alles ten behoeve van eenige Leeuwarder wolkammers. Van verpleegde in genoemd weeshuis opgeklommen tot extra-ordinair Raad van Nederlandsch-Indië - na den gouverneur-generaal de hoogste waardigheid aldaar - legateerde hij daaraan zijn geheele vermogen ten bedrage van 190.000 gulden.(2). Hoezeer het Stedelijk bestuur daarmede ingenomen was, blijkt wel daaruit, dat het bij den uitbouw der stad aan de zuidzijde, na 1872, aan de straat, loopende van den Stationsweg tot de Willemskade, den naam gaf van de Baljéestraat, ten einde aldus opnieuw den naam van Baljée voor het nageslacht in herinnering te houden.
♦ De Bargejagerssteeg, een zeer nauwe steeg, loopt van bij de Put tot de Nieuweburen. In het midden daarvan woonde eertijds een "bargejager", iemand die met het drijven van vee en bovenal van varkens, den kost verdiende.
♦ De Bargesteich. Aldus noemt de volksmond de Oude Lombardsteeg, vroeger de Hooghuistersteeg geheeten, loopende van de Nieuwestad naar het Zaailand, waar, ongeveer in het verlengde van genoemde steeg, sedert 1857 tot 1804, eene belangrijke varkensmarkt gehouden werd.
♦ De Bel of Klok was omstreeks 1850 de naam van een huis op de Kelders, onmiddellijk westwaarts van dat, waar "de Rotterdamsche Erasmus" uithing.
♦ De Belkumermarkt is gelegen oostwaarts van de Weaze en loopt van de Brol tot aan de Uniabuurt. Stellig is zij alzoo geheeten, omdat hier indertijd voornamelijk de aanlegplaats der Berlikumer schippers was, die hier hunne lading ten verkoop aanboden.
♦ "Bellevue", een herberg aan den voormaligen Stads Buitensingel, stond ongeveer een weinig zuidwaarts van de tegenwoordige Prins Hendriksbrug. In April 1873 is zij, ten behoeve van de uitlegging der stad, in de richting van het Station, afgebroken.
♦ De Benthem is de naam eener vroegere herberg, later een café op de zuidzijde der Voorstreek, één huis verder dan het oostelijke hoekhuis der Koningstraat. Ook Dokkum en Drachten telden een huis van dien naam, welke waarschijnlijk eene verbastering is van Bentheim, een graafschap met gelijknamige hoofdstad in Hannover, ongeveer 8 km van de Nederlandsche grens verwijderd, hetwelk eertijds nauwe betrekkingen met Nederland onderhield. Misschien was oorspronkelijk het uithangbord der herberg met eene afbeelding van de stad Bentheim versierd.
♦ "Besint u wel" droeg eertijds tot opschrift het hoekhuis Grachtswal/Zuidfliet.
♦ De Bethaniëdwarsstraat komt in 1856 voor als een straat, gelegen bij de Hoogstraat(3).
♦ De Beurs wordt genoemd het beurs- en waaggebouw, dat in 1880 gereed kwam op den toen reeds afgegraven Wirdumerpoortsdwinger. Te voren werd beurs gehouden in het oude waaggebouw op de Nieuwestad.
♦ De Beijer, eertijds ook Baaijert genoemd, was het lange gebouw, dat in het begin der 16e eeuw aan de oostzijde der kapel van het Sint-Anthonygasthuis gebouwd was, ten einde arme burgers, burgerkinderen, dienstboden en andere hulpbehoevende personen, door ziekte gekweld, te verzorgen, en om doortrekkende bedelaars tijdelijk, - doch niet langer dan drie nachten - om godswil te herbergen, terwijl er ook krankzinnigen in zoogen. "dorekasten" bewaard werden. Na in 1565 te zijn herbouwd, is het gebouw in 1776 tot eene Armenschool ontruimd. Ook te Bolsward, Hantum, Hardegarijp en Holwerd trof men eertijds eene beijer aan.
♦ De Beijerstraat, loopende van de Groote Kerkstraat naar het Hofplein, draagt dien naam, omdat zich in deze straat de ingang, door een poort, tot de Beijer bevond.
♦ Het Bierdragerswachthuis, in 1559 gebouwd en in 1617 herbouwd boven de zuidelijke boog van de Brol, diende tot verblijfplaats van de gezworen Bierdragers of "Pypebewaierders". Zij waren van Stadswege aangesteld en bij uitsluiting gerechtigd, om bier - maar ook wijn en andere vloeistoffen, welke aan accijns onderhevig waren - van de eene plaats naar de andere te brengen. Tevens moesten zij vooral hier nabij de Bierkaai controleeren of geen ontduiking van de koninklijke- en stedelijke accijnzen op het vreemde en ingebrouwde bier plaats had, terwijl zij tevens aangewezen waren tot het verrichten van politiediensten. Ook Dokkum en Franeker hadden hun gezworen bierdragers. Na in 1645 nog te zijn vernieuwd is het huis in 1684 verkocht en afgebroken! Een dergelijk wachthuis ten dienste der bierstekers en -dragers bevond zich eertijds op den wal voor de Hoeksterpoort.
♦ De Bierhaven, meer algemeen genoemd De Bierkaai of voluit: de Hollandsche Bierkaai, is de oude benaming van den Onderwal der Kelders waar de aangevoerde bieren opgeslagen werden. Onder Hollandsche bieren verstond men destijds alle niet-inlandsche bieren d.i. alle bier dat niet binnen Friesland gebrouwd was.
♦ De Bildtpoort. Aldus vindt men na de Hervorming een enkele maal de Onze Lieve Vrouwepoort of de Oldehoofsterpoort vermeld, daar zij, zoowel langs den Stienser- als Marssumerdijk toegang verleende Bildtwaarts.
♦ Bilgaard, een gehucht noordwestwaarts van de stad, voornamelijk op het Oudland tusschen Dokkumer Ee en Breededijk en tusschen de Oudemeer en Vierhuisterdijk gelegen. De naam komt in 1534 reeds voor als Bilgaert (1543: Bylgaerd en Billegaert) en is vermoedelijk een samentrekking van Bilingawerd, d.i. de weerd of waterkeering genoemd naar zekeren persoon Bile geheeten.
♦ Het Bilgaarderdijkje ten zuiden van den Vierhuisterdijk, loopt op het Oudland van den Stienserweg in oostelijke richting.
♦ Het Bilgaarderterp, een thans grootendeels afgegraven terp onder Bilgaard.
♦ Blankenborch, waarschijnlijk een sterkte, welke hertog Albrecht van Beieren binnen de Oudegracht westelijk van het oorspronkelijke Sint-Anthonygasthuis had laten bouwen, doch hetwelk na diens verdrijving uit Friesland afgebroken werd.
♦ De Blauwebrug, omstreeks 1700 op kosten der bewoners van het Fliet als een valbrug over het Fliet gelegd, werd later veranderd in een draaibrug brug. Evenals de westelijk daarvan gelegen Wittebrug zal zij haar naam ontleend hebben aan de hoofdkleur waarin zij geschilderd was. Als laatste "trapkebrugge" moest ook deze overgang niet lang geleden plaats maken voor een meer moderne.
♦ De Blauwe Os. Aldus heette het huis aan de breede zijde der Nieuwestad, onmiddellijk oostwaarts van dat op den hoek der Ipe Brouwerssteeg, naar een in den gevel geplaatsten steen met de voorstelling van een blauw geschilderde os, waarboven 1612 en waar beneden IN DE BLAUWE OS is aangebracht. Deze steen wordt thans bewaard in een der kelders van het Friesch Museum van Oudheden te Leeuwarden.
♦ De Blauwe Poort, ook de Aardappelbeurs geheeten, was de naam eener herberg aan de Oude Koemarkt, zoo genoemd naar de onmiddellijk oostwaarts gelegen grijs-blauw geschilderde open doorgang, welke toegang verleende tot eenige woningen, welke genoemd werden In de Blauwe Poort.
♦ Het Blauw Huis werd eertijds genoemd een huis aan de Tweebaksmarkt, onmiddellijk ten noorden van de Galileërkerk (omstreeks 1580 "'t Blaeu huys tot Galeyen"), waarschijnlijk omdat het met blauwe pannen gedekt was.
♦ Het Blauw Huis was in de eerste helft der vorige eeuw een bekende herberg op Camstraburen. Toen later bij de Verwersbrug een herberg werd gebouwd, welke den naam van het Nieuw Blauw Huis ontving, onderscheidde men die op Camstraburen met den naam Oud Blauw Huis. Omstreeks 1840 was dit laatste reeds verdwenen.
♦ Het Blauw Lam heette in 't begin der 17de eeuw een huis Op de Kelders, aldus genoemd naar de voorstelling van een blauw geschilderd lam op het uithangbord (1618: Pieter Bauckes grossier Op de Kelders int Blauw Lam).
♦ De Bleek naam van de herberg aan het begin van den Zwarteweg, oostzijde. Zij is genoemd naar de bleek, waartoe het zuidoostwaarts daarvan gelegen terrein eertijds gebezigd werd(4). Zie ook de Oude Bleek.
♦ De Bleekerstraat, van de Spanjaardslaan in noordelijke richting loopende naar het terrein der IJsbaan, is ontstaan na de zeventiger jaren der vorige eeuw en ontleent haar naam aan de bleekerij van L. Huizinga, welke zich ten oosten dier straat en gedeeltelijk ter plaatse van het IJsbaanterrein bevond.
♦ Het Blokhuis. Daaronder verstond men in het algemeen het complex van gebouwen sedert 1498 zuidoostwaarts van de oude stad - ter plaatse van de tegenwoordige gevangenis - gesticht door graaf Willebrord van Schaumburg, stadhouder van den hertog van Saksen. Geheel door een wal en gracht omgeven en van een flinke bezetting, onder bevel van een maarschalk voorzien, diende het om de stad gemakkelijk in bedwang te kunnen houden. Meer in het bijzonder noemde men Blokhuis het hoofdgebouw, hetwelk ook onder den naam van het Kasteel voorkomt. Aan den westgevel hiervan waren tot 1515 geplaatst de in hardsteen gehouwen wapens van Saksen en Schaumburg, die daarna door het keizerlijk wapen van Karel V werden vervangen. In 1580 is het blokhuis door de Leeuwarders zelve onder leiding van burgemeester Adsje Lammertsz ingenomen en "gedemolieer d"(5). Ook Harlingen en Staveren bezaten tot laatstgenoemd jaar hun Blokhuis.
♦ Blokhuisdiep. Aldus werd eertijds (sedert omstreeks 1600) de latere Keizersgracht genoemd.
♦ De Blokhuisbrug vormde eertijds de verbinding tusschen het voorplein van het Blokhuis met de stad.
♦ De Blokhuisfenne komt reeds omstreeks 1543 voor als een perceel weiland achter het Blokhuis gelegen.
♦ De Blokhuispijp, eertijds nabij het Blokhuis over de Oudegracht gelegen, is de oude benaming ming van de latere Rhalapijp.
♦ Het Blokhuisplein is de naam van het terrein voor den ingang der tegenwoordige Gevangenis gelegen.
♦ De Blokhuissteeg is reeds vóór het midden der 16de eeuw ontstaan door bebouwing der der binnenzijde van den Stadswal nevens stins en hof der Jousma's (het latere Muntenburg).

(1) Tot omstreeks 1865 deed tevens de oude harddraversbaan in het Zaailand nog dienst.
(2) Zie nader over hem: W. Eekhoff, "Het Leven en de Lotgevallen van J. M. Baljée", Leeuwarden, 1835.
(3) Zie dr. G. A. Wumkes "Stads- en Dorpskroniek", I, 276. Ook Amsterdam heeft hare Bethaniëndwarsstraat, ongeveer dáár, waar tot 1589 het klooster van Sint Maria Magdalena in Bethaniën stond.
(4) Aan de andere zijde van den Zwarteweg, aan den Hoekstersingel, lag destijds de bleekerij van B. Mulder.
(5) Zie over dat alles nader: Dr J. S. Theissen in "De Vrije Fries", XXI, 3. v.

||| 43. LC 10 okt. 1936.
♦ De Boer, naam van een houtzaagmolen op het Zuidfliet welke nog omstreeks het midden der vorige eeuw bestond, komt reeds op kaarten van 1698 en 1718 voor.
♦ De Bok heette een herberg in de Kleine Kerkstraat oostzijde ter plaatse van de latere Coehoornspoort. In 1675 werd door Gedeputeerde Staten van Friesland deze "groote en welgelegene huysinge, stallinge, plaets enz. staande in de Kleine Kerkstraet, alwaer de Bock uithangt" van den eigenaar Jan Alberts Bruinsma voor 2900 goudgulden gekocht, om haar tot Ruiterwacht te doen inrichten.
♦ De Bok, naam eener woning op het Zuidfliet, de twaalfde van Pietersburen af, welke reeds na 1840 niet meer bestond; stellig aldus genoemd naar het gevelteeken waarop een bok afgebeeld was.
♦ De Bollemanskamers werden genoemd een tiental woningen, in 1607 gebouwd aan den oostkant van het noordelijk deel der Bollemanssteeg. In 1762 werden deze, toen bouwvallig geworden, woningen verbouwd tot een vleugel van het Diaconiehuis, welke in 1886 opnieuw verbouwd werd, waarna er o.a. "de treemter", de gezelschapszaal der oude mannen, een plaats vond. De bestemming er van blijkt uit de oorspronkelijke memoriesteen der stichting, waarvan het opschrift luidt:

Ter Eren Godts
hebben Iuffrow Mary Tzaerda Wedue van Ritsko Van Eisingha en
Reinsck Iorits Andringha Wedue Van Sierck Walles Hendrick Hendricks Korting Van Diest
eertits burger deser Stadt Leuwerde
tot opbouwinghe deser 10 kaemeren gegeven
sekere summa gelts
om Van Schaemele Weduwen Lidtmaten deser christelicke Gemeinte bewoent te worden
om Goedes Wille
Aº. 1607.
♦ De Bollemanssteeg, welke ook later tijdelijk den naam Schoolstraat heeft gedragen, is sedert 1582 aangelegd van de Bagijnestraat naar de Groote Kerkstraat. Zij draagt haar naam naar den bewoner van een der eertijds aldaar gelegen veestallen van het voormalige Bagijneklooster, zekere "Harmen Stalmeister, alias Bolleman, in de Bagijnestrate". Onder bolleman verstond men n.l. eertijds in de Friesche steden de houder van een stier.
♦ De Bolswarderkamers is de naam van een vijftal woningen, in het laatst der 17de eeuw gesticht door het echtpaar Harke Reyners en Doutjen Heeres, ten einde door behoeftige oude vrouwen pro Deo te worden bewoond, te begeven door den Procureur-generaal van het Hof van Friesland. Zij ontleenden hun naam daaraan, dat zij gelegen waren aan de
♦ Bolswardersteeg, een doodloopende steeg in het Ruiterskwartier, onmiddellijk ten oosten van de Ipe Brouwersteeg.
♦ Het Bonkehout, een smalle, vaste houten brug, op de grens van het Stedelijk gebied bij Snakkerburen, liggende in het oude voetpad van Olde Galileën naar Lekkum, over de Bonkesloot of kortweg de Bonke, welke in 1873 van Stadswege is afgebroken, tengevolge van den aanleg van het Lekkumerdijkje.
♦ Bonkenburg. Na de afbraak der kerk van Nijehove in den zomer van 1765, werden er, - vóór de egaliseering van het vrijgekomen terrein -, diepe kuilen gegraven tot berging der vele doodsbeenderen, welke tegen de muren der kerk gelegen hadden. Naar deze "bonken" droeg die hoek van het Jacobijner kerkhof later den naam Bonkenburg.
♦ De Bonnebrug, eertijds de Heer-Ivo-brug genoemd, een zoogen. "algemeene burebrug", welke door de eigenaren der woningen van de Boterhoek, het Heer-Ivostraatje, het Sint Jobsleen e. a. onderhouden werd, is in 1868 verdwenen bij de demping der gracht in het Sint Jobsleen. Ongetwijfeld was zij genoemd naar zeker persoon, wiens voornaam Bonne luidde, welke is ons echter onbekend.
♦ De Bontemanssteeg, tot in de 17de eeuw de benaming der latere Rochebrunesteeg, is genoemd naar een lid van het geslacht Bontemans.
♦ De Bontepapesteeg, bij misspelling wel Bonepaterssteeg en in den volksmond Pompmakerssteeg genoemd, loopende van de Speelmansstraat tot de Groote Kerkstraat, draagt dien naam naar de zwartbonte kleedij der paters van het weleer aan die steeg gelegen "Klooster" der Dominicanerorde, bestaande uit een witten rok, patience en verlengd scapulier, waarover, bij het uitgaan een zwarte mantel met kap gedragen werd.
♦ De Boomsbrug, leidende van den Grachtswal over het Fliet naar den Oostersingel, werd omstreeks 1610 of daarvóór gelegd en in 1860 verlaagd en vernieuwd. Zij ontleent haar naam aan de sluit- of of tolboomen, welke eertijds voor deze brug in de stadsgracht gelegen waren.
♦ Het Bosch was de naam van eenige woningen, in het begin der 18e eeuw gebouwd achter de Dienaarstrans, boven op den stadswal en waarschijnlijk aldus genoemd naar de overvloedige beplanting van dien wal ter plaatse. Het zuidelijkst gelegen huis aan de oostzijde van de Keizersgracht droeg daardoor nog lang den naam van het huis in het Bosch. Na 1845 zijn de woningen van Dienaarstrans en Bosch afgebroken ten behoeve van de uitbreiding van het Huis van Bewaring.
♦ Het Boshuizergasthuis is in 1652 aan het Jacobijner kerkhof gesticht door jonkvrouw Anna van Eysinga, eerst, in 1618, gehuwd met Hero van Burmania, ritmeester der Cavalerie, en daarna, in 1635, met Philip van Boshuysen, grietman van het Bildt, met wien zij Juckema state te Stiens bewoonde. In het jaar van overlijden van laatstgenoemde liet zij hier een 19-tal woningen rondom een bleekveld bouwen, bestemd om door behoeftige weduwen pro deo te worden bewoond. De overdekte ingang draagt het opschrift:
AVE
Aº. MCD.LII.
Het geheel werd van het kerkhof gescheiden door een ringmuur met poort, waar boven men leest:
Het geen hier staet, uyt nyt oft haet doch niet beschout,
Tot armoedts hulp en Weduws troost is het geboudt.
♦ De Boterhoek oorspronkelijk als Butterhorne voorkomende en bestaande uit eenige verspreide koemelkerijen en veestallen waar zuivel vervaardigd werd, - vandaar de naam - is na 1661 door aanbouw van meerdere woningen uitgegroeid tot een buurt ten noorden van het Oldehoofster kerkhof, waar in het algemeen niet enkel de schamele gemeente een onderkomen vond, maar waar men tevens tot in onzen tijd aantrof "logisen voor reisende bedelaers en vreemde vagabonden".
♦ De Brak (verbastering van het Fransche baraque). Aldus werd een huis in den hoek van de Zak genoemd, hetwelk in 1805 van Stadswege aangekocht was om te worden ingericht tot een "caserne of barak" voor de legering der Fransche militairen. Na den Franschen tijd verviel deze bestemming weder, waarna het o. a. als burgerschool voor jongens (1834-'68) en als gymnasium (1868-'79) heeft dienst gedaan.
♦ Het Brandjesklooster is de naam van den westelijken hoek van de Boterhoek. Een klooster, in den zin eener geestelijke stichting, was het allerminst. Het betreft hier enkel een complex van een aantal bij elkaar behoorende woningen (vgl. Arendsklooster) welke vermoedelijk het oorspronkelijk eigendom waren van zekeren Brand, in de wandeling meer gemeenzaam aangeduid met den verkleinnaam Brantje (Friesch: Brântsje).
♦ De Breededijk (ook als Hoogedijk en Heerenweg voorkomend) is de oude benaming van den oostelijken dijk der voormalige Middelzee, op welks gedeelte in 1847, van de stad tot de Groote Bontekoe, een straatweg en verderop een grintweg werd aangelegd (de Stienserdyk). Hij is opmerkelijk breeder dan de voormalige westelijke Middelzeedijk, ongetwijfeld samenhangende met de veelvuldig voorkomende westelijke winden, welke vooral hooge standen van het zeewater in oostelijke richting bewerkten.
♦ Breemanshof was vóór omstreeks 1610 een uitgestrekte boomgaard, toebehoorende aan zekeren Breeman, gelegen buiten de stadsgracht, noordwaarts van de Boomsbrug, door welken hof, samenhangend met den bouw van die brug, de Oostersingel gedeeltelijk aangelegd is.
♦ De Breedeplaats loopende van het Jacobijner Kerkhof naar de Nieuweburen, is ontstaan na 1580 door den aanbouw van woningen in het, westelijk van het toen opgeheven Jacobijnerklooster gelegen Jacobijner Appelhof, als een breede plaats, naast de voormalige kloostergebouwen gelegen.
♦ De Breedstraat, loopende van bij de Put naar de Nieuweburen, bestond reeds omstreeks 1550 "als eene der weinige regte en tamelijk breede straten der stad". (In een oorkonde van 25 Febr. 1580 komt zij voor als "die Breede Straet").
♦ De Brol, thans een bestraat dubbel brugplein, in het centrum der oude stad, was reeds in het midden der 16de eeuw aangewezen als marktplaats van zuivelproducten en groenten ("de Kruidbanken"). Denkelijk zijn omstreeks dien tijd in plaats van een houten brug, de beide lange en breede steenen bogen aangebracht, die van het water der Kelders naar dat van het Nauw en de Weaze strekken en welke van 1615-'17 vernieuwd zijn. Oorspronkelijk had de naam echter niet betrekking op de overbrugging doch op het water zelf, dat er door overkruind wordt. Oudtijds is namelijk ter aanduiding van de overbrugging, steeds sprake van De Brolsbrug (1483: Brulbregge; 1511 broll breggha; 1516 broelbrugghe), terwijl in 1552 gesproken wordt van "schuyten, liggende in de Brol bij de Brolbrugge"). Waarschijnlijk moet de naam welke niet enkel in Friesland, maar ook buiten Nederland voorkomt -, verklaard worden als een lage eenigszins waterige streek, geschikt voor het weiden van vee (vgl. de beteekenis van den naam der nabije Weaze). Later toen de oude beteekenis niet meer gevoeld werd, is men misschien verband gaan leggen tusschen de vele dingen van geene of geringe waarde, welke er te koop werden aangeboden en het begrip van rommel, wanorde voor brol, dat ook in Friesland wel bekend is. Als middelpunt der stad was in 1516 op de Brolsbrug een schavot opgericht, waar het halsrecht verricht werd aan burgemeester Wybe Sakelesz, terwijl men er van 1559-1684 het wachthuis der Stadsbierdraggers en tot 1685 de kaak of pronkpaal aantrof, waarom men de Brolsbrug ook wel een enkele maal vindt aangeduid als de Kaaksbrug.
♦ De Broodkamer, oorspronkelijk de Geerkamer, terzijde van het koor der Jacobijnerkerk, was sedert 1664 ingericht voor de wekelijksche bedeelingen der Stadsarmen, hetgeen o. m. uitgedrukt werd door het opschrift op het toen daarvoor geplaatste en nog bestaande poortje:
HIER DEELT MEN BROOT EN GELT
AEN CHRISTI ARME LEDEN.
DUS WORDT ELK LEDEMAET SEER
VIERIGLYCK GEBEDEN
DAT HY MILDAEDIGHEYT TOONT
MET EEN OPREGT HERT
'T WELCK GEWISLYCK WEDER VAN
GOD VERGOLDEN WERT.
Sinds 1826 trof men de Broodkamer aan in een huis op de Keizersgracht, nabij het Nieuwstraatje, dat zij, met andere huizen, na 1850 van Stadswege haar plaats ruimen moest voor eene Gemeenteschool.
♦ De Brouwersgracht is een oude benaming voor het Zwitsersch Walletje, hetwelk sedert 1513 ook Hynstewâd genoemd werd. Waarschijnlijk is zij aldus genoemd naar de woning ter plaatse van een bierbrouwer, evenals De Brouwerssteeg, een latere benaming voor de Collegesteeg op de Voorstreek, welke ook als Koperslagerssteeg voorkomt.
♦ De Burmaniafenne (1511 Burmaniafen; Buurman(n)ia fenne) wordt reeds in het begin der 16e eeuw vermeld als een stuk weiland op het Nieuwland, toen eigendom van den Leeuwarder edelman Tjaard Burmania.
♦ Het Burmaniahuis, sedert het laatst der 16de eeuw ook als Catershuis voorkomende en zuidelijk van de Oldehove gelegen, was het oude stamslot van het Leeuwarder adellijk geslacht Burmania, waarvan reeds in het laatste kwart der 12de eeuw een zekere Douwe Burmania vermeld wordt. Nauw waren de betrekkingen van dit aanzienlijk geslacht tot de parochiekerk van Oldehove, waarin zij het patronaatsrecht uitoefende. Oorspronkelijk was het Burmaniahuis geheel met een gracht en later - na verbouwing - met een ringmuur omgeven. Boven de poort in dien muur aan de noordzijde bleef een steen bewaard met het volgende opschrift:
RIENCK VAN BVRMANIA RIDDER EN DROST
TOT COEVARDEN Aº. 1555
en daarbeneden onder de wapens van beide volgende personen:
I. GEMMA VAN BVRMANIA
I. JEL VAN AYLVA
n.l. Jonker Gemma van Burmania de bekende "Stânfries" en diens echtgenoote Jonkvrouw Jel van Aylva. Omstreeks 1600 schijnen er twee Burmaniahuizen naast elkaar te hebben bestaan. In een oorkonde van 1598 is n.l. sprake van "Nyeuw Burmanija huys, staande ten westen annex aen Out Burmanija huys".
♦ De Burmaniapijp is een benaming, welke in het eind der 18de eeuw voorkomt voor de Adsje Lammerts- of of Westerpijp onmiddellijk ten zuiden van het Burmaniahuis gelegen.
♦ De Burmaniastraat, soms als Burmaniasteeg steeg voorkomende, loopt van halverwege de Kleine Kerkstraat met een bocht naar de breedzijde der Nieuwestad en vormde eertijds de zuidoostelijke begrenzing van den uitgestrekten hof, behoorende bij het Burmaniahuis.
♦ De Buweersterfenne (1406: Buawerstra fenne; 1511 Buwerstera fenne; 1543 Buester fenne) is de oude benaming van een stuk weiland gelegen bezuiden het oostelijk deel van het Fliet, hetwelk eertijds onder Leeuwarderadeel ressorteerde.
♦ Bij de Meervischbanken: Nadat in 1851 de vischbanken van de Oude Vischmarkt op de Koningspijp verdwenen waren, werd de zeevischmarkt overgebracht naar de Oosterkade, terwijl nog langen tijd daarna de zoetwatervisch op de oude plaats geveild werd, waarom men nog steeds van deze plek bleef spreken als van "by de Meervischbanken". Als laatste herinnering daaraan verdween in 1903 de hardsteenen pomp op den wal der Voorstreek, tegenover over het hoekhuis Voorstreek/Wortelhaven.
♦ Bij de Put. Aldus wordt genoemd een driehoekige buurt nabij de Groote Kerk, aangezien zich hier eertijds, tusschen de Breedstraat en de Speelmanstraat, een put bevond, welke tot algemeen meen gebruik gegraven was. Zij was met een ringmuur ommetseld en van een wip tot het gemakkelijk putten voorzien. Nadat deze vervallen was, werd in 1779 daarnaast een nieuwe put aangelegd, omgeven met een fraai pedestal van gehouwen steen, waarboven een kloklantaren was aangebracht. Na ongeveer een halve eeuw bleek ook deze put onbruikbaar te zijn geworden, waarom zij in Maart 1834 overkruind en het pompwerk weggeruimd is.
Naschrift: Een onbekende lezer veronderstelt, dat de naam Bargest ontleend zou zijn aan het woord barge (= trekschuit voor personenvervoer ingericht); in genoemde steeg zouden zich n.l. de stallen van de paarden der schuitjagers bevonden hebben). Ons is slechts bekend, dat de barges die in dit deel der stad gelegen waren, in- en afvoeren van het Schavernek, terwijl de er bij betrokken jagers hun onderkomen vonden in de Harlinger Stal ten noorden van het Verlaat. Bovendien verzet zich de uitspraak van het woord tegen den beweerden uitleg: de Leeuwarder spreekt van barch, als hij een varken bedoelt, terwijl de naam van het bedoelde vervoermiddel door oud-Leeuwarders steeds als ba(r)sje uitgesproken werd.


>> begin

||| 44. LC 24 okt. 1936.
♦ Cambuur samentrekking van Camminghabuur, buurschap nabij de sedert 1810 verdwenen Camminghaburch aan den oostkant kant van Leeuwarden.
♦ De Cambuursterbrug is het vroegere bruggetje in den Oostersingel, hetwelk gelegen was dáár, waar de sloot langs den zuidkant van het Cambuursterpad in de stadsgracht uitliep.
♦ De Cambuursterhemrik, andere benaming (o. a. in 1543) voor den lateren Cambuursterpolder.
♦ Het Cambuursterpad, ook Cambuursterpadje genoemd, is het voetpad, dat oorspronkelijk van de Stad en het Fliet naar Camminghaburch leidde.
♦ De Cambuursterpolder is de polder, waarin niet slechts Cambuur, maar al de landerijen in de omgeving van het Kalverdijkje gelegen zijn.



♦ Het Cambuursterslot. Onder deze benaming komt (o. a. in 1761) voor Camminghaburch. (1431: Kamminghabuurstra-state; 1544: 't huys van Kammingaburch; 1561: 't huys van Cambueren; 1651: die Sate ende State Cammingaburgh). Van deze oud-adellijke state(1), eertijds noordwaarts van het Cambuursterpad gelegen, wordt omstreeks het midden der 14de eeuw als eerste bewoner genoemd Syds Cammingha, na wien het tot 1610 onafgebroken aan de Cammingha's heeft behoord. Na in 1398 belegerd te zijn, werd het huis zeer versterkt en tot een blokhuis of versterkt kasteel ingericht, waar o. m. het "huisrecht" werd uitgeoefend. Na den bouw van het Leeuwarder Blokhuis in 1499 binnen de wallen, in den zuidoosthoek der stad, ging de beteekenis als versterking grootendeels te niet, en werd het in de wandeling genoemd het Oud Blokhuis. Sedert omstreeks het midden der 18de eeuw bleef Camminghaburgh onbewoond; in 1810 ging men tot afbraak van het huis over, terwijl in 1840 de grachten om het erf zijn gedempt en het geheel tot weiland werd ingericht.



♦ Camminghahorne vindt men, sedert het midden der 16de eeuw genoemd: het terrein, strekkende van de Kleine Hoogstraat oostwaarts tot aan de kerk van het voormalige Witte Nonnenklooster (2), zoowel ten zuiden als ten noorden van de Groote Kerkstraat(3); aldus genoemd naar de stins der Cammingha's, welke eertijds op de horne, herne of hoek van dit terrein gelegen was.
♦ Camminghahunderi, een in Friesland gelegen landgoed, dat vermeld wordt in 839, in een Latijnschen giftbrief van keizer Lodewijk den Vrome ("villa Cammingehunderi"), waarvan de juiste ligging onzeker is. Mr. J. Dirks wijst op verschillende gronden daarvoor Leeuwarden aan(4), mej. R. Visscher doet dit eveneens en stelt het identiek met Camminghahorne.(5)
♦ Camminghahuis, eertijds gelegen aan de zuidzijde van het westelijk deel der Groote Kerkstraat(6), werd in het midden der 18de eeuw bewoond door zijn eigenaar Frans van Cammingha. Ook het onmiddellijk ten oosten daarvan gelegen huis behoorde tot het familiebezit der Cammingha's; het wordt o. a. in 1606 genoemd het cleyne huys. In 1622 ging het geheel in andere familiën over.(7)
♦ Camminghastate is vermoedelijk - volgens een testament van Sikke van Cammingha van 1623 - een bezitting der Cammingha's nabij Oldegalileën geweest, doch waarvan verder geen spoor meer is terug te vinden.
♦ Camminghastins in de Groote Kerkstraat, tegenover het Sint Anthony-Gasthuis gelegen, komt in een koopacte van 1669 voor onder den naam "Aed Leeuwaerd ofte Oude Stins", het huis met den onlangs afgebeelden merkwaardigen gevelsteen. Als laatste bewoner ervan, uit het geslacht Cammingha komt voor Tiete van Cammingha, na wien het in 1594 - misschien na een ouderdom van vier eeuwen - is "gedemolieert". Een waarschijnlijk nog oudere Camminghastins, mede aan de noordzijde van de Groote Kerkstraat gelegen, ongeveer tegenover de kerk van het Witte Nonnenklooster, bestond in haar oudste gedaante misschien reeds in 839 toebehoorende aan Gerlof Cammingha, die in 876 als monnik te Corbeye in Duitschland stierf(8). De stins bevond zich eertijds op den hoek der straat bij de kerk van Nijehove, waarover de leden van het geslacht Cammingha het patronaatsrecht uitoefenden.
♦ Camstraburen, in den volksmond Camsterburen, sedert de 16de eeuw westelijk van de Dokkumer Ee ontstaan als een voorstad van Leeuwarden, ontleent dezen naam aan het adellijk geslacht Camstra, dat weleer zetelde op de meer noordelijk gelegen Bilgaarderterp en waarvan reeds in 1481 Peter Kampstra genoemd wordt. Van tijd tot tijd waren hier door dat geslacht eenige erven afgestaan tegen zekere grondpacht, welke ook in opvolgende tijden aan zijn nakomelingen, - zoo in 1650 aan jonkheer Goffe van Camstra, te Minnertsga - is betaald geworden. Vóór de doorgraving in 1859, wegens het verleggen der stadsgracht naar de Dokkumer Ee, vormde de tegenwoordige Eebuurt één doorloopend geheel met Camstraburen.
♦ De Canselarij, gelegen aan de oostzijde der Turfmarkt, is gebouwd in de jaren 1566-'71, ten einde het Hof van Friesland - waaraan naast het burgerlijk bestuur tegelijk de hoogste rechterlijke macht in de provincie was toevertrouwd - een zetel te verstrekken. Nadat in 1504 door het Saksisch bewind dit lichaam was ingesteld, werd aan de westzijde van het Blokhuis(9) een afzonderlijk gebouw tot een "Canselrye" gesticht, hetwelk reeds in 1542 om strategische redenen weer afgebroken werd, waarna van 1545-'71 als zoodanig de zuidelijk van het Galileërklooster gelegen "Infermerie" heeft dienst gedaan.
♦ De Canselarijgracht of Heerengracht werd eertijds genoemd het vaarwater, dat vóór de demping in 1894 den naam van Turfmarkt droeg.
♦ De Canselarijpijp, voerende van de Koningstraat over de voormalige Heerengracht naar de Canselarij, is geamoveerd bij de demping van de Turfmarkt in 1894. Op deze pijp werd in de 16de eeuw wel het halsrecht recht uitgeoefend.
♦ Catershuis. Onder dezen naam komt meermalen malen het Burmaniahuis voor, sedert de Burmania's zich met het Overijselsche geslacht Caters verbonden hadden tengevolge der huwelijken van Joost van Burmania met Baef Caters en van Anna van Burmania met Claes Caters in 1582.
♦ Catershoven. Aldus werd in de 18de eeuw de buitenplaats in den zuidoostelijken hoek van Achter de Hoven genoemd, waar tot in het laatste kwart der vorige eeuw Zorgvliet gelegen was. Naar alle waarschijnlijkheid was zij in de omgeving van gardenierslanden of hoven gelegen, oorspronkelijk het eigendom van een der leden van het vorengenoemde geslacht Caters.
♦ Catharinaburen is de naam van de straat, welke uit het Hoeksterkerkhof ongeveer evenwijdig loopt met de Voorstreek, achter het gebouw bouw aldaar, waar eertijds de parochiekerk van Hoek zich bevond. Zij houdt de herinnering levendig aan Sint-Catharina, waaraan die kerk was toegewijd. Een der huizen van die buurt bevat een hardsteen, welke den straatnaam vermeldt, benevens het jaartal 1762, n.l. dat, waarin het laatste huis er van gebouwd werd.
♦ De Cichoreibuurt, vóór 1902 door een sloot van den westkant van Pietersburen op het Zuidfliet gescheiden, is thans ingenomen door de Willem Loréstraat. De naam herinnert misschien aan het feit, dat hier in de buurt indertijd naast zooveel andere landbouwproducten, cichoreiwortels verwerkt werden.
♦ De Ciprianussteeg, van Over de Kelders voerende naar de Korfmakersstraat, is waarschijnlijk genoemd naar den bewoner of eigenaar van een of meer der weinige huizen in deze korte steeg.
♦ Coehoornshuis, eertijds gelegen aan de westzijde der Kleine Kerkstraat, tegenover de voormalige "Corps de garde voor de Ruiters", diende sedert omstr. 1680 eveneens tot stalling voor de Ruiterij. Blijkbaar gaf een poortje tot het gebouw toegang, waarom het ook genoemd werd:
♦ De Coehoornspoort, onder welke benaming tot in onzen tijd een later op dezelfde plek opgetrokken gebouw bekend was. Omstr. 1800 werd het door negen huisgezinnen bewoond. Volgens overlevering zou de vestingbouwkundige Menno baron van Coehoorn aanvankelijk zijne aanwijzingen voor eene doeltreffende inrichting van het gebouw gegeven hebben.
♦ Het College is in de omgangstaal de benaming voor het Provinciehuis, waar de Staten van Friesland zetelen. Het bevindt zich ter plaatse aan de Tweebaksmarkt, waar vóór 1580 het refugium van den abt van het Bergumerklooster stond, en is meerdere malen uitgebreid en verbouwd. Aanvankelijk diende het enkel tot vergaderplaats van het College van Gedeputeerde Staten, waarnaar het tot op heden vaak benoemd wordt.
♦ De Collegekamer of het Huis der Israëlitische Gemeente bevond zich sedert het einde der 18de eeuw aan de zuidzijde der Nieuweburen, op den oosthoek der Doorgaande steeg, en heeft alszoodanig tot na het midden der vorige eeuw dienst gedaan. De bovenverdieping van het huis deed dienst tot het houden van vergaderingen van het kerk- en armencollege, vandaar den naam.
♦ De Collegesteeg, ook als Brouwerssteeg en Koperslagerssteeg voorkomende, bevond zich tot voor enkele jaren aan den oostkant der Voorstreek, tusschen de Amelands- en Dubbelepijp, maar is bij de doorbraak aldaar ten behoeve van de Sint Bonifatiuskerk, verdwenen. In die steeg bevond zich een gebouw, waar de godsdienstige secte der Collegianten of Rijnsburgers hunne collegiën (= vergaderingen) hielden van kort na 1720 tot in het laatst der 18de eeuw.
♦ De Cruysepijp, andere benaming voor de Tuinster- of Flietster waterpoort, is waarschijnlijk genoemd naar den Leeuwarder burgemeester Hans Kruyse, die omstreeks 1530 in de nabijheid daarvan zal gewoond hebben.

>> begin

♦ De Deelfenne wordt in 1543 vermeld als een stuk weiland, gelegen op Cambuurster hemrik.
♦ De Deinumer Suupmarkt wordt genoemd het gedeelte van de smalzijde der Nieuwestad tusschen schen Wijdesteeg en Kleine Kerkstraat. Sedert het begin der 16de eeuw, - toen het gebruik van karnemelk (Friesch sûpe; Leeuwardersch: suu p) als menschelijk voedsel meer algemeen was -, vormde het een der vier plaatsen, welke als markt daarvoor waren aangewezen. Naar alle waarschijnlijkheid brachten de "suupboeren" uit Deinum en omstreken hier hunne waar ter markt.
♦ Dekemahuis, een oud patricisch huis aan den zuidkant van de Groote Kerkstraat, heeft vier eeuwen aaneen en misschien nog langer, na menige wijziging te hebben ondergaan, gestaan ter plaatse, waar zich sinds 1875 de Hoogere Burgerschool voor meisjes bevindt. Tot 1680 bleef het in handen der leden van het adellijk geslacht Dekema, terwijl het in 1846 werd afgebroken. Waarschijnlijk is het tusschen de jaren 1681 en 1696 bewoond door prinses Albertina Agnes en vindt men het daardoor een enkelen keer aangeduid als "'t Oude Hof". Een ander Dekemahuis bevond zich eertijds aan het tegenwoordige Raadhuisplein, tusschen het voormalige Weeshuis en Rolkemahuis, vóór 1568 vermoedelijk bewoond door den Raadsheer Ridder Pieter van Dekema.
♦ De Dichte Gasthuissteeg voert van de Groote Kerkstraat, tegenover het Sint-Anthonygasthuis naar het Perkswaltje, evenals de Wijde Gasthuissteeg, welke evenwel belangrijk breeder is dan eerstgenoemde zeer nauwe steeg.
♦ De Dienaarstrans, weleer gelegen op het terrein van het tegenwoordige Huis van Bewaring, in het zuidelijk verlengde van Haakmaburen, is ontstaan in 1698 en '99 door den bouw tegen den stadswal van een achttal woningen, ten behoeve der gerechtsdienaars van het toenmalige malige Hof van Justitie. In den winter van 1845-'46 zijn deze woningen afgebroken, in verband met de noodzakelijke uitbreiding van het terrein rondom de nieuwe Rijksgevangenis.
♦ Doedmoershuis, een groot gebouw eertijds staande in den Camminghahof, eenige schreden zuidwaarts van de parochiekerk van Hoek, werd bewoond door Doed Sjuksdr. Dekema, na den dood van haar tweeden echtgenoot Haije Cammingha in 1486. Zij was de moeder o.a. van Pieter Cammingha, bewoner van het nabijgelegen Amelandshuis. Ook na haar overlijden in 1500 bleef het onder dien naam bekend (o.a. in 1561). In de 16de eeuw ging het uit handen der Cammingha's in ander bezit over, terwijl het in 1820 geheel verbouwd werd.
♦ Doekemafenne, reeds in 1471 vermeld als een stuk weiland, eigendom der Doekema's, evenals Doekemahuis of Doekemastate. Van den stichter van dit huis is weinig bekend, doch opmerkelijk, dat het steeds als een bezitting der Cammingha's vermeld wordt (o. a. in 1473: Gerrit Cammingha). Wellicht is de state, vermoedelijk aan de noordzijde der stad, op het Oudland gelegen, na 1625 gesloopt.
♦ De Doeke Martenspijp, vóór de Kleine Kerkstraat over het water der Nieuwestad gelegen, dankt den naam aan het eertijds daarnevens gelegen Martenahuis(11), hetwelk in 1552 vernieuwd werd door den edelman Doeke Martena, die het vervolgens langer dan een halve eeuw bewoonde(12).
♦ De Doele, ook de OudeDoele genoemd, was tot in het begin der 19de eeuw een herberg met tuin, gelegen in den nu verdwenen zuidoosthoek van den Grachtswal, waar misschien ook gelegenheid was tot "het schieten naar de papegaai".
♦ De Doeledwinger werd genoemd het sinds 1621 opgeworpen bastion, noordoostwaarts van de Stads Schuttersdoele, hetwelk deel uitmaakte van de vestingwerken der stad.
♦ De Doele Oosterstraat, eertijds een andere benaming (o.a. in 1648) voor de Groeneweg.
♦ De Doelestraat leidde oorspronkelijk van de Groote Kerkstraat naar de noordelijk gelegen Stads Schuttersdoele, met ruimen hof en schietperk perk, waarin een groot gebouw met toren zich bevond. Behalve dat de schutterij der stad zich hier in den wapenhandel oefende, - door het schieten naar de steeg of naar de schijf met het geweer - werden hier later tevens bijeenkomsten en danspartijen door de burgert gehouden. Een gedeelte van de hof werd later bij den Prinsentuin getrokken. In de 17de eeuw las men gegrift in een ruit van het torentje:
"Blonk oyt het Capitool door Cesars lauwerkrans,
'k Heb mede Koningen op mynen Toorentrans
Gehuldight, vreemdeling. Maar Koningen van Vogels,
Geschooten van de steng door drift van loode kogels.
Nu koelt die oeffening, terwyl der Voogden gunst
My rijkelyk verstelt, trots Italjaansche kunst,
Dus pronk ik voor het oogh daar yder trekt zyn lust of,
Men noeme my voortaan de Burg van 's Vorsten Lusthoff."

(1) Omstreeks 1500 noemt Rienk Idses Emingha, genaamd Cammingha, Hoveling toe Cambuur.
(2) Ter plaatse van de latere Waalsche kerk.
(3) Zie daarover mej. R. Visscher in "De Vrije Fries", XXVIII, 95 v.
(4) In "De Vrije Fries", IV 342 v.
(5) In "De Vrije Fries", XXVIII 99.
(6) Waar thans de Provinciale Keuringsdienst gevestigd is.
(7) Zie voor de geschiedenis van dit huis Mej. R. Visscher in "De Vrije Fries", XXXII 61 v.
(8) "De Vrije Fries", XXVIII 98 v.
(9) Ter plaatse van het Stadsziekenhuis.
(10) In de Schrans onder Huizum lag vóór 1578 de state het Oud Hof, eveneens een bezit van het adellijk geslacht Dekema, hetwelk in genoemd jaar door het Leeuwarder grauw is gesloopt, toen het bewoond werd door den Spaanschgezinden Raadsheer Julius Dekema.
(11) Ter plaatse van de Leeuwarder Bioscoop, zuidzijde Nieuwestad.
(12) Een oude overlevering verhaalt evenwel dat de naam is ontstaan wegens het feit, dat over deze pijp een optocht van edelen, misnoegd over de Spaansche regeering, met D. Martena aan het hoofd, zou zijn geschied. Vermoedelijk zijn naar dezen edelman de bekende Doeke Martensperen geheeten.

||| 45. LC 7 nov. 1936.
♦ De Dokkumer Ee, kortweg genoemd de Ee, - welke voorbij Dokkum het water der gronden den van Oostergo naar de Lauwersee voert -, liep eertijds van het tegenwoordige Camstraburen in zuidoostelijke richting door den Arendstuin, vandaar dwars over de Nieuweburen langs den oostkant der Concertzaal in de Breedstraat, daarna dwars over de Sacramentstraat naar de samenkomst van den Eewal met de Slotmakerstraat en vervolgens langs den Eewal in de richting van het Hofplein, waarna zij zich ten slotte vereenigde met het water der voormalige malige Middelzee.
♦ Het Dokkumer End, eertijds Luttekeburen geheeten, is de streek loopende van de Dubbele pijp naar den Noorderweg. Van dit "end" der stad voeren weleer de veerschepen in de richting van Dokkum en omliggende plaatsen; o.m. trof men hier aan het Dokkumer Veerhuis.
♦ De Dokkumer Stal, gelegen aan dat gedeelte van Camstraburen, hetwelk later Eebuurt is genoemd, is in 1892 afgebroken. Daar stalden de jagers eertijds hunne paarden, welke de veerschepen naar Dokkum trokken. De fraaie gevelsteen van dien stal afkomstig, is thans in een muur aan de Pijlsteeg ingemetseld.
♦ De Dokkumer Trekweg, loopende langs de westzijde der Ee, vormde eertijds het jaagpad voor de trekschepen, die naar Dokkum voeren.
♦ De Dokkumer Waterpoort, andere benaming voor de Hoekster Waterpoort. Omstreeks 1780 vindt men haar aldus genoemd, omdat zij "dient zo voor de Jaagschepen van Dokkum, als voor alle andere, die, door middel van de Dokkumer Ee, binnen Leeuwarden moeten komen".
♦ De Doorgaandesteeg is de zeer nauwe steeg, welke van de Put geheel doorloopt naar de Nieuweburen, in tegenstelling met de daarmee samenhangende Bargejagersteeg, welke van de Nieuweburen halverwege eindigt. Ook op het Noordfliet vond men, loopende tot het Hoogpad: De Doorgaandesteeg, eveneens een nauwe steeg, welke later Weerklanksteeg is genoemd.
♦ De Draaisloot, omstreeks 1900 gedempt, liep te voren uit het Fliet noordwaarts langs het Oranjewaltje en ontleent haar naam aan "de draei" of beweegbare vonder, eertijds over deze sloot gelegen.
♦ De drie Bijekorven was vanouds, - naar het uithangteeken genoemd - het huis staande aan den westkant der Voorstreek, halverwege tusschen Nieuweburen en Sacramentstraat, waar later het Stienser Veerhuis gevestigd was. Misschien was het oorspronkelijk een koek- en banketbakkerij.
♦ De drie dubbele Koeken heette - eveneens naar het uithangbord - eertijds het huis op den noordelijken hoek van de Voorstreek en de Hillemasteeg, waar nog tot in onzen tijd eene banketbakkerij was gevestigd.
♦ De drie Ducatons of "Tyltsjedaem" is de naam van een koemelkershuisje aan het Jelsumerbinnenpad, dat dien naam ontleent aan een in den noordmuur van het huisje gemetselde 16de eeuwsche haardsteen, met de voorstelling van drie in ruitvormen geplaatste cirkels, binnen elk van welke een menschenhoofd is aangebracht en welke eenigermate aan geldstukken doen denken De legende, waartoe deze steen aanleiding heeft gegeven, vindt men in Leeuwarder dialect verteld in de rubriek "Voor het Theeuur" in dit nummer.
♦ De drie Friezen was omstreeks 1680 eene herberg te Leeuwarden, waarvan de standplaats ons onbekend is.
♦ De drie Gebroeders is de naam van een huis, G 4, in de Haniasteeg. In den gevel bevond zich een in rococo-stijl gebeeldhouwde steen met de voorstelling van drie mannen in 18de eeuwsche kleederdracht en het opschrift DE DRIE GEBROEDERS, waaronder in de volgende eeuw is gebeiteld:

"Op den 23sten Februarij 1860 lag
REIND REYNERTS SIERSMA
aan dit gebouw de eerste steen".
♦ De drie gouden Schoppen steken nog als gevelteeken uit aan een huis aan de Brol, Groentemarkt no. 5.
♦ De drie Hoeden was omstreeks 1685 het uithangbord hangbord van een huis aan den Stadswal bij de Tuinster- of Nieuwe Flietsterpoort, waar blijkbaar - in een tijd, waarin vilten hoeden de algemeene dracht der mannelijke burgerij uitmaakten - hoeden werden "schoongemaakt". [Hoeden schoon staat dichterlijk voor schone, mooie hoeden!]
De stok waaraan het uithangbord hing, gaf althans te lezen:
"Dit is in de drie hoeden,
Om het hooft te behoeden
Voor wint en koud.
Tromp (2) was stout
Voor der Staten kroon.
Hier maakt men hoeden schoon."
♦ De drie Klokken, eertijds het huis op den hoek van de Peperstraat en Onder den Lindeboom, werd ook genoemd De oude drie Klokken, in tegenstelling met dat, hetwelk naast den tegenovergestelden hoek van de Peperstraat, aan de Weaze, gelegen was en reeds in 1815 als De nieuwe drie Klokken voorkomt.
♦ De drie Kramers (3) vertoonde omstreeks 1680 het uithangbord van een kroeg in de aan het einde der 17e eeuw verdwenen Foxsteeg, op den stok waarvan men las het bekende:
"Die hier wil drinken en wil borgen
Die koom morgen,
Want heden is 't een dagh
Dat ik niet borgen magh."
♦ De Drie Kramerssteeg, eertijds ook Munkesteeg steeg en Muntesteeg genoemd, loopende van de Tweebaksmarkt naar de Galileër Kerkstraat, ontving dien naam naar het uithangbord met de voorstelling van drie Kramers, van een herberg of nachtkwartier, zich vroeger in deze steeg bevindende
♦ De drie Kronen was omstreeks 1580 de naam van een huis te Leeuwarden, vermoedelijk een herberg, naar de voorstelling daarvan op het uithangbord. Zoo vindt men op 29 December 1582 aldaar vermeld eene "vercopinge ten huyse van Henryck in de drye croenen". Onzeker is het of hier vorstenkronen, dan wel gouden munten van dien naam uithingen.
♦ De Drie Prinsedaalderssteeg, thans verdwenen, liep van de Nieuwestad naar het Ruiterskwartier, oostwaarts van de Oude Doelesteeg. Haar naam ontleende ze blijkbaar aan een uithangbord, met de voorstelling van drie Prinsedaalders, behoorende tot een huis, op een hoek van, of in die steeg zich bevindende.
♦ De drie Soldaten was in het begin der vorige eeuw het uithangteeken van een huis aan den noordkant van het Sint-Jobsleen, het tweede huis westelijk van de vroegere Stads Schuttersdoele.
♦ De drie Suikerbrooden was omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van het pakhuis op het Noordfliet, het tiende huis vanaf de Boomsbrug.
♦ De Drift werd eertijds genoemd een gedeelte grond aan den Stadswal, aan het einde van de Boterhoek, nabij het vervallen Joodsche kerkhof, waarschijnlijk omdat daarlangs het vee van de koemelkers uit de buurt gedreven werd. Nog omstreeks 1850 werden een aantal woningen aldaar aangeduid als staande Aan de Drift.
♦ Het Droevendal, eertijds ook Nieuwe Hofstraat genoemd, loopende van de Tweebaksmarkt naar de Oosterkade, vindt men reeds in 1590 vermeld met de woorden "int Drouendal bij Galeyen", n.l. bij het Galileërklooster, dat er tevoren zuidelijk van gelegen was. Volgens de overlevering zou de naam ontstaan staan zjjn "wegens het overbrengen van gevangenen uit het achterpoortje(?) van de Canselarij (of liever Landshuis) in het Tuinster-Achterom, in de Hofstraat en zoo naar het Blokhuis. Volgens den schrijver W. Eekhoff is de straat "dus genoemd geworden, omdat zij gelegd werd over het vroegere Galileërkerkhof". O.i. hangt de naam samen met druif, Middelnederduitsch: drûf, Middelnederlandsch: drûwe. Wel verzet zich daar de Friesche en speciaal de Leeuwarder uitspraak: drúf tegen, maar waarschijnlijk is de naam gegeven door de niet-Friesch sprekende kloosterlingen van Galilea in een tijd, toen het Nederlandsch reeds in de stad de overhand op het Friesch had verkregen. Niet onmogelijk, dat, - vóór de amoveering van het klooster in 1580 - ter plaatse reeds wijnstokken waren geplant. De namen berg (mons) en dal (vallis) waren aan vele kloosters, - ook in Friesland - toen ter tijd eigen.
♦ De Druif heette het laatste huis, oorspronkelijk eene bierbrouwerij, aan den oostkant van de Druifstreek, op den hoek van de Keizersgracht. Tot in onzen tijd bevond zich in den voorgevel een steen, waarop een druiventros tros uitgehouwen was.
♦ De Druifsbrug, eertijds over de verbinding van de Keizersgracht met het water van het Zwitserswaltje gelegen, leidde, - vóór de demping van dit laatste en van het water der Druifstreek in 1894 -, van de Druifstreek naar het Blokhuisplein.
♦ De Druifstreek is, als verlengde van de Tweebaksmarkt ontstaan omstreeks 1585 en daarna. In verband met het hierboven besprokene omtrent het Droevendal, is het opmerkelijk, dat de volksmond steeds spreekt van Droefstreek.
♦ De Dubbelebrug, sedert de tweede helft der 16e eeuw veranderd in de Dubbelepijp, dankt dien naam aan het feit, dat vóór de demping van het aangrenzende deel der Nieuweburen in 1865 de overbrugging als het ware een dubbelen toegang verleende van den oostkant der Voorstreek naar de noord- en zuidzijde der Nieuweburen.
♦ De Duif was omstreeks 1680 de naam van een huis te Leeuwarden, dat op het uithangbord de voorstelling van een duif te zien gaf. Op den stok, waaraan het bord was opgehangen, stond aan den eenen kant:
"Als 't duijfken reen, wilt u bekleen
Met simpelheit ootmoedig.
Want God behaegt, een hart dat jaegt,
Na nedrigheit voorspoedig."
terwijl de andere kant vermeldde:
"Het duijfken was, Gods boode ras
Die Noach deed vermelden,
Den vrede goedt, als den zondvloet
Geweken was de velden."
♦ De Duinkerken was omstreeks 1760 de naam van een logement op het Groot Schavernek, in den tijd, waarop nog in het jaar te voren de Staten van Friesland een buitengewone equipage van 25 linie- en fregatschepen moesten uitrusten, tot bescherming van koophandel en zeevaart der ingezetenen tegen de kapers van Duinkerken e.a., welke toen in groote menigte de zee doorkruisten. Later verrees op hetzelfde Schavernek een logement dat Nieuw Duinkerken werd genoemd en tot in onzen tijd heeft bestaan.
♦ De Duivelshoek was de bijnaam, welken men omstreeks het midden der vorige eeuw gaf aan de toen onaanzienlijke buurt Dijkshoek.
♦ De Dijk was tot ongeveer den tijd, waarop de Wirdumerpoort is afgebroken (1835) en zelfs nog daarna, de gewone benaming voor de Wlrdumerdijk. In de vroege middeleeuwen deed zij dienst als zeewering tegen het water van de toen westelijk er van gelegen Middelzee.
♦ Dijkshoek is de naam van een tiental tot een buurt vereenigde woningen, welke gelegen waren aan het Noordfliet, tusschen Oranjewaltje en Tichelwerk, in den hoek, welke de dijk naar Cambuur met het Fliet maakt.

(1) Dergelijke versierde roode baksteenen, in formaat eenigszins afwijkende van de gewone metselsteen (kleiner, maar dubbel zoo dik), zijn de voorloopers der later in zwang geraakte ijzeren haardplaten. Zij dienden tot bescherming en versiering van de haardboezem, waartoe zij meestal tot een driehoek opeengestapeld en met een grooteren, halfronden steen afgedekt werden. De voorstellingen 'en relief', die met een vorm opgedrukt werden, hebben betrekking op Sint Joris met den draak, Susanna in het bad, Simson met den leeuw, Judith en Holofernes, koning Filips en zijne echtgenoote, Albertus en Isabella enz.
(2) Klaarblijkelijk is hier bedoeld de zeeheld Maarten Harpertsz Tromp, in 1653 bij Terheijden gesneuveld, die - om het rijm - hier te pas gebracht wordt.
(3) Kramer = venter van galanterieën, klein ijzerwerk en andere voorwerpen van geringe waarde.


>> begin

||| 46. LC 21 nov. 1936.
♦ De Ee (Friesch Ie = water), de benaming van het gedeelte van den ouden loop der Dokkumer Ee, tusschen Camstraburen en de voormalige Middelzee.
♦ Eeburg, een pakhuis weleer aan het begin van Oldegalileën, westzijde en nabij de Ee gelegen, wordt reeds omstreeks 1760 vermeld.
♦ De Eebuurt vormde vóór 1859 met Camstraburen één doorloopende streek, zich uitstrekkende langs de Dokkumer Ee. Nadat in genoemd jaar eene verbinding van dit vaarwater met de stadsgracht tot stand gebracht was, verkreeg het afgesneden oostelijke deel den naam van Eebuurt.
♦ De Eendracht was de naam van een thans verdwenen steenen oliemolen aan den Dokkumer Trekweg, nabij den mond van de Oude Meer.
♦ De Eestraat, van het Olde Galileën loopende naar de Dokkumer Ee, is omstreeks 1873 ontstaan tengevolge van de daaraan gelegen gemeenteschool.
♦ De Eewal, loopende van de Wortelhaven tot het Hofplein, en eertijds onderscheiden In Oude-, Nieuwe- en Oranje Eewal, bevat geen wallen meer sedert de demping in 1884 van den daarlangs stroomenden loop der Ee.
♦ De Egyptische Boonepot. Aldus werd genoemd vóór den aanbouw van het noordwaarts van de Harddraversbaan gelegen terrein, de aldaar toen eenzaam in het Nijland gelegen kapitale boerderij. Zij dankte dien naam aan den overvloed van zoogenaamde "Egyptische boonen", welke een speculeerend bewoner er had opgeslagen na de gevreesde aardappelziekte in ons gewest in 1845, gevolgd door misgewas, en de "broodrevolutie" in 1847.
♦ De Eikel en het Lam onder den Boom was de naam van een perceel aan de breedzijde der Nieuwestad, gelegen naast het toenmalige Hooghuis op den oostelijken hoek der Oude Lombardsteeg. Het werd in het voorjaar van 1842 gesloopt (1), en droeg waarschijnlijk dien zonderlingen naam naar een tweetal uithangborden, behoorende tot twee diverse perceelen, welke later tot één zijn samengetrokken.
♦ Het Engelsch Huis werd genoemd de slechts enkele jaren bestaan hebbende fabriek, met daaraan verbonden lakenhal, - in 1686 met steun van het Provinciaal bestuur in de Haniasteeg (2) tot stand gebracht -, waar onder leiding van de Engelsche manfacturiers George Neale en Robert van der Hoge, voornamelijk sarge-stoffen bereid werden.
♦ Espelbachshuis was het kasteel, staande op de noordzijde van den Oude Eewal, het derde huis oostwaarts van de Suupsteeg, hetwelk lang in het bezit was van het geslacht Espelbach, dat, hoewel van Duitschen oorsprong, later aan Friesche familiën verwant geraakte, zooals o.a. jonkheer Georg van Espelbach, die er in 1644 overleed. Het is in 1794 afgebroken.

>> begin

♦ Het Fabersbruggetje, ook genoemd Vijversbruggetje, eertijds gelegen in de Vijversbuurt over het slootje, dat achter de huizen van de Kapelstraat loopende, in de Stadsgracht tegenover de Kazerne uitliep, is in 1888 weggeruimd en vervangen door een duiker, welke het water daarna afvoerde. (In 1891 is ook het slootje gedempt). De naam is waarschijnlijk ontleend aan zekeren S.W. Faber, die met den onderhoudsplicht was belast.
♦ De Fabriekssteeg, vóór 1891 particulier eigendom, gelegen Achter de Hoven, draagt dien naam, omdat zij indertijd voerde naar de in 1887 geopende Leeuwarder Stroocartonfabriek.
♦ Fiswerd (aº 1543: Wyswart, Wijswerd), oorspronkelijk de benaming eener terp, ter plaatse van de tegenwoordige Algemeene begraafplaats aan de Spanjaardslaan, welke naam o.i. samenhangt met den mansnaam Fisse (2) (dus Fiswerd = de werd, waterkeering of terp, waar zekere Fisse een vooraanstaand persoon was). Nadat omstreeks 1460 aldaar een vrouwenklooster Sint-Anna gesticht was, welker zusters ("Wyswarde Byginen") den derden van Sint-Franciscus volgden, ging de naam van de terp over op het klooster ("het Convent van Wyswert"), hetwelk later is overgebracht binnen de wallen, ten noorden van de Bagijnestraat.
♦ Het Fliet (aº 1511: dat Fleet) is ontstaan door samenvloeiïng van het Oud- en Langdeel, de Greuns en Tynje, de Kurkemeer enz., en ontlast last zijn water, in westelijke richting stroomend, langs de Tuinen, bij de Meelbrug in de oude Stadsgracht. De naam hangt samen met het werkwoord vlieten = vloeien, langzaam stroomen. In den loop der tijden ging de naam eveneens over op de noord- en zuidwaarts van het vaarwater ontstane huizenreeksen, onderscheiden in Noord- en Zuidfliet, welke van lieverlede tot de voorstad het Fliet zijn aangegroeid. De Leeuwarder geslachten Flietstra, en, bij misspelling Vlietstra, evenals van der Vliet (4) hebben er hun naam aan ontleend. Behalve door fabrikanten en neringdoenden, werd het Fliet voornamelijk bewoond door schippers en visschers, en zoo verwondert ons niet, omstreeks 1680 aldaar een bord aan te treffen met de voorstelling van een aantal vischhoeken en daaronder:
"Hier maakt men allerhande hoecken op 't Vliet
Om gelt anders niet."
♦ De Flietsterbrug, oorspronkelijk een ophaalbrug, vormt sedert 1657 de verbinding te land van het Fliet naar de Tuinen, vóór 1818 door een slechts zeven voet breed poortje in den Stadswal, de Tuinster- of Nieuwe Flietsterpoort.
♦ De Flietsterfenne was een aaneengesloten weiland tegenover het pad naar Cambuur gelegen.
♦ De Flietsterwaterpoort, vaker als Tuinsterwaterpoort voorkomend, over het oostelijk einde van het water der Tuinen gelegen, was vóór den bouw van de Flietsterbrug, sedert omstreeks 1498 de eenige communicatie, en dat wel te water, voor de bewoners van het Fliet met het binnen de wallen gelegen deel van Leeuwarden. In 1818 word zij door een houten brug vervangen.
♦ De Flits, eertijds eene smalle waterlossing tusschen de huizen van het Sint Jobsleen in den Doeletuin, in de richting van oost naar west loopend en zich vervolgens naar het westen krommend, en aan beide uiteinden met geen ander stroomend water in verbinding staande, is in 1655 op last van het Stedelijk bestuur grootendeels gedempt, zoodat het voorloopig als scheiding tusschen genoemde huizen en tuin bestaan bleef. Later, bij verderen aanbouw, is de sloot geheel weggeruimd. De naam hangt ook hier waarschijnlijk samen met vlieten, dat het begrip vloeien, langzaam stroomen in zich sluit.
♦ De Florabuurt, een streek huizen aan den noordkant van den weg Achter de Hoven, dankt dien naam aan de omstandigheid, dat zij tot omstreeks het einde der vorige eeuw gelegen was te midden van warmoezerijen, tuinen en bloemkweekerljen.
♦ Het Frekkebuurtsje. Met dezen veelzeggenden naam werd langen tijd door den volksmond aangeduid de oostelijke streek van den Grachtswal, sedert 1878 ontstaan door den bouw van een viertal aaneengesloten kapitale heerenhuizen, zich uitstrekkende van Achter de Hoven tot de Romkeslaan.
♦ Het Fonteinspijpje, eertijds gelegen in den Stadssingel over de Fonteinsloot, werd - ter vervanging eener vroegere "barte" - in 1656 op kosten der stad gebouwd; het moest evenwel door "de Grasgenooten van het Nieuwland", daardoor uitwaterende, onderhouden worden. In 1872, bij de bestrating van den Singel, is het verlaagd en tegen het eind der vorige eeuw geheel verdwenen.
♦ De Fonteinsloot, eertijds een waterlossing op het Nieuwland, van west naar oost loopende tot aan de Stadsgracht(5), verschafte een lange reeks van jaren den brouwers, en ook andere ingezetenen der stad, versch water, waartoe daarbij een pomp en later een putstoel geplaatst werd. Vermoedelijk werd de sloot gevoed door een of meer wellen of bronnen en heeft zij daaraan haar naam te danken. Meermalen komt n.l. in Friesland het woord fontein voor in de beteekenis van wel of bron. (6).
♦ De Fortuin, het huis aan het Raadhuisplein, L 24, op den hoek van het Heerenwaltje, draagt nóg een uit 1666 dateerenden steen in den gevel met de traditioneele voorstelling van het Geluk: een maagd staande op een schelp, met tusschen hare handen een door den wind bewogen gen wimpel, en met het onderschrift: IN DE FORTUYN.
♦ De Fortuin is de naam van den korenmolen, eertijds staande op den Wirdumerpoortsdwinger, welke, na door de Stad aangekocht te zijn, in 1873 afgebroken werd, om echter onder denzelfden naam weer te verrijzen aan den Harlinger Trekweg, waar zij later herschapen is in eene groote stoommeelfabriek. (7).
♦ Het Fortuin heette nog omstreeks het midden der vorige eeuw het huis aan den noordkant van de Nieuweburen, en wel het derde huis van af den hoek van het Dokkumerend, ongetwijfeld naar een indertijd bestaand gevelteeken met de voorstelling van het Geluk.
♦ Het Fortuin. Onder dezen naam komt in 1815 een huis bij het Waagsplein voor, dat toen bewoond werd door een tabaksverkooper, die het merk "de Vergenoegde Landman" aanbeval.
♦ De Fokssteeg (aº 1543 Foechstrate) liep eertijds op eenigen afstand van en evenwijdig met den Eewal uit de Sint Jacobstraat naar de Groote Hoogstraat. Zij is verdwenen, nadat de noordelijk van de steeg gelegen huizen op den Eewal vanwege de Provincie aangekocht en meer zuidwaarts herbouwd zijn. De naam is vermoedelijk afkomstig van den toen bekenden notaris Lodewijk Fox, die in de Groote Hoogstraat in de nabijheid er van woonde.
♦ De Fraterniteit. Onder dezen naam stond in het laatst der 18de eeuw een aanzienlijk koffiehuis, gelegen aan de breedzijde der Nieuwestad, nevens de Waag, bekend. Daar hielden sedert omstreeks 1780 voornamelijk de Patriottisch-gezinde burgers hunne politieke bijeenkomsten, met het doel de leuze "liberté, égalité, fraternité" na te streven. Nadat deze Societeit in 1787 op bevel van Gedeputeerde Staten gesloten was, werd zij bij de komst der "Fransche broeders" in 1795 weder plechtig geopend. In 1800 is het huis tot eene particuliere woning verbouwd en later, in 1817 en '18, vernieuwd en vergroot. (8)
♦ Fribourg, een hofje voor minvermogende lieden, in 1872 door jonkheer mr. P.B.J. Vegelin van Claerbergen oostwaarts naast het toen door Friezen bewoonde, Mariënburg, Achter de Hoven, gesticht, is aldus door hem genoemd naar het Zwitsersche Vrijburg, vanwaar het geslacht Vegelin afkomstig is.
♦ Het Friesch Koffijhuis, Wirdumerdijk 11, dateert reeds uit het begin der vorige eeuw, en herinnert aan een tijd, waarin koffie nog niet algemeen een volksdrank was. Het Nederlandsch Koffiehuis, Over de Korenmarkt 228, is mede van ouden datum. (9).

>> begin

♦ Het Galgediep, heette eertijds dat deel der Harlinger Vaart, hetwelk ten zuiden van de Galgefenne gelegen was. De overlevering wil dat hier vrouwelijke misdadigers, in zakken gebonden, door onderdompeling om het leven zijn gebracht.
♦ De Galgefenne, een gedeelte weiland op het Nieuwland, ten noorden van de Harlinger Trekweg, ontleende haar naam aan de aldaar, - zeker sedert 1546 - geplaatste galg, aanvankelijk ten behoeve der stedelijke rechtsoefening, en later zelfs tot die der geheele Provincie.
♦ Het Galgerak was eene andere benaming voor bovengenoemd Galgediep; rak beteekent hier een recht loopend deel eener vaart, hetwelk tusschen twee bochten begrepen is.
♦ De Galgestreng is een stuk bouwland, nabij de Galgefenne gelegen; streng is de naam, welke in Frieslands kleistreken wel gegeven wordt aan een lang, smal stuk land. (10)
♦ De Galileër Kerk, aan de Tweebaksmarkt gelegen, vormt gedeeltelijk nog een overblijfsel der kapel van het Minderbroedersklooster "Galilea", dat omstreeks 1472 op het tegenwoordige Olde Galileën gesticht werd, en in 1498, wegens de onrust der tijden, binnen de stad is overgeplaatst. In den volksmond heet zij "de Gleister Kerk".
♦ De Galileër Kerkstraat, in den volksmond "Gleister Kerkstraat" genoemd, welke oostwaarts van de Galileër Kerk, van het Nieuwstraatje tot het Droevendal loopt, is grootendeels door aanbouw in het laatste der 16de eeuw, na 1580, ontstaan.
♦ De Gaper heette nog omstreeks het midden der vorige eeuw het oostelijk hoekhuis Eewal Groote Hoogstraat. Ongetwijfeld was daar eens een apotheek gevestigd, waar de traditioneele kop van een "gaper" zich als gevelteeken vertoonde.
♦ De Gardenierssteeg op het Zuidfliet, twee huizen oostwaarts van de Pottebakkerssteeg, naar het Molenpad voerend, herinnert in den naam aan de gardenierslanden, voor den huizenaanbouw aan de zuidzijde van genoemd pad gelegen.
♦ De Gekroonde Kam hing omstreeks 1680 bij een Leeuwarder kammenmaker uit. Op den stok van diens uithangbord las men
(op de eene zijde:)
"Men maakt kammen sonder form ofte leest
't Komt alles uit de geest."
(op de andere zijde:)
"Het kammaken is raar.
Het is een konst openbaar."
♦ De Gekroonde Waarheid hing eertijds uit bij een boekdrukker in de Peperstraat, het eerste huis van den zuidelijken hoek Peperstraat Wirdumerdijk.
♦ Het Gerechte noemde men de Provinciale Gerechtsplaats in de Galgefenne, noordwaarts van de Nieuwlandsvaart, later genoemd Harlinger Vaart, waar tot het eind der 18de eeuw de lichamen der aldaar of binnen de stad terecht gestelde misdadigers aan een galg, op vier raden en aan drie vereenigde stangen, boven een gemetselden put, - tot afschrikwekkend voorbeeld - "den vogelen des velds ter prooije" gelaten werden. Voor den aanleg van den Harlinger Trekweg bereikte men de strafplaats langs een laan, welke zuidelijk van de Fonteinsloot liep, en waartoe een ijzeren hek toegang verleende. In 1559 werden de stijlen boven den put van ronde blokken zerksteen gemaakt, en werd op een der pilaren van de galg het volgende rijmpje aangebracht:
"Hier sijn gelaten twee gaaten
Van de metselaers deser stadt.
Wilt het praaten, 't spotten laten,
Of gij sult vullen eenen gat.
1559."
♦ De Geweldige of Geweldiger. Aldus werd genoemd het "Oudt Capittelhuys" van het voormalige Galileër Klooster, staande naast het kooreinde der Galileër Kerk, nadat het omstreeks 1589 aan de Provincie afgestaan was, om te dienen tot een "Gewaldige Provoost" van "het Malefits Gerechte", d.i. het Friesche Krijgsgerecht. Sedert de verbouwing van de Canselarij tot een Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering, in 1824, is het buiten gebruik gesteld en in 1831 op afbraak verkocht.
♦ De Geweldige steeg (aº 1617: "de Gewaldige steige") werd eertijds genoemd het noordelijk deel der Galileër Kerkstraat naar de hier gelegen Geweldige of Provoost van het Friesche Krijgsgericht.

(1) Daarna is het, met andere nabij gelegen huizen verbouwd tot het vernieuwde magazijn van A. Sinkel.
(2) In den tuin van het voormalige Martenahuis, ongeveer ter plaatse van het tegenwoordige Armhuis.
(3) en geene samentrekking is van Franciscusweerd, zooals W. Eekhoff in zijne geschiedkundige beschr. v. Leeuw. I, '96, aangeeft.
(4) O.a. Tjeerd Vlietstra, geb. 5 Juni 1818 te Leeuwarden; Jan Ekkes van der Vliet, geb. 11 Dec. 1797 te Leeuwarden.
(5) Onmiddellijk ten zuiden van de latere broodfabriek "de Hoop".
(6) Vgl. de Fetsefontein, de Sint-Bonifaciusfontein, beide te Dokkum; de Sint-Willebrordusfontein, eertijds (o. a. 1543) te Wolsum; het Fonteinebosch onder Kippenburg in Gaasterland.
(7) Van de Fa. Swildens en Kuipers. Later de Naaml. Vennootschap Stoommeelfabriek "Fortuna".
(8) Het was het bekende, thans afgebroken huis met balcon, laatst bewoond door Frieslands oud-gouverneur B.Ph. baron van Harinxma thoe Slooten.
(9) Later ontstonden nog het Nieuwe Friesch Koffiehuis, Ruiterskwartier 157, en zelfs een Leeuwarder Koffiehuis, Groote Hoogstraat 18.
(10) In de zandstreken van Friesland: stripe.


||| 47. LC 5 dec. 1936.
♦ De Gloppe. Onder deze benaming kwam en komt meermalen te Leeuwarden voor een korte, doodloopende, blinde gang of steeg. Zoo kende men de Gloppe bij het Krommejat, die in het Wirdumer Achterom en die in het Zaailand. Thans zijn nog aanwezig, naast de Kalvergloppe, de Gloppe in de Poststraat en die in de Weerd. In het algemeen verstaat men in Friesland en ten deele in West-Friesland, onder een gloppe: elken nauwen doorgang tusschen twee hooge voorwerpen, b.v. twee muren, heggen, hooibergen, schepen op de helling, kermiskramen enz.
♦ De Gouden Bal, eertijds de naam eener leerlooierij, welke later is veranderd in een herberg met uitspanning ter plaatse van de latere Singelstraat; in 1876 is zij afgebroken.
♦ De Gouden Bril. Onder deze benaming stond reeds omstreeks de helft der vorige eeuw bekend het huis aan de smalzijde der Nieuwestad, op den hoek van de Sint Jacobsstraat. Een groote vergulde bril met blauwe glazen was daar uitgehangen door den bewoner, die voornamelijk in optische artikelen handel dreef.
♦ Het Gouden Hoofd werd genoemd perceel 152 aan de breedzijde der Nieuwestad, tegenover de Waag, thans met andere huizen tot een Warenhuis verbouwd; een verguld manshoofd was boven de deur van het patriciërshuis aangebracht. Reeds in 1618 vermeldt de dichter J.J. Starter dit huis als een herberg "het Gouden Hoofd" of "de Tronje" (= tronie), terwijl het in 1695 genoemd wordt het logement "het Vergulde Hoofd", waar in dat jaar aan prinses Amelia met haren zoon Johan Willem Friso en overige kinderen door Gedeputeerde Staten o.m. een collation [= lichte maaltijd] aangeboden werd.
♦ Het Gouden Huis wordt mede door vorengenoemden dichter Starter als herberg te Leeuwarden genoemd; de plaats, waar het zich bevond, is ons evenwel onbekend.
♦ De Gouden Kat. In dit perceel, Groentemarkt 3, waar een vergulde kat als gevelteeken is aangebracht, was sinds onheugelijke tijden een apotheek gevestigd. Het droeg dien naam en dat teeken blijkbaar reeds in het midden der 16de eeuw, toen het bewoond werd door den apotheker Jan Huybertsz, die naar het gevelteeken den geslachtsnaam aannam van Cathius, welke ook in de variaties Cath, Cathuis en Catzius voorkomt. (1) Diens zoon Huybert - welke "de vermaardste apotheker in geheel Friesland" in zijn tijd genoemd wordt - en kleinzoon Gerrit waren achtereenvolgens langer dan honderd jaren apotheker in dit huis.
♦ De Gouden Keten; aldus werd in het begin der 18de eeuw genoemd het derde huis westwaarts van De Gouden Wagen, aan de breedzijde der Nieuwestad, nevens de Langepjjp.
♦ De Gouden Leeuw heette reeds omstreeks het midden der vorige eeuw het huis Tuinen no. 27, waar een verguld liggend leeuwtje als teeken voor het bovenlicht der gesneden deurkalf uit het laatste kwart der 18e eeuw geplaatst is.
♦ De Gouden Leeuw was nog tot in het begin dezer eeuw de naam eener "slaapstede" in den Boterhoek, welker uithangbord de voorstelling van een vergulden liggenden leeuw te zien gaf.
♦ De Gouden Poort. Deze was gelegen op het Leeuwarder Nieuwland, buiten den Stadswal, en wordt vermeld in 1511 ("de nije fenne nij Seedlant, liggende bij de goldene porte"). Wat daaronder verstaan moet worden en waar zij ten naaste bij gelegen was, is ons echter onbekend.
♦ De Gouden Ring is de naam van een huis, dat zich aan de Voorstreek, op den westelijken hoek van de Korfmakersstraat bevond en hetwelk omstreeks 1870 is aangekocht door de Gemeente, die het liet afbreken ter verruiming van laatstgenoemde straat.
♦ De Gouden Wagen, in het begin der 18de eeuw ook De Vergulden Wagen, en in de wandeling het Gouden Wagentsje genoemd, was tot in het begin dezer eeuw eene herberg aan de breedzijde van de Nieuwestad, no. 124, nevens de Langepijp. Een gevelsteen met de voorstelling van een vergulden reiswagen wees uit, dat hier indertijd een pleisterplaats van voerlieden gevestigd was.
♦ Het Gouverneursplein, ontstaan door de overwulving en bestrating van de gracht nevens den Seigneuriewal, in 1827, en gelegen tusschen het verlengde van Groote Hoogstraat en Sint Jacobsstraat, is aldus genoemd omdat het als het ware een voorplein vormde voor perceel no. 44, aan de zuidzijde, op den hoek van de Groote Hoogstraat, dat van 1829-'81 als woning van de opeenvolgende gouverneurs der provincie in dat tijdvak dienst heeft gedaan.
♦ De Grachtswal, een deel der voormalige "Stadts grachtwall", is sedert 1580 ingericht tot "Cingel en omgangh van de gracht" (A° 1639). Aanvankelijk voerende langs verschillende hoven en landerijen, is hij voornamelijk in de tweede helft der 17de eeuw volgebouwd. Men trof daar langen tijd vele herbergen en uitspanningen aan, waar de Leeuwarder burgerij zich tot in de vorige eeuw des Zondags verlustigde. Voor een dier herbergen trof men op een bordje omstreeks 1685 dit opschrift aan:
"Hier verkoopt men brabantse kanten fijn,
Thee, bottelbier en goede wijn".
De Grachtswal, gelegen tusschen Potmarge en Boomsbrug, wordt thans onderscheiden in Zuider- en Ooster Grachtswal.
♦ Het Grachtswalbrugje, eertijds gelegen in den Ooster Grachtswal, over de smalle Soldatengracht, is in het begin dezer eeuw, bij de demping van genoemd grachtje, verdwenen dwenen.
♦ De Grauwe Hengst, vermoedelijk hetzelfde huis dat o.a. in 1639 onder den naam van:
♦ Het Grauwe Paard voorkomt, was nog omstreeks het midden der vorige eeuw een smal huis aan de breedzijde der Nieuwestad, tegenover de Waag, dat later plaats moest maken voor perceel no. 140. Oorspronkelijk deed het als herberg dienst, waarmede het uithangteeken, de voorstelling van een grijs geschilderd paard vertoonend, in overeenstemming was.
♦ De Greppel, misschien een scheidingslinie, wordt meermalen in 1543 vermeld in de buurt van Cammingahorne ("een steed ter Greppel achter Meester Julius buys staende - toe Kammingahorne"); de juiste plaats is ons echter onbekend.
♦ De Groeneweg, reeds omstreeks het midden der 16de eeuw bestaande, en sedert het begin der volgende eeuw meer volgebouwd (A° 1617: de Groenewech), dankt blijkbaar zijn naam aan de groene beplanting van den als tuingrond gebezigden bodem, waarover zij in aangelegd. Omstreeks 1685 trof men hier o.m. de volgende opschriften aan:
"Hier hebt gij voor een billigen prijs
Borstwater (2), jenever en annijs".
"Tierdt Claasen, mr. Glasenmaker op Hardegarijp,
Maackt Glasen,
Voor winden die rasen,
En ander gedruijs.
Om hagel en snee
Ende regen mee
Te keeren uit het huijs".
Deze poëet-glazenmaker behoorde blijkbaar dus tot het gilde der reizende handwerkslui, zooals men ze nog tot in de vorige eeuw ook in Friesland aantrof.
♦ De Groene Weide is de naam der nog bestaande herberg met uitspanning aan den Harlingersingel, welke herinnert aan den tijd uit de vorige eeuw, toen zij het eenige gebouw aan genoemden singel vormde, terwijl westwaarts er van een uitgestrekte weide gelegen was, waarin bij bijzondere gelegenheden soms talrijke paarden "uitgespannen" waren.
♦ De Groninger Toren komt in 1813 voor als naam eener bakkerij aan de breedzijde der Nieuwestad, waar een uithangbord de voorstelling van den Martinitoren te zien gaf, met het opschrift "In den Groninger Toren".
♦ De Groote Kerk is de meest voorkomende benaming voor de Jacobijner Kerk; zij ontstond na 1580, toen zij met nog twee andere kerken, als grootste der drie aan de Hervormden ingeruimd werd. Zoo spreekt men gewoonlijk eveneens van.
♦ Het Groot Kerkhof, in plaats van het Jacobijner Kerkhof, thans de bestrate ruimte, west- en zuidwaarts van genoemde kerk ge- ïegen, welke tot 1824 als begraafplaats dienst heeft gedaan en in 1830 geamoveerd is.
♦ Het Groot Klooster was nog in het begin der 19de eeuw de naam eener herberg aan den noordkant der Bagijnestraat, onmiddellijk naast de Bagijne- of Westerkerk, welke blijkbaar ontleend is aan het nabije vroegere Bagijneklooster.
♦ De Grutterij werd nog omstreeks het midden der vorige eeuw genoemd het pand no. 123 aan de smalzijde der Nieuwestad, tegenover de Waag. Oorspronkelijk werd daar misschien gerst tot gort gepeld, terwijl het later een winkel was, waar men grutterswaren verkocht.
♦ De Gulden Fortuyn was omstreeks 1675 het uithangteeken van een boekverkooper in de Peperstraat.
♦ Het Gulden Hoefijzer was omstreeks 't midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de smalzijde van de Nieuwestad, het vierde pand van den westhoek der Sint Jacobsstraat.
♦ Het Gulden Hoofd was omstreeks het midden den vorige eeuw de naam van een huis aan den westkant van de Groote Hoogstraat, het eerste pand van den hoek van het Nauw.
♦ Gustavus Adolphus, ook als Keyser Adolph vermeld, hing omstreeks 1685 uit aan een huis bij de oude Vischmarkt. Op den stok van het uithangbord las men:
aan den eenen kant:
"Hier wort het Nassauws bloed in 's keijsers beelt vertoont
Ik wensch ook dat ons Vorst als Keijser wort gekroont".
aan den anderen kant:
"Al waar den Arend is de Vader van de stam,
Wie zag oit dat een duljf uit syn geslachte quam".

>> begin

♦ Haakmaburen is de oude benaming voor de huizenreeks, welke in de tweede helft der 17de eeuw ontstond nevens den stadswal, oostwaarts van de toenmalige Keizersgracht, ter plaatse van de huizen aan de tegenwoordige Oosterkade, zuidwaarts van het Droevendal. Veel werd daar aangebouwd door toedoen van den M(eester) M(etselaar) D(uco) T(imens) e.a. Eerstbedoelde liet in de middelste der door hem gebouwde woningen een memoriesteen plaatsen met het opschrift:
D. T. M. M.
Om Profyt dat is Myn Ogemerk,
Daerom ik hier so vlitig werck.
Ghy haters en Nyders, dit moet ghy sien,
Als Godt het my gunt salt wel geschien.
Anno 1687.
♦ De Haan is de naam van een nog omstreeks het midden der vorige eeuw bestaanden oliemolen, op het Zuidfliet, het tiende gebouw oostwaarts van het buiten Overvliet.
♦ Het Haantje heette de oliemolen op het Noordfliet, nabij de Poppebrug, welke tegen het midden der vorige eeuw den naam van de Hoop ontving.
♦ Het Half Maantje komt in 1814 voor als een huis op de Nieuwestad, toen bewoond door den gortmaker Folkert H. Gorter. Misschien was het hetzelfde gebouw als de bovengenoemde Gruttertij.
♦ De Halve Maan was nog omstreeks 1840 de naam van een huis, ongeveer in het midden van den zuidkant der Poststraat.
♦ Hanenburg. Onder dezen naam stond nog in de vorige eeuw bekend het op één na zuidelijkste huis aan de Berlikumermarkt, thans het pand no. 19, dat een steen in den gevel droeg, waarop een burcht met hanen op den top was uitgehouwen met het onderschrift: OP HAENENBVRGH (3). Het zuidwaarts daaraan grenzend pand benoemde men daarnaar: Op Hanenburg.
♦ De Hanenburgerbrug, aldus geheeten naar het daarneven gelegen huis Hanenburg, was eertijds gelegen over de Weaze, vóór de Uniabuurt.
♦ Het Haniahuis, met hof in het begin der 15de eeuw gesticht door het adellijk geslacht Hania, in den zuidoostelijken hoek van Oud-Leeuwarden, werd aan het einde dier eeuw aangekocht en afgebroken ten behoeve van den aanleg van het Blokhuis. Het wordt een versterkte stins (castrum firmum) genoemd, is o.m. bewoond geweest door Watse Hania, een beroemd genees- en heelkundige.
♦ De Haniasteeg, in de volksmond Hanjesteich genoemd, loopende van de Nieuwestad naar het Ruiterskwartier, en na 1616 ontstaan, dankt haar naam zeer vermoedelijk aan den raadsheer bij het Hof van Friesland, dr. Sjoerd Hania, als bewoner van Martenahuis aan de Nieuwestad, door welks tuin genoemde steeg gedeeltelijk aangelegd is.
♦ De Harddraversbaan werd eertijds genoemd het zuidelijk gedeelte van het Zaailand, waar van Stadswege harddraverijen op de toen verharden Marssumerdijk, tot aan Baen's Ein, hoewel nog tot omstreeks 1865 voor draverijen, ter gelegenheid van de voorjaarspaardenmarkten, de baan in het Zaailand gebruikt werd. Van oudsher was echter reeds een baan op den Marssumerdijk gebezigd; hier hield o.a. de stad hare kermisdraverijen, in 1792 door magistraat en vroedschap ingesteld hier werden tot 1892 "'s Koningsprijzen", bestaande uit een gouden zweep en gouden oorijzer, verreden.
♦ Het Harlinger End. Aldus noemde men eertijds wel het noordelijk gedeelte van het Groot Schavernek, omdat van dit "end" der stad weleer de veerschepen, voornamelijk in de richting van Harlingen en omliggende plaatsen voeren; o.m. trof men hier aan het Harlinger Veerhuis.
♦ De Harlinger Stal was eertijds nabij en noordwestwaarts van de Verlaatsbrug gelegen. Daar stalden de jagers hunne paarden voor den trekvaartdienst op Harlingen en omliggende plaatsen. In 1864 is, door den aanleg van den spoorweg, het trekveer opgeheven en de stal tot petroleumpakhuis ingericht.
♦ De Harlingervaart is sedert 1507 gegraven, met gebruikmaking van de toen reeds tot Ritsumazijl bestaande Nieuwlandsvaart.
♦ De Haven was de naam van een huizencomplex aan het Zuidfliet, te bereiken door een nauwe doorgang, die zich weldra verbreedde. Een dergelijk complex, onder den naam
♦ De Haven trof men aan op het Oldegalileën. Thans kent men daar nog de Droge Haven.
♦ De Havenbrug, een zoogen. "paardebrug", omdat zij met voertuigen berijdbaar was, leidde eertijds over de oude Heerengracht in het Zaailand en was gelegen vóór de Haniasteeg. Na de demping van het betreffend gedeelte dier gracht, in 1850, is ook de brug afgebroken.

(1) Een geslachtslijst dezer familie is te vinden in het Stamboek van den Frieschen Adel, 276, Aanteek. 186.
(2) Schertsende benaming voor zekere soort sterken drank.
(3) (Anno 1765: "de huizinge waar Hanenburg in den gevel staat, aan de Weaze"); de steen bevindt zich thans in een der kelders van het Friesch Museum van Oudheden.



||| 48 LC 19 dec. 1936.
♦ De Heentsjemafenne (anno 1311: Heenthiamafenne), ook als Inthiemafenne en zelfs als Jantiamafenne voorkomende, was een stuk weiland, gelegen nabij het Leeuwarder Nieuwland, bij het Galgediep, aldus genoemd naar Wille Heentiama, in 1477 genoemd Olderman en in 1495 Schepen van Leeuwarden. Omstreeks 1500 is laatstgenoemde overleden.
♦ Heentsjemahuis, o.a. bewoond door vorengenoemde Wille Heentsjema en diens "huysfrouwe Jets" was een stins, eertijds staande op den westelijken hoek van de Groote Hoogstraat, aan de Brol. In het begin der 16de eeuw ging zij van het geslacht Heenstjema over op dat van Jongema (Juwingha), hetwelk haar in 1524 aan de stad verkocht.
♦ De Heere(n)gracht, ook Nieuwegracht, werd voornamelijk in de eerste helft der 16de eeuw de gracht genoemd, gevormd door het water van Turfmarkt, Tweebaksmarkt en Druifstreek. Zij was aldus geheeten naar de (Raads)heeren van het Hof van Friesland, hetwelk zijn zetel had in de nabijgelegen Canselarij.
♦ Het Heere(n)hof ("het Heeren Hoff ofte Gaerde") heette omstreeks 1550 de onbetimmerde, met lindelanen beplante ruimte, thans begrensd door het Nieuwstraatje (toen een sloot), de Oosterkade (toen de Stadswal), de Keizersgracht en (het toenmalige water van) de Druifstreek en een deel der Tweebaksmarkt. Als "'s Conincx plaetse" tot het zuidelijk er van gelegen Blokhuis behoorende, droeg het zijn naam naar dezelfde "heeren" als waarnaar de Heerengracht aan de westzijde er van genoemd was.
♦ Het Heere(n)logement wordt in 1813 vermeld, als staande aan den Wirdumerdijk. Onder denzelfden naam stond sinds 1820 bekend het gebouw, dat oorspronkelijk als Vrijmetselaarsloge gesticht was en hetwelk later grootendeels als Stadsschouwburg werd ingericht.
♦ De Heere(n)straat, strekkende van de Oude Oosterstraat naar de Korfmakerstraat, zal vermoedelijk dien naam danken aan dezelfde "heeren" als waarnaar de eertijds evenwijdig daaraan en oostwaarts daarvan loopende Heere(n)gracht genoemd is.
♦ Het Heere(n)waltje, vóór 1884 zijnde de smalle kade aan den oostkant van het grachtje, dat van het Raadhuisplein naar de Nieuwestad liep en in genoemd jaar gedempt is, heeft zijn naam te danken aan een verbastering van de Leeuwarder uitspraak ("Ee(r)denwaltsje") van het Aardenwaltje, waaronder men het oorspronkelijk aantreft. Later bracht men den naam blijkbaar in verband met de "heeren boterkoopers", die op het waltje hunne kantoren hielden, welke van de Waag uit over de toenmalige Tontjebrug gemakkelijk te bereiken waren.
♦ Het Heer Ivostraatje, voluit: 's Heeren Ivostraatje en in den volksmond van 's Her Ivestraetsje tot Serivestraetsje verbasterd, loopt in het verlengde der Kleine Kerkstraat, van de Groote Kerkstraat naar de Boterhoek naar den bewoner van het huis aan de Groote Kerkstraat, op den Zuidoostelijken hoek van het straatje, Jouw Johannez (= Heer Ivo Johannes), aanvankelijk pastoor te Britsum (1541) en te Hitsum (1543), daarna hoofdpriester van Oldehove, vervolgens pastoor van Nijehove en later eerste deken van het in 1570 ingestelde nieuwe kapittel. Hij is op 75-jarigen leeftijd in 1580 overleden. Zijn geliefdheid bij het volk bleef bewaard in het rijmpje, voorkomende in een geschrift van zijn tijd:
"Heer Ief
Heeft het volk lief".
De straatnaam zelf komt voor in het Leeuwarder kniedeuntje:
"Hantsje-plak,
Butter en bak,
Kees en broad,
Slaen dy arme wever doad.
Laet him noch wat leve,
Hij kan soa netsjes weve.
Hier 'n draetsje,
Dar 'n draetsje,
Dat gaet na 't Serivestraetsje".
♦ Het Heidenshuis, volgens overlevering eertijds de benaming van het Vierhuis nabij de Dokkumer Ee, zou aldus genoemd zijn, omdat het als een soort beier in de 15de en 16de eeuw gebezigd werd tot herberging van zwervende zigeuners en andere bedelaars, welke men niet binnen de stadswallen duldde. Bij Staatsresolutie van 7 Juli 1596 werden deze "Heydenen, Egiptenaren ofte diergelijcke Lantloopers" geheel uit de provincie geweerd en verbannen.
♦ De Hellingbuurt, aan het Zuidfliet, gelegen in het verlengde van de tegenwoordige Menno van Coehoornstraat, met aan den oostkant de gemeentebewaarschool, herinnert in haar naam aan de balkhelling met scheepstimmerwerf, in 1766 door IJpe Abesz ongeveer ter plaatse van deze school opgericht op het erf van een vroegeren korenmolen.
♦ Het Hengstewad, in de Leeuwarder uitspraak Hingstewad (Friesch: Hynstewad). Onder deze benamingen kwam op verschillende plaatsen eertijds een paardewed voor, hetwelk noodzakelijk was voor de reiniging der paarden, die als toenmalig voornaamste middel van snelvervoer dienst deden. Zoo werd in 1623 buiten de Wirdumerpoort, en tien jaren later buiten de O.L. Vrouwepoort een paardewed gemaakt, in plaats van het "Olde Hinxtewad" op het Zwitserschwaltje, terwijl in 1777 op den Arendstuin een dubbel paardewed aangebracht werd. In 1840 ging men over tot demping van het wed buiten de oude brug nabij O.L. Vrouwe-buitenpoort; in 1857 geschiedde hetzelfde met het wed, ten dienste van de rijkspostpaarden, in de Potmarge naast de Potmargepijp.
♦ De Herderin is de naam van een oliemolen, welke in 1830 nabij het Noordfliet, aan den opweg naar Cambuur werd opgericht, en in de tweede helft der 19de eeuw is afgebroken.
♦ De Herne (anno 1465: "Hirna", anno 1520: "Herna", anno 1543: "Herne") komt voornamelijk in de eerste helft der 16de eeuw voor als een groot gedeelte "fenland", gelegen op het Nieuwland, in den hoek (Friesch: hern(e), horn(e), harn(e), begrensd in het zuiden door de Nieuwlandsvaart (thans Harlingervaart) en in het westen door de Swette. In 1520 is sprake van het "Hernaeijnd bij dio Galgafenne" en zelfs wordt in 1465 gesproken ken van een grietman "in da Hirnariucht op Liouwerdera Nyaland" en zijne mederechters, waaronder blijkbaar verstaan moet worden "de gecommitteerden der waterlossing van de Fonteinsloot".
♦ De Herstelling was omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een houtzaagmolen aan het Zuidfliet, het zevende gebouw westwaarts van den molen de Haan.
♦ De Heylefenne wordt in 1511 vermeld als een deel weiland, gelegen "buten Oldehoestera porten", d.i. buiten O.L. Vrouwepoort, welke fenne blijkbaar eens het bezit heeft uitgemaakt van zeker iemand, die den Frieschen mansnaam Heyle droeg.
♦ Het Hillemahuis, eertijds gelegen aan de Druifstreek, op den zuidoostelijken hoek van de Oude Oosterstraat, ongeveer ter plaatse van de tegenwoordige gemeenteschool, droeg dien naam naar het geslacht Hillema, hetwelk het eens bewoonde.
♦ De Hillemakamers is de naam van een achttal "diaconiekamers" aan de Hillemasteeg, welke door arme weduwen ten eeuwigen dage pro Deo bewoond mochten worden. De vier oudste woningen zijn na 1550 gesticht door den Leeuwarder schepen Obbe Dircx achter diens woning aan de Voorstreek, noordwaarts van het Amelandshuis. Daartoe legateerde hij, na het overlijden zijner dochter Thiets, non in het Bajumerklooster, bijna al zijn goederen aan het Oud Burgerweeshuis. De voogden van dit weeshuis droegen ze later over aan de diaconie der Ned. Hervormde gemeente, welke ze niets slechts deed vernieuwen, maar er tevens nog vier andere woningen achter, aan den noordkant, liet bijbouwen, daartoe in staat gesteld door eene bespreking van Frederik Hillema, zooals o.m. blijkt uit een eertijds aanwezig opschrift boven het nog bestaande poortje aldaar:
"De Wees-Vaers, stellende ter zij
De Kosten van het nodich bouwen
Schoncken aen de Diaconij,
Dees Kamers oudt, voor oude Vrouwen.
Fredrick Hillama quam daer naer
Deur Doods-Geschenck haer mildt vereeren
Waer deur dees Kamers allegaer,
Sijn nieus herbout tot zijnder Eeren".
♦ De Hillemapijp, tot 189? de pijp, over het water der Druifstreek, welke de Oude- met met de Nieuwe Oosterstraat verbond, is in genoemd jaar, bij de demping van de gracht, verdwenen. Zij was genoemd naar het indertijd onmiddellijk er bij gelegen Hillemahuis.
♦ De Hillemasteeg, ook onder den naam van Amelandssteeg voorkomend, was oorspronkelijk het pad, dat van de tegenwoordige Voorstreek naar het Amelandshof voerde. Ze is aldus genoemd naar denzelfden Hillema, als waaraan de er aan gelegen Hillemakamers hun naam danken.
♦ De Hoed was omstreeks 1830 en daarvóór het uithangsteeken van het huis aan de breedzijde der Nieuwestad, op den oostelijken hoek van de Vermaningssteeg, het vierde huis naast het huis "de Os".
♦ De Hoedemakerssteeg loopt van de breedzijde der Nieuwestad naar het Ruiterskwartier, en is de eerste steeg westwaarts van, en evenwijdig loopende met de Oude Lombardsteeg. Waarschijnlijk is zij genoemd naar een eertijds in deze steeg wonenden hoedemaker.
♦ Hoek (de Hoerne, de Horne; Anno 1426: de Hoek) was in het begin der 15de eeuw een aanzienlijke buurt, noordwaarts van het Amelandshuis, op den noordoosthoek, even buiten de oude stad. Het op genoemd huis zetelende geslacht Cammingha liet aan het noordelijk deel der buurt een eigen kapel stichten, waardoor zij tot een afzonderlijke parochie verheven werd. Reeds vroeg werd deze parochie, met die van Oldehove, gerekend tot de kerk van Leeuwarden (Anno 1426: "dien Hoek der to Liowert to Tzierka heert"). Staatkundig behoorde het kerkdorp evenwel nog lang tot Leeuwarderadeel, totdat na vele strubbelingen op 21 Januari 1435 het contract tusschen Leeuwarden en Pieter Cammingha volgde, waarbij bepaald werd, dat laatstgenoemde met al de hofsteden, welke hij met zijn kinderen en kleinkinderen te Camminghabuur, te Hoek en op Oosterterp bezat, ten eeuwigen dage met de stad onder één stadsrecht zouden behooren.
♦ Het Hoekster Achterom, van de Baljéebuurt tot het Hoeksterkerkhof, liep oorspronkelijk achter den stadswal om genoemd kerkhof hof heen.
♦ De Hoekster Brug, voerende van den Noorderweg naar het Hoekster Pad, oorspronkelijk slechts voor voetgangers bestemd, is na 1863 door een ijzeren rijbrug vervangen.
♦ De Hoekster Dwinger, ook als Hoeksterpoortsdwinger voorkomend, is het bastion, dat bij de algemeene versterking der stad in 1672, in het noordoosten daarvan, ten noorden van Hoek is opgeworpen. Na de doorgraving in 1830, ten behoeve van den aanleg van den Groningerstraatweg, is zij ten slotte geheel verdwenen.
♦ Het Hoekster End is de naam van den weg, loopende van het noordelijk eind der Voorstreek, westwaarts van de gasfabriek tot de Groote Draaiburg aan het "end" van de vroegere buurschap Hoek.
♦ De Hoekster Kerk. De kapel der Cammingha's werd later de kerk van Hoek; zij was gewijd aan de H. Maagd en martelares Catharina. Na de Hervorming deed zij achtereenvolgens dienst tot opname van pestlijders (1581-'83) als 's Lands Tuig- en Ammunitiehuis (tot 1691), (sedert 1695) Spinhuis, (sedert 1715) Zijdeweverij, Stads Werkhuis (1834-'74) hospitaal voor poklijders (1871), (1872-'74 opnieuw) Werkhuis, (sedert 1875) gemeentelijk hulpziekenhuis voor besmettelijke ziekten, Diaconessenbuis (1882-'93), (sedert 1894) gedeeltelijk als kerkgebouw der Vrije Evangelische gemeente. Door achtereenvolgende verbouwingen is het karakter van kerkgebouw geheel verloren gegaan.
♦ Het Hoekster Kerkhof, oorspronkelijk de ruimte om de kerk van Hoek, welke als begraafplaats gebezigd werd, is sedert omstreeks 1640 en volgende jaren der 17de eeuw grootendeels met huizen volgebouwd. Thans wordt onder dien naam begrepen de straat, loopende van het oostelijk einde der Wijde Steeg tot het Hoeksterpad.
♦ De Hoekster Kerkstraat. Onder dezen naam komt een enkele maal de Wijde Steeg, loopende van de Voorstreek tot het Hoekster Kerkhof voor.
♦ Het Hoeksterpad, loopende boogvormig van de Hoeksterbrug naar de Baljéebuurt, is ontstaan door afgraving van den Stadswal, van de Hoekster Poort af, tot nevens de Kazerne in 1838.
♦ De Hoekster Poort, ook Sint-Catharinapoort en Galileër poort genoemd. Oorspronkelijk stond deze waarschijnlijk aan het noordelijk einde der Breedstraat, bij de toenmalige brug over het water der Nieuweburen. Later werd zij meer noordoostwaarts verplaatst naar het eind der binnengracht, waar deze zich nevens de Hoeksterkerk, met de Ee vereenigde. Omstreeks het midden der 16de eeuw bestond zij uit een poorthuis met waterpoort daarnevens, en een ravelijn met buitenpoort en twee bruggen er voor. Meerdere malen werd zij vernieuwd en verbouwd, zoo in 1543, 1570, 1610, 1625, 1783 en 1786. In 1831 volgde de afbraak van de binnen- en de waterpoort en in het jaar daarop die van de buitenpoort (1).
♦ De Hoeksterpoortsbrug. Daaronder verstaat men thans de brug, welke destijds de Groote Draaibrug heette; zij voert van het Hoekster End over de Stadsgracht naar den Groninger straatweg. Een andere, de eigenlijke Hoeksterpoortsbrug, lag dicht bij de Hoeksterbrug, over de eertijds bestaande uitvaart uit de binnengracht, in noordwestlijke richting loopend, welke brug bij de verlegging van dit vaarwater, sedert 1865 noodzakelijk vervallen moest.
♦ De Hoekster Schans, ook Sint Catharinaschans geheeten, was een rondeel, dat omstreeks het midden der 16de eeuw aangelegd was achter de Hoekster kerk, aan den oostkant van de Hoeksterpoort, daar waar de stadswal zich zuidwaarts kromde. In 1581 is dit kleine rondeel vervangen door een groot driehoekig ravelijn.
♦ De Hoekster Singel, loopende langs de stadsgracht, van de Verversbrug tot den Zwarteweg, is sedert omstreeks de zeventiger jaren der vorige eeuw met huizen bebouwd.
♦ Het Hof van Friesland was in het laatste kwart der 18de eeuw een logement aan de Tweebaksmarkt, tegenover de Canselarij, "met vele groote kamers, en civil tractement", volgens een "Reisboek" van 1689, blijkbaar genoemd naar het er tegenover zetelende Hof, het hoogste rechtscollege tot 1811 in Friesland.
♦ Het Hofplein, ontstaan door achtereenvolgende overwelving van het water der Ee (2) in 1688 en '89, in 1715 en 1827, draagt zijn naam naar het tot 1740 noordwaarts hiervan zetelend Stadhouderlijk Hof.
♦ Het Hofstraatje, in 1658 aangelegd ter verkrijging van een mogelijken noordelijken uitgang van de toenmalige Westerkerk, verkreeg eerst later den naam, toen een galerij uit den tuin van het Stadhouderlijk Hof over de Oudegracht het vorstelijk gezin de gelegenheid schonk om de kerk van deze zijde te naderen.
♦ Het Holdingahuis, later ook Schwarzenberghuis genoemd, bewoond door het adellijk geslacht Holdinga en het daaraan verwante geslacht Schwarzenberg, stond ongeveer ter plaatse van het tegenwoordige Diaconiehuis in de Groote Kerkstraat. Het is omstreeks 1550 gesticht door Wilcko Holdinga, en sedert 1759 ingericht tot Armhuis van de diaconie der Ned. Hervormde gemeente.
♦ De Hollandsche Maagd was in den Patriottentijd een herberg, waar o.a. in 1785 alle excercitiegenootschappen in Friesland bijeen kwamen.
♦ Het Hondegat, in den volksmond "honneggat", noemt (noemde) men het arrestantenhok, en bij overdracht, het geheele gebouw, waarin zich zulk een hok bevindt (bevond), zooals het Blokhuis, het Stadhuis, het Bureau van Politie.

(1) De klok dezer poort, blijkens opschrift in 1517 aan den engel Gabriël gewijd, bleef bewaard, en hangt thans op Vijversburg aan het Zwartewegsend onder Rijperkerk.
(2) In 1884 gedempt.


||| 49. 9 jan. 1937.
♦ Het Hoog (anno 1543: de Hoech) was een blijkbaar hoog gelegen stadsgedeelte, nabij de vroegere vischmarkt en wel "op die oester syde vant diep", waarschijnlijk het deel, later bij de Put genoemd.
♦ De Hooge Berg werd in de wandeling genoemd het na verschillende afgravingen van den Verlaatsdwinger overgebleven gedeelte daarvan; omstreeks 1886 is het geheel verdwenen, om plaats te maken voor bouwterrein.
♦ De Hooge Brug, in den volksmond de Trapkesbrugge genoemd, de voetbrug, welke over het water van de Tuinen, van de oostzijde van de Turfmarkt naar de noordzijde van de Tuinen leidde, is in 1893 afgebroken, in verband met het toenmaals aanleggen van de nieuwe kade langs het zuidwestelijk gedeelte van de Tuinen.



♦ De Hooge Dijk (anno 1543: die Hooghe dyck) is de oorspronkelijke benaming van den Breeden Dijk, den Dijk, welke eertijds de oostelijke begrenzing vormde van de Middelzee en later de scheiding tusschen het Oud- en Nieuwland uitmaakte: de Wirdumerdijk, Sint Jacobsstraat, Groote Kerkstraat en Stienserweg vormden er een deel van.
♦ Het Hooghout (Friesch: Heechhout), de smalle, vaste brug, uitsluitend voor voetgangers bestemd en zoo hoog gelegen, dat de schepen er onder door varen konden, leidende over de Kurkemeer naar Schilkampen, werd in 1883 tot een nieuwe voetbrug door de Gemeente verbouwd, nadat de laatste het Hout had overgenomen van de onderhoudsplichtigen, die in gebreke waren gebleven de bouwvallige brug te doen herstellen.
♦ Het Hooghuis (het "groote hooge blauwe huys") eertijds gelegen aan de breedzijde der Nieuwestad, op den oostelijken hoek der Oude Lombardsteeg, zal zijn naam vorige eeuw de naam ontleend hebben aan het feit, dat het op opvallende wijze hoog boven de nabijgelegen huizen uitstak. Sedert 1665 was er de lombard der stad gevestigd, van omstreeks 1764 tot 1827 diende het tot logement en sinds laatstgenoemd jaar werd het met aan- en omliggende huizen ingericht tot manufacturenmagazijn.
,♦ De Hooghuistersteeg was vóór 1665 de naam der Oude Lombardsteeg, als loopende van de Nieuwestad, langs het Hooghuis, naar het Zaailand.
♦ De Hoogstraat (anno 1466: de Hagestreta, anno 1478: die Hoeghestraete, anno 1543: de Hoochstrate), later onderscheiden in de Groote- en Lutke- of Kleine Hoogstraat, aldus geheeten naar de hooge ligging, tengevolge van haar beloop over een of meer der terpen ,waaraan Leeuwarden zijn oorsprong dankt. De Groote Hoogstraat leidt van den Eewal naar de Brol de Kleine Hoogstraat leidt van den Eewal noordwaarts naar de Groote KerkBtraat daar waar het hoogste punt vaini Leeuwarden gelegen is.
♦ Het Hoogterp (anno 1543: "dat Hooge terp"), eertijds ook Oosterterp genoemd, was oorspronkelijk een hooggelegen terp, oostwaarts van Oud-Leeuwarden, waarmee het in 1435 onder één stadsgebied vereenigd werd. In den loop dezer eeuw zijn de laatste resten van de terp door afgraving geheel verdwenen. Eenige boerderijen, aldaar weleer gelegen, vormden onder denzelfden naam een gehucht, hetwelk het geslacht Cammingha toebehoorde.
♦ De Hooiweg wordt omstreeks het midden der 16de eeuw onder Leeuwarden vermeld (anno [....] "die Hoywech"); waar deze verder gelegen was, is ons evenwel onbekend.
♦ De Hoop was nog omstreeks de helft der vorige eeuw de naam van het huis aan de zuidzijde der Peperstraat, het tweede vanaf de Paardepijp.
♦ De Hoop - wordt in 1813 vermeld als naam van een huis op den Wirdumerdijk; - daarin woonde toen de kruidenier A Schneider, die liet bekend maken, dat hij op 12 Mei van genoemd jaar kwam te wonen In de Peperstraat "waar zyn bord, de Hoop zal uithangen". Klaarblijkelijk was dit het hiervoor genoemde huis bij de Paardepijp.
♦ De Hoop, een korenmolen op den Verlaatsdwinger, komt onder dien naam o.a. in 1813 voor ("de sterke Weitmolen De Hoop op de Stads-Dwinger, tegenover het Verlaat"); in 1885 is hij geheel afgebroken. Eertijds droeg hij den naam van 's Prinsen weitmolen. Reeds in 1624 verrees een korenmolen op genoemden dwinger.
♦ De Hoop was de naam van de noordwestwaarts van vorengenoemden molen, over de stadsgracht gelegen, en in deze eeuw verdwenen broodfabriek; zij was daar in 1865 gebouwd.
♦ De Hoop, een oliemolen op het Noordfliet, nabij de Poppebrug, komt omstreeks 1840 onder dien naam voor; vroeger droeg hij den naam van het Haantje.
♦ De Hopzak of Hoppezak was nog omstreeks het midden der vorige eeuw eene flinke herberg aan het Waagsplein, op den noordelijken hoek van de Peperstraat; in het laatst der 17de eeuw was daar de beurs der hopkooplieden gevestigd, terwijl de waard dezer herberg toen eigenaar was van de meeste der kelders aan de Bierkade.
♦ Het Huis in het Water was de naam van het verdwenen perceel aan den noordwestkant van de Turfmarkt, no. 2, dat met het tegenover gelegen huis daarachter, aan de Voorstreek, no. 276, in 1893 afgebroken is, ter verwijding van de westelijke invaart van het water van de Tuinen, waardoor tevens een smalle kade daarlangs ontstond. Van beide huizen rezen de noordelijke gevels uit het water van de Tuinen op. Eerstgenoemd perceel was met den voorgevel naar het na de afbraak gedempte water van de Turfmarkt gericht, en stond eigenlijk niet in, doch aan het water. De noordgevel bevatte een gevelsteen, welke de wapenfiguren van het wapen van Haarlem vertoonde.
♦ Het Huis in het Bosch was nog in het midden der vorige eeuw de naam van het meest zuidelijke huis van Haakmaburen, gelegen bij het in 1846 verdwenen "Bosch" aan den stadswal gelegen.
♦ Het Huis van Berouw, in den volksmond "it húske fan berou" genoemd, stond weleer aan de oostzijde van den Grachtswal, eenige huizen noordwaarts van het tegenwoordige hoekhuis bij het Nieuwe Kanaal. Waarom het zoo genoemd werd? Der waren oek meensen, dy fertelden 't waer deur 'n skatryke Oastindysman dy 't op 't laest al syn geld er an spandea(r)d hadde. Om 't er darover su'n berou hadde, wirde it húske soa noemd. Der waren oek meensen, dy fertelden 't weer ande(r)s. De man hadde met de bouwer fan it hús akkedea(r)d, dat er foar elke stien, dy't an it hús leid wirde, in faste prys krije sude. En nou maakte de timmerman , - om mar soafeul mogelyk stienen te bruken - de ramen fan 'e fênsters soa klein, dat de eigener fan it húske der altyten berou over hadde, dat er su'n onferstandige ô(f)spraek maakt hadde. (2).
♦ De Huizumer Brug, van den Nieuweweg leidend over de Weaze, daar waar deze in de stadsgracht uitloopt, is aldus genoemd, omdat vandaar eertijds het voornaamste verkeer te water met Huizum plaats had; zij dateert van 1835.
♦ Het Huizumer Overzet was de naam van een huisje aan de Potmarge, vanwaar men over dat water met een schouw naar Huizum overgezet kon worden.
♦ De Huizumer Pijp is eene andere benaming voor de vroegere Huizumer Waterpoort, nadat de daarbij behoorende Turfdragersbaan in 1827 afgebroken was.
♦ De Huizumer Waterpoort bevond zich oostwaarts van de Wirdumerpoort, daar, waar het water van de Potmarge dat van de Weaze ontmoette. Zij werd in het eind der 15de eeuw in den stadswal aangebracht, in verband met het toen gevolgde verdedigingsstelsel. In 1827 is zij gedeeltelijk afgebroken, en acht jaren later geheel verdwenen, om plaats te maken voor de Huizumer Brug.
♦ De Huizumer Suupmarkt, omstreeks het einde der 16de eeuw ontstaan ("de Huisumer Suypmerckt") is de oude benaming voor het Waltje over de Weaze, dat zich zuidwaarts van de Berlikumermarkt tot het Zwitsersch Waltje uitstrekt. Daar was eertijds de plaats van de boeren uit Huizum en omstreken, die er hunne karnemelk ter markt brachten.
♦ Het Huygenshuis was de naam van het huis aan de noordzijde van den Ouden Eewal, bij de voormalige Minnemabrug, dat vóór zijne verbouwing, in de 16de eeuw bewoond werd door het geslacht Huygens, waarvan o.a. een der leden, Lenard Huygens, in 1531 en '32 burgemeester van Leeuwarden geweest is. In 1886 werd het omgebouwd en gedeeltelijk afgebroken.
♦ De Huygensstraat, oploopende van den Eewal naar de Sint-Dominicuskerk, is na 1886 ontstaan door gedeeltelijke afbraak van het Huygenshuis.

>> begin

♦ De Infirmerie, in den volksmond Infermerie geheeten, is de naam, waarmede het militair hospitaal te Leeuwarden aangeduid werd. Nadat sedert 1824 de oude Ruiterwacht in de Kleine Kerkstraat als zoodanig gebezigd was, verrees in 1838 een afzonderlijk gebouw tot dat doel op den Jacobijnerdwinger, hetwelk evenwel aanvankelijk door de rechterlijke macht betrokken, en eerst in 1856 tot haar eigenlijke bestemming aangewezen werd.
♦ De Infirmerie werd in de 16de eeuw genoemd de zuidelijk van het Galileërklooster gelegen ziekenzaal.
♦ De Inthiemafenne is eene andere benaming voor Heentsjemafenne (zie aldaar).
♦ De Ipe Brouwerssteeg, - in den volksmond verbasterd van Ive Brouwerssteich tot I. Brouwerssteich - , eene latere benaming van de Atsmasteeg, is aldus genoemd naar zekere Ipe, die aan de breedzijde van de Nieuwestad, op den oosthoek van de steeg, een huis bewoonde, waarin eene bierbrouwerij gedreven werd. Het bijzonder gebruik der steeg was verbonden aan beide hoekhuizen aan de Nieuwestad, met de daarachter gelegen erven.

>> begin

♦ De Jacobijner Appelhof besloeg eertijds de ruimte, ingenomen door het huizencomplex, noordwaarts van het Jacobyner Kerkhof en westwaarts van de Breedeplaats gelegen deze boomgaarde behoorde tot het oostwaarts gelegen legen Dominicanerklooster.
♦ De Jacobijnerdwinger of Noorderdwinger ger later ook genoemd Wabbe Wissesdwinger was het bolwerk dat omstreeks streeks 1582 noordwaarts van het Schoenmakersperk en van het voormalige Dominicanerklooster opgeworpen werd ter versterking der stad Omstreeks 1842 is deze dwinger grootendeels geslecht.
♦ De Jacobijner Kerk na de Reformatie van 1580 de Groote Kerk genoemd was oorspronkelijk de kapel van het eertijds noordelijk delijk er van gelegen Dominianerklooster bevolkt volkt door Predikheeren ("Predicari of Jacobijner monniken (anno 1487: "en Cloester van den Prediker oerden die men heet Jacobinen"). Zij heetten Jacobijnen naar den apostel Jacobus patroon der orde.
♦ Het Jacobijner Kerkhof na de Reformatie Groot Kerkhof genoemd was gelegen zuidelijk en westelijk om de Jacobijner of Groote Kerk. Omstreeks 1824 is het van Stadswege geamoveerd en beplant terwijl zes jaren later de muur van het kerkhof afgebroken is.
♦ De Jan Mutskesteeg nog omstreeks het midden den der vorige eeuw de meest oostelijke van een viertal stegen aan de noordzijde van de Tuinen heeft thans aan de Nieuwe Kade haar ingang en geeft daar toegang tot een aantal woningen. Naar welken Jan die blijkbaar naar een hoofddeksel den bijnaam "Mutske" droeg.
♦ De Jan van der Heulesteeg wordt omstreeks het midden der 16de eeuw vermeld als gelegen nabij den stadswal noordoostwaarts van de Nieuweburen. Wie Jan van der Heule was bleef ons eveneens onbekend.
♦ Jelgeraburen of Jelgerhuisteraburen wordt vermeld als de buurt welke zich eertijds gevormd vormd had om de state van het reeds in de 16de eeuw hier voorkomende geslacht Jelgerhuis, welks naam in den volksmond verbasterd werd van Jelgerhuus tot Jellegruus. Vermoedelijk bevond deze state zich ter plaatse van het latere Catershuis Achter de Hoven. Een andere
♦ Jelgerabuurt bevond zich omstreeks het midden der 16de eeuw oostwaarts van het Perkswaltje waltje.
♦ De Jelgerapoort een der vier landpoorten omstreeks het midden der 16de eeuw bevond zich noordwaarts van de Pijlsteeg vlak vóór de eertijds daar aanwezige brug over de oude gracht welke in 1863 gedempt is.
♦ Het Jelsumer Binnenpad voert van de Oude Begraafplaats aan de Spanjaardslaan noordwaarts waarts te midden van weilanden en ongeveer evenwijdig aan den Stienserweg naar het dorp Jelsum.
♦ De Jonge Monnik was omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den noordkant van het Mariannestraatje het vierde vanaf het Heerenwaltje stellig aldus genoemd naar een vroeger uithangteeken.
♦ De Jonge Moor wordt reeds omstreeks het midden der 18de eeuw vermeld als het huis over de Kelders het tweede van den westhoek hoek der Ciprianussteeg oorspronkelijk was er waarschijnlijk een tabakswinkel in gevestigd. In den gevel bevond zich een steen met en relief de voorstelling van een neger en het onderschrift "DE IONGE MOOR", welke in het Friesch Museum van Oudheden is ondergebracht.
♦ De Jonge Ruiter. Onder dezen naam stond reeds in de 18de eeuw een huis aan de noordzijde van de Peperstraat bekend en wel het tweede huis van den hoek der Weaze af.
♦ De Jurjen Innespijp was eertijds tusschen de Koebrug en de Weerdspijp over het water van de Nieuwestad gelegen. In 1611 zijn deze drie overbruggingen bij den aanleg van de Langepijp verdwenen. Eerstgenoemde pijp was genoemd naar Jurjen Innesz ook als Georgius Ennesz voorkomende, die o.a. in 1583 schepen der stad was en vermoedelijk het nabijgelegen huis "de Gouden Helm" aan de breedzijde der Nieuwestad bewoonde. ♦ Juwsmahuis stond eertijds aan den oostkant van de Weaze ter plaatse van het latere Muntenburg het was in het bezit van het adellijk geslacht Jouwsma, waarvan reeds in 1406 een zekere Oene Jouwsma ("Ona Jowsma") genoemd wordt. Een ander Juwsmahuis lag noordoostwaarts buiten de stad in de nabijheid van Camminghaburg aan den Zwarteweg.

(l) De bij ouderen van ons nog bekende "winkel van Sinkel".
(2) Ook te Hallum bevond zich tot 1870 een "huis van berouw", dat in genoemd jaar afgebroken is en te Leeuwarden aan de noordzijde van de Willemskade no. 12, hoewel in eenigszins anderen vorm, weer opgebouwd werd.


>> begin

||| 50. LC 23 jan. 1937.
♦ De Kaai is in den volksmond de benaming van de Nieuwe Kade, welke zich van het oosteinde der Amelandsstraat zuidwaarts langs de stadsgracht tot de Tuinsterbrug uitstrekt. Zij is in 1825 door het slechten van den vroegeren stadswal ontstaan als een ruim plein, dienende als een geschikte kade tot lig- en losplaats van schepen, waarlangs in 1861 een steenen walmuur tot nabij den zuidoosthoek van de kazerne aangebracht werd.
♦ De Kaak, een hardsteenen verhevenheid, waarop in het midden de meer dan manshooge pronk- of geeselpaal opgericht was, bevond zich oorspronkelijk op den oostkant van de Brol, midden tusschen de beide bogen, eenigermate boven het water uitgebouwd; het voetstuk had toen een vierkanten vorm. Daarop werden uitsluitend mannelijke misdadigers voor lichte vergrijpen een uur of langer "te pronk gesteld", gegeeseld of gebrandmerkt (1). Na in 1615 vernieuwd te zijn, is zij in 1685 verplaatst naar het Raadhuisplein, op eenigen afstand van den linkervleugel van het Stadhuis; sedertdien bezat het voetstuk eene zeszijdige gedaante. Boven op de steenen zuil, welke als schandpaal diende, bevond zich een in steen gehouwen zittend leeuwtje, dat het wapen van Leeuwarden vertoonde. De aan den paal gekluisterde veroordeelde, die met het gelaat naar den paal gebonden was, aanschouwde bij het naar boven blikken telkens den geopenden muil van het leeuwtje. Vandaar, dat het weinig vleiend was, wanneer men te Leeuwarden van iemand zeide "Hij het de lieu in 'e bek sien!". Blijkbaar is in den Franschen tijd de steenen kaak voor het Stadhuis weggeruimd en werd daarna een roodgeverfde houten geeselpaal opgericht op het tijdelijk op het Hofplein opgeslagen schavot, aan welks gebruik omstreeks 1860 definitief een eind gemaakt is.
♦ De Kaatsbaan, vroeger een aan de smalzijde der Nieuwestad afgesloten steeg, welke aan den zuidkant van de Bagijnestraat toegang gaf tot een drietal woningen, - was blijkens haar naam - eertijds ingericht tot een kaatsbaan, zooals men die in vele plaatsen aantrof. Gelijk uit de smalle gedaante reeds viel op te merken, werd er niet het tegenwoordige Friesche kaatsspel beoefend, doch speelde men er man tegen man met het raket, of met rollende ballen, zooals ook de benaming raketbaan, balhuis of rolbaan voor dergelijke inrichtingen aanduidt. Ze waren zoowel open als overdekt en in het laatste geval van donkere binnenwanden voorzien, terwijl ze de plaats innamen van de vroegere schuttersdoelen.

(1) Eertijds ook wel verminkt. Zoo vermeldt een sententie van 1517 omtrent zekeren Heynrick van Eemick "..... geleyt te wesen op die Brolbrugge ende aldaer onder die kake gestelt te werden, daer men hem een stuck van synre tonghe die breete van eenen vinger offsnyden sall".

♦ Het Kalf is de naam der woning aan het eind der Kalvergloppe, aldus genoemd naar een steen in den gevel, met de voorstelling van een kalf - dat evenwel meer gelijkt op een drachtige koe -, met daarboven de letters Y-B-T-M en er onder het jaartal: 1743. Waarschijnlijk herinnert het dier nog aan een der vroegere koemelkerijen hier in de buurt.
♦ De Kalksteeg, loopende van de Bollemansteeg westwaarts naar het Bagijneklooster, is in het laatste kwart der 16de eeuw ontstaan op den, het voormalige klooster der Grauwe Bagijnen omringenden, grond. De oorsprong van den naam is ons onbekend.
♦ Het Kalverdijkje, oorspronkelijk van den Zwarteweg zuidwaarts voorbij het Schoppershof met een groote bocht weer naar den Zwarteweg tot een eind westwaarts van het Oud Tolhuis aldaar ombuigend, was langen tijd een modderige landweg, waarlangs het melkvee - inzonderheid kalveren - naar de verschillende daaraan gelegen boerderijen gedreven werd. Omstreeks 1850 is het laatste gedeelte van het dijkje tot vlak bij het Tolhuis recht doorgetrokken, terwijl het bij verschillende gelegenheden in een puindijk en ten slotte in een kunstweg is veranderd, welke van den kant der stad meer en meer door nieuwbouw wordt ingenomen.
♦ De Kalvergloppe, op de scheiding van Boterhoek en Sint-Jobsleen, in noordelijke richting tot aan de gemeenteschool no. 9 doodloopende, was oorspronkelijk een opgang naar den wal langs den oostkant van het voormalige Joodsche kerkhof aldaar. Voornamelijk in de tweede helft der 18de eeuw werd zij met een twintigtal woningen bebouwd. Zij ontleent haar naam blijkbaar aan het bovengenoemde huis "het Kalf", dat o.a. tot onderwijzerswoning heeft gediend.
♦ De Kalverstraat wordt genoemd in een advertentie, voorkomende in de Leeuwarder Courant van 22 Februari 1783; waarschijnlijk werd hiermede de vorengenoemde Kalvergloppe aangeduid. Een straat van dien naam is verder ons onbekend.
♦ De Kapelsteeg, van de Vijversbuurt In oostelijke richting loopend, is genoemd naar de hierin tot een lokaal voor godsdienstoefeningen omgebouwde bergplaats voor aardappelen, waarom de volksmond deze "kapel" aanduidde met den naam van "eerpelkerkje".
♦ De Kat was de naam van den oliemolen aan het begin van den noordelijken oever der Harlingervaart; vóór 1871 was het de eenige aldaar bestaande molen.
♦ De Kastmakerssteeg is een vroegere benaming voor de Stokerssteeg, een doodloopende steeg, eertijds uit het Ruiterskwartier in noordelijke richting gaande en gelegen tusschen de Drie Prinsedaalderssteeg en de Hoedemakerssteeg. Waarschijnlijk dankte ze dien naam naar een destijds bekenden kastmaker, die daarin woonde of er zijn kastmakerij gevestigd had. Misschien was het de in het laatst der 17de eeuw te Leeuwarden bestaande "vermaarde Hollandsche Kastmakerij", boven welks luifel men "op een tafereel" las:
"Ik verkoop en maak dit werck,
Goet van Hout, en net, en sterk,
Wilt na Holland nu niet reyse,
Ik maak het op de selve weijse.
Heb je lust wat te bestede,
Komt als vriend hier binnen trede.
Ik sal u na u believe,
Voor u gelt seerwel gerieve,
1690".
♦ De Kazerne "Prins Frederik", ter plaatse van het Arsenaal op den Amelandsdwinger van Stadswege in 1827-'29 gebouwd en plaats biedend voor 1400 man, is aldus genoemd naar Willem Frederik Karel, Prins der Nederlanden enz., geboren in 1797, overleden in 1881 en in 1825 gehuwd met Louisa Augusta Wilhelmina Amalia, Prinses van Pruisen. Hij was de eenige broeder van koning Willem en o.m. Grootmeester nationaal van de orde der Vrijmetselaren in Nederland. In den nacht van 14 op 15 Juni 1860 ging dit gebouw - naar wel beweerd is door brandstichting - in vlammen op en werd van rijkswege ter zelfder plaatse en in denzelfden trant herbouwd, ingericht tot legering van 1560 man. Na het vertrek van het garnizoen in de jaren 1895-'96 heeft zij haar beteekenis grootendeels verloren. In den mobilisatietijd verkreeg het gebouw den naam van
♦ de Kazerne Prins Hendrik, aldus genoemd naar Hendrik Wladimir Albrecht Ernst, Hertog van Mecklenburg, Prins der Nederlanden enz., geboren in 1876 en overleden in 1934, in 1901 gehuwd met Koningin Wilhelmina.
♦ Het Keerweer. Met recht droeg het zuidelijk gedeelte der Nieuweburen, van de Wabbe Wissesbrug tot de Koebrug dien naam, sedert in 1687 laatstgenoemde brug weggeruimd werd, nadat in 1676 de doorgang achter het Nieuwe Stadsweeshuis door het plaatsen eener staketting belet was. Na de demping van het water van het Schoenmakersperk, westwaarts van het weeshuis, had ook de naam Keerweer geen reden van bestaan meer.
♦ De Keetbuurt, gelegen noordoostwaarts van het kruispunt van de Potmarge met de tegenwoordige spoorlijn, is in 1830 ontstaan door den bouw van een zestiental woningen, ter plaatse eener te voren daar aanwezige zoutkeet.
♦ Keimpemahuis bevond zich omstreeks 1500 in de Groote Kerkstraat, op den oosthoek der Bontepapesteeg. Dit op kelders gebouwde huis, blijkbaar eens het eigendom van het geslacht Keimpema, deed o.a. omstreeks de helft der 16de eeuw dienst als woonplaats van den hoofdpriester der nabijgelegen parochiekerk van Nijehove, terwijl er kort te voren de Latijnsehe school in gevestigd was. Een ander Keimpemahuis was gelegen in het zuidoosten der stad, sedert Worp Keimpema daar in 1485 een stins gesticht had; de juiste ligging er van is ons onbekend. Naar alle waarschijnlijkheid was het niet ver gelegen van
♦ de Keimpemabrug, later Paardepijp geheeten, welke over het water van de Weaze de Peperstraat met de Oude Oosterstraat verbindt.
♦ De Keizer. Onder deze benaming komt in het laatste kwart der 16de eeuw voor als naam eener herberg (Ao 1583: "Joucke Melles, herbergier in den Keyser); waar deze zich bevond, is ons onbekend.
♦ De Keizersgracht, oorspronkelijk Blokhuisdiep geheeten, is omstreeks het einde der 16de eeuw gegraven van de Druifstreek af in oostelijke richting en vervolgens, ter hoogte van het tegenwoordige Huis van Bewaring, zich ombuigende in noordelijke richting langs den binnenkant van den toenmaligen stadswal verlengd tot aan het Droevendal. Na 1846 is dit noordelijk gedeelte met een deel der aarde van genoemden wal gedempt en draagt sedert dien den naam van Gedempte Keizersgracht, terwijl het overige deel der gracht voorbij het Huis van Bewaring in oostelijke richting tot het water van den Grachtswal doorgetrokken werd. De oorsprong van den naam is ons onbekend. Het vermoeden is uitgesproken, dat deze het gevolg zou zijn eener aardigheid van den bewoner der brouwerij de Druif op den hoek van Druifstreek en Keizersgracht, die in den zijgevel van zijn huis een in steen gehouwen druiventros plaatsen liet, met het onderschrift en - blijkbaar verkeerd - jaartal:
DIT IS DE KEIZERSGRACHT
GEGRAVEN 16(74).
♦ De Keizerskroon was de naam van het huis aan den Wirdumerdijk, op den zuidelijken hoek der Peperstraat gelegen, dat bij de verruiming van laatstgenoemde straat voor eenige jaren verdwenen is. Op het dakvenster daarvan was als geveleeken een gestyleerde, beschilderde houten kroon aangebracht. Van lateren tijd dateert:
♦ De Keizerskroon, eene herberg aan de Lange Marktslraat no 32.
♦ De Kerkhofslaan. Aldus wordt in den volksmond de Spanjaardslaan genoemd, naar de daaraan in 1831 aangelegde algemeene begraafplaats.
♦ De Kerkstraat, loopende van het Oldehoofsternaar naar het Jacobijner Kerkhof, en eertijds toegang gevende zoowel naar de parochiekerk van Oldehove als naar die van Nijehove, is later met een ombuiging naar het zuiden verlengd, waardoor de onderscheiding in Groote Kerkstraat (Anno 1570: "de groete Karckstraete") en Kleine Kerkstraat ("de Lutke of Cleijne Kerckstrate) is ontstaan. Een 17de-eeuwsch luifelschrift in de Kerkstraat gaf te lezen:
"Sterven eer het nood doet
t'Erven van het vreemde goedt
Maakt een ander man tot voorspoet".
Zoo stond aan den gevel van het huis van den bekenden boekdrukker Claude Fontaine, aan den noordkant van de Groote Kerkstraat, eenige huizen van den oosthoek der Doelestraat:
"Die door bedrogh syn naesten schent,
Die Woord en Waarheit bits ontkent
En met zyn tong het hert beliegt
Zijn ziel, maer Godt hij niet bedriegt".
Omstreeks denzelfden tijd las men op den stok van een uithangbord in de Kleine Kerkstraat, blijkbaar van een timmerman, of mogelijk het Timmerlieden-gildehuis:
"In Joseph die Davids geslacht een gebooren Soon was
Hebben wy Timmerluy verkooren tot een patroon ras".
♦ De Kerseboom was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van het derde huis aan de Keizersgracht, gerekend van het huis op den hoek van Keizersgracht en Druifstreek. Een ander huis, genaamd
♦ De Kerseboom, thans nog bestaande aan de westzijde van de Monnikemuurstraat, no. 103, draagt in den gevel een steen met de voorstelling van een met kersen beladen boom en het onderschrift: IN DE KARSEBOOM, dagteekenende - blijkens een jaarsteen mede in dien gevel - uit 1678.
♦ De Kettingbrug, eertijds gelegen over het zuidelijk eind van het water van het Heerenwaltje, droeg sedert 1693 dien naam, sedert de reeds bestaande brug veranderd werd in een valbrug met kettingen.
♦ De Klanderij, thans de naam van een hotel nabij de Wirdumerpoortsbrug, dagteekent van na het jaar 1891, toen de aldaar bestaande Nieuwe Stadsherberg, eveneens de Klanderij geheeten, wegens ondoelmatigheid afgebroken werd. Zij ontleende dien naam aan eene eertijds ter plaatse bestaande linnenververij, waar de stof door middel van eene kalander, een soort mangel, geglansd (gekalanderd) werd. Het omgelegen land geheeten
♦ het Klanderijland, in het zuiden begrensd door de sloot langs de tegenwoordige spoorlijn en in het westen door den weg naar Zwolle, strekte zich oostwaarts uit tot de scheidsloot van de zoogenaamde "bleek van Van Asperen" en is thans geheel met gebouwen bezet. De daar ontstane Klanderijstraat met haar zijstraten houdt eveneens de herinnering aan de linnenververij levendig.
♦ De Kleine Fenne, gewoonlijk met den volksnaam "it Klein Fentsje" aangeduid, was oorspronkelijk het tot beweiding van vee geschikte gedeelte van den Oldehoofsterdwinger. Nadat in 1882 de zich daarop korenmolen met het molenaarshuis door de gemeente aangekocht en afgebroken was, werd zij - ten behoeve der demping van het water van den Eewal - gedeeltelijk afgegraven en in 1885 geheel in een plantsoen herschapen.
♦ Kleyenburg, aan het uiterste oosteinde van het Zuidvliet gelegen, wordt reeds omstreeks 1570 vermeld. In 1601 werd het, evenals het Fliet, en het nabije Schilkampen als een afzonderlijke buurt genoemd. Misschien is de naam oorspronkelijk schertsend ontstaan in verband met het in de buurt plaats hebbend kleidelven ten behoeve van de op het Fliet gevestigde pottenbakkers.
♦ De Klok. (Zie de Bel).
♦ Het Klokhuis. Onder deze benaming stond sedert 1691 de, na de Hervorming buiten gebruik gestelde parochiekerk van Nijehove bekend, toen het tot een giethuis, hoofdzakelijk van klokken, ingericht werd. De naam heeft dus niets uit te staan met hetgeen men in Friesland gewoonlijk onder een klokhuis verstaat, n.l. een samenstel van gebinten op een begraafplaats in hetwelk één of meer luidklokken opgehangen zijn. Over een tijdvak van ruim een eeuw zijn in het giethuis alleen voor Friesland meer dan honderd klokken gegoten. Na als "klokhuis" te hebben afgedaan, en verder tot verschillende andere doeleinden gebezigd te zijn, is het gebouw in 1765 afgebroken.

Rectificatie: In het voorg. nummer gelieve men bij Het Huis van Berouw het begin aldus te lezen: "Der waren meensen, dy fertelden, dat 't boud waer" enz.

||| 51. LC 6 febr. 1937.
♦ De Klokstraat, loopende van de Groote Hoogstraat naar de Sint Jacobsstraat, is, sedert 1884, wegens het toen aan de zuidzijde er van ontstane pleintje, nauwelijks meer een "straat" te noemen. Vóór genoemd jaar werd de ruimte van dat pleintje grootendeels ingenomen door de oude Sint-Jacobskapel, met den westelijk daarvan gelegen Nieuwetoren, een klokkentoren, waaraan de straat waarschijnlijk haar naam ontleent. Het westwaarts in het verlengde er van loopend Maria-Annastraatje komt wel voor onder den naam van Kleine Klokstraat.
♦ De Kloksteeg is de meest oostelijke steeg aan den zuidkant van de Tuinen, welke in zuidelijke richting doodloopt; misschien is zij genoemd naar een hoekhuis, dat een klok als uithangteeken droeg.
♦ Het Klooster. Aldus werd in de wandeling genoemd de voormalige, in 1850 afgebroken, Sint-Dominicuskerk aan de Speelmanstraat, met ingang in de Bontepapesteeg, doordat zij oorspronkelijk een deel uitmaakte van het vroegere Witte Nonnen-klooster der Dominicanessen.
♦ Kloosterburen is de naam van een huizencomplex aan het noordelijk gedeelte van Oldegalileën, zich uitstrekkende van den westkant daarvan tot aan de Dokkumer Ee. Het draagt dien naam naar het eertijds zich hier in de buurt bevindende Galileër klooster, hetwelk meer bijzonder - blijkens latere opgravingen - moet gestaan hebben ter plaatse van
♦ de Kloostersteer, welke onmiddellijk ten noorden van, en evenwijdig aan Kloosterburen loopt. Een andere
♦ Kloostersteeg treft men aan aan de noordzijde van de Bagijnestraat, waar zi toegang geeft naar de plek, waar zich eertijds het klooster der Grauwe Bagijnen bevond.
♦ De Koebrug, eertijds gelegen over het water van het Schoenmakersperk en van den zuidkant van het westelijk einde der Nieuweburen naar dat perk, nabij het begin van den Groeneweg voerend, is in 1687 als overtollig weggeruimd. Misschien is zij aldus genoemd, omdat daarover eertijds bijzonder veel koeien langs de Groeneweg gedreven werden naar de koemelkerijen van den Boterhoek en omgeving.
♦ De Koemarkt, in den volksmond de Koeiemerk genoemd. Met deze benaming wordt gewoonlijk de veemarkt aangeduid, blijkbaar, omdat daar naast schapen, varkens en paarden, toch hoofdzakelijk rundvee wordt aangevoerd. De tegenwoordige veemarkt, tusschen Harlingervaart en Sophialaan, werd 17 April 1864 in gebruik gesteld. Daarvóór bevond zij zich in het oostelijk gedeelte van het Zaailand; vandaar dat de streek tusschen Oude Lombardsteeg en Wirdumerdijk nog steeds den naam van Oude Koemarkt draagt.
♦ De Kogchelschans, volgens de Siegenbeeksche spelling, of, in de tegenwoordige spelling: de Kochelschans (1) is de latere benaming voor een deel der Sint-Catharinaschans, nadat hier omstreeks 1700, nabij het voormalige Hoekster Kerkhof eenige reeksen eenvoudige woningen ontstaan waren, welke onderscheidenlijk onder den naam van de Groote- en de Kleine Kogchelschans voorkomen. De mogelijke verklaring van den naam is minder oorbaar.
♦ De Koningspijp, gelegen over het water van de Voorstreek, voert van de Wortelhaven naar
♦ de Koningsstraat. Deze, door het wegbreken van een drietal aan de voormalige Vischmarkt staande huizen, na 1571 ontstane straat, is aldus genoemd, omdat zij toegang moest geven naar de Canselarij, waar het toenmalig koninklijk hof (2) zetelde.
♦ De Koning van Denemarken was in het begin der 18de eeuw de naam van een huis aan de breedzijde van de Nieuwestad, nevens de Langepijp, onmiddellijk westwaarts van de herberg de Gouden Wagen.
♦ Koophandel en Zeevaart was nog in de vorige eeuw de naam van een pakhuis aan het Zuidfliet, het vierde huis westwaarts van Pietersburen.
♦ De Koperslagerssteeg is een andere benaming voor de verdwenen Brouwers- of Collegesteeg en blijkbaar genoemd naar een vermaarden, in deze steeg wonenden koperslager.
♦ De Korenbeurs werd sedert onheugelijke jaren, tot 1866, gehouden in een herberg aan de Korenmarkt, op den hoek van de Wortelhaven, waar de graanhandelaren meestentijds onder den blooten hemel handel drijven moesten en daardoor met hunne granen en zaden aan wind en weer blootgesteld waren. Na sedert genoemd jaar tijdelijk gehouden te zijn in de daartoe uitgebreide Concertzaal van Van der Wielen in de Sacramentstraat, is zij - na velerlei plannen - ten slotte in 1880 ondergebracht in het Beursen en Waaggebouw nabij de Wirdumerpoortsbrug.
♦ De Korenmarkt, omstreeks het midden der 16de eeuw gehouden nabij de Brol, op de Kelders, heeft zich later oostwaarts verplaatst, nadat de streek huizen, tusschen de tegenwoordige Minnemastraat en Wortelhaven, door bebouwing van het oostelijk deel van den hof van Minnemahuis ontstaan was, welke streek nog heden de Korenmarkt genoemd wordt, hoewel daar reeds lang de markt en eveneens de graanbeurs verdwenen is. De streek daartegenover gelegen, tusschen Koningsstraat en Korfmakersstraat, draagt den naam van Over de Korenmarkt.
♦ De Korfmakersbrug of Sint-Franciscusbrug, welke omstreeks het midden der 18e eeuw vermeldt wordt, was reeds ongeveer een eeuw later veranderd in
♦ de Korfmakerspijp, gelegen over de verbinding van het water van Korenmarkt en Kelders en zuidoostwaarts leidende naar
♦ de Korfmakersstraat, welke zich oostwaarts naar de Tweebaksmarkt ombuigt. De naam herinnert aan het vroegere korfmakersgilde, dat op het breede gedeelte dezer straat eertijds markt placht te houden. De ordonnantie van dit gild dagteekent van 26 Februari 1669, terwijl 27 September 1749 een nieuwe gilderol gepubliceerd werd. Het bezat buiten de Hoeksterpoort een polle nevens een sloot - om het rijs te bergen en te weeken - met een poort daarvoor.
♦ De Korstbijterssteer (Leeuwardersch: "Kustebyterssteich") was nog in de vorige eeuw een slop naast het voormalige Brandsjeklooster in de Boterhoek, waar een aantal leden der schamele gemeente in een vijftal woningen een onderdak vonden.
♦ De Kortegaarde (Korte Garde, verbastering van: Corps de garde), werd genoemd het in 1648, onmiddellijk ten zuiden der Canselarij, tusschen dat gebouw en het Landshuis opgerichte Wachthuis. In 1849 is het, met het Landshuis, afgebroken, om plaats te maken voor het Ritske Boelemagasthuis. Een andere Kortegaarde verrees in 1668 naast het College aan de Tweebaksmarkt, hetwelk bij de verbouwing van dit laatste in 1784 is verdwenen. Beide waren voor voetvolk ingericht en moesten dienen, om "tot voorkominge van alle onverhoopte disordres, een seker getal soldaten gereedt te hebben". Een Kortegaarde voor de ruiterij, ten einde deze "te doen tocht en wacht houden tot beter discipline onder dezelve", ontstond na 1675 in de Kleine Kerkstraat (zie: Coehoornshuis; Infirmerie).
♦ De Kraanvogel was nog in het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de westzijde van de Breedstraat, het vijfde van de Nieuweburen af, dat als gevelteeken de voorstelling van een kraanvogel te zien gaf mef het onderschrift:
"Aldus moet men waken In de Kranewacht".
♦ De Krimp is de naam van een zestal woningen in een inkrimping van de Blokhuissteeg, aan de zuidzijde dezer steeg. ♦ Krom en Recht. Onder deze benaming stond nog in de vorige eeuw bekend de omgeving eener voormalige scheepstimmerwerf, nabij de Houtpolle. De naam is ontleend aan een eertijds in den gevel aldaar aanwezige en hier gereproduceerde gevelsteen (3) met de voorstelling van twee met een bijl gewapende mannen, waartusschen te lezen staat: D. I. T. M. Mogelijk beteekenend: D(it) I(is) T(er) M(emorie)?
♦ De Kromme Elleboogsteeg is de meest westelijke van een drietal stegen, welke van den noordkant van de Tuinen noordwaarts uitkomen in de Amelandsstraat. Zij draagt dien naam, omdat zjj niet rechtuit, doch aanvankelijk met een knik, als het ware elleboogvormig, doorloopt.
♦ Het Kromme Jat, sedert 1818 ook de Schoolbuurt genoemd, is de naam van de streek huizen aan den zuidkant van het Jacobijner Kerkhof, welke zich van den zuidoosthoek van de Groot Kerkstraat met een bocht noordwaarts ombuigt tot bij de Put. De naam dezer buurt, eertijds een vuile sombere hoek van het kerkhof, een echt gat, in den volksmond het Kroeme Jat genoemd, is een bewijs voor het feit, dat ook te Leeuwarden, evenals in enkele andere plaatsen in Nederland, de zachte uitspraak voor g als j voor sommige woorden in gebruik geweest is. Volgens de hedendaagsche uitspraak zou zij dus moeten heeten het Kromme Gat.
Zoo komt oudtijds het Sint-Anthony gasthuis voor als "iesthuse" (anno 1425), later ook als "jesthuus" en eerst in 1477 als "Gaesthws". Uit analogie hiermee kan men afleiden, dat het Kromme Jat reeds vóór het laatste kwart der 15de eeuw bestond. (4) De naam wordt nog levendig gehouden in het bij uitstek Leeuwarder kniedeuntje:
"Romme-domme dom,
En 'e Fismerk(5) om,
En 'e Wuttelhawcn del.
En gaet dat niet snel?
Na(r) de Slotmakersstraet,
Met 'n har(d)e fae(r)t,
En 'e Put foarbij,
Met 'n koem fol brij,
Nar it Kroeme Jat,
Da(r) 't 'n oud wiif sat,
Dy 't 'e brij op at En 'e lepel in 'e buu-se... stak!"
♦ De Kroon was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam eener bierbrouwerij op het Noordfliet, het elfde huis oostwaarts van de Langesteeg aldaar.
♦ De Kroon, een oliemolen op het Znidfliet, tegenover Schilkampen, ten zuiden van de plaats, waar sedert 1895 het Nieuwe Kanaal met het Fliet in verbinding staat, is, na in 1822 vernieuwd te zijn, spoedig na de opening van genoemd kanaal afgebroken, om plaats te maken voor een fabriekje van houtbewerking. In den gevel hiervan is overgebracht de gevelsteen, afkomstig van den molen, met de voorstelling eener kroon.
♦ De Kruisfenne was vóór de Hervorming een stuk weiland, ongeveer ter plaatse van het Diaconessenhuis gelegen en waarschijnlijk aldus geheeten, omdat uit de opbrengst der huur van dit land verschillende uitgaven ten behoeve van het H. Kruisaltaar in een der kerken of kapellen binnen Leeuwarden bekostigd werden.
♦ De Kruisstraat, aanvankelijk Oosterdwarsstraat genoemd, is de straat, welke van de Keizersgracht in noordelijke richting tot aan het tegenwoordige Nieuwstraatje loopt. Met haar verlengde, de Galileër Kerkstraat, is zij na 1580 ontstaan en stond aanvankelijk met die Kerkstraat door een brug in verbinding. Zij dankt haar naam eenvoudig aan het feit, dat zij de Nieuwe Oosterstraat kruist.
♦ De Kuil, in den Leeuwarder volksmond de Kúle genoemd, was nog in het midden der vorige eeuw een laaggelegen plek gronds met woning, aan het westelijk eind van de Boterhoek, aan den voet van de Opgang naar den toenmaligen stadswal.
♦ De Kuiper. Een oud gevelte aan den zuidkant van de Amelandsstraat, 12, vertoont een steentje met de voorstelling van een kuiper, blijkens een jaarsteentje, mede in dien gevel aanwezig, dateerende van het jaar 1686.
♦ De Kurkemeer, de hedendaagsche benaming voor de Kolkmaar (anno 1450: Koelkamaer; anno 1581: Colckemear, later verbasterd tot Korkmear en zelfs tot Koarkemear, hetgeen uit het Friesch in het Leeuwardersch omgezet werd tot Kurkemeer) is een oude waterlossing, welke van het Oud Deel in westelijke richting, bij Schilkampen, in het Fliet uitloopt. Een maar was in de Friesche streken oorspronkelijk een openbare waterlossing, dienende tot scheiding eener hemrik. Volgens verschillende plaatsen in Oude Friesche wetten, moest zij acht voeten breed zijn, breeder dus dan een gewone sloot, welke de afzonderlijke landerijen scheidt, maar niet zoo breed, dat zij tot scheepvaart dienen kon. De Kurkemeer was dus waarschijnlijk zoo'n scheidsloot, waarin zich een of meer kolken of wielen bevonden.

(1) De o uitgesproken als in het woord pot.
(2) In naam van Filips II, koning van Spanje, Heer van Friesland.
(3) Thans ingemetseld in een muur van het Sint-Anthony gasthuis in de Pijlsteeg.
(4) Vgl. de Kijk in 't Jatstraat ("Kykintjatstroate", verbasterd tot "Kykintjesstroate") te Groningen en het Kromme Jat (ter plaatse verbasterd tot "Krommejak"), een zeer krom loopend straatje te Zwolle.
(5) De hier genoemde vischmarkt is die, welke tot 1845 gehouden werd op de Koningspijp.



>> begin

||| 52. LC 20 febr. 1937.
♦ Het Laagpad is de naam eener reeks huizen in de Weerklank, aldus geheeten wegens zijn lagere ligging en als tegenstelling met de benaming van het Hoogpad, waarmee het onmiddellijk noordwaarts evenwijdig loopt.
♦ De Laan van Tulpenburg; zie: Tulpenburg.
♦ Het Lam is de naam van een korenmolen, eertijds staande op den Hoeksterpooptsdwinger, welke in 1830 van daar verplaatst is naast het begin van het voormalige Marsumer Binnenpad, buiten de Stadsgracht, tegenover den toenmaligen molen de Arend. In 1919 is deze laatste Leeuwarder molen afgebroken.
♦ De Landbuurt. Onder dezen naam verstond men in het midden der vorige eeuw een aantal huizen oostwaarts van het Fliet, op Wilaard, aan Tynje, Kurkemeer en Maadweg. Na 1893 is westwaarts van het begin van den Stienser Dijk een andere Landbuurt met vele zijstraten ontstaan, meer in 't bijzonder de Stienser Landbuurt genoemd.
♦ Het Landshuis of Landschapshuis, zoo geheeten, omdat daar sedert 1594 - ten tijde van de Republiek der Vereenigde Gewesten - de Staten van het Friesche land, het Landschap Friesland, hunne "landdagen" of vergaderingen hielden, stond eertijds ter plaatse van het Ritske Boelemagasthuis aan de Tweebaksmarkt. Aanvankelijk bezigde men daartoe het kapittelhuis van het Galileër Klooster, totdat dit in 1616 tot een fraai en ruim Provinciehuis omgebouwd werd. Na van 1811-'38 door de Rechterlijke macht in beslag te zijn genomen, is het in 1849 afgebroken. (1)
♦ 's Lands Welvaren was nog in het begin dezer eeuw de naam van een thans verdwenen herberg op den hoek van den Wirdumerdijk en het Wagenplein, nabij de Oude Koemarkt.
♦ De Lange Marktstraat is de naam van de streek ten noorden van de Nieuwe Veemarkt, louter uit logementen bestaande, welke na 1865 is ontstaan.
♦ De Lange Pijp is in 1611 als een lang brugplein ontstaan, door daarin op te nemen een drietal vrij dicht naast elkander liggende bruggen, n.l. de Weerdspijp, de Jurjen Innespijp en de Koebrug; in 1690 werd zij aan weerszijden van ijzeren leuningen voorzien, terwijl zij in 1869 aan den westkant nog eenige wijziging onderging in verband met de demping van het gedeelte der Oude Gracht, zuidwaarts van het Gasthuispijpke.
♦ De Lange Steeg loopt van het Noordfliet in noordelijke richting, evenals de westelijk er van gelegen Doorgaande Steeg, waarvan zij in het laatst der vorige eeuw 13 huizen verwijderd was.
♦ De Laurens Koster was omstreeks het midden der vorige eeuw de benaming van het huis aan de Voorstreek, onmiddellijk zuidwaarts van de Benthem, op den hoek van de Koningstraat, in hetwelk een boekwinkel gevestigd was.
♦ De Lazarusfenne was eertijds een deel weiland, onmiddellijk ten noorden van den Spanjaardsdijk gelegen, onderscheiden in twee gedeelten, waarvan het noordelijkste en kleinste de Kleine Lazarusfenne genoemd werd, in tegenstelling met het overige, de Groote Lazarusfenne geheeten. De naam was ontleend aan het Lazarushuis, tot omstreek 1688 eene instelling, waar reeds sedert het begin der 16de eeuw, misschien door de zusters van het nabijgelegen klooster Fiswerd, en sinds 1580 van Stadswege, de Lazarussenof Leprozen - - d.z. zij, die aan de besmettelijke ziekte de melaatschheid leden - verpleegd werden.
De poort van dit huis was beschilderd met de voorstelling van eenige Lazarussen, welke ongelukkigen men voornamelijk onder zwervende bedelaars en hunne kinderen aantrof. Hun was voorgeschreven, zich te onderscheiden door een witten band om den hoed, het dragen van handschoenen en van een viertal teekens op hunne mantels, waaronder het Stadsmerkteeken de Leeuw. Aangezien het hun verboden was, aan de deuren te kloppen, waren ze voorzien van een zoogen. lazarusklep, om zich door middel daarvan aan te melden. Tot 1636 was het hun verboden in de Stad te komen bedelen, en sinds dat jaar was het nog slechts op Zaterdag toegestaan. Wegens het verminderd optreden der gevreesde ziekte is het huis met zijne omgeving sedert Mei 1688 geamoveerd, waarna de Groote Lazarusfenne door een sloot geheel van den Spanjaardsdijk gescheiden werd.
♦ De Leeuw was de naam van een korenmolen op den Oldehoofsterdwinger, welke omstreeks 1884, in verband met de demping van den Eewal, is afgebroken. Reeds in 1620 werd daar ter plaatse een standerdmolen tot het malen van graan gesticht, welke, na in 1689 afgebrand te zijn, daarop waarschijnlijk als een bovenkruier is herbouwd.
♦ De Leihamer. Een huis Onder de Boompjes, het tweede van het Zwitsersche Waltje af, bevat in den voorgevel een memoriesteentje met het onderschrift: IN DE LEYHAMER. Het veld binnen de omlijsting, dat blijkbaar oorspronkelijk de voorstelling te zien gaf van een hamer, waarmee de leien door middel van nagels op het beschot bevestigd werden, is thans blanco. Naar alle waarschijnlijkheid werd het huis eertijds door een leidekker bewoond.
♦ Het Lekkumerdijkje maakte oorspronkelijk deel uit van den Zwarteweg, aanvankelijk loopende in noordoostelijke richting; vervolgens liep het, halverwege den afstand tusschen Groningerstraatweg en Bonkevaart, westwaarts, om daarna noordelijk om te buigen naar de Bonkebrug op Snakkerburen, van waar het verder noordoostwaarts naar het dorp Lekkum leidde. Het verloor zijne beteekenis en werd verder als weiland gebezigd, sedert het afbreken van genoemde brug in 1873, hetwelk verband hield met den aanleg van den Lekkumerweg. Deze, sedert 1867 aangelegde, grintweg is ontstaan, sedert Leeuwarden, Leeuwarderadeel en Tietjerksteradeel een jaar te voren gezamenlijk besloten hadden, een kunstweg aan te leggen van Leeuwarden via Lekkum en Miedum naar Giekerk. Hij vormt in het begin een deel van den Zwarteweg, tot waar deze om het Hoogterp oostwaarts omboog.
♦ De Leprozenweg, eene vroegere benaming voor den Spanjaardsdijk, werd aldus geheeten, omdat daaraan het Lazarushuis gelegen was, waarin lijders aan de lepra of melaatschheid verpleegd werden.
♦ De Lieve-Vrouwefenne was een stuk weiland, zuidwaarts van den Leprozenweg gelegen, welks jaarlijksche opbrengst vóór de Reformatie ten deel viel aan het Maria-altaar in een der parochiekerken binnen Leeuwarden.
♦ De Lieve-Vrouwepoort ("Ons Lieff Vrouwenpoorte), later kortweg Vrouwepoort, en zelfs Vrouwenpoort geheeten, stond oorspronkelijk midden in de Groote Kerkstraat bij de Oude Gracht, ongeveer ter plaatse van het vroegere Gasthuispijpke. Zij ontleende dien naam aan Onze Lieve Vrouwe, de beschermheilige der parochie Nijehove, waaraan ze was toegewijd. Naar de plaats, waarheen ze vandaar leidde, werd ze ook de Oldehoofsterpoort genoemd. Aan het eind der 15de eeuw werd zij, in verband met den nieuwen uitleg der stad, verplaatst naar het westelijk uiteinde der Nieuwestad, op den Hoogedijk, bij het begin der tegenwoordige Westerplantage. Voor deze poort werd niet lang daarna, noordwestwaarts, eene buitenpoort gebouwd. In 1579 is de binnenpoort grootendeels vernieuwd, en trachtte men voor haar - nu de Reformatie volkomen was doorgedrongen - den naam Bildtpoort ingang te doen vinden. Bij die vernieuwing werd het Mariabeeld, dat tot dusverre den buitengevel versierd had, vervangen door een klein steenen beeld van een krijgsman, "in Romeinschen wapendos met speer", hetwelk in den loop der tijden steeds voor de afbeelding van "een Spaansch veldoverste"(!) gehouden werd. (2) De binnenpoort onderging in 1612 wederom eene verbouwing; daarbij werd op de poort eene portierswoning, en aan weerszijden er van een toren geplaatst. Nadat in 1820 de Lieve Vrouwebuitenpoort wegens bouwvalligheid afgebroken was, volgde zeventien jaren later de afbraak van de Lieve Vrouwebinnenpoort.
♦ De Lieve Vrouwepoortsbrug, een lange houten brug, welke eertijds van de Lieve Vrouwebuitenpoort over de stadsgracht naar den Hoogedijk leidde, is na 1837 afgebroken, en vervangen door eene andere, eenigszins meer westwaarts gelegen, ongeveer ter plaatse van de tegenwoordige brug van dien naam.
♦ De Lieve Vrouwepoortsdwinger, een rondeel, dat aangelegd werd ter bescherming van de Lieve Vrouwepoort, verloor in 1572 op last van Stadhouder Caspar de Robles zijn halfcirkelvormige gedaante, en verkreeg sindsdien ongeveer den vorm van een gelijkzijdigen driehoek. Na 1837 is dit bastion opgelost in de Westerplantage.
♦ De Lieve Vrouwewaterpoort, ook Schavernekspijp genoemd, werd ongeveer ter plaatse van de tegenwoordige Schaverneksbrug, kort vóór 1498 over de toenmalige Nieuwlandsvaart gebouwd. Boven deze poort bevond zich een wachthuis. Na in 1623 afgebroken en geheel vernieuwd te zijn, werd het wachthuis in 1654 door de Stad aan de Provincie afgestaan, om te dienen tot "'sLands Kruithuis", als hoedanig het tot zijn afbraak in 1840 dienst heeft gedaan. De poort droeg haar naam ter onderscheiding van de Noordelijk ervan gelegen landpoort.
♦ De Liggende Os was nog tot in deze eeuw de passende benaming van een herberg aan de Oude Koemarkt, hetgeen door een uithangbord met de voorstelling van een in een weidelandschap geschilderd, liggend zwartbont rund, geïllustreerd werd.
♦ De Lindebaan was eertijds de naam van een deel van het erf van het Galileërklooster, het- welk thans begrensd wordt door de huizen van Nieuwstraatje, Tweebaksmarkt en Nieuwe Oosterstraat, welke benaming blijkbaar ontleend is aan eene beplanting met lindeboomen van die uitgestrektheid.
♦ De Lindeboom was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van het huis aan de Brol, bij den zuidelijken hoek van het Nauw. Eertijds stond n.l. daar ter plaatse een aanzienlijk gebouw met ten noorden daarvan een kleiner huis. Vóór dat groote gebouw, blijkbaar later als herberg ingericht, stond een oude lindeboom, "wiens takken door de kunst zoo vlak en breed uitgespreid waren, dat daarop, rondom den stam, een planken vloer met tafel en banken gemaakt waren, en welke, met eenige palen op den grond rustende, den bewoner van het huis de gelegenheid schonken, om daarop een klein gezelschap te ontvangen, tot welk einde er een brugsgewijze overgang uit het huis tot op dezen boomzolder was gelegd." In dien vorm komt de boom reeds voor op een kaart van 1616 en zij deed dit nog in het begin der vorige eeuw. Waarschijnlijk werd in de middeleeuwen hier ter plaatse onder den lindeboom recht gesproken, en moeten we onzes inziens in verband daarmee in het oude massieve, groote gebouw het oudste stadhuis (3) van Leeuwarden zien. De streek huizen, waarvan het gebouw de Lindeboom deel uitmaakt, tot aan de Peperstraat ontving den naam van Onder de Lindeboom.
♦ De Lindebuurt, in de wandeling het Lindebuu(r)tsje genoemd, sedert 1864 ontstaan, toen een particuliere bouwonderneming hier eene verbinding tusschen Olde Galileën en Hoekstersingel tot stand bracht. Eene vroegere beplanting van dit buurtje met lindeboomen was oorzaak van de benaming.
♦ De Lommerdsteeg, loopende van de Brol naar de Heerestraat, ontleent haar naam aan de tot voor weinige jaren terug aan het oostelijk eind er van gevestigde bank van leening of lommerd, welke eertijds schetsend wel Jan Snotlepel genoemd werd, toen nog de gewoonte bestond, om den beleeners voor hunne panden het geld op een ijzeren lepel aan te reiken.
♦ De Loodgieterssteeg, aan den oostkant der Voorstreek, acht huizen noordwaarts van de vroegere Collegesteeg, was vermoedelijk aldus genoemd, omdat een der vier huizen in die steeg bewoond werd door een bekend loodgieter.
♦ De Loopgraven. Deze naam droeg tot in het laatst der vorige eeuw, vóór de bebouwing, het complex weiland, gelegen tusschen Spanjaardsdijk en Noordersingel. Zij is waarschijnlijk eene herinnering aan de belegering der stad gedurende negen weken in 1498 onder graaf Willebrord van Schaumburg, die toen met zijn krijgsknechten grootendeels in het klooster Fiswerd gelegerd was, en vermoedelijk zijne aanvallen - ondersteund dpor loopgraven - wel het meest aan den minst versterkten noordwestkant der stad zal beproefd hebben.
♦ Het Looyersbruggetje bevond zich tot in het begin dezer eeuw op het Noordfliet, westwaarts van de Poppebrug, daar, waar in 1877 een begin gemaakt werd met een klinkerpad naar het oosten. Het ontleent zeer waarschijnlijk den naam aan eene eertijds daar zich bevindende leerlooierij of eekmolen, misschien die molen van het gild der Groote Looijers, waarvan reeds in 1680 melding wordt gemaakt.
♦ De Looyerstraat, van den oostkant der Singelstraat in oostelijke richting loopende, is sedert 1878 ontstaan op een terrein, dat gedeeltelijk door eene leerlooierij ingenomen werd.
♦ De Lutkebuurt (luttik = 't Friesche lyts: klein) is een andere benaming voor het tegenwoordige Dokkumerend.
♦ De Lutke Kerkstraat. Onder dezen naam komt oorspronkelijk de Kleine Kerkstraat voor.
♦ Het Luilekkerland is een buurtje, dat na de bebouwing van het Jacobijner Appelhof sedert 1580 ontstaan is, gaande van den westkant der Breedeplaats in westelijke richting, om vervolgens door een nauwer noordelijk gedeelte uit te loopen op de Nieuweburen. Waar dit buurtje, door lage en ondiepe arbeiderswoningen ingenomen, zijn naam aan dankt, is ons onbekend. [Wellicht is het een verbastering van Leidekkerland, aangezien zich aldaar indertijd een "panwerk" = dakpannenfabriek bevond.]
♦ De Lijkvaart, eertijds ongeveer ter hoogte van de Noorderbrug uit de Stadsgracht langs den Spanjaardsdijk in noordwestelijke richting loopend tot tegenover de Algemeene Begraafplaats, is sedert 1900 wegens bebouwing van den zuidkant van den dijk geheel verdwenen; het trottoir aldaar geeft nagenoeg nog het beloop van de vaart, die ten slotte weinig meer dan een sloot was, en waarlangs eertijds wel vervoer van lijken per praam naar het kerkhof plaats had, aan.

(1) Het monument, ter memorie van den vrede van Munster (1648) in den voorgevel van het gebouw aangebracht, is thans in het koor der Jacobijner Kerk ondergebracht, terwijl de massieve voorpoort een plaats heeft gevonden te Kornjum, bij het voormalige Martena State.
(2) Volgens W. Eekhoff is dit beeld, bij het wegbreken van de poort, in 1837, afgenomen en achter het Stadhuis geborgen. Wie onzer lezers kent de verdere geschiedenis van dit merkwaardig pronkstuk?
(3) Zie o.a. de gedeeltelijke afbeelding van dit gebouw op de schilderij door A. Beerestraaten (A°. 1662) in het Friesch Museum te Leeuwarden.


De Lieve Vrouwe binnen- en buitenpoort (achter de buitenpoort ziet men vaag den molen "de Leeuw" op het Klein Fentje).

>> begin

||| 53. LC 6 mrt. 1937
♦ De Maadweg (Friesch: Miedwei; miede = laaggelegen weiland is een landweg, noordwaarts van het Noordfliet, bij de Landbuurt aldaar.
♦ De Magere Weide (anno 1934: die "Magerweyde") is de naam eener "stadsplaats" met omgelegen weiland, westwaarts van den Stienserdijk, op het Nieuwland ten noorden van het Schapedijkje.
♦ De Maliebaan besloeg eertijds een deel van het oostelijk erf, behoorende tot het oude Blokhuis en diende waarschijnlijk als open manege voor de ruiters der bezetting.
♦ Het Marcelis Govertsgasthuis, in de wandeling het Menniste gasthuis genoemd, is een hofje, dat aan twintig vrouwen onderdak verschaft en in 1658 gesticht werd aan den Ooster Grachtswal. Na in 1766 vernieuwd te zijn, is het sedert 1877 verplaatst naar den Noorder Singel. Het is genoemd naar den stichter Marcelis Goverts, lid van het stedelijk bestuur, gehuwd met Maaike Marcus. Oorspronkelijk las men op de poort van dit gasthuis, beneden de wapens der stichters:
ANNO 1658.
Die Rijck is erw zijn Goed aan Weduwen en Wezen,
Zo werd hij na zijn Dood bij God en Menschen presen.
Marcellis Goverts en Maria d'Echte Vrouw,
Verbonden thienmael vijf en twee Jaer door de Trouw,
Gaen stichten God ter eer de Vrouwen tot een wooning
Dit Huis; wij wenschen haer in 't Eeuwigh de Belooning.
♦ Het Maria Annastraatje: zie Moriaanstraatje.
♦ Mariënburg is de naam van een huis Achter de Hoven, zuidwaarts van den spoorwegovergang aldaar. Ongeveer daar ter plaatse stichtte prinses Maria Louise omstreeks 1730 een buitenverblijf met aangelegen lusttuin, waar zij de laatste jaren haars levens gedurende de zomermaanden doorbracht en hetwelk naar haar Mariënburg genoemd werd.
♦ Het Marsumer Binnenpad, zoo genoemd ter onderscheiding van den Marsumerdijk, den hoofdweg naar Marsum, liep eertijds van den thans verdwenen molen het Lam in westelijke richting naar Marsum.
♦ De Marsumerdijk (anno 1534: Mersema wech), oorspronkelijk een kadijk, opgeworpn voor het aangeslibde Nieüwland van de Middelzee, voert van den tegenwoordigen Harlinger Singel in westelijke richting naar het dorp Marsum. Officieel heet hij tegenwoordig Harlingerstraatweg.
♦ Het Martenahuis was, reeds in de middeleeuwen, een stins aan de zuidzijde van het water van de Tuinen, welke gesticht was door het adellijk geslacht Martena. Een ander
♦ Martenahuis bevond zich aan de breedzijde der Nieuwestad, op den westelijken hoek der Haniasteeg, hetwelk in 1532 vernieuwd werd door Doeke Martena en die het vervolgens langer dan een halve eeuw zelf bewoonde.
♦ Het Meekmabruggetje, eertijds gelegen aan den Ooster Grachtswal, over het water van de Molensloot, waar deze in de stadsgracht uitliep, is bij de demping dier sloot, in 1884, verdwenen. Het was een particulier bruggetje, dat naar den eigenaar, zekeren Meekma, - die met het onderhoud belast was - genoemd is.
♦ De Meelbrug was gelegen over 't water van de Tuinen, dáár, waar dit in het water der Voorstreek uitloopt. De oorsprong van dien naam is ons onbekend.
♦ De Meervischbanken. Dit is de benaming van de oude vischmarkt, zoolang deze gehouden werd op het brugplein van de Koningspijp, d.i. van ongeveer het midden der 16de eeuw tot 1851 (*). Oorspronkelijk werd het gebruik der hier geplaatste vischbanken dagelijks verloot, en werden er behalve "meervysck" ook "schollen, verschen herinck, laberdaan, stockvisch, spierinck ende mosselen", en zelfs "salmen, elften, bruinviss, stoer ende robbe" ter markt gebracht. De huizenreeks aan de Voorstreek, van de Sacramentstraat tot de Wortelhaven, werd nog in het midden der vorige eeuw genoemd: Bij de Meervisch banken.
♦ De Messenmakerssteeg, een doodloopende steeg aan de breedzijde der Nieuwestad, westwaarts van en evenwijdig met de Wolvesteeg, zal haar naam ontleend hebben aan een bekend messenmaker, eertijds in of op een hoek van die steeg wonende.
♦ Meyers Erf was de naam van een plek gronds op het Zaailand, zuidwaarts van de Oude Lombardsteeg, oorspronkelijk door den metselaar IJble Fokkes gebezigd als opslagplaats van schelpzand en vervolgens door dezen van 1760-'74 met een reeks huizen bebouwd, totdat deze door zekeren J. Meyer afgebroken werden om plaats te maken voor een herberg. In verband band met een plan tot uitbreiding van de Oude Koemarkt , - waarvan ten slotte niets kwam - werden herberg en omgelegen erf in 1870 door de Stad aangekocht en de herberg in het volgend jaar afgebroken.
♦ De Minnemabrug. Onder deze benaming komt omstreeks het midden der 16de eeuw ook voor de Korfmakers- of Sint-Franciscusbrug, gelegen vóór Minnemahuis.
♦ Minnemahof was eertijds de naam van de ruime omgeving, behoorende tot Minnemahuis, oostwaarts hiervan zich uitstrekkende tot Eewal, Wortelhaven en Korenmarkt; na 1613 is deze ruimte met huizen bebouwd.
♦ Het Minnemahuis, oorspronkelijk de stins van het adellitk geslacht Minnema, bevond zich, met zijn ruim voorplein, ongeveer ter plaatse van het tegenwoordige hotel de Nieuwe Doelen, aan de Korenmarkt. In het laatst der 15de eeuw werd het o.a. bewoond door Frans Minnema, olderman van Leeuwarden, overleden in 1512, aan wiens wapen de stad waarschijnlijk het hare ontleend heeft.
♦ De Minnemastraat, loopende van de Poststraat naar den Eewal, vormde reeds in het begin der 17de eeuw de westelijke begrenzing van Minnemahof.
♦ Het Misdadiger Kerkhof, eertijds deel uitmakend van het Galileër Kerkhof, behoorende tot het Minderbroederklooster, verkreeg na 1580 de bestemming tot begraafplaats van overleden gevangenen en ter dood gebrachte misdadigers. Het was noordoostwaarts van de Galileër Kerk gelegen en verloor zijn beteekenis in 1833, toen een deel van het vijfde perk der nieuw aangelegde Stedelijke Begraafplaats als zoodanig ("it boevekerkhof') aangewezen werd.
♦ De Modder, een thans afgesloten doorgang van de Groote Kerkstraat naar het Perkswaltje, waarin zich tot in het laatst der vorige eeuw een achttal arbeiderswoningen bevond, is aldus genoemd, omdat zich ongevrcr daar ter plaatse vóór 1583 de modder had opgehoopt, afkomstig van de graven van het kerkhof, behoorende tot de oostwaarts er van gelegen parochiekerk van Nijehove. In genoemd jaar werd, bij de gedeeltelijke amoveering van dat kerkhof, de modder over den lagen bodem aan den oostkant uitgespreid, met zand verhoogd en vervolgens met keien bestraat.
♦ De Molen was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den zuidoostkant der Voorsteek, het zesde oostwaarts van de Koningstraat en stellig aldus genoemd naar het uithangbord met de voorstelling van een molen.
♦ Het Molenpad, eertijds een smal rijpad, loopende van den Ooster-Grachtswal in oostelijke richting naar een vroeger, ongeveer ter plaatse van de voormalige Hellingbuurt bestaanden
korenmolen, is in 1884 belangrijk verbreed en in 1889 verlengd met een gedeelte, loopende van de Haven tot de tegenwoordige Menno van Coehoornstraat.

(*) Vgl. den naam Kruidbanken voor de vroegere groentemarkt op de Brol.

♦ De Molensloot liep tot 1884 onmiddellijk langs den noordkant van het Molenpad en eindigde westwaarts, onder het Meekmabruggetje door, in de stadsgracht. In genoemd jaar is de toen zeer verwaarloosde sloot, van Stadswege gedempt, waardoor het Molenpad aanmerkelijk verbreed werd.
♦ De Molensteeg, loopende van de Haniasteeg naar het Groot Schavernek, is grootendeels ontstaan van 1626-'39 en aldus genoemd, omdat zij westwaarts uitliep op een iets noordelijker gelegen brug over het water van het Schavernek, welke toegang gaf tot een windmolen op het Klein Schavernek.
♦ Het Montsjemahuis (Montzima; anno 1576: Mintzima; anno 1636: Mintma-huijsinge) is een oudere benaming voor het vroeger Ayttahuis huis op de Weaze, klaarblijkelijk ontleend aan een lid van het geslacht Montsjema van Blija, den vermoedelijken stichter.
♦ De Moor was nog in het midden der vorige eeuw de naam van het huis aan de breedzijde der Nieuwestad bij de Langepijp, op den westelijken lijken hoek van de Hoedemakerssteeg. Vermoedelijk was er oorspronkelijk een "toebackswinkel" in gevestigd.
♦ Het Moriaanstraatje, in den volksmond Morianestraetsje en zelfs Merjannestraetsje genoemd en ook onder den naam van Kleine Klokstraat voorkomend, loopt van de Sint Jacobsstraat naar het Heerenvaltje, als westelijke voortzetting van de Klokstraat. Naar alle waarschijnlijkheid draagt het dien naam naar een huis in dat straatje, of op een hoek er van, dat als gevelteeken een moor vertoonde. Nadat deze beteekenis in het vergeetboek geraakt was, werd de officiële naam van het straatje - overeenkomstig de volksuitspraak: - Mariannestraatje en vervolgens, zooals heden ten dage, Maria Annastraatje.
♦ De Muggesteeg loopt van de Kleine Hoogstraat naar de Beijerstraat, in het westelijk verlengde van de Speelmansstraat. Misschien draagt deze, eertijds onaanzienlijke, steeg den naam naar de aanwezigheid van een niet onaanzienlijk aantal vliege - in de volkstaal muggen genoemd - welke hier aasden op weggeworpen vuilnis, dat hier gemakkelijk ongezien gedeponeerd kon worden.
♦ Het Munnikehof, ook "Gleisterhof" genoemd, is de omgeving van het vroegere Galileërklooster, waardoor later de Galileër Kerkstraat aangelegd is.
♦ De Munnikemuurstraat, in den volksmond Muntsjemuurstraet geheeten, loopende van de Nieuweburen zuidwaarts tot Bij de Put, was reeds omstreeks het midden der 16de eeuw bebouwd. Ongeveer ter plaatse van de westelijke huizenrij bevond zich eertijds de Munnikemuur, als oostelijke afsluiting van den hof, behoorende tot het Jacobijner klooster.
♦ De Munnikesteeg, in den volksmond Muntsjesteich geheeten, is eene vroegere benaming voor de Driekramerssteeg, en herinnert aan de monniken van het eertijds in de omgeving gelegen Galieërklooster, waarnaar de steeg een doorgang vormde.
♦ De Munt. Evenals de overige provinciën ten tijde van de Republiek der Vereenigde Gewesten, bezat ook Friesland zijn eigen munt en het gebouw, waar deze vervaardigd werd. Na 1580 was dit laatste gevestigd aan de toenmalige Heerengracht, thans Tweebaksmarkt, ongeveer op den zuidwesthoek van de tegenwoordige Driekramerssteeg, waar het een eeuw lang als "Landschapsmunt" dienst heeft gedaan. Daarna was zij ondergebracht in een gebouw in den tuin van het Schwartzenbergshuis in de Groote Kerkstraat, en wel van 1693-1756, in welk laatste jaar de Munt opgeheven werd.
♦ De Muntebrug was eertijds gelegen over het water van de Weaze, vóór het westelijk eind van de Blokhuissteeg; in 1851 is zij afgebroken. De brug droeg den naam naar het gebouw, dat zich eertijds nabij den zuidwesthoek van de Blokhuissteeg bevond en eenige jaren als Munt van het Landschap dienst heeft gedaan.
♦ Munteburen werd nog omstreeks het midden der vorige eeuw een aantal huizen aan den zuidkant van de Blokhuissteeg genoemd, welke woningen eertijds grensden aan de zuidwaarts daarvan gelegen Munt.
♦ Muntenburg, aan den zuidoostkant van de Weaze, herinnert door zijn naam er aan, dat ongeveer daar ter plaatse eertijds een gebouw stond, hetwelk korten tijd tusschen de jaren 1680 en 1693, als Landschapsmunt is gebezigd; althans in 1690 was het als zoodanig bij den muntmeester Falconier in gebruik.
♦ De Muntesteeg, een vroegere benaming van de Driekramerssteeg, was aldus genoemd naar de nabijgelegen Munt aan de voormalige Heerengracht.

>> begin

♦ Het Nauw, een der vroegst bebouwde gedeelten van Oud-Leeuwarden, is aldus genoemd, omdat zijn water eene nauwere voortzetting vormt van dat der Kelders. De naam van het water is in den loop der tijden op de dubbele huizenrij overgegaan. Nog nauwer als heden ten dage was de toestand aldaar vóór 1686, sedert welk jaar van Stadswege - in verband met verbreeding van het brugplein der Brol -, de aanwonenden bewogen werden tot intrekking hunner stoepen en luifel, terwijl op hunne kosten de aarden wallen met houten beschoeiïngen vervangen werden door gemetselde steenen wallen. Aan den noordkant hing in de eerste helft der vorige eeuw ter plaatse van perceel no. 147, destijds eene hoedenmakerij, een bord uit, waarop de eene zijde een hoed, en aan den anderen kant een steek afgebeeld was. Onder de eerste las men:
Onder den hoed
Schuilt kwaad en goed.
terwijl onder den steek te lezen stond:
Onder de steek
Steekt menige streek.
♦ De Nauwe Gasthuissteeg, loopende van het Perkswaltje naar de Groote Kerkstraat, tegenover het Sint-Anthonygasthuis, is aldus genoemd in tegenstelling met de breedere, daaraan evenwijdig loopende, Wijde Gasthuissteeg. Omstreeks 1660 komt zij voor onder den naam van Kromme Elleboog.
♦ De Nauwesteeg, eertijds ook Hans Lenzesteeg genoemd, loopende van den Wirdumerdijk naar de Weaze, heet aldus, in tegenstelling met de, een weinig noordelijk er van loopende Wijdesteeg.
Aan het slot van het vorige artikel moet bij de Lijkvaart gelezen worden -- is sedert 1900 grootendeels verdwenen; het trottoir van het westelijke gedempte deel, geeft nagenoeg nog het beloop van de vaart -- aan.


||| 54. LC 20 mrt. 1937.
♦ De Nederlanden is de naam van een koffiehuis, in de Zuiderstraat, 1, na 1870 ontstaan; te voren droeg een dergelijke inrichting aan het Zaailand, westwaarts van de tegenwoordige Hoogere Burgerschool gelegen, dien naam.
♦ Het Nederlandsen Koffiehuis, Over de Korenmarkt 228, bestond reeds in de eerste helft der vorige eeuw. De naam werd waarschijnlijk gegeven in tegenstelling met het reeds bestaande Friesch Koffiehuis op den Wirdumerdijk.
♦ De Nieuwe Aardappelbeurs, een herberg, weleer aan het Ruiterskwartier, 165, verkreeg dien naam ongetwijfeld in tegenstelling met het vroegere koffiehuis de Aardappelbeurs op de Weaze, 46, nabij de Berlikumermarkt, waar eertijds vooral veel aardappelen uit Frieslands Noordwesthoek aangevoerd werden.
♦ Het Nieuw Blauwhuis, eene herberg, nabij het oostelijk einde der Verversbrug, aan het begin van Oldegalileën, wordt reeds omstreeks het midden der 17de eeuw vermeld. Zij was aldus genoemd, ter onderscheiding van de eertijds eenigszins westwaarts daarvan gelegen herberg het Blauwhuis aan de Dokkumer Ee {thans aan de Eebuurt), welke sindsdien het Oud Blauwhuis geheeten werd.
♦ De Nieuweburen, van de Dubbele Pijp westwaarts tot het Schoenmakersperk loopende, is aldus genoemd, omdat ze eerst laat - sedert de 15de eeuw - van het oosten uit ontstaan is, door bebouwing aan weerszijden van een deel der voormalige oude stadsgracht, welke in 1398 gegraven is. Het water der Nieuweburen is, wat het westelijk deel tot de Pottebakkersbrug betreft, in 1863 gedempt, terwijl twee jaren later de demping van het andere gedeelte volgde.
♦ De Nieuwe Doelen, het hotel aan de Korenmarkt, 199, staat ongeveer ter plaatse van het vroegere Minnemahuis. In 1830 werd het van de toenmalige bezitster gekocht door den logementhouder van "de Wijnberg" op den Wirdumerdijk, die het gebouw met veel kosten tot een logement liet ombouwen. De naam werd waarschijnlijk gegeven in tegenstelling met de Oude Doele, destijds een ontspanningsplaats voor het uitgaande Leeuwarden in den vroegeren hoek van den Grachtswal.
♦ De Nieuwe Duinkerken, een in het begin dezer eeuw verdwenen herberg aan het Groote Schavernek, 13, droeg dien naam ter onderscheiding van de oude herberg de Duinkerken, drie huizen meer noordelijk gelegen (Groot Schavernek, 7).
♦ De Nieuwe Eewal droeg, vóór de demping van het water, de daaraan gelegen zuidelijke huizenrij, tusschen de Minnemapijp en de Wortelhaven, gebouwd van 1613-'18. De naam is ontstaan als tegenstelling tot de huizenreeks aan den noordkant van het voormalige water van den Eewal gelegen en sedertdien de oude Eewal geheeten.
♦ De Nieuwe Fortuin was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de breedzijde der Nieuwestad, het zesde van den oostkant der Oude Doelesteeg.
♦ De Nieuwegracht. Onder deze benaming vindt men een enkele maal de vroegere Heerengracht vermeld, blijkbaar, omdat vooral het westelijk deel, in 't bijzonder tusschen Korfmakersstraat en Tuinen, eerst in lateren tijd, na 1520, is bebouwd.
♦ De Nieuwe Hofstraat, een andere benaming voor het Droevendal, na 1580 ontstaan, is blijkbaar ontleend aan het Hof van Friesland, hetwelk zetelde in het een weinig noordwaarts daarvan gelegen gebouw der Canselarij.
♦ De Nieuwe Hopzak. Onder dezen naam komt reeds omstreeks het midden der 18de eeuw een herberg op den noordwesthoek van de Peperstraat voor, welke te voren, en ook omstreeks het midden der vorige eeuw eenvoudig als de Hop(pe)zak bekend stond. Of er ook een oudere Hopzak bestaan heeft, en waar deze zich dan bevond, is ons onbekend.
♦ De Nieuwe Kade, zie: de Kaai.
♦ De Nieuwe Kroon is omstreeks het midden der vorige eeuw de naam eener herberg op den Wirdumerdijk, het tweede huis van de vroegere Peperstraat. Onmiddellijk noordwaarts daarvan, op den zuidwestelijken hoek dier straat, stond de herberg de Keizerskroon, waaraan zij haar naam gedeeltelijk ontleend zal hebben.
♦ De Nieuwmarkt ("de Nijemarckt") is eene vroegere benaming voor de Turfmarkt, ontstaan in de eerste helft der 16de eeuw, toen dit gedeelte van stadswege als nieuwe marktplaats voor turf en hout aangewezen werd.
♦ De Nieuwe Oosterstraat, loopende van de Tweebaksmarkt naar de Oosterkade, is ontstaan staan na de demping in 1580 ter plaatse van de noordelijke gracht, welke eertijds het voormalige, zuidwaarts er van gelegen, Blokhuis omgaf. Zij verkreeg dien naam als oostelijke voortzetting van de Oosterstraat, welke sinddien de Oude Oosterstraat genoemd werd, en waarvan zij oorspronkelijk door de Hillemapijp over het thans gedempte water der Tweebaksmarkt gescheiden was.
♦ De Nieuwe Pijp, over het water der Nieuwestad gelegen, verbindt de Nieuwesteeg met de Oude Doelesteeg. Eertijds lag hier, evenals een weinig oostwaarts, een houten brug. Beide houten bruggen zijn 1621 vervangen door een gemetselde boog, welke, als gelegen midden voor de Nieuwesteeg, daaraan haar naam ontleende.
♦ De Nieuwestad (Ao 1456: Nye Sted) in de wandeling de Nijstad genoemd, is na 1435 ontstaan bij de uitlegging der stad sedert genoemd jaar, op het Nieuwland, toen buiten de oude stadsgracht gelegen (1). Binnen vrij korten tijd verrezen hier en in de omgeving tal van huizen, zoodat men met recht de nieuwe buurt als een kleine stad op zich zelf beschouwen kon, welke sedert dien met den naam van Nieuwestad aangeduid werd. Verschil in breedte tusschen den smallen noordkant en den breederen zuidkant gaf later onderscheiding in smal- en breedzijde der Nieuwestad.
♦ Het Nieuwe Stadsweeshuis (eigenl.: Nieuwe- of Stadsweeshuis), gelegen aan het Jacobijner Kerkhof, is in 1676, van stadswege gesticht, voornamelijk dienende tot opname van "stadsweezen". In de wandeling wordt het "it Blauwe Weeshuus" genoemd naar de kleur van de kleeding (2) der verpleegden, welke vóór 1749 effen blauw was, en sedert genoemd jaar in gedeeltelijk blauw gewijzigd werd. Ter onderscheiding van het reeds bestaande Old Burgerweeshuis werd het het Nieuwe Stadsweeshuis genoemd.
♦ De Nieuwesteeg, loopende van de Bagijnestraat naar de smalzijde der Nieuwestad, is eerst in het laatste kwart der 16e eeuw ontstaan door aankoop en afbraak van stadswege van twee tegenoverelkaar gelegen huizen met hunne erven, teneinde eene betere communicatie te verkrijgen tusschen genoemde straten. Hoewel de "steeg" in 1600 reeds geheel met een twaalftal huizen tot een rechte straat bebouwd was, bleef zij tot heden den naam Nieuwesteeg behouden.
♦ De Nieuwetoren, oorspronkelijk Sint Jacobstoren geheeten, verrees omstreeks 1540 van stadswege op den hoek van Hoogstraat en tegenwoordige Klokstraat, als klokkentoren, in plaats van den onvoltooid gebleven ouden toren van Oldehove. In 1884 is hij wegens bouwvalligheid afgebroken.
♦ De Nieuwe Waterpoort, eertijds oostwaarts van het Droevendal gelegen, is in 1778 tegelijk met de doorgraving van den stadswal aldaar, ontstaan, teneinde het water der Keizersgracht - na het ontstaan van het Nieuwstraatje - een betere doorstrooming te bezorgen. In 1846 is genoemde wal afgegraven en de poort gesloopt.
♦ De Nieuweweg wordt reeds omstreeks 1530 vermeld als een pad van "15 houtvoeten" breedte, ter plaatse van het tegenwoordige Ruiterskwartier, onmiddellijk noordwaarts van den toenmaligen stadswal. Hij diende om dien wal vrij te houden, en den toegang naar het bolwerk, voornamelijk met geschut, te vergemakkelijken. In verband met een uitlegging van de stad, meer zuidwaarts, is bedoelde wal in 1621-'23 afgegraven.
♦ De Nieuweweg, loopende van de Huizumerbrug tot het Stads Ziekenhuis, in na 1841, het jaar der stichting van laatstgenoemde inrichting, ontstaan. Ten einde aldaar een toegang tot het ziekenhuis te verkrijgen, werd de toenmalige Huizumer Waterpoort afgebroken, en de wal oostwaarts daarvan geslecht, waardoor een bepuinde reed naar de Tweebaksmarkt kon ontstaan, welke spoedig met huizen bebouwd, aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van dezen nieuwen weg.
♦ De Nieuwe Wereld (Ao. 1511: Die Nije Werlt). Deze naam komt in het begin der 16de eeuw voor als een huizencomplex in het noordoosten der toenmalige stad, in het Hoekster espel. Waarschijnlijk was het een schertsende benaming voor een snel opgekomen stadsgedeelte.
♦ Het Nieuwland (Friesch: "It Nijlân"), meer bijzonder het Leeuwarder Nieuwland, is de benaming van het tot het Leeuwarder stadsgebied behoorende gedeelte, westwaarts van den voormaligen oostelijken dijk gelegen, die tot bescherming diende van de tot in de 14de eeuw bestaande Middelzee, waaruit het Nieuwland opgeslikt is. De begrenzing werd in het westen gevormd door den Swettedijk. In 1465 bezat het "Liouwerderd Nyaland" nog een afzonderlijk "Hirna riucht", waarschijnlijk gecommitteerden tot de waterlossing van dit nieuwland.
♦ De Nieuwlandsvaart, waarschijnlijk oorspronkelijk een oude slenk in de voormalige Middelzee, is later vergraven tot Harlingervaart, en liep van de tegenwoordige Westerpijp in zuidelijke richting en vervolgens voorbij het vroegere Verlaat westwaarts tot Ritsumazijl. De vaart, welke reeds vóór 1507 bestond, is aldus genoemd, omdat zij het Nieuwland doorsneed.
♦ Het Nieuwstraatje, loopende van de Tweebaksmarkt tot de Gedempte Keizersgracht, is in het laatst der 17de eeuw ontstaan tengevolge van de demping der voormalige sloot, welke aan den zuidkant de scheiding vormde van het erf van het Galileër Klooster.


♦ De Noteboom is de naam van een huis in de Molensteeg, no. 13, waar in den gevel zich een 17de eeuwsch memoriesteentje bevindt met de voorstelling van een dichtbebladerden boom, waaronder te lezen staat: IN DE NOOTE BOOM.
♦ De Noorderbrug, een draaibrug over de stadsgracht voor het oostelijk eind der Spanjaardslaan, is omstreeks 1859 aldaar gelegd, in verband met de doorgraving bij Camstraburen.
♦ De Noorderdwinger was een voormalig bastion, dat na 1581 nevens het Schoenmakersperk aangelegd is.
♦ De Noorderkade ontstond door het slechten van den stadswal, westelijk van de Hoeksterpoort, sedert 1841; zij was bestemd tot ligplaats van schepen in de noordwaarts er langs loopende stadsgracht. Door het dempen van deze gracht ontstond omstreeks 1862 de tegenwoordige Noorderweg, westwaarts van de Hoeksterbrug.
♦ De Noordersingel, van de Noorderbrug met eenige bochten westwaarts loopende naar de samenkomst van Spanjaardslaan en Marssumerdijk, vormt een deel van den vroegeren stadsbuitensingel, sedert 1639 aangelegd.
♦ De Noorderweg: zie Noorderkade.
♦ De Noteboom. Onder dezen naam komt omstreeks 1800 de Sint Dominicuskerk voor, toen nog een schuilkerk op de bovenverdieping van een huis in de Speelmansstraat, met ingang in de Bontepapesteeg. Waarschijnlijk kwam in dat huis eertijds de noteboom als gevelteeken voor.
♦ Het Nuunderpad. Onder deze benaming kende men nog tot in het laatst der vorige eeuw den Oostersingel, als deel van den sedert 1639, om de buitenzijde der stadsgracht aangelegden singel, welke na 1641, ter meerdere begaanbaarheid, af en toe met puin en schelpen (Friesch: nuunders) bestrooid werd.
♦ Nijd baart Strijd. Aldus heette nog in het midden der vorige eeuw het huis aan de oostzijde van de Sint Jacobsstraat, no. 22, naar de gevelspreuk, welke eertijds aan dat huis voorkwam.
♦ Nijehove was eertijds eene parochie, binnen de stad Leeuwarden ontstaan, waarschijnlijk nadat na 1149 de uitgestrekte parochie Leeuwarden zich in meerdere afzonderlijke parochiën - waaronder die van Oldehove - had gesplitst. Hare kerk met kerkhof (hove) ontstonden blijkbaar later dan die van Oldehove, vandaar den naam.

>> begin

♦ Ockingahuis, eertijds gelegen aan den westkant van de Weaze, ongeveer ter plaatse van het tegenwoordige perceel no. 12 aldaar, was eens het bezit van het aanzienlijke geslacht Ockinga.
♦ Het Old Burgerweeshuis (eigenlijk: Old- of Burgerweeshuis) is in 1534 gesticht door Auck Peters-dochter, echtgenoote van Lieuwe Lieuwesz, schepen der stad. Het was oorspronkelijk gelegen aan het tegenwoordige Raadhuisplein ter plaatse van de aldaar staande schoolgebouwen, nadat het eenige flinke uitbreidingen ondergaan had. Sedert 1876 is het overgebracht naar het inmiddels gestichte gebouw op den westhoek van Zuiderstraat en Zaailand. Hoog boven den ingang op den hoek leest men in medaillon:
GOD IS EEN VADER DER WEEZEN.
In de wandeling draagt het den naam van "it Rooie Weeshuus", omdat de kleeding der weezen oorspronkelijk gedeeld: rood en zwart was. Volgens den fundatiebrief van dit weeshuis zouden als verpleegden alleen opgenomen worden "borgers kynderen vt dese staed". Na de stichting van het Nieuwe Stadsweeshuis, na 1675, verkreeg het den naam van Old Burgerweeshuis.
♦ Olde- of Oude-Galileën (Friesch: Alde-Galeijen, Alde-Gelijen, Alde-Gleijen; Leeuwardersch: Ouwe Gleijen) is eene oude buitenbuurt aan den noordoostkant der oude stad, op eenigen afstand oostwaarts langs de Dokkumer Ee loopend en voortgezet door het oude voetpad naar Lekkum. De buurt ontleent haar naam aan het in 1472 door den edelman Tsjomme Oenes Wiarda en diens echtgenoote Atsje Bonninga gestichte Franciscaner mannenklooster "Galilea", ongeveer ter plaatse van de plek, thans nog als Kloosterburen bekend. Eerst omstreeks 1490 was dit klooster geheel voltooid, waarna het acht jaren later, - wegens de onrust der tijden - binnen de stadswallen, zuidwaarts van het latere Droevendal, werd overgebracht. Eerst sedert het begin der 17de eeuw volgde de aanbouw van den westkant, terwijl de oostkant in den loop der 19de eeuw volgebouwd werd.
♦ De Oldehoofster Dwinger, een voormalig bastion op den noordwesthoek der oude stad, nabij de Oldehove, is, op aanwijzing van graaf Willem Lodewijk, sedert het najaar van 1619 opgeworpen, en na buiten gebruik gesteld te zijn, in 1844 tot plantsoen vergraven.
♦ Het Oldehoofster Kerkhof, oorspronkelijk een dorpskerkhof, dat zijn naam blijkbaar aan het er bij behoorende dorp bezorgde, was in het begin der 19de eeuw uitgegroeid tot de eenige begraafplaats binnen de oude stad, waar tot in 1833 begraven werd.
♦ De Oldehoofster Poort is eene andere benaming voor de Lieve-Vrouwe Poort.
♦ Het Oldehoofster Tichelwerk, ook als Sint Vitus Tichelwerk voorkomend, was eene steenbakkerij ten oosten der stad, achter Schilkampen, bij Wilaard, sedert omstreeks het eerste kwart der 16de eeuw eigendom der geestelijkheid van Oldehove. Tot de voorwaarden van verhuring behoorde o.m. de bepaling, dat "van elcke brant, ter Kercken te profyte, seuven duysent steens" zouden komen.
♦ De Oldehoofster Waterpoort is in 1661 in den stadswal, noordwestwaarts van de Oldehoof aangebracht, waardoor het toen doorgegraven zoogenaamde Oud Kanaal naar den Boterhoek gelegenheid kreeg, in de stadsgracht uit te loopen. Ten einde de onkosten daarvan te dekken, was o.m. eene belasting van twee gulden op elk der graven van het Oldehoofster Kerkhof gelegd. In verband met de demping van genoemd kanaal is in 1868 de poort geamoveerd.

(1) Het gedeelte smalzijde Nieuwestad tusschen de latere Tontjepijp en Koebrug lag evenwel toen reeds binnen de stadsgracht.
(2) Ook het Weeshuis was vóór 1888 grootendeels uitwendig grijs-blauw geschilderd.


||| 55. LC 3 apr. 1937.
♦ Oldehove (Friesch: Aldehou, Alde Hôf; anno 1457: Aldahow; anno 1472: Auldahow; 1475: Audahow; 1511: Oldehoe) eertijds een dorp aan de voormalige Middelzee, dat sedert de eerste helft der 14de eeuw een deel van de stad Leeuwarden uitmaakt. De plaatsnaam leeft nog voort in den naam van den alleenstaanden stompen toren (Oldehoof, Oudehoof) der sedert 1595 grootendeels afgebroken Sint-Vituskerk in het noordwesten der oude stad. Blijkbaar verkreeg het dien naam tegenover het later opgekomen en oostwaarts gelegen Nijehove, terwijl hove (hou, hôf) schijnt te wijzen op de reeds vroeg daar aanwezige begraafplaats, waar - naar gebruik der tijden - tevens recht gesproken werd.
♦ Het Oliehuisje stond nog in de eerste helft der vorige eeuw ongeveer ter plaatse van de tegenwoordige gasfabriek. Daar was de bergplaats plaats van de olie, dienende voor de toenmalige straatverlichting.
♦ De Olifant was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den oostkant der Sint Jacobsstraat, het vijfde huis van het Nauw af, en vermoedelijk aldus genoemd naar de gevelteekening met de voorstelling van een olifant.
♦ Onder de Boompjes Na de demolieering van het Blokhuis in 1580, bepaalde het Stedelijk bestuur, dat men op de ruimte westwaarts er van "tot chiraet van de stadt daar een sierlyck Lyndhoff planten sal". Deze lindenhof verkreeg later den naam van Blokhuisplein, terwijl de er aan grenzende huizenrij, van het Stads Ziekenhuis tot het Zwitserswaltje, tot op heden - hoewel de lindenboomen reeds lang verdwenen zijn - nog steeds genoemd wordt Onder de Boompjes.
♦ Onder den Lindeboom heet de huizenrij aan den westkant van het water der Weaze, van het Nauw tot aan de Peperstraat (Zie: de Lindeboom).
♦ Het Onvolmaakte Schip was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de zeer geëigende naam eener scheepstimmerwerf aan de westzijde van Olde Galileën.
♦ De Ooijevaar was eertijds de naam eener bierbrouwerij aan de breedzijde der Nieuwestad, op den oosthoek van de Ipe Brouwerssteeg, welke naam nog omstreeks het midden der vorige eeuw in den top van den voorgevel voorkwam.
♦ De Ooijevaar is de naam van het huis aan den westkant van de Weaze, no. 38, in welks gevel een steen voorkomt met de voorstelling van een ooievaar, welke op zonderlinge wijze met een dolk is doorboord. Op de banderol, waarop de vogel geplaatst is, leest
"in de Ojevaer".
De steen dateert - volgens den stijl - waarschijnlijk uit de 17de eeuw.
♦ Den Oyevaar wordt in het laatst der 18de eeuw vermeld als een der acht voornaamste logementen toentertijd te Leeuwarden. Of dit toen gevestigd was in het hiervoor genoemde pand aan de Weaze is ons onbekend.
♦ Oostenburg is eene andere benaming voor de Oosterbuurt (zie aldaar.)
♦ De Oosterbuurt, ook als Oosterburg voorkomend, is sedert 1852 ontstaan langs de westelijke ombuiging van den Oostersingel, en beslaat de helft daarvan, zich westwaarts uitstrekkende tot het Cambuursterpad.
♦ De Oosterdwarsstraat is eene vroegere benaming voor de Kruisstraat (zie aldaar).
♦ De Oosterkade tegenover den Ooster-Grachtswal, zich van de Tuinsterbrug zuidwaarts uitstrekkende, is sedert 1846 door het afgraven van den vroegeren stadswal ter plaatse ontstaan als een geschikte lig- en losplaats van schepen, waarlangs in hetzelfde jaar een steenen walmuur opgetrokken werd, met daaraan gelegen eene huizenrij, noordwaarts van Haakmaburen aangebouwd.
♦ De Oostersingel, van de Boomsbrug, langs den buitenkant der stadsgracht, loopende tot de Hoeksterpoortsbrug, vormde eertijds een deel van den vroegeren stadsbuitensingel; zij werd in 1639 aangelegd aan den noordoostkant der stad en was oorspronkelijk als een "Cieraat dezer Stadt" "met Lindebomen beplantet.".
♦ De Oosterstraat, in de wandeling Oasjestraet genoemd, loopende van de Weaze, nabij de Paardepijp tot de Oosterkade, nabij de Oosterbrug, liep vóór 1580 slechts tot aan de toenmalige Hillemapijp, en is sedertdien onderscheiden in Oude- en Nieuwe Oosterstraat. De naam wijst er op, dat zij in het oosten der oude stad ontstaan is. In het laatste kwart der 17de eeuw las men in deze straat, ten huize van zekeren I. A. het volgende opschrift:
Leert spreken daer het past
Leert swijgen op uw tijdt
De tonge maakt u vast
Eer gij gevangen zijt.
♦ De Opgang. Onder dezen naam verstond men een door doorgang in eene huizenrij, tegen den binnenkant van den stadswal gelegen, welke doorgang opwaarts leidde naar het bolwerk. Zoo had men de Opgang in den Boterhoek, zoo heeft men nog de Opgang, ten noorden van de Breedeplaats, leidende van de Nieuweburen naar den Wabbe Wissesdwinger, en zoo had men de Opgang ter plaatse van de tegenwoordige Vijzelstraat.
♦ Het Oranje Bierhuis is eene latere benaming voor het Oranje Koffijhuis (zie aldaar).
♦ De Oranjeboom was nog omstreeks de helft der vorige eeuw de naam van een huis in den Boterhoek, het vijfde westwaarts van de Kalvergloppe, waarschijnlijk aldus genoemd naar een gevelteeken van dat huis, met de voorstelling van een oranjeboom.
♦ De Oranjeboom noemde men vóór den "Franschen tijd" het portaal met ingang bij de Put, behoorende tot de Groote Kerk, sedert van Stadswege in 1663 "de spits van het dak dezes portaals op eene zonderlinge wijze versierd (was) met opgaand lofwerk, rozetten en guirlandes van fruit en bloemen, waaruit een Oranjeboom van koper verrees, aan wiens takken vier vergulden appelen en eenige vogelen gehecht waren". Deze versiering was aangebracht om de toen nog aldaar aanwezige begraafplaats der Friesche Stadhouders meer luister bij te zetten.
♦ De Oranje Burgwal. Onder dezen naam vindt men in de tweede helft der 17de eeuw de Oude Eewal vermeld (Zie aldaar).
♦ De Oranje Eewal was vóór de demping van het water van den Eewal de naam van het zuidelijk gedeelte daarvan, gelegen tusschen Groote Hoogstraat en Minnemastraat. Waarom zij reeds in 1630 Oranje Eewal genoemd werd, valt moeilijk te verklaren, aangezien er tusschen de Friesche Stadhouders uit het Huis van Nassau eerst in 1652 - door het huwelijk van graaf Willem Frederik met prinses Albertine tine Agnes - eenige betrekking met het Huis van Oranje ontstond, welke op Leeuwarden van invloed kon zijn. [Vgl. Aanvulling.]
♦ Het Oranje Klooster was de naam van een zestiental woningen, rondom een bleekveld gelegen, in den Boterhoek, aldus geheeten naar het huis de Oranjeboom, eertijds op den oosthoek ervan gelegen. In 1859 werd het aangekocht door de Israëlitische gemeente, waarna het tot "Hof Gosen" is omgebouwd.



♦ Het Oranje Koffijhuis, op den hoek van Raadhuisstraatje en Heerenwaltje, wordt reeds in het eerste kwart der 18de eeuw vermeld, en is waarschijnlijk aldus genoemd naar de nabijheid van het Stadhouderlijk Hof. Ongeveer een eeuw later is het omgedoopt tot Oranje Bierhuis.
♦ Het Oranje Waltje was de naam van een buurt op het Noordfliet, gelegen aan de voormalige Draaisloot, aldus geheeten naar
♦ de Oranje Werf, welke zich eertijds daar neven, aan het pad naar Cambuur, bevond. Laatstgenoemde werf, welke reeds in de 18de eeuw bestond, herinnerde in haar naam waarschijnlijk aan de liefde voor het Huis van Oranje, welke in die eeuw ook grotendeels van de zijde der scheepstimmerlieden tot uitdrukking kwam in den strijd tusschen Stadhouder en regentenfamilies.
♦ Het Orgel was de naam van het huis aan den westkant van de Weaze, no. 40, aldus genoemd naar een steen in den gevel, met de voorstelling van een uit elf pijpen bestaand orgel, waaronder, in het Spaansch, het opschrift:
EN ORGO MVCHO
EN DIOS TODO
d.i. vrij vertaald: "In het Orgel moge veel heerlijks gevonden worden, in God is evenwel alles besloten". Misschien werd het huis in de 17de eeuw bewoond door een uit Spanje afkomstig orgelmaker, die den steen deed plaatsen.
♦ De Os was tot in het begin dezer eeuw de naam van een herberg, op den hoek van de breedzijde der Nieuwestad en den Wirdumerdijk, waar oorspronkelijk de voorstelling van een os als gevel teeken voorkwam. Misschien was zjj nog eene herinnering aan de ossen- en paardenmarkt, welke op het Waagsplein "van den Butterwaege aff westwaerdts op de Nyestadt" van 1564-1697 gehouden werd, en waar eertijds aan de Schutterij een marktgeld op het aangevoerde vee toegestaan was.
♦ Het Ossehiem was de naam van de vóór 1590 nog onbebouwde ruimte, waarop Uniahuis eertijds had gestaan, besloten door Zwitsersch Waltje en Weaze aan zuid- en westkant, en door de Uniabuurt aan noord- en oostzijde. Na aanvankelijk tot vischmarkt en vervolgens tot groentemarkt bestemd te zijn, diende het later langen tijd tot ossemarkt.
♦ Het Ossehuis was de naam eener herberg aan de zuidzijde van de buurt bij de Ossekop, het zesde huis van de Huizumer Suupmarkt af, zoo geheeten naar het gevelteeken, een houten ossekop, welke voor de verbouwing, omstreeks 1828, daar nog te zien was. Het was het eerstgebouwde huis aan het Ossehiem gelegen, en heeft aanleiding gegeven tot de benamingen In-, Bij- en Achter de Ossekop, waaronder de volksmond de verschillende deelen der Uniabuurt onderscheidt.
In het laatste kwart der 17de eeuw trof men in een glas aan den luifel van zekeren C. B. V. N., bij de Ossekop, het volgende opschrift aan:
Al mocht de mensche
Na sijn wensche
lange leven
Als komt de doot
Hem uit de werelt stoot
Wat heeft hij dan bedreven?
Niet.
♦ Het Oud Blauwhuis, eertijds een herberg aan de Dokkumer Ee, aan de tegenwoordige (zie: het Blauwhuis), waarschijnlijk aldus genoemd, omdat het oorspronkelijk het eenige, met blauwe pannen gedekte, huis in den omtrek was. Daar las men, in het laatst der 17de eeuw, o.a. de volgende glasschriften:
Volmaakte rust nog vreugd wast in geen aerdsche hoven
Maar aen des levens boom in 't paradijs hier boven.
* * *
Ik leef op hoop ik wil volherden
Dat niet en is, dat kan nog werden.
* * *
Een klein geluk vaeck afgeseit
Het dikwils tot een beter leit.
* * *
Soo die pot soo die lepel
Soo die kloek soo die klepel
Soo de moer soo het kint
Siet vrijers waar gij mint.
♦ De Oude Doele (reeds anno 1568 de Olde Doele genoemd) was eertijds een gebouw met omgeving, waar door de Schutterij naar de staak, en de schijf (= het doel), geschoten werd. Het bevond zich in de Oude Doelesteeg, daarnaar genoemd, van de breedzijde der Nieuwestad zuidwaarts loopende naar het Ruiterskwartier, waarlangs toen de stadswal liep.
♦ De Oude drie Klokken; zie: de drie Klokken.
♦ De Oude Eewal was vóór de demping van het water van den Eewal de naam van het noordelijk gedeelte daarvan, gelegen tusschen Kleine Hoogstraat en Slotmakerstraat. Die naam drukt reeds uit, dat dit het oudst bebouwde gedeelte langs het water aldaar was; reeds in het midden der 16de eeuw was hier een geregelde buurt (de Olde Eewal) aan een voet- en rijpad ontstaan.
♦ De Oude Gracht, ook als Oude Heerengracht voorkomend, en weleer loopende tusschen Ruiterskwartier en Zaailand, van de Havenbrug tot Meyers Erf, is sedert 1845 gedempt ten behoeve van de plaatsing van het Paleis van Justitie.
♦ De Oude Lombardsteeg, eene latere benaming voor de Hooghuistersteeg, loopende tegenover de Weerd, van de breedzijde der Nieuwestad naar het Ruiterskwartier, is sedert 1665 aldus genoemd naar de toen in net Hooghuis gevestigde lombard of lommerd.
♦ De Oudemeer, een waterlossing, welke tegenover Kloosterburen uit de Dokkumer Ee in westelijke richting, met een bocht om de drie Ducatons, naar Tonnenburg aan den Stienser Dijk loopt, vormde waarschijnlijk oudtijds de scheiding tusschen Bilgaard en Fiswerd (zie: de Kurkemeer).
♦ De Oude Molen was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een oliemolen aan het Zuidfliet, tegenover Schilkampen.
♦ De Oude Oosterstraat; zie: de Oosterstraat.
♦ De Oude Stokerssteeg is een doodloopende steeg aan den zuidkant van de Amelandsstraat, van het vierde huis oostwaarts van de Pijpbakkerssteeg naar het zuiden loopend. Misschien dankt zij haar naam aan de voormalige aanwezigheid eener "vuur- en waterstokerij", zooals men ze eertijds meer in volksbuurten aantrof.
♦ De Oude Vermaningsteeg, een voormalige steeg aan de breedzijde van de Nieuwestad, westelijk van het vroegere huis "het gouden Hoofd", zuidwaarts doodloopende, is aldus genoemd, omdat zij weleer toegang verleende tot de vermaning (= kerkgebouw der Doopsgezinden) van de Waterlandsche gemeente aan de Wirdumerdijk. Later ontstond blijkbaar meer westelijk en evenwijdig daaraan de Vermaningsteeg.
♦ De Oudewijfssteeg liep in de laatste helft der 17de eeuw in het verlengde van de Fokssteeg, van de Groote Hoogstraat naar de Minnemastraat, op eenigen afstand van en evenwijdig met den Eewal. Waarschijnlijk is een voormalige hoogbejaarde, alleenwonend bewoonster dier steeg de oorzaak van dien naam geweest.
♦ Het Oud Kanaal naar den Boterhoek, eigenlijk weinig meer dan een nauwe en gedeeltelijk overbouwde sloot zijnde, liep achter de huizen der Groote Kerkstraat westwaarts en werd in 1661 verlengd met een gedeelte van den Boterhoek naar de Stadsgracht.
♦ Het Oudland (Friesch: "it Aldlân"). Daaronder verstaat men het oude kleigebied, oostwaarts van den voormaligen oostelijken dijk der Middelzee gelegen (zie: het Nieuwland).
♦ Het Oud Panwerk, een gehucht noordwaarts van Schilkampen gelegen, herinnert in zijn naam aan een eertijds ter plaatse bestaande (dak)pannenbakkerij.
♦ Overvliet is de naam van een voormalig buiten, aan den zuidkant van, en over het Fliet (van den kant van het bestrate Noordfliet gerekend) gelegen, het tweede huis oostwaarts van Pietersburen af.

>> begin

||| 56. LC 17 apr. 1937.
♦ De Paardepijp, over het water der Weaze, verbindt de Peperstraat met de Oude Oosterstraat. Naar alle waarschijnlijkheid is zij genoemd naar het feit, dat zij van den aanvang af - behalve voor voetgangers -, tevens voor met paarden bespannen rijtuigen bestemd was Om dezelfde reden werd de voormalige Havenbrug wel genoemd de Paardebrug.
♦ De Papebrug lag omstreeks het midden der 16de eeuw over het water der Voorstreek en leidde van de parochiekerk van Hoek naar het Dokkumerend. In genoemde eeuw had paap slechts eenvoudig de beteekenis van priester (vergel.: de Bontepapesteeg).
♦ De Papingafenne wordt reeds in het laatste kwart der 15de eeuw vermeld als een groot stuk weiland, ten noorden van Papingastins gelegen (anno 1484: "dae fenna by Paepinghastins"), aan welker huiskapel het in genoemd jaar gemeenschappelijk met het Sint Anthonygasthuis, in eigendom behoorde; de noordelijke stadsgracht, in 1868 gedempt, was er doorheen gegraven.
♦ De Papingastins (anno 1468: "Papinghastins") stond weleer aan den noordkant van de Groote Kerkstraat, ter plaatse van het gebouw, no. 13, waarin men nog gedeeltelijk de "huysinge met dwarshuysinge", toren en voorplein der voormalige stins herkent. De naam herinnert aan de oorspronkelijke bewoners van dit "steenhuys", leden van het adellijk geslacht Papinga.
♦ Het Paradijs was in het laatste kwart der 17de eeuw een herberg, waar een uithangbord te lezen gaf:
"Komt gy van de rys, en zoekt gy Logys,
Soo komt doch Logeeren in 't Paradys,
Want daar is Bedding, Drank en Spys,
En alderhande soort van Vleys".
♦ De Passer en Winkelhaak was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de zuidzijde van de Nieuweburen, het tweede oostwaarts van de Breedstraat en denkelijk genoemd naar een uithangteeken, genoemde beide voorwerpen voorstellende.
♦ De Pastoriefenne wordt omstreeks het midden der 16de eeuw vermeld als een stuk weiland, zuidwaarts van de Leproze gelegen en aldus geheeten, omdat zij het eigendom was eener pastorie, waarschijnlijk die van de Oldehoofster Kerk.
♦ Het Peperhuis (anno 1581: "het Peeperhuys") komt in het laatste kwart der 16de eeuw voor als een gebouw, wellicht een opslagplaats van peper, staande op de Nieuweburen. De juiste plaats daarvan is ons onbekend.
♦ De Pepernotekerk. Tengevolge van het bedanken van dominé A. Brink van Dordrecht, scheidden vele reactionaire leden der Leeuwarder Hervormde gemeente, onder den krankenbezoeker J. Corvinus en zekeren bakkersknecht en oefenaar Jan de Jong (1) zich af en vormden een eigen Hervormde gemeente, welke slechts twee jaren - onder groote beroering - bloeide en welke vervolgens, op last van het Departementaal Bestuur opgeheven werd, hoewel haar aanhang, vooral in eenlge dorpen, nog lang bestaan bleef. Het vergaderlokaal der gemeente, naast den Nieuwe Toren gelegen, droeg in den volksmond schertsend den naam van "de Peperneutekerk".
♦ De Peperstraat (Friesch: Piperstriette), voerende van de Weaze naar de Nieuwestad, vóór de verbreeding in den jongsten tijd eene vrij smalle doorgang, zou haar naam dragen "van het menigvuldig gebruik van peper en andere specerijen, welke hier verkocht" werden, en wel reeds omstreeks het midden der 16e eeuw, - zoo niet vroeger. (2) Een andere meening omtrent den naamsoorsprong is deze, dat namelijk in de straat een peperhuis (Friesch: piperhûs) stond, ten behoeve van de "pypebewairders" (3) of pipers, d.w.z. beambten, van stadswege aangesteld, gesteld ten einde op den invoer van belastingschuldige waren toe te zien en de verschuldigde rechten daarvoor in te vorderen, in verband waarmee het entrepôt dier waren, voornamelijk bier en wijn, zich in de nabije Kelders naast de Brol bevond (4).



♦ De Perksbrug, oudtijds ook Gerkesbrug genoemd, lag eertijds over het water der oude gracht en verbond de Pijlsteeg met het Schoenmakersperk. In 1856 is zij afgebroken, om plaats te maken voor
♦ de Perkspijp. Zij is omstreeks 1864 verdwenen tengevolge van de demping in genoemd jaar van het gedeelte der oude gracht, van deze pijp loopende in westelijke richting.
♦ De Perksteeg was vóór omstreeks 1865 een steeg aan het Schoenmakersperk, welke ten Noorden van het tweede huis van de Perksbrug af in westelijke richting liep. Door den bouw van het nieuwe Sint Anthonygasthuis is zij geheel verdwenen.
♦ De Perkstraat loopt van het Perkswaltje in oostelijke richting tot aan het Jacobijner Kerkhof.
♦ Het Perkswaltje, dat in 't geheel geen "waltje" meer is, verloor zijn naam bij de demping in 1864 van dat gedeelte der oude gracht, waaraan het, - westwaarts van de toenmalige Perkspijp - gelegen was.
♦ Het Pesthuis; zie het Stads-Pesthuis.
♦ Het Peterseliewaltje, in den volksmond Pieter seliewaltje geheeten, is de naam van een streek huizen op het Oldegalileën, langs den noordkant van een sloot gelegen, welke noordelijk van de Tonslagerij, westwaarts in de Dokkumer Ee uitloopt. Oorspronkelijk lagen hier gardenierslanden, en zoo zal de naam schertsenderwijze ontleend zijn aan een der hoofdproducten, de peterselie, welke hier eertijds verbouwd werd.
♦ De Phoenix was reeds in de eerste helft der vorige eeuw de naam van een logement aan de westzijde der Sint Jacobsstraat, no. 11, en stellig aldus genoemd, sedert het herbouwd is na een brand, zoodat het, - als de vogel Phoenix uit de Egyptische sage - opnieuw herrezen is..
♦ Pietersburen is de naam van een rij gebouwen met arbeiderswoningen aan den zuidkant van het Fliet, ten oosten van de Blauwebrug, in het derde kwart der 18de eeuw gesticht door den ondernemenden industrieel Pieter Luitjens van der Meulen (geboren in 1720 te Donkerbroek, sedert 1772 burger van Leeuwarden) en diens broer Haye.
♦ De Pipsteich; zie Poptasteeg.
♦ De Polle is de naam van een reeks woningen, staande op een hooggelegen gedeelte (Friesch: pôlle) van de Weerklank.
♦ Het Poortje, staande op Pietersburen, gaf eertijds toegang tot een aantal woningen, welke werden aangeduid als: Achter het Poortje
♦ Het Poortje, staande in de Boterhoek, naast het 15de huis, oostwaarts van de Korstbijtersteeg, gaf eertijds toegang tot eenige woningen, welke werden aangeduid als: In het Poortje.
♦ De Poppebrug, een "trapkebrug", lag tot omstreeks het laatst van 1936 over het water van het Fliet, ten noorden van de Poppebuurt en is thans vervangen door eene er naast gebouwde ophaalbrug.
♦ De Poppebuurt, eene reeds in de 17de eeuw bestaande buurt met veel bedrijvigheid aan den zuidkant van het Fliet, is ongeveer halverwege tusschen Pietersburen en Schilkampen gelegen. Misschien is zij genoemd naar zekeren Poppe Janz, wiens zoon Jan Poppesz o.a. in 1699 een pelmolen in de Galgefenne bouwen liet.
♦ De Poptakamers was de naam van een aantal eenvoudige woningen in het Ruiterskwartier, bestemd tot huisvesting van arme weduwen "om niet", en oorspronkelijk gebouwd door toedoen van Eesk van Popma, gehuwd met Sybolt van Aylva. Dit echtpaar woonde aan de breedzijde van de Nieuwestad, ongeveer ter plaatse van het tegenwoordige perceel no. 58. In 1628 werd hun woning aangekocht door Jacob Hendrix, gehuwd met Lutske Popta, op wie blijkbaar de vergeving van het om niet bewonen van de sedert genoemde "Poptakamers" is overgegaan. Hun kleinzoon Dr Henricus Popta (5), advocaat bij het Hof van Friesland, een latere bewoner van het huis aan de Nieuwestad, deed genoemde kamers waarschijnlijk verbouwen en vermeerderen (6), en bezorgde tevens die aan een bleekveld veld gelegen woningen een uitgang, onmiddellijk oostwaarts van zijn huis gelegen. Deze uitgang liet hij afsluiten door een nog bestaand fraai bewerkt poortje, naar hem het Poptappoortje, en naar een lateren eigenaar der woningen, het Struivingspoortje genoemd.
♦ De Poptasteeg, in den volksmond de Pipsteich geheeten, en eertijds als de Poptastraat voorkomend (anno 1679: "10 kamers, staande aan de Poptastraat bij de costerij binnen Leeuwarden") is een sedert het laatste kwart der 16de eeuw ontstane steeg, loopende van de Nieuweburen, van het vijfde huis oostelijk van de Breedeplaats af, naar Achter de Groote Kerk. Voorheen bevonden zich in deze steeg een tiental woningen, welke "om niet" bewoond werden, en eigendom waren van Elisabeth Jans Popta (7), gehuwd met Tjallingius Buijtepost.
♦ Die Port von Cleve was tot in het begin dezer eeuw de naam van een koffie- en bierhuis aan den oostkant van de Sint Jacobsstraat, no. 26, hetwelk doorliep tot de Groote Hoogstraat, no. 31. De naam is een algemeen voorkomende voor dergelijke inrichtingen.
♦ De Posthoorn was tot omstreeks 1871 de naam van een herberg, staande aan den westkant van de Potmarge, zuidwestwaarts van het naast de Potmargepijp gelegen, en in 1857 gedempte paardenwed, bestemd voor de rijkspostpaarden, welke bij genoemde herberg uitgespannen werden. Sedert de opheffing der paardenposterij enkel tot herberg gebruikt, is zij in 1871 afgebroken, om plaats te maken voor een aantal andere huizen.
♦ De Posthoornsteeg is een steeg, na 1867 aan het Zuiderplein, langs den westkant van de voormalige herberg de Posthoorn ontstaan door den aanbouw van woningen, westwaarts van de Potmarge.
♦ De Poststraat, loopende van de Minnemastraat naar de Groote Hoogstraat, is misschien genoemd naar een reeds in de 15de eeuw in de nabijheid gelegen "post of brug" (8). Zoo leest men in een oorkonde van 1466 "by da post in der Hagerstreta" (= de Hoogstraat).
♦ De Potmarge, nog in het begin der 19de eeuw onderscheiden in Groote- en Kleine Potmarge, is het water, dat uit de Greuns voortkomende, tegenover de Huizumerbrug, in noordelijke richting, in de stadsgracht uitloopt. De naam is misschien een verbastering van Potmarne (Potmardunga), waarin pot = pet, het Friesche woord voor poeltje en marne de benaming voor een waterlossing beteekent; zoodat de oorspronkelijke naam dus zou duiden op een water, door een of meer poeltjes stroomend (9). Gedeeltelijk vormt zij de zuidgrens van het Stedelijk gebied.
♦ De Potmargebrug, van den Grachtswal over het water der Potmarge naar het Zuiderplein voerende, verving in 1857 als draaibrug
♦ het Potmargepijpje, een smal, gemetseld, boogvormig bruggetje.
♦ De Potmargewal is de naam van een streekje woningen, in de tweede helft der vorige eeuw, aan den oostelijken wal van de Potmarge, bij het Potmargepijpje ontstaan.
♦ De Pottebakkersbrug was de naam van de brug, vóór 1863 over het water der Nieuweburen gelegen en voerende van de Munnikemuurstraat naar de latere Vijzelstraat. Bij de gedeeltelijke demping van dat water in genoemd jaar is zij geamoveerd. De naam hangt waarschijnlijk samen met die van
♦ de Pottebakkersplaats. Deze, na 1580 ontstane ruimte, met een tiental woningen bebouwd, ter plaatse van een deel van de Jacobijner kloosterhof, verkreeg een ingang aan den zuidkant van de Nieuweburen, zes huizen westwaarts van de Munnikemuurstraat. De naam zal ontleend zijn aan één of meer pottebakkers, welke eertijds aldaar hun woon- of werkplaats hadden.
♦ De Pottebakkerssteeg is de naam van een steeg met een zestal woningen aan het Zuidfliet eenige woningen oostwaarts van de Ketelsteeg en dooxloopende tot het Molenpad Zij is aldus geheeten heeten naar de tot in het laatst der vorige eeuw bestaande pottenbakkerij aan het Fliet staande tusschen beide genoemde stegen.

(1) Deze bakker is later, in 1808, als predikant beroepen te Gaastmeer c.a.
(2) W. Eekhoff, Geschiedk. beschr. v. Leeuw., I, 94.
(3) N.l. bewaarders of bewakers van de vaten (= pijpen) voor wijn en ook voor bier.
(4) Jhr. Mr. M. de Haan Hettema, Nwe Friesche Volksalm. 1853, bl. 20v.
(5) Hij is de stichter van het Poptagasthuis te Marssum, geb. te Leeuwarden 3 Mei 1635, overl. aldaar 7 Nov 1712.
(6) Althans in een zeer ouden muur van een dier woningen in het Ruiterskwartier, had hij zijn naam en wapen laten plaatsen; deze muur is in Februari 1846 afgebroken.
(7) Zij, en vorengenoemde Dr. Henncus Popta waren nicht en neef.
(8) Een post is in Friesland o.a. een verplaatsbare brug (Fr. "barte"); te Bolsward noemt men een pijp post.
(9) Een jaar na de verbetering van den uitloop der Potmarge in 1857 ging men over tot het uitdiepen er van, aangezien ze sedert 1782 niet geslat was. Misschien is door den slijkerigen toestand van het vaarwater indertijd de schertsende benaming ontstaan van potmarge, d. i. een vroeger in Friesland zeer geliefde winterkost, bestaande uit varkensbloed, roggemeel, reuzel, stroop, rozijnen en kruiderijen.

||| 57. LC 8 mei 1937.
♦ Het Prinsehof, weleer staande ongeveer ter plaatse van het gebouw aan het Hofplein, thans door den Commissaris der Koningin bewoond, droeg dien naam, aangezien het sedert 1587 door Friesland's Staten ingericht was tot een verbluf van de Friesche Stadhouders met hun gezin, allen prinsen uit het Huis van Nassau. Tot 1747 werd het onafgebroken, en vervolgens nog in 1773, '77 en '79 slechts kortstondig, door het Stadhouderlijk Hof bewoond. Sedert het begin der 19de eeuw heeft zoowel uit- als inwendig eene verbouwing van het vorstelijk verblijf plaats gehad, waardoor het karakter er van grootendeels verloren ging.
♦ Het Prinsessehof, ook als Oud-Princessehof voorkomend. Onder deze benaming verstaat men het patricisch huis met zijn fraaien gevel, aan den noordkant van de Groote Kerkstraat, no. 11, - thans eigendom der gemeente Leeuwarden, - hetwelk de Prinses Douairière van Oranje, Maria Louisa, Landgravin van Hessen-Kassel, eertijds met de westelijk en oostelijk er van gelegen panden tot haar Hof inrichten liet (1). Zij betrok hare nieuwe residentie na de meerderjarigheidsverklaring van haar zoon Johan Willem Hendrik Friso (2), en bleef hier op eenvoudigen voet als de geliefde "Marijke-moai" wonen tot aan haar versterven op 9 April 1765, waarna de stad voorgoed den glans eener vorstelijke residentie verloor.
♦ De Prinsestallen. Deze stallen, door Friesland's Staten bestemd ten gebruike van de Prinsen van Nassau, die achtereenvolgens Stadhouder van ons gewest geweest zijn, bevonden zich eertijds op den westelijken hoek van Groote Kerkstraat en Doelestraat. Waarschijnlijk werd aldaar reeds ten behoeve van Willem Lodewijk een paardenstal met wagenhuis ingericht, welke later o.a. in 1607, '79 en '84 naar den kant der Doelestraat belangrijk uitgebreid werden, waardoor een tweetal stallen (3) ontstond; tevens werd er na 1686 eene manege ingericht. In den loop der 19de eeuw gingen deze gebouwen in vollen eigendom aan de gemeente Leeuwarden over, en verkregen ze - na verbouwing - eene andere bestemming. Het eenige, wat de herinnering aan stallen en rijschool nog levendig houdt, zijn de 17de eeuwsche poort in de Groote Kerkstraat, met daarnaast het fraai gebeeldhouwde poortje, dragende het jaartal 1680.
♦ De Prins Hendrikbrug, een draaibrug over het water der Willemskade, in 1868 aangelegd, voert van de Prins Hendrikstraat naar de Sophialaan.
♦ De Prins Hendrikstraat, loopende van het Zaailand zuidwaarts tot de Willemskade, is sedert 1868 ontstaan, ongeveer dáár, waar te voren zich de Zuiderwalsteeg bevond. Zij is genoemd naar Willem Frederik Hendrik, prins der Nederlanden, derden zoon van koning Willem II. Geboren 13 Juni 1820 te Soestdijk, werd hij 5 Februari 1830 Stadhouder van Luxemburg voor zijn broer, den lateren koning Willem III. Op jeugdigen leeftijd trad hij in dienst bij de Nederlandsche Marine, werd in 1852 opperbevelhebber van de Vloot, huwde in 1853 met Amalia van Weimar, en na haar dood, in 1878, met Maria van Pruisen, welke beide huwelijken kinderloos bleven; den 13den Juni 1879 is hij te Wolferdinge in Luxemburg overleden. Prins Hendrik heeft steeds groote belangstelling getoond voor Nederlandsche nijverheids- en handelsondernemingen, en was ook in Luxemburg zeer populair. Te zijner memorie werd in het huis op den westelijken hoek Prins Hendrikstraat/Willemskade zijn borstbeeld aangebracht. (Zie: de Willemskade).
♦ Pijlpolle Kerkhof wordt omstreeks het midden der 18de eeuw vermeld, als gelegen op den hoek van de Modder. Waarschijnlijk maakte dit kerkhof een hooggelegen gedeelte (Friesch: pôlle) uit van de voormalige begraafplaats van Nijehove, en hield de naam verband met dien van de pabijgelegen steeg, n.l.
♦ de Pijlsteeg (anno 1543: Pylstege), loopende van de Groote Kerkstraat naar het Schoenmakersperk. Oorspronkelijk was zij waarschijnlijk voluit: Jacob Peylertssteeg geheeten, en genoemd naar eene aldaar gelegen huisstede, "deer Jacop Peylerth pligath op toe wennian" (anno 1457).
♦ De Pijlsteegskamers was de naam van een aantal eenvoudige woningen aan de westzijde van de Pijlsteeg, sedert de 16de eeuw bestemd "tot schamel weduen the bewoonen om godts wille". Eertijds ingesteld door het geslacht Aukema, zijn deze kamers in den loop der tijden door andere weldoeners begiftigd en vermeerderd. Eveneens was in 1568 een drietal woningen aan de oostzijde van de Pijlsteeg ter bewoning door bejaarde, arme weduwen aan de Weeshuisvoogden geschonken, door Saapk van Itsma, weduwe van Jemme Herjousma en Douwe van Burmania.
♦ De Pijnigtoren, omstreeks het midden der 17de eeuw ook Ammunitie- of Kruittoren geheeten, is de naam van het zuidoostelijkste oostelijkste der vier rondeelen, weleer behoorende tot het oude Blokhuis. Het was de eenige dier ongeveer 7,5 M. hooge kerktorens, welke na de demoleering van het Blokhuis op 1 Februari 1580 bleef bestaan. Eerst den 26sten September 1704 gaven Gedeputeerde Staten order aan het Stedelijk bestuur, om hem af te doen breken. Hij droeg eerstgenoemden naam, omdat er de pijnbank van het Hof van Friesland geplaatst was, waarop men vermeende misdadigers door "pyniging", d.i. uitrekking hunner ledematen, tot bekentenis trachtte te brengen.
♦ De Pijpbakkerssteeg, de oostelijke der drie stegen, loopende van den noordkant der Tuinen naar de Amelandsstraat, is waarschijnlijk aldus genoemd, omdat er eertijds één of meer bakkers van tabakspijpen woonden. (4)

>> begin

♦ Het Raadhuisplein is de naam van de ruimte, gelegen westwaarts van en vóór het in 1715 gestichte Raadhuis (5). Het is ontstaan door overkruining met een steenen gewelf van het water van den Eewal, dat zich eertijds westwaarts met een bocht om het Raadhuis, zuidwaarts voortzette naar het Heerenwaltje.
♦ Het Raadhuisstraatje, in den volksmond "Radesstraetsje" genoemd, loopt van de Sint Jacobsstraat naar het Raadhuisplein, langs den zuidkant van het Raadhuis.
♦ De Regenboogsteeg, ook Diaconiesteeg genoemd, was eene nog in de tweede helft der voorgaande eeuw bestaande steeg aan den westkant kant van de Kleine Kerkstraat, ongeveer tegenover over de Bagijnestraat, in westelijke richting doodloopend. De oorsprong van dien naam is ons onbekend.
♦ Het Reigersplein is eene verbreeding met eenige woningen, aan den noordkant van de Reigersstraat, voerende naar de Nauwesteeg.
♦ De Reigersstraat, eertijds het Wirdumer Achterom geheeten, is de meest zuidelijke der stegen, loopende van den oostkant van den Wirdumerdijk naar de Weaze. Misschien is zij genoemd naar een huis op een hoek van de steeg, waar de Reiger (8)• uithing.
♦ De Reijndersbuurt, aan het thans verdwijnende Noorderplantsoen gelegen, en evenwijdig loopende met de noordelijk er van liggende Eebuurt, is sedert 1837 ontstaan, en draagt haar naam naar den heer Izaak Reijnders, die het eerst hier een 10-tal woningen liet plaatsen.
♦ De Rhalapijp, te voren Blokhuispijp (zie aldaar) geheeten, droeg haar naam naar Johannes Rhala, Raadsheer in het Hof van Friesland, die in de tweede helft der 17de eeuw het nabije Andringahuis bewoonde.
♦ De Ritske Boelema-kamers was de naam van een drietal woningen aan de zuidzijde der Speelmansstraat, en van verscheidene andere aan den noordkant dier straat, welke door zekeren Ritske Boelema (in 1547 te Stiens begraven), ter bewoning om niet aan behoeftige weduwen afgestaan waren. Na bij testament aan het Zoete Name Jezusgilde besproken te zijn, werden deze woningen later wegens bouwvalligheid, in 1623, verkocht en had in hetzelfde jaar de stichting plaats van
♦ het Ritske Boelema-gasthuis aan den zuidoostkant van de Monnikemuurstraat.Sedert de stichting in 1623 is het, vooral in de jaren 1631, '32, '39 en in 1823 en '40 vergroot en vernieuwd, waardoor het ten slotte aan 32 bejaarde, hulpbehoevende weduwen een welkom onderdak kon bieden. Wegens bouwvalligheid werd dit gebouw in 1849 verkocht (7), nadat men in hetzelfde jaar overgegaan was tot de stichting van het tegenwoordige gasthuis, ter plaatse van het toen afgebroken Landschapshuis. In 1863 had eene uitbreiding er van naar den kant van het Droevendal plaats, waardoor het thans aan 42 vrouwen huisvesting verleent.
♦ Het Ritsumastraatje is het noordelijkste der doorgangen, loopende van de Galileër Kerkstraat naar de Gedempte Keizersgracht, en is sedert het laatste kwart der 16de eeuw ontstaan. Waarschijnlijk is het genoemd naar den eigenaar van een of meer woningen aldaar, die den naam Ritsuma droeg.
♦ De Rochebrunesteeg, eene latere benaming voor de Bontemanssteeg, is aldus genoemd naar Marius Brunet de Rochebrune, kapitein van het garde-regiment van den Stadhouder, die eertijds het westelijk hoekhuis zou bewoond hebben.
♦ De Roggedragerskelder was tot in 1869 gelegen in de benedenverdieping van het westelijke hoekhuis Wortelhaven-Voorstreek; daar was het vereenigingslokaal van het vroegere gilde der stads-roggedragers gevestigd. In genoemd jaar verhuisden zij naar een perceel in het Raadhuisstraatje, om twee jaren later hun intrek te nemen in een pand aan de Nieuwe Kade, no. 74, op den zuidhoek van een steegje. In den loop dezer eeuw is hij opgeheven.
♦ Het Rolkemahuis, in de 15de eeuw eigendom van het geslacht Rolkema, en daarna door het geslacht van Loo bewoond, stond ongeveer ter plaatse van het tegenwoordige Prinsehof. Na in 1564 "met een vorstelijke weelde" vernieuwd te zijn door Boudewijn van Loo, Raadsheer in het Hof van Friesland en Koninklijk Rentmeester-generaal, werd het door dezen in 1587 overgedragen aan Gedeputeerde Staten, die het tot zetel van de Friesche Stadhouders bestemden.
♦ De Romkeslaan, na 1830 ook Laan van Tulpenburg genoemd, heet aldus, omdat zich daar eertijd de woning van Leeuwardens burgemeester Johannes Romkesz bevond.
♦ De Roode Boer was tot omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een herberg op den hoek van de Zuider-Grachtswal en Achter de Hoven, denkelijk aldus genoemd naar het uithangteeken, dat de voorstelling van een roodgeschilderden boer te zien gaf.
♦ De Roode Brug, eertijds ongeveer midden over het water van de Tuinen gelegen, is in 1818 in verband met het afbreken van de Tuinster Landen en Waterpoorten - als overtollig weggeruimd. Zij droeg dien naam naar de kleur, waarin ze was geschilderd.
♦ De Roode Koe werd tot in het eind der vorige eeuw genoemd het huis aan den westkant van de Voorstreek, no. 251, het tweede huis oostwaarts van de Sacramentstraat. Een roodbont geschilderd koetje in den voorgevel diende tot gevelteeken.
♦ De Roode Os is de naam van het meest oostelijke huis aan den noordkant van de Poststraat, no. 43, op den hoek van de Minnemastraat, welks gevelsteen een rood geschilderden os vertoont met daaronder: INDE - ROODE - OS.
♦ Het Rood Hert was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een herberg aan den westkant van de Wirdumerdijk, no. 6, en zeer waarschijnlijk aldus genoemd naar het uithangteeken, dat de voorstelling van een roodgeschilderd hert te zien gaf.
♦ De Rookende Moor was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de breedzijde van de Nieuwestad, het vierde oostwaarts van de Ipe Brouwerssteeg. Zeer waarschijnlijk was het oorspronkelijk een tabakswinkel met het zeer geëigend gevelteeken van een rookenden moor of neger.
♦ De Roskam was tot in het begin dezer eeuw de naam eener herberg aan het Ruiterskwartier, no. 155, tot 1864 aan de Oude Koemarkt gelegen. Het geschilderde gevelteeken met de voorstelling eener roskam hield de herinnering aan het boerenbedrijf levendig.
♦ De Rotterdamsche Erasmus was eertijds de naam van een huis Op de Kelders, het vierde vanaf het huis op den hoek bij de Korfmakerspijp, of - zooals een zijner Frieschzinnige bewoners het in 1755 uitdrukte "oppe Kelders, it Fyourde Huwz fin dy Kuwrmeytsers Pyep, der dy Rotterdamse Erasmus uwthingget". Tot in deze eeuw was er een boekhandel in gevestigd.
♦ De Roukemapijp, eertijds een brug over het water van de Nieuwestad, tusschen Nieuwe- en Langepijp gelegen, werd omstreeks het eerste kwart der 17de eeuw in een steenen boog veranderd, doch eerlang als overtollig weggeruimd. Waarschijnlijk is zij genoemd naar zekeren Roukema, die nabij deze pijp zijn woonplaats plaats had .
♦ De Rozeboom was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een korenmolen, in het zuiden van de stad, nabij de Klanderij, gelegen en werd waarschijnlijk aldus genoemd naar een uithangbord met de voorstelling van een rozeboom.
♦ Het Ruiterskwartier, zich uitstrekkende van het Schavernek oostwaarts tot aan den Wirdumerdijk, is naar alle waarschijnlijkheid genoemd naar de "schamele ruiters" of arme bedelaars, die reeds in de eerste helft der 16de eeuw, vooral in het westen er van hun verblijf hadden. Uit het laatste kwart dier eeuw dateert het volgende opschrift, dat men aan een herberg aldaar kon lezen:
"Gy reisbaar Luy, wie dat gy zijt,
Rijd niet verby, komt in met vlijt,
Hier vind gy Stalling 't aller tydt,
En Vrouw en Meyt ten dienst bereydt.
Men schaft hier alles, Wijn en Bier,
En wat gij eyscht tot uw plaizier".
♦ De Rijzende Zon was nog in het laatste kwart der vorige eeuw de naam van een slaapstee in den Boterhoek. Het uithangbord gaf op een blauw veld een stralende vergulde zon te zien, met als onderschrift DE RIJZENDE ZON.

(1) Zie daarover nader: Mej. R. Visscher in "De Vrije Fries", XXVI, 37-62.
(2) Deze bleef sindsdien op het Prinsehof resideeren.
(3) In 1795 konden er ruim 150 paarden van de "Fransche Troupes" gestald worden.
(4) Anno 1712 wordt eene Piepmackery vermeld aan het Ruiterskwartier.
(5) De volksmond spreekt nimmer van Raadhuis, doch steeds van Stadshuus.
(6) Aan den westkant van de Weaze, vier huizen van de Reigersstraat verwijderd, hing de Ooijevaar uit.
(7) In 1905 is het onbewoonbaar verklaard en gesloopt.


>> begin

||| 58. LC 22 mei 1937.
♦ Saaklema-fenne was eertijds de naam van een stuk weiland op het Nleuwland, ten zuiden van den Marssumerdijk. Zii was genoemd naar het reeds uitgestorven adellijk geslacht Saaklema, evenals
♦ Saaklemastins (anno 1595: Saecklemastins), in de laatste helft der 16de eeuw vermeld als een stins, gelegen aan den zuidkant der Groote Kerkstraat, tegenover Papinga-stins.
♦ De Sacramentstraat, loopende van bij de Put naar de Voorstreek, ontleent dien naam aan het middeleeuwsche H. Sacramentsgilde, dat in de straat eenige woningen bezat.
♦ De Schaar was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den zuidkant van het Fliet, het 9de westwaarts van Pietersburen en aldus genoemd naar het gevelteeken een schaar voorstellende.
♦ Het Schapedijkje, loopende van den Stienserdijk, tegenover Tonnenburg, door het Nieuwland in westelijke richting, heet aldus, omdat weleer daarlangs kudden schapen het Nieuwland opgedreven werden, om aldaar te grazen.
♦ Het Schavernek, onderscheiden in Groot- en Klein-Schavernek, is de buurt, welke aan weerszijden van een gracht van de Westerpijp aan de Nieuwestad, in zuidelijke richting tot de Schaverneksbrug loopt. De naam zou ontleend zijn aan het feit, dat hier de plaats was, in welker nabijheid slagers woonden, die den afval van schapen derwaarts voerden, of waar misschien de marktplaats van schapen gehouden werd. (1) De streek huizen aan den oostkant van het water gelegen, wordt het Groot Schavernek genoemd, terwijl de daartegenover gelegen westelijke huizenrij den naam van het Klein Schavernek draagt.
♦ De Schavernekspijp, een latere benaming voor de Lieve Vrouwewaterpoort, lag eertijds over het zuidelijk eind van het water van het Schavernek, ongeveer ter plaatse van de tegenwoordige Schaverneksbrug.
♦ De Schieringersloot loopt van het westelijk eind der Kurkemeer in noordelijke richting tot aan het Kalverdijkje. De oorsprong van den naam is ons onbekend.
♦ Schilkampen is de buurt, ontstaan aan de samenkomst van Tynje en Kurkemeer. De naam zal ontleend zijn aan enkele kampen land, weleer hier gelegen, welke bedekt waren met kleine zeeschelpen (Friesch: skil; Leeuwardersch: nuunders), waarschijnlijk dienende om er ter plaatse kalk uit te branden.
♦ Het Schip was nog tot in de tweede helft der vorige eeuw de naam eener brouwerij aan de smalzijde van de Nieuwestad, het 7de huis westwaarts aan de Vleeschmarkt, waarschijnlijk aldus genoemd naar het gevelteeken van het huis met de voorstelling van een schip.
♦ Het Schip was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den noordkant van het Fliet, het 16de van de Boomsbrug af, en aldus genoemd naar een steen in den gevel met de voorstelling van een zeilend schip.
♦ Het Schip is nog tot heden de voorstelling van een zeilend schip op een gevelsteen van een huis bij de Put, het 2de westwaarts van de Speelmanstraat.
Eertijds moet zich in een huis bij de Put een gevelsteen bevonden hebben, waarop een trekschuit uitgehouwen was, benevens de voorstelling eener menschelijke gedaante, welke van het water uit achter bij het schip opklom, terwijl de bij het roer staande schipper verwonderd daarnaar opzag. Daaromtrent vertelden de Leeuwarders ders elkaar de volgende overlevering.
Op 'n kear, doet er met syn trekskip nar Sneek op reis waer, en y bij it roer ston, doe hoarde y in ienen ien achter 'm an roepen. Doe 't er omkeek, om te sien, waer dat wegkwam, sach y, dat de geest fan 'n jong kyn bij it roer opklauterde. De skipper skrikte dar fansels earst danich van, mar hy bekwam oek al gau en durfde doe te fragen, wat of syn begearte waer. Doe fraegde de geest fan syn kant, of de skipper doen wúde, wat er fan him frage súde. "As ons Lieve Hear my helpe wil en as 't ienichsins mogelyk is, ja dan wel", sei de man. "Nou dan", sei de geest, dan mut je in dy en dy straet gaen en in dat en dat hús, - de naem fan 'e straet en it nûmer fan it hús weet gien ien mear - en dan mut je dar foar mij 'n lykkleed frage, want as ik dat niet hew, kan 'k niet tot rust komme". "Goed", sei de skipper, "ik sal der foar sorge". En doe 't er wear met syn skip in Luwar(r)den werom waer, waer syn ea(r)ste werk, om it hús op te soeken, dat 'm anwysd waer en dar 't hele rike meensen in woanden. Hy dede der syn boadskap en se gawwen 'm it lykkleed, dar 't er om fraegde. Op syn reis nar Sneek wirde 'r op it selde plak anroepen as de foariche kear. De geest fan it kyn kwam wear bij it roer opklimmen, kreech it lykkleed fan 'e skipper, bedankte 'm er goed foar en foarspelde 'm, dat ons Lieven Hear 'm er noch 's rikelyk foar segene súde. In ienen war oek it kyn wear wech en in 'e diepte fan 'e faert fersonken. Fan dy tiid ôf an gong it de skipper bovenstebêst in 'e wereld en as gedachtenis liet er it heele foarfal in :n stien in 'e gevel fan syn hús útbeitele.
Dy kleine geest waer fan 'n overwonnen rikeluiskyn, dat se - om 'e skande te bedekken - stiltsjes in 'e Sneeker faert ferdronken hadden!
♦ Het Schip in Zee was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den noordkant van het Fliet, het 12de van de Boomsbrug af, en waarschijnlijk eertijds bewoond door een "zeehandelaar".
♦ Het Schippershuis was eertijds de benaming van het huis aan den zuidkant van het Fliet, no. 4, waar het Schippersgilde zijn bijeenkomsten placht te houden en waar later het Schipperscompact bijeenkwam.
♦ De Schipperssteeg, in den volksmond ook Schipkesteich genoemd, is een steeg aan den zuidkant van de Tuinen, het 2de huis westwaarts van de Wijdesteeg aldaar. Waarschijnlijk is ze aldus genoemd, omdat meerdere schippers - wier schepen in de nabijheid hun ligplaats hadden - daarin woonden.
♦ Het Schoenmakersperk, thans de streek, loopende van de Pijlsteeg noordwaarts tot den Groeneweg, besloeg eertijds de geheele ruimte, westwaarts daarvan gelegen en begrensd door de Perksloot. Dit groote erf was eertijds door het Sint-Crispijn en -Crispiaangilde, het gilde der schoenmakers, gepacht van het koor van Oldehove, opdat ieder lid van genoemd gilde daar zelf zijn huiden kuipen en looien kon en waartoe een 30-tal kuipen in den grond aangebracht waren. Aan den noordkant van het perk bevond zich aan den Groeneweg een muur, waarin de hoofdingang was door een poort, welke in 1618 vernieuwd en versierd werd met het gildewapen, voorstellende een ossekop, onder een gekroonde els, leermes en bijl. (2)
♦ De Schoolstraat was, na 1624, een tijdelijke benaming voor de Bollemanssteg. In genoemd jaar werd namelijk de nieuwe Latünsche School, staande op den hoek van Bollemanssteeg en Bagijnestraat ingewijd, welke vervolgens ruim twee eeuwen bestaan heeft. Tot dit gebouw geeft een groote poort van gehouwen steen in de Bollemanssteeg toegang. Deze poort gaf als jaartal der voltooiïng 1625 aan, met daarboven de voorstelling eener springende fontein en het Latijnsche onderschrift:
"HIC VIVOS HELICON SUDAT SOLYMAEIUS IMBRES,
DOCTRINAEQUE SCATENT, ET PIETATIS OPES.
SPARGE, SACRAS FONS, UBER AQUAS, ET FLUMINE LARGO
MENTES, ORA, FORUM, TEMPLA LAREMQUE RIGA"
hetwelk, vrij vertaald, in dichtmaat beduidt:
De Heilige Helicon druipt hier van levend water,
Hier wellen schatten op van deugd en wijsheidszin.
Stort, rijke Bron, uw vocht en stroom met mild geklater
De harten en verstand, de markt en tempels in.
De naam Schoolstraat heeft evenwel in den loop der tijden blijkbaar geen opgang kunnen maken; een Leeuwarder spreekt nog steeds van Bollemanssteeg.
♦ De Schoolstraat is de naam van de straat, loopende van het Zaailand naar de Willemskade, westwaarts van en evenwijdig met de Prins Hendrikstraat. Zij is ontstaan sedert 1872, bij de toenmalige uitbreiding der stad naar het zuiden, en is genoemd naar de in het volgend jaar aldaar gestichte gemeenteschool, no. 4.
♦ Het Schoppenshof, verkeerdelijk Schoppershof genoemd, is sedert het eerste kwart der vorige eeuw een complex van een aantal woningen aan den weg naar Cambuur, tegenover over het oostelijk einde van het Cambuursterpad. Tot 1814 stond hier enkel een "Huis, Schuur en Hornleger, van ouds het Schoppenshof" genoemd, en blijkbaar aldus genoemd naar den oorspronkelijken eigenaar, zekeren Schoppen (3).
♦ De Schotstraat (a° 1425: de Schochsstrede; omstr. 1400: Schotstriete) ook als Scotschestraat voorkomende, was tot ongeveer het midden der 16de eeuw de naam, waaronder de Kleine Kerkstraat voorkomt. Misschien is ze aldus genoemd naar een oorspronkelijkk aldaar aanwezig varkens- of schaapschot, een beestenstal; mogelijk ook dat de naam eene verbastering is naar aanleiding van haar schotsche, haar scheeve ligging ten opzichte van de er mee samenhangende Groote Kerkstraat. [Vgl. schots en scheef.]
♦ De Schuitmakerspolle was een hooggelegen stuk grond (Friesch: pôlle) aan de Potmarge, waarop eertijds een scheepstimmerman zijn bedrijf uitoefende; bij de vernieuwing van het Aschland, na 1870, is zij geamoveerd.
♦ Het Schwarzenberghuis is eene latere benaming voor het Holdingahuis, hetwelk dien naam verkreeg in 1641, toen het in het bezit kwam van Wilco Holdinga, Vrijheer toe Schwarzenberg, majoor bij de ruiterij, in wiens naam de geslachten Holdinga en Schwarzenberg vereenigd waren.
♦ De Seigneurie. Onder dezen naam komt het gebouw voor, dat zich eertijds bevond op den oostelijken hoek van het Hofplein en de Sint Jacobsstraat, een weinig meer noordwaarts dan het tegenwoordige hoekhuis, daar de Seigneurie met zijn noordelijken gevel uit het voormalige water van den Eewal oprees. De ingang er van bevond zich aan den zuidkant van het gebouw, in de verdwenen Fokssteeg. Reeds vóór 1684 was deze "huizinge, de Signeurie genaamt, d'olde Hopman Dirk Sibrens toebehorende" afgebroken. Naar dit gebouw was genoemd
♦ de Seigneuriepijp, welke eertijds over het water van den Eewal gelegen, de Sint Jacobsstraat met de Bejjerstraat verbond. In 1695 werd zij van ijzeren leuningen voorzien.
♦ De Seigneuriewal werd, vóór 1827, dat gedeelte van den Eewal genoemd, hetwelk gelegen was tusschen de Sint Jacobsstraat en de Groote Hoogstraat. De wal ontstond, toen de Fokssteeg verdween en de noordelijk er van gelegen huizenrij, waaronder de Seigneurie, na door de provincie aangekocht te zijn, meer zuidwaarts herbouwd werd. In 1827 werd de er neven liggende gracht overwulfd en bevloerd, waardoor een brugplein ontstond, aansluitende bij dat vah het overige Hofplein.
♦ Het Sierksmahuis bevond zich in het laatst der 15de en verder in de 16de eeuw aan den oostkant van de Groote Hoogstraat, nevens het aldaar toen aanwezige oude Raadhuis. Het droeg dien naam naar het aanzienlijke geslacht Sierksma (ook alsSurkisma, Syrksma, Sircksma, Siercksma en Sierxma voorkomende), dat in de 15de en 16de eeuw, mede door zijne bestuursfuncties, te Leeuwarden, zeer gezien was; zoo was o.a. Tjepke Allertsz Sierksma in 1527 en daarna burgemeester der stad. Een ander
♦ Sierksmahuis, eveneens binnen de stad gelegen, bevond zich aan de zuidzijde van de Bagijnestraat, nabij de tegenwoordige Kaatsbaan, terwijl eveneens een
♦ Sierksmahuis, een eigenerfde hofstede, buiten de stad, op het Nieuwland, ongeveer ter hoogte van het Schapedijkje, omstreeks 1660 gelegen was.
♦ De Singelstraat, sedert 1877 ontstaan, verbindt de Noordersingel met de Spanjaardslaan.
♦ Het Sint Annaklooster, een andere benaming voor het Bagijneklooster, komt reeds in 1505 onder dien naam voor (Sinte Annacloester) en is aldus genoemd naar de patrones van het klooster, de H. Anna, moeder van de H. maagd Maria.
♦ De Sint Annastraat (omstreeks 1550: Sinte Annen strate) was eertijds een andere benaming voor de Bagijnestraat.
♦ Het Sint-Anthonygasthuis (dato 1425: Sunte Antonius iesthuse; anno 1430: Zunte Antonius Gasthuse), kortweg Sint-Anthoon (anno 1432: Sente Antonius) genoemd, even na 1400 aan de zuidzijde der Groote Kerkstraat gesticht door leden van het H. Sacramentsgilde (anno 1472: "dat Heilighe Sacraments jeld") is genoemd naar den H. Anthonlus van Belle, aan wien deze stichting, - oorspronkelijk tegelijk een armen-, zieken- en proveniershuis -, gewijd was. Aan het Schoenmakersperk, tegenover het Perkswaltje, is sedert 1864 een nieuw Sint-Anthoay gasthuis ontstaan, als uitbreiding van dat aan de Groote Kerkstraat.
♦ De Sint-Anthonystraat, loopende van de Groote Kerkstraat naar de Bagijnestraat, westwaarts van het oud Sint-Anthonygasthuis, is sedert 1869 ontstaan door de demping van de weleer zich daar bevindende oude gracht.
♦ Het Sint-Anthonyweeshuis, bestemd voor weesjes, die te jong waren, om in een ander gesticht opgenomen te worden, is sedert 1869 aan het Perkswaltje gesticht door de voogden van het Sint-Anthonygasthuis.
♦ De Sint-Catharinapoort is een vroegere benaming van de Hoeksterpoort; eertijds was zij gewijd aan de H. Catharina, de beschermheilige der voormalige parochie Hoek.
♦ De Sint-Catharinaschans is de naam van het rondeel, omstreeks het midden der 16de eeuw in de stadsgracht, oostwaarts van de Hoeksterpoort gelegen en dienende tot bescherming bij de verdediging dier poort. Ook zij was aan de beschermheilige van Hoek de H. Catharina toegewijd, evenals
♦ de Sint-Catharinaschool, weleer aan den noordkant van het Hoekster kerkhof gelegen en verbonden met de zich daar bevindende woningen van den priester en den vicaris van de parochie Hoek. In de middeleeuwen stond deze school zeer gunstig bekend.
♦ De Sint-Franciscusbrug, een vroegere benaming voor de Korfmakersbrug, droeg dien naam, omdat zij, door de latere Korfmakersstraat, leidde naar het Minderbroedersklooster Galilea, welks monniken volgelingen waren van Sint-Franciscus.
♦ De Sint-Frederiksteeg, door den volksmond verbasterd tot Skinkefreterssteich. is een "gloppe" aan den westkant van de Munnikemuurstraat, onmiddellijk zuidwaarts van perceel no. 123. Misschien is de naam ontstaan tijdens het bestaan van het eertijds westelijk er van gelegen Jacobijnerklooster.
♦ Het Sint-Jacobsgasthuis, eertijds staande zuidwaarts van de tegenwoordige Klokstraat, is omstreeks 1480 gesticht door Arend van Zwolle en diens echtgenoote Hil. Als een zieken- en provinciehuis was het toegewijd aan den H. Jacobus den meerdere. Na in 1811 onder het toezicht der voogden van het Sint-Anthonygasthuis gesteld te zijn, is het na een eeuw, in 1581, opgeheven. Noordoostwaarts van het gebouw bevond zich een kerkje, de Sint-Jacobskapel.
♦ De Sint-Jacobspoort, een middeleeuwsche stadspoort, bevond zich oorspronkelijk aan het zuideinde der Sint-Jacobsstraat, ter plaatse van de tegenwoordige Waagspijp; later is zij - bij den uitleg der stad - meer zuidwaarts verplaatst.
♦ De Sint-Jacobsstraat, loopende van de Waagspijp naar het Hofplein, is aldus genoemd naar het weleer daarin zich bevindende Sint Jacobsgasthuis. Oorspronkelijk liep de straat onder dien naam door tot de Jelgerapoort en werd zij onderscheiden in de (Groote) Sint-Jacobsstraat en de Kleine Sint-Jacobsstraat (de latere Beijerstraat).
♦ Sint Jacob wordt te zijn voorgesteld op een steen in den gevel van Sint-Jacobstraat 4, blijkbaar een mansfiguur, aan hoofd, schouder, armen en dijen met dolken doorboord. [Dit is niet Sint Jacob maar het "wondenmannetje".]
♦ Het Sint-Jobsleen is de naam van de huizehreeks,sedert 1645, van het Tournooiveld westwaarts zich tot den Boterhoek uitstrekkende, en aldus genoemd naar den oorspronkelijken eigenaar van den grond aldaar, n.l. het Sint-Jacobs- of Sint-Jobsleen tot Oldehove, ingesteld door Heer Jelle Jousma, van 1458-'84 achtereenvolgens vicaris, sacrista, pastoor en deken van Oldehove, en commissaris van Oostergo. Een gevelsteen in den Boterhoek, no.137, droeg het opschrift:
1645 Maart 18
"Dees pleck is genaemt
sint Jobsleen
daerop heeft Ieds
Pieters van Tiesema gelegt
de eerste steen".

(1) Volgens W. Eekhoff, Geschiedk. beschr. v. Leeuw. I, 192; in de middeleeuwen beduidde shauer-neck: afval van het schaap.
(2) Bij de gilderol en ordonnantie voor de Schoenmakers, van 1549, waren de werkzaamheden der "Gildebroederen, looiende oppet ambachts- ofte Schoenmaekersparck" uitvoerig geregeld.
(3) Nog in het eerste kwart dezer eeuw woonde hier op no. 22 B. Schoppen.


||| 59. LC 5 juni 1937.
♦ De Slingerij, onderscheiden in de oude en nieuwe Slingerij, worden in 1618 vermeld als een tweetal herbergen binnen Leeuwarden: de juiste plaats daarvan en tevens de beteekenis van dien naam zijn ons onbekend. (1).
♦ Het Slot is sedert omstreeks 1700 de naam van de huizenreeks aan den noordkant van het Fliet, zich oostwaarts van het voormalige Tichelwerk uitstrekkende. Oorspronkelijk had deze naam betrekking op enkele huizen bewesten deze steenbakkerij, en was zij misschien bedoeld, om daarmede het einde van de toenmalige Flietster huizenrij aan te geven.
♦ De Slotmakersstraat, van bij de Put afhellende naar de Wortelhaven, is aldus sedert het midden der 16de eeuw genoemd, omdat oorspronkelijk verschillende smeden en slotemakers aldaar hun woonplaats hadden.
♦ De Sluitboom was oorspronkelijk blijkbaar een verplaatsbare of draaibare balk, waarmede aan den oostkant, nabij de Kleine Kerkstraat, het Oldehoofsterkerkhof afgesloten was, en waarnaar, - tot omstreeks de helft der vorige eeuw - de dubbele rij huizen, westwaarts van de Groote Kerkstraat tot aan genoemd kerkhof aangeduid werden als bij den Sluitboom.
♦ De Sneeker Stal, eertijds ongeveer zuidwaarts van het Stads-Verlaat, aan de Harlinger Trekvaart gelegen, diende tot stalling van de paarden, welke de schepen van Leeuwarden naar Sneek trokken. In 1859 is het gedeelte van de trekvaart, tusschen het Verlaat en den Sneeker Stal, een weinig in noordoostelijke richting verlegd.
♦ De Sneeker Trekweg, gedeeltelijk langs de Harlinger Trekvaart loopende, is 7 Mei 1662, na eenige "ontresene differentien" met de Stad Sneek voor het verkeer geopend, en liep tot in het begin der vorige eeuw van Sneek tot aan het Sneeker Tolhuis nabij Leeuwarden; eerst in 1807 is zij tot aan het Stads-Verlaat doorgetrokken.
♦ De Soldatengracht, tot in het begin dezer eeuw uit het water van den Ooster-Grachtswal, onmiddellijk ten noorden van perceel no. 123, zich oostwaarts uitstrekkende, was aldus genoemd, omdat zij gedeeltelijk de noordgrens vormde van een exercitieveld, dat van 1773-1849 aangewezen was tot oefeningsterrein voor de militairen der stedelijke bezetting. Het grachtje is gedempt in verband met de uitbreiding der stad, oostwaarts van den Grachtswal, waardoor tevens het er overgelegen Grachtswalbruggetje verdwenen is.
♦ De Sophialaan. Sedert 1874 is deze naam gegeven aan den Stationsweg, van het in 1864 geopende Spoorwegstation in noordelijke richting tot de Prins Hendriksbrug loopende. Zij is genoemd naar Sophia Frederika Mathilda, koningin van Nederland, geboren 17 Juni 1818, dochter van Wilhelm I, koning Van Württemberg, en van diens echtgenoote Catharina Pawlowna. Deze veelzijdig begaafde vorstin, - door den wereldberoemden Alexander van Humboldt de meest ontwikkelde der Europeesche vorstinnen van haar tijd genoemd -, trad 18 Juni 1839 in het huwelijk met den kroonprins van Nederland, den lateren koning Willem III. Zij is te 's Gravenhage overleden 3 Juni 1877. (Zie: de Willemskade).
♦ De Spanjaardsdijk, later Spanjaardslaan genoemd, oorspronkelijk een hooiweg, welke in de late middeleeuwen als Fiswerderweg en Leprozenweg voorkomt, en in den volksmond nog steeds de Kerkhofslaan geheeten wordt, vormde oorspronkelijk de verbinding van den Zwarteweg met den Breededijk, en loopt thans van de Noorderbrug met een bocht om het noordwestelijk deel der oude stad tot den Marssumerdijk. De naam zou ontleend zijn aan het volgende feit.
Op 19 Mei 1568 werden tien vendels Spanjaarden te Harlingen ontscheept, die over Leeuwarden en Bergum hun weg namen, teneinde in Groningerland aan den strijd tegen het Nassauwsche leger deel te nemen. Om de burgerij eene requisitie van leeftocht door de Soldatenbende te besparen, werd van Stadswege de route niet door de stad, maar noordwestwaarts daaromheen geleid, en werden tevens op den toenmaligen Leprozenweg de krijgsknechten "van den raet gespijst met witbroot ende wijn". Blijkbaar geschiedde dit ten aanschouwe van de burgerij van Leeuwarden, die zich daartoe in menigte op den tegenovergelegen Stadswal verzameld had, op wie deze gebeurtenis een dusdanigen indruk maakte, dat men den Leprozenweg sedertdien de Spanjaardsdijk bleef noemen. Na de op de Spanjaarden bevochten overwinning bij Heiligerlee, keerden van de tien vendels, op den 29 Mei d.a.v., slechts vier binnen de stad terug, "gans weerloos ende sohder geweer, ende hebben soe lange gelegen binnen Leeuwerden tot dat sij wederom gereist zijn".

(1) Een 30-tal jaren geleden zag schrijver dezes voor een herberg aan den Westkant der Stad Groningen, nabij het Hoendiep, een uithangbord met de voorstelling van een gezelschap, rijdende in een hooiwagen, met het onderschrift: IN DE SLINGERIJ.

♦ De Sparreboom was reeds in het midden der 16de eeuw de naam van het huis aan den zuidkant van de Nieuweburen, staande op den oosthoek van de Breedstraat. Het was aldus genoemd naar een steen in den gevel, waarin de voorstelling van een sparreboom uitgehouwen was; met de verbouwing van het huis, in de tweede helft der vorige eeuw, is de steen uit den gevel verdwenen.
♦ De Sparreboomsbrug, eertijds gelegen over het water der Nieuweburen, ten noorden van de Breedstraat, is in 1865 bij de demping van dat water afgebroken. Zij was genoemd naar het nabijgelegen huis "de Sparreboom".
♦ De Speelmansstraat (Ao 1543: "de Spoelmannestraete"), van Bij de Put zuidwestwaarts loopende naar de Kleine Hoogstraat, is zeer waarschijnlijk aldus genoemd naar zekeren Gijsbert Speelman, die eertijds in deze straat eigendommen bezat.
♦ De Spelonke was de veelzeggende naam van een huis in de voormalige Fokssteeg, dat door de stad aangekocht en in 1682, wegens bouwvalligheid, afgebroken is.
♦ Het Spinhuis. Met dezen naam werd door de spraakmakende gemeente gewoonlijk het Stads Werkhuis aangeduid, omdat de arbeid, die er in verricht werd, - althans in de eerste tijden -, hoofdzakelijk uit het spinnen bestond.
♦ Het Spooksteegje, eertijds van den noordkant der Nieuweburen naar de Wabbe Wissesstraat, op eenigen afstand westwaarts van, en evenwijdig met de Vijzelstraat loopende, was een gedeeltelijk overbouwde nauwe doorgang, waarin zich een tweetal eenvoudige woningen bevond. Waarschijnlijk was het aldus genoemd naar de donkere spookachtige sfeer, die er heerschte. In het begin dezer eeuw is het voor het doorgaande verkeer afgesloten.
♦ Het Springend Paard was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een herberg, zuidwaarts van de tegenwoordige Wirdumerpoortsbrug, nabij den ingang der Schrans. Zij was vermoedelijk aldus genoemd naar het uithangbord met de voorstelling van een springend paard, teekenend voor een herberg, waar de buitenlui, die per rijtuig van het zuiden uit de stad bezochten, meermalen hunne paarden uitspanden.
♦ De Spykerboor. Onder dezen naam komt o.a. in 1813 twee pondemaat (= 2 x 36 3/4 are) greidland voor, gelegen aan den Tjessingaweg, waarschijnlijk aldus geheeten naar den bijzonderen vorm van dit stuk land, dat niet een langwerpige strook was, maar in zijn gedaante eenigermate deed denken aan den vorm eener spijkerboor.
♦ Het Stadhuis, in den volksmond als it Stadshuus aangeduid, en gedeeltelijk aan het Raadhuisplein, gedeeltelijk aan het Hofplein staande, is in 1715 gesticht als zetel van het bestuur der stad. Tevoren was die zetel achtereenvolgens gevestigd in een gebouw nabij de Brol (onder den Lindeboom), aan den oostkant van de Groote Hoogstraat, en aan den oostkant van het Heerenwaltje Het draagt in den voorgevel het Latijnsche opschrift PACE ET JUSTITIA, d.i. "Door Vrede en Gerechtigheid".
♦ De Stad Dockum was tot in het begin dezer eeuw de naam van de herberg aan den oostkant van de Voorstreek, no. 368, hoek Hoeksterpad. Zij beleefde hare glorie, toen de verschillende beurtschepen, welke in de richting der stad Dokkum voeren, aan het nabije Dokkumerend hun aanlegplaats en veerhuis hadden. Thans is in het pand een café gevestigd.
♦ De Stads Armenkamer. Aldus werd genoemd de zetel van het bestuur der Stads- of algemeene armen, welke eertijds gevestigd was in het Nieuwe Stads Weeshuis, en sedert 1826 overgebracht is naar een aantal panden aan de Keizersgracht, nabij den hoek van het Nieuwstraatje, gedeeltelijk dáár, waar zich thans gemeenteschool no. 10 bevindt. De uitdeelingen aan de behoeftigen, welke vóór 1826 in de Broodkamer aan de Jacobijnerkerk geschiedden, hadden sedertdien hier plaats. Nadat nog in 1830 een kamer voor de bedeeling bijgebouwd was, werd het geheel in 1854 gevestigd in de Haniasteeg, in de onmiddellijke nabijheid van
het Stads Arm- en bestedelingenhuis, kortweg it Armhuus genoemd. Dit gebouw, ingericht om een aantal bejaarde arme lieden en verwaarloosde en verlaten kinderen te huisvesten, werd aldaar in 1830 in de toen ontruimde kazerne der Stad, in gebruik gesteld. Na eenige uitbreidingen in 1865 en '77 te hebben ondergaan, werd in 1879 zoowel het gebouw der Armenkamer als het Armhuis afgebroken, om in 1881 plaats te maken voor een nieuw gesticht ter plaatse, hetwelk èn voor de huisvesting èn voor de bedeeling der armen dient en tevens een vergaderzaal voor de voogden bevat.
♦ De Stads Boter- en Zoutwaag, kortweg de Waag geheeten, reeds in 1386 vermeld, bevond zich oorspronkelijk misschien ongeveer westwaarts van en tegenover het Aukemahuis, aan het tegenwoordige Raadhuisplein. Na den uitleg der stad naar den kant van de Nieuwestad, is het gebouw verplaatst naar de plek, ruim 20 meter oostelijk van het nog bestaande oude Waaggebouw gelegen. Dit laatste is in zijn oorspronkelijken vorm omstreeks 1598 gebouwd, en na vele veranderingen ten slotte van 1884-'90 belangrijk gerestaureerd. Eertijds werden daar de vaten boter en de zakken zout, welke ter markt aangevoerd werden, gecontroleerd en gewogen. Het langst geschiedde dit nog met de boter (tot 1880).
♦ Het Stads Burgerziekenhuis, kortweg het Stadsziekenhuis, en zelfs het Ziekenhuis genoemd, werd op 8 April 1825 gevestigd in het gebouw aan het Blokhuisplein, te voren door 's Lands scherprechter bewoond. Mede "ter wegneming van het vooroordeel, hetwelk bij vele dienstbaren en minvermogenden tegen de opneming in dit gesticht bestond, volgde in 1841 de afbraak en wederopbouw in meer welingerichten vorm, nagenoeg zooals het zich nog vertoont.
♦ Het Stads Pesthuis werd omstreeks 1581 ongeveer ter plaatse van het westelijk deel van het tegenwoordige Nieuwe Stadsweeshuis gesticht, dáár, waar te voren het ziekenhuis en waschhuis van het Jacobijner Klooster zich bevonden. Wegens ongeschiktheid en bouwvalligheid werd het in 1611 vernieuwd, terwijl dit vernieuwde gebouw nog tot 1675 als Pesthuis dienst heeft gedaan. Het was bestemd tot opname van behoeftige zieken, die besmet waren door "die grouwsaeme plaege der pestilentie". Reeds in 1576 waren daartoe van Stadswege eenige
♦ Stads Pestkamers (a° 1576: "Stadts Pestcameren") aan den stadswal, achter de Nieuwe Buren ingericht, welke echter in sommige jaren van epidemie verre van toereikend bleken te zijn. Dáár, waar in een woning de gevreesde ziekte heerschte, was de deur van een stroowisch voorzien.
♦ De Stads- of Prinsentuin, oorspronkelijk aangelegd in de onbebouwde binnenruimte van den Noorderdwinger, werd in 1648 aan Friesland's Stadhouder, prins Willem Frederik, als een lusthof ten gebruike gegeven. Onderwijl vele wijzigingen en uitbreidingen in den loop der tijden plaats hadden, en achtereenvolgens de verschillende prinsen-stadhouders van het Friesche Hof hier een plaats van ontspanning vonden, kwam aan dit laatste een einde, toen prins Willem IV met diens verheffing tot Stadhouder van alle gewesten, in 1747, zijne residentie naar 's Gravenhage verlegde. Nadat spoedig na de omwenteling van 1795 geschillen gerezen waren tusschen het bestuur der Stadhouderlijke domeinen en dat van Leeuwarden over het recht van eigendom van den tuin, werd hij in 1798 - onder den naam van "Nationalen Tuin" - als openbare plaats van ontspanning voor de ingezetenen der stad opengesteld. Ten slotte volgde 21 Mei 1819 het besluit van koning Willem I, waarbij "de Stad Leeuwarden in het bezit van den grond van den zoogenaamden Prinsentuin hersteld" werd; "gevende Z.M. daarbij te kennen, dat het hem aangenaam zal zijn, dat de gezegde Tuin bij voortduring in stand gehouden worde en op den bestaanden voet tot wandelplaats voor de ingezetenen bestemd blijve". Sedertdien draagt hij dus met recht den naam van Stadstuin, ofschoon de volksmond steeds blijft spreken van Prinsentuin.
♦ De Stads Schuttersdoelen; zie: de Doelestraat.
♦ Het Stads Soephuis, kortweg het Soephuis genoemd, was sedert 1807 gevestigd in de Groote Hoogstraat, dáár waar zich in de 16e eeuw het Stadhuis bevond, terwijl sedert 1864 een deel van het Nieuw Sint-Anthonygasthuis daartoe ingericht was. Daar werd in den winter aan behoeftigen warme en voedzame spijs uitgereikt, bestaande in de zoogenaamde Rumfordsche Soep (2). De bestanddeelen daarvan bestonden oorspronkelijk uit water, rundvleesch, kool, selderij, aardappelen, gort, peper, zout en grove "weiten bollen", welke laatste evenwel sedert 1809 aan de samenstelling onttrokken werden. Zij werd bekostigd uit ingezamelde giften der ingezetenen, waarmee men het uitreiken van aalmoezen aan zwervende bedelaars trachtte tegen te gaan.

(2) De stoot daartoe was reeds in 1800 gegeven door burgemeester Tys Feenstra.

♦ Het Stads Verlaat, kortweg het Verlaat geheeten, was oorspronkelijk een houten sluis met sluiswachterswoning in de Nieuwlandsvaart, op 19 roeden buiten de L. Vrouwe Waterpoort gelegen, dienende om het afstroomende water van Oostergo naar Westergo te regelen. In 1600 werd het Verlaat 20 roeden verder van de stad, van steen opgetrokken, ongeveer ter plaatse van de tegenwoordige Verlaatsbrug. Na nog in 1727 te zijn vernieuwd, is het in 1859 afgebroken. Tot 1580 was het Verlaat eigendom der Sint-Vituskerk van Oldehove.
♦ Het Stads Werkhuis, sedert 1695 gevestigd in de voormalige parochiekerk aan de Voorstreek, was aangewezen tot opname van mannen, vrouwen en kinderen, die bedelend aangetroffen werden, evenals van de kinderen dier ouders, die bedeeling genoten. Na zoo noodig door den Stadswachtmeester gevat te zijn, werd hun hier een taak - voornamelijk in spinnen en weven bestaande - aangewezen, "opdat door dit middel van gesette werkzaamheid de jeugt gequeekt, de armoede vermindert en de totale ruïne van de stad gepraevenieert mach worden", zooals het bij de oprichting heette.


||| 60. LC 19 juni 1937.
Het Starckenburgshuis. Onder dezen naam komt in 1683 het Martenahuis op de Nieuwestad voor, blijkbaar aldus genoemd naar een voormaligen eigenaar, stammend uit het geslacht Starckenborg, dat van nabij Rinsumageest afkomstig was.
♦ De Ster was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den westkant van de Suupsteeg, het meest zuidelijke nabij den Eewal. De naam zal waarschijnlijk ontleend zijn aan een vroeger uithangteeken met de voorstelling van een ster.
♦ De Ster was tot in het laatst der vorige eeuw de naam van het huis aan den oostkant van de Voorstreek, no. 352, tegenover het Dokkumerend. Het Hallumer Veerhuis was er gevestigd, en als gevelteeken droeg het een wit geschilderde ster op blauwen grond.
♦ De Stokerssteeg, ook Kastmakerssteeg geheeten, was tot in het begin dezer eeuw een doodloopende steeg in het Ruiterskwartier. Waarschijnlijk was zij eertijds het eigendom van iemand, die den familienaam Stoker droeg, mogelijk ook, dat zij herinnert aan eene weleer in de nabijheid zich bevindende stokerij van "sterke wateren".
♦ Het Struivingspoortje is eene latere benaming voor het Popta-poortje aan de breedzijde der Nieuwestad, aldus geheeten naar A. Struiving, die een tijdlang eigenaar der huizen "in het poortje" geweest is.
♦ De Suupsteeg, afdalende van de Speelmansstraat naar den Eewal, is genaamd naar de marktplaats van karnemelk (Friesch: sûpe; Leeuwardersch: suup), welke reeds in het begin der 17de eeuw nevens deze steeg op den Eewal gehouden werd, in een tijd, toen karnemelk, - meer dan thans - een der hoofdbestanddeelen van het volksvoedsel in Friesland uitmaakte.
♦ De Swette is de westelijke begrenzing van het Leeuwarder grondgebied op het Leeuwarder Nieuwland. Zij wordt gevormd door
♦ de Swettedijk, een gegraven ophooging, met onmiddellijk daarnaast
♦ de Swettesloot. Beide loopen van Bozum tot Beetgum midden door het Nieuwland, eertijds afgezet door het water der voormalige Middelzee, en geven tevens gedeeltelijk de grens tusschen Ooster- en Westergo aan. Swette is eeh oud Friesch woord, dat grensscheiding beteekent teekent (swetten = begrenzen).

>> begin

♦ Taniaburen, een gehucht onder Bilgaard, is blijkbaar ontstaan om eene vroeger aldaar bestaande stins, later state.
♦ Taniaburg, welke beide herinneren aan het oud-adellijk geslacht Tania, Tanja of Taninga, waarvan zekere "Minno Tiessama alias Tanya" omstreeks 1422 waarschijnlijk bezitter van den burg was.
♦ De Taniameer, eene oude waterlossing, en opvaart uit de Dokkumer Ee naar Taniaburg, is mede daarnaar genoemd.
♦ Het Thyske Tiltsje. Aldus werd de tot 1875 bestaande vaste Wirdumerpoortsbrug genoemd naar Thijs Feenstra (geb. 17 Augustus 1765 te Franeker, overleden 23 November 1840 te Veenwouden) van 1824-'33 onafgebroken burgemeester der stad, die deze brug liet bouwen.
♦ Het Tichelwerk werd tot in het laatst der vorige eeuw een gedeelte van het Noordfliet, onmiddellijk westwaarts van het Slot gelegen, genoemd. Tot 1894 bestond daar eene steenbakkerij (Friesch: tichelwirk), waar daarna de Tichelstraat ontstaan is.
♦ De Tipelsteeg bevond zich nog in het midden der vorige eeuw westwaarts van en evenwijdig met de Dichte Gasthuissteeg. Zij liep van het Perkswaltje zuidwaarts tot ongeveer ter halver hoogte van de Groote Kerkstraat, om daarna rechthoekig naar het westen om te buigen en uit te loopen in de Wijde Gasthuissteeg. In de steeg bevond zich een zestal woningen. De oorsprong van den naam is ons onbekend (1); misschien hangt hij samen met het begrip schemerig, gedachtig aan de overdrachtelijke beteekenis van het Friesche woord tipelje in de uitdrukking: "it tipelt yen foar de eagen".
♦ De Tjessingaweg, in het begin der vorige eeuw ook als Tjissemerweg voorkomend, en oorspronkelijk Tjessingadijk geheeten (in het Friesch verbasterd tot Tsjeskedyk of Tsjeskenwei), vormt gedeeltelijk de noordgrens van het oude stedelijk gebied, en loopt van den Stienserdijk westwaarts door het Nieuwland in de richting van Beetgum. Oorspronkelijk een kade opgeworpen tegen het water der voormalige Middelzee, vormde hij tot 1894 een landweg, welke sedert genoemd jaar door de eigenaren van eenige er aan gelegen boerenplaatsen - nadat daartoe tevergeefs bij het stedelijk bestuur aangeklopt was - in een kunstweg herschapen werd. Hij is blijkbaar genoemd naar den stichter van Tjessinga-state onder Jelsum, die er eertijds de eigenaar van geweest zal zijn.
♦ Tonnenburg was tot in het laatst der vorige eeuw de naam eener boerderij aan den oostkant van den Stienserdijk, dáár, waar de Oude Meer in het westen tegen dien dijk stuit. De oorsprong van dien naam is ons onbekend; waarschijnlijk is het eene schertsende benaming samenhangend met het groote aantal botertonnen, eertijds - in den tijd dat op de boerderij zelf nog de boter verwerkt werd - aldaar aanwezig.
♦ De Tonslagerij is de naam van een streek woningen aan den westkant van het Oldegalileën, loopende tot aan de Dokkumer Ee, zuidwaarts van de Zijlsloot aan het Peterseliewaltje. De naam herinnert aan den tijd, toen hier in de vorige eeuw in massa vee geslacht en voor export in tonnen gekuipt werd.
♦ Het Tontje was eertijds de naam van een huis, nevens de Tontjepijp gelegen en stellig aldus genoemd naar het gevelteeken met de voorstelling van een botervat, zooals er zoovele aan de nabije Waag verhandeld werden.
♦ De Tontjebrug, ook Waagsbrug geheeten, lag tot 1871 over het water van de Nieuwestad, tusschen de Langepijp en de Tontje- of Waagspijp. Zij is in genoemd jaar afgebroken en ontleende haar naam aan de botertonnetjes, welke eertijds aan de nabije Waag aangevoerd werden.
♦ De Tontjepijp, ook Waagspijp genoemd, gelegen over het water, waar het Nauw en de Nieuwestad samenkomen, vóór de Sint Jacobsstraat, is aldus genoemd naar het huis "het Tontje".
♦ De Torenstraat, loopende van het Harlinger End noordwaarts tot den toren de Oldehove, is reeds vroeg naar dezen genoemd. Aan den westkant der straat bevindt zich in den gevel van perceel no. 17, in hout gebeeldhouwd, de voorstelling van een trekschip, met daarboven het jaartal 1762, geflankeerd door de naamletters van den stichter van het huis I. A. H. en diens vrouw A. H. S. Zij vormt eene herinnering aan den tijd, toen het nabije Schavernek de aanlegplaats was der trekschepen, die in de richting van Sneek en Harlingen voeren; misschien bevond zich eertijds in het perceel een veerhuis, of was het de woonplaats van een "commissaris van de trekschepen".
♦ De Toren van Babel was tot in het begin dezer eeuw de naam van een huis aan de smalle zijde der Nieuwestad, het tweede van den oostelijken hoek van de Weerd, aldus geheeten naar een in grijs en zwart geschilderd houten gevelteeken, met de tot dien tijd heerschende traditioneele voorstelling van genoemden toren en het onderschrift: TOREN van BABEL. Misschien werd het oorspronkelijk door een steenhouwer bewoond, daar bedoeld teeken in vorige eeuwen veelvuldig door steenhouwers als uithangteeken gebezigd werd.
♦ De Tournooibaan. Aldus werd eertijds de ruimte genoemd, welke vóór de gebouwen van het gedemolieerd Blokhuis, aan den westkant, gelegen was - ook nog, nadat zij sedert 1613 vanwege het Stedelijk bestuur "tot chiraet van de stadt" tot "sierlyck Lyndhoff" beplant was. Ongetwijfeld zal men bij dien naam niet te denken hebben aan de tournooi- of steekspelen, de middeleeuwsche ridderlijke spiegelgevechten, welke bij sommige feestelijke gelegenheden gehouden werden, als wapenoefeningen in vredestijd. Deze toch kwamen reeds in het derde kwart der 16e eeuw - mede door de toepassing der vuurwapens - nog slechts sporadisch voor. Eerder zal men hierbij eenvoudig den naam in verband moeten brengen met het oorspronkelijk doel: het houden van wapenoefeningen, waartoe de militaire bezetting van het Blokhuis hier een terrein vond.
♦ Het Tournooiveld, in den volksmond Ternooiefeld en zelfs Ternoalifeld genoemd, dat zich thans van het westelijk einde van den Groeneweg noordwaarts tot aan den Prinsentuin uitstrekt, besloeg eertijds mede de meer noordelijk en westelijk gelegen ruimte, thans door den Prinsentuin ingenomen. Dit deel van den tuin - zoo nabij de Prinsestallen gelegen - was reeds in 1604 aan Stadhouder graaf Willem Lodewijk ten gebruike gegeven tot eene "Ren- en Piequeurplaetze", ten behoeve waarvan er toen een noodstal, en in 1615 eene smidse opgeslagen werd, terwijl het in 1623 met een muur omgeven werd. Later, na den aanleg van den Prinsentuin, bleef het Tournooiveld jarenlang door een hekwerk van den tuin gescheiden. Ook hier zal de naam in verband moeten worden gebracht met de militaire oefeningen, welke er oorspronkelijk plaats vonden.
♦ De Touwplúzershoeke werd nog omstreeks het midden der vorige eeuw een tiental naast elkaar aan het Zuidfliet gelegen woningen genoemd, staande bijna onmiddellijk westelijk van Kleyenburg. De naam zal ontleend zijn aan een vroeger bedrijf der bewoners, namelijk het uitpluizen van oud touw, o.a. tot het vervaardigen van breeuwwerk, hetgeen eertijds vaak als werkverschaffing plaats had. Vroeger bevond zich hier tevens een lijnbaan.
♦ De Trekschippershaven bevond zich tot omstreeks 1838 ongeveer ter plaatse van het terrein der Gasfabriek. Eertijds voornamelijk dienende als ligplaats der trekschepen voor de richting Dokkum, is zij na genoemd jaar gedempt, in verband met den aanleg van een beteren toegang tot de stad ter plaatse.
♦ De Troffel was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den noordkant der Wabbe Wissesstraat, het tiende van den oostkant en aldus zeer waarschijnlijk genoemd naar het gevelteeken, dat een troffel te zien gaf, als embleem van een vroegeren bewoner, die metselaar van zijn beroep was.
♦ Tsjokke Bûter (Ao. 1664: Tjoucke Bouter; Ao. 1718 (1698): Tiuuke Buuter). Onder deze Friesche benamingen vindt men aan den noordkant van het Fliet - ter plaatse eener latere lijmziederij -, een plek aangewezen, waar vermoedelijk eertijds ook reeds eene dergelijke inrichting aanwezig was. Niet onmogelijk, dat de naam als scherts bedoeld is voor het daar vervaardigde produkt, de lijm, welke in vloeibaren toestand in consistentie eenigermate met "dikke boter" overeenkomt.
♦ Het Tuchthuis. Gelijk de Leeuwarder nimmer spreekt van Raadhuis of Huis der Gemeente, doch steeds van Stadshuus, zoo negeert hij eveneens de benamingen Strafgevangenis en Huis van Bewaring, doch blijft hardnekkig spreken van It Tuchthuus.
♦ De Tuinen, thans de streek huizen ter weerszijden van het water, dat van de Voorstreek oostwaarts tot de Stadsgracht loopt, herinnert in den naam aan den tijd van vóór de 16de eeuw, toen voornamelijk aan den zuidkant uitgestrekte tuinen, rondom Martenahuis gelegen waren.
♦ Het Tuinster Achterom was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een streek van een dertiental huizen, loopende van den oostkant der Tuinen "achterom" naar het Droevendal.
♦ De Tuinsterbrug, over het water der Tuinen gelegen, verbindt de Nieuwe- met met de Oosterkade. Eertijds bevond zich daar de Tuinsterwaterpoort.
♦ De Tuinsterbrug was vóór den aanleg van vorengenoemde brug, eene andere benaming voor de Flietsterbrug.
♦ De Tuinsterpoort, later Nieuwe Flietsterpoort genoemd, zie: Flietsterbrug.
♦ De Tuinsterwaterpoort is eene oudere benaming voor de Flietsterwaterpoort.
♦ Tulpenburg was de naam, welke gegeven werd aan eene rij van 30 woningen sedert 1830 en 1838, evenwijdig met en westelijk van de Romkeslaan loopende, ontstaan. In 1844 werd, oostelijk van die laan, in dezelfde strekking een dergelijke huizenrij van 10 woningen, vanwege den tuinman R.K. Brink nevens diens bloemkweekerij gebouwd, welke den naam Klein Tulpenburg ontving. Een ander
♦ Tulpenburg werd in 1862 door den tuinman K.R. Brink gesticht. Deze buurt loopt in de strekking west-oost tot aan Achter de Hoven. Het complex huizen, dat later zuidwaarts hiervan ontstaan is, draagt den naam Achter Tulpenburg.
♦ De Turfdragersbaan, plaats van bijeenkomst der Stadsturfdragers, bevond zich tot 1835 aan de Wirdumerpoort. Nadat deze in genoemd jaar afgebroken was, werd zij verplaatst naar een woning aan den noordkant van de Reigerstraat, door het Stedelijk bestuur daartoe aangekocht.
♦ De Turfmarkt, oorspronkelijk gelegen aan weerszijden van de Canselarijgracht - thans gedempt -, is aldus genoemd, omdat zij eertijds van Stadswege aangewezen was als marktplaats plaats van turf en hout.
♦ De Turfmetersbaan, plaats van bijeenkomst der Stadsturfmeters, was tot 1827 gevestigd in een huis op de Huizumer Waterpoort. Nadat deze in 1827 afgebroken was, is zij verplaatst naar eene van Stadswege aangekochte woning aan den zuidkant van de Nauwesteeg.
♦ Het Turksch Hoofd was nog in het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de breedzijde der Nieuwestad, het tiende westelijk van de Oude Doelesteeg, waarschijnlijk aldus genoemd naar het uithangteeken met de voorstelling van het hoofd van een Turk.
♦ De Twaalf Keizers was vóór 1825 de naam van een huis aan den noordkant van de Langepijp, ongeveer ter plaatse van het latere gebouw der Groote Sociëteit. Tot dat jaar droeg het huis een uithangbord, waarop in cirkels de beeltenissen der twaalf Romeinsche keizers geschilderd waren. Een vroegere eigenaar had zelfs aan de binnenzijde van elk der openslaande luiken voor zijn vensters het portret eens keizers, levensgroot met kleuren en goud afgezet, laten schilderen. Zoo prijkte de eerste verdieping met zes, de tweede met vier en de bovenste met twee beeltenissen, n.l. die van Augustus en Tiberius.
♦ De Tweebaksmarkt, ook eertijds als Nieuwemarkt ("de Nijemarckt") voorkomend, onmiddellijk ten zuiden van de Turfmarkt, en voorheen aan weerszijden van het water der thans gedempte Heerengracht gelegen, draagt dien naam, omdat zij oorspronkelijk van Stadswege aangewezen was als ligplaats van de schepen, - behalve der bakkers van Huizum, de Jouwer, Berlikum enz., die hier op bepaalde dagen der week hun brood ter markt brachten - van de zoogen. "tweebakslieden", die van elders hunne beschuiten aanvoerden.
♦ De Tweelingen was omstreeks het midden der 17de eeuw de naam van een huis aan de Wortelhaven, genoemd naar het uithangteeken met het onderschrift "in de twee Linghen".
♦ De Tyesma-, Thyessema- of Tyessentille, gelegen bij het Oude Verlaat aan de Dokkumer Ee, is in het derde kwart der 16e eeuw vervangen door de Verwersbrug. Vermoedelijk was dit vaste houten bruggetje genoemd naar een lid van het geslacht van Minno Tiessama, alias Tanya, wiens naam in 1422 vermeld wordt.
♦ Tyltjendam is de naam, welke gegeven werd aan het gedeelte Oudland, gelegen tusschen de drie Ducatons en Bilgaard. Misschien hangt hij samen met dien van Daam van Tyl, een der bevelhebbers, die in 1495 een mislukten aanval aan den westkant der stad ondernam, en waarschijnlijk met zijne krijgsknechten ter plaatse van Tyltjendam gelegerd was.

(1) Van een der bewoners, een zekeren Mulder, verhaalt de overlevering, dat deze - die een groot vermogen bijeenvergaard had - zijn fortuin begonnen was met "knikkertschieten".

||| 61. LC 3 juli 1937.
De Tynje is de naam van het vaarwater, dat van de Froaskepôlle - buiten het gebied van Leeuwarden - in noordwestelijke richting loopt, en zich bij Schilkampen met de Murk tot het Fliet vereenigt. Deze naam komt in Friesland verspreid voor (1). Eertijds kwam tynje of tyninge (anno 1456: teninga; anno 1472: tynyngha; anno 1475: theningha; anno 1664: tynie); eene, ten behoeve van de vischvangst, kunstmatig aangebrachte versmalling in een waterloop. In het onderhavige geval is blijkbaar de grondbeteekenis op het geheele vaarwater overgegaan. Het in 1895 geopende Nieuwe Kanaal, dat den hoek van het water van den Grachtswal met de Tynje verbindt, ontving hiernaar den naam van Tynjekanaal.

>> begin

♦ Uniabuurt (zie: het Ossehuis) werd genoemd de buurt, na 1590 ontstaan, door bebouwing van de ledige plek, waarop eertijds Uniahuis gestaan had. Thans verstaat men daaronder de buurt, loopende van de Berlikumermarkt oostwaarts naar bij den Ossekop. In den zuidelijken gevel, aan de Uniabuurt, van het hoekhuis aan de Berlikumermarkt, no. 21, kwam tot in het laatst der vorige eeuw een gevelsteen (2) voor met het volgende mathematische opschrift:
Dese figuer is winkeld in A, B ende C
AB en AD zyn eeven lang
en het AREA is 3822 1249/10658
AB en BC doen te samen 112 9/23.
BC gemultipliceert met 54 54/23 sal comen in
wat Iaer en dach het fondament van
dit Huys geleit is, en AB gemultipliceert
met 20 sal comen de tijt van Iaer ende
dach, doen dit Huys gemackt was. (3)
Uit de oplossing van dit vraagstuk - zooals die o.m. door Leeuwarden's oud-burgemeester P. Lycklama à Nyeholt verricht is - blijkt, dat de bouw van het huis, waarvan de fundamenten op 11 Maart 1642 gelegd werden, op 19 Juni d.a.v. [moet zijn: 1643] voltooid was. In den grootcn natuur-philosoof René Descartes, die volgens de overlevering in het nabije huis de Gladde Gevel zou hebben gewoond, hebben sommigen gemeend den vervaardiger van het probleem te moeten zoeken.
♦ Het Uniahuis, een sterk kasteel uit het water opgetrokken, en bewoond door het geslacht Unia, bevond zich eertijds op de ruimte, welke gelegen is noordoostelijk van den hoek, door Weaze en Zwitsersch Waltje ingesloten. Het was in het begin der 15de eeuw gesticht door Keimpe Unia, of Oenye, schepen van Leeuwarden, en later grietman van Leeuwarderadeel. Nadat men in 1498, ter versterking der kasteelbezetting, heimelijk een wagen met geschut, kruit en lood tot voor de poort van het huis had weten te brengen, waarbij men de kruitvaten met boter besmeerd, en het geschut met riet overdekt had, werd deze list door de opmerkzaamheid van eenige spelende kinderen verijdeld, en het huis door de te hoop geloopen Leeuwarders ten slotte verwoest. Met de hiervan afkomstige bouwstoffen werd gedeeltelijk het nabije Blokhuis opgetrokken, terwijl in 1504 de kasteelgracht gedempt werd met de baggerspecie, verkregen bij het slatten van de Brol. Op de ruimte, te voren door kasteel, tuin en gracht ingenomen, werd achtereenvolgens vischmarkt, groentemarkt en ossemarkt gehouden.

>> begin

♦ De Valk was tot 1845 de naam eener herberg aan de westzijde van den Wirdumerdijk, het derde huis van het Wagenplein. Zij is stellig ontleend aan het oorspronkelijke gevelteeken voorstellende: een valk. In genoemd jaar werd de herberg tot een kruidenierswinkel omgebouwd, welke tot in het begin dezer eeuw den naam van De Valk bleef dragen.
♦ Het Vallaat is eene verbasterde benaming voor het Verlaat; zie: het Stads Verlaat. De benaming is eene algemeen voorkomende in de plaats van zijl of sluis; zij hangt samen met het werkwoord verlaten, d.i. (water) van de eene ruimte in de andere laten. De Leeuwarder geslachtsnaam Verlaat (4) is hieraan ontleend.
♦ Veldzicht was nog tot in het begin dezer eeuw de naam eener kapitale boerderij aan den noordkant van den Marssumerdijk, ongeveer tegenover Baens-Ein. Met recht droeg zij weleer dezen "zichtnaam", toen vandaar het oog nog niets dan het "veld" van het Leeuwarder Nieuwland onderscheidde.
♦ Het Vergulden Anker was tot in het begin dezer eeuw de naam van het huis Over de Korenmarkt, no. 220, aldus geheeten naar een verguld ankertje, als uithangteeken boven de deur van den voorgevel geplaatst.
♦ De Vergulden Brebil en Blaauwe Passer was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den oostkant der Minnemastraat, het vierde gerekend van de Korenmarkt af, en stellig aldus genoemd naar een uithangteeken, voorstellende een vergulde bril en een blauwe passer. Brebil was waarschijnlijk eene verschrijving voor beril, de oude benaming voor bril (5).
♦ De Vergulden Helm, ook als de Helm voorkomend, werd reeds in 1618 vermeld als een huis aan de breedzijde van de Nieuwestad, nevens de Langepijp, het tweede westwaarts van De Gouden Wagen, stellig aldus genoemd naar het gevelteeken met de voorstelling van een vergulden helm.
♦ Het Vergulden Hoofd komt nog in 1729 voor als benaming van een logement aan de breedzijde van de Nieuwestad, hetwelk later het Gouden Hoofd genoemd werd.
♦ De Vergulden Leeuw was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de westzijde van de Wortelhaven, het tweede van de Korenmarkt af, naar alle waarschijnlijkheid genoemd naar het gevelteeken met de voorstelling van een vergulden leeuw. Niet onmogelijk hing dit teeken samen met den gulden leeuw op 't blauwe veld van het Minnemawapen; eertijds toch strekte zich tot hier het gebied van Minnemahuis uit.
♦ Het Vergulden Tontje, kortweg het Tontje genoemd, was eertijds de naam van een herberg aan den oostkant van den Wirdumerdijk, het tweede, noordwaarts van de Peperstraat gelegen. Zie: Het Tontje.
♦ De Vergulden Valk was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de Voorstreek, op den zuidhoek van de Koningstraat, en stellig aldus genoemd naar het uithangteeken met de voorstelling van een vergulden valk.
♦ De Vergulden Vijzel was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den noordkant van de Nieuweburen, op den oosthoek van de tegenwoordige Vijzelstraat; waarschijnlijk was daarin een apotheek gevestigd, en bestond het gevelteeken in de voorstelling van een vergulden vijzel.
♦ De Verlaatsdwinger, ook Prinse Weitmolensdwinger geheeten, was eertijds de benaming voor het vroegere bastion, in den zuidwestelijken hoek van den Stadswal gelegen; in 1623 voltooid, werd hij in 1847 in plantsoen herschapen. De naam houdt verband met het weleer er tegenover gelegen Stads Verlaat.
♦ De Vermaningsteeg, onderscheiden in eerste en tweede Vermaningsteeg, trof men weleer aan op het Zwitsersch Waltje, welke beide stegen halverwege gemeenschappelijk doorliepen naar de Blokhuissteeg, en aldus genoemd waren naar de hier sedert 1620 bestaande vermaning (= bedehuis) van de Doopsgezinde secte der Nieuwe Vlamingen of Friezen, welke zich in 1758 combineerde met de beide andere indertijd te Leeuwarden bestaande Doopsgezinde secten.
♦ Een andere Vermaningsteeg, ter onderscheiding later de Oude Vermaningsteeg genoemd, trof men eertijds aan op de Nieuwestad tegenover den zuidwestkant der Stadswaag, welke steeg zuidwaarts doorliep naar de Oude Koemarkt. Zij droeg dien naam naar de vroeger in deze steeg aanwezige vermaning van de Doopsgezinde secte der Oude Vlamingen, wier gemeente langen tijd de grootste der drie vroeger te Leeuwarden bestaande Doopsgezinde gemeenten geweest is. Verder liep van de Nieuwestad oostelijk van, en halverwege evenwijdig met de voorgaande Oude Vermaningsteeg een
♦ Vermaningsteeg, welke sedert 1631 toegang gaf tot de vermaning van de Doopsgezinde secte der Waterlanders, de jongste der drie eertijds te Leeuwarden bestaande Doopsgezinde secten, waarbij de beide overige zich sedert 1758 hebben aangesloten. De vermaning der Waterlandsche gemeente is later uitgegroeid tot de tegenwoordige Doopsgezinde gezinde kerk aan den Wirdumerdijk.
♦ De Verwersbrug, later in den volksmond de Kypeloop genoemd, welke den Hoekstersingel met den Arendstuin verbindt, verving sedert het derde kwart der 16e eeuw de eenvoudige Tyesmatille. Van 1777 tot 1869 was zij als ophaalbrug ingericht, om sedert laatstgenoemd jaar weer als voetbrug dienst te doen. De oorsprong van den naam is ons onbekend.
♦ De Vette Os. Onder dezen naam kwam sinds 1664 het huis voor, dat zich aan den oostkant van de Groote Hoogstraat bevindt, op den zuidelijken hoek van de Poststraat. Het draagt nog in den voorgevel een steen, waarop een beschilderd rund is uitgehouwen met het onderschrift: INDE FETTE OS. Naar alle waarschijnlijkheid was het huis vroeger als slagerij ingericht.
♦ De Vier Heemskinderen was nog omstreeks de helft der vorige eeuw de naam van een huis aan de smalzijde der Nieuwestad, het derde van de Doeke Martens pijp, vlak voor den ingang der Kleine Kerkstraat. Het droeg dien naam ongetwijfeld naar het gevelteeken met de voorstelling van de vier Heemskinderen, eigenlijk Haymyn's kinderen, n.l. Reinout, Ritsaart, Writsaart en Adelaart, zonen van Haymyn, graaf van Ardennen, die te zamen op het wonderpaard Bayaart als helden in de middeleeuwsche Karel-bezongen worden.
♦ De Vier witte Pilaren was nog omstreeks de helft der vorige eeuw de naam van het huis aan den oostkant van de Voorstreek, het vijfde noordwaarts van de Hillemasteeg, op den hoek van de Collegesteeg. Misschien was het aldus genoemd naar het gevelteeken met de voorstelling van vier witgeschilderde kolommen of pilaren, ofschoon ook de mogelijkheid bestaat, dat de voorgevel op een viertal witte pilaren rustte.
♦ Het Vierhuis, heden ten dage in het Friesch nog steeds It Fierhûs genoemd, komt reeds in de late middeleeuwen voor als een sate, gelegen op het Oudland, noordelijk van de stad, aan het oostelijk einde van den Vierhuisterdijk, nabij de Dokkumer Ee. Waarschijnlijk draagt zij dien naam als eertijds ver (Friesch: fier) van de stad gelegen, hoewel zij in oude oorkonden voorkomt als Fyorhustera gued (anno 1437) en Fyowerhusum (anno 1511). Volgens de overlevering zou zij ook Heidenshuis genoemd zijn, misschien, omdat het huis vanwege het Stedelijk bestuur aangewezen was als tijdelijke verblijfplaats van rondzwervende Heidens of Zigeuners, totdat deze aan het eind der 16de eeuw geheel uit Friesland geweerd werden.
"Fan it Fierhuus wirde wel ferteld, dat it er soms skrikbarend om toe gaen kon. Der waer froeger een kamerke, dat de meensen fan it huus it bloue kamerke noemden, omdat it blou opferfd waer. De deur fan dit kamerke konnen se noait goed op slot houe, want wat se der oek an deden, altiten fonnen se dy weer open. Mar op hoe of wat menier it gebeurde, dat kon gien ien 'm begripe. In 'e koeiestal fan dizze boerreplaets waer it oek lang niet pluus. Ien dy 't er as fent diend hadde, fertelde later, dat y der freselike nachten beleefd hadde. As y soms eris by in koei, dy't op 't kalven ston, wake muste, dan wirde der in 't bovenend fan 'e stal floekt en ketterd, dat je der fan grize musten, terwyl er dan met stukken hout en ander spil smeten wirde, krekt otter in besetene met besig waer. Hij sach dan wel niks, mar hij kon it dan toch soa benoud krije, dat er mar in syn bed onder 'e dekens kroop, en fan benoudens te switten lij".
♦ De Vierhuisterdijk loopt van den Stienserdijk oostwaarts naar den Dokkumer Trekweg, en is aldus genoemd naar het aldaar gelegen Vierhuis.
♦ Viget Vigebit. Met deze afkorting werd soms een poortje genoemd, dat zich tot in het begin dezer eeuw aan den Zuider Grachtswal, no. 151, bevond en in den bovenrand in het Latijn te lezen gaf: "VIGET, VIGEBIT, VICTA VINCIT VERITAS", hetgeen vrij vertaald beteekent: De Waarheid houdt stand, en zal stand houden, en - hoewel overwonnen zijnde - zal zij nochtans overwinnen. Naar alle waarschijnlijkheid werd deze spreuk aangebracht door toedoen van den advocaat Mr. Wopke Wopkes, die het er bij behoorende huis eertijds bewoonde, en in 1796 op het schuin er tegenover gelegen Blokhuis gevangen had gezeten wegens zijne patriottische gevoelens.
♦ Het Virginiscbe Tabaksvat was tot omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de westzijde van de Kleine Hoogstraat, en wel het meest noordelijke daarvan, aldus genoemd naar het merk van de Amerikaansche tabak, welke er destijds verkocht werd, met het onderschrift "In het Virginisch Tabaksvat".

(1) Vgl. de Tynje, een buurt in Opsterland, Groot en Klein Tyninga (of Tinga) onder Sneek.
(2) De steen bevindt zich thans in een der kelders van het Friesch Museum van Oudheden te Leeuwarden.
(3) Winkeld = rechthoekig; AREA = oppervlak; gemultipliceert = vermenigvuldigd.
(4) Zoo komt in 1814 voor: A.P. Verlaat, commissaris van de trekschippers van Leeuwarden op Harlingen.
(5) De omstreeks 1300 in Italië uitgevonden brillen werden in den eersten tijd meestal vervaardigd van beril, met welken naam in de middeleeuwen meer dan één edelgesteente genoemd werd; later werd het bergkristal, en eindelijk glas.



||| 62. LC 17 juli 1937.
♦ De Vischbrug (anno 1552 "die Vischbrugge") is een vroegere benaming van de latere Vischmarktpijp of Koningspijp, gelegen over de samenkomst van het water der Voorstreek en Korenmarkt en leidende van de Koningsstraat naar de Wortelhaven. Ze ontleent haar naam aan de vischmarkt, welke hier tot 1851 gehouden werd; zie De Meervischbanken. Sedert genoemd jaar is de vischmarkt verplaatst naar het zuideinde der Oosterkade.
♦ Het Vleeschhuis, een verkorte benaming voor het Stads Vleeschhuis (anno 1554: "'t Stadts Vleysckhuys") was de benaming voor het middeleeuwsche abattoir der stad, hetwelk men vermeld vindt als staande aan den oostkant der Groote Hoogstraat, verbonden aan het toenmalige stadhuis en later gevestigd aan den Eewal, in het voormalige Waaggebouw, vóór het Old Burgerweeshuis. Dagelijks moesten hier de vleeschhouwers "die binnen der stadt hoer neringe willen holden ende doen", daar komen van 5-10 uur 's morgens en van 1-6 uur 's namiddags, terwijl op de vier hoogtijden des jaars de hal niet geopend worden mocht. Hunne vrouwen en knechts moesten onderling vrede houden en niemand mocht een kooper aanroepen. Vóór het vee geslacht werd, kwam de Stadsmarktmeester het keuren. Het vleesch bedriegelijk op te blazen, was streng verboden, evenals het veilen van vleesch door vreemden. Burgers en inwoners mochten echter ook aan huis slachten, voor zoo ver zij het vleesch niet verkochten. In den loop der 17de eeuw is deze Stadts Vleeschhal te niet gegaan.



♦ De Vleeschmarkt is de naam van het gedeelte van de smalzijde der Nieuwestad, gelegen tusschen de Lange- en de Nieuwepijp. Van 1621 tot in het begin dezer eeuw was de walkant daarvan aangewezen als marktplaats voor vleeschwaren.
♦ Vonkeburen was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een complex van een zevental woningen aan den noordkant van de Groeneweg, op vier huizen afstands oostelijk van het Zalmklooster gelegen. De naam is waarschijnlijk ontleend aan zekeren Vonk, den eigenaar dier huizen.
♦ De Voorstraat. Met deze benaming worden omstreeks het midden der vorige eeuw verschillende deelen der binnenstad aangeduid; n.l. de streek, loopende van de Hoeksterpoort, langs den oostkant van de binnengracht, zuidwaarts en vervolgens westwaarts tot de Koningspijp; de er tegenovergelegen streek van de Dubbelepijp tot de Wortelhaven, de streek van de Korfmakerspijp, westwaarts tot de Ciprianussteeg en de streek van de Doeke Martenspijp westwaarts tot de voormalige Vrouwepoort (thans smalzijde van de Nieuwestad). Met uitzondering van laatstgenoemde streek, werden zij steeds door de spraakmakende gemeente - evenals later van gemeentewege - genoemd de Voorstreek.
♦ De Voorstreek, aan den Stadsbuitensingel. Onder dezen naam vindt men omstreeks het midden der vorige eeuw vermeld de streek, loopende van de Boomsbrug langs den oostkant van de stadsgracht, noordwaarts tot de Weerklank.
♦ Het Vossegat was tot 1825 de naam van een overwelfden doorgang in den stadswal voor den zuidelijken hoek van de Amelandsstraat, ter plaatse van de tegenwoordige Nieuwe Kade gelegen. Tot 1818 gaf een poortje aan den binnenkant van den wal toegang tot dezen toen zeer nauwen doorgang; in laatst genoemd jaar werd dit poortje - ter verkrijging van een beteren toegang tot het Arsenaal - weggeruimd, terwijl de opening veel verwijd en met een brug op den wal overdekt werd. Eertijds hadden de Cammingha's het recht, om door bedoeld poortje uit en in de stad te gaan, met uitsluiting van ieder ander, welk recht zij waarschijnlijk ontleenden aan het feit, dat bij den aanleg van den wal en de er naast gelegen gracht in 1494, deze werden opgeworpen en gegraven door een deel van den Amelandshof, met toestemming van Haje Heringa, den toenmaligen bewoner van het Amelandshuis. De naam Vossegat is een algemeen voorkomende in de vestingbouwkunde van vroeger eeuwen.
♦ De Vrouwepoort; zie: de Lieve-Vrouwepoort.
♦ De Vijf Kolommen was nog omstreeks de helft der vorige eeuw de naam van een huis, gelegen aan den oostkant van Achter de Hoven, het vijfde van den hoek van den Grachtswal en waarschijnlijk aldus genoemd naar het uithangteeken met de voorstelling van een vijftal kolommen, of mogelijk naar de omstandigheid, dat de voorgevel van het huis op vijf zuilen of kolommen rustte.
♦ De Vijversbuurt, in den volksmond Fiversburen genoemd, is de naam van de streek, welke langs de stadsgracht van de Weerklank noordwaarts en vervolgens met een bocht westwaarts loopt tot aan het Cambuursterpad. Eertijds voornamelijk uit tuinen bestaande, is zij sedert 1826 grootendeels met huizen bebouwd. In genoemd jaar werd n.l. van Stadswege in de nabijheid de verschwatervijver aangelegd, waarvan getuigd werd: "bij langdurige droogte, zoowel in den zomer als in den winter, was dezelfde voor een groot gedeelte der stedelijke bevolking een toevlugt, die weldadig in eene eerste levensbehoefte voorzag en die op de reinheid en gezondheid des volks zeker van heilzamen invloed is geweest. Naar dien vijver is de buurt genoemd, welke thans officieel de Oostersingel heet.
♦ De Vijzelstraat, eertijds de Opgang van de Nieuweburen genoemd en thans loopende van de Nieuweburen naar den Noorderweg, draagt haar naam naar de Vergulde Vijzel, een der voormalige hoekhuizen dezer straat.

>> begin

♦ De Waag; zie: de Stads Boter- en Zoutwaag.
♦ De Waagsbrug; zie: de Tontjebrug.
♦ Het Waagsplein is de naam van de ruimte, oostelijk van het oude Waaggebouw gelegen en zich uitstrekkende tot den westkant van den Wirdumerdijk. Sedert 1595 is dit plein verbreed, doordat het toenmalige Waaggebouw dertig ellen meer westelijk werd verplaatst, ter plaatse waar het zich heden nog bevindt. De huizen op het streekje, van de Peperstraat tot de Tontjepijp, werden gezegd te staan Bij het Waagsplein.
♦ De Waagspijp; zie: de Tontjepijp.
♦ De Wabbe Wissesbrug, eertijds ook als Jacobijnerbrug voorkomend, was de naam van de brug, welke tot 1863 over het water van de Nieuweburen van de Breedeplaats naar den Opgang van de Wabbe Wissesdwinger leidde; bij de demping van dat water in genoemd jaar is zij opgeruimd.
♦ De Wabbe Wissesdwinger; zie: de Jacobijnerdwinger.
De Wabbe Wissesstraat, gewoonlijk in den volksmond de Wisjesstraat, en triviaal de Wisjeswaai (1) genoemd, dateert van 1644. Op 24 Mei van dit jaar stond n.l. de magistraat toe, dat er "achter Wabbe Wissesbrugge aen de wall", d.i. langs de achterzijde der huizen aan den noordkant van de Nieuweburen, een nieuwe straat van 8 of 10 voet breedte aangelegd zou worden, welke de beide opgangen naar den wal met elkaar zou verbinden. Deze straat ontving den naam naar zekeren Wabbe Wisses, een vermogend eigenaar van woningen in de nabijheid, naar wien reeds de bovenvermelde brug genoemd was. (2)
♦ De Wagen. Onder dezen naam komt nog omstreeks het midden der vorige eeuw het huis voor, dat zich bevond in het Ruiterskwartier, op den westelijken hoek van de Hoedemakerssteeg en stellig genoemd is naar het gevelteeken met de voorstelling van een wagen, misschien een herinnering aan de voormalige veemarkt in deze buurt, waar menig marktbezoeker zijn paarden uitspande.
♦ Het Wagenplein is de naam van de ruimte, zuidwaarts van het oostelijk eind der Oude Koemarkt gelegen en oostwaarts grenzende aan den Wirdumerdijk. Tot 1874 diende dit naast de toenmalige veemarkt gelegen plein tot het stallen van de wagens der van buiten komende marktbezoekers.
♦ Het Wagentje, ook als 't Klein Wagentje voorkomend, is de naam van de herberg aan de smalzijde van de Nieuwestad, no. 1, nabij de voormalige Vrouwepoort. De naam is stellig ontleend aan een voormalig uithangteeken met de voorstelling van een wagentje, in verband met de omstandigheid, dat vele buitenlieden van den Bildtkant en elders hier weleer hunne paarden uitspanden.
♦ Het Waltahuis bevond zich omstreeks 1500 als een versterkt kasteel aan den oostkant van het water van het Heerenwaltje, met een voorplein, dat naar de smalzijde van de Nieuwestad gekeerd was. In het bezit zijnde van Pier Epesz Walta, van Bosum, die tot de de zoogenaamde rebellen, de Geldersche partij, behoorde, werd bij giftbrief van 12 Februari 1517 door Keizer Karel V aan de stad Leeuwarden geschonken "Pyer Epes huys ende stede, staende by der Stat wage in Leuweerden, te gebruycken tot eenen Stat Raethuys". Evenwel werd eerst in 1594 de zetel van het stedelijk bestuur van het oude raadhuis in de Groote Hoogstraat naar Waltahuis verplaatst.
♦ Het Waltje. Onder dezen naam komt het oostelijk deel der Weaze voor, gelegen tusschen het Zwitsersch Waltje en de Uniabuurt; het smalle waltje, waaraan de aldaar staande huizen gelegen zijn, was oorzaak van die benaming naming.
♦ Het Waltje was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een streekje huizen aan den westkant van Olde-Galileën, gelegen ten noorden van Kloosterburen. Een smal waltje scheidde dit streekje van een van oost naar west loopende sloot.
♦ Het Wapen van Amsterdam was tot in het begin dezer eeuw de naam van het huis no. 23 aan den noordkant van de Tuinen. Het Amsterdamsche wapen vond men geschilderd boven den ingang.
♦ Het Wapen van Dokkum was tot het begin dezer eeuw de naam van een veerhuis, no. 287, aan het Dokkumer End (zie aldaar).
♦ Het Wapen van Groningen was in het begin der vorige eeuw de naam van een logement aan den westkant van de Tweebaksmarkt, het eerste huis van den zuidelijken hoek der Koningsstraat.
♦ Het Wapen van Heerenveen was tot in het begin dezer eeuw de naam eener herberg in het Ruiterskwartier, no. 161.
♦ Het Wapen van Jeruzalem. Onder dezen naam komt reeds in 1641 voor een huis aan den noordkant van de Groote Kerkstraat, no. 69, waar nog in den gevel zich een steen bevindt met het zoogenaamde wapen van Jeruzalem en het onderschrift: INT WAPEN VAN IERUSALEM. Oorspronkelijk kwam dit wapen, met de gouden Jeruzalemskruisen op zilveren veld, toe aan hen, die een tocht naar het H. Graf volbracht hadden. Blijkens een gelijksoortigen steen in den gevel is het huis na 1641 in 1768 herbouwd.
♦ Het Wapen van Leiden, dat als uithangteeken van alle stedewapens in Nederland wel het meest voorkwam, ontbrak ook te Leeuwarden niet. Het werd in het begin der vorige eeuw aangetroffen als een veerhuis op het Groot Schavernek.
♦ Het Wapen van Nederland trof men nog in het begin dezer eeuw aan als een herberg in de Oude Doelesteeg, no. 10.
♦ Het Nederlandsche Wapen was nog in het begin dezer eeuw de naam van een tabakswinkel tegenover het Waagsplein, op den noordelijken hoek van de Peperstraat.
♦ Het Wapen van Vriesland is de oude benaming van een logement aan het Groot Schavernek, daar, waar vroeger het Sneeker Veerhuis gevestigd vestigd was.
♦ De Warmoesgracht. Onder dezen naam komt omstreeks het midden der vorige eeuw het water der Weaze voor, zeer waarschijnlijk wegens de omstandigheid, dat hier door menig vaartuig groenten en vruchten uit de zuidelijk van de gracht gelegen warmoezerijen aangebracht werden.
♦ De Wassamastins, ook Wasmannastins en Wissemastins genoemd, was in de late middeleeuwen een versterkt huis in de Groote Kerkstraat, dat later ook onder den naam van Andringahuis voorkomt. In 1436 schonk zekere Wytse Oenema een derde deel van "Wasmanna stinze" met bijbehoorend erf aan het Sint-Anthonygasthuis, waardoor later de Beierstraat gerooid is.

(1) Een bewoner van de "Wisjewaai" heette in den volksmond een "Wisjewabber".
(2) In 1614 is sprake van "Wabbe Wisseshuys op de Breedeplaats"; in 1685 zou hij burgemeester der stad zijn geweest, terwijl zijn portret indertijd op Canterstate te Driesum aanwezig moet zijn geweest.


||| 63. 31 juli 1937
♦ De Weaze, (Ao. 1406: die Wasa; Ao. 1543: Wase), ook als Warmoesgracht voorkomende, is de naam van het water, dat van de Brol uit, zuidwaarts naar de stadsgracht bij de Huizumerbrug loopt. Evenals o.a. bij het Fliet, is de naam van dat water later mede overgegaan op de dubbele huizenrij, aan weerszijden daarvan ontstaan. Zij dankt dien naam blijkbaar aan den oorspronkelijk slijkigen toestand van dezen waterloop; reeds in het Oud-Friesch komt wase voor in de beteekenis van slijk. (1) Aldaar las men in het laatste kwart der 17de eeuw op den putstoel van den brouwer Jan Wabbesz, onder de afbeelding van een aantal korenaren:
"Aenschouwt dees aaren vier,
Hier maakt men van 't Gewas en water goet bier".
♦ De Weerd (Ao. 1442 en Ao. 1491: de Waerd) is thans de benaming der straat, loopende van het Raadhuisplein zuidoostwaarts naar de smalzijde zijde der Nieuwestad. De grondbeteekenis van den als algemeen voorkomenden aardrijkskundigen naam weerd (= waard) is: "een in of aan het water van nature ontstaan en zoo hoog aangewassen stuk grond, dat het gewoonlijk genoegzaam daartegen beschut is. In deze benaming is klaarblijkelijk dus nog de aanduiding bewaard van het oudtijds aan de voormalige Middelzee gelegen gedeelte der stad, dat tot zeewering diende. Daarom strekte die naam zich tot in de vorige eeuw ook nog verder dan d« tegenwoordige straat uit, en was zij mede eigen aan de buurt benoorden de laatste kromming van de Oude Ee of Eewal.
♦ De Weerdsbrug was eertijds gelegen over vorengenoemde kromming van de Oude Ee, ongeveer nevens de plek, waar zich tegenwoordig het Stadhuis bevindt.
♦ De Weerklank is de naam van het huizencomplex, grootendeels reeds in de eerste helft der vorige eeuw, ten noorden van het westelijk gedeelte van het Noordfliet ontstaan, daar, waar zich te voren voornamelijk moestuinen en zomerverblijven bevonden. De tot in 1858 door deze dichtbevolkte buurt loopende vuile - voor de gezondheid zeer nadeelige - sloot werd in genoemd jaar van gemeentewege gedempt. De oorsprong van den naam is ons onbekend; misschien dankt hij zijn ontstaan aan een eertijds hier opvallende echo of weerklank. (2)
♦ De Weeshuisstraat. Onder deze benaming Vindt men soms aangeduid het zuidelijk deel der Kruisstraat, loopende van de Nieuwe Oosterstraat tot de Keizersgracht. Zij ontleende dien naam aan het sedert 1786 aan den zuidoostkant dezer straat gestichte weeshuis der Roomsch Katholieken, hetwelk in 1880 vernieuwd en uitgebreid is met een tehuis voor ouden van dagen.
♦ Welgelegen is de voor zichzelf sprekende naam van het voormalige buiten aan het Zuidfliet, dat zich bevond tusschen den verdwenen molen de Jonge Fenix en het onmiddellijk oostwaarts gelegen buiten Overvliet.
♦ De Wereld was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de zuidzijde van de Nieuwestad, no. 32, stellig aldus genoemd naar een voormalig uithangteeken met de voorstelling van een wereldbol.
♦ Het Werfhuis werd van ouds genoemd het meest noordelijke huis van Haakmaburen, nabij het Droevendal, ter plaatse van het tegenwoordige IJkkantoor, dat met vier er achter gelegen woningen op 16 Februari 1847 door de Stad aangekocht werd, om daar ter plaatse een korenbeurs te kunnen stichten, waarvan evenwel niets gekomen is. Het droeg dien naam, omdat daar eertijds in het als herberg ingerichte huis, het werven van personen voor den militairen dienst der provincie plaats had in een tijd, toen "ronselen" aan de orde van den dag was.
♦ Werkmanslust is de naam, welke door de vereeniging "Helpt u zelven" gegeven werd aan het complex woningen, dat sedert 1872 ontstaan is aan den noordkant van het begin van den Zwarteweg. Het doel dier vereeniging was n.l., om aan werklieden langzamerhand, tegen storting van een gering wekelijksch bedrag, eigen woningen te verschaffen.
♦ De Westerbrug is eene latere benaming voor de Lieve Vrouwepoortsbrug, aldus genoemd, omdat zij aan den westkant van de stad over de stadsgracht gelegen is.
♦ De Westerkade is sedert het laatst der vorige eeuw ontstaan aan den binnenkant van het zuidwestelijk gedeelte der stadsgracht nadat dat "de Hooge Berg" aldaar afgegraven was.
♦ De Westerkerk aan den noordkant van de Bagijnestraat gelegen, was vóór 1580 de kloosterkapel van het meer westelijk gelegen Bagijneklooster. Na sedert genoemd jaar door de Reformatie aan de provincie vervallen te zijn, werd de kapel door deze verhuurd, en diende zij achtereenvolgens tot pakhuis, timmerhuis en brouwerij. Na daarop als provinciaal tuchthuis te hebben gediend, werd zij in 1619 door het stedelijk bestuur aangekocht, hetwelk de kapel binnen een tijdsverloop van zes jaren tot een bedehuis voor de Hervormden, - wier aantal zeer was toegenomen - deed inrichten. Zoo werd boven den eerst afgewerkten, oorspronkelijken ingang, naast het woord WESTER KERCK het jaartal 1639, en naast hetzelfde woord boven de nieuwgebouwde westelijke hoofdpoort het jaartal 1643 geplaatst. De sterk toenemende gemeente noodzaakte nog geen halve eeuw later tot vergrooting van het kerkgebouw met een schip aan den noordkant. De naam ontstond door het feit, dat zij gedurende de eerste eeuwen van haar bestaan, de meest westelijke van de drie bestaande kerkgebouwen der Hervormde gemeente was.
♦ De Westerkerk was tot in het begin dezer eeuw de naam van een huis aan den noordkant van de Bagijnestraat, no. 25, waar in den gevel een steentje met eenigszins concaaf gebogen oppervlak was aangebracht, met de voorstelling van een kerkgebouw, blijkbaar de op eenigen afstand oostwaarts er van gelegen Westerkerk zooals deze zich vertoonde vóór 1639, in welk jaar een tweede ingang aan den oostkant aangebracht werd.
♦ De Westerkerkstraat. Onder deze benaming komt een enkele maal de Bagijnestraat voor, stellig aldus geheeten naar de aan den noordkant van het oostelijk einde gelegen Westerkerk.
♦ De Wester Plantage (aanvankelijk ook geschreven schreven Wester-Plantaadje), is het plantsoen, ongeveer gelegen binnen den driehoek hoek Oldehove - L. Vrouwepoortsbrug - Schaverneksbrug, dat na 1837 is ontstaan o.m. door afbraak van de L. Vrouwe Binnenpoort, de slechting van den eertijds aldaar gelegen stadswal en demping van de er nevenliggende gracht, de wegruiming van de eertijds hier over de stadsgracht gelegen brug en demping van het paardewed daarneven etc.; daarbij sluiten zich aan het terrein van de voormalige Kleine Fenne, en dat van het Oldehoofster Kerkhof. Het geheel geschiedde onder leiding van den tuinarchitect L.P. Roodbaard.
♦ De Westerpijp, eene latere benaming voor de Adsje Lammertzpijp, is de meest westelijke van alle binnen Leeuwarden gelegen pijpen; zij overbrugt de samenkomst van het water van Nieuwestad en Schavernek.
♦ De Westersingel, loopende aan den westkant van de stad langs de stadsgracht, van den Harlingersingel met een bocht naar de Verlaatsbrug, vormt een deel van den voormaligen Stadsbuitensingel; eertijds een puinweg, werd zij in 1872 bestraat.
♦ De Westerstraat is in 1876 ontstaan door bebouwing van het terrein, ten westen van de Bleekerstraat gelegen; zij loopt evenwijdig met laatstgenoemde straat, en is er door de Dwarsstraat mede verbonden.
♦ Wilaard of Wilaarderburen (anno 1543: Wlard) is de naam van een gehucht aan den oostkant van de stad gelegen, oostwaarts van de Schieringersloot, tusschen Ouddeel en Kurkemeer. Oorspronkelijk beteekent zij de weerd, genoemd naar zekeren Wile.
♦ De Wildeman was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den noordkant van de Groote Kerkstraat, no. 67, tegenover de Kleine Hoogstraat, staande op het hoogste punt van Leeuwarden. Stellig was het genoemd naar een eertijds hier sanwezig gevelteeken met de voorstelling van een "wildeman", een bekende figuur uit de wapenkunde. In het begin der vorige eeuw was er een "Instituut van opvoeding voor jonge Jufvrouwen" in gevestigd.
♦ De Wildeman was in het laatste kwart der 17de eeuw de naam van een huis te Leeuwarden, waar in den gevel een "wildeman" uitgehouwen stond, met het onderschrift:
"Dit huys is goet en bequaam
In de wildeman is sijn naam."
Misschien was dit het vorengenoemde huis in de Groote Kerkstraat.
♦ De Wildeman was in het laatste kwart der 17de eeuw de naam van een herberg in de Bagijnestraat, waar een uithangbord de voorstelling van een "wildeman" te zien gaf. Op den stok van het bord las men:
"Als de Wild'man syn knods' op heeft
Soo staat het heele wout en beeft
Vreest daerom niet hier in t gaen
Want ider wert hier goet gedaen.
♦ De Wildeman was in het begin der vorige eeuw de naam van een huis in de Groote Hoogstraat, waarin toen een bakkerij gevestigd was. De naam was stellig ontleend aan een gevelteeken aldaar, met de voorstelling van een "wildeman".
♦ De Willemskade, oorspronkelijk Zuiderkade genoemd, is sedert omstreeks 1870 ontstaan, en dankt de omdooping van den vroegeren naam aan het bezoek, dat koning Willem III op 11 Mei 1873 aan Leeuwarden bracht.
♦ Winiahorn of Wynjehorn (anno 1456: Wiingahurna; anno 1583: Wynninghehorn, Wyngiahorne) was eertijds de naam van een gehucht in het zuiden van het stedelijk gebied, nabij het begin van de Huizumer Schrans; het beteekent de horne, herne (Hollandsch: hoek), weleer eigendom van zekeren Winia.
♦ De Winiahornster- of Wynjehornster Reed, was eertijds een wagenpad of oprijweg (Friesch: reed), leidende naar Winiahorn; sedert den aanleg van den spoorweg aldaar, in 1864, is deze verdwenen.
♦ De Winiahornster- of Wynhornster zijlsloot is de naam van het water, dat eertijds uit de Potmarge westwaarts langs het voormalige Winiahorn (thans gedeeltelijk zuidwaarts van het voormalig Aschland) liep; oorspronkelijk liep deze sloot door een sluisje of zijl, Winiahornsterzijl, in de Middelzee uit.
♦ Het Wirdumer Achterom was eertijds eene volksbuurt, welke van de nabijheid der voormalige Wirdumer poort uit achter het bolwerk om, ongeveer ter plaatse van de latere Reigerstraat, naar de Weaze liep.
♦ De Wirdumer Dijk, eertijds eenvoudig de Dijk genoemd, vormt een deel van den voormaligen oostelijken dijk der vroegere Middelzee; hij loopt oostwaarts van het Waagplein, zuidwaarts naar de voormalige Wirdumerpoort.
♦ De Wirdumerpoort, eertijds ook Sint Jacobspoort geheeten, bevond zich oorspronkelijk vlak vóór den ingang van de Sint Jacobsstraat, onmiddellijk noordwaarts van de Tontjepijp. Even vóór 1498 werd zij, in verband met den uitleg der stad, meer zuidwaarts verplaatst tot ongeveer zuidelijk nevens het Waagplein. Toen lag vóór de poort in de stadsgracht een rond schansje. Na in 1546 verbeterd en met twee torentjes voorzien te zijn, werd vóór de poort het schansje in 1581 vervangen door een driehoekig ravelijn, waarop een tot wachthuis ingerichte buitenpoort gebouwd werd. In 1613 werd op de binnenpoort een portierswoning aangebracht, terwijl in 1835 de poort geamoveerd is. (3) Zij droeg haar naam, omdat zij zuidwaarts toegang gaf tot den weg naar Wirdum, blijkbaar te voren de meest belangrijke plaats in de nabijheid. In het laatste kwart der 17de eeuw las men op een uithangbord nabij deze poort:
"Oprechte deemter koek en meed (4)
Verkoopt men alhier ter steed".
♦ De Wirdumerpoortsbrug, indertijd ook Zuiderbrug genoemd, lag eertijds over de stadsgracht, ongeveer vóór de herberg de Posthoorn. Nadat in 1831 de gracht eene andere richting gegeven was, tengevolge eener doorgraving van den Wirdumerpoortsdwinger, is de brug wegens bouwvalligheid meer westwaarts naar haar tegenwoordige plaats overgebracht. Sedert 1875 is zij van een vaste brug in een draaibrug veranderd.
♦ De Wirdumerpoortsdwinger of Zuiderdwinger, het in 1581 aangebrachte bastion aan den zuidzuidkant der stad, is in 1835 gedeeltelijk en in 1873 ten slotte geheel afgegraven, waardoor o.m. de Zuiderplantage ontstond.
♦ De Witte Beer was in het laatste kwart der 17de eeuw de naam van een huis in het Nauw, bewoond door een pelser of pelterijenhandelaar; op den stok van het uithangbord, dat een geschilderden witten beer te zien gaf, las men:
"In de witte Beer
Verkoopt men bont en leer".
♦ De Witte Beer. Onder dezen naam is een huis bekend, gelegen aan de smalzijde van de Nieuwestad no. 121, tegenover de Waag, dat in den fraai versierden, in Lodewijk XV-stijl gehouwen, geveltop de voorstelling van een ijsbeer te zien geeft, dateerende uit het jaar 1770. In dit pand was eertijds een tabakszaak gevestigd. Behalve tabak "met het wapen van de Moor" en die "met het rode wapen", werd er voornameluk baaitabak, merk "de Witte Beer" verhandeld. In het voorjaar van 1815 werd door de kooplieden - vader en zoon - aan "de Begunstigers" bekend gemaakt "dat het oud Wapen De Witte Beer, van hunne gewone Baay-Tabak, versleten zijnde, zijlieden hetzelve hebben vernieuwd, zoodanig, dat de Witte Beer meer zigtbaar is". Het verband tusschen een ijsbeer en tabak zal men waarschijnlijk te zoeken hebben in het feit, dat voor de ook in Friesland in de 18de eeuw bloeiende Groenlandvaart ontzettende hoeveelheden tabak naar de Poolzee meegenomen werden.
♦ De Witte Hand was blijkbaar eertijds het uithangteeken van een huis in de buurt, welke daarnaar later Achter de Witte Hand geheeten werd.
♦ De Witte Helm was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den westkant van de Sint Jacobsstraat no. 7, stellig genoemd naar het gevelteeken met de voorstelling van een wit geschilderden helm.
♦ De Witte Pauw was omstreeks het midden der 17de eeuw de naam van een huis aan de Turfmarkt, aldus genoemd naar het uithangteeken met de voorstelling van een witte pauw.
♦ De Witte Pauw was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den westkant van de Voorstreek no. 223, nabij de Wortelhaven. Ook deze naam was ongetwijfeld ontleend aan een vroeger gevelteeken met de voorstelling van een witte pauw.
♦ Het Wit Stek was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis in het Zaailand, onmiddellijk oostwaarts van het Arendsklooster gelegen. Het dankte dien naam waarschijnlijk aan de vroegere aanwezigheid aldaar van een wit geschilderd houtstek. Een dergelijk houtstek gaf misschien aanleiding tot den naam
♦ het Wit Stek, eene vroegere aanduiding voor het Molenpad.
♦ De Witte Zwaan was nog omstreeks het midden den der vorige eeuw de naam van een huis aan de breedzijde van de Nieuwestad no. 122, onmiddellijk oostwaarts van het toenmalige "Gouden Wagentje", en waarschijnlijk evenals dit, oorspronkelijk eene herberg. Het Zwaantje is n.l. een der oudste uithangteekens voor eene herberg.
♦ De Witte Zon was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam eener herberg aan de breedzijde der Nieuwestad no. 34, waar het gevelteeken eertijds eene witgeschilderde "zon" te zien gaf.
♦ De Wolf is de naam van een huis aan de breedzijde der Nieuwestad no. 28, waar tot in onze eeuw een vergulde, gebeeldhouwde wolf, als teeken boven den ingang voorkwam.
♦ De Wolvesteeg loopt van de breedzijde der Nieuwestad, onmiddellijk westwaarts van het huis de Wolf aanvankelijk zuid- en vervolgens oostwaarts, met daarin een tiental woningen.
♦ De Wortelhaven, vóór de demping van den Eewal een brugplein, dat de Ee overkruinde en gelegen onmiddellijk ten noorden van de Koningspijp, is sedert 1609 ontstaan, ten behoeve van de oudtijds hier gehouden Wortelmarkt. Zij herinnert aan een tijd, toen wortels en rapen, evenals thans aardappelen, een voornaam gedeelte van het volksvoedsel vormden.

(1) Oud-Friesch: wase = slijk; ook te Oldeboorn bevindt zich een buurt, de Weaze geheeten.
(2) Zooals o.m. aan het Tynjekanaal in de eerste tijden van het bestaan hiervan op te merken viel.
(3) In 1822 is de buitenpoort gesloopt.
(4) Drank, door gisting uit gekruiden honing bereid.


||| 64. LC 14 aug. 1937.
♦ De Wijde Gasthuissteeg is de meest westelijke steeg, welke van den noordkant der Groote Kerkstraat naar het Perkswaltie loopt. Evenals de ten oosten er van loopende Nauwe Gasthuissteeg, is zij gelegen ten noorden van het Sint-Anthony gasthuis; vandaar daar de naam.
♦ De Wijde Steeg, loopende van den oostkant van den Wirdumerdijk, tusschen de perceelen no. 31 en no. 33 door naar de Weaze, is eene latere benaming voor de Ayttasteeg. Zij is aldus genoemd in tegenstelling met de smallere Nauwe Steeg, welke zuidwaarts ervan, daarmee evenwijdig loopt.
♦ De Wijde Steeg loopt van den oostkant der Voorstreek, tusschen de perceelen no. 354 en 356 oostwaarts naar het Hoekster Kerkhof. Zij draagt dien naam als zijnde de breedste steeg aan genoemden kant der Voorstreek.
♦ De Wijde Steeg, de meest westelijke der stegen aan den zuidkant van de Tuinen, welke zuidwaarts tot achter de Kanselarij loopt, is aldus geheeten, omdat zij van de genoemde stegen de breedste is.
♦ De Wijde Steeg. Onder dezen naam komt o.m. de Oude Lombardsteeg voor, waarschijnlijk aldus genoemd, in tegenstelling met de onmiddellijk westwaarts en evenwijdig daarvan loopende zeer smalle Hoedemakerssteeg.
♦ De Wijnberg was nog omstreeks het midden der vorige eeuw een logement aan den westkant van den Wirdumerdijk, onmiddellijk zuidwaarts van het huis de Valk. De naam is blijkbaar ontleend aan het gevelteeken met de voorstelling van een wijnberg, waarschijnlijk herinnerend aan den tijd, toen het logement als wijnhuis, - voorlooper van het koffiehuis (of café) -, ingericht was.
♦ De Wijnwerkerswacht bevond zich nog omstreeks het midden der vorige eeuw in een gebouwtje aan den noordkant van het Raadhuisstraatje. Aldaar was het wachtlokaal gevestigd der gezworen wijndragers, van Stadswege aangesteld (zie Het Bierdragerswachthuis).

>> begin

♦ De IJskelder was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van het meest westelijke gebouw aan de smalzijde van de Nieuwestad op de streek, tusschen Sint Jacobsstraat en Heerenwaltje gelegen. Het dankte zijn naam aan de omstandigheid, dat aldaar, - in een tijd, waarin de industrie zich nog niet van de kunstmatige vriesmethode bediende -, blokken ijs, welke 's winters uit het water der stad gezaagd werden, in zaagmeel gewikkeld, ten dienste van de overige tijden van het jaar bewaard werden. In het laatst der vorige eeuw was hij verplaatst naar het huis no. 15 aan den westkant der Kleine Hoogstraat.
♦ De IJzeren Man was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de Korenmarkt no. 207, aldus genoemd naar een steen uit de tweede helft der 17de eeuw, welke zich eertijds in den voorgevel bevond, met de voorstelling van een geharnast man, en het onderschrift: D'YSER MAN. Waarschijnlijk was in dit huis weleer een ijzerhandel gevestigd. De steen is thans ingemetseld in den gevel van het huis, welke zich aan den gang langs den oostkant kant bevindt.

>> begin

♦ De Zaadzaaier was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den zuidkant van de toen nog niet verbreede Peperstraat, het vierde van den westelijken hoek der straat af, en stellig aldus genoemd naar het vroegere gevelteeken met de voorstelling van een zaaiend man, klaarblijkelijk doelend op het geestelijk zaad, dat hier uitgezaaid werd in den vorm van drukwerken. Het werd n.l. weleer bewoond door een uitgever van boekwerken (anno 1736: Johannes Thijssens; anno 1777: Gerrit Tresling).
♦ De Zaaier. Onder dezen naam komt een huis voor in het Zaailand, dat in den gevel een steentje bevat, waarin de voorstelling van een zaaiend man is te zien, met boven 't jaartal 1648 en het onderschrift: DE ZAEYER. Bij eene restauratie in het laatst der vorige eeuw werd er tevens het jaartal 1898 op aangebracht.
♦ Het Zaailand, (anno 1644: 't Saailand), in het laatst der vorige eeuw van gemeentewege omgedoopt tot Wilhelminaplein (1), is de ruimte, grootendeels bezuiden het Ruiterskwartier gelegen, en sedert omstreeks 1623 ontstaan door het weggraven van den ouden wal aldaar en den aanleg van nieuwe verdedigingswerken aan den zuidkant der stad. Van een plan, om de in de lengte er door loopende zuidergracht aan weerszijden met huizen te bebouwen, is nimmer iets gekomen. De naam is ontleend aan het feit, dat oorspronkelijk deze ruimte als "bezaeyde landen", als Zayland, dus als bouwland gebezigd werd.
♦ De Zak, voluit de de Zak van de Bollemanssteeg geheeten, is de oorspronkelijk zakvormige doodloopende ruimte van laatstgenoemde steeg, welke sedert 1873, in verband met eene verbouwing van het achterste gedeelte van het toenmalige Diaconiehuis, eenigermate zuidwaarts verlengd is.
♦ Het Zalmklooster. Onder dezen naam kwam tot in het eind der vorige eeuw een complex van een negental woningen rondom een bleekveld voor, gelegen aan den noordkant van den Groeneweg. Het droeg dien naam, omdat een zalmkooper de woningen had laten bouwen.
♦ Het Zeilend Schip was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den Ooster Grachtswal, het tiende zuidwaarts van het voormalige Marcelis Govertsgasthuis aldaar, en ongetwijfeld aldus genoemd naar een gevelteeken met de voorstelling van een zeilend schip.
♦ Het Zeilend Schip was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van het meest westelijke huis aan den noordkant van het Fliet; stellig droeg het dien naam naar een gevelteeken met de voorstelling van een zeilend schip, zoo geëigend voor deze omgeving, waar vele varensgezellen zich in den loop der tijden gevestigd hadden.
♦ De Zevenster (anno 1682: de Sevenstar) was in het laatste kwart der 17de eeuw de naam eener herberg binnen Leeuwarden, op welker luifel men het volgende opschrift kon lezen:
Zyt gy door reisen afgemat,
Treet hier in om te rusten.
Men tapt u hier goet Haarlems nat,
En schaft u na uw lusten.
♦ Zorgvliet was eertijds de naam van een huis aan den zuidkant van de Tuinen, het vierde westwaarts van de Kloksteeg, ongeveer ter plaatse van het vroegere Martenahuis aldaar.
♦ Zorgvliet was tot in het laatste der vorige eeuw de naam van een fraaie buitenplaats aan den weg Achter de Hoven, daar, waar deze zich uit de zuidoostelijke richting naar het noordoosten wendt.
♦ De Zoutsloot liep tot het laatst der vorige eeuw langs den westkant van Pietersburen in noordelijke richting naar het Fliet, eenigszins ooswaarts van de Blauwe Brug. Zij is genoemd naar eene eertijds daar aanwezige zoutkeet, welke misschien reeds in 1582 opgericht was.
♦ De Zuiderbrug, in 1831 gebouwd, in verband met de afgraving van den Wirdumerpoortsdwinger, is de oorspronkelijke benaming voor de brug, welke gelegen was ter plaatse van de tegenwoordige Wirdumerpoortsbrug. Zij droeg dien naam, omdat zij uit de stad naar het zuiden daarvan voert.
♦ De Zuiderdwinger is de naam van een sedert 1835 verdwenen bastion, dat ongeveer gelegen was oostwaarts van de tegenwoordige Prins Hendrikstraat en zuidwestwaarts van de Rijks Hoogere Burgerschool. Met zijn zuidelijke punt drong het door tot over den zuidkant van de Willemskade. Het was de meest zuidelijke der vroegere dwingers van de stad.
♦ De Zuidergracht, ook als Oude Heerengracht voorkomende, liep vóór 1845 midden door het Zaailand, van ongeveer de Oude Veemarkt aldaar, in westelijke richting met een noordwestelijke ombuiging naar het water van het Schavernek. Sedert genoemd jaar is zij gedempt met aarde, afkomstig van den wal tusschen den Zuider- en den Verlaatsdwinger, alsmede van den oostelijken wal tusschen de voormalige Tuinsterpoort en het Blokhuis.
♦ De Zuidergracht. Daaronder verstaat men thans het gedeelte der Stadsgracht, dat van de eerste Kanaalbrug in westelijke richting loopt, en een deel vormt van de voormalige gracht, welke eertijds het oude Blokhuis omgaf.
♦ De Zuiderkade is de oorspronkelijke benaming van de Willemskade; zij is de zuidelijkste der kaden aan de stadsbuitengracht gelegen.
♦ De Zuider Plantage (aanvankelijk ook geschreven: Zuider-Plantaadje), is het plantsoen, ongeveer gelegen ter plaatse van den vroegeren Wirdumerpoortsdwinger. Zij is sedert 1835 ontstaan, en in 1847 westwaarts uitgebreid, onder leiding van den tuinarchitect L.P. Roodbaard.
♦ Het Zuiderplein, dat zich van de Potmargebrug in zuidwestelijke richting meer en meer pleinvormig uitstrekt, is na omstreeks 1870 ontstaan, aan den zuidkant buiten de stadsgracht.
♦ De Zuidersingel, loopende van het Stationsplein westwaarts naar de Harlingervaart, is in 1873 ontstaan aan den zuidkant van de een jaar te voren aangelegde Nieuwe Veemarkt. Een deel van dezen singel is in 1900 bij de veemarkt getrokken.
♦ De Zuiderstraat, loopende in het verlengde van de Oude Lombardsteeg, van het Zaailand zuidwaarts naar de Willemskade, is sedert 1870 ontstaan.
♦ De Zuiderwalsteeg, oorspronkelijk een nauwe doorgang door den zuidelijken wal der stad, is de oorspronkelijke benaming der later aldaar aangelegde Prins Hendrikstraat.
♦ De Zuidvaart of Wirdumervaart, is de benaming van het water, dat van Wirdum uit zuidelijke richting langs Potmarge en Weaze naar de Brol liep.
♦ De Zuidwesterdwinger, eertijds het bastion in het zuidwesten der stad, is in 1874 gedeeltelijk en sedert 1884 geheel afgegraven.
♦ De Zwaan hing in de 17de eeuw uit aan een huis, gelegen op den hoek van den noordkant der Burmaniastraat en de Kleine Kerkstraat. Naar alle waarschijnlijkheid was het toen als herberg ingericht.
♦ De Zwarte Arend. Een gevelsteen van onbekende herkomst, met de voorstelling van een dubbelen adelaar en het onderschrift: INDE SVARTE AERENDT, was eertijds ingemetseld in een tweetal woningen van het voormalige Arendsklooster (zie aldaar).
♦ De Zwarte Bles was tot in het begin dezer eeuw de naam van eene herberg in het Ruiterskwartier, no. 177, waar eertijds als uithangteeken een zwart geschilderd blespaard (2) uithing.
♦ Het Zwarte Lam was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de breedzijde van de Nieuwestad, het negende aan den oostkant van de Oude Doelesteeg, en stellig aldus genoemd naar een gevelteeken met de voorstelling van een zwart lam.
♦ De Zwarte Ster was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den zuidkant van de Wabbe Wissesstraat, het tweede westwaarts van de latere Vijzelstraat, en stellig aldus genoemd naar een gevelteeken met de voorstelling eener zwart geschilderde ster.
♦ De Zwarte Weg is eene oude benaming voor den Groningerstraatweg. Oorspronkelijk leidde de weg van Leeuwarden naar Groningen, uit de Wirdumerpoort langs de Schrans, de Huizumerlaan, door Huizum, het Tynjedijkje door het water van de Tynje, door moerassige landen, door het water van het Ouddeel, door veenachtige landen en de buurtschap Westergeest naar Tietjerk, en vervolgens verder. Nog in 1514 werd getuigd, dat het 's winters "quaet was to Lewerden to comen, met dat het landt al onder het water lach". Daarom mede werd sedert omstreeks 1530 de weg geprojecteerd van de Hoeksterpoort uit noordoostwaarts, langs den Lekkumerdijk, langs het Hoogterp, en vandaar in de richting van het Tolhuis onder Lekkum en verder oostwaarts naar het slot Toutenburg onder Tietjerk, nadat verschillende deelen verhoogd en bepuind en vaarten en slooten overbrugd waren. Drie eeuwen later werd, ter bekoming van een rechten inrit in de stad, de Hoekster Dwinger doorgegraven, een groote draaibrug over de stadsgracht aangelegd, een aanzienlijk deel van den weg nabij de stad afgesneden en verder de weg verbreed en verhoogd, waardoor hij tot Zwartewegsend de tegenwoordige richting verkreeg. De naam is waarschijnlijk afgeleid van de oorspronkelijk zwarte, veenachtige kleur der verschillende gedeelten van den weg.
♦ De Zwarte Zwaan komt nog voor op den gevelsteen van het huis no. 8 aan de breedzijde van de Nieuwestad, nabij de voormalige Vrouwenpoort, met het onderschrift IN DE SWARTE SWAEN, dateerend van 1675.
♦ Het Zwart Kruis was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan den westkant van de Voorstreek, het derde van den zuidhoek der Sacramentstraat.
♦ Het Zwart Kruis was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van het meest westelijke huis aan de Korenmarkt.
♦ Het Zwart Kruis was nog omstreeks het begin der vorige eeuw de naam van het meest oostelijke huis aan den zuidkant van het Nauw.
♦ Het Zwart Kruis was omstreeks het begin der vorige eeuw de naam van een koffiehuis, gelegen aan de Lange Pijp.
♦ Het Zwitsersch Waltje was oorspronkelijk het waltje, dat liep langs den zuidkant van het water tusschen Rhalapijp en Weaze, sedert 1894 is dit water gedempt. Misschien ontleent het zijn naam aan het feit, dat hier zich het eerst een aantal verdreven Doopsgezinden van Zwitsersche nationaliteit vestigde.
♦ De Zijlsloot wordt in het begin der vorige eeuw vermeld als oude uitwateringssloot bij Tonnenburg aan den Stienserdijk. De zijl was oorspronkelijk een sluisje in den oosteltjkea dijk van de voormalige Middelzee.

(1) De volksmond spreekt evenwel hardnekkig van it Saeiland of it Plein.
(2) D.i. een paard met een witharige vlek voor op den kop.

>> begin

||| 65. LC 28 aug. 1937.
♦ Achter Dijkshoek. Hiermede werd nog in het laatst der vorige eeuw een zevental woningen aangeduid, welke gelegen waren achter de buurt Dijkshoek aan den noordkant van het Fliet.
♦ De Amelandssteeg is een andere benaming voor de Hillemasteeg, onmiddellijk noordwaarts van het voormalige Amelandshuis gelegen.
♦ De Amelandsstraat. In het laatste kwart der 17de eeuw trof men daar op den stok van een uithangbord voor de woning van een "dekendrager" (1) het volgende opschrift aan:
"Veel menschen mij benijden
De zegen Gods doet mij verblijden".
♦ Het Bakkersbrugje was tot in het begin dezer eeuw de naam van een eenvoudig brugje aan den noordkant van het Fliet, gelegen tusschen het Looyersbrugje en de Poppebrug en aldus genoemd naar den eigenaar van het brugje en van den toenmaligen daarbij gelegen oliemolen, den heer J Bakker.
♦ Het Bange Hoofd was in het laatste kwart der 17de eeuw de naam van een huis te Leeuwarden, vermoedelijk een herberg, waarvan de juiste plaats ons onbekend is. Daar las men in een venster:
"Laatse gekken, laatse liegen,
Laatse scheeren, en bedriegen,
Dronken drinken, vuyle praet,
Past niet van een Advocaat".


♦ De Bargekop was de naam van een huis, weleer gelegen op den noordelijken hoek van de Koningstraat en de Turfmarkt, thans gedeeltelijk ingenomen door het Friesch Museum van Oudheden. In 1659 gesticht, is het omstreeks 1797 afgebroken. (2) Het droeg dien naam naar een gevelsteen met de voorstelling van den kop van een varken (Friesch baerch).
♦ Het Beetgumer Binnenpad, waarvan het begin zich nog op het stedelijk gebied bevond, liep weleer van den Marssumerdijk, nabij het voormalige malige tolhuis, in de richting van Beetgum.
♦ De Benthumersteeg. Onder dezen naam komt in het begin der 18de eeuw een steeg voor, zuidwaarts van perceel no. 22, aan den westkant van de Turfmarkt gelegen, en aldus genoemd, omdat zij toegang gaf tot de aan de Voorstreek zich bevindende herberg "de Benthem".
♦ Het Blauwe Paard was nog in het begin dezer eeuw de naam van een herberg aan de Lange Marktstraat, no. 28, aldus genoemd naar een blauw geschilderd paard aan den gevel.
♦ De Blauwe Hen wordt omstreeks het midden der 17de eeuw vermeld als een huis, nabij de voormalige vischmarkt op de Koningspijp gelegen en stellig aldus genoemd naar een gevelteeken met de voorstelling eener blauw geschilderde hen.
♦ Bolsward was omstreeks het midden der 17de eeuw de naam van een huis bij de Wirdumerpoort (anno 1640: een huis bij de Wirdumerpoort "daer Bolswaert uythangt").
♦ Het Bosch is de naam eener boerderij (3), een weinig noordwaarts van den Marssumerdijk op het Leeuwarder Nieuwland gelegen, ongeveer tegenover de voormalige uitspanning de Nieuwe Aanleg ("Halfweg"). De naam is ontleend aan de boomrijke omgeving der plaats, waarbij eene particuliere begraafplaats der familie Dorhout gelegen is.
♦ Het Boshuijsergasthuis is de naam van een hofje aan den noordkant van het Jacobijner Kerkhof, en onmiddellijk oostwaarts van het Nieuwe Stadsweeshuis, in 1652 voor behoeftige weduwen gesticht door Anna van Eysinga (geb. 1594, overl. 1655), dochter van Juw van Eysinga, luitenant-kolonel in het Friesch-Nassausche regiment, en van Rinthje Rienksdochter van Gratinga. Na eerst, sedert 1618, gehuwd te zijn geweest met Here Upckesz van Burmania, ritmeester bij de cavalerie, trouwde zij zeventien jaren later met Philip van Boshuijsen (geb. 1584, overl. 1652), grietman van het Bildt, met wien zij Juckemastate te Stiens bewoonde. In hetzelfde jaar, waarin laatstgenoemde overleed, liet zij negentien woningen rondom een bleek bouwen, aanvankelijk het Mevrouw Boshuijsergasthuis genoemd. Aan den noordkant van den overdekten ingang, waarboven een steen met het opschrift:
Ave
Aº MCD.LII
geplaatst werd, gaf zij last tot den bouw van een voogdenkamer, terwijl het geheel van het Kerkhof gescheiden werd door een ringmuur met poort, waar men aan weerszijden van die poort leest:
"Het geen hier staet, uyt nyt oft haet doch niet beschout,
Tot armoedts hulp en Weduws troost is het geboudt".
Zij overleefde hare stichting nog drie jaren, en is daarna te Stiens begraven (4). De begeving van de westelijke kamers staat aan de erven Lycklama à Nijeholt, die van de oostelijke aan de erven van Haersolte; behalve vrije woning genieten de bewoonsters jaarlijks eene hoeveelheid turf, en alleen die der westzijde zijde eene geldelijke uitkeering.
♦ Het Buten-om. Vóór het algemeen in gebruik zijn van het rijwiel, was de gewone Zondagswandeling van het Leeuwarder publiek langs Voorstreek, Nieuwestad, Vrouwenpoort, Harlinger Singel, Spanjaardslaan en Noorderweg, in het algemeen met de zon om; het gedeelte dier wandeling, van Vrouwenpoort langs Spanjaardslaan tot Dokkumerend werd in den volksmond het Buten-om, d.i. buiten de stad om genoemd. Dit laatste was ook veelal de avondwandeling voor minnende paartjes, en men rijmde:
"De Grachtswal is foar de wandelaers,
De Beu(r)s is foar de handelaers,
De Foarstreek is foar de babbelaers, en
't Büten-om is foar de skarrelaers".
♦ De Bijekorf wordt omstreeks 1640 vermeld als naam van een huis bij de Turfmarkt, naar alle waarschijnlijkheid aldus genoemd naar een gevelsteen met de voorstelling van een bijenkorf.
♦ De Doelebuurt is eene latere benaming voor het Sint Jobsleen, ten noorden waarvan eertijds de Stads Schuttersdoele gelegen was.
♦ De Doelepijp was tot 1868 de benaming der overbrugging in de Doelestraat, van het water, dat eertijds even ten noorden van het Gasthuispijpke in west-noordwestelijke richting naar de Oldehoofster Waterpoort liep, en in genoemd jaar gedempt is.
♦ De Drie Klavers was in het begin der 18de eeuw de naam van een huis aan de breedzijde der Nieuwestad, vermoedelijk het vierde westwaarts van de voormalige herberg de Gouden Wagen, en hetzelfde als waarin nog omstreeks het midden der vorige eeuw het Lemster veerhuis gevestigd was.
♦ De Drie Gouden Kruizen was nog in het begin der vorige eeuw de naam van een huis Over de Kelders, waarin toen een manufacturenwinkel gevestigd was.
♦ De Dwarsstraat, sedert 1876 ontstaan, loopt van den westkant der Bleekerstraat langs het begin der Westerstraat in westelijke richting, en is aldus genoemd, omdat zij dwars op de richting van laatstgenoemde straat staat.
♦ De Duinkerken. Op het uithangbord dezer herberg, - vermoedelijk dezelfde als de vroeger door ons op het Schavernek vermelde - las men in het laatste kwart der 17de eeuw:
"Hier drinkt men morgen om niet,
Duynkerken hangt hier uit soo men siet".
♦ De Eendracht was nog in het begin dezer eeuw de naam van een slaapstede in den Boterhoek, no.63 en 65, dáár, waar de eendracht nog al eens ver te zoeken was.
♦ De Engelsche Bijbel. Onder dezen naam komt, o.a. in 1618, de naam van een huis aan de Brol voor, in hetwelk de uit Engeland afkomstige schrijver Jan Jansz Starter zich gevestigd had. De juiste plaats van het huis is ons onbekend.
♦ Het Engelsche Wapen (anno 1579: het Engelsch waepen) was omstreeks het begin van het derde kwart der 16de eeuw eene beruchte herberg, waarvan de juiste plaats ons onbekend is.
♦ De Fortuin was in het derde kwart der 17de eeuw de naam eener herberg op den Grachtswal, buiten de stadsgracht gelegen, waarboven de poort te lezen stond:
In de Fortuijn,
Tapt men bier en wijn,
terwijl aan den gevel nog het opschrift voorkwam:
Hier verkoopt men Brabantse Kanten fijn,
Thee, Bottelbier, en goede Wijn.
♦ De Galileër Poort. Met dezen naam vindt men soms de Hoekster poort aangeduid, omdat zij leidde naar het eertijds daar buiten gelegen klooster Galilea aan het noordeinde van Olde-Galileën.
♦ De Galileërpijp, tot 1894 de pijp over het water der Tweebaksmarkt, welke van de Korfmakersstraat naar de Galileër Kerk leidde, is in genoemd jaar, bij de demping der gracht verdwenen.
♦ Het Gasthuispijpke was tot 1869 de naam der overbrugging, in de Groote Kerkstraat, van het water der oude stadsgracht, welke van het Schoenmakersperk, met een ombuiging zuidwaarts, in de richting van de Bagijnestraat liep. Bij de demping van dat water in genoemd jaar, is zij afgebroken. De naam was ontleend aan het nabijgelegen Sint-Anthonygasthuis.
♦ De Gerkesbrug was eene oudere benaming van de voormalige, in 1856 afgebroken Perksbrug. Oorspronkelijk zal het een particuliere brug geweest zijn, ten behoeve van zekeren Gerke, die dan tevens met het onderhoud er van belast was.
♦ De Gladde Gevel, ook als Groene Gevel voorkomend, is de naam van het huis no.1, bij den Ossekop, grenzende aan den zuidkant van de Oude Oosterstraat en aldus genoemd naar de uit afwisselende lagen verglaasde, groen en geel gekleurde, baksteenen, waaruit de voorgevel opgetrokken is, en welke daaraan een gladde groene tint geven. Naar den stijl te oordeelen, moet het een der oude huizen zijn, welke nog te Leeuwarden zijn bewaard gebleven.
♦ De Gloppe. Onder dezen naam kwam nog omstreeks het midden der vorige eeuw. Achter de Hoven, een doodloopende steeg voor, ongeveer ter plaatse van de tegenwoordige Fabriekssteeg.
♦ De Gouden Leeuw was tot 1869 de naam van een winkelhuis op den westelijken hoek van Wortelhaven en Eewal, hetwelk sedertdien afgebroken gebroken is, waarna de plaats gedeeltelijk door het voormalige Postkantoor ingenomen is.
♦ De Gouden Olifant. Onder dezen naam komt in het begin van het derde kwart der 16de eeuw een logement voor, waarvan de juiste standplaats plaats ons onbekend is.
♦ Het Gouden Turksch Hoofd (anno 1581: "'t goldene Turnhooft" [Turxhooft]) was in het derde kwart der 16de eeuw de naam van een huis, waarvan de juiste plaats ons onbekend is.
♦ De Groene Oltmeulen wordt omstreeks het midden der 17de eeuw vermeld als de naam van een huis te Leeuwarden, waarvan de juiste plaats ons onbekend is.
♦ Groot Humalda is de naam eener boerderij op het Leeuwarder Nieuwland, nabij den Stienserdijk no. 61.
♦ Het Groot Meenschar (Friesch: Great Mienskar), is de naam eener oorspronkelijk gemeenschappelijke weide, onmiddellijk oostwaarts gelegen van den oostelijken tak van het Kalverdijkje, welke nabij het Oud Tolhuis op den Zwarteweg uitloopt. Sedert omstreeks 1850, toen het als exercitie-terrein voor het Leeuwarder garnizoen in gebruik genomen werd, is het in den Cambuursterpolder opgenomen.
♦ De Gulden Zwaan (anno 1580: "de Gulden Swaen"). Onder dezen naam komt in het begin van het derde kwart der 16de eeuw een herberg voor, waarvan de juiste plaats ons onbekend is.
♦ De Haas was in het derde kwart der 17de eeuw de naam van een huis in de Groote Kerkstraat, en aldus genoemd naar de voorstelling van een haas op het uithangbord. Op den stok er van las men:
"En haes, die is in 't loopen snel,
Gespeckt, gebraden smaakt hij wel".
♦ De Hans Lenzesteeg is de oorspronkelijke benaming van de Nauwesteeg aan den Wirdumerdijk, blijkbaar genoemd naar zekeren Hans Lenzesz, die er vermoedelijk een of meer huizen bezat.
♦ De Haven. Onder deze benaming komt omstreeks het midden der 16de eeuw het Perkswaltje voor; klaarblijkelijk was de toen hier langs stroomende oude gracht eenigermate verwijd, waardoor zij een gemakkelijke ligplaats voor meerdere vaartuigen aanbood.
♦ Het Hazebuurtje. Onder dezen naam kwam nog in het laatst der vorige eeuw een streek huizen voor, gelegen aan den oostkant van het Olde Galileën. De oorsprong van dien naam is ons onbekend.
♦ De Hendrikstraat is sedert 1868 Achter de Hoven ontstaan.
♦ Het Hof van Holland was de benaming van een koffijhuis aan den westkant van de Sint Jacobsstraat, no. 9, hetwelk in het begin dezer eeuw getrokken is bij het onmiddellijk ten noorden er van gelegen hotel de Phoenix, no. 11. De naam is waarschijnlijk ontstaan als tegenhanger van het voormalige Hof van Friesland aan de Tweebaksmarkt.
♦ De Holkesteeg wordt in 1730 genoemd als gelegen "schuin over de dubbele Piepe". Waarschijnlijk is de naam ontleend aan zekere Holke, die er misschien een of meer huizen bezat.
♦ Het Hondebosch. Onder dezen naam vindt men omstreeks het midden der 16de eeuw een stuk weiland bij Olde Galileën vermeld (anno 1543: een fenna by Olde Galeijen, hiet die Hondebosch). It Joadepadsje wordt in den volksmond genoemd het in noordwestelijke richting loopend begin van het Jelsumer Binnenpad tot aan den ingang der noordwaarts er van gelegen - omstreeks 1836 aangelegde - begraafplaats der Israëlietische gemeente ("it Joadekerkhof").

(1) D.i. iemand, die eertijds langs huizen en wegen, met dekens, over schouder en arm gedragen, ventte.
(2) Zie daarover Mevr J.H. Goslings-Lijsen in Leeuw. Crt. v. 15 April 1937 en mr. P.C.J.A. Boeles in idem v. 16 April d.a.v.
(3) Op geringen afstand zuidwestwaarts, buiten het gebied van Leeuwarden, ligt een boerderij, welke eveneens onder den naam van het Bosch voorkomt.
(4) De fraai gebeeldhouwde grafsteen, waarop het echtpaar levensgroot, met hunne wapens uitgehouwen is, bevindt zich in de kerk te Stiens.


>> begin

||| 66. LC 11 sept. 1937.
♦ De Groene Poort was in het laatste kwart der 16de eeuw de naam van een huis aan den oostkant van de Kleine Hoogstraat, aldus genoemd naar een groote, groen geschilderde poort, welke den toegang verleende.
♦ De Gulden Ster (anno 1585: "de Ghulde Starre") wordt in het laatste kwart der 16de eeuw vermeld als een huis, staande "ontrent die Brolbrugghe", en stellig aldus genoemd naar het gevelteeken met de voorstelling eener vergulde ster.


♦ De Grutterij. Een gevelsteen met de voorstelling van een door een paard gedreven gortmolen, kwam tot in het eerste kwart dezer eeuw voor in den gevel van perceel 261, aan den noordkant van het Fliet (1).
♦ De Jonge Bontekoe. Onder dezen naam kwam tot in het eerste kwart dezer eeuw eene uitspanning voor, gelegen aan den oostkant van den Stienserdijk, tusschen de Kleine Bontekoe en de onmiddellijk buiten het gebied der stad gelegen Groote Bontekoe, beide aan den westkant van genoemden dijk. De naam is ontstaan, nadat reeds de Kleine Bontekoe bestond.
♦ De Jonge Fenix was tot in het laatst der vorige eeuw de naam van een geheel uit steen opgetrokken olie-, tras- en runmolen aan den zuidkant van het Fliet op Pietersburen. Zij was in 1752 gesticht ter vervanging van een eenvoudigen runmolen, door den ondernemenden Pieter Luitjens van der Meulen en diens broeder, beiden van Donkerbroek afkomstig, waar hun vader koopman was in schors, en tevens een runmolen bezat. De naam is ontleend aan het feit, dat ter plaatse reeds twee malen te voren een molen afgebrand was, waarmede de sage van den vogel Phoenix in verband gebracht werd. Aan den naar het Fliet gekeerden kant was aan den molen een memoriesteen (2) aangebracht met de voorstelling van den vogel te midden der vlammen en een onderschrift.
♦ Het Keegsdijkje, thans een weg op het Leeuwarder Nieuwland, bij de boerderij Groot Humalda, was oorspronkelijk, na de gedeeltelijke dichtslibbing der Middelzee, eene waterkeering ter bescherming eener voormalige keeg, d.i. een deel buitendijks gelegen grond, welke bij gewoon tij droog liep.
♦ De Keizer (anno 1583: in den Keyzer) wordt omstreeks het derde kwart der 16e eeuw vermeld als eene herberg, waarvan de juiste plaats ons onbekend is, evenals de nadere aanduiding betreffende den naam, waarmede deze "keizer" bedoeld werd.
♦ De Kerkstraat. Aldaar vond men in het derde kwart der 17de eeuw aan een huis het volgende luifelschrift:
"Sterven eer het nood doet
't Erven van het vreemdegoedt
Maakt een ander man tot voorspoet".
♦ De Keyzersbuurt, aan den oostkant van het Zuiderplein nabij de Posthoornsteeg, in zuidelijke richting omstreeks 1870 ontstaan, is aldus genoemd naar den bouwondernemer Jelle Harmens Keyzer, die hier een reeks woningen deed bouwen.
♦ De Kleine Bontekoe (2), eene uitspanning aan den westkant van den Stienserdijk, ongeveer op de helft van den afstand tot de Groote Bontekoe (2) gelegen, is aldus geheeten ter onderscheiding van laatstgenoemde, buiten het stedelijk gebied zich bevindende uitspanning (3).
♦ De Klok was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan het Groot Schavernek, onmiddellijk zuidwaarts gelegen van het Wapen van Vriesland, en daarvan door een steeg gescheiden. Daarin was het Franeker Veerhuis gevestigd. Het was aldus genoemd naar het gevelteeken, een bel of klok voorstellende, klaarblijkelijk ontleend aan eene overeenkomstige figuur uit het Franeker wapenschild.
♦ De Koebrug, oorspronkelijk gelegen aan de smalzijde van de Nieuwestad, over het water der oude stadsgracht, hetwelk zuidwaarts in dat der Nieuwestad uitliep, is in 1611 verdwenen bij den aanleg van de Lange Pijp. De naam is waarschijnlijk ontleend aan het feit, dat daarover vanuit het aangrenzende stadsgedeelte het rundvee naar het Nieuwland gedreven werd, om daar te grazen.
♦ De Korfmakersstraat. Aldaar las men omstreeks het laatste kwart der 17de eeuw op den luifel van een "toebakverkoopers huys" het volgende opschrift:
"Toebak is kostelijk en niet dier,
Zij is voedzaam, maar maakt niet vet,
Zij is voor Soldaat en Bootsgezellen
Een tijdverdrijf en een plezier,
Voor heeren en borgers een banket,
Veel schoonder als men kan vertellen".
♦ De Laars was in het laatste kwart der 17de eeuw het uithangteeken van een schoenmaker "bij de Korvemakers" (d.i. de Korfmakersstraat), op wiens uithangbord het volgende te lezen stond:
"Een laars bedeckt een voet, een laars bedeckt noch meerder
Een laars verweckt een vaars (5), een laars maakt noch geleerder.
Een laars staat statelijk, voor die is in de staat,
Een laars past passelijk, voor die van passen gaat.
Een laars dient dienstelijk voor die, die reijsen willen.
Een laars voegt voegelijk voor die hun kruijt verspillen,
Een laars hooft hooffelijk in hooffelijke stoet
Kom kooper koopt een paar, u gunst mij voordeel doet".
♦ De Lange Negene (Friesch: de Lange Njuggene), is de naam van een stuk weiland, aan den noordkant van het Fliet gelegen, en eigendom van de gemeente Leeuwarden. Zij is eene verkorting voor: de lange negen pondematen maten, d.i. een langgestrekt stuk weiland, dat 9 x 36 3/4 are groot is.
♦ De Mariastraat is sedert 1868 Achter de Hoven ontstaan.
♦ De Minnemabrug, later veranderd in de Minnemapijp, was eertijds gelegen over het water van den Eewal, tegenover den noordelijken ingang der Minnemastraat. Bij de demping van dat water in 1884 is laatstgenoemde pijp verdwenen.
♦ Het Nieuwe Paradijs was omstreeks het laatste kwart der 17de eeuw de naam eener herberg nabij de Doele, waar een uithangbord te lezen gaf:
"Coomje van de reis en soekje logijs
Soo komt hier, logeer in 't nieuwe paradijs.
Komt in als vrienden plegen
En soekt geen ander wegen
Hier tapt men bier en wijn
En dat om vrolijk zijn.
In 't paradijs
Is bon logijs
1676".
♦ De Nieuwe Steeg. Aldaar las men in het laatste kwart der 17de eeuw op een uithangbord:
"In het verken door de koe
Die het leer koopt, geeft de pluggen toe".
♦ Het Oude Galileën. In het laatste kwart der 17de eeuw gaf daar een uithangbord voor eene herberg te lezen:
Die gaet op sijn plaisier
Volle vaten tapt men hier
De nijt en spijt doet seer
De Tijt verslijt het weer.
♦ De Oosterstraat. In het laatste kwart der 17de eeuw kon men daar de beide volgende opschriften vinden.
Op een gevelsteen van zekeren R. T.:
"Die timmert aen de straat
Moet veel berispens hooren
Dit is de beste raedt
Hem daer niet aen te stooren.
Spijt niders (6) dat doch niders sijn
Dat Godt mij gunt dat is doch mijn".
En aan het huis van zekeren I. A.:
"Leert spreken daer het past
Leert swijgen op uw tijdt
De tonge maakt u vast
Eer gij gevangen zijt".
♦ Op de Kelders is de naam van de huizenreeks, gelegen tusschen de Korfmakerspijp en den zuidelijken ingang der Groote Hoogstraat. Zij draagt dien naam naar de eertijds daarvoor aan den kant van de gracht gelegen kelders. Daar las men in het laatste kwart der 17de eeuw aan een gevel:
"Die hier comt om mij te besien
Soo gij mij gunt mag hem geschien".
De er tegenover gelegen rij huizen, van de Korfmakersstraat tot de Brol, wordt Over de Kelders genoemd.
♦ De Oranje Eewal is misschien genoemd naar een steen, weleer voorkomende in den gevel van een huis aan den zuidkant van den Eewal, het tweede oostwaarts van de Groote Hoogstraat (thans no. 50), waarop "en basrelief gehouwen en cierlijk verguld De Oranje-Eewal" te lezen stond. In het laatste kwart dor 18de eeuw stond het "beroemd wegens zijn uythangbord".(7)
♦ Het Oud Deel (anno 1455: dat Aelde deel) is de naam van het water, hetwelk aan den oostkant van het stedelijk gebied gedeeltelijk de begrenzing met Tietjerksteradeel vormt. Oudtijds had n.l. in Friesland deel de beteekenis van een water, dat de grens vormt tusschen twee deelen of grietenijen.
♦ Het Oud Zwart Kruis. Onder deze benaming komt in het laatst der vorige eeuw voor het huis aan den westkant der Korenmarkt, dat te voren het Zwart Kruis genoemd werd.
♦ Het Paard komt in de tweede helft der 17de eeuw voor als naam eener bierbrouwerij, waarvan de juiste plaats ons onbekend is. Daar trof men eertijds het volgende opschrift aan:
"Soekt gij goet bier
Men vint het hier,
Soet van geur,
Fraij van kleur,
Lieflijk van smaak,
Dat tot ydereen sin geraak (7).
Anno 1652".
♦ Paffenraad is de naam der boerderij aan den noordkant van den Vierhuisterdijk, no.52. Daar ter plaatse stond eertijds eene state, welke eigendom was van het geslacht Paffenrade of Paffenrode. Als zoodanig kwam zij het eerst in het bezit van Johan vrijheer van Paffenrode, als kleinzoon van Adam van Paffenrode en IJmk van Liaukema. Behalve kolonel, commandeerende het garnizoen van Gorinchem, was hij o.a. schrijver van verschillende gedichten en tooneelstukken. Hij sneuvelde bij het beleg van Maastricht, in 1673.
♦ Het Panwerk is de naam van een streek huizen, welke van den westkant van Olde Galileën zich uitstrekt tot aan de Dokkumer Ee, onmiddellijk ten zuiden van de Droge Haven. Zij is ontleend aan een eertijds hier bestaan staan hebbende pannenbakkerij (Friesch: panwirk).
♦ Het Prinsehof. In de nabijheid daarvan las men omstreeks het derde kwart der 17de eeuw op een uithangbordje boven den luifel van een passementwerker:
"Hier maakt men borduursel van alderhande slagh
't Is groot of klein al wat men bedencken magh.
♦ De Prinsentuin. Zie de Stads- of Prinsentuin.
♦ De Prinse-Weitmolen. Nadat om strategische reden de zuidelijkste der beide zich eertijds nevens de Lieve Vrouwewaterpoort bevindende korenmolens afgebroken was, verkreeg hij in 1624 een betere standplaats op den nieuw aangelegden Verlaatsdwinger. Aangezien deze molen later meer in het bijzonder aangewezen was tot het malen der granen, benoodigd voor het gezin van den Prins Stadhouder, werd hij sedertdien aangeduid als 's Prinsen weitmolen. Daarmede werd
♦ De Prinse Weitmolensdwinger de benaming voor den vroegeren Verlaatsdwinger.
♦ De Reijgersstraat droeg reeds in het begin der vorige eeuw dien naam naar zekeren huiseigenaar B. Reiger, wonende in de er tegenover gelegen Blokhuissteeg.
♦ De Roode Roos was in het laatste kwart der 17de eeuw een herberg te Leeuwarden, waarvan de juiste plaats ons onbekend is en aldus geheeten naar de voorstelling eener rood geschilderde roos op het uithangbord, op welks stok te lezen stond:
"In de roode roos verkoopt men wijn en bier,
Tot yder lust en sijn plaisier
Dat voor gelt,
Contant telt.
16..".
♦ Rozendaal. Onder deze benaming wordt o.a. in 1534 een stuk weiland, groot 23 pondemaat, vermeld gelegen "omtrent het Tolhuis" aan den Zwarteweg.
♦ Het Ruiterskwartier. Aldaar las men in het laatste kwart der 17de eeuw op den van een uithangbord van een "stal-man":
"Van Godt wacht ik het al
't Sij vreugd of ongeval
1674".
Omstreeks denzelfden tijd vond men daar op een tuin het volgende opschrift:
"Aensiet dees Tuyn tot u plaisier,
Met bloemen schoon en paadden klaer,
Swichemius is de hovenier,
Een backer is de eigenaer".
♦ De Samaritaan was in het derde kwart der 17de eeuw de naam van een "barbierswinkel" te Leeuwarden, waarvan de juiste plaats ons onbekend is. De daar wonende heelmeester had op zijn uithangbord de karakteristieke voorstelling van den barmhartigen Samaritaan doen schilderen en aan zijn gevel het volgende opschrift doen aanbrengen:
"Gelijk den wijn, fijn,
Drieft sorge uit der herten:
Soo geneest Medicijn, pijn,
En ontlast van smerten".
♦ De Sandfirde (anno 1484: de Sandfurde; Friesch: Sanfirde, Hollandsch: Zandvoorde) wordt in het laatste kwart der 16de eeuw vermeld als zich bevindende nabij Papinga-fenne.

(1) Bedoelde gevelsteen is thans het eigendom van Notaris N. Ottema te Leeuwarden.
(2) Met den klemtoon op Bónte.
(3) Deze laatste uitspanning, oorspronkelijk de Bontekoe geheeten, dankt dien naam aan een geschilderde afbeelding eener zwart-bonte koe, welke oorspronkelijk aan den gevel aangebracht gebracht was, maar zich sedert een brand in de herberg boven de tapkast in de gelagkamer bevindt.
(4) De steen is thans met meerdere ingemetseld in een muur in de Pijlsteeg.
(5) D.i.: geeft aanleiding tot het ontstaan van een vers.
(6) niders = benijders.
(7) Zie de Vrije Fries XXX 104-108.
(8) Friesch: gerak, d.i. (noodige levens-)behoefte.

>> begin

||| 67. LC 25 sept. 1937.
♦ De Bollemanssteeg. Aldaar vond men tot in deze eeuw in den gevel van perceel no. 27a een steentje, dateerend uit 1646 met het opschrift:
"Godt is die steen
En anders gheen,
Daer ick op bouwe
En vast vertrouwe
1709".
terwijl no.24 aldaar, in den achtergevel, het volgende te lezen gaf:
ANNO 1758
HOE HOOG DE GELDZUCHT STYG EN DRAAF
OP ZILVRE EN GOUDE SCHYVEN
LAAT YDLE GLORI DRYVEN
HIER BOOGT DE MUNTE OP BETRE GAAF
DOOR KRISTUS NAAKTE LEDEN
TE VOEDEN EN TE KLEDEN
DAT TUGEN ALLE DE ARMEN DIE
MEN BINNEN DEES VERTREKKEN ZIE
---
DIACONIE HUYS
VERBOUWD
1886.
♦ De Drie Klavers was omstreeks het begin der 18de eeuw de naam van een huis aan de breedzijde der Nieuwestad, waarschijnlijk het vierde, oostelijk van de Gouden Wagen, en waarin later het Lemster veerhuis gevestigd was.
♦ Eekma's pakhuis. Onder dezen schertsnaam stond in de eerste helft der vorige eeuw het voormalige Tuchthuis bekend, aldus genoemd naar Mr. Idzerd Eekma, aanvankelijk vice-president van het College van Regenten over de gevangenis, daarna jarenlang Officier bij de Rechtbank te Leeuwarden en vervolgens - tot 1852 - Procureur-Generaal bij het Provinciaal Gerechtshof in Friesland.
♦ De Groeneweg. In de nabijheid hiervan las men omstreeks het derde kwart der 17de eeuw, voor een slaapstee, onder de voorstelling van den door een engel geleiden jongeling Tobias:
"Den Engel Rafaël leide den jongen Tobyas
Langs bergen en daalen zeer ras,
Hier houd men nachtslaapers op dit pas".
♦ Het Groot Klooster was omstreeks 1800 de naam eener herberg in de Bagijnestraat, staande "naast de Bagijnekerk" aldaar, de herinnering daarmede levendig houdende aan het voormalige klooster der Grauwe Bagijnen aan die straat gelegen.
♦ Het Hoog was, voor de verbouwing van het Sint-Anthonygasthuis in 1877, de naam eener hooggelegen plek, binnen het gasthuis besloten, waarop zich van oudsher een put bevond.
♦ Het Hoogpad is de naam van een streek huizen, loopende van den Oostersingel in oostelijke richting tot den noordelijken uitgang van de Weerklanksteeg, alsmede zuidelijk van en evenwijdig met het Laagpad, in tegenstelling waarvan het, wegens de opvallend hooge ligging genoemd is.
♦ Het Hoogpadsend is de naam van de streek huizen, in het verlengde van het oostelijk eind van het Hoogpad gelegen, tusschen de noordelijke uitgangen van Weerklanksteeg en Langesteeg, alsmede zuidwaarts van en evenwijdig wijdig met de Seringebuurt.
♦ It huus van Jan Nekje werd eertijds wel schertsend het voormalige Tuchthuis geheeten, daarbij zinspelende op zeker gerechtspersoon, die in den volksmond "Jan Nekje" - vanwege zijn scheven nek - genoemd werd.
♦ It Joadeland is in den volksmond de naam voor het land, gelegen aan weerskanten van het Jelsumer Binnenpad, gerekend van het noordelijk einde van it Joadepadsje (thans Jelsumerstraat) tot aan de Oude meer.
♦ De Nationale Tuin. Met deze benaming werd "in den Franschen tijd " - in de dagen van vrijheid, gelijkheid en broederschap - van hoogerhand de Prinsentuin aangeduid.
♦ De Nieuwesteeg. Aldaar las men omstreeks het derde kwart der 17de eeuw op den stok van het uithangbord van een mesmaker:
"Hier maakt men messen goedt van snee
Die hem snijt doet hem wee".
♦ Het Olde Galileën. Omstreeks het derde kwart der 17de eeuw bevatte het uithangbord eener herberg aldaar het volgende opschrift:
"Die gaet op sijn plaisier
Volle maten tapt men hier,
De nijt en spijt doet seer
De Tijt verslijt het weer".
♦ Het Poortje. Deze naam kwam nog omstreeks het midden der vorige eeuw aan den zuidkant van het Fliet voor, onmiddellijk oostwaarts van het negende huis aldaar, gerekend van den hoek van den Grachtswal; de beide zich toen daar bevindende woningen werden gezegd, te staan "in het Poortje".
♦ Roma of Rome wordt in het begin der vorige eeuw vermeld als eene "van ouds bekende" tapperij aan den stadswal, tusschen Amelandsstraat en Tuinsterpoort. Deze naam voor eene tapperij kwam ook elders veel voor (1), evenals aan eene dergelijke inrichting van de Romein uithing. Met de laatste benaming werd eertijds veelal een wijntapper aangeduid, naar alle waarschijnlijkheid aldus genoemd naar eene, in de 15de en 16de eeuw veel gedronken wijnsoort romenije - een zoete wijn van Griekschen oorsprong - welke toentertijd in Noord-Europa zeer geliefd was (2).
♦ Het Ruiterskwartier. Daar las men omstreeks het derde kwart der 17de eeuw op een tuin het volgende opschrift:
"Aensiet dees Tuyn tot u plaisier
Met bloemen schoon en paadden klaer,
Swichemius is de hovenier
Een backer is de eigenaer"
terwijl de stok van het uithangbord van een "stal-man" aldaar te zien gaf:
"Van Godt wacht ik het al
't Sij vreugd of ongeval
1674".
♦ Het Schaap was omstreeks het derde kwart der 17de eeuw de naam van het huis van een "toebackverkooper" in de Peperstraat. Op diens uithangbord las men - onder de voorstelling van een schaap - het volgende rijm:
"Schaapien goed
Staat hier tentoon
Geeft u tot overvloed,
Goe Toeback, en Pijpen schoon,
Orangie appels, en Lamoenen excelent,
In de Peperstraat is 't Schaap bekent".
♦ Het Schoenmakersperk. In de nabijheid daarvan gaf omstreeks het derde kwart der 17de eeuw een bord boven de luifel van een "tobackverkooper" te lezen:
"Hier verkoopt men oprecht virgines Toback
suijver om een stuijver".
♦ Het Schoolmeesterssteegje wordt omstreeks het einde van het derde kwart der 18de eeuw vermeld als een steeg nabij de Doeke Martenspijp, waar in eene localiteit door een schoolmeester particuliere school gehouden werd, terwijl diens vrouw eene kleine kinderschool hield.
♦ De Seringebuurt is de naam eener streek huizen, gelegen als onmiddellijke voortzetting oostwaarts van het Laagpad, noordelijk van en evenwijdig met het Hoogpadsend. Zij vormt eene herinnering aan de eertijds in de omgeving der Weerklank voorkomende tuinen en kweekerijen van boomen en gewassen.
♦ Sint-Nicolaas was in de 17de eeuw de naam van een huis te Leeuwarden, waarvan de juiste plaats ons onbekend is. Het droeg dien naam naar de voorstelling van den kinderheilige (en patroon der zeevarenden), terwijl op de luifel van het huis te lezen stond:
"Dit huys is goet en bequaem
Sint-Nicolaes is syn naem".
♦ Smallenborch was omstreeks het derde kwart der 17de eeuw de naam van een huis in de Sint Jacobsstraat, op welks luifel, met weinig variatie van het voorgaande opschrift, de volgende regels voorkwamen:
"Dit huys is goet en bequaem
Smallenborch is syn naem".
Misschien ontleent de Leeuwarder familie van Breest Smallenburg hieraan haar naam.
♦ De Stokerij. In een muur aan de Gedempte Keizersgracht no.44 vindt men een gevelsteen ingemetseld met de voorstelling van een retort en vat, en daaronder: ANNO 1647, blijkbaar afkomstig van eene voormalige jeneverstokerij.
♦ Het Streekje is de eenvoudige benaming voor een streek van enkele woningen aan den oostkant van Olde-Galileën gelegen, ongeveer in het oostelijk verlengde van het Panwerk.
♦ Het Struivingspoortje ontleent zijn naam aan Dominicus Jans Struiving, schilder naar "antique modes behangsels en schoorsteenkleeden", die zijn "huizinge en affaire" sedert 1777 naast het poortje had.
♦ De Toren van Babilonië (anno 1583: de Thoern van Babiloenijen) wordt omstreeks het derde kwart der zestiende eeuw vermeld als naam van een huis, staande in de Sint-Jacobsstraat en stellig aldus genoemd naar het gevelteeken, dat een voorstelling van den Toren van Babel te zien gaf.
♦ Het Tulpebuurtje is de benaming van een achttal woningen in den Boterhoek, staande in de gloppe onmiddellijk westwaarts van de Kalvergloppe; zij zijn gelegen om een bleekveld, in den vorm van een zoogen. klooster. De naam herinnert waarschijnlijk aan een voormalig eigenaar naar dier woningen, met name Tulp.
♦ Het Veldhoen was nog omstreeks het midden der vorige eeuw de naam van een huis aan de Korenmarkt, het derde van den westelijken hoek af, en stellig aldus genoemd naar het gevelteeken met de voorstelling van een kip.
♦ De Vergulden Bijbel wordt o.a. in 1630 vermeld als naam van een huis in de Klokstraat, dat toentertijd bewoond werd door den boekdrukker Rippertus Sixti.
♦ De Vergulden Drukkerij was van het derde kwartaal der 17de eeuw tot het eerste der 18de eeuw de naam van een huis "voor aen in de Groote Hoogh-straet bij de Brol", waar achtereenvolgens Schelte Jochems en Karst Tjallings als "boekdrucker en verkooper" gevestigd waren.
♦ De Vergulden Fries was omstreeks het derde kwart der 17de eeuw de naam van een huis in de Kleine Hoogstraat, waar een uithangbord aan den eenen kant te lezen gaf:
"T vernoegen van sijn eigen staet
Een keyzers kroon te boven gaet".
Terwijl de andere kant vermeldde:
"T is beter benijt als beklaegt
Als maer God behaegt".
♦ De Vergulden Zeine (d.i. een misspelling voor het Friesche seine = zeis) was in het begin der 18de eeuw de naam van een huis aan de breedzijde der Nieuwestad, hetzelfde waar reeds in 1512 de herberg de Witte Zwaan gevestigd was.
♦ Het Veerhuis, aan het oostelijk eind van den Vierhuisterdijk, nabij de Dokkumer Ee, no. 25, draagt in een zijmuur een memoriesteen uit 1753 met het volgende opschrift:
"Den grondsteen van dit Huis lag Isabella's hand,
'T Herbouwde Vierhuis wagt van God den milden zegen
In 't kweeken van het vee en 't bloeijen van het land,
Hierin is 's landman's steun en 's landheer's heil gelegen.
Den 26e Maij 1758
Herbouwd 1890".
♦ De Vischmarkt op de Vischmarktpijp. In de nabijheid hiervan trof men voor de luifel van het huis eens schoenmakers het volgende opschrift aan:
"Hier verkoopt men Schoenen, voor rond en achter plat,
Passense David niet, zoo passense Goliat".
♦ Het Wapen van Parijs wordt omstreeks 1790 vermeld als de naam van een herberg, waarvan de juiste plaats ons onbekend is.
♦ Het Wapen van Zwol was in het laatst der 17de eeuw de naam van een herberg in de Oosterstraat, waar de luifel te lezen gaf:
"Och dat de werelt eens omwende
En elck sijn eigen selven kende
En liet een ander sijn gebreken staen
Het sou veel beter in de werelt gaen".
♦ De Weerklanksteeg, aan den noordkant van het Vliet, is eene latere benaming voor de Doorgaande steeg, voerende naar de Weerklank.
♦ De Werdenafliet (anno 1472: Wernaflieet; anno 1473: Awernafleet; anno 1479: Werdnafliet) wordt omstreeks 1473 vermeld als een water (?), in hetwelk nog weiland gelegen was; de juiste plaats daarvan is ons onbekend.
♦ Wiggemast, welks juiste plaats ons onbekend is, werd aanvankelijk bewoond door den edelman Eelke Wiggema, en daarna door diens zoon Gerlof, sedert 1398 benoemd tot schout der stad.
♦ De Wirdumerpoort. In de nabijheid hiervan gaf een uithangbord in het laatste kwart der 17de eeuw te lezen:
"Hier verkoopt men en kan maaken
Groote Leusen (3), Oogen en Haaken,
Men verkoopt ook Demter (2) koeken,
Dubble en enckle, komt wiltze soeken,
En op dat gy het alles weet
Verkoopt men hier ook lekkere Meed". (3)
♦ De Witte Arend wordt omstreeks 1825 vermeld als een logement op het Groot Schavernek, stellig aldus genoemd naar de voorstelling van een witgeschilderden adelaar als gevelteeken.
♦ Het Woudboersland is een latere benaming voor de Heentsjemafenne op het Leeuwarder Nieuwland, waarschijnlijk aldus genoemd naar zekeren gebruiker of bezitter daarvan, die uit de Friesche Woudstreek afkomstig was.
♦ It Wybren-Wybrensgat. Met deze benaming werd wel in den volksmond 't voormalige Tuchthuis aangeduid, of eigenlijk een gat onder het bolwerk in den zuid-oosthoek van dat huis, zoo genoemd naar een beruchten moordenaar, Wybren Wybrens van Oosterbeintum, die aldaar eens was opgesloten. Deze Wybren had n.l. in den ochtend van 19 November 1781 den dorpsrechter Heerke Heerkes te Janum in diens woning eerst met een hooivork toegetakeld en hem vervolgens met een touw geworgd, waarom het Hof van Friesland den moordenaar - "anderen ten exempel"- veroordeelde "omme bij den scherpregter buiten de stad ter plaatse des Gercchts, op een schavot geleidet, aldaar aan den staak geworgd en alzoo van het leeven ter dood te worden gebragt, ordonneerende voorts dat des Gevangens lichaam aldaar, op een rad ten spectacule zal worden gesteld".
♦ Het Zwanebosch (anno 1541 het Swane bosch) wordt in het tweede kwart der 16de eeuw vermeld als een "onbetimmerde" d.i. onbebouwde, met boomen beplante plek gronds nabij Oldegalileën, vermoedelijk naar de aanwezigheid van een zeker aantal zwanen.
♦ Het Zwart Kruis was nog in het eind der vorige eeuw de naam van het huis aan de smalzijde van de Nieuwestad, no.71, op den westhoek van de Nieuwe Steeg. Het Zwart Kruis is een latere benaming voor de herberg het Tontje (anno 1640: "het tontie oft swerte Cruijs").
---
Naschrift. - De hear K Sierksma to Ljouwert wiist op in meidieling út 1580 to Wirdum: "Tiart in den Swarten Arndts stede", en is fen bitinken dat de tinkstien fen it Arendsklooster, "IN DE SVARTE AERENDT", hjirfen syn kom-óf hat. Unmuchlik is dit fensels net, mar ek op it gebiet fen 'e tinkstiennen moat min bitinke, dat er mear hountsjes binne dy 't Blom hjitte!
- De heer H.J. Murray Bakker te Zeist wijst ons op een memoriesteen, eertijds aanwezig in den noordermuur , - aan den kant van de Peperstraat -, van het huis "de Keizerskroon", het laatst door F.L. Uffelie, en daarvoor door W. Eekhoff bewoond. Op dien steen, ongeveer op borsthoogte geplaatst, was eene inscriptie met jaartal (begin 17e eeuw?) gebeiteld, waarvan genoemde heer zich den juisten inhoud niet meer weet te herinneren. Wie onzer lezers weet daar meer van af en kan ons misschien mededeelen, waar de steen, na de afbraak van het huis, ten behoeve van de verbreeding der Peperstraat, beland is.

(1) Ook Harlingen kende eene herberg "Roma".
(2) Deze wijnsoort werd ook in Spanje verbouwd, en vandaar naar Noord-Europa uitgevoerd, waarom men de romenije ook wel als een Spaansche wijn vermeld vindt.
(3) Lussen?
(4) Deventer.
(5) Meede of mee: zekere honigdrank.

>> begin