>> HOMEpage

Gesigneerde grafstenen - Friesland, 16e en 17e eeuw
i.h.b. Leeuwarder zerkhouwers

R. Ligtenberg - Grafzerken der XVIe eeuw in Friesland
Een bijdrage tot de geschiedenis der Renaissance in dat gewest (De Vrije Fries XXIII 1915)

Verbeterd en aangevuld door W. Dolk. Voor internet bewerkt door M.H.H. Engels, mei 2007

156
Wie van de Renaissance in Friesland hoort, wandelt in
den geest van de kanselarij te Leeuwarden naar het Raad-
huis te Franeker; vandaar naar dat te Bolsward; doet nog
even de kraak te Oosterend en de Waterpoort te Sneek
aan - en is weer thuis. Evenals wie eens gauw zijn
aardrijkskundig geheugen omtrent de Alpen wil opfrisschen,
den Mont Blanc als uitgangspunt neemt, vandaar op den
Pilatus en de Jungfrau stapt, den tunnel door den Mont-
Cénis met den Brennerpas vergelijkt - "onderlangs en
bovenover" - en tevreden is.
Maar langs welken weg is de Renaissance in Friesland
gekomen? en in welken vorm? Hoe heeft zij zich daar
ontwikkeld? en onder welke invloeden?
Nergens, tenzij in Italië en misschien in Noord-Frankrijk,
is de Renaissance uitgegaan van de architektuur, maar
van de kleinere kunsten. We zullen haar eerste optreden
in Friesland óók niet aan raadhuisgevels of stadspoorten
moeten zoeken. En een kerkmeubel als de kraak te Oos-
terend, van 1554, is als vroegste renaissancewerk moeielijk
denkbaar; zóó imponeerend sprak zij nergens haar eerste
woord.
In onze streken kwam ze zelfs heel bescheiden binnen.
Prentjes en kleine sieraden waren haar eerste vehikels.
Spoedig grootere gebruiksvoorwerpen, meubelen, gedenk-
teekenen. Dàn komt ze in de bouwkunst - eerst in het
ornament, daarna in de constructie - te voorschijn. Zóó
zal het, grosso modo, ook in Friesland zijn gegaan.

B.G. 161-167, 181-198
Vincent Lucas 167-171, 197-198
Pieter Dircks 171-173
Claes Jans 175
Claes Jelles 175-176
Pieter Claes 176-177
Jelle Claes 177-178
D.B. 178
H.G. 178
D.S. 178
Jacob Douwes 179
Dirck Lieuwes 199
Quirijn Christoffels 201
Jacob Lous 205 (Forssenburg)
Poulus Andries 209
L.B.
H.P. 204
C.H.
I.T.
Vgl. DVF 46(1964) 205-213

Iets over Friesche zerken en zerkhouwers. Mededeling van Dr. A.L. Heerma van Voss in de alg. ledenvergadering v/h Fr. Genootschap. Lwd. Crt. 29-4-1940.
Iets over steenhouwersmerken in Friesland, door S.J. v.d. Molen. Lwd. Nieuwsblad 10 en 19-6-1933.
Franeker stadhuis 1591:
GL ... Gerrit Lieuwes, stadsmetselaar
HB ...
FG ... of EG?
DG ... of DC?
GL ...
PL ...
RL ... Rippert L(ieuwes of Lous?)
CI ... Claes Jelles, antiekhouwer
M.A. Prins-Schimmel, Het stadhuis van Franeker, 1981, p. 26-28
Beschr. grafst. Hallum, door J. Wenningh, overgen. in LC 7-5-1885

157
Maar de oudste getuigen, zoover wij konden nazoeken,
gaan niet verder dan in de dertiger jaren der XVIe eeuw
terug. Het zijn eenige hardsteenen grafzerken. Ondanks
het lange standhouden der Gothiek - alles in Friesland
houdt stand wat er eenmaal stand heeft -, en ondanks
het vele, wat, force majeure, door de troebelen op staat-
kundig en godsdienstig gebied, 1) reeds in de eerste jaren
zelf van de Renaissance moet verdwenen zijn, is het tóch
goed mogelijk, dat wij ons vergissen; dat b.v. een ver-
scholen kist of kast een ouder dokument oplevert. Doch
in ieder geval zal er in Friesland moeielijk iets uit de
dertiger jaren ontdekt worden, dat, als deze steenen, zóó
vrank en vrij - echt Friesch - de taal der Renaissance
spreekt. Bovendien, die steenen dragen een datum, en
doen door de signatuur van hun beeldhouwer en de namen
der overledenen, terstond nog iets méér dan zich zelf
kennen. Eindelijk, en vooral, aan de vroegste sluit zich
een geheele serie, tot in de XVIIe eeuw toe, veelal even-
eens met duidelijke signatuur van den beeldhouwer en
met vasten datum. Zoodat deze zerken een prachtig mate-
riaal leveren, om het begin en de ontwikkeling der Renais-
sance in Friesland, ten minste voor één bepaald vak der
Beeldhouwkunst, te bestudeeren.
Literatuur over dit onderwerp is er zoo goed als geen.
In het Stadsarchief te Franeker berust een handschrift van
1678, 2) waarin de ligging der graven en de opschriften
der steenen, zooals ze destijds in de Martinikerk te vinden
waren, vermeld staan - een kataloog door den toenmali-
gen koster opgemaakt.
In het laatst der vorige eeuw maakte notaris Cannegieter
een afschrift; doch na de helft van pag. 5 begon hij een
-----
1) In 1536 kwam Friesland onder Karel V tot eenige politieke
rust; maar in 1535 waren de Wederdoopers in Bolsward reeds
aan 't beeldstormen begonnen.
2) Franeker Archief, no. 1388. Het zijn 16 bladzijden folio,
waarvan er twaalf en een half zijn beschreven.



Afb. 1. Zerk te Jelsum voor Juw Rinsma + 1543 en IJdt Tielens + 1544, door B. G. 1547 (blz. 194).

158
beschrijving op eigen hand, waarbij de genealogie en
heraldiek hem blijkbaar het meest interesseerden. 1) In
een handschrift der Koninklijke Bibliotheek 2) in het midden
der XVIIIe eeuw vervaardigd, staan enkele slechte teeke-
ningen van eenige friesche zerken, zonder verdere beschrij-
ving. Na dien tijd is ons niets bekend tot 1875, toen de
Friesche Oudheden van Eekhoff verschenen, waarin die
ijverige zoeker en waardeeringsvolle kenner der Friesche
geschiedenis, kunst en folklore, eenige bladzijden ook over
deze grafzerken schreef. 3) In 1890 werden ze vluchtig
-----
1) Dit H.S. (onder hetzelfde nummer als het vorige in het
Franeker Archief) geeft 89 nummers van zerken, met vermelding-
van opschrift en wapens, waaraan genealogische noten zijn toe-
gevoegd; daarna volgen 35 nummers van wapenborden, lijkge-
dichten, enz. Voor de kunstgeschiedenis heeft het slechts deze
geringe waarde, dat het ons zegt, wat oorspronkelijk op som-
mige steenen stond, die thans de namen en sterfdata van over-
ledenen uit de XVIII en XIX eeuw dragen; daar kon men nl.
eerst latijnsche disticha lezen.
2) Drie deelen in folio, gebonden. De volledige titel luidt:
Versameling van Tombes, Sepultures, Monumenten etc, in
diverse Hollandse kerken geteekend en voorts bijeenvergadert
en nagelaten door de WelEdel Gestrengen Heer Mr. Willem
Van de Lely, in zijn WelEdelens leven veertig [jaar] Raad
en Burgemeester der stad Delft. Te Amsterdam bij Hendrik
de Leth in de Visser. Dit laatste zou aan een gedrukt en uit-
gegeven werk doen denken. Het H.S. geeft slechte teekeningen
en de juistheid der opschriften is ook niet zonder beneficie van
inventaris te aanvaarden. Het is vooral van belang door dat
het leert, hoeveel er verdwenen is. Van Friesche "tombes, sepul-
tures en monumenten" heeft het de volgende teekeningen: "de
Terminus of Colom ter Eere van Caspar Robles": de Sepulture
van Sternsee-Ropta [te Harlingen en Metslawier] en van George van Espelbach te Harlingen;
van Laas Eelema, Schelte Liauckama, Tetz v. Adelen en diens
zoon, Tjaling v. Camstra en Tz. van Aebinga te Sexbierum; de
tombe van Sicco van Goslinga en Johanna v. Schwarzenberg te
Donium.
3) Friesche oudheden, bl. 44--46. Uitgave van het Friesch
Genootschap.



Afb. 2. Zerk te Hallum voor Haring van Sythiema + 1557, door B. G. 1552 (blz. 194).

159
gememoreerd door Galland. 1) Twee jaar later wees Mr.
Boeles er nóg eens op in het belangrijk opstel, dat ons
met den meester der Oosterendsche kraak bekend maakte. 2)
Als we nu eenige krantenberichten, naar aanleiding van
nieuwe vondsten of opzetting van steenen tegen den wand 3)
en eenige regels in tijdschriften erbij voegen - b.v. in
het Bulletin v. d. Oudheidk. Bond: dat de leden n.l. de
zerken in Franeker bekeken en bewonderd hebben - dan
is, bij ons weten, alles genoemd. Een eigenlijke studie is
er niet aan gewijd.
Het meest - maar dit is ook zéér veel - heeft het
Friesch Genootschap ervoor gedaan, door een groot getal
dier zerken door bekwame handen te doen afteekenen.
Een verzameling gelijk de provinciale atlas in het Friesch
Museum bevat, is eenig in Nederland. Het Genootschap
liet negen der teekeningen in de Friesche Oudheden in
steendruk reproduceeren, om daardoor de aandacht van
meerderen in Friesland en Nederland op deze kunstwerken
te vestigen. 4) Naar wij vernamen, worden de teekeningen
met datzelfde doel ook méér dan eens ten toon gesteld.
Dat nu des ondanks, en niettegenstaande de groote be-
langrijkheid dezer monumenten voor de geschiedenis niet
alleen van de kunst, maar ook van het kostuum in Fries-
land, en van de oude Friesche geslachten - niet grondiger
en uitvoeriger behandeld werden, heeft wellicht zijn reden
gedeeltelijk hierin, dat vele zerken niet meer zichtbaar of
toegankelijk zijn, onder vaste vloeren liggen, en men dus
-----
1) Geschichte der Holl. Bauk. und Bildnerei im Zeitalter
der Renaiss. enz. IV Buch VII Kap.
2) Bullet. Ned. Oudh. Bond IV, bl. 109, W.
3) De noodkreet van Gustaaf v. Kalcker is middelerwijl zaak-
kundig beantwoord door Prof. v. d. Kloès (De Bouwwereld, H
Febr. 1914).
4) Hier of daar zal men wellicht nóg wel een afbeelding vin-
den; gelijk b.v. den steen te Mantgum voor Seerp van Galama
(in den Frieschen Volksalmanak voor 1890) als illustratie bij
diens woelig Vetkoopersleven.



Afb. 3. Zerk te Schettens voor Seerp Ockinga + 1551 en Jel Heerema + 1562, door B. G. 1554 (blz. 195/6).

160
evenzooveel malen zijn studie geen andere basis kan geven
dan een teekening. Dat heeft zijn bezwaren: het komt
vaak op kleine details aan. En nu willen wij op de qua-
liteiten van F. Martin, Cannegieter en Heerke Wenning
niets afdingen, - dat de signatuur der beeldhouwers op
enkele steenen wèl, en op de teekeningen ervan niet te
vinden is, bewijst, dat men bij het gezag dezer laatste niet
behoeft te zweren.
Wij zouden daarom tot deze studie niet zijn overgegaan,
als wij in afzienbare toekomst de mogelijkheid hadden
zien dagen, dat de verborgen schatten nog eens in het
licht zouden worden teruggebracht. Nu dit echter niet zoo
is, en het onderwerp toch zooveel belangrijkheid en aan-
trekkelijkheid heeft, hebben wij, waar de steenen moeten
zwijgen, de papieren laten getuigen.
Aan Mr. P. Boeles te Leeuwarden, die ons welwillend
alle gevraagde teekeningen ten gebruike toezond, onze
oprechte dank. Ook aan Dr. G. Wumkes te Sneek, die,
in zijn weinigen vrijen tijd, nog verschillende archieven
nazocht om van de hier behandelde beeldhouwers iets
meer te vinden. Wat wij aan personalia van Pieter en
Jillis Claesz meedeelen danken wij aan hem.

Deze voorloopige arbeid - méér pretentie kunnen deze
opstellen niet hebben - lijkt ons 't best te beginnen met
een geordenden inventaris van het verzameld materiaal.
Boeiend is de lectuur daarvan niet; maar men krijgt een
overzicht van wat er is. Bovendien kan een belangstel-
lende erdoor opgewekt worden om de hier bijeengezette
gegevens, ten koste van eenig zoeken, te vermeerderen.
Vóór de lijst der zerken 1) die op naam van een beeld-
houwer moeten of mogen staan, gaat telkens vooraf wat
-----
1) Wij laten in die lijst de volledige opschriften enz. en zelfs
de afmetingen weg; ter zake, thans te behandelen, doen die bij-
zonderheden niets af. Een volledige beschrijving van iedere zerk
afzonderlijk ligt nog verder buiten ons huidig bestek. Wij ho-
pen een en ander bij een latere publicatie te geven.



Afb. 4. Zerk te Nijland voor Sydts van Botnia + 1548 en Bauck van Kamstra + 1547, door Vincent Lucas 1550 (blz. 197/8).

161
wij omtrent diens persoon weten of kunnen gissen. Zeker-
heid en mogelijkheid zullen wij steeds duidelijk onder-
scheiden.

B. G.
De eerste ons bekende beeldhouwer is B. G. De man
weigert hardnekkig iets meer van zijn naam te openbaren,
en de archieven zeggen tot heden nóg minder. Nagler
vermeldt eenige monogrammisten, maar van die twaalf
(nn. 1850-1862) verschilt de signatuur met die van onzen
B. G. en hun zekere of vermoedelijke leeftijd verbiedt ook
iedere identificeering. Wij vinden n.l. zijn initialen op een
tiental zerken, het eerst in 1537, het laatst in 1565. Van
dit laatste jaar dateert de zerk te Bornwerd, bij Dokkum;
en is onze meening juist, dat de woorden "aetatis suae 50"
betrekking hebben op B. G. die den steen heeft gebeiteld,
dan is zijn geboortejaar 1515. 1) Uit het feit, dat zijn zerken
alle in Franeker of in den naasten omtrek worden ge-
vonden, kan men onderstellen, dat hij in die stad of dicht
daarbij zijn werkplaats had; een onderstelling, die in aan-
nemelijkheid winnen kan door het onderzoek naar de
woonplaats der familiën, die bij B. G. grafzerken voor
hun overledenen bestelden. 2) In ieder geval meenen wij,
dat, bij gebrek aan meer en betere gegevens, archivalische
nasporingen de genoemde tijd en plaats als voorloopig
uitgangspunt kunnen nemen.
Of B. G. in zijn werkplaats leerlingen heeft gehad? Waar-
schijnlijk. In dien tijd leefde nog het Gildewezen. Van
Pieter en Jillis Claes zullen wij omstreeks 1600 vernemen,
dat zij de meesterproef moesten doorstaan, om in het
metselaarsgild te Leeuwarden als "meester harthouwer"
erkend te worden. Bovendien, bij de groote productie
van B. G. - want onderstaande lijst is verre van com-
-----
1) Zie in de lijst van B. G.'s werken no. XV.
2) De oudste zerken komen daarbij vooral in aanmerking; is
eenmaal een naam gevestigd dan volgen de bestellingen ook
van verder af.

aantt. bij 161
Benedictus Gerbrants
1547 weesvoogd Lwd.
1551 borg voor Frans Aylva te Bornwerd
1567 in request en schuldbekentenis
1567-'69, '72 gezw. gemeensman
1569 kerkv. St. Vitus
1570 schepen
1571 raadsman
1572 in def. sententieboek O 4;
x Anna
1565 ontv. tin, koper en beddetijk
1571 vrijgespr. wegens niet-bet. v. schoenen
1578 weduwe, verk. huis Gr. Kerkstr.

162
pleet - moet men medehelpers aannemen. Tegen de 50er
jaren is medewerking van Vincent Lucas niet te loochenen
(zie onder bl. 197). Zeker is B. G.'s eigen werk niet van
dat zijner onderstelde leerlingen te onderscheiden, en geldt
van zijn atelier, wat Hedicke schrijft van Floris' werk-
plaats in Antwerpen, een tiental jaren later: "Es ist er-
staunlich, dass er seine Gehilfen zu solcher Gesammtqua-
lität der Dutzendarbeit emporheben konnte". 1) Ziehier
nu de lijst zijner werken, altijd - dat zij ééns voor goed
gezegd - voor zoover wij die geven kunnen.
I. Franeker (Martinikerk). Zerk voor [Gerrolt van Hee-
rema + 1536?] en Luts van Zyaerda + 1.3. 1532. Geen signatuur
en geen jaarcijfer.
De naam Gerrolt v. Heerema is op den steen zelf
niet leesbaar; wij hebben dien ingevuld uit het Fra-
neker HS.; bl. 29, no. 24. Geteld van af den Noord-
hoek van het koor is deze zerk de eerste in de rij van
twee en dertig, die daar is opgesteld. Op den boven-
sten zijkant het merk [nr. I]. Teekening in het Friesch
Museum 104_11.
Waarom wij dezen en den volgenden steen in deze
lijst en op deze plaats zetten, zal straks worden ver-
klaard.
II. Franeker (Martinikerk). Zerk voor Tyalyng van Bot-
nya, + 4.11.1533. Geen signatuur en geen jaarcijfer.
Deze zerk 230x125 is de laatste in de serie van het koor,
staat dus in den Zuidhoek. Boven, op den zijkant
het teeken [ merk nr. II]. Teekening in het Friesch Museum 104_12.
III. Franeker (Martinikerk). Zerk voor Hilck, Gorolt
van Herema's dochter, + 16.4. 1542. Op de banderol, die ge-
dragen wordt door de middelste der drie figuren bij de
wapenschilden, staat IB G 1539.
-----
1) Cornelis Floris und die Florisdekoration (Berlin 1913)
S 120.

aantt. bij 162
Zie Grafschr. Gal.k. Lwd. G66 [merk nr. VII] (primitief "B.G.")
zerk voor Hette Dekema + 1522 en Reinsk Camstra + 1549
Lettertype als bij zerk GH HF te Minnertsga
koor
Wommels. Nog een zerk in BG-stijl, volkomen afgesleten; opnieuw gebruikt voor Ds. Nicolaus Nicoaides + 26-4-1762
HvV Fran. No. 7
Rauwerd. Zerk, 253x143, voor Ada Jonghama, + 23-6-1534. Op pilaren: Ao 1536
HvV Fran. No. 8
Wommels. Zerk voor Foekel Laes Jonghamadr., + 11-10-1535, huisvr. van Docko Walta. In onderrand gemerkt: B [merk nr. VIII] G. Op ornament: 15.37 In vovenrand: Ao ETATIS.SVAE.17 (of 47?)
Foto. Franeker. Zerk voor Julius van Bornya, + 13-5-1538, c.ux.
Koor. In bovenrand gemerkt: IB 1539 G; lofwerk

163
Of die I een slecht gehouwen F(ecit) is (zie onder
bij Bolsward VIII en IX), of een werkelijke J of I?
In dit laatste geval, hebhen wij dan met een I(ohan)
B(aptist) te doen, die anders kortweg B(aptist) teekent?
Of is B. G. aan die misvormde letter geheel onschuldig
en moeten wij er een later toevoegsel, een verminking,
in zien? Op geen anderen steen hebben wij ze ge-
vonden.
De steen 169x114 is de 12e in de rij van het koor. Boven,
op den zijkant het teeken [ merk nr. III]. Teekening in het
Friesch Museum 104_14a en b.
IV. Bozum. Van dezen steen ligt een onvoltooide pot-
loodschets in het Friesch Museum 360_4. De namen der over-
ledenen zijn niet ingevuld. Volgens die teekening, staat
boven aan den steen het jaartal 1541; tusschen de figuren
bij de wapenschilden de signatuur B. [merk nr. IV] G. Op ornament: P A
Het origineel is niet te zien. Daar echter de vol-
gende steen aan dezen totaal gelijk is, en Bulk een
herhaling in het bekende werk van B. G. anders niet
voorkomt, ware een onderzoek ter plaatse dubbel ge-
wenscht.
V. Hallum. Zerk voor Pieter van Aylva + 1539 en Rixt
van Abbinga + 1543. Jaarcijfer en signatuur als boven
bij IV is aangegeven. Op ornament: P A
Origineel onder de planken. Teekening in het Friesch
Museum 214_8.
VI. Franeker (Martinikerk). Zerk voor Juw van Dekama
+ 27.10. 1523 en Catharina Hottingha + 15.5. 1539. Bovenaan ge-
merkt: B 1542 G.
In het koor no. 21. Op den bovenzijkant [merk nr. VI].
VII. Bozum. Zerk voor Pier en Werp [van] Walta,
respectievelijk + 2.10. 1540 en 24.1. 1541. Bovenaan gemerkt: B 1543 G.


aantt. bij 163
wapens:
I r. h. Fr. adel.; l. 2 klaverbl.
II dubbele adelaar (boven wassenaar?)
Psal. 84
QVIS.PRCOR.EST.CVI.NÕ
PRAECIDAANT.STAMINA.VERCAE
QVEM.NÕ.CORRIPIAT
MORTIS.AVARA.MANVS
[bij IV:] Foto 1807 Walta; bovenaan [merk nr. VII gespiegeld]; + 1544, 26.3.
[bij V:] Zelfde gedicht maar oningevulde wapens!
Geen psal. 84 op middenstuk
[bij VI:] HvV Fran. No. 9
Witmarsum. Zerk, 271x170, voor Pieter van Aggama, + 24-7-1538, Bauck Syrsma en Inte Eminga; in bovenrand gemerkt: B 1541 G; Foto 1998
[bij VII:] Gen. Jierb. 2 (58), 86
Bozum. Zerk voor Bawck Wnya, + 12-4-1525, vrouw van --, en Jowck Walta, + 24-11-1539, vrouw van Frans Kammingha; 273x160; op bovenzijkant: ...; in bovenrand gemerkt: B 1542 G; Foto 1809

164
Origineel onder den vloer. Afbeelding in Friesche
Oudheden naar teekening in Friesch Museum 360_2.
VIII. Bolsward (Martinikerk). Zerk voor Tjerck van
Walta + 1522 en Ydt Sjaerda + 1543. Gemerkt, onderaan
B 1545 G. Foto 179
Boven de opschriftplaat staat, op den smallen band,
die het zerkveld in tweeën deelt, onduidelijk F(ecit)
[1] 5....3 (?) - Teekening in 't Friesch Museum;
randschrift, jaarcijfer en signatuur weggelaten.
IX. Sexbierum. Zerk voor Jel Hettinga + 1543 en
Bovenaan gemerkt B.G.
Origineel ter plaatse niet gevonden. 1) Teekening in
het Friesch Museum 354_10. De tweede naam, vermoedelijk
van de(n)gene die de zerk besteld heeft, is niet inge-
vuld; maar de bestelling blijkt na 1543 te hebben plaats
gehad en te zijn uitgevoerd; wijl de stijl van B. G.
eerst na 1547 verandert (zie onder bl. 193, vv.) mogen wij
aannemen, dat de steen 250x150 vóór dat jaar gebeiteld werd.
X. Sexbierum. Zerk voor Katherin Eelsinghe + Kerstdag 1542
en Kathrina Eelsma + 24.2. 1565. Geen signatuur. Boven: 1544. Op e banderolle: ALTYT.NERSTICH.STRYT; S van STRYT gespiegeld.
Indien dit de steen is met het jaarcijfer 1544 (zie
noot bij het vorig nummer), dan ligt het origineel nog
goed geconserveerd en zichtbaar in de voorkerk. De
teekening in het Friesch Museum 354_9 draagt echter dit
jaarcijfer niet. Stylistisch behoort deze zerk 226x127 te worden
geplaatst vóór of in 1547.
-----
1) Bijzondere omstandigheden verhinderden ons te Sexbierum
dien tijd aan het onderzoek der zerken te besteden dien wij
wenschten. Zoodoende is het niet mogelijk de onder IX en X
genoemde steenen met die der teekeningen te identificeeren. Het
jaartal 1544 kan ook op no. IX hebben gestaan, en dan zou de
signatuur ons ontsnapt zijn, wat wij toch niet waarschijnlijk
achten. In ieder geval hebben wij twee zerken genoteerd in den
trant van B. G.; één sterk afgesleten, de andere goed geconser-
veerd. Het treinverkeer der laatste maanden heeft een nieuw
onderzoek te zeer bemoeielijkt, om dit vóór den druk dezer blad-
zijden nog in te stellen.

aantt. bij 164
Dokkum. Zerk voor Syttie van Ailwa, + 4-9-1548, en Luts Minnoltsma, + 23-9-1544; boven gemerkt: B 1546 G

165
XI. Bolsward. Zerk voor ..... + 15 . . en Catharina
van Cammingha + 1543. Onderaan gemerkt B 1547 G.
Deze steen komt veel overeen met no. VIII en schijnt .
naar dat model te zijn besteld. De verschillen betref- ,
fen details van geen beteekenis. Overigens ook op
deze zerk een F(ecit) als op de eerstgenoemde. Foto 174.
XII. Jelsum. Zerk voor Juw Rynsma + 16.12. 1543 en Yd
Tiellens + 14.3. 1544. Gemerkt bovenaan B 1547 G.
Origineel niet te vinden. Teekening in 't Fr. Mus. 201_4a
XIII. Hallum. Zerk voor Haring van Sythiema + 22.3. 1557
en Jey Sickinga + 1551. (Andere namen zijn later erop
gebeiteld). Geteekend bovenaan B 1552 G.
Origineel onzichtbaar. Teekening in het Friesch
Museum 214_9a. Volgens die teekening schijnen sterfjaar en
-datum der vrouw ook later ingevuld; doch het jaar-
cijfer 1552 strookt volkomen met het sterfjaar 1551.
XIV. Schettens. Zerk voor Seerp Ockinga er staat: Ockyngha, maar moet zijn Osinga (wapen!) + 1.11. 1551 en
Jel Heerema + 4.11. 1569. Bovenaan de signatuur B 1554 G.
Teekening in het Friesch Museum 404_2; waar echter de
signatuur ontbreekt.
XV. Bornwerd. Zerk voor Frans van Aylva + 25.1. 1563 en
Rixt van Unia + (1606). Bovenaan geteekend B 1565 G.
Onderaan, eveneens buiten de omlijsting, staat: aetatis
suae 50.
Origineel te Bornwerd bij Dokkum, onder een groot
luik, - in stukken. Afbeelding in Friesche Oudheden
naar teekening in Friesch Museum 223_2a. Het lijkt ons zeker,
dat "aetatis suae jo" betrekking heeft op B. G. Het
geboortejaar van Frans v. Aylva [tr. voor 't eerst 1541] is ons niet bekend;
maar al ware dit 1513, dan blijft dit nog vóór onze
meening pleiten, dat de leeftijd der overledenen, als
zij opgegeven wordt, in het grafschrift zelf Wordt ver-
meld, in de omlijsting dus, en in dezelfde letters als
namen en sterfdata. - Rixt van Unia was in 1565
nog niet overleden, blijkens het niet ingevuld sterfjaar;
op haar hebben die woorden dus zeker geen betrek-

aantt. bij 165
Wommels. Zerk voor Johan(na) Walta, + 7-6-1544, huisvr. van Docko Walta; bovn gemerkt: B 1547 G
Leeuwarden, Galil.k. (G74). Zerk voor Ritske Boelema, + 1547; bovenaan gemerkt: B.1548.G
Minnertsga. Zerk voor Frowck Beyama, +28.7.1547, vrouw van Frans van Hermana; bovenaan gemerkt: B 1552 G; 130x230; Foto 138
Deinum. Zerk voor Siuck Feytsma, + 3.11.1549; in bovenrand gemerkt: B 1551 G (G89)
Blessum. Zerk voor Atke Rijnghe (Rinia), + 1.10.1542, huisvr. van Hessel Harmana; in bovenrand gemerkt: B 1551 G; foto Fr. Gen.
Wieuwerd. Zerk voor Douwe van Walta, + 24.10.1549 en (Hylck van Dekema), + 15.9; boven gemerkt: B 1551 G [niet Br]
nog één, ongesign.?
Holwerd. Zerk, overgebeiteld voor de huisvr. van Freerck Jacobs, + 1710, 19 mei; 204x104?; oorspr. Tjessens; boven gemerkt: B 15(5)(0?) G
Holwerd. Zerk, 165x95?, voor Jelto, + ..., dr. van Worp Tjessens?; boven gemerkt: G
Huizum. Zerk voor Hessel van Abbingha, + 15.4.1550, en zijn huisvrouw Jel van Metselwier, + 27.11.1546; boven gemerkt: (B) 1554 G
Leeuw. f2, p. 119: 23 mrt. 1551 Benedictus Gerbandtsz heeft zich borg gesteld voor Frans Aylva te Bornwerd
Leeuwarden, Jacob.kerk. Zerk voor Tyets Heringa + 12.12.1556, hsvr. van Ritske Dykstra; onder in het beeldhouwwerk gemerkt: B 1558 G; foto
Waaxens W.D. Zerk voor Popke Bonge, + 15.1.1540, en zijn dochter Auck Bonge, + 29.11.1558, huisvr. van Sicco Tziessens, enz.; gemerkt: B 1559 G
Warga. Zerk (3,57x2,42 m.) voor Douwo van Jelsama en His van Camstra; gemerkt: B 1555 G (L.Crt. 5.3.1983, p. 10)
Dronrijp. Zerk voor Watse van Ockinga, + 31.12.1575, en Wick van Camminga, + 21.7.1598; in benedenrand gemerkt: B 1572 G

166
king. Intusschen zouden wij gaarne ook haar geboorte-
datum kennen. Wie kan ons hier den weg wijzen?
Bij deze lijst is op te merken, dat de twee eerstgenoemde
steenen stylistisch aan B. G. (of diens atelier) toebehooren,
zóó duidelijk, dat wij die in de lijst zijner werken moeten
opnemen, zoolang ons uit dien tijd geen andere beeld-
houwer bekend is, die zulk werk leveren kon. En wij
zetten ze vóór den steen van 1539 (no. III) omdat, ofschoon
het jaar, waarin de zerk geleverd werd, doorgaans ver-
schilt van de sterfjaren die erop vermeld staan, de afstand
tusschen 1533 en 1539 toch weer groot genoeg schijnt, om
de vervaardiging van 1 en II vóór dit laatste jaar te onder-
stellen. Wij dateeren ze dus voorloopig + 1535. - Verder
is de lijst ver van volledig. Op verschillende plaatsen in
Friesland zagen wij steenen, geheel in den trant van B.
G.'s zerken bekapt, maar die zonder signatuur of jaarcijfer
en bovendien zóó afgesleten of geschonden waren, dat wij
ze als materiaal niet konden gebruiken. Vooral tusschen
de jaren 1547 en 1568 moeten, ook om stylistische redenen,
zooals later zal blijken, meer steenen door B. G. gebeiteld
zijn, dan de eenige ons bekende van 1552 en 1554. (Zie
bl. 194 en 195).
Een enkel woord over de merken op de steenen.
Wij vonden op de eerste zes:
no. I: .....; no. II: .....; no. III: ..... = no. I;
no. IV en V: .....; no. VI: ..... = no. I en no. III.

De beide eerste steenen dragen geen signaturen van B.G.
De andere wel. Nochtans verschillen de merken op IV en
V met die van III en VI, welke beide met no. I overeen-
komen. No. II wijkt van de vijf overige af. Aan een vast
B.G.-merk is dus niet te denken. Ook kan men niet zeggen
dat, gelijk b. v. later in het zilverwerk, ieder jaar een eigen
letter had, zóó, in het steenhouwersvak, ieder jaar zijn
eigen merkteeken; want III en VI zijn in verschillende

aantt. bij 166
Leeuwarden, Galil.k. (G91) priesterzerk, bovenaan gemerkt: B. 15.. .G
Hilaard. Zerk voor Laes van Heringa + 1571, boven gemerkt: B 15.. G


167
jaren gemaakt. Misschien had in B. G.'s werkplaats de
meester zelf en ieder der leerlingen een eigen merk, zoodat,
als wij b.v. ..... als het teeken van B. G. zouden aan-
nemen, de overige steenen wel door hem ontworpen en
geretoucheerd, maar door leerlingen uitgevoerd zouden
zijn. 't Ware de moeite waard dat verder te onderzoeken;
doch, voorzoover de steenen nog zichtbaar zijn, liggen ze
grootendeels met den gemerkten rand in den grond;
zoodat wij verder ook geen merken meer opgeven.

Vincent Lucas.
Deze beeldhouwer, een jonger tijdgenoot van B. G. is
niet zoo overbescheiden en noemt ons ten minste zijn
naam. De steenen, met dien naam voluit of met de initialen
gemerkt, dateeren van 1550-1565. Kramm vermeldt eenige
Lucassen (IV 1016, v.v.) maar geen Vincent; Nagler eenige
V. L.'s (n.n. 1262-1273) maar geen enkele hunner kan
onze Vincent Lucas zijn. Ook Wurzbach brengt geen licht;
en de archieven zwijgen tot heden evenzeer over Vincent
Lucas als over B. G.
Misschien is er toch iets te zeggen. Het Franeker H. S.
van 1678 noemt op bl. 9 een grafsteen met den naam erop:
Vincent Lucas; achter dien naam een soort vraagteeken,
(duidelijk is het niet, noch of het soms van latere hand is)
en daarachter het jaartal 1567. Is dit de grafsteen en het
sterfjaar van onzen beeldhouwer? Opmerking verdient,
dat in het register nergens een datum wordt genoemd,
tenzij hier; en het lijkt ons door andere hand geschreven
dan de naam.
Een tweede gegeven, dat bij verdere nasporingen wel-
licht een weg kan wijzen, biedt de preekstoel te Sneek.
Blijkens inschrift is die vervaardigd in 1626 door zekeren
Bartel Wincents. 1) Een zoon van Vincent?
-----
1) Op de preekstoel staat: Bartel Winsents hefte - 't ge-
mackt Anno 1626.

aantt. bij 167
* ca. 1460 Gerbren beeldesnijder
aanbreng 1511, won. Minnema-espel; tekent 18.11.1527 obligatie
huis 18.3.1534 in test. Pieter Johansz. Auckama
x Dieuwer, weduwe 1537, 1538 (recesboek Lwd. p. 1)
* ca. 1490 Lucas Gerbrantz., beeldsnijder/hardhouwer, ca. 1518 in kerkrekening Bozum
Lucas, beldensnider van Groeninghen, 1537 burger van Emden
recesboek Lwd. 1538 (handt. 3-10)
weesvoogd Lwd., + vóór 1558
x Trijn, wed. 1578
1098: 1586 Tryn Vincentsdr. weduwe Jan Tysz.
* ca. 1525 Anna Lucasdr. x Adr. v. Cronenburch
Thonis Lucasz. 1541
Vincent Lucasz. + vóór 1578
Judith Vincentsdr. x Thonis Jansz.
broer van Judith + vóór 1578

Vincent Lucasz. 8 febr. 1556 burger van Franeker, genoemd aldaar 1557-'65
x 1? Jel, genoemd Franeker 1560
x 2? 1563/5 Fokel Luytiensdr., dr. van Luytien Tijmens en Meynts Claesdr.
Zie: D.J. van der Meer, Vincent Lucasz., in Geneal. Jierb. 1957, p. 39-41

168
Zeker is wel, zooals later zal blijken, dat deze beeld-
houwer omstreeks '50 met B. G. in enge connectie is ge-
weest; en wij vermoeden op dien grond en om de topo-
grafie zijner zerken, dat ook hij in of bij Franeker heeft
gewerkt. Wij kennen van hem eveneens een twaalftal
steenen.
I. Franeker. Zerk voor Atke Heerema + 2.6. 1533 koor?; Lutz Hoxwier + - vr. v. Hector van Hoxwier
. Bovenaan gemerkt V. L. Geen jaarcijfer.
Het orgineel staat in het koor, de vijfde in de rij.
Luts Hoxwier's sterfjaar is niet leesbaar; waarschijnlijk
zal het vóór 1533 zijn, het sterfjaar van Atke Heerema.
En omdat wij vóór 1547 geen werk van Lucas ont-
moeten - in jaren niet - zetten wij dezen steen
vooraan in de lijst, voorloopig aannemend, dat hij
vóór 1547 is gebeiteld.
II. Deinum. Zerk voor Rioerdt Feitsma + 18.10. 1556 en
Tyemck Eminga tot Syrd + 22.10. 1529. Gedateerd 1547. Geen
signatuur.
Waarom deze zerk aan Vincent Lucas moet worden
toegeschreven, zal blijken bij de studie van B. G. (bl.
198). Orgineel tegen den wand der kerk. Teekening
in 't Fr. Museum.
III. Nijland. Zerk voor Sydts van Botnia + 4.1. 1548 en
Bauck van Camstra + 8.3. 1547. Gemerkt, bovenaan, V. 1550 L.
Orgineel niet zichtbaar. Teekening in Fr. Mus. 424_7
IV. Blija. Zerk 303x161 voor Janke van Unema + 13.11. 1540 en Tet
van Wyboltsma + 2.10. 1532. Bovenaan: 15 Vincent Lucas 52.
Orgineel onzichtbaar. Afb. in Fr. Oudh. naar teeke-
ning in Fr. Mus. 211_2. Foto
V. Ameland (Ballum). Zerk 380x230 voor Witzo van Cammingha +
1552. Bovenaan: Vincent Lucas; geen jaarcijfer.
Het orgineel hebben wij niet bezocht; maar het is
zichtbaar en in goeden staat. Teekening in het Fr. Mus. 584_8
Wij plaatsen deze zerk voorloopig tusschen 1552
en 1555. Voorl. lijst: 1556.


aantt. bij 168
Tyrsting (Denemarken) Alabaster reliëf (laatste oordeel) 87x58 cm.; onderaan: VL / 1551; DVFries 76 (1996) 75-85
Uttum (O.Fr.) Zerk, 311x165 cm., voor Aeildt Vrese, + 2.8.1542; dodendans (1548); bovenaan gesigneerd: VL
Hinte (O.Fr.) Zerk, 257x144 cm., voor Evlke Ripperda, + .3.1547; dodendans; bovenaan gesigneerd: VL
Berlikum. Zerk, ... voor Tjerck van Heerma, + 6.6.1655, en Lucia van Walta, + 10.10.1619; boven gemerkt: 15 V [merk nr. IX] L 47; v.d. Meer
Burgwerd. Zerk, ?x171, voor ??, + 13.12.1535, c.ux.; grotendeels bedekt; bovenaan gemerkt: V 1550 L; op de Ockinga-grafkelder, zie Voorl. lijst

169
VI. Oenkerk. Zerk voor Aede Eysinga + ? 14.9. 1551 en Tzied
Juckama + 14.9. 1545. Bovenaan signatuur noch jaarcijfer: Vincent ......
Wij schrijven dezen steen aan V. L. toe om de over-
eenkomst met de beide voorgaande en dien te Hallutn
voor Ruurd Scheltes v. Aebinga (no. XII). Met het
oog op de sterfjaren, kan deze zerk eveneens nog
v,óór 1555 zijn gehouwen.
Origineel zeer afgesleten; teekening in 't Friesch Mus. Foto 1673
VII. Franeker. Zerk voor Gerardus Agricola + 1598.
Bovenaan gemerkt: 1555 Vincent 1555 Lucas.
Deze steen staat in het koor op de negende plaats;
teekening in 't Friesch Mus. Op bovenzijkant: [merk nr. XIII].
Op geen andere grafsteen is de afstand tusschen
sterfjaar en jaar van vervaardiging zoo groot. 1599 gekocht voor XL gld. Na de dood van GA als nieuwe steen aangekocht; zie boek van Hallema over Klaarkampster weeshuis p. 31 en 40.
Wij hebben van Agricola niet kunnen vinden, dat
hij reeds in '55 abt of prior van Klaarkamp was; en
alleen in die qualiteit, dunkt ons, kon hij zelf bestellen. 1)
VIII: Franeker. Zerk voor Jarich van Dekama + 23.4. 1553
en Catharina van Camstra + 3.4. 1584 (!). Bovenaan 15 Vincent
Lucas 54 [merk nr. X].
De 16e steen in de rij van het koor. Teekening
Fr. Mus. 104_19
IX. Franeker. Zerk voor Menno van Cammingha +
25.1. 1571 en [Luts van Heerema]. Nauwelijks nog leesbaar,
staat bovenaan [15] Vincent Lucas 56 of 50.
De 24e in het koor. Teekening in 't Fr. Mus.
X. Leiden (Pieterskerk). Zerk 340x225 voor de heeren van Adri-
chem c. s.; Floris + 1529; Jan + 1572; Johanna + 1551;
Floris' vrouw, Maria v. Poelgeest + 1527; Jans vrouw,
Magdalena van Hottinga + 1555. Bovenaan gemerkt 15
Vincent Lucas 56.
-----
1) Wij vestigen de aandacht der beoefenaars van Friesche
geschiedenis op no 229 der Cistercienser-chronik, 1 Jan. 1914;
(Bregenz. J. N. Teutsch) waarin Klaarkamp en Bloemkamp uit-
voerig worden behandeld op grond van het tot heden bekende
materiaal.

aantt. bij 169
Dronrijp. Zerk voor Lollo van Ockinga, + 20.9.1520, en Aelcke van Hermana, + 4.10.1556; in de bovenrand gemerkt: 15 VINCENT ... Ao 52
R.E.O. Ekkart, Een 16de-eeuwse Friese grafzerk in Leiden. Antiek XXIX/3 okt. 1994, 20-27

170
De zerk staat tegen den achterwand van het acade-
miegebouw. Teekening op 1/9 der grootte in het Leidsche
Stadsarchief. 1) Dat Jans vrouw een Hottinga was,
verklaart de bestelling van den steen bij een in Fries-
land gevestigden beeldhouwer.
XI. Wirdum. Zerk voor Witze Riencks van Camstra +
1555. Bovenaan: 15 Vincent Lucas 58.
Origineel niet te vinden. Afbeelding in Fr. Oudh.
volgens teekening in 't Fr. Mus. 207_53
XII. Hallum. Zerk van Ruurd Scheltes van Aebinga +
1559 "ende syn wyf Ydt v. Dekema" Bovenaan het jaarcijfer 1555.
Op den rechter piedestal leest men: Lucas; op den linker
heeft wel Vincent moeten staan. Voorl. lijst 1565.
Origineel niet te zien. Teekening in 't Fr. Mus. 214_14a
XIII. Franeker. Zerk voor Hero van Ockinga + 1587
en Anna van Dekama + 29.6. 1563. Bovenaan gemerkt V. L.
(de V. niet duidelijk meer). Geen jaarcijfer.
Het is de zesde steen in de rij van het koor. Wij
meenen hem deze plaats in de chronologische lijst
te mogen geven; daar de zerken veelal na den dood
van de(n) eerstoverledene der echtgenooten besteld
werden, zal deze steen niet lang na 1563 gebeiteld zijn
en dus chronologisch niet ver van den vorigen af-
staan. Teekening in 't Fr. Mus.
Ook deze lijst is niet volledig; zoo ligt er te Franeker
aan de zuidzijde van het koor bij de absis nog een steen,
waarop wij nog flauw 15 Vincent .... aan den bovenrand
konden bespeuren, doch die zóó afgesleten was, dat hij
ons van V. Lucas' ornament toch niets zeggen kan. Wel-
licht ontdekt iemand op zijn tochten door de provincie
betere exemplaren, die ons ontgaan zijn; 2) tusschen Wir-
-----
1) Vriendelijk ten gebruike afgestaan door den heer P. M. J.
Van Oerle, hoofdopzichter der onderwijsgebouwen te Leiden.
2) Het Fr. Mus. bezit een teekening der zerk voor Frauck
Jarichsdr. van Hottinga + 1426, gemerkt Vincent ______;
het origineel moet in de Franeker kerk te vinden zijn, doch wij
zagen het niet.

aantt. bij 170
? Witmarsum. Op plaats van signatuur beschadigde dubbele portretzerk, voor Epo van Aelwa + 1557 en Aucke van Sickama + 1575; foto 1974
Franeker. Zerk voor Goffo van Roerda, + 23.4.(1559?); bovenrand: V? L?
Franeker. Zerk voor Lutz Stanye (+ 3.6.1559), vrouw van Jarick van Botnya; bovenaan gemerkt: 15 Vincent Luc.. ..; met charitas; HvV Fran. No. 25
Sneek. Zerk voor Frans van Roorda, + 20.10.1553, en His van Skjaerdema, + 25.5.1555(of 9?); bovenaan gememrkt: 15 Vincent Lucas 60; Belonje 3e ed. p. 77 afb. 26; foto Fr. Mus. 133_8
Sneek. Kinderzerkje voor Imck Douwesdr. van Roerda, + 15.12.1558; bovenaan gemerkt: 15 Vincent Lucas 60
Franeker. Zerk (154x129) voor Frouck Jarichsdr. (van Hottinga), + 1493910, tweede vrouwvantjalling van Botnia; boven gemerkt: Vincent 1561 Lucas; HvV Fran. No. 16; tek. Fr. Mus. 104_9; Foto 702
Bolsward. Zerk voor Tiaerdt van Jongema, + 1557?, c.ux.; portretten, charitas; boven gemerkt: 15 Vincent Lucas 6.; Foto 173
Minnertsga. Zerk voor Hessel van Hermana, + 8.2.1561; dubbele portretzerk; bij de kerkbrand zwaar beschadigd; boven gemerkt: .. ...NCENT LVCAS 6.
Aldaar nog een VL, in vele kleine stukken, met jaartal 155.; Foto

171
dum, 1558, en Hallum, 1565, liggen zeven jaren! De steenen
te Blija, Hallum en Ballum (Ameland) vertegenwoordigen
een eigenaardig soort; de figuur van een Friesch edelman
staat er in volle rusting, ten voeten uit, in vrij-hoog relief
op uitgebeiteld. Men denkt daarbij aan de zerken te Fra-
neker voor Raast en Jan Vervou (+ 1568 en 1580), te Mant-
gum voor Seerp Galama (+ 1584); doch deze zerken ver-
toonen een geheel ander ornament rondom de figuren dan
de eerste drie. 1) Andere steenen, als die voor Haye Hol-
dinga + 1557 - (eertijds?) in de groote kerk te Leeuwarden 2)
- komen stylistisch, met dien te Nijland en te Deinum
overeen. Voorloopig achten wij het veilig niet méér te
doen dan dit te zeggen.

Pieter Dircks.
Met dezen naam of met de initialen P. D. zijn ons een
vijftal zerken bekend, dateerende tusschen 1561 en 1599.
Deze beeldhouwer heeft dus B. G. en Vincent Lucas nog
gekend; een nauwer betrekking durven wij nog niet be-
vestigen. Personalia ontbreken. De Dirksen, Dircksen,
Dirkszen enz. bij Kramm en Wurzbach raken onzen Pieter
zeker niet onmiddellijk. Wij kunnen daar nog een Peter
Dyrcksz bijvoegen, dien S. Muller in het Buurspraakboek
-----
1) Het jaar 1567 als Lucas' sterfjaar ondersteld, zouden die
twee steenen ook lang voor het overlijden van Raast Vervouw
en Seerp Galama moeten uitgevoerd zijn. Op zich zelf is dit
geen bezwaar om ze aan V. L. toe te schrijven, zooals blijkt uit
de zerk van Agricola die in 1555 door V. L. geleverd is, terwijl
Agricola pas in 1598 overleed. Bovendien staat op den steen
te Mantgum een signatuur, die wij op de litographische reproductie
der teekening niet kunnen ontcijferen (origineel is niet te genaken),
doch die allerwaarschijnlijkst niet in een V. L. is op te lossen.
2) Origineel niet kunnen vinden. Teekening in 't Fr. Mus.
Wel vonden wij een steen voor een Hero van Ockinga (zie bo-
ven no XII) zeer afgesleten, doch bepaald Friesch werk. De
bovenrand, die de initialen of den naam en het jaarcijfer kon
dragen, ligt juist onder het houten beschot, dat het koor van het
schip afsluit.

aantt. bij 171
P.D., zn. van Dirck Lieuwes; vgl. def. sent. 12.7.1603, O 10; steenh., gezw. landmeter en burger (1599)
x 1. Magdalena Willems
x 2. Anna Albertsdr.; wed. 1603 (787/1603), 1612 (1571/1612)
Pieter Dirks, hardhouwer. bel. huis Gr. Kerkstr. 1594 gekocht door zijn oomzegger Dirk Lieuwes, hardhouwer (1846/1594), ook al 1591 (1545/1591), 1578 (1975/1578)
gezworen landmeter
monument voor Anna van O-N (+ 1588), vr. van Willem Lodewijk, in Gr. Kerk Lwd., gehouywen door Dirck Lieuwes

172
van Utrecht ontdekte 1) waarin hij Ao. 1466 staat vermeld.
Maar het nieuwe Künstlerlexicon van Thieme-Becker noemt
onzen beeldhouwer, en weet, op gezag van duitsche arche-
ologen, van hem te vertellen, dat in den Dom te Bremen
eertijds een grafsteen lag, waaruit bleek, dat P. D. wellicht
van hollandsche (?) afkomst was! 2) - Zijn atelier blijkt wel
in Friesland geweest te zijn, misschien weer in of bij Fra-
neker. Wij noteerden:
I. Deinum. Zerk voor Hessel van Feitsma 11.4. + 1557 en Luts
van Mellema + 25.10. 1580. Bovenaan gemerkt P 1561 D.
Origineel tegen den muur der kerk. Teekening in
het Friesch Museum 327_7. Grafschr. Men.deel G86, p. 56/7 ill. t/o p. 64.
II. Boxum. Zerk voor Worp van Juckama + 9.2. 1560 en
Anna v. Mockema + 5.12. 1585. Bovenaan: P 1561 D.
Origineel onzichtbaar. Teekening in het Fr. Mus. 326_8
III. Hallum. Zerk voor Gabbe van Scheltema + 1558
en Tets van Ydtma Ythiema + 1561. Gemerkt bovenaan: P. 63 D.
Origineel onzichtbaar. Afbeelding in Fr. Oudh. vol-
gens teekening in 't Fr. Mus. 214_12a
Nog één aldaar? Wytzo Oetsma (Juckema) + 1565 niet gsigneerd
IV. Leiden (Pieterskerk). Zerk voor Claes Alewyn + __
en Anna v. d. Hooghe + 1558. Bovenaan [15 Pieter]
Dircks 63.
15 Pieter en het sterfjaar van Claes Alewyn is niet
meer te lezen. De stijl laat geen twijfel aan een
friesch atelier over; doch zijn aanwezigheid in Leiden
kunnen wij niet verklaren; is een van beide echtge-
nooten van friesche herkomst of met friesche familiën
verbonden?
Een slechte teekening van dezen steen, zonder ver-
melding der signatuur, in R. J. F. C. Kneppelhout:
-----
1) Bull. Ned. Oudhk. Bond I, blz. 214.
2) E. W. Moes, die voor de vermelding van Pieter en Jellis
Claes in dit standdaardwerk zorgde (zie onder), kon die duitsche
archeologen "des Besseren belehrt" en een stukje grond voor
Nederland in de kunstenaarswereld veroverd hebben.

aantt. bij 172
Jorwerd. Zerk voor Hocko Fons 1558 (Voorl. lijst, Kunstreisb.)
Leeuwarden. Memoriesteen kanselarij 1571 (45 gld)
Wanswerd. Zerk voor Sipt Ghoslingha, + 7.6.1561, en Paesck (Bauck?) Zyaerda, + 7.6.1561(!); schikgodinnen, all.wapen; boven gemerkt: P D; onder: 1562; Friesch Dagblad 1.7.'82, 19
Harlingen. Zerk voor Aefke Sibrandtsdr., + 6.9.1562, huisvr. van Anne Claesz.; boven gemerkt: P D

Mon. Ferw.deel p. 154, ill. p. 187

173
De gedenkteekenen in de Pieterskerk te Leijden. 1), no. 7.
V. Ternaard. Zerk voor Ernst van Aylva + 1627 en
IJdt van Heerema + 1596. Onderaan gemerkt Pieter Dirkx
1599.
Teekening in het Friesch Museum.
Van deze lijst geldt hetzelfde als van de beide vorige,
de afstand van 1563 tot 1599 is te groot. Wel laten meer-
dere niet gemerkte steenen het auteurschap van P. D. ver-
moeden, doch zonder meer gegevens durven wij ze niet
in de lijst opnemen. Dat intusschen ook te Bremen een
door P. D. gemerkte steen lag, doet den wensch opkomen
dat men in Oost-Friesland eens rondzie.

De Claeszen.
Onder dezen gemeenschappelijken naam zetten wij vier
beeldhouwers, waarvan eventueele nadere betrekkingen
door latere archiefvondsten moeten vastgesteld worden.
Wij kennen als beeldhouwers van zerken in Friesland:
Claesz Jansz, Claes Jelles, Pieter Claesz en Jillis Claesz.
Van de beide laatsten vond Dr. Wumkes belangrijke bij-
zonderheden in het Leeuwarder Archief, die wij aanstonds
zullen meedeelen. Wij vestigen vooraf de aandacht op
een aantal Claeszen, die allemaal aan skulptuur doen en
mogelijk met de Friesche Claeszen in eenig, nog te ont-
dekken, familieverband staan. Een Cornelis Claesz (Claes-
sone) sneed in 1457 de Koorstoelen der Hyppolituskerk
te Delft.2) Claes Claesz komt in de oorkonden als beeld-
houwer te Gouda voor in 1491 en 14953); Gerrit Claes
-----
1) Leiden, 1864. Van meer waarde dan Van der Lely's ver-
zameling, wat den tekst betreft; doch altijd onbetrouwbaar in de
teekeningen.
2) E. Marchal: La Sculpture et l'Orfèvresie belges, pag. 217,
bij Thieme-Becker l.c. - (Marchal's gezag noopt tot eenige
reserve).
3) Obreen's Archief III. 2. (Ibid.)

aantt. bij 173
Bremen (raadhuis of Dom?). Zerk voor Sixtus à Donia; gemerkt: P D 1594 (zie Vr. Fries 1853, p. 379); Thieme-Becker IX (1913) 325

174
wordt in 1535 als beeldhouwer te Haarlem vermeld;1)
Harmen Claes werkt in 1597 onder Luder van Bentheim
aan het Leidsche Raadhuis. 2) Eindelijk is een Aris Claesz
in 1633 meester Steenhouwer te Amsterdam, 3) en een
Harmen Claes in 1654 stadsbouwmeester te Groningen. *)
Van Pieter en Jelle Claes, waarschijnlijk broeders, weten
wij iets meer. Het puiboek van het Leeuwarder Archief
vertelt, dat aan "Pieter Claes antycksnijder, geboortig van
Franeker, ende Tial Eedesdchr, geboortigh binnen deser
Steede [Leeuwarden] syn gegundt de proclamaties hunner
echte 1609". Die proclamaties zijn, blijkens het Trouw-
boek, geschied: 30 Juli, 6 Augustus en 13 Augustus; de
datum van het huwelijk zal dus tusschen 13 en 20 Au-
gustus 1609 liggen. Volgens het Burgerboek is Pieter in
-----
1) V. d. Willigen: Artistes de Harlem p. 46. (Ibid; aldaar ook
in 1520 en 1535 een Jan Claesz.)
2) Bull. Ned. Oudh. Bond, 1908, bl. 18. Thieme-Becker 1. c.
noemt verkeerdelijk het Delftsche raadhuis.
3) Zie Weissman in het tiende jaarboek (MCMXII) der Vereeni-
ging Amstelodamum: Een Amsterdamsch kunstwerk te Lübeck.
Deze Aris Claes brengt ons in kennis met Pieter Adriaensz van
Delft en zijn drie broeders Claes, Harmen en Dirck, die, volgens
Weissman, allen leerlingen van De Keijzer zijn geweest. Pieter
neemt, blijkens het leerlingenregister van het Amsterdamsen Bar-
baragild, in 1610 als leerling aan "Pyter Aryans van Syxbyrum
in Vrieslandt" en in 1612 "Arent Aryens van Sixbierum in Vries-
landt". Deze Arent, zegt Weissman, was blijkbaar een broeder
van den vorigen leerling, en "vermoedelijk evenals hij aan den
meester verwant". Is dit vermoeden juist dan zijn die vier broe-
ders Adriaens (Adryans heet Pieter in het register) ook van
Friesche origine. Hun werkzaamheid bepaalde zich niet tot Am-
sterdam. Pieter en Claes werkten in 1613 aan de Boterwaag in
Nijmegen; Claes in 1612 met De Keijzer aan de bekroning der
Lebuinuskerk te Deventer: Aris, een zoon van Claes, teekent
met zijn oom Pieter een contrakt :in 1633, over het vervaardigen
van een grafmonument in Lubeck.
4) Galland S. 316, bij Th. B. l.c.



Afb. 5. Zerk te Deinum voor Ruurd Feitsma + 1556. Gemerkt met het jaarcijfer 1547. (blz. 198.)

175
het volgend jaar "burger geworden in Leeuwarden", waar
hij - zooals uit het Gildeboek blijkt - den 12en Novem-
ber nog de meesterproef aflegde en den 16en d. a. v. "voor
meester harthouwer" is aangenomen.
Jelle werd in 1614 burger van Leeuwarden (Burgerboek).
Datzelfde jaar, 9 Juli, verscheen "voor politiemrs sampt
olderman en de Ceurmeisters van het metzelers en hart-
houwersgilde in persoon Jelle Claeszn van Franequer,
Mr. steenhouwer; ende voor meester steenhouwer by het
gilde aangenomen, naedat hy den 8en July den behoori.
proeff hadde gedaan met expresse belofte omme voorsz.
proeff geduyrende de tegenwoordige oldemans enz. uyt
d' hant te sullen doen". (Gildeboek).
Jelle blijkt dus reeds in Franeker als Meester erkend te
zijn geweest, en voor het Leeuwarder gilde een nieuwe
meesterproef te hebben afgelegd. De proef is bij hem
evenmin als bij Pieter nader omschreven; zij moest "uyt
d' hant" gedaan worden; hoe dit precies dient begrepen
te worden is ons niet duidelijk.
Met betrekking tot deze Franeker Claessenfamilie ver-
melden wij nog, dat wij in het HS. van het Franeker
archief, bl. 59, onder no. 94 opgeteekend vonden de graf-
zerk van Claes Claessen: "Ao. 1545 de 4 September sterf-
den eersamen man Claes Claessen, hier begraven".
Thans volgen de ons bekende grafsteenen die met hun
naam of initialen zijn gemerkt:

Claes Jansz.
Beers. Zerk voor Hessel Ipma + 24.10. 1557 en Syts Hessels
+ 27.6. 1561. Signatuur bovenaan: Claes Jansz. Een jaarcijfer
hebben wij niet ontdekt.
Origineel gedeeltelijk onder dorpel en deur van het
torenportaal. Teek. en 't Fr. Mus. 359_4

Claas Jelles.
I. Franeker. Zerk voor Rienck van Camminga + 8.3. 1598.
Met caritas. Foto 700.

aantt. bij 175
Claes Jellesz., hardhouwer te Franeker, + 4.1.16.., begr. Martinikerk, tr. 1. Siuock P...dr, + 28.2.15.., begr. Martinikerk; tr. 2. (ondertr. Lwd. 14-10) 1598 Maycke Dominicusdr..
Jelle Claesz., geb. Franeker ca. 1585, 1614 burger van Lwd., 1617 stassteenhouwer, 1624 burger-hopman, 1629 gew.-provoost, + vóór sept. 1635, tr. Jancke Schotanus
Pieter Claesz., geb. Franeker, antieksnijder en hardhouwer te Lwd., 1610 burger, + 1630/'31, tr. 1. (otr. Lwd. 29-7) 1609 Tialcke Eededr.; tr. 2. Lwd. 27.2.1614 Machtel Ariensdr., die 20.7.1632 hertr.
Franeker. Zerk voor Johannes Gerritz. Fogelsang, + 15.7.1573, c.ux.; bovenrand: C.Y; bovenzijkant: ...; HvV Fran. No. 26 (+ afb.); Foto 700

176
Gemerkt bovenaan: Claes 16 02 Jelles. Later herbruikt
voor de familie Brouwer-Jakles.
De steen staat op de twintigste plaats in de rij van
het koor. Teekening in het Friesch Museum 104_30.
II. Deinum. Zerk voor Ofko van Feytsma + 1613 en
Homme van Kamstra + 9.2. 1579 en Siouck van Lijaukema + 16.4.1599. Bovenaan 16 Claes + Ielles 05.
Origineel tegen den wand. Teekening in Fr. Mus. 327_8
III. Hennaard. Zerk voor Ruurd van Roorda + 26.12. 1576
en zijn vrouw Doutzen van Sassinga + 21.8. 1585. Bovenaan
16 Claes Jelles 05.
Teekening in het Friesch Museum.
Als wij de vervaardiging van den steen te Beers
door Claes Jansz. in de zestiger jaren zetten, dan ligt
er tusschen dezen beeldhouwer en Claes Jelles de
leeftijd eener generatie. Met Cl. Jelles komen wij in
de XVII eeuw.

Pieter Claes.
I. Schettens. Zerk voor Janke van Osinga + 8.6. 1583 en
Tiempck van Humalda + 26.5 1575. Onderaan gemerkt P * C. kroontje tussen initialen
Geen jaarcijfer gevonden.
Daar Pieter eerst in 1610 als meester wordt aan-
genomen te Leeuwarden, zal, tenzij ook hij vóór dien
tijd in Franeker reeds meester was, de steen niet
vóór 1610 gemerkt en vervaardigd zijn. Afbeelding
in Fr. Oudh. naar teekening in het Fr. Mus., waarop
echter de signatuur ontbreekt.
II. Witmarsum. Zerk 233x133voor Aelff van Aggama + 27.1. 1572
en Syt van Aggema "syn suster" + 4.2. 1587. Bovenaan ge-
teekend P * C. Geen jaarcijfer.
Teekening in het Fr. Mus. 407_8. Foto 1984. - Nopens de dateering
zie de aanmerking bij het vorig nummer.
III. Weidum wellicht vergissing vgl. aant. op tek. 360_5 en 369_11a. Zerk voor den hopman Titus van Hanngk
+ 1605 en Bets van Osinga + 16--. Bovenaan: P 1612 C.
Origineel niet te zien. Teekening in het Fr. Mus.
Blijkens een andere teekening aldaar moet er te

aantt. bij 176
Franeker. Zerk, overgebeiteld? voor Prof.Dr. Nicolaus Arnoldi, + 15.10.1680, enz.; bovenrand: C..ES .....S
Minnertsga. Zerk voor Atte van Farnya, + 9.10.1569, en Ansck van Roorda, + 2.12.1588; bovenrand: 16 CLAES * JELLES 02; zie Fr. Volksalm. 1892, p. 182
Franeker. Zerk, gebruikt voor Maria Verkindert, + 15.3.(1606?), huisvr. v. Paulus Ghemmenig; bovenrand: 16 C I 05
Franeker. Zerk, overgebeiteld voor Ds. J.J. Scheltema, + 18.8.1694, enz.; bovenrand: C I
Schettens? Paneel met gesneden wapens Osinga en Aggama, 1619; Versl. 1942 Fr. Gen.
Oldeboorn. Zerk voor Idtke Regnaerda + -.8.1605, hsvr. van Jelle van Andringha + 30.9.1612; bovenaan gemerkt: (P?) C

177

Bozum een gelijke steen liggen (vgl. B. G. no. IV)
alleen het randschrift verschilt: terwijl volgens de
zerk in Weidum Titus in 1605 sterft en Bets hem
overleeft, is, volgens den steen te Bozum, Bets het
eerst gestorven en bleef Titus als weduwnaar achter.
Daar een onderzoek in loco zoowel te Bozum als te
Weidum tot de pia vota behoort, staat alleen dit
zeker, dat Pieter Claes in 1612 een zerk geleverd heeft,
met het beeld van genoemden hopman; want dit staat
op beide teekeningen. Op gezag van een dier twee is
Pieter Claes en zijn steen te Bozum door E. W. Maes
aan Thieme-Becker opgegeven (zie Jelle Claes no. II).
IV. Weidum. Zerk voor den hopman Viclus [Vtglus =
Viglius?] van Hannya en Aelke van Scheltema. Geen
signatuur en geen jaarcijfer.
Wij kunnen echter tijd en maker op goede gronden
onderstellen. Daar de sterfjaren niet zijn ingevuld is
de steen besteld en geleverd tijdens het leven van
beide echtgenooten, en wel - dat is duidelijk -
volgens model van den vorigen steen; want alleen de
opschriftplaten geven een klein verschil te zien. Die
bestelling zal dus aan denzelfden beeldhouwer gedaan
zijn, en door hem in 1612 of kort daarna zijn uitge-
voerd. Om deze reden nemen wij dezen steen onder
de werken, van Pieter Claes op, en op deze plaats in
de chronologische orde. - Teekening in het Friesch
Museum.
V. Schettens. Zerk voor Sybrand van Osinga + 7.11. 1623
en Atke van Aggema + 16.5. 1619. Bovenaan het jaarcijfer 1621;
onder de beelden en boven de cartouche staat in schrijf-
letters: Pieter Claes Antick.
Origineel, zooals alle hier genoemde steenen uit
Schettens, in het middenpad tusschen de banken. Afb.
in Fr. Oudh. naar teekening in Fr. Mus. 114e jaarversl. Fr. Gen., t.o. p. 8.

Jelle Claes.
Zijn steenh.merk [nr. XI] in stadhuis Franeker.
I. Franeker. Zerk voor? - Herbruikt voor de familie

aantt. bij 177
Kollum. Zerk voor Hessel van Meck(a)ma(ns), + 17.9.1612; bovenaan gemerkt: 16 PIETER CLAES 15; Monumenten N. Oostergo p. 54, ill. p. 91
Beetsterzwaag. Zerk voor Hepko Fockens, + 29.3.1614; bovenaan gemerkt: P <> C <>
Schettens. Zerk voor Anna van Osinga, + 20.5.1613; gemerkt: P C A
Schettens. Zerk voor Tialck Dowedr. Poppema, + 31.3.1619, huisvr. van Siourdt Tiercks Hoitinga; gemerkt: P C A
Beetgum. Afwerking epitaph Johan O. baron thoe Schwartzenbergh, + 1584; na den dood van Dirck Lieuwes; Gen. Jierb. '57, p. 28

HvV Fran. No. 20

178
Prof. Joh. van der Waeijen + 9.12.1716. Bovenaan staat Ielle 16(17?) Clases.
De twee laatste cijfers niet meer leesbaar. De spel-
ling van den naam kan niet verwonderen. In het
Leeuwarder Archief vond Ds. Wumkes zijn naam een-
maal als Jelles Claessens (18 Nov. 1623) en viermaal
als Jelle Claessens (10 Nov. 1627; 11 Nov. 1629; 27
Nov. 1630; 26 Juli 1631). Zie no. II. De steen is de
elfde in het koor.
II. Sexbierum. Zerk voor Tjaling van Camstra + 1614
en J. van Abbinga + 16 . . Bovenaan: 16 Jillis Claessen 20.
Het origineel konden wij ter plaatse niet vinden.
Teekening in het Fr. Mus. Deze zerk is - met die
van Pieter Claes te Bozum de twee eenige - door
toedoen van G. W. Maes bij Thieme Becker genoemd.
niet aldaar gevonden

Anonymen
van wie ons maar één steen bekend is.

D 1571 B
Deze signatuur staat boven aan de zerk van twee zoons van
"Dirck Gouertzoe[n] apteker" te Franeker. (Origineel is no.
3 in het koor; teekening Fr. Mus).

H. G.
Deze letters staan, de H. links, de G. rechts, op de pilas-
ters eener zerkversiering te Metslawier. De steen werd
gebeiteld voor Worp v. Ropta + 28.11. 1551 en Wjuck van A-
binga + 3.7. 1554. Op de banderol onder schilden leest men
rechts anno, links 157.'. Origineel tamelijk afgesleten,
Teekening in het Fr. Mus. Foto 890

D. S. 1)
Deze initialen vonden wij op een steen te Bolsward,
Martinikerk, op den steen voor Hieronymus Walteri + 1594.
(Origineel achter in de noorderzijbeuk; teekening in 't
Fr. Mus.).
Bij Nagler kunnen wij geen nadere kennis omtrent
-----
1) Wij hebben ook aan D (eo) S (acrum) gedacht. De plaats
der letters laat die verklaring toe.

aantt. bij 178
Franeker. Zerk voor Jacob van Ghemmenich, + 1.3.1608; bovenaan gemerkt: (16 I)<>C 07
Franeker. Zerk voor Dr. Theodoricus Mantgum, + 29.1.1607, en Tiaecke Eeuwens; bovenaan gemerkt: 16 (I?) C (08?); HvV Fran. No. 19
Bolsward. Zerkje voor (zoon van Johan) van Heerma, + 1607; bovenaan gemerkt: I . C
Foto 238
Lutkewierum. Zerk voor Sible Idtsz Reen + 1610; in bovenrand: 16 I C 14
Franeker. Zerk, opnieuw gebruikt voor Judith van der Ley, + 23.1.1719, weduwe Ulricus Huber; bovenaan gemerkt: 16 Ielle Claesses 15
Franeker. Zerk voor (Juw van Botnia, + 28.4.1614) en Fokel van Walta, + 16.10.16..; bovenaan gemerkt: 16 Ielle Claes 17; koor
Leeuwarden, Galil.k. Zerk voor Joris Gerrits Camp (G97); bovenaan gemerkt: 16.I.C.20
Franeker. Zerk voor Winandus Velbruggen, + 17.2.1612; onderaan gemerkt: I C

HvV Fran. No. 24

Zie ook Minnertsga GH HF 183x315 Hobbe Hermanna

Huizum. Zerk voor Hessel Jelgerz. Feytzma + 6.5.1505 en ..... + 4.6.1527; 335x202x22; gemerkt: H G H t

los papiertje
uitvoerige beschrijving Paleis 1805
Gr. Cons. ee 60, fol. 127v-131v
f 42.944.25
GrC 14.3.1806

179
deze monogrammisten opdoen. Alleen aan D. S. zou
bij no. 1374 wellicht mogen gedacht worden. Dezelfde
signatuur wordt daar toegekend aan een onbekend
beeldhouwer uit de tweede helft der XVIe eeuw; de
initialen staan op een portretmedaillon in speksteen,
met het omschrift: Otto Graf su Solms und Herr zu
Minzenberg.
De beide andere monogrammisten verschillen met
andere D. B.'s en H. G.'s in wijze van signatuur of
in leeftijd. - Ook Wurzbach brengt geen licht.

16 [merk nr. XII] 21.

Aldus is bovenaan gemerkt de grafsteen te Oenkerk voor Aede
Eysinga + 2 Juni 1619 en ..... (de latere namen zijn
in de tweede helft der XVIIe eeuw bijgebeiteld). uit park Heemstra-state
Het monogram kunnen wij niet ontcijferen noch in
een lexicon vinden. De steen heeft veel overeenkomst
met een zerk te Deinum, ongedateerd en zonder sig-
natuur, voor Jelger [van Feitsma] + 1620 en Auck van
Herema + 1613. Teekening in het Friesch Mus.
Monogram LRS? Lou Ripperts steenhouwer?
Eindelijk, om de eeuw vol te maken, - de oudste door
B. G. geteekende zerk dateert van 1539 - sluiten wij met
een steen van 1639.

Jacob Douwes.
1633 burger Franeker?
Het eenige werk dat wij van hem kennen ligt te Schettens:
zerk voor Schelte van Aysma + 23.8. 1637 en Tiempck van
Osinga + (11.1.1612). Naam en jaarcijfer staan bovenaan. IACOB DOUWES 1639
Teekening in het Fr. Mus.

Het zal menig lezer verrassen, dat nog zooveel materiaal
voor een belangrijk hoofdstuk der kunstgeschiedenis in
Friesland wordt bewaard. En volledig zijn onze lijsten

aantt. bij 179
Jacob Douwes (zn. van Douwe Isbrandts, molenaar te Franeker) x Aeltie Heinsdr., in acten ald. 1628-'37
J.D. koopt (consent 27.6.1634) huis en loods op de Coornmerckt Zz van Jelle Claesz. c.ux.
Oosterwierum. Zerk voor Jacob Pybes Dooma, + 24.12.1627, en Syouck Dircksdr. Fogelsang, + 28.10.1652, enz.; bovenrand: 16 IACOB DOUWES 29
Franeker. Zerk voor Bernardus Schotanus, 5.10.1652; bovenrand: 16 I? D? 27
Franeker. Zerk voor ..... Doma, opnieuwe gebruikt voor Sjoukjen A. Salverda, + 25.9.1778; bovenrand: 16 I D 35
Zweins

180
niet. Ook in de groepeering ontbreekt nog wat: veel zerken
die hier niet genoemd worden zijn ons bekend, die zonder
twijfel bij een der beeldhouwers thuis hooren; doch zonder
méér gegevens dan ons, tot nu toe, alleen de stijlkritiek
biedt, is het te gevaarlijk een zerk te verbinden met een
naam, die er niet op staat. De groote stylistische gelijkheid
tusschen de zerk te Schettens, in 1554 door B. G. getee-
kend, en de zerk te Nijland in 1550 geteekend door V. L.
(zie bl. 197) maant tot voorzichtigheid.
Intusschen mogen wij uit hetgeen voorafging, zoo niet
als zekerheid, dan toch als groote waarschijnlijkheid aan-
nemen, dat er in de twee laatste derden der XVIe eeuw,
in of rondom Franeker een bedrijvig centrum heeft ge-
bloeid van een bepaald vak van beeldhouwersarbeid; een
centrum, dat pas in de eerste jaren der XVIIe eeuw schijnt
uiteengegaan 1) waartoe aanlokkelijker arbeid voor de
beeldhouwers, 2) waarschijnlijk ook minder bestellingen
aanleiding of oorzaak zullen geweest zijn 3).
Een tweede waarschijnlijkheid is, dat tusschen de op-
elkandervolgende beeldhouwers een nauwer betrekking
heeft bestaan dan die van oudere en jongere tijdgenooten
zonder meer; voor B. G. en Vincent Lucas zijn de betrek-
kingen, zooals blijken zal, wel zeker (bl. 197). Maar over
den aard ervan, of zij eerst als leerling en meester, en
daarna als loyale compagnons of als naijverige concur-
renten gearbeid hebben - daarover zijn wij te weinig
onderricht.
-----
1) Wij zagen de Ariaensen uit Sexbierum naar Amsterdam
gaan, waar andere Adriaansen, mogelijk óók uit die streek, reeds
meester waren; Pieter en Jelle Claes gingen naar Leeuwarden.
2) In de XVIIe eeuw kunnen renaissance beeldhouwers overal
van renaissance-architekten opdrachten krijgen. En in wat wij
de sepulchrale skulptuur kunnen noemen, worden minder zerken
en meer epitafen en tomben besteld dan vroeger; epitafen vooral.
3) Feitelijk althans hebben wij, in Friesland, na de Claeszen,
geen zerkskulptuur gezien, die, als vóór dien tijd, zoo kenmer-
kend zich onderscheidt van die in andere Nederlandsche gewesten.



Afb. 6. Pieterskerk Leiden: zerk voor Claes Alewijn en echtgenote

181
Eindelijk, en dit hopen wij in de volgende bladzijden
duidelijk te maken, kan men in hetgeen thans vóór ons
ligt, stylistisch drie tijdperken onderscheiden. Het eerste
van 1535-1550; hierin is B. G alléén aan het woord.
Het tweede van 1550-1565; B. G. verandert van "richting";
Vincent Lucas treedt op den voorgrond. Het derde van
1565 tot in het begin der XVIIe eeuw, waarin Pieter Dirks
en de Glaeszen hun steenen beitelen. In het eerste tijdperk
spreekt de Renaissance Italiaansch; meer bepaald: het
florentynsch dialect; in het tweede en derde is de taal
Vlaamsen, doch met verschillend accent: in het tweede n,!.
is het méér - niet uitsluitend - de taal van Colijn en
Floris; in het derde meer - niet uitsluitend - die van
Vredeman. De grenzen der drie perioden zijn natuurijk
in ronde cijfers gegeven.

1535-1550.

B. G.
Als voorbeeld van B. G.'s werk vóór 1550, en daarmee
van het karakter der Renaissance op de grafzerken in
Friesland gedurende de eerste periode, nemen wij, ter be-
schrijving, den steen der heeren van Walta te Bozum,
wijl die in de Friesche Oudheden afgebeeld en daardoor
onder het bereik is van meerderen.
Binnen een rechthoekige omlijsting met opschrift in
Gothische letters, aan eiken hoek onderbroken door een
vierpas, die gevuld is met wapenschilden, zien wij het
veld van den steen door een horizontalen smallen band
in twee vakken verdeeld, het kleinere onder het grootere.
Dit laatste wordt ingenomen door breed en sierlijk uit-
gewerkte heraldische motieven:
twee alliantiewapens, rechts, dat van den man, in grond-
vorm een taartse met uitgebogen punt en sterk uitgeschulpte
randen; links, dat der vrouw, ruitvormig;
gehouden door twee staande en gekleede figuren, rechts

182
een mannelijke, links een vrouwelijke; tusschen beiden
een naakte zittende putto;
gedekt door een open vizierhelm met helmteeken en
helmkleeden, die, in akantusranken opgelost, met de C of
S spiraal als grondvorm, symmetrisch naar elkander toe
of van elkander afgewend, het geheele vlak overdekken.
Dit geheel wordt ingesloten door twee balusterzuilen, die
half uit de omlijsting te voorschijn komen en op hun ka-
piteelen een verhoogden en gebroken rondboog dragen:
een platten uitgegroefden band (z. g. sleuf band) met recht-
hoekige blokjes versierd. Onder het gebroken middenge-
deelte zien wij een gevleugelden cherubijnenkop op een
vogellijf, waaruit zich symmetrisch rankornament ontwik-
kelt. De sleufband wordt over- en ondersneden door een
tweeden, aan den eersten gelijk, maar in omgekeerden
stand. In de zwikken bewegen zich naaktfiguurtjes tusschen
de ranken.
Het onderste vak wordt gevuld door een in grondvorm
rechthoekige, doch aan den omtrek telkens uit- en omge-
schulpte plaat, die, geflankeerd door twee balusterzuiltjes,
half uit de omlijsting tredend, een latijnsch opschrift
draagt in romeinsche kapitalen.

Tot 1547 verschillen de steenen van B. G. van dit exem-
plaar te Bozum slechts in détails; zoo zien wij geen boog
op de zerk van Hulck van Heerema; geen verdeeling van
het veld op die van Jan Rinsma, noch figuren die de
schilden houden; op andere ontbreekt de derde figuur
tusschen die beide in; de zerk van Luts v. Zjaerda wordt,
door een derde balusterzuil in het midden, ook in de lengte
in tweeen gedeeld; op de beide steenen te Bolsward is,
naast de omlijsting, een smallere versierde rand gelegd;
en op geen zerk is de vorm der balusterzuilen en de op-
schriftplaten gelijk aan dien op een andere. Maar in hoofd-
zaak zijn al die steenen gelijk en voor B. G.'s eerste pe-
riode kenmerkend: de omlijsting met opschrift en de vier-
passen in de hoeken; de balusters naast de lijst en daar-

183
tusschen, als schijnbaar niet te ontberen "pièce de milieu",
de alliantiewapens met helm en helmteeken in breed-uit
geteekende, als akanthus behandelde, lambrequins.

Op 't eerste gezicht doen die lambrequins nog al gothisch.
Doch nader bekeken, heeft de gothiek op al die zerken
maar een zeer kleine plaats. De omlijsting met haar go-
tische letters en vierpassen behoort nog aan haar; de
vroegere gothiek zou in de vierpassen echter geen schilden
gezet hebben maar de symbolen der evangelisten. In het
veld herinnert de lijn en het samenstel der bogen nog
eenigszins aan gothische traceeringen en zou ook de ras-
echte Renaissance den akanthus misschien tot nóg meer
rank- dan bladwerk hebben gevormd, maar zij beheerscht
het motief toch reeds door de symmetrische behandeling
van het geheel en der afzonderlijke partijen 1); zij speelt
er verder vrij doorheen met haar putti en naaktfiguren,
haar aan koorden met kwasten opgehangen, medaillons
en schilden, haar, tot maskers uitgewerkte blad- randen (II),
fantastische apen (II) en steltpootige vogels (XII); haar schild-
houders (passing); en sterk spreekt zij zich uit in de vor-
men der mannelijke schilden,2) der balusters en der op-
schriftplaatsen.
Heel de bewerking dezer steenen is zuivere vlakversie-
ringskunst. Geen architektuur met perspektieven; geen
-----
1) Men zou kunnen zeggen dat de helmkleeden van B. G. aan
déze zijde staan van den overgang tusschen laat-gothiek en re-
naissance, waarvan Hedicke schrijft: Die Spätgotik findet das
Uebergangselement vom gotischen Ast- und Rankenwerk zur
Abeske in der rhythmischen Bewegung: die barocke Bewegungs-
tendenz wird in die reguiarisierte Bahn der Renaissance geleitel".
Hedicke noemt gotischen "Barock" ongeveer die vormen der late
gothiek, welke niet geometrisch te construeeren zijn.
2) De onsymmetrische taertse, die in het XV eeuwsche gothi-
sche ornament het symmetrisch schild verdrongen had, verschilt
nog veel van de mannelijke schilden bij B. G., die renaissance
vormen vertoonen.

184
figuren, die, op hoofdgestellen of in nissen, als vrijstaande
beelden moeten "doen", zooals wij op latere zerken, van
B. G. en die na hem komen, zuilen aantreffen. Overal
blijft het vlak bewaard, en nergens zal het zeer lage relief,
ook der balusters en figuren, het karakter van een ver-
sierd vlak komen storen. Dadelijk denkt men aan de
prentjes van dien tijd -- modellen voor ingelegde lijsten
of tafelbladen, voor uitgestoken paneeltjes van luxe meu-
belen, of ook louter artistiek tijdverdrijf van een kunstenaar,
die zijn "Lust zu fabulieren" eens vieren wou, alleen tot eigen,
genoegen en verzet. Zóó sterk is die prent-indruk, dat
men, bij de van zelf rijzende vraag waar B. G. dat orna-
ment vandaan heeft, niet naar uitgevoerde ontwerpen in
hout of steen gaat zoeken, maar terstond naar de gra-
vuren zelf.
Gelukkig wijst B. G. in dien chaos eenigszins den weg:
naar de Noord-Italiaansche ornamenisten van omstreeks
1500.
Want wie de stoeten der toenmalige menigvuldige Triomfi,
der allegorische vooral, voorbij ziet trekken, of ook maar
vluchtig de bizarre planetenikonographie dier dagen be-
kijkt, bemerkt onder de drukke menigten terloops al een
neef of nicht dier vlugge, hupsche figuren, die op de zerken
van B. G. de wapenschilden heffen. Maar hun bloedeigen
broers en zusters zal hij vinden, die in Delaborde 1) de
gravuren opslaat uit het Quadriregio, dat in 1508 te Flo-
rence verscheen, of naar de engelen ziet, die op het titel-
blad van het Libro de fructi della Lingua, eveneens te
Florence in 1494 gedrukt, de mandorla dragen. Men zie
ook in de Florentiner Zierstücke der XVe eeuw 2) het ver-
-----
1) H. Delaborde: La Gravure en Italië avant Marc-Antoine,
1452-1505 (Librairie de l'Art, Paris. London. s. d.) De bedoelde
gravuren uit het Quadriregio del Decorso della Vita hurnana
vindt men afgebeeld p. 210, ss.; die uit het Libro de fructi
della Lingua p. 214.
2) Florentiner Zierstücke im Kupferstich aus dem XV Jahrh
Graphische Gesellschaft X Veröffentlichung (Berlin 1909).

185
liefde paar, dat elkander ballen toewerpt (Abb. 2), het
dansende paar in een krans van musiceerende putti (Abb.
7), Judith (Abb. 14), de twee knielende krijgers, die in een
schild het beeld der Hoop vertoonen en dat beeld zelf
(Abb. 16), Jason en Medea, die boven een wapenschild een
vaas ophouden (Abb. 18) en men zal de Noord-Italiaansche,
meer bepaald: de florentijnsche afkomst onzer Friesche
schildhouders niet meer kunnen betwijfelen - De kostuums
mogen iets in detail verschillen, zij behooren kennelijk
tot dezelfde, niet al te rijke, garderobe; bestaan uit dezelfde
stukken, maar worden in andere combinatie gedragen. -
Ook het heffen der schilden blijkt slechts een gelukkige
variatie op een herhaaldelijk gegeven motief: de knielende
krijgers, Jason en Medea, de engelen met de mandorla
gaven het voorbeeld.l) - Alleen bemerkt rnen bij B. G.
meer losheid en zwier; wèl eischt reeds het schildheffen een
vrijer stand, een breeder armgebaar; doch men zie eens de
houding der florentijnsche gelieven bij het balspel - wat
staan die onnatuurlijk stijf. Er zijn bij de Italianen an-
dere, lossere figuren zeker! Maar hoe waaien op de friesche
zerken de mantels en gordeleinden, hoe fladderen de haren,
hoe krullen de rokken springend op, hoe getuigt heel de
stand van voeten en beenen van een plotseling gestuiten
loop - 't is of van rechts en van links die jongens en
meisjes elkander tegemoet zijn gesneld, weddend wie het
eerst zijn schild ter plaatse zou opbeuren. Die hupschheid,
dát frissche, spontane hebben B. G.'s modellen niet, al-
thans niet zóó en in die mate. Die Italiaansche jonge man-
nen en vrouwen schijnen nooit te vergeten, dat zij in een
plechtigen optocht het oog van duizenden moeten voorbij-
trekken of bestemd zijn om op een deftig meubel terecht
te komen en te worden vastgezet. Men kan niet zeggen,
dat zij altijd poseeren, doch zij laten zich nooit eens gaan.
-----
1) Vergelijk nog Romulus en Remus bij Delaborde, p. 54 en
de gravure tegenover p. 66.

186
En dát doen die frissche Friezen en Friezinnen op de
steenen van B. G. 1)
Hoeveel hiervan veilig aan dezen beeldhouwer mag wor-
den toegekend - en dit geldt niet alleen van de schild-
houders alleen, maar voor al het overig ornament - zal
eerst kunnen blijken, wanneer is uitgemaakt, dat hij
geen andere modellen heeft gekend dan genoemde of der-
gelijke figuren, en dat er tusschen hem en die voorbeelden
geen derden hebben gestaan. Het onderzoek wordt uiterst
moeielijk door het ontbreken van alle personalia omtrent
B. G. - welke modellen heeft hij gezien en waar is hij
geweest? - en door het verloren zijn van zooveel prentjes
en modelboeken, bronzen en plaketten, die in de werk-
plaatsen van dien tijd gemeen goed waren.
Een verblijf in Italië is, zonder meer, niet te onderstellen.
De prentjes circuleerden als droeg de wind ze aan. De
oudste ons bewaarde modelboeken verschenen tegen het
eind der twintiger jaren, doch blijkens hun titels en voor-
reden, bestonden er oudere uitgaven en voorbeelden. 2)
Daarnaast de looden en bronzen plaketten 3) en kleinere
-----
1) Dat hier meer bedoeld dan bereikt is, erkennen wij gaarne.
Maar de bedoeling is toch heel duidelijk, al staat het modelé
der figuren bij dat der Italianen achter.
2) Vgl. Lichtwark S. 119. vv. - De breede verspreiding gist men
reeds uit de titels. Balthasar Sylvius, een Vlaming, teekende zijn
Maureskenboek (1550): "pictoribus, aurifabris, polymitariis, bar-
baricariis, variisque id genus artificibus etiam acu operantibus
utilissimus". (Lichtwark S. 115-116) Jean de Goumont (1546)
zette op het titelblad: Le Livre des Moresques, tres utile et né-
cessaire à tous orfèvres, tailleurs, graveurs, painctres, tapissiers,
brodeurs, lingières, et femmes qui besongent à 1'aiguille" (bij
Guilmard, p. 14). De verspreiding vóór die data is bekend. Toch
verdient opmerking, dat men, volgens Max Deri [Das Rollwerk in
der Deutschen Ornamentik der XVI und XVII Jahrh. [Halle 1905].
Vorwort S. 3) in Duitschland niet vóór de eerste decenniën
der XVI eeuw "nach vervielfältigten Vorlagen" begon te arbeiden.
3) Over deze belangrijke dokumenten, hun verspreiding en
gebruik met name in Italië en Frankrijk, reeds in de XVe eeuw,

187
bronzen voorwerpen van Italiaansche herkomst, als inkt-
kokers, zoutvaatjes en dgl. 1)
De verspreiding en het gebruik dezer hulpmiddelen en
modellen in de XVIe eeuwsche ateliers hier te lande is,
zoover wij weten, nog niet nagevorscht; anders zouden
wij ons eenige voorstelling kunnen maken hoe B. G.'s
werkplaats er ongeveer had kunnen uitzien. Voorloopig
staat dit echter vast - hoe B. G. er overigens toe gekomen
zij - dat zijn werk uit de eerste periode, en daarmee een
belangrijk stuk der eerste renaissance in Friesland, beslist
een Italiaansch karakter heeft.
Want het zijn de schildhouders niet alleen. Wat op B.
G.'s steenen ook dadelijk aan Italië herinnert, zijn de op-
schriftplaten. Zijn het geen lengte- of dwarsdoorsneden
van sarkofagen en cassonen uit het laatst der XVe en het
begin der XVIe eeuw? Ook hier is wat meer zwier, wat meer
krul en uitschulping, doch de silhouet is onmiskenbaar.2)
-----
zie E. Molinier: Les Bronzes de la Renaissance. Les Plaquet-
tes. (Paris 1886) Introduction IX-XXVIII. Korter in den tekst
van Vol. IV der Collection Spitzer (1892) pp. 124-125. Het
nieuwste op dit gebied brengt het Archiv für Medaillen und
Plakettenkunde, waarvan Heft I in October 1914 verscheen
(Halle, Riechman & Co.); zie aldaar over de verspreiding der pla-
ketten in Duitsche ateliers, 1550-1600, S. 11.
1) Zie afbeeldingen ervan in Collection Spitzer. Vol. IV;
tekst p. 113, fig. 12; en Planche XXII, no. 44. Verder in W. Bode:
Die italienischen Bronzestatuetten der Renaissance (Berlin o.
J.) Bd. II, S. 13 fig. 15 en Taf. CXXII; CXXXI; CLXXVIII.
2) Afbeeldingen o. a. in Monographieën des Kunstgewerbes,
herausgeg. von Jean Louis Sponsel. Bd. VI Die italienischen
Hausmöbel der Renaissance von Wilh. Bode (Leipzig o. J.).
Metman en Brière: Le Musée des Arts Décoratifs. Le Bois I;
pi. XIX en XX. Vooral Lehnert: Illustrierte Geschichte des,
Kunstgewerbes I (Berlin o. J.) tegenover S. 448: Abb. 347, 357
354, 355, 395; belangrijk ook voor B. G.'s figuren en ornament.
Met de vogelkopachtige bovenhoeken op den steen van Pieter v.
Aylva, vgl. fig. 370; met de onderhoeken op den steen van Sydts
v. Bothnia, vgl. de voeten van het reliquiarium te Sienna S. 495.

188
Hiermee komen we wellicht een weinig dichter bij 't
spoor van B. G.'s Lehr- und Wanderjahre. Heeft hij dier.
vorm óók van prentjes of plaketten? Voor zoover wij
konden nagaan komen ze vóór 1535 daarop niet voor. 1)
Heeft hij de sarkofagen en meubelen zelf gezien? De
sarkofagen slechts in Italië of in Frankrijk; in dit laatste
land is ons, vóór 1535, alléén die te Le Mans bekend (ca. 1475);
die op het monument van Louis de Brézé, in Rorfaan, is
tusschen 1535 en 1544 vervaardigd en dus al tijdgenoot
van B. G.'s werk; doch er is in Frankrijk veel vernietigd.
Buiten die twee landen behoeven wij in dezen tijd niet te
zoeken. - Italiaansche renaissance-meubelen waren des-
tijds in Nederland niet ingevoerd. In Vlaanderen zullen
toen, sinds de dagen van Amolfini, nog wel Italiaansche
familiën en Italiaansche meubelen zijn geweest; doch wijl
B. G. pas omstreeks 1550 met het Vlaamsch ornament
bekend schijnt geraakt, kunnen wij niet goed onderstellen,
dat hij vóór dien tijd Vlaanderen heeft bezocht. En Sing-
leton spreekt dan ook wel van Spaanschen import, maar
niet van Italiaanschen. 2) Ook op Vlaamsche schilderijen,
zelfs van romanisten als Orley en Mabuse, vindt men
meubelen, als wij bedoelen, niet. Duitschland zal in dezen
tijd - (vóór 1535) - en in dit opzicht - (het bezit van
Italiaansche cassonen, cassapance's en dgl.) - evenmin
als Nederland in aanmerking komen; op de prentjes der
"Klein meister" ziet men ze niet, en dat zegt veel; wel
vazen, lepels, bokalen, gespen. 3) Zoodat een verblijf van
-----
1) Lichtwark, S. 8, kent ook geen opzettelijke meubelontwer-
pen uit de vroege XVIe eeuw in Italië; hij zegt wel "dass sich
Künstler mit gewerblichem Entwürfen vielfach abgegeben". Dit
heeft echter betrekking, gelooven wij, op dolkscheden, bekers en
dgl. Vgl. verder S. 113.
2) Esther Singleton: Dutch end Flemish Furniture (London
1907). Ch. III en IV. - Overigens heeft dit boek meer dikte
dan diepte.
3) Vgl. H. W. Singer: Die Kleinmeister (Künstlermonogra-
phieen XCII) S. 8. - Zie ook Lichtwark S. 113.

189
B. G. in Italië toch minstens aannemelijk kan zijn. Meer
wordt niet beweerd; er zijn prentjes en plaketten geweest
die wij niet meer kennen 1) inktkokers en zoutvaatjes
stonden op een voet die dezelfde vormen had als de
groote meubelen. En bij het druk verkeer tusschen Italië
en Frankrijk in die tijden, en het groot import van Itali-
aansche modellen in dat land, kan een reis langs de Loire
en de Seine reeds voldoende zijn geweest.
Behalve de schildhouders en de opschriftplaten zien wij
op B. G 's steenen geen motieven die wij, in de eerste
decenniën der XVIe eeuw, ook niet elders buiten Italië
kennen, 't zij. in ontwerp 't zij in uitvoering. Nergens echter
vinden wij ze zóó, noch tot zulke compositiën vereenigd.
Kan men voor de behandeling van een motief afzonderlijk,
hier en daar buiten de Italiaansche kunst, een pendant
aanwijzen - een ornament of figuurtje, dat trek voor trek
ook bij B. G. te vinden is, zagen wij niet. Zoo kan men
op een Westfaalsche wapenkist in het Hamburger Museum
für Kunst und Gewerbe 2) wapenschilden zien, met helmen,
heltnteekens en helmkleeden, tusschen balusterzuilen ge-
plaatst en onder, in het midden gebroken, bogen, die als
twee naar elkander toegewende voluten zijn behandeld;
maar de compositie is sterk ineengedrongen en ook de
détails vertoonen een anderen stijl dan die van B. G. In
het werk der Duitsche "Kleinmeister" zal men de naakt-
figuren van Sebald Benam kunnen noemen 3) wier Itali-
aansche afkomst overigens óók duidelijk is; maar die
forsche grofgespierde vechtersbazen zijn de slanke jonge
mannen niet, met ronde lichaamsvormen en luchtige hou-
-----
1) Wij zeggen dit niet met betrekking tot ons eigen beschik-
baar vergelijkingsmateriaal, doch in absoluten zin. - Overigens
meenen wij, dat. wie een paar weken in de Berlijnsche verza-
melingen van prenten en plaketten kon werken, meer contact-
punten met B. G.'s ornament zou vinden.
2) Hamb. Mus. für Kunst und Gewerbe. Führer durch die
Sammlungen, von Justus Brinckmann (Hamburg 1894) II S. 638.
3) Die Kleinmeister Abb. 3, 4, 5, 21.

190
dingen, die we bij B. G. onder de schilden zien staan
(III, VIII, IX) of op de bogen klimmen (V); nog minder
de kleine knapen, - voor putti te slank en te groot -
die op dunne ranken (II, VII, VIII) of tusschen tweevolu-
ten (I) hun evenwichtstoeren vertoonen. Maar hun naaste
familie zal men weer vinden in Italië; de naaktfiguren b.v.
op een niello en op de florentijnsche plakket, die daarvoor
tot model diende 1); de jonge knapen op de titelbladen der
Brieven van Hieronymus, die in 1497 te Ferrora gedrukt
werden, of van den Decamerone, die in 1492 te Ferrara
verscheen. 2) En van hun leven en tieren in de ranken,
als dat der schelmsche putti, heeft B. G. het voorbeeld
eerder gezien in de groteske paneeltjes van Nicoletto da
Modena (einde XV) en Agostino Veneziano (1490-1540), 3)
dan bij den "Tanz um eine Jungfrau" van Israhel van
Meckenem. 4) Dat zelfs van Dürer's invloed op B. G. niets
te bespeuren valt, dunkt ons een sterk bewijs voor zijn
onafhankelijkheid van Duitschland en de beide Nederlanden.
Tegenover deze laatste stond hij absoluut vrij. Noch
Lucas van Leyden, noch Jan Swart, noch Anthonisser.
hebben hem iets geleend; 6) en wat ten onzent voor 1535
-----
1) Bij Molinier: Les Plaquettes I, nn. 130 en 131; vgl. 133.
Opmerkelijk is ook dit werk florentijnsch, evenals de vroeger
genoemde prentjes. Zonder aan deze omstandigheid voorloopig
meer waarde te hechten dan bij het onoverzienbaar vergelijkings-
materiaal geoorloofd is, willen wij het toch onthouden. Een
eventueel verblijf van B. G. in Italië zou daardoor wellicht nader
gelocaliseerd kunnen worden.
2) Zie bij Delaborde : La Gravure etc. tegenover p. 244 en p. 226,
3) Bij Guilmard: Les Maitres Ornemanistes (Paris 1881) PI.
92 en 93. - Bij uitgebreider onderzoek dan ons mogelijk is, zou
men waarschijnlijk ook hier wel florentijnsche voorbeelden vinden.
4) Afbeelding bij Alw. Schultz: Deutsches Leben im XIV und
XV Jahrh. II, fig. 404.
5) Voor zoover wij hun werk in het Amsterdamsch Prenten-
kabinet konden nagaan. Voor Lucas van Leiden zie ook Beets:
Lucas de Leyde (Bruxelles 1913); voor Swart eveneens Beets in
Oud-Holland XXXII (1914) bl. 1-28.

191
in hout of steen is uitgevoerd, de koorhekken van Naarden
(1531) en Haarlem (1535), misschien ook het fries uit Enk-
huizen (thans in het Nederl. Museum) heeft hij niet gekend,
althans daaraan geen invloed op zijn werk gegund. 1) De
behandeling van den akanthus doet op het. eerste gezicht
aan die bij Vellert of den monnogrammist G. I. denken;
maar een nauwkeurig vergelijkend onderzoek 2) leerde dat
al de kleine en fijne détails, die voor het werk dier beiden
karakteristiek zijn, bij B. G. ontbreken. Ook het werk
van Blondeel, Van der Schelden en Beaugrant gelijkt in
zijn geheel evenmin op dat van B. G. als het overigens
zoo sterk Italianiseerende steekwerk op het koorhek te
Enkhuizen.
In Italië zullen wij derhalve zonder vermetelheid alle
modellen en motieven voor B. G.'s eerste periode moeten
zoeken, 't zij hijzelf ze dáár of in Noord-Frankrijk gezien,
en misschien naar zijn atelier heeft meegebracht, hetzij ze
hem in Friesland op papier of in metaal zijn toegekomen.
Doch, wij herhalen, hoeveel oorspronkelijkheid ten over-
staan dier modellen aan B. G. mag worden toegekend is,
zonder nauwkeuriger kennis dier modellen, niet uit te
maken. Bij het verwijzen naar Italiaansche prentjes en
plaketten bedoelden wij dan ook geenszins, dat B. G. pre-
cies die voorbeelden zou hebben gehad; doch wij wezen
erop als op getuigen der Italiaansche kunst van dien tijd,
als op soortgelijken met B. G.'s modellen./Ook diende
nader onderzocht of hij onmiddellijk uit de bronnen, dan
wel uit afgeleide kanalen putte; of tusschen hem en de Itali-
aansche vormen geen, thans onbekende, duitsche en vooral
-----
1) De Dordtsche koorbanken zijn tusschen 1538 en 1542 vervaar-
digd; de schouw te Kampen is van 1543; het vroegste (en beste)
deel der koorhekpaneelen in Enkhuizen draagt het jaarcijfer 1542.
2) Aan de hand der uitvoerige studie van deze Vlamingen
door Dr. Beets in Onze Kunst, Deel X en vv. Belangstellenden
worden daarheen verwezen; het eerste opstel behandelt Vellert
- met wien Beets den monogrammist G. I. identificeert - als
ornemenist.

192
fransche bemiddelaars staan; aan Vlamingen of Noord-
Nederlanders kunnen wij hier - zooals wij zeiden -
moeielijk denken. Wij vermoeden intusschen zulk een
medium niet. 1) En als wij op B. G.'s zerken die telkens
andere houdingen zien zoowel der schildhouders als der
naaktfiguren, die telkens andere bewegingen zijner rijdende,
dansende, slingerende of klauterende putti, die telkens
andere vormen van balusters en opschriftplaten - in één
woord die tallooze variatiën van dezelfde motieven bij
dezelfde engte van beweging 2) dan kunnen wij moeilijk
-----
1) Eenige bevestiging onzer meening over B. G.'s onafhanke-
lijkheid tegenover anderen dan Italianen vonden wij in Lichtwark:
"Direkte Kopien italienischer Vorlagen bei Deutschen Stechern
sind vor 1550, mit Ausnahme der Hopfer, überaus selten . . . .
Die Benutzung von Einzelmotiven nachzuweisen gelingt nicht
selten, aber die wenigen Fälle . . . beweisen nur, wie frei man
mit den fremden Anregungen schaltete". (S. 8) - Van Frankrijk
heet het: "Auch hier fehlt im XV Jahrhundert der Ornament-
stich . . . . Der Ornamentstich findet sich von der ersten Stunde
an in Handen der Dekorateure Schule von Fontainebleau - und
Architekten - Andronet Ducerceau. Von ganz vereinzelten Bei-
spielen abgesehn, ist vor dem vierten Jahrzehnt überhaupt kein
Material vorhanden. Die ersten exacten Daten liefert Prévost
mit seinen Termen nach Caravaggio, 1535, und den zwölf Blatt
Architekturen aus demselben Jahre. Doch mogen einige Blätter
aus der Schule von Fontainebleau noch im dritten Jahrzehnt
entstanden sein" (S. 90). - Hier is echter geen rekening gehou-
den met de houtsneden; intusschen zie voor Duitschland het
getuigenis van Max Deri, boven aangehaald: voor Frankrijk
blijkt uit Guilmard (pp. 4-23) dat B. G. vóór 1535 alleen een
alphabet van Geoffroy Tory heeft kunnen kennen, dat in 1526 te
Bourges verscheen.
2) Grafzerken werden dikwijls besteld volgens model van een
reeds bestaande. Of dat ook ten opzichte van B. G. geschied is
kan slechts uit archieven blijken (zie Bolsward VIII en XI). Wil
men zeggen, dat B. G. maar één snaar op zijn lier had - dan
kunnen wij - de stoutheid dier beeldspraak ten overstaan van
"harthouwers"-arbeid daargelaten - antwoorden, dat wie op ééne
snaar zóóveel variaties kan spelen, een meester in zijn vak moet zijn.

193
aan slaafsche navolging, zelfs aan geen behendig eclectisme
denken. En zou, door een later onderzoek, de verdienste
van B. G. als scheppend kunstenaar verminderen, als tech-
nicus, die in den harden steen kon nabeitelen, wat teeken-
stift of graveernaald zooveel gemakkelijker op papier of
in metaal konden voordoen, - vooral echter als de man,
die in zijn kunstvormen, het eerst van allen, zoo klaar en
kloek de taal der Renaissance in Friesland hooren deed,
verdient hij blijvenden lof.

Enkele zerken verdienen thans bijzondere aandacht.
Vooreerst die te Sexbierum (IX). Het geheel iaat zich
zonder moeite bij de vorige nummers aansluiten; maar
toch is eenige verandering duidelijk merkbaar. Was er
al eenige goede wil noodig om in de bladeren der vroe-
gere steenen den akanthusvorm te zien, hier is dat karak-
ter vrij wel verdwenen; wij zien drie- of vijfvingerige
bladen; soms rijzen ze uit een kelk op; elders hebben zij
Iets vederachtigs; wij zien in de zwikken pijnappelvormige
vruchten hangen, en twee putti, die op de vorige zerken
zich altijd in de ranken bewogen, rijden nu op een vogel,
die steun vindt op een los stuk pilaster, dat in de breuk
der bogen is aangebracht, en waaraan weer een pijnappel-
achtig ornament hangt; zulke ornamentstukken, aan de
architectuur ontleend, zagen wij vroeger niet; alleen te
Bolsward, 1544, (VIII) vinden wij op dezelfde plaats zoo-
veel als een voorproef ervan. - Op den anderen steen te
Sexbierum (X) en dien te Jelsum 1547 (XII) is het veder-
achtige der bladeren veel duidelijker; de vooruitstekende
koppen, aan de pilasters op den eersten, lijken een vrije
interpretatie der koppen in medaillons, die de Italianen
en de eerste Fransche Renaissance-meesters zoo gaarne in,;
zwikken en pilastervullingen plaatsten; de pijnappels en
bladkelken zijn hier beter gemodelleerd. Op den tweeden-
blijven de tenanten weg bij de schilden en treffen wij
twee steltpootige vogels aan. Ook missen wij de opschrift-'
plaat, terwijl de smalle band, die op de andere zerken

194
boven die plaat is aangebracht en het veld in tweeërt
deelt, reeds in Sexbierum (X) is weggelaten. In de zwik-
ken zagen wij dáár nog de putti; in Jelsum moesten ook
dezen weg en een eigenaardig ornament - een slakken-
huisje tusschen bladeren/- komt in de plaats.
De zerk te Jelsum van 1547 is wel de laatste der ons
bekende zerken uit B. G's eerste periode. Hij schijnt wat
anders te zoeken dan wat tot nu toe zijn atelier verliet.
De steen te Bolsward (XI) van hetzelfde jaar, die nog
geheel in de traditie is der vorige steenen, laat zich ver-
klaren door een bestelling volgens model (Bolsward 1544;
no. VIII). En mocht ook een der zerken te Sexbierum na
1547 zijn besteld, - véél later toch niet - het doet aan
het feit niet af, dat B. G. op zoek is naar iets anders.
De zerk te Hallum van 1552 is hier een kostbaar docu-
ment (no. XIII). De compositie van het geheel ligt even
ver van de werken der eerste als van die der tweede pe-
riode. B. G. zoekt nog. Maar de details toonen al in
welke richting hij tast en wat hij eenmaal zal grijpen.
Geen breede omlijsting met randschrift, doch een smalle
ornamentband om heel het veld, dat in zijn lengte door
een dergelijke strook is verdeeld. Het plan was blijkbaar
iedere helft met twee boven elkaar geplaatste vakken te
vullen: alliantiewapens met helm en toebehooren; daar-
onder het grafschrift. B.G. zelf heeft slechts de twee
bovenvakken bewerkt; het overige is duidelijk van een
andere hand. Doch zie nu het ornament. Aan Italië denkt
daarbij niemand meer. De vruchtkorven, het "hangende
doekje", het knorpel (oorschelp)ornament in het vak rechts,
het rolwerk in het vak links, de maskers in beide, einde-
lijk de versiering van den rand - een snoer van bladerer.
en vruchten waartusschen maskers zijn ingevlochten -
dat zijn allemaal vormen die wij in de vroegere fransche
en vlaamsche renaissance vinden.
Wij blijven op het oogenblik buiten de quaestie of en
in hoever de laatste een dochter der eerste mag heeten.
Bij de vraag hoe B. G. van Italië naar Vlaanderen kwam

195
kan dat wellicht nader worden onderzocht. Vóór alle
verklaring dient het feit van B. G.'s overgang vastgesteld.
Omstreeks 1547 zien wij dé eerste pogingen om uit Italië
te komen. Waarheen is nog niet bepaald. In 1552 is B. G.
op weg naar Vlaanderen. In 1554 is hij er aangekomen.
Met dit jaarcijfer n.l. én getèekend door B. G. ligt te
Schettens een zerk voor Seerp Ockinga (+ 1551) en Jel
Heerema (+ 1562). Die steen is zóó verschillend van al
wat B. G. tot nu toe vertoonde, dat men aan een werk
van zijn hand niet zou gelooven, als de signatuur niet
allen twijfel onmogelijk maakte.
Binnen een omlijsting als die op de vorige zerken zien
wij het veld ook nu nog in tweeën gedeeld, maar niet
door een platten band, doch door een soort vloer, rustend
op de piedestals van twee zuilen, die een zeer samenge-
steld hoofdgestel dragen.
In het benedenvak, tusschen de piedestals, wier voorvlak
een vrouwelijke herme vertoont, is een vierkant bord, met
opschrift in Romeinsche kapitalen, gevat in een lijst van
rolwerk - een rolwerk-cartouche - waarboven twee, op
één knie achterover leunende, putti; ter weerszijden een
gehelmd masker met C-spiralen.
In het bovenste vak herkennen we de alliantiewapens
met helm en helmkleeden, alweer als bladwefk behan-
deld - maar de akantus is geheel verbasterd, en er is
meer blad dan rank; tusschen de schildhoudende figuren
staat een schaalvormige vaas met bloemen. De zuilen
staan op basis en plint, dragen kapiteel en dekplaat en
hebben een schacht, die, onderaan geornamenteerd, verder
canneluren vertoont.
Het hoofdgestel - effen architraaf, versierd fries en
kroonlijst met triglyphen - is boven de dekplaten der
kapiteelen verkropt en in het midden gebroken. Door twee
consoles aan de binnenhoeken ondersteund, draagt het een,
wederom in het midden gebroken, rondboog, op welks
opgaande segmenten een naakte genius in akanthusranken
leunt. Links en rechts een gedrapeerde herme, achte

196
wier hoofd het in knoopen opgebonden "hangende doekje"
met losse einden.
De bekroning dezer ingewikkelde compositie is zelf
wederom zeer samengesteld. Op een hoofdgestel, - ge-
dragen op de ionische voluten van twee caryatidenkoppen,
door een "hangend doekje" met een, in hun midden aan-
gebracht, gekroond masker verbonden - staan, tusschen
de verkroppingen boven de voluten, twee pilastertjes. Zij
flankeeren een trapeziumvormige nis, wier ingebogen op-
gaande zijden door C-spiralen zijn gesierd, en die afgedekt
is door een rondboogfronton met schelpornament. In de
nis een kortgekleed figuurtje, dat in iedere hand een kron-
kelende slang knelt.

Een vergelijking met de steenen uit B. G.'s eerste periode
toont, dat de omlijsting, de tweedeeling van het veld, de
opschriftplaat in het onderste vak, de schilden met toebe-
hooren in het bovenste, zijn gebleven. Nieuw is de archi-
tectuur: de zuilen - geen kandelaber-balusters meer -
willen geen ornament meer zijn; zij schuilen niet half
achter de omlijsting weg om een soort binnenrand te vor-
men, maar staan vrij op een vooruitspringend basement
onder een overspringend hoofdgestel: er is diepte en per-
spectief in de teekening gekomen. Dat blijkt ook uit den
stand der voeten van de schildhouders. Nieuw is verder
de bloemvaas, nieuw zijn de hermen, de hangende doekjes,
de maskers (wél te onderscheiden van de halve-maan
maskers, uit bladranden gevormd, op den steen van Tjaling
van Botnia te Franeker); nieuw zijn de caryatiden en nieuw
is de rolwerk-cartouche om de opschriftplaat. En al dat
nieuws wijst naar Vlaanderen.

Er zijn ongetwijfeld tusschen de zerken van Sexbierum
en Jelsum van 1547 en die te Schettens van 1554 nog
andere dan de ons alleen bekende steen te Hallum van
1552 door B. G. gebeiteld, die den overgang van zijn eerste,
italieniseerende, periode naar zijn tweede, zoo kras vlaam-

197
sche, geleidelijk konden doen volgen. Waarschijnlijk zou-
den zij de gewichtige vraag: langs welken weg, door welke
invloeden B. G. tot die verandering is gekomen, nader tot
haar oplossing brengen. Een gewichtige vraag inderdaad,
als men bedenkt, dat met die zwenking van B. G. de rich-
ting voor de volgende beeldhouwers van zerken en daar-
door voor een groot deel der Renaissancekunst in Friesland
schijnt bepaald. Want na 1550 is Vlaanderen troef in ons
Noorden, bij Lucas, bij Dirks, bij de Claeszen; eerst do-
mineert de Colijn-Florisstijl, dan die van Vredeman de
Vries. Zelfs B. G. had nog tijd zijn hulde aan den laat-
sten te brengen, op de zerk van 1565, te Bornwerd.
Het is dus, niet om B. G. alleen, maar om een groot
deel Friesche kunst, van belang na te speuren langs wel-
ken weg de Vlaamsche Renaissance in Friesland door-
drong. Opnieuw knelt hier de totale onbekendheid met
B. G.'s levensloop. Is hij omstreeks 50 in Vlaanderen
geweest? Heeft hij elders Vlaamsch werk bestudeerd?
Zijn hem in Friesland Vlaamsche modelboeken in handen
gekomen?
Ziehier al vast een gissing, die, al brengt ze ons voor 't
oogenblik niet verder, bij later onderzoek van nut kan zijn.
Gedateerd van 1550 en geteekend door Vincent Lucas
is een zerk te Nijland voor Sydts van Bothnia. Deze
zerk nu heeft zooveel overeenkomst met die van B G. te
Schettens uit 1554, dat wij niet durven beslissen, wie de
beeldhouwer is b. v. van den steen voor Haye Holdinga te
Leeuwarden, van het jaar 1557. 1) Van den anderen kant
neemt Vincent Lucas van B. G. diens heele kenmerkende
"pièce de milieu" over, niet alleen de schilden en figuren
en lambrequins, maar ook hun compositie en stijl. Een nauwe
betrekking tusschen beiden is dus met grond te onderstellen.
Heeft B. G. nu van Vincent Lucas de Vlaamsche vormen ge-
leerd of is Vincent de kennis ervan óók aan B G. schuldig?
Dit laatste lijkt ons niet waarschijnlijk. Want te Dei-
-----
1) Plaats en jaar volgens teekening in het Friesch Museum;
een signatuur staat er niet op. Zie noot 2) van bl. 171.

198
num staat een zerk voor Ruurd Feitsma waarop wij geen
signatuur konden vinden, maar het jaarcijfer 1547 duide-
lijk is. Denken wij nu even terug aan de zerken te Sex-
bierum en te Jelsutn, en aan de tweede zerk te Bolsward,
beide door B. G, geteekend en beide van hetzelfde jaar
1547, dan mogen wij zonder doorslaand tegenbewijs, den
steen te Deinum die stijlistiseh zóó veel van de twee
vorige verschilt, toch niet aan B. G., maar moeten dien
voorloopig aan Vincent Luctfs toeschrijven.l)
Wij dienen dus, op grond dezer gegevens, aan te ne-
men, dat B. G., die in 1547 nog italianiseerde, de Vlaamsche
Renaissance niet in Friesland heeft gebracht. Te Deinum
werd ze toen reeds te prijk gezet, en wel, naar wij voors-
hands mogen besluiten, door Vincent Lucas.
Daar wij echter van dezen beeldhouwer evenveel weten
als van B. G., wordt de groote vraag, langs welken weg
de Vlaamsche vormen naar Friesland kwamen, wel ver-
schoven maar niet opgelost.
En zou de zerk te Deinum van 1547 tóch aan B. G.
moeten toegekend worden - een reuzenstap in Vlaamsche
richting als wij Bolsward en Jelsum van hetzelfde jaar
in het oog houden, maar strikt genomen niet onmogelijk -
en zou bovendien de steen te Franeker voor Luts Hox-
wier en Afke Herema niet vóór 1547 door Vincent Lucas
gemaakt zijn (zie de lijst V. L. no. I), dan behoort de
prioriteit, ook der Vlaamsche renaissancevormen, aan B. G.
De hoofdvraag echter: hoe komt dat Vlaamsen in Fries-
land, blijft.
Wij hopen den lezers in een volgend opstel het resultaat
van ons onderzoek naar dat "missing link" tusschen Fries-
land en Vlaanderen mee te deelen.

RAPHAEL LIGTENBERG O.F.M.
-----
1) De oudste bekende steen van P. Dirks is van 1561. De
Claeszen komen nóg later. Ook aan Claes Jansz. valt, te oordeelen
naar den eenigen ons bekenden steen, niet te denken.


199
"links"
24-5-1592 steenh.proef
Dirck Lieuwes, hardhouwer, 30-9-1592 landmeter van Frl. x Siouck Sibrensdr. (inv. 1-8-1616, Y 21, 137-173)
werkte mee aan stadh. Franeker ??
zn. van Lieuwe Dircks
1578-90 opgeleid tot steenhouwer en landmeter door zijn (half)broer Pieter Dircks
(1588) werkzaam aan monument Anna van Oranje Nassau, vrouw van Willem Lodewijk Lwd., Gr. kerk (def. sent. 12-7-1603, O 10)
1591 ..... schoon...
grootvader: Dirck Lieuwes
(overl.aang. 25-10-1588 Dirck Lywesz. stalmester van Sin Genade, olde husmester?, V 1, 25)
vgl. aest. 13-4-1584 goederen + Gees Harckema, x Dirck Lieuwes, eerder weduwe van Abel Boymers
"rechts"
Dirk Lieuwes
(Terkaple. Zerk voor Kempe van Oenema + 24-5-1570 gemerkt: DIRCK - Anno 1570; kan Pieter Dirks zijn)
Holwerd. Zerk 283x153 voor Sake van Ringie + 2-10-1560 e.v.a. gemerkt: D 1605 L
Beetgum. Epitaph Johan O. b. th. Schwartzenberg + 1584; afgewerkt door Jelle Claes
Harlingen. Zerk voor Atke van Burmania, + ?, huisvr. van -; in bovenrand: .. P ..; in benedenrand: D 15.83 L
Leeuwarden. Oldeh. kerkhof. Zerk voor Claes Geertsz Kan, + 29-12-1575 c. ux.; onder gemerkt: 15 D - (L?) 90
Berlikum. Grote zerk voor Wytze van Grovestein! + 18-6-1600 en Hylck Oentzema, + 21-4-1598. In cartouche: 1598; in onderrand D L; Grafschr. Menaldumadeel G 22, p. 23: 1598, D L
Leeuwarden. Jac.kerk. Zerk voor Ritske van Eysinga, + 1573, herbegraven 1592, x Mary van Tjaerda + 1601; in onderrand gemerkt: D.1593.L; foto
Jelsum. Zerk voor Albert Pieters van Dekema + 1609 c. ux.; boven gemerkt: D L (tekening 201_6 Fr. Mus.)

200
"links"
Beernt Jansz harthouwer c. ux., 27-10-1607 proef, geabandonneerde goederen, 29-10-1610, inv. Lwd. Y 18, 335-341 (gespec.) harthouwersgereedschap, voorraad hardsteen

201
"links"
Cryn Christoffels, zn. van Christoffel Crijns (en Geertie Claes); zij hertr. 1604 Hans Putzer
* Delfzijl, Mr. hardhouwer
burger van Lwd. 1611, proef 11-4-1611
x Lwd. 10-4-1614 Tryn Harmensdr., * Lwd.
Trijn Harmensdr. weduwe Crijn Stoffels verkocht opstal van de steenhouwerswinkel, gereedschap en patronen aan Cornelis Gerrytsz, Mr. steenhouwer binnen Lwd. (schuldbek. van 200 Car.gld. 7 mei 1636, gereg. 6 sept. 1638, hyp.bk. gg 31 fol. 187)
Krijn Christoffels levert gehouwen Bentheimer steen voor het nieuwe Statenhuis; Bet.ordonn. 11 dec. 1611, 187:2:-; Gf 50_9
Crijn en Hans Christoffels, beiden steenhouwer, wegens geleverde materialen; Bet.ord. 30 nov. 1612; 431 L; Gf 50_9
Quirin Christoffels, hardthouwer; Bet.ord. 9-2-1614; 36 L; Gf 52_1
Akkrum. 16 H <> P 10 Q * C (bovenaan) Zerk v. Wyts van Galema + 13-12-1607 x Lenardt van Huyghis + 3-9-1622
Dokkum. 16 HP 10 Q * C (bovenrand) Zerk v. Jacob Gabes [of Gales?] + 28-4-1605 en Jansk Jans + 19-12-1610
Rinsumageest. 16 H P ?? Q + C Zerk voor Jan van Taedema + 4-10-1600 en Bauck van Buingha + 2-1-1608
Marsum (G 195) 16 H P 10 Q C (bovenrand) Zerk voor Dr. Tajlling van Eysinga + 31-8-1603 en Wompck van Heringha + 2-9-1596
"rechts"
Quirijn Christoffels
vgl. Leovardia 19 (maart 2006) 16
Dokkum. Zerk voor Jacob Gabes, + 1605; gemerkt: Q * C; foto 692
St. Jac.par. (G 37) Zerk voor Claes Stevens, + 1611; gemerkt: Q * C
St. Annapar. (G 15) Zerk voor Dirckie Jelledr., + 1616; gemerkt: Q.C. 1617
Lwd., Gal.kerk (G 46) Zerk voor Jacob H. Schoutens, + 1619; gemerkt: Q.(C?)
St. Jac.par. (G 39) Zerk voor Maertie Baertouts, + 1649; gemerkt: Q * C
Oldeboorn. Zerk voor Tyberius van Oenema + 22-5-1640; bovenrand: Q C
Koudum. Zerk voor Hessel van Epema + 30-12-1600; boven: Q * C
Leeuwarden, Jac.kerk Zerk voor Sioerd van Frielsma + 31-12-1602 (herbegraven!); in bovenrand: Q C; in rolwerk: 1622

202
"rechts"
Coenraet Harmens harthouwer
r 2, 303-307 inv. geabandonneerde goederen 20-6-1614; ook voorraad en gereedschap

203
"rechts"
Pyeter Ritskesz harthouwer + c. mei 1592
x 2. Barber Jansdr.
ex I: Frouck Pieters * c. 1575; 07, 97 sententie (niet geformuleerd) 24 nov. 1592; 12. benoeming voogd

204
"links"
Hans Putzer
metselaar, * Münster
x 14-9-1604 Geertie Claesdr., van Stellingwerf, weduwe Christoffel Crijns
"rechts"
Hans Putzer
div. stenen H.P. met QC en KS (zijn stiefzoon: Quirijn Christoffels [ofwel Krijn Stoffels])

205
"links"
Belangrijke inventaris van zijn sterfhuis, 1617, 16-11
Procl. Harlingen I 5, fol. 192; Inv. Harlingen R 4
Bouwmr. stadhuis Dokkum, 1607-1609 - contract 3-9-1607 met Mr. Jacob Lous burger en metselaar te Harl.
x Tryntie Cornelisdr. (1. Feycke Joostes, hertr. 2. Claes Riencx)
zoon van Lou Ripperts, Mr. stadsmetselaar en hardsteenhouwer te Harlingen
Makkum. Zerk voor Tiete Reins Lieuwkema + 3-11-1629; 65 gg 20 st. bet. aan Louw Rippers; vgl. S. ten Hoeve, Lieuwkamastate Makkum 2004, 10/11; zerk verloren gegaan
"rechts"
Jacob Lous Forsenburg
Terkaple. Zerk voor Douwe van Roorda + 23-3-1601 en (gedeeltelijk bedekt); in bovenrand: IACOB <> LOWS 1610
Kimswerd. Zerk voor Epo van Heemstra + 24-12-1611 en zijn vrouw Ebel van Heemstra(!) + 9-11-1607; in bovenrand: IACOB 1614 LOVS; foto 87; daar nog een Heemstra-zerk, boven gemerkt I L
Minnertsga. Zerk voor Tjallingh van Sixma + 1-7-159Idtske van Hottinga + 4-3-1619, enz.; in bovenrand: 16 JACOB LOWS 07; foto 137
Harlingen. Zerk voor Sytske Pieter van Buytensdr., + 28-5-1594, enz.; in bovenrand: I : L; in versiering: 1597; foto 14
Harlingen. Zerk (met niet ingevuld randschrift); in bovenrand: I 1612 L
Wier (G 270) Zerk voor Ansck Philippusdr., vrouw van Ulbe Foppes, + 2-10-1598; in bovenrand: I L
M 32 p. 1 Tiaerd Louws Forssenburgh 9-1-1691 stadssteenhouwer i.p.v. + Frans Tieerds (??)

209
"links"
Paulus Andries, steenh., burger van Lwd. 1603, x Siucke Piebes
leven 1604; zie inv. wed. Dirck Lieuwes 1616, obl. P (onwis)
"rechts"
Paulus Andries
Leeuwarden, Gal.k. (G144) Zerk, opnieuw gebr. voor R9ixt van Beyma + 1-6-1670; gemerkt: P 1601 A
Wommels. Zerk voor Andrys Pytters Stellingwerf, + 2-12-1666; gemerkt: PAVLVIS 1603 ANDRIJS
Leeuwarden, Jac.k. Zerk voor Thewis Pieters + 1603 en zijn huisvr.Anna Tjaerds + 1602; boven gemerkt: P 1604 A; foto
Finkum. Zerk voor Jan van Holdiga + 1581; in bovenrand: 16 PA 05

211
"links"
Akkrum. Zerk voor Tjaerd van Andringa + 1591; in bovenrand: 1617 HP
"rechts"
Gaast. Zerk voor Ds. Petrus A. Tebbingh + 26-9-1634; onder gemerkt: L <> B
Longerhouw. Zerk voor Gabbe Scheltes + 13-5-1631; in bovenrand: C(?) ... GO ... G (?)
Leeuwarden, Jac.k. Zerk voor Johan Benthem, am.mr.gen.l; in bovenrand: 16 HP 07
Dokkum. Zerk, overgebeiteld voor Popke Gabbes + 17-1-1646; gemerkt: 16 HP 07
Friens. Zerk voor Douwe van Sytzama, + 3-7-1607; boven gemerkt: 16 HP 08; zie Jaarb. Fr. Adel III
Minnertsga. Zerk voor Hobbo Hermana + St. Lucasdag [..] 1521 en Wick Hermana + 29-1-1518 (?); op banderolle C.H H.F
Oosterwierum. Zerk voor Into Kingma + 22-8-1595; bovenrand: I.T.; en een voor Tyamcke Ruierdtsdr. Atzma + 21-11-1595, weduwe Gerrolt Intez Kingma; gemerkt: I T



>> begin