"Souvereine Raad" of Hof van Gelre te Roermond 1580-1795

Voorlopige naamlijst door J.B. Sivré (handschrift in gemeente-archief Roermond); bewerkt door M.H.H. Engels, 2006


INHOUD

Naamlijst Hof van Gelre Roermond >>
- Aantekeningen >>
Naamlijst der kanseliers in de Raad van Gelderland te Roermond >>
- Noten >>
Uit: E.F.J.A. Adriaanse, Rechterlijke en administratieve colleges in Roermond >>
- Naamlijst [tot 1819] van de burgemeesters van Roermond >>
Brief van Hendrik van Cuyck, bisschop van Roermond 1596-1609, aan Viglius [Hetteszoon] van Aytta [+1641] te Swichum over de kinderen van de overleden griffier Reiner Pybes >>
- Vertaling >>
- Bisschoppen van Roermond tot 1800 >>
- Adama >>


Roermond 1776: Noorden links
7: Munsterabdij, 19: kanselarij, 20: woning stadhouder/gouverneur


>> HOMEpage

Aquarel ca. 1810, vlnr: toenmalig Bisschoppelijk Paleis, kanselarij Hof van Gelre,
Hospice-Civil omstreeks 1682 gebouwd als woning voor de stadhouder/gouverneur, Munsterkerk

>> begin

Naamlijst Hof van Gelre Roermond

c = costumiere (adellijke) raad, g = griffier, k = kanselier, m = momboir (procureur-generaal), r = gegradueerde raad, s = secretaris




>> begin

*** Aantekeningen ***


















>> begin

Naamlijst der kanseliers in den Raad van Gelderland te Roermond,
uit: J.L. Geradts, Bijdrage tot de geschiedenis van den Souvereinen Raad in het Overkwartier van Gelderland te Ruremonde (1580-1794), Leyden 1860.

1. WILLEM GRIEP, in 1835 te 's-Gravenhage geboren 1). Hij bekleedde achtereenvolgens de betrekkingen van Pensionaris te Delft, Raadsheer te Mechelen en Kanselier te Roermond. Als uitgever der Carmina van JANUS SECUNDUS, waarvoor hij eene smaakvolle voorrede schreef, en als latijnsch dichter maakte hij zich bekend. Hij stierf, niet, gelijk sommigen meenen, in 1606, maar den 25 Januarij 1610 2).
2. PETRUS VAN DEN BOSCHE. Zoo noemt hem de lijst die ik volgde: GALLIOT daarentegen, in zijne Histoire de Namur III 74, heet hem PHILIPPE VAN DEN BOSCH. Als Voorzitter van den Raad van Namen, volgde hij FRANÇOIS FRUITIER op. Hij overleed in 1614.
3. HENDRIK UWENS, geboren te Nijmegen. Hij was eerst Raadsheer in den Grooten Raad van Mechelen en is in 1622 gestorven.
4. GODEFRIDUS GILKENS, geboren te Roermond, van wien reeds hierboven bl. 89, gewag is gemaakt. Overleden in 1625.
5. HIERONYMUS VAN GAULE. Zijne geboorteplaats is mij onbekend. Hij bekleedde de ambten van Raadsheer in den Grooten en in den Geheimen Raad eer hij in 1628 tot Kanselier van Gelderland benoemd werd; hij stierf in 1650.
6. JACOBUS STALINS, geboren te Gent, zoon van den beroemden GILLES STALINS, Ridder van het Gulden Vlies en lid van den Grooten Raad te Mechelen, die de placaten van Vlaanderen verzamelde. Hij was Raadsheer in den Raad van Vlaanderen, in welke hoedanigheid later zijn bloedverwant en naamgenoot JACOBUS STALINS, Heer van Poppenrode, schrijver van het Vlaamsch Settingboecxken, schitterde. De onze overleed in 1654.
7. JOSSE VAN DEN KERKHOVE , uit een beroemd adelijk geslacht gesproten, kleinzoon van GASPARD VAN DEN KERKHOVE en ANNA VAN PULLE, zoon van JOSSE VAN DEN KERKHOVE en ELISE MARTENS, gedoopt in de Nôtre Dame van Antwerpen, 29 Januarij 1894. Hij overleed in 1687 en werd in de Groote kerk te Roermond bijgezet 3).
8. BOUDEWYN VAN DER PIET, afstammeling van den beroemden BALDUINUS VAN DER PIET, die als Hoogleeraar in de regtsgeleerdheid de Hoogeschool te Douay opluisterde. De onze, Ridder en Heer van Weghewalle, was eerst Raadsheer in den Hove van Vlaanderen, daarna Raadsheer en Procureur Generaal bij den Grooten Raad van Mechelen en werd in 1657 tot Kanselier van Gelderland benoemd. Slechts vijf jaren nam hij dat ambt waar: later werd hij tot Lid van den Geheimen Raad bevorderd, in welke betrekking hij den 7 October 1672 te Brussel overleed.
9. JOANNES ALBERTUS VAN DEN WINKEL. Vroeger was hij Raadsheer in den Hove van Brabant. Hij stierf in 1670.
10. JACOBUS VAN GUTSCHOVEN, insgelijks Raadsheer in den Raad van Brabant. Hij overleed in 1682.
11. PHILIPPUS FRANCISCUS VAN VARICK, Burggraaf van Brussel. In 1702, toen Gelderland van Landsheer veranderde, legde hij zijn ambt neer. Hij stierf in 1714.
12. FRANCISCUS GASPAR VAN HEMPSELRODE DE STARCKENBURG. Verscheiden jaren had hij als oudste Raadsheer den Raad gepresideerd, toen hij tot Kanselier benoemd werd. Den 24 April 1721 beëdigd, overleed hij reeds den 7 November daaraanvolgde.
13. PETRUS VAN LOM, beëdigd 3 April 1723, overleden 4 Mei 1724.
14. HERMANNUS JACOBUS VAN DEN BERG, beëdigd 15 November 1724, overleden 20 December 1727.
15. ALBERTUS BERNARDUS VAN LOM, geboren te Roermond, beëdigd 17 April 1728, overleden 29 December 1736.
16. JOHANNES BERNARDUS[?] VAN WEYNS [SWEYNS], geboortig uit Roermond, vroeger eerst Raad-Fiskaal, vervolgens Kanselier. Als zoodanig werd hij beëdigd 4 December 1737. Hij overleed in 1743.
17. FRANÇOIS JOSEPH XAVIER COMTE DE BAILLET, geboren in of bij Luxemburg, zoon van CHRISTOPHE ERNST DE BAILLET, Heer van Reckingen, Strassen, Munzbach enz., die Voorzitter van den Grooten Raad en later van den Raad van Staten geweest is 4). De vader overleed in 1732, de zoon in 1747.
18. PIERRE CLAUDE MARIE DE SAINCT-VAAST, heer van Denterghems. De bekende regtsgeleerde REMI ALBERT DU LAURY, Procureur Generaal bij den Grooten Raad van Mechelen was de leidsman en leermeester zijner jeugd geweest. Hij diende hem als Secretaris, en oefende tevens de regtspraktijk uit. Later werd hij lid van gemeld aanzienlijk staatsligchaam. MARIA THERESIA gaf hem talrijke blijken harer gunst, en benoemde hem eindelijk bij patent van Januarij 1767 tot baron. Kort daarna schijnt hij overleden te zijn, waarschijnlijk evenwel nadat reeds zijn opvolger zijne taak had aanvaard: althans volgens BRITZ, die de HSS. der Koninklijke Bibliotheek te Brussel raadpleegde, was hij in 1768 nog in leven 5). De groote verzameling van Arresten, door DU LAURY bijeengebragt, ware zonder zijne tusschenkomst welligt verborgen gebleven. De Procureur-Generaal overleed den 25 Januarij 1716 en reeds in het volgende jaar betaalde SAINCT-VAAST aan zijn leermeester den tol der erkentelijkheid 6). De Verzameling is nog heden ten dage eene goudmijn voor de kennis van het Oud-Nederlandsche regt. De voorrede van SAINCT-VAAST leert ons hem kennen als iemand, die de taal zoo goed als de wetenschap kende en in het geheel niet van smaak ontbloot was; hij voegde er eene proeve van Latijnsche poëzij bij.
19. ARNOLDUS HENRICUS TAEKOEN, geboren te Luik, eerst Burgemeester te Roermond, daarna Raad in het Souverein Hof, laatstelijk Kanselier. Als zoodanig legde hij den 22 Maart 1767 den eed af; hij overleed in 1779.
20. WILLEM JOSEF LUYTGENS , Raadsheer in den Raad. Zijn grootvader HENDRIK LUYTGENS in 1608 in de de stad Gelder geboren, stamde af van THOMAS LUYTGENS, die aldaar in 1493, en dus ten tijde van Hertog KAREL VAN GELRE het hoofd eener oude en aanzienlijke familie was 7). HENDRIK LUYTGENS was aldaar in 1651 Burgemeester en Lid van de Staten van het Overkwartier 8), welke laatste waardigheid in den loop der XVII eeuw nog door andere leden van zijne familie werd bekleed 9). Na de ontbinding van een eerste huwelijk, trouwde hij ten tweede male; uit dit huwelijk werd PIETER LUYTGENS in 1677 geboren. Deze trouwde met MARIA ADRIANA JANSSENS te Roermond, en mogt aldaar, gedurende vijftig jaren, zijn tijd besteden aan het Armen Weeshuis, waarover hem de zorg was opgedragen 10). Zijn zoon WILLEM JOSEF voleindigde zijne studiën op de hooge school te Leuven, en bekwam aldaar de vierde plaats in de eerste linie. Hij promoveerde in de regten den 18 Augustus 1746 11), practiseerde als Advokaat bij den Raad van Gelderland, werd korten tijd daarna als Schepen aangesteld, en reeds in 1750 Raadsheer van den langen tabbaard in dien Raad benoemd. In 1751 trouwde hij, doch twee maanden na zijn huwelijk werd zijne vrouw hem door den dood ontrukt. Zijn leven lang betreurde hij dit verlies; doch hij vond een onschatbaren troost in zijne moeder die hij "sa mère au coeur de Reine" noemde en op welke hij al zijne teederheid terugbragt. Hij had de oogen vol tranen, wanneer hij van haar sprak 12). Zijn tijd werd dan ook aan haar, aan de pligten zijner bediening, eerst van Raadsheer en daarna van Kanselier, en aan de vervulling van bijzondere hem door de Regering voor en na opgedragene werkzaamheden en commissien toegewijd, onder anderen aan de werkzaamheden, betrekkelijk de administratie en aangelegenheden der provincie, en aan de behandeling der territoriale geschillen , welke tusschen den Keizer en de Vereenigde Nederlandsche provinciën waren ontstaan, en door het tractaat van Fontainebleau werden vereffend 13).
Bij al deze werkzaamheden werden zijne verrigtingen zoo hoog geschat, dat hij niet alleen de goedkeuring der regering verdiende, maar dat hem zelfs bijzondere belooningen en eerbewijzen werden toegekend. Hij was erkend als een man van verstand, van groote kunde en vaste beginselen.
In 1779 bij het afsterven van den Kanselier TAEKOEN, werd hij Kanselier, Stadhouder der Leenen en groot Zegelbewaarder bij den Raad benoemd.
Hij vervulde zijne bediening met zoo veel lof, dat bij den opstand van 1789, zijne tegenwoordigheid in het Hertogdom als een hinderpaal voor de uitvoering der plannen van 's lands onheilstichters beschouwd werd, waarom deze dan ook niet schroomden hem gevankelijk naar Brussel over te laten brengen.
Toen Roermonds welgezinde burgerij zich met alle kracht tegen deze geweldpleging verzetten wilde, verzocht hij met zijne lotgenooten, DE STUERS en VAN DER RENNE, haar allerdringendst zich daarvan te onthouden, ter voorkoming van grootere rampen, daar zij overtuigd waren, dat deze aanslag op hunne vrijheid geen ander doel had dan hen aan de vervulling hunner bedieningen te onttrekken, en dat hun niets anders dan de trouwe nakoming van hun pligt ten laste gelegd kon worden, welk vermoeden door de uitkomst bevestigd werd.
's Keizers goedkeuring, en de zegenpralende intogt, die de Kanselier bij zijne terugkomst in het Hertogdom mogt genieten, waren voldoende om hem de vernederingen, de beleedigingen en de slechte behandelingen hem op de overbrenging naar Brussel aangedaan, en zijne willekeurige detentie als Staatsgevangene te vergoeden.
Door het wettig gezag op vrije voeten gesteld, kwam hij den 30 Januarij 1791 te Sittard aan, waar eenige leden van den Raad en van de Regering van Roermond hem hunne opwachting gingen maken.
Den volgenden dag begaf hij zich naar Roermond. Hij werd door eene Eerewacht te paard, door den Raad, door de Magistraat en door de officieren van hel Oostenrijksche garnizoen, in de naburige gemeente Herten afgehaald, en te midden van een grooten toeloop van volk naar Roermond begeleid, alwaar hij door de geheele bevolking aan de brugpoort werd afgewacht.
De burgerij spande zijne paarden van het rijtuig, om hem tot aan zijne woning te trekken, doch hij verzette er zich tegen, ging uit het rijtuig en noodzaakte alzoo de menigte de paarden weder aan te spannen. Toen steeg hij wederom in het rijtuig. De bevolking begeleidde hem door de voornaamste straten tot aan zijne woning, waar hij zijne goede medeburgers hartelijk voor de hem aangedane eer bedankte.
Bij de komst der Franschen, begaf hij zich met de Keizerlijke Regering naar Duitschland, na afscheid genomen te hebben van zijne zuster en een ouderen broeder, den Subprior van het gesupprimeerde Kruisheeren-klooster te Roermond 14). Hij ging naar Wetzlar, waar hij zijne woonplaats vestigde, en den 27 Julij 1802 overleed.

>> begin

Noten

1) Volgens den Ruremondschen Almanak voor 1787, dien ik in deze naamlijst volgde, werd hij te Delft geboren: deze dwaling is reeds wederlegd door HOEUFFT, Parnassus Latino-Belgicus, p. 63.
2) Vgl. VALERIUS ANDREAS en FOPPENS, en HOYNK VAN PAPENDRECHT, Analecta, I, 494, 485; TE WATER, Verbond der Edelen; P. HOFMAN PEERLKAMP, De poetis Latinis Neerlandiarum Ed. 2, p. 214; VAN DER AA, Biogr. Woordenb. in v.
3) Vgl. Histoire générale des Pays-Bas. Brux. 1743, I. 239. P.E. DE BORCHT, Mémoire historique et généalogique sur la très ancienne et noble maison de KERKHOVE. Anvers 1839, p. 149.
4) In het meergemeld Jaarboekje wordt hij ten onregte FRANCISCUS BALLET genoemd.
5) Mémoire sur l'ancien Droit Belgique, 692.
6) La Jurisprudence des Pays-Bas Autrichiens, établie par les arrêts du grand conseil de Malines, auxquels sont ajoutés quelques décrets portés au conseil privé, récueillis par Messire du LAURY, et donnés au public par T.C.M. SAINCT-VAAST. Brux. 1717 fol. Ik heb alleen deze uitgave ter mijner beschikking. Eene latere die te Brussel in 1761 in twee octavo boekdeelen het licht zag, bevat nog eenige toevoegselen.
7) Levensberigt van PIETER LUYTGENS. Gedrukt te Roermond 1750.
8) Archief van Roermond. Recesboek van 1651.
9) Archief van Roermond. En nog te vinden in een gedicht ter gelegenheid zijner promotie den 18 Augustus 1746 te Leuven uitgegeven, waarin onder anderen voorkomt:
Dans la magistrature on connait ses parents,
Dont on révère encore les devoirs éclatants.
On les y vit briller plus de soixante lustres;
Occupant des hauts rangs et des emplois illustres.
10) Voormeld levensberigt.
11) Gedicht bij zijne promotie, te Leuven uitgegeven.
12) Getrokken uit zijne nagelatene geschriften.
13) Archief van Roermond. Decreetboeken 3e Deel p. 189 Ao 1759. Brief van den Gouverneur-Generaal, Prins VON HARDENBERG aan den Kanselier van 17 Aug. 1780. Commissie van 4 Aug. 1784, en daarop gevolgde briefwisseling.
14) Gemelde Gedenkschriften.


>> begin

Uit: E.F.J.A. Adriaanse, Rechterlijke en administratieve colleges in Roermond 1232-1794, in: Gedenkboek ter gelegenheid van het zevenhonderd-jarig bestaan van Roermond als stad, Roermond 1932, 110-128

[117] Roermond viel, als hoofdstad van het Overkwartier van Gelre, in 1580 de eer te beurt, dat binnen zijn muren het Souvereine Hof van Gelre werd gevestigd, en wel in een gebouw ter plaatse waar thans een deel der strafgevangenis staat.
Oorspronkelijk was dit Hof, gesticht door Karel V, krachtens tractaat van Venio van 1543, in Arnhem, doch, door de afscheiding van de drie Nederkwartieren van Spanje, waardoor Arnhem Staatsch werd, was overbrenging van het Hof naar elders noodzakelijk. De verplaatsing geschiedde krachtens een koninklijke ordonnantie van 5 Februari 1580 naar Roermond en reeds den 8sten April d.a.v. hield de Raad zijn eerste zitting, onder voorzitterschap van Willem van Gendt.
De oude ordonnantie betreffende de bevoegdheid van den Raad, oorspronkelijk opgemaakt voor het Hof te Arnhem in 1547, bleef ook te Roermond gelden, tot de nieuwe instructie van 1609, welke door de Souvereinen Albert en Isabella Clara Eugenia in dat jaar werd uitgevaardigd.
De Souvereine Raad, zooals het Hof zichzelf altijd placht te noemen, was samengesteld uit een Gouverneur of Stadhouder, een Kanselier, twee Raadsheeren costumier of van den korten tabbaard, zes gewone Raadsheeren, een momboir of substituut momboir, een gewonen Griffier, een Griffier der Leenen en eenige ondergeschikte ambtenaren. De Raadsheeren costumier waren leden van den Ridderstand; zij waren geen juristen, behoefden dan ook slechts in buitengewone gevallen te zitten en deden geen rapport in proceszaken. De functie van den Raad was vooral die van Hof van appèl voor het Overkwartier; daarbij kwam tevens de functie van Hof in eersten aanleg in gedingen tusschen Heeren, Steden, Ambten of Dorpen in het Vorstendom.
[118] De functies van den Raad waren ook van administratieven aard en onder dat opzicht dient vermeld te worden het registreeren van reglementen en ordonnantiën van den Vorst komende; hij beval er de gewone afkondiging van en gaf ze vervolgens over aan de beambten van de heerlijke geregten om afgekondigd te worden. Als leenhof behartigde het de rechten van den souverein als leenheer, o. a. registreerde het de verheffingen, overdrachten en bezwaringen van leengoederen.
Als nieuwe bepaling in de instructie van 1609 komt o.a. voor, dat de partijen eventueel voor den Raad zouden moeten verschijnen om daar zoo mogelijk, wat men tegenwoordig zou noemen, een schikking te treffen.
De nieuwe instructie bevredigde noch de Staten, noch de Steden, waarom de Aartshertogen den Raad opdroegen een voorstel tot verbetering te doen. Men kantte zich vooral tegen de vonnissen door de rechters ten plattelande gewezen. Daarom werd den loden September 1613, na overleg met den souvereinen Raad, de Gedeputeerden van den Ridderstand en van eenige Steden, op aanraden van den Geheimen Raad een ordonnantie over de Revisie uitgevaardigd, volgens welke de vonnissen in burgerlijke zaken, door Schepenen of Wethouders, Regters van de eerste instantie gewezen, bij de eerste kamers van den Raad voor hooger beroep of revisie vatbaar waren, indien zij de som van tweehonderd gulden in kapitaal te boven gingen.
Na den Spaanschen Successieoorlog werden aan het Geldersche Over-kwartier aan alle kanten stukken ontnomen, zoodat na het sluiten van de verschillende tractaten het Oostenrijksch Overkwartier van Gelderland zich niet verder uitstrekte dan Roermond en aanhoorigheden, de Dorpen Swalmen, Eimpt, Niederkrüchten, Oberkrüchten en Wegberg, de Heerlijkheid Daelenbroek, bestaande uit de dorpen Herten en Maasniel, de Heerlijkheid Weert, bestaande uit de Stad Weert en aanhoorigheden, de dorpen Nederweert en Leveroy en de Heerlijkheden Wessem en Meyel. In de verschillende afgesplitste deelen werden aparte Gerechtshoven opgericht, terwijl in het Oostenrijksch gedeelte de Souvereine Raad bleef bestaan, in het decreet van Karel VI in 1720 Provinciale Raad van Gelre genaamd, welke benaming echter nooit door den Raad is aanvaard. Deze bleef zich tot zijn opheffing Souvereine Raad noemen.
De Raad werd toen als volgt samengesteld: een Kanselier (tevens Luitenant der Leenen), twee Raadsheeren van den korten tabbaard en drie Raadsheeren van den langen tabbaard, een Fiskaal en eenige lagere beambten.
Er moest altijd minstens één Raadsheer van den korten tabbaard op de zitting aanwezig zijn.
De nieuwe regeling voldeed echter evenmin. Het liefst had de Keizer (Karel VI) zonder veel omslag Hof en Magistraat van Roermond tot één College willen versmelten, doch hij zou daarmee in botsing zijn gekomen met de privileges. Daarom werd eerst toestemming door het Generaal Gouvernement te Brussel aan de Staten gevraagd, welke toestemming door deze werd verleend.
[119] Toen de Staten echter het ontwerp der reorganisatie zagen, smeekten zij Maria Elisabeth, de Oostenrijksche Aartshertogin-Regentes, den Keizer te adviseeren den Raad en den Magistraat van Roermond te doen voortbestaan volgens het decreet van 1720. Maria Elisabeth stoorde zich evenwel niet aan de bedenkingen der Staten. Het ontwerp kwam dan ook, ondanks alle tegenkanting, tot uitvoering.
Als zoo vaak, waren het ook hier de financiën, die een beslissenden invloed hadden. De kosten, welke de inrichting van den Souvereinen Raad met zich bracht, waren zoowel volgens Karel VI als volgens de Landvoogdes Aartshertogin Maria Elisabeth, te hoog voor de draagkracht van de onderdanen, zoodat tot vermindering van het getal ambten moest worden overgegaan.
Bij decreet van 2 October 1737 van Weenen, werd de nakoming van de punten en artikelen in het ontwerp uitgedrukt, bevolen. De opperbevelhebber van Roermond riep de Staten, de leden van den Raad en van den Magistraat, op last van de Landvoogdes bijeen, in welke bijeenkomst de Syndicus het ontwerp moest voorlezen. Zelfs na deze officieele afkondiging vanwege het Keizerlijk gezag werden pogingen aangewend door Staten en Magistraat, de invoering van het ontwerp tegen te houden. Zonder resultaat echter, het ontwerp werd ingevoerd.
De inrichting, die zooveel tegenstand gewekt had, kwam nu op het volgende neer.
De Raad was samengesteld uit een kanselier, twee adellijke of Costumiere Raden en zeven gepromoveerde of in de rechten gelicencieerde Raden, voorstellende den Raad en den Magistraat onder den titel van Raad van de Provincie en van het Hertogdom Gelre. De Raad was in twee Kamers verdeeld, belast met de uitvoering van de geheele civiele en crimineele rechtspleging. De verdeeling was echter niet in, zooals wij tegenwoordig zouden noemen, een kamer van burgerlijke zaken en een van strafzaken.
De eerste kamer was samengesteld uit den Kanselier, de oudste der adellijke Raden, de twee oudste gegradueerde Raadsheeren en den Raadsheer, die fiscaal of momboir was. Onder haar competentie vielen dezelfde zaken, welke voorheen, zoowel in eerste instantie als in appèl of herziening door den Souvereinen Raad werden berecht, en die zaken in welke de Magistraat in het belang der Stad partij of belanghebbende was.
De tweede kamer berechtte de zaken, welke voorheen door den Magistraat werden behandeld. Deze was samengesteld uit: drie van de zes gepromoveerde Raadsheeren, jaarlijks voorgedragen door den geheelen Raad. Uit deze drie werd een gekozen om de plaats van Burgemeester te vervullen. Deze vormde dan met de drie jongste gegradueerde Raadsheeren plus den jongsten Raadsheer costumier de tweede Kamer. Van de vonnissen door deze Kamer gewezen kon in beroep worden gekomen bij de eerste Kamer, voor Kanselier en Raden, die niet over de zaak hadden gezeten.
[120] De tweede Kamer mocht ten getale van drie of vier Rechters vonnissen, om de eerste Kamer steeds voltallig te doen zijn. De beide Kamers traden ook wel vereenigd op, en wel in crimineele zaken en voor de behandeling van de collatiën en provisiën der bedieningen.
De Instructie bevatte verder nog tal van voorschriften betreffende de geheimhouding aan de Leden van den Raad, de Griffiers - er was aan iedere Kamer een Griffier verbonden - en de klerken ter Griffie opgelegd, wraking van de Raadsheeren op grond van te nauwe bloedverwantschap met de partijen, de tractementen van den Kanselier, de Raadsheeren, Griffiers, Ontvanger en Deurwaarders, de zittingsdagen - dat waren alle dagen behalve de Zon- en Feestdagen -, de vacantiën, welke duurden van altera Thoma (22 December) tot altera regum (7 Januari), van Palmzondag tot beloken Paschen, terwijl met goedvinden van Kanselier en Raden, ook nog een maand vacantie in den oogsttijd werd gegeven.
De advocaten werden bij den Raad beëedigd. De wijze van procedeeren komt nog in vele opzichten overeen met de huidige; de functies van advocaat en procureur werden toen algemeen en zoo ook bij den Souvereinen Raad door verschillende personen uitgeoefend.
De advocaten bij het Hof genoten vrijdom van zekere plaatselijke belastingen. Daar hun aantal echter steeds grooter werd, werd in de Ordonnantie van 1683 bepaald, dat slechts de tien oudste advocaten dezen vrijdom zouden blijven genieten. Hieruit blijkt wel, dat het totaal aantal hunner niet klein was, te meer als men de veel geringere bevolkingsdichtheid in aanmerking neemt. Hun aantal is blijkbaar in den loop der tijden niet afgenomen, want in een almanak van 1794 vinden wij nog 35 advocaten vermeld. Ook andere voorrechten en titels waarop de advocaten aanspraak maakten in hun hoedanigheid, werden hun in 1695 en wel bij vonnis van den Raad ontzegd.
De nieuwe regeling, ofschoon deze er niet kwaad uitzag, en daarbij uit economisch oogpunt aanbevelenswaardig was, voldeed niet.
Aan de nieuwe Landsvrouwe, Maria Theresia, die in 1740 als keizerin Karel VI opvolgde en in 1744 als Hertogin van Gelre plechtig werd ingehuldigd, werden vele klachten gericht over het onvoldoende zijn van de nieuwe inrichting. Maria Theresia had daar wel ooren naar; haar positie was niet sterk genoeg om talrijke ontevreden onderdanen te hebben.
In 1750 vaardigde de Keizerin een decreet uit, waarbij zij verbetering in den toestand toezegde. De klachten waren vooral hierop neergekomen. Het personeel was te klein in aantal en de renteniers, goede burgers en kooplieden waren geheel zonder invloed op het bestuur en de bedieningen der stad. Daarom zou de tweede Kamer worden versterkt met twee Raadsverwanten, jaarlijks uit den stand der renteniers, goede burgers en kooplieden te vervullen. Verder zou de Raad worden [121] afgescheiden van de stadsregeering, welke in haar ouden vorm zou worden hersteld.
In 1757 werd de uitvoering bij een nieuwe Ordonnantie geregeld en op 22 Februari, den traditioneelen datum voor overdracht van ambten, werd de nieuwe Raad geïnstalleerd. Aan den Raad werd ontzegd zich directelijk of indirectelijk te bemoeien met politie en administratie der Stad.
Het recht van gratie, dat door Karel van Bourgondië (de Stoute) aan den Raad van Gelderland was gegeven en steeds was gehandhaafd geworden, werd door Maria Theresia aan zich getrokken. De regeling van 1757 bleet in stand tot 1782, toen Joseph II, zoon en opvolger van Maria Theresia, er verandering in bracht. Joseph II, een van de verlichte despoten, gevoelde, dat de tijd voor het leenheerlijke stelsel en de Middeleeuwsche rechtsbedeeling langzamerhand had afgedaan en hij trachtte dan ook de rechtsinstellingen aan te passen aan den geest van den nieuweren tijd. Zoo nam hij ook den Raad van Gelderland onder handen. In 1782 vaardigde hij een Ordonnantie uit, die op 5 Februari 1783 in werking moest treden. Bij deze ordonnantie werd bepaald, dat het personeel sterk zou worden ingekrompen; de Raad zou voortaan slechts bestaan uit een Kanselier en twee Raadsheeren, van wie een als Momboir zou werkzaam zijn, en een Griffier.
Reeds in 1786 vaardigde de Keizer een nieuw Reglement voor de civiele rechtspleging uit, dat 1 Mei 1787 in werking zou moeten treden. De hervormingsijver van Joseph II bracht hem tot het besluit ook het Generaal Gouvernement van de Nederlanden te wijzigen. De besluiten betreffende de hervormingen van rechtspraak en administratie volgden elkaar in snel tempo op.
Deze hervormingen zijn echter niet daadwerkelijk ingevoerd. Ofschoon goed bedoeld en inderdaad in het belang van de justiciabelen, waren zij het juist, die tegen de nieuwe regeling der zaken in verzet kwamen. Waarschijnlijk is dit het gevolg geweest van de geringe toelichting van de zijde van den Keizer. De invoering van de nieuwe regeling werd dan ook uitgesteld, totdat na betere uitlegging de ingezetenen zich ermede zouden hebben verzoend.
Wat de nieuwe regelingen zelf betreft, deze zijn zeer uitvoerig te vinden in het proefschrift van J. L. Geradts "Bijdrage tot de geschiedenis van den Souvereinen Raad in het Overkwartier van Gelderland te Ruremonde", waarop deze in 1860 aan de Leidsche Hoogeschool tot Doctor in het Romeinsch en Hedendaagsch Regt promoveerde, en van welk uit historisch oogpunt zeer verdienstelijk proefschrift in dit opstel een dankbaar gebruik is gemaakt. Door de opschorting van de uitvoering der nieuwe besluiten werden de oproerige gemoederen terstond gerustgesteld, doch toen men begreep, dat er inderdaad slechts van een opschorting sprake was, werd de rust weer verbroken en kwam hef volk in de Zuidelijke Nederlanden zelfs tot een gewapenden opstand, onder Generaal van der Mersch, [122] welke opstand in het eind van het jaar 1789 de Keizerlijke Regeering noodzaakte het land te verlaten.
Een minder aangenaam avontuur beleefde de Kanselier Luytgens als gevolg van den opstand. Hij werd n.l. in November 1789 op last van Generaal van der Mersch naar Weert gevoerd en van daar naar Brussel, waar hij tot het jaar 1791 in bewaring bleef. Met hem waren tevens gevangen genomen de Raadsheer en Momboir Stuers en de Griffier van der Renne van den Raad van Gelderland. Zij konden reeds in Februari 1790 terugkeeren. Door de heerschende verwarring werd de regeerings-vorm in deze jaren telkens gewijzigd.
20 Mei 1790 werd de Magistraat weer samengesteld als voor de regeling van 1783.
Reeds 6 December d.a.v. werd, na het verlaten van de Brabantsche bezetting, te Roermond een manifest van Keizer Leopold II, die inmiddels Joseph II was opgevolgd, afgekondigd, dat hij de Constituties en privileges, die in werking waren onder de Regeering van Maria Theresia, zou handhaven.
Na den terugkeer van den Kanselier Luytgens herstelde deze zoowel Magistraat als Hof van Gelre, door het aantal opengevallen plaatsen weer te doen bezetten.
Spoedig naderde het einde van het Oostenrijksch Bestuur. In 1793 namen de Franschen reeds voor een korten tijd Roermond in, waarna de Oostenrijksche troepen het weer heroverden. In 1794 volgde inlijving bij Frankrijk en daarmee hadden de bestaande bestuurs- en rechtsinstellingen der Stad afgedaan.

>> begin

Naamlijst [chronologisch, tot 1819] van de burgemeesters van Roermond, in hoofdzaak ontleend aan de aantekeningen van J.B. Sivré
(Vanaf 1543 zijn deze aantekeningen vrijwel aaneensluitend).

Hendrik op 't Oirt, 1329.
Emont van Effelt, 1351.
Willem Kellener, 1447.
Johan van der Kraecken, 1459.
Dederik Hoifft, 1469.
Arnold Neutkens, 1494.
Johan Mereell, 1523.
Palyck van Camphuysen, 1533.
Hendrik van Wessem, 1534.
Wilh. van Huschaeven, 1543, 1558, 1563.
Arend van Dursdaell, 1544, 1549, 1556.
Reyner Hillen, 1546, 1553.
Johan van Lom, 1548, 1557.
Johan Drivener, 1554.
Gadert Mereell, 1555, 1559.
Dederik Hoifft, 1561, 1566.
Johan Hillen, 1562.
Johan Buegell, 1564.
Lambrecht van Cruchten, 1560, 1565, 1570.
Gerard Kremer, 1567.
Gerard van Hammerstein, 1568.
Godard Mereell, 1569.
Dederich Koich, 1571, 1575.
Dederik Puytlinch, 1572.
Johan Vinck, 1573.
Andreas Busch, 1574, 1585+, opgevolgd door Johan Hillen de jonge.
Frans van Hueckelhoven, 1576.
Korst Ruitzen, 1577.
Blesy van Vegersheym, 1578 (usurpator).
Steffen van Herteveldt, 1579.
Dederich in den Maen, 1580.
Jacob van Lom, 1581, 1586, 1591.
Johan Hillen de jonge, 1582, 1587, 1594, 1602.
Arent Goltstein, 1583.
Johan van Nederhoven, 1584, 1589, 1597, 1603, 1608+, opgevolgd door Gerhard Cox Janszoon.
Mr. Johan van Campen, 1588, 1593, 1604.
Goddart van Cruchten, 1590.
Mr. Gerhart Maissen, 1592.
Johan van Buegel, 1595, 1600, 1607, 1613, 1620+, opgevolgd door Arnold Heufftz.
Marcelis Koch, 1596.
Johan Goltstein, 1598.
Matheus Butkens, 1599, 1606, 1615.
Mr. Gerhardt Creyaerts, 1601, 1605, 1611, 1617, 1623.
Arnold van Horpusch, 1609, 1614, 1621, 1625, 1630.
Matheus van Dulcken, 1610, 1616, 1629.
Fred. v. Opsinnich genaamd Rhoe, 1612.
Dederik Stijns, 1618, 1628.
Arnold Heufftz, 1619.
Wilhelmus Moeits, 1622, 1631.
Reiner Vostermans, 1624.
Johan Holtbecker, 1626.
Peter Bossman, 1627, 1632, 1642, 1643.
Mathis Maroyen, 1633.
Mathias Creyarts, 1634.
Gerard Puytlinck, 1635.
Hendrik Maroen, 1636, 1644, 1650, 1651, 1652.
Dederik van Ommeren, 1637 (reductie regia).
Franciscus Pollardt, 1637, 1639, 1645, 1646, 1653, 1654, 1665, 1666.
Doctor Barthol. Poyn, 1638.
Godefried van Steyn, 1640, 1641.
Jr. Dederik Hillen, 1647, 1648, 1649.
Johan Spee, 1655.
Gerard van Lom, 1656.
Johan van Winde, 1657, 1658, 1659, 1667, 1668, 1669, 1670, 1679.
Jan Bapt. De Haen, 1660.
Hendrik Goris, 1661.
Peter Claessens, 1662.
Gerard Bordels, 1663, 1664.
Jr. Gerard van Zoutelande, 1671, 1672, 1673, 1674, 1675, 1676, 1677.
Gerard van Baerll, 1678.
Martin van de Velde, 1680.
Peter van Lom, 1681, 1682, 1693, 1694, 1695, 1700-1704, 1717-1720.
Johan Reinier Dupree, 1683, 1684, 1685.
Dirk Woestingh, 1686, 1687, 1688, 1689, 1698+, opgevolgd door Godefridus Cnop.
Jacob van Breughel, 1690, 1691, 1692.
Gerard François Bossman, 1696, 1697.
Godefridus Cnop, 1699.
Leonard Baenen, 1705.
Guillaume Bongaerdts, 1706, 1707, 1708, 1712.
J.B. Cruysancker, 1709, 1710, 1721, 1722.
L.J.G. van der Smitsen, 1711.
Johan Martin Bossman, 1713.
Johan Josef de Wagener, 1714, 1715, 1716.
Johan Coolen, 1723, 1724, 1729.
Mathias Kroonenbroeck, 1725, 1726, 1731, 1732.
Arnold Joseph van den Bergh, 1727, 1728, 1737-1739.
Christ. Jacobus Cox, 1730, 1735, 1736.
Johan Franc. de Haen, 1733, 1734.
Jac. Hendr. Segers van Loon, 1740-1743.
Petrus Dominicus Leclerc, 1744, 1745, 1748.
R.J. van Dunghen, 1746, 1747, 1750.
A.H. Tackoen, 1749, 1751-1767+, opgevolgd door Jan Baptist Syben, 1767-1790.
Jacob Peter Geradts 1791-1793.
Frans Johan Albert Ramaeckers, 1794.
J.F. Schommers, president v.d. Municipalen Raad, 1796-1797.
Jacques Quisthoudt, Maire, 1799-1806.
Henri Joseph Michiels de Kessenich, Maire, 1807-1816.
H. Clout (President Burgemeester), 1816-1819.


>> begin

Brief van Hendrik van Cuyck, bisschop van Roermond 1596-1609, aan Viglius [Hetteszoon] van Aytta [+1641] te Swichum over de kinderen van de overleden griffier Reiner Pybes

Origineel in de briefverzameling Gabbema, Tresoar Leeuwarden

Nobili, docto proboque Viro
Viglio ab Ayta Zwichemo
Zwichemi

Generose Heros,

Qui nuper hic e vivis excessit Reinerus Pybes, Geldricae huius Cancellariae Graphiarius, viduam reliquit octo gravatam prolibus, minorennibus quidem omnibus, sed tamen optimae indolis. Qui aetate reliquos praecedit, Theodorus dictus, in meam assumtus est familiam, ut afflicta vidua levetur. Qui illi proximus est Iohannes Pybes, ad studia aptissimus videtur: sed desunt subsidia, nec spes est ut ad Academiam mitti possit, nisi a Gen. D. Ta. ad Viglianum Collegium, quod feliciter Lovanii iam restitutum est, promoveatur. Inter Frisios merito hi censendi sunt filii, qui utroque Friso parente, & quidem in exilio nati sunt. Scio Collegium illud, Dn. Praesidi (qui D. Quintini Lovanii pastor est) esse obnoxium; nec spem esse ut confestim hic admitti queat: hoc tantum oro & observo, ut inter eos qui in posterum recipiendi sunt, hic possit primum locum obtinere. Beneficium hoc erit optime collocatum: & omnino confido puerum hunc talem futurum qui instaurandae aliquando Frisiae, bonam possit operam navare. Quod reliquum est, G. D. Ta. opto felicissime valere. Ruraemunda 7 Maii 1603.

Generosae D.Ta. studiosiss.
Henricus Episcopus Ruraemundensis

>> begin

Vertaling:

Aan de Edele, geleerde en rechtschapen heer Wigle van Aytta van Swichum te Swichum

Edelmoedige en uitstekende Heer,

Reiner Pybes, de griffier van de Gelderse kanselarij alhier die onlangs is overleden, heeft de weduwe achtergelaten met de last van acht kinderen, die weliswaar allen minderjarig zijn, maar een zeer goede aanleg hebben. Het oudste kind, zoon Theodorus, is in mijn gezin opgenomen, om de aangedane weduwe te ontlasten. De eerstvolgende Johannes Pybes lijkt zeer geschikt om te studeren: helaas ontbreken de financiën en is er dus geen hoop dat hij naar een universiteit gestuurd kan worden, tenzij hij door Uwe Grootmoedigheid kan toegelaten worden tot het Vigliuscollege, dat gelukkig nu te Leuven hersteld is. Onder de Friezen zijn met recht zij te waarderen, wier ouders beiden Fries zijn en die nog wel in ballingschap geboren zijn. Ik weet dat voor genoemd college de voorzitter aansprakelijk is, die pastoor van de Quintinusparochie is, en dat er geen hoop is dat deze Johannes terstond kan worden toegelaten; ik bid en smeek slechts hierom dat hij de eerste plaats kan verkrijgen onder hen die in de toekomst opgenomen kunnen worden. Deze gunst zal aan de beste gegeven worden en ik heb het vertrouwen dat deze jongen zich zodanig zal ontwikkelen dat hij ooit zijn diensten kan bewijzen om Friesland te hernieuwen. Verder wens ik dat Uwe Grootmoedigheid zeer gelukkig en wel vaart.
Roermond, 7 mei 1603.

Uwe edele Grootmoedigheid zeer toegedane
Hendrik, bisschop van Roermond

Aan de eerwaarde heer Renaat Van den Berckt, pastoor van Kwintensparochie te Leuven, dank ik de volgende gegevens: Petrus a Fine Liropius ofwel Piet van den Eynde geboortig van Lier was in Sint-Kwinten pastoor vanaf 1570; hij werd deken van Leuven en president van het Vigliuscollege; toen hij in 1614 hoogleraar in de theologie werd aan de universiteit, nam hij ontslag als pastoor en president; hij overleed op 31 december 1616.

>> begin

Bisschoppen van Roermond tot 1800:

Willem van der Lindt of Lindanus, 1563-1588
Hendrik van Cuyck of Cuyckius, 1596-1609
Jacobus van den Borgh of a Gastro, 1611-1639
Andreas Creusen, 1651-1657
Eugenius Albertus d'Allamont, 1659-1666
Lancellot de Gottignies, 1672-1673
Reginaldus Cools, 1677-1700
Angelus graaf d'Ongnies en d'Estrées, 1701-1722
Franciscus Ludovicus Sanguessa, 1722-1741
Joseph Anselmus Franciscus van Werbrouck, 1742-1746
Joannes Antonius de Robiano, 1746-1769
Henricus Joannes Kerens, 1770-1775
Philippus Damianus van Hoensbroeck, 1775-1793
Johannes Baptista baron van Velde de Melroy, 1794-1801

>> begin

Adama

Regnerus Pybes
[d'Adama] was advocaat te Franeker in de periode 1578 tot 1580. De Conscriptio exulum geeft hem op als vertrokken en dat klopt want hij werd griffier in het Hof van Gelder te Roermond. Hij was getrouwd met Elisabeth Lolledr. van Aldenhuys. In 1609 verkoopt zij als weduwe een huis op het Coudall te Franeker: zij is dus teruggekeerd naar Friesland na het overlijden (1601) van haar man.
Hun kinderen waren volgens Genealogie Pybes d'Adama (Tresoar Leeuwarden, toegang 344, Verzameling Fries Genootschap, inv.nr. 1000):
1. Reynier Pybes d'Adama, schout tot Etten, x Marie van den Broeck, bezitster van het huys en goederen van Nieuw Verlaen, dogter van Jr. Engelbert van en Broeck, schout tot Etten, en van Maria Proeninck van Deventer van Herlaer; hij sterft den 22 Mei 1671, begraven tot St. Michielsgestel; kinderen
2. Catharina, woonde en overleed te Leuven
3. Anna Maria, woonde en overleed te Leuven
4. Jr. Routaert
5. Jr. Aemilius, ridder van Maltha, overl. Napels 1619
6. Jr. Jan - [Of deze daadwerkelijk gestudeerd heeft aan de universiteit van Leuven, kon niet opgezocht worden, omdat de inschrijfregisters van 1569-1616 verloren zijn gegaan. Het Vigliuscollege voor theologie, filosofie en rechten was in 1569 opgericht door de befaamde jurist en humanist Viglius van Aytta (1507-1577), de grootvader van de geadresseerde. Het laatste kwart van de 16de eeuw was voor Leuven rampzalig.]
7. Jr. Jacob
8. Jr. Theodoor; was eerst pastoor tot Dunkercken, ging daarna in een clooster, werd door sijn deugtsaeme en godsalig leeven door den Cooninck van Spagne tot prelaet van Waerschott verheven. [Chr. Gottl. Jöcher, Allgemeines Gelehrten-Lexikon, 6. Ergänzungsband, kol. 1079: Theodor Pybes d'Adama aus Ruremond, studirte zu Löwen und 7 Jahre zu Rom, wo er auch Doctor der Theologie wurde, lehrte einige Jahre die Theologie zu Sonnebeek in der Diöces Ypern, wurde Prediger zu Dünkirchen, trad in der Abtei Dunes zu Brügge in den Cistercienserorden, wurde 1629 Prior zu Waerschoot in der Diöces Gent und starb in der Abtei Dunes den 5. Nov. 1632. Er hinterliess verschiedenes im Manuscript. (Im Druck erschien) De admiranda pariter et miraculosa prima et secunda inventione corporis beati Idesbaldi, quinti abbatis monasterii B. Mariae de Dunis in Flandria, Brugis 1624, in-4. - Abbatia Beata Maria de Dunis = abdij O.L. Vrouw ten Duinen.]

Aemilius Adama was de stiefvader van Reyniers vrouw. Hij studeerde vanaf 1559 te Keulen en promoveerde in 1565 tot Doctor in de rechten te Orléans. Ook hij praktizeerde te Franeker en wel als advocaat voor de grietenij (= gemeente) Franekeradeel. Hij trouwde met Rijck Dirckxdr. van Oostrum. Als burgemeester van Franeker en als secretaris van Franekeradeel is hij ook opgetreden. Met de hervorming had hij niet veel op - Conscriptio exulum: Doctor Hemcko Adama et in exilio consiliarius ducatus Gelriae cum familia; elders is zijn naam Dr. Hempcke verbeterd in Dr. Emilio -, dus verhuisde hij naar het graafschap Gelre, waar hij raadsheer werd in het Hof te Roermond. Na zijn overlijden (begin 1603) keerde de weduwe terug naar Franeker, waar zij nog in 1614 een huis aan de Coornmerckt bewoonde.
Aemilius Adama en de Franeker hoogleraar in de filosofie Lollius Adama hadden dezelfde grootvader: Sybren.

Lit.: Genealogysk jierboekje 1968, 93-94 (d'Adama) resp. 1979, 5-43 (Adama).

Colofon

Samenstelling: M.H.H. Engels (*Roermond 1948)
Leeuwarden, december 2006
Lettertype: Apple Chancery (kanselarijschrift)

>> begin