>> HOMEpage

Ziekenhuis Leeuwarden vroeger

Bron: R. Visscher, Een ziekenhuis te Leeuwarden in vroegere eeuwen, in: Leeuwarden 1435-1935, Gedenkboek, Leeuwarden 1935, blz. 90-105.
Internetuitgave: M.H.H. Engels, juli 2020


EEN ZIEKENHUIS TE LEEUWARDEN IN VROEGERE EEUWEN.

Herhaalde malen hoort men de vraag, waarom toch de straat, welke van
het Hofplein naar de Groole Kerkstraat oploopt, de Beyerstraat heet. Zoo
heeft de tijd reeds de herinnering uitgewischt aan een der nuttige instellin-
gen in onze stad in lang vervlogen dagen: den beyer, welke eertijds deel
uitmaakte van het St. Anthony-Gasthuis en, evenals de gasthuiskerk, mede
tot ziekenhuis diende.
Ten tijde, dat Leeuwarden, nu [1935] vijf eeuwen geleden, met de dorpen
Oldehove en Hoek werd vereenigd, bestond hier reeds dit gasthuis, dat
binnen de oudste stadsgracht aan de zuidzijde van de Groote Kerkstraat
lag. Door wien dit gesticht in het leven is geroepen: hetzij door de over-
heid, door een gilde, of door een of meer bepaalde personen, is onbekend.
90

In mijne inleiding tot "De Archieven van het St. Anthony-Gasthuis", waar-
aan ik hier een en ander ontleen, zette ik uiteen, dat dit gasthuis zeer
waarschijnlijk zijn ontstaan te danken heeft aan den weldadigheidszin van
een bijzonder persoon, die zijne stichting opdroeg aan zijn patroon, den
Heiligen Anthonius. In elk geval bestond het reeds vóór 1425, daar het in
dit jaar eene plek gronds in de Schochstriete *), of Kleine Kerkstraat, ontving
van Jouke Burmana. De plaats, waar het gasthuis lag, is duidelijk aange-
geven in eene oorkonde uit 1430, waarbij Utkia Jellema eene halve stede
"der dio tzerke mey op tymmereth is" aan het gesticht schonk. Nu stond
de gasthuiskerk, welke, ofschoon zij reeds lang tot andere doeleinden be-
stemd was, eerst bij de verbouwing van het gesticht in 1877 geheel is af-
gebroken, ongeveer in het midden van den voorgevel van het proveniers-
huis, zooals dit zich thans in de Groote Kerkstraat vertoont. In de 15e
eeuw heeft het gasthuis zich, zoowel door schenking, als door aankoop,
snel uitgebreid, zoodat het aan het eind dier eeuw nagenoeg dezelfde
oppervlakte besloeg, welke het oude gesticht thans nog inneemt. O.m.
verkreeg het in 1433 van Kempo Abbema de stede, waarop het voormalig
kasteel van Albrecht van Beyeren, Blankenborg, had gestaan, en schonk
Frouck Minnema ongeveer terzelfder tijd eene plek gronds ten zuiden van
het gasthuis, dat door eene steeg uitgang had op het tegenwoordige Hof-
plein. Door deze steeg konden met hooi beladen wagens het erf van het
gasthuis oprijden. Eerst in 1877 is deze toegang afgesloten en menig oud-
Leeuwarder zal zich nog herinneren, hoe hij en zijne makkers in hunne
jongensjaren door de steeg holden, aan de pomp van de gasthuisbleek met
water stoeiden, de gasthuisvrouwtjes ten spijt, en het gebouw door het mooi
gebeeldhouwde poortje in de Groote Kerkstraat, dat thans in de Juliana-vleugel
aan het Schoenmakersperk is gemetseld, verlieten.
Van de oorspronkelijke inrichting van het gasthuis is weinig bekend. De be-
richten, welke uit de 15e eeuw tot ons kwamen, zijn schaarsch en bepalen
zich tot koopbrieven, schenkingsoorkonden en andere eigendomsbewijzen,
en enkele proefbrieven. Uit de 16e eeuw zijn meer documenten bewaard
gebleven, o.a. een Memoriaal, loopend van 1558 tot 1566 en de rekenin-
gen over 1561 en 1582, welke van vele veranderingen en verbeteringen
getuigen. De kapel moet reeds terstond bij de stichting van het gasthuis
zijn gebouwd, zooals dit steeds bij zulke instellingen geschiedde; in 1561
werd zij geheel hernieuwd. Niet lang daarna meer zou zij aan hare oor-
* Schotstraat.
91

spronkelijke bestemming voldoen. Nadat de stad in 1580 tot de reformatie
was overgegaan, zijn er in de kerk nog hervormde godsdienstoefeningen
gehouden, zooals uit de rekening van 1582, waarin de volgende post voor-
komt, blijkt: "Noch ontfangen van 't geen onder die predicatie in den Gast-
"huyscapelle met dat ommegaen vergaert, ende van die tijt aft dat men
"aldaer begonnen heeft thoe prediken tot nyeuwe jaer toe vercregen heeft,
"die somma van twie ende veertich karolus gulden, tien stuvers". Ook het
testament van heer Pieter Liuwes, vroeger priester in het St. Anthony-Gast-
huis, waarin hij den wensch uitspreekt om in de gasthuiskerk begraven te
worden, bewijst, dat deze kapel in 1589 nog tot kerk werd gebruikt. Doch
in 1603 werd zij ingericht tot een algemeen "zwack- en sieckhuys", terwijl
op de kraak zes kleine kamertjes, zonder schoorsteen, werden aangebracht.
In dit gebouw werden zieke en hulpbehoevende armen, "gasthuiskinderen"
genoemd, gehuisvest; doch ook de rijke proveniers, die hunne eigene
kamer hadden, werden bij ziekte naar de kerk overgebracht, daar reeds
van oudsher de bepaling bestond, dat niemand een familielid of dienstbode
bij zich mocht laten inwonen.
Voordat de kerk tot dit doel werd gebruikt, werden de zieke proveniers
verpleegd in het "sieckhuys", dat in 1566 eene "noodtruftige reparatie"
onderging. Ten westen van de kerk lag het reventer of eetzaal van de kerk-
bewoners; ten oosten, de beyer, die eene afzonderlijke ingang door een
poortje in de Beyerstraat had; ten zuiden, de kerkebleek. Het overige ter-
rein werd ingenomen door de gebouwen, benoodigd voor de huiselijke
bedrijven, de voogdenkamer en de woningen der meer gegoede prove-
niers, terwijl in het midden eene open ruimte tot plaats en bleek diende.
Aan den zuidwesthoek lagen de verblijven, waarin de voor hunne om-
geving gevaarlijke krankzinnigen werden opgesloten.
Het gasthuis omvatte feitelijk twee verschillende instellingen: den beyer en
het proveniershuis. De beyer, waarin noodlijdende personen grootendeels
om godswil werden opgenomen, droeg voornamelijk het karakter van een
tijdelijke verblijfplaats; het proveniershuis verschafte daarentegen eene
levenslange inwoning aan personen, die zich in het gasthuis ingekochi had-
den. Een scherpe afscheiding bestond er echter tusschen beide niet;
als armhuis verstrekte de beyer een blijvend onderkomen aan armen en min-
vermogenden, terwijl het proveniershuis tevens huisvesting in gemeenschap-
pelijke vertrekken verleende aan lieden, die geheel of nagenoeg gratis
92

werden verzorgd. Of het gasthuis van stonde af aan tot proveniershuis is
gebruikt, valt bij het ontbreken van eene stichtingsoorkonde, niet met zeker-
heid te zeggen; de beyer daarentegen moet reeds van den aanvang af
hebben bestaan. De naam "gasthuis" wijst dit uit: oorspronkelijk was het
eene inrichting, waarin de gaande en komende man als gast werd verzorgd
en waarin hij gewoonlijk drie dagen en drie nachten mocht verblijven. Zulke
instellingen kwamen elders eveneens voor en werden bayaert of beyer ge-
noemd. Om tegemoet te komen aan de bezwaren, welke deze gastvrijheid
meebracht, en tevens aan de wenschen van lieden, die voor hun ouden dag
een veilig toevluchtsoord in het gasthuis zochten, zullen de voogden ook
spoedig aan proveniers, die hun have en goed daarvoor geheel of ge-
deeltelijk afstonden, gelegenheid tot inwoning in het gesticht hebben ge-
geven, hetzij dan in afzonderlijke kamers, of in een gemeenschappelijk ver-
trek. De oudste proefbrief, welke uit 1477 dateert, vermeldt dan ook, dat
de vrouw, die deze overeenkomst aanging, "verzorgd zal worden naar lijf
"en ziel, volgens de gewoonte van het gasthuis".
De beyer diende tot passantenhuis, ziekenhuis, barak voor besmettelijke
ziekten, militair hospitaal, tehuis voor oud-gedienden en armhuis, terwijl er
eventueel ook weezen van buiten de stad en vondelingen van 't platteland
in werden ondergebracht. De passanten, die aan den beyer aanklopten,
daalden, naarmate er bij toenemend verkeer logementen werden geopend,
waarin men tegen betaling kon worden opgenomen, af tot het peil van
landloopers en zwervers. Welk slag van volk hier binnenkwam, leert eene
"Ordonnantie van den Raedt in de Beyert", van 19 Augustus 1578, waarin
bevolen wordt, dat ieder die zich schuldig maakt aan twist, dronkenschap
of andere excessen en ongeregeldheden terstond uit den beyer gezet en
buiten de stad gevoerd zal worden, "oft andersins nae gelegentheyt der
"zaecken bij den Raedt arbytralijcken sal gestraft worden, anderen ten
"exempele". De beyermoeder was bij eede verplicht, aangifte te doen van
de namen en toenamen der schuldigen om "gecorrigeert ofte anders daer-
"mede gedaen te werden nae behoeren".
De overgang van passantenhuis tot ziekenhuis is niet ver te zoeken. Het
waren dikwijls door vermoeienis en ontbering uitgeputte personen, die zich
hier aanmeldden en daardoor gemakkelijk door ziekten werden aangetast.
Dezelfde ordonnantie van 1578 geeft ook hiervan een bewijs, want zij ver-
biedt de beyermoeder iemand langer dan drie dagen en drie nachten in
93

den beyer te houden, tenzij bij ziekte of bij onweer. In zulke gevallen was
zij gehouden de voogden daarmee in kennis te stellen. Doch, niet altijd zal
er voor passanten plaats zijn geweest, daar de Raad in 1565 bepaalde, dat
"goede arme burgers, burgeren kynderen, dienstboeden ende andere dier-
"gelijcke persoenen, met enyghen contagiosen cranckheden geslagen ofte
"beladen", den voorrang hadden; slechts, wanneer er geen besmettelijke
ziekte in de stad heerschte, mochten reizende en trekkende, arme vreemde-
lingen worden opgenomen. Zoo werd de beyer dus ten deele eene stede-
lijke inrichting voor besmettelijke zieklen. Art. 6 van de bovengenoemde
ordonnantie van 1578 beveelt de beyermoeder dan ook om, wanneer de
voogden dit begeeren en de nood het vereischt, arme, verlatene personen
"kranck zijnde aan de pocken ofte anders geïnficiert" op te nemen en te
verzorgen. — Hoe had de Stad het recht verkregen om den gasthuisbeyer
als stedelijke barak te gebruiken ? — Door eene dading, welke zij op
15 December 1565 met de voogden aanging. In dat jaar was er n.l., dank
zij de milddadigheid van Saepck van Burmania, een geheel nieuwe beyer
gebouwd, stellig op de plek, waar de oude had gestaan. Deze beyer om-
vatte een groote zaal, en een reventer of eetzaal aan de Beyerstraat; achter
het revenfer lag eene bleek; achter de zaal het kamertje van de beyer-
moer, de plaats, met regenwatersbak, en de keuken. Toen het gebouw ge-
reed was, ontbraken echter de middelen voor de inrichting daarvan. Deze
verkregen de voogden nu door een vergelijk te treffen met den Raad,
waarbij zij afstand deden van hunne pretentie op eene jaarlijksche rente,
groot 17½ gulden, uit de opkomsten van de stadswaag, tegen ontvangst
van drie honderd gulden, welke som gebruikt moest worden voor de in-
richtinq van den beyer. Deze overeenkomst gaf het Stedelijk Bestuur het
recht om over een niet vastgesteld aantal plaatsen in den beyer te beschik-
ken. Het aasthuis moest voor het onderhoud van de personen, welke de
Magistraat in den beyer deed opnemen, zorgen, terwijl deze in hunne
kleeding en geneeskundige behandeling voorzag. Dit recht gaf later, toen
finantieele zorgen het gasthuis drukten, aanleiding tot hoogloopende ge-
schillen tusschen het stadsbestuur en de gasthuisvoogden.
Ook tot militair hospitaal werd de beyer gebruikt. Zoo bevat de rekening
van 1582 een post van 101 gld. 18½ stuiver voor de verzorging van vier
gewonde en zieke Engelsche soldaten, die hier op staatskosten werden
verpleegd, terwijl de Staat eveneens 300 gld. betaalde voor het "onder-
94

holden van veel en menichfuldige personen", waarschijnlijk soldaten, daar
de Staat aansprakelijk voor hen was. Zieke militairen en oudgedienden
vonden gewoonlijk een piaats in den beyer, op voorwaarde, dat hun
kolonel of kapitein wekelijks één goudgulden (ƒ 1.40) voor hen stortte.
Soms hadden de gasthuisvoogden groote moeite deze verplegingskosten
terug te krijgen. In 1676 wendden zij zich bijv. tot de Gedeputeerde Staten
met een request tot betaling van 314 gld. 5 stuivers voor het onderhoud
van soldaten, wier kapiteins in gebreke waren gebleven het weekgeld voor
hen te betalen, hetzij dat deze dan dienst hadden verlaten, of verplaatst
waren. Sommige kapiteins werden van betaling vrijgesteld: één, op grond
dat, hoewel zijn soldaat in 1673 wel in zijne compagnie was geweest, deze
sedert in het gasthuis was blijven liggen en ,,op 't laest met een gasthuys-
meyd is deurgegaen". Een ander kapitein weigert eenige jaren kostpennin-
gen te voldoen voor een soldaat, die voor Blokzijl is gekwetst en toen naar
het gasthuis te Leeuwarden is gebracht, waar hij zich nog ophoudt, doch
biedt aan de kosten te betalen van het oogenblik af, dat hij kapitein der
compagnie is geworden. Uit 1714 dateert een request van een luitenant der
garde aan de Magistraat om een hoogbejaard soldaat in den beyer te doen
opnemen, omdat deze bijna brand had gesticht en door het "consumeeren
van sterken drank" gevaar voor zijne omgeving opleverde.



Herhaaldelijk werden ook zwakzinnigen of "innocenfen" in het gasthuis
opgenomen. Indien zij in staat waren werkzaamheden te verrichten, werden
zij daarmede belast. Er diende een innocent meisje in den beyer; een ander
werd als werkmeid in het gesticht opgenomen; terwijl een "jonggesel in
sijne sinnen gekrenkt" gehouden werd het werk te doen, waarvoor hij
geschikt was. Niet alleen de Magistraat, ook de Gedeputeerde Staten plaat-
sten soms zoo'n ongelukkige in het gasthuis. Er bestaat bijv. nog eene over-
eenkomst tusschen de Staten en de voogden betreffende een armen,
innocenten Franschman, Jean Barton, die als Hugenoot uit zijn vaderland
was gevlucht en nu verblijf hield in de Fransche kolonie in Gaasterland.
De voogden namen aan dezen te onderhouden tegen eene vergoeding
van ƒ 2.50 per week; echter mocht de Stad, indien hij herstellen mocht, niet
met zijne alimentalie belast worden.
Zij, die geheel krankzinnig waren en daardoor niet in de gemeenschap
opgenomen konden worden, werden opgesloten in afzonderlijke hokken,
doorkasten *) genoemd, waarin zij òf door de voogden, òf van overheids-
* Vgl. der Tor, Duits voor de dwaas.
95

wege geplaatst werden. Van eene doelmatige verpleging was geen sprake:
de arme lijders, die, volgens de gewoonte dier dagen aan nieuwsgierige
blikken waren blootgesteld, werden eenvoudig uit de gemeenschap ver-
wijderd. Onvermogende krankzinnigen moesten door het gasthuis van
"cost en dranck" worden voorzien; de Magistraat zorgde voor hunne klee-
ding en begrafeniskosten, waarvoor dan dikwijls een borg gesteld moest
worden. De meer gegoede patiënten, hetzij stadgenooten, of lieden uit de
provincie, die op verzoek van hunne bloedverwanten of vrienden, in de
doorkasten gezet waren, werden op dier kosten onderhouden, gewoonlijk
tegen betaling van één goudgulden per week. Voor het schoonhouden der
hokken zorgde het gasthuis: in 1582 werd voor het "reinichgen ende een
geheel jaer schoenmaken van malle Sipke doerkiste" de som van 42 stuivers
betaald. Bij ziekte werden de onvermogenden door den chirurgijn bijgestaan;
terwijl zij, die uitbesteed waren, onder behandeling kwamen van den door
hunne verwanten aangewezen dokter. Een enkele maal gebeurde het, dat
een krankzinnige genezing vond en als hersteld werd bevrijd; een ander
maal, dat een ontslagen patiënt na eenigen tijd in de doorkas teruggebracht
moest worden; soms bleef zoo'n diep beklagenswaardige zijn heele leven
lang opgesloten, zooals een ingenieur, die in 1723 in de doorkas kwam, en
er tot 1772 in verblijf hield.
Niet enkel deden de doorkasten dienst als provinciaal en stedelijk krank-
zinnigengesticht; bij tijd en wijle werden zij door de gasthuisvoogden ook
gebruikt tot.... tuchthuis. Herhaalde malen is het voorgekomen, dat onver-
beterlijke boosdoeners, zoowel mannen als vrouwen, die ondanks "correctie"
en ontzegging van kost, voortgingen met "dronckenschap en ander quaed
leven", voor acht dagen, of voor zoolang het den voogden behaagde, in
de doorkasten werden opgesloten. Dit zal een afdoende straf zijn geweest.
Behalve aan passanten en zieken bood het gasthuis ook een toevluchtsoord
aan armen, die zich zelf niet meer konden onderhouden. Zij, die nog eenig
werk konden verrichten, werden daartoe verplicht ten bate van het gasthuis.
Ofschoon ook minvermogende lieden in de gasthuiskerk werden opge-
nomen, die dan daar, of buiten het gesticht, sliepen en hunne maaltijden
gebruikten aan de arme provenierstafel in het reventer, zoo was toch de
beyer meer bepaald als armhuis aangewezen. De Stad zond niet enkel hare
zieken, doch ook hare armen hierheen. Er bestaan nog verschillende ver-
zoekschriften van armen aan de Magistraat om in den beyer geplaatst te
96

mogen worden. Zij moesten dan een borg kunnen stellen voor hunne
kleeding- en begrafeniskosten, terwijl het gasthuis hen voorzag van spijs
en drank. Dat de voogden zich streng aan deze bepaling hielden, onder-
vond Lieuwe Jans, die, nadat hij in 1708 voor ƒ 150 eene plaats in den
beyer had gekocht, daarin niet toegelaten werd zonder borgstelling voor
zijne kleeding, waarom hij de Magistraat verzoekt, tegen storting van ƒ 100,
daarin te willen voorzien; eerst daarna mocht hij binnen komen. Hieruit
blijkt, dat beyergasfen som; bij hunne intrede in het gesticht eene kleine
som stortten, ot wel eene jaarlijksche tegemoetkoming voor hun onderhoud
gaven. Dit gebeurde ook met gepensionneerden, die een deel van hun
pensioen offerden.
Ook bestaan er aanwijzingen, dat er kinderen in den beyer zijn onder-
gebracht. Zoo bevat de rekening vap 1582 een post ter belooning van den
beyervader voor het "onderhouden van een arm kint" in den beyer. Ge-
ruimen tijd was het gasthuis n.l. bezwaard met de zorg voor de "buyten-
weeskinderen" en de vondelingen van het platteland. Gewoonlijk werden
deze uitbesteed en zal de beyer enkel gediend hebben tot doorgangshuis.
Toen het burger-weeshuis in 1596 zijn aandeel in de kloosterbuitengoederen
aanvaardde, nam het de verplichting op zich om "die stadt te ontlasten van
den weezen exempf die innocent ende sinloos zijn"; zoodat het gasthuis
toen van deze zorg werd ontheven 1).
Voorwaar, de beyer was, evenmin als de gasthuiskerk, een rustige zieken-
kamer en hemelsbreed is het verschil tusschen de toenmalige en de heden-
daagsche verpleging. Men vraagt zich af, hoe het mogelijk is, dat patiënten
in deze omgeving konden herstellen. De stank, ontstaan door het samen-
wonen, in eene beperkte, slecht geventileerde ruimte, van zooveel men-
schen, die daar dag en nacht verblijf hielden, moet ondragelijk zijn geweest.
Een onverdacht getuigenis gaven de voogden daarvan, toen zij in 1565, de
ziekenmoeder Mynke Harincxdr., indien deze hare taak niet langer kon
volhouden, eene plaats in het gasthuis beloofden, daar "deze sieckenmoeder
1) Over het onderhoud der zwakzinnige weezen rees nu een geschil tusschen de Voor-
standers der Huis-armen en de Voogden van het Sint-Anthony-Gasthuis. Hoe dit is
beslecht, is bij gemis aan rekeningen en andere bronnen niet na te gaan. Zoodra
het Nieuwe Stads-Weeshuis in 1676 was geopend, werden de innocente stads-weezen
daarin opgenomen. De gasthuisrekeningen uit het laatst der 17e eeuw vermelden geene
uitgaven meer ten behoeve van arme idiote weezen.

97

"int bedienen van diverssche crancken menschen vele quade stanck ende
"vuylicheyt bevanget, niettemin alle tijde in hun crancheyden soo well
"troostelijck als dienstelich geweest is." Te denken geeft ook het besluit
van Voogden en Voogdessen op 24 September 1772 (derhalve na de op-
heffing van den beyer, welke in het begin van dat jaar plaats vond) ge-
nomen, dat "de lijeken der gestorvene soo in de kerek als in de kaamers,
"binnen den sesden dagh na derselver overlijden sullen moeten worden
"ter aarde bestelt." Daarenboven zaten beyer en kerk vol ongedierte; wan-
neer, bij de vertimmering der kerk, deze in 1783 hare bestemming van
ziekenzaal verliest, wordt den aannemer van het werk opgedragen alles af
te breken "wat maar agterdogt van weegluizen kan geven". Voeg daarbij
de luidruchtigheid, die dikwijls in die ziekenzalen geheerscht moet hebben.
De beyergasten en de kerkbewoners waren vaak ruwe klanten: in het sen-
tentieboek der voogden komen vele misdragingen voor, als: schelden,
buitensporigheid, onbehoorlijke bejegening, het "uitdragen" en zelfs het
verkoopen van spijzen, kwaadsprekerij, dronkenschap, welke overtredingen
bestraft werden met onthouding van kost, in het blok-sluiting, en zoo
mogelijk, met boeten; ja, eens zelfs sloeg een dronkaard de beyermoeder
in het gezicht, waarop hij de zwaarste straf kreeg: opsluiting in de doorkas
gedurende acht dagen!
De beyermoeder toch was een persoon van gewicht. Zij stond aan het
hoofd van den beyer en ontving daarvoor, buiten kost en inwoning, in 1565
negen gld. en in 1582, veertien gld. loon; in de 17e eeuw klom dit salaris
tot 23 gld.; in de 18e, eerst tot ƒ 40 en eindelijk tot ƒ 48 's jaars; hooger
is het niet gekomen. Op haar rustte een zware plicht: zij moest de orde in
den beyer handhaven, de zieken verplegen, de spijzen in de beyerkeuken
toebereiden, kortom den heelen beyer verzorgen. Zij had veel invloed,
daar de "Ordonnantie van den Raedt in den Beyer", van 1578, bepaalt, dat
niemand in den beyer opgenomen mag worden, zonder toestemming van
de beyermoeder, ofschoon zij in een volgend artikel verplicht wordt, op
verlangen van de voogden en indien de nood dit eischt, arme lijders aan
besmettelijke ziekten op te nemen. Zij moest bovendien de personen aan-
geven, die zich misdragen hadden en straf verdienden.
Oudtijds werd zij bijgestaan door haren man. In de 15e eeuw (1489) is er
sprake van een "jestmaster en een jestfrou", die, blijkens een proefbrief uit
1477, waarbij Benne Jacobs, bij hare intrede in het gasthuis, bedingt, dat
98

zij er "nijt toe verbonden sal wesen tot enich syecken te verwaren", in het
verplegen der zieken bijgestaan werden door proveniers. De beyervader
werd, als het noodig was, ook gerequireerd voor andere diensten in het
gasthuis en werd daarvoor dan afzonderlijk beloond. Zoo bevat de rekening
van 1582 een post, waarbij aan den beyervader Rijck voor vier dagen
arbeidsloon "in 't gasthuyswerk", 32 stuivers wordt toegekend, terwijl hij
met drie medehelpers negen goudgulden, acht stuivers (= ƒ 13.—) ont-
ving "ter causse van drie-en-dertichste halve dagen arbeytsloon, des
"daechs 8 stuvers, voor 't graven van den regenbacken, met dat sement
"thoe bereyden, den stien thoe bereyden ende aen thoe draghen ende
diergelijcke". Deze Rijck was tevens schroer, of kleermaker, wat waar-
schijnlijk wel aan de beyerbewoners ten goede is gekomen, daar de na-
gelaten kleeren van hen, die in beyer of kerk stierven, aan het gasthuis
vervielen. Bovendien hield hij het register aan van personen, die in den
beyer opgenomen werden. Later verdwijnt de beyervader en wordt de
moeder bijgestaan door twee dienstmeisjes.
De eet- en drinkwaren voor de beyerbewoners ontving de moeder uit
handen van de "buytenmoers" of voogdessen; in de beyerkeuken werd het
eten toebereid. Soms werd de beyermoeder toegestaan het eten uit de
gasthuiskeuken te halen, daar haar in hare instructie geboden wordt "aen
"persoenen kranck sijnde van de pocken ofte anders geïnficeert, die haeren
"gerack te doen, mits die cost ende nootruft voor alzulcke persoenen vuyt
"de kuecken van 't gasthuys te halen."
De sieckenmoer in de kerk, of kerckemoer, stond meer direct onder het
toezicht der voogdessen en ontving haar loon uit dier handen. Zij ook had
twee dienstmeisjes tot hare beschikking. Het eten voor de kerkbewoners
werd in de gasthuiskeuken bereid. De voogdessen zorgden voor het in-
koopen der levensmiddelen ("de cleyne dagelixe nootrufte") voor het ge-
heele gasthuis. In de rekeningen werden deze posten te zamen onder één
hoofd geboekt: aanvankelijk ontvingen zij daarvoor 25 gld. per kwartaal,
later ƒ 50 per maand. Hoeveel spijs en drank er speciaal voor beyer en
kerk werd toegestaan, is derhalve niet uit te maken. Niet altijd was het eten
naar den zin der beyer- en kerkbewoners, doch aan hen, die aanmerkingen
durfden maken, werd de kost voor een paar dagen ontzegd. Eens per jaar
ontvingen de arme, te bed liggende zieken eene tractatie van "cleyn
"broedt, varsch vleys, wijn ofte specerijen, daarthoe eenygen alsulcke
99

"crancken apetijt geraecken sullen fe hebben, naer belyeven ende discretie
"van de buytenmoers" (voogdessen). Dit hadden zij te danken aan Saepck
van Burmania, die daarvoor in 1563 ƒ 87.50 aan de voogden ter hand stelde,
onder bepaling, dat de rente van deze som, groot ƒ 6.—, voor dit doel
zou worden gebruikt. De uitkeering van deze rente aan de voogdessen
werd verzekerd door de clausule, dat, indien de penningmeester in gebreke
bleef deze te betalen, zij deze mochten beuren uit de huursom der gasthuis-
plaatsen. Deze traditie is dan ook blijven bestaan tot aan de opheffing van
den beyer en het ziekenhuis in de kerk.
Wat de medische hulp betreft, deze werd den zieken verstrekt door een
chirurgijn of barbier, die vast aan het gasthuis verbonden was. Ofschoon in
de rekening van 1561 geen post voor een chirurgijn voorkomt, moet het
gasthuis toen reeds lang een heelmeester hebben gehad, daar in het oudste
memoriaal staat aangeteekend: "Op huyden den XXe Mey anno 1563
"hebben wij Voechden van 't gasthuys angenommen tot een chiruergin ofte
"barbier mr. Pieter Janszoen van Worckum, burger deesser stede, voer die
"zomma van tien carolusgulden iaers, waervoer hij gehouden sal weessen
"alle die krancken in 't gasthuys na zin beste vermoegen te cureren ende
"geneessen, gelijck als zin predecesseurs gedaen hebben." Voorwaar
geen gemakkelijke taak! waar hem werd opgedragen, alle zieken te
genezen, en dikwijls zal hij daarin tekort geschoten zijn.
Mr. Pieter Janszoen, werd opgevolgd door Mr. Pieter Joesten, die, volgens
de rekening van 1582, eveneens 10 gld. per jaar verdiende. Daarenboven
kwam hem 6 gld. 5 stuivers toe "verlecht aan meedecijnen tot behoeff van
"den pacientten binnen 't voors. gasthuys". Langzamerhand klom de be-
zoldiging van den chirurg, maar moest hij de medicijnen op eigen kosten
leveren. Zoo werd in 1628 mr. Thomas Dirckx op een tractement van ƒ 60
s' jaars aangesteld, terwijl zijn voorganger ƒ 40 met twee schuiten turf had
genoten. De voogden, op zuinigheid bedacht, gingen op 22 April 1686
een accoord aan met Sijmen Harmens, "meister chirurgijn, wonende in het
"gasthuys als proevenier, dat hij als chirurgus in 't jaar voor syn diensten
"en medicamenten, die hij doet om de patienten soo in 't gasthuys als in
"den beyer te genesen, sampt voor scheren (gelijck voorgaande meesters
"a'tijt hebben gedaan) sal genieten vijfftich car. gld., onder conditie, dat
"het soo de Regenten als meister Sijmen sal vrij staan om met het vendel-
"jaar den dienst mondelingh op te seggen".
100

Wel was het gelukkig voor de patiënten, dat er een meester chirurgijn aan
het gasthuis was verbonden, zoodat zij niet in handen vielen van beun-
hazen, die de gildeproet niet hadden atgelegd en toch gaarne de praktijk
uitoefenden. Zoo was er, wegens vallende ziekte, een scherprechterszoon
in den beyer opgenomen, die "curen" deed, waarover het gilde zich bij de
Magistraat beklaagde 1). Naast den chirurgijn, die oudtijds alle zieken in het
gasthuis verpleegde, treft men in de 17e en in de 18e eeuw ook een dokter
aan, die de meer vermogende patiënten behandelde, ofschoon beider ter-
rein niet scherp afgebakend was. Hunne instructiën werden omstreeks 1730
herzien. Toen de voogden n.l. op verzoek van mr. Roelof Roukema, diens
ambt overdroegen op Tiberius Piersma, stelden zij op 7 Juni 1729 de vol-
gende instructie voor den chirurgijn vast:
1e. (Hij is gehouden te) bedienen de onvermogende proveniers daer onder
verstaende sodanige als de Heeren en Vrouwen (voogden en voog-
dessen) voor onvermogende koomen te verclaeren, schoon anders niet
tot laste van het gasthuis zijn. En de mannen, niet in staet zijnde otn
scheerloon te betalen, op den Vrijdagh om de 14 dagen door de knegts
te laten raseeren;
2e. De onvermogende in de beyer werdende onderholden ook te raseeren
gelijk bovengemelde proeveniers en in cas van allerhande toevallen
ook als chirurgus te bedienen;
3e. Van gelijcken te besorgen de ellendige en van verstand beroofde, die
in de doorkassen geplaatst zijn;
4e. Ook op gelijcke wijze te bedienen de domestiken van het huis, als
knegten, moeren en meiden, beneffens de soodanige die geheel van
het gasthuis moeten leven en besorgt en soo gasthuiskinders genaemt;
5e. Dat de chirurgus sal moeten leveren alle medicamenten op sijn eigen
kosten, die nodig mogen werden bevonden; selfs wijn ofte brandewijn,
niets uytgesondert als oud doek, dat door het gasthuis besorgt zal
worden;
6e. Dat onder voorschreven personen niet beklemt sullen zijn sodanige als
die selfs van vermogen sijn, ofte op versoek van deze ofte geene in de
de beyer ofte doorkasten genoomen ofte besteed, maar werd sulx ge-
laten ter besorginge van der besteeders, 't sij voogden vrinden of
1) Zie: H. Straat, Het Chirurgijnsgilde te Leeuwarden, "Vrije Fries" dl. 31, blz. 3.
101

anders. Egter, ten approbatie ofte ordre der Heeren en Vrouwen, soo
Haer Ed. sullen goedvinden te ordonneeren, waermede den chirurgus
te vreeden sal moeten sijn en sigh daer nae sal moeten reguleeren;
7e. Soo er patienten sijn van belangh, sal de chirurgus s'donderdaeghs ter
kaemer kennisse van den toestandt moeten geven;
8e. Soo de chirurgus sijn pligt nae genoegen niet koomt waer te nemen,
sullen d' Heeren en Vrouwen een ander in sijne plaets stellen, alsoo
d' instructie is, dat de ellendige wel en nae behooren sullen werden
opgepast;
9e. Waer voor den chirurgus s' jaers sal trecken een tractament van vijff
en 't zeventigh carolus gulden, alle halve jaeren de helfte."
Hooger dan 75 gld. is de jaarwedde niet gekomen. In 1798 bij den dood
van Wigerus Alma, die Tiberius Piersma in 1732 als gasthuis-chirurgijn was
opgevolgd en die op lateren leeftijd ook in het gesticht woonde, werd de
betrekking opgeheven. Blijkens art. 6 van deze instructie voorzagen de
voogden, dat er wel eens een conflict zou kunnen ontstaan tusschen den
chirurgijn en den gasthuisdokter of andere geneesheeren, die door ver-
mogende patiënten ter hulp werden geroepen. Hunne vrees was stellig niet
ongegrond, daar er geen strenge afscheiding bestond tusschen de taak, die
aan den chirurgijn en die, welke aan den gasthuisdokter werd opgedragen.
Hunne instructiën luidden op verschillende punten gelijk. Die van den
dokter was in den loop der jaren verloren gegaan. Deze functionaris wordt
in 1628 het eerst vermeld, in verband met eene wijziging van zijn tracte-
ment, daar hem vervolgens 20 gld. werd toegekend in plaats van 2 schuiten
turf. Toen het nu bleek, dat de instructie van dr. Justus Schellingen, die in
1718 tot gasthuisdokter was benoemd, niet meer was te vinden, werd zijne
"aanteekening", omstreeks 1730, (doch zonder naderen datum) in het
Accoord- en Annotafieboek van 1730—1775 dus ingeschreven: "De heer
"Justus Schellingen, Med. Dr., aangestelt op een tractament van 120 gld.
"jaers. Sijne instructie of aentekeninge niet te vinden, maer dient dat deselve
"daer voor moet bedienen der Gasthuis arme en onvermogende proveniers,
"alsmede de proveniers, die geheel tot laste van het Gasthuis zijn en alzoo
"gasthuiskinderen genaamt. Ook de moeren, knegten, meiden, als bedien-
"den van het huis, alsmede Beyer en doorkassen voor soo verre als de
"personen daerinne geplaatst ten laste van het gasthuis sijn en sulx alles
"met de leverancie van medicamenten tot Sijn Ed. laste, exempt oud toeck."
102

Na den dood van Dr. Schellingen, in 1750, werd er uit bezuiniging geen
medicus meer aangesteld.
Bezuiniging was n.l. dringend noodig; de geldmiddelen van het gasthuis
verkeerden in bedenkelijken toestand. De algemeene achteruitgang der
finantiën in de 18 eeuw oefende zijn invloed ook uit op het gasthuis. Vooral
de beyer drukte als een looden last op het gesticht. Reeds aan het eind der
17e eeuw trachtten de voogden de opneming van zieken en armen zooveel
mogelijk te beperken, doch kwamen daarmee in botsing met de Magistraat,
die, sedert het accoord van 1565, over een niet vastgesteld aantal plaatsen
in den beyer kon beschikken. Zoo lieten de voogden o.m. in 1719 eene
vrouw, die door den presideerenden burgemeester eene plaats in den beyer
had gekregen, daaruit verwijderen, waarop deze haar met den sterken arm
in den beyer terug liet brengen. De twisten liep zoo hoog, dat er in 1710
en in 1727 zelts procedures voor het Hof van Vriesland uit ontstonden. Om
deze te vermijden, wenschten beide partijen de zaak ten slotte in der
minne te schikken en zoo kwam op 28 October 1729 de volgende over-
eenkomst tot stand:
"Eerstelijk dat van de 23 bedden, die er in den beyer sijn, drie sullen
"wesen en altoos blijven voor de bedienden van het huis, namentlijk de
"beyermoeder en de twee meiden;
"Ten tweeden, dat van de overige 20 bedsteden altoos twee in het beson-
"der sullen blijven ter dispositie van de Heeren Presideerende Burgemees-
"teren in der tijdt, om daerinne te laten brengen arme en noodlijdende
"persoonen, die voor een korten tijdt geherbergt en van het nodige ver-
"borgt moeten werden, doch, ingevalle voorschreven twee bedsteden of
"een van deselve geraaken ledigh te sijn, sullen de Heeren Voogden daar-
"mede de vrijheit hebben, sig daer van te bedienen, des deselve aenstonts
"weder ontruymende, soo ras de heeren Presidenten die stadswege nodigh
"hebben.
"Ten derden, dat van de resterende 18 bedsteeden voor altoos de helfte
"sullen sijn ter dispositie van de Magistraat dezer stede.
"Ten vierden, dat de persoonen, die alsoo stadswege worden geplaatst in
"de voorschreven twee en negen bedsteeden van den beyer, sullen worden
"voorsien op kosten van het gasthuis van kost en drank, bed en bedskleeren
"en wat sij wijders nodigh hebben, exempt alleen de kleeren tot haer
"ligchaem behorende, welke haer op Stadskosten sullen worden gegeven,
103

"gelijck deselve persoonen bij sieckte of andere indispositiën mede sullen
"worden bediend door den stads medicus en chirurgijns en met medicamen-
"ten op stads kosten."
Doch hiermede waren de zwarigheden niet uit den weg geruimd; de beyer
bleef een drukkende last en de finantieele toestand van het gasthuis baarde
den voogden steeds meer zorg. Daarom besloot de Raad in 1743 eene
opengevallen plaats in den beyer niet te begeven, zoolang een krankzinnig
ingezetene der stad door de voogden in de doorkast werd onderhouden.
Zeven jaar later verzochten deze den Raad om in de eerstvolgende vacature
in den beyer niet meer te voorzien. Eindelijk viel op 17 Januari 1772 het
Raadsbesluit, dat over het lot van den beyer besliste. Toen "de Heer
"Burgemeester N. Arnoldi, als oudste voogd van het St. Anthony-Gasthuis,
"in name van de gezamentlijke Heeren Voogden ter vergaderinge voor-
"gedragen had den zeer agterlijken toestand van hetzelve huis door
"de beswaarnisse van den beyer, welke al voor lange hetzelve huis meer
"en meer in de grond hadde gebraght; dat de H. Voogden om die reden
"al sedert verscheidene jaaren geen plaatsen meer in voors. beyer hadden
"begeeven, maar deselve laaten uitsterven; dat, aangezien de resolutie
"van 21 Februari 1755, nu tegenwoordigh in dezelve nog maar zeer weinige
"persoonen overig waren, waarom zij verzoeken, dat de stad moge afzien
"van de begevinge van plaatsen in den beyer, zoodat de voogden over
"den beyert zouden kunnen beschikken ten meesten nut en voordeel van
"het gasthuis", stond de Raad hun dit verzoek toe.
Nu hadden de voogden vrij spel. Kort daarna werd het gebouw ontruimd;
de beyermoer werd ontslagen, terwijl er voor de beide zieken, die er nog
in verblijf hielden, op andere wijze werd gezorgd. De meubelen werden
verkocht; het gebouw werd in 1775 aan den boekdrukker J. A. de Chalmot
verhuurd, en toen deze drie jaar later zijne zaak naar Kampen overbracht,
werd de beyer ingericht tot stads-armenschool met onderwijzerswoning. In
1822 werd deze school naar een ander locaal verplaatst, waarop de beyer
in 1824—1842 werd gebruikt tot magazijn voor militaire fournitures en
woning van den agent voor de kazerneering. In 1843 werd de beyer op-
nieuw bij het gasthuis getrokken en ingericht tot zeven provenierskamers.
Ook de doorkasten werden opgeruimd. Zij werden in 1775 op afbraak
verkocht en brachten met enkele meubelen uit den beyer 219 gld. 11 st. op.
De plaats, waar de doorkasten hadden gestaan, werd herschapen in een
104

tuintje. De stad liet daarop, in 1782, een gebouw voor hare zieken en
krankzinnigen zetten op de ruime binnenplaats van het tuchthuis. In 1825
werd dit ziekenhuis overgebracht naar de voormalige scherprechterswoning,
welke in 1841 werd atgebroken en vervangen door het tegenwoordige
stadsziekenhuis.
De gasthuiskerk verloor eveneens aan het eind der 18e eeuw hare bestem-
ming van zieken- en zwakken-zaal. Reeds in de 17e eeuw had het gesticht
zich meer en meer als proveniershuis ontwikkeld en de 18e eeuw bracht
daarin geene verandering. Tengevolge van de benarde tijdsomstandig-
heden namen de voogden in steeds mindere mate hulpbehoevende en
zieke armen op, totdat zij in 1783 besloten tot de opheffing van de kerk
als ziekenhuis. De kerk werd nu verbouwd tot twaalf provenierskamers, en
het reventer der kerkbewoners ingericht tot een tweede voogdenkamer.
Met de opheffing van beyer en gasthuiskerk verdween het oudste zieken-
huis in Leeuwarden, lang voordat nieuwe denkbeelden omtrent gezondheids-
leer hier in toepassing werden gebracht. Doch, hoe weinig het ook aan
onze begrippen van de meest elementaire hygiëne heeft voldaan, toch is
het in lang vervlogen eeuwen voor vele arme patiënten een welkom toe-
vluchtsoord geweest.
105

>> begin