>> HOMEpage

DE KAATSBAAN VAN COUMANS
Franeker 1630-1684

Bron: typoscript 1984, bewerkt 1991
Internetuitgave: M.H.H. Engels, juni 2018

In de zeventiende eeuw kaatsten studenten te Franeker in de kaatsbaan op een manier die te vergelijken is met het tegenwoordige tennis. De kaatsbaan riep al voordat hij gebouwd werd de nodige tegenstellingen op.
In dit opstel, dat eerder, in 1984, als typoscript gepubliceerd werd onder de titel "De kaatsbaan van Coumans, 1630-133", is in 1991 ook de ligging van de zeventiende-eeuwse overdekte baan beschreven.

Coumans' initiatief

Johannes Coumans, secretaris van de voormalige universiteit van Friesland te Franeker, pleitte in 1628 bij het stadbestuur voor een kaatsbaan ten behoeve van de studenten, zoals die ook de universiteiten van Leiden en Groningen bezaten. Er bestond een zekere concurrentie tussen de universiteitssteden om studenten aan te trekken met allerlei faciliteiten, gezien het economische belang van de studentenbevolkirg voor de steden. Franeker verleende dan ook op 25 augustus 1628 toestemming aan Coumans om een kaatsbaan aan te leggen met een octrooi voor 30 jaar. Voorwaarde was wel dat er in de kaatsbaan geen bier getapt zou worden, anders kwam er weer een "suyphuys" bij. Bovendien waren de Franeker herbergiers daar op tegen.

Kaatsen als binnenhuisspel

Het woord-kaatsen is afgeleid van het Franse chasser (= jagen). Er bestonden vroeger in Frankrijk twee vormen van het spel: "jeu de courte paume" en "jeu de longue paume"; in beide sloeg men een kleine bal met de handpalm (paume). Het laatste speelde men buiten, in steden en dorpen; het was een spel van burgers en boeren. Hetzelfde spel wordt nu nog gespeeld, o.a. op het kaatsveld in Franeker. Het eerste was een binnenhuisspel, door de hogere standen in kaatsbanen beoefend, na 1500 met een racket. In de achttiende eeuw werd het verdrongen door biljarten, kegelen en kolven. Het tegenwoordige tennis is er een herleving van.

Voor en tegen de bouw van een kaatsbaan

In vroeger tijd werden ook studenten tot de hogere stand gerekend. Voor hen wilde Coumans een overdekte kaatsbaan aanleggen. De toestemming van de stad had hij, maar de universiteit verzette zich, vooral de strengere professoren. Tot 1625 had de theoloog Sibrandus Lubbertus gewaakt voor de tucht aan de academie, tot eind 1629 de hoogleraar in het Hebreeuws Sixtinus Amama. Na de dood van de laatste rustte deze taak op de schouders van een minder sterke figuur, de zeer vrome godgeleerde Meinardus Schotanus, die van 1 juni 1629 tot 1 juni 1630 rector magnificus was. Gesteund werd hij door zijn collega Ames(ius), een puritein die zich niet wilde inlaten met wereldse vermaken. De Engelsman Ames was echter al enige tijd van plan om naar zijn vaderland terug te keren. Hun tegenstander was Maccovius, de derde hoogleraar in de belangrijkste, de godgeleerde faculteit. Deze Pool (Makovsky) was in 1613 in Franeker komen studeren, in 1614 gepromoveerd en in datzelfde jaar op verzoek van zijn medestudenten door GS benoemd tot hoogleraar. Hij trok graag met de studenten op.
Nu hadden de professoren het niet alleen voor het zeggen. De universiteit werd bestuurd door Gedeputeerde Staten, In 1630 was Georg Wolfgang baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg de voornaamste van de negen Gedeputeerden; hij was reeds sedert 1624 in functie. Het dagelijks bestuur van de universiteit was gedelegeerd aan vier curatoren. De belangrijkste van hen was Johannes Saeckma, in het dagelijks leven raadsheer (= rechter) in het Hof van Friesland te Leeuwarden. De regenten waren over het algemeen libertijns, d.w.z. milder en verdraagzamer dan de strenge calvinistische theologen en predikanten.
Op 50 mei 1630, de dag waarop hij in de academiekerk het rectoraat aan Reifenberg overdroeg, schreef Meinardus Schotanus in het Latijn de volgende brief aan curator Saeckma:
Zeer geachte Heer, Alle slechte dingen doen als bij een belegering een inval in onze academie sinds het overlijden van de Edele Heer Amama; deze zijn even el niet voortgekomen uit de verblijfplaats van onze studenten. Het zit zo: vijf dagen geleden kreeg ik onenigheid met de Heer Maccovius, [toen] die aan de secretaris vroeg wanneer hij een kaatsbaan wilde bouwen. Ik heb met hem feller dan mijn gewoonte is gediscussieerd. Nu heeft me de Heer Reifenberg in de acdemiekerk verteld, dat de secretaris de bouw niet alleen is toegestaan maar zelfs opgedragen door Gedeputeerde Staten in afwezigheid van de Heer Schwartzenberg, die ik over deze kwestie hier in Franeker heb gespro ken. Ik zou U derhalve willen vragen omwille van God, de kerk en de staat, de stemmen van de ouders en een gelukkige ontwikkeling van de jeugd van de studenten, dat mijne Heren [Curatoren de bouw] door de Gedeputeerden in de Statenvergaderin laten verbieden en tegenhouden. Die vrome ijver waarmee de Heer Amama zaliger nagedachtenis was bezield, waarmee hij ons indertijd [1628 en 1629] aanspoordde om ons zelfs in preken ertegen te verzetten, moge mijne Heren [Curatoren] bewegen niet méér verstrooiing voor de studenten toe te staan. Zij die om deze reden de academie beroemd willen maken, schijnen mij te handelen als zieken die hulp van de duivel inroepen, of als hoeren die omdat ze lelijk zijn, zich met blanketsel en pigment proberen aantrekkelijk te maken. Mogen door U, bid ik, in onze academie de bescheidenheid, de vroomheid en de regel van Christus heersen. Dit weet ik wel, dat niet door wetten verhinderd kan worden, dat een allerbedroevendst misbruik gemaakt zal worden van die kaatsbaan. Wij waarschuwen voor een libertijnse opstelling.

De kaatsbaan gerealiseerd

In de zomervakantie van 1630 is de kaatsbaan gebouwd. Dit blijkt uit de brief die Schotanus op 30 november aan Saeckma schreef:
We zien de droeve vruchten van de kaatsbaan. Onze burgemeesters en de secretaris van de stad gaan de studenten voor, naar men zegt, edelen en anderen bezoeken de kaatsbaan veelvuldig. Enkele dagen gelden scheelde het weinig, of een windvlaag had het gebouw met de grond gelijk gemaakt en de spelers onder het dak bedolven. We wachten op Uw komst van dag tot dag.
De bezoekers van de kaatsbaan zijn inderdaad de hogere standen: stadsbestuurders, edelen, studenten. Vermoedelijk was het gebouw toen gedeeltelijk open, zodat de wind onder het dak kon komen. In mei 1633 blijkt de kaatsbaan een met glazen (= ruiten) gesloten gebouw te zijn. De baan lag aan het Hocquart, aan de westzijde van de gracht. Achter en naast deze baan lag een tuin met 42 perebomen. Er bevonden zich nog twee huizen ten Koorden van de kaatsbaan. Aan de overzijde van de gracht lag bij de brug op de hoek van de Noordermolenstraat (nu het Noord) het huis, een herberg, waarin Coumans sedert 1624 woonde. Op 22 juli 1630 heeft Johannes Coumans het ambt van secretaris van de academie afgestaan aan zijn broer Hessel, om zelf herbergier te worden en een kaatsbaan te bouwen en te exploiteren. Johannes was toen niet meer onderworpen aan de eigen rechtsorde van de universiteit.

De immuniteit van de universiteit

De leden van de universiteit, professoren, studenten en personeel, genoten in vroeger tijd een zekere immuniteit en speciale voorrechten. Met uitzondering van zware misdrijven waren zij niet onderworpen aan het rechtscollege van de stad of aan het provinciale Hof, maar aan de "senatus judicialis", de rechtbank van de universiteit. Aan de Franeker academie dateerde verder van 1621 het privilege van accijnsvrije drank. De controle op de hoeveelheden voor ieder berustte aanvankelijk bij de rector magnificus, later bij de inspecteur van de burse (= het studentenkosthuis) en tenslotte bij de secretaris van de academie. Men begrijpt dat dit voorrecht een doorn in het oog was van de herbergiers en de belastingpachters van de stad. Het stadsbestuur kon hier echter niets tegen uitrichten, omdat de universiteit en dus ook de secretaris ressorteerden onder Gedeputeerde Staten.

Het omstreden monopolie van Coumans

Toen Johannes Coumans op 29 februari 1632, niet meer lid van de academie, GS verzocht om het monopolie tot levering van wijn en bier aan de leden van de universiteit en dat op 30 maart van dat jaar ook verkreeg, kwamen er van twee kanten protesten. Van het strenge deel van de professoren, omdat zij geen vertrouwen hadden in de ex-secretaris, die in 1626 wegens wanbeheer was ontheven uit het ambt van bibliothecaris, dat hij sedert 1621 bekleedde. Van het stadsbestuur, omdat Coumans nu onder hun gezag stond: oneerlijke concurrentie voor de stadsherbergiers en derving van inkomsten voor de belastingpachters werd gevreesd, als Coumans ook aan niet-leden van de universiteit drank accijnsvrij, dus onder de prijs, zou gaan leveren. Blijkbaar genoot Coumans bij Gedeputeerde Staten wel vertrouwen. Maar misschien ook heeft rivaliteit tussen het provinciaal bestuur en het stadsbestuur, de oude tegensteiling Leeuwarden-Franeker, Coumans in de kaart gespeeld.

Wat Coumans op zijn kerfstok had

Al snel ging Coumans in de fout door meer wijn en bier dan per persoon toegestaan (op krediet) te verkopen. Ook in de kaatsbaan, die niet bij de universiteit hoorde, leverde hij drank: op 10 juni 1632 had een van de ordebewakers van de academie vanaf de brug aan het eind van het Noord, precies tegenover de herberg van Coumans, gezien hoe een knecht bier uit de herberg naar de kaatsbaan gebracht had op de westzijde van het Hocquart. Hiertegen maakte de rector magnificus namens de universiteit bezwaar. Het stadsbestuur ontzegde Coumans op 20 augustus 1632 het recht om nog langer voor het gerecht te practiseren; Coumans was namelijk ook notaris, sedert 1615. De volgende dag leverde inspectie van de kerfstokken bij Coumans het bewijs van zijn illegale leveranties.
Een kerfstok was een lang, plat, geschaafd stokje, ongeveer als een lineaal, maar wat dikker, waarop door kerfjes of insnijdingen aangegeven werd hoeveel broden, pinten bier enz. de houder van de kerfstok bij een bakker, herbergier enz. op krediet gekocht had. Veelal kwamen ze in stellen van twee voor: één voor de winkelier en één voor de koper. De kerven op beide stokken moesten overeenstemmen. Iemand die veel op zijn kerfstok had, had veel schuld. Tegenwoordig passen we dit gezegde toe op iemand die veel heeft misdreven.
Coumans kon ondanks de vele klachten zijn gang blijven gaan. Het kwam zelfs zo ver dat hij door verkoop aan anderen geen bier voorhanden had, om aan bestellingen van leden van de academie te voldoen. Daardoor verloor hij ook zijn populariteit onder de studenten.

Kabaal in de kaatsbaan

De ontevredenheid van de studenten kwam tot uitbarsting op 12 september 1653. Onder aanvoering van een zekere Job Waersegger, student in de rechten, afkomstig uit Zierikzee, ontstond er een oploop van heel wat studenten, die in het huis van Coumans vernielingen aanrichtten en het huisraad, zijn bibliotheek en alle papieren roofden. Ook de inventaris van de kaatsbaan ging er aan. De bomen in de tuin daarachter werden afgeknot. De linden voor het huis werden eveneens omgehaald. Coumans moest met zijn vrouw en vier minderjarige kinderen een goed heenkomen zoeken. Toen pas is door GS ingegrepen: het monopolie werd aan Coumans ontnomen en de privileges van de universiteit (tijdelijk) ingetrokken.

De carrière van Coumans

Over een en ander is door Coumans een langdurig proces gevoerd bij het Hof van Friesland. Ook is hij nog begonnen met het herstel van zijn woning. Bezwaren van buren tegen een uit bouw hebben hem uiteindelijk naar een andere werkkring doen uitzien. Op 15 september 1634 is Coumans gepromoveerd tot doe tor in de rechten, In 1656, op 2 maart, liet hij zich als advocaat inschrijven bij het Hof van Friesland te Leeuwarden. Tien jaar later overleed hij aldaar.

Consequenties van de kaatsbaankwestie

Opmerkelijk zijn de verminderde aantallen nieuw ingeschreven studenten aan de Praneker academie in de jaren 1633, '34 en '35. Boeles vermoedt dat dit is te wijten aan het vertrek van Schotanus en Amesius, waardoor Maccovius als enige hoogleraar in de godgeleerdheid overbleef. Wij denken dat eerder de kwestie van de kaatsbaan en de privileges hiertoe aanleiding heeft gegeven. Na de moeilijkheden met de Oostfriese student Georgius Borchers in de jaren 1627-1629 was het aantal inschrijvingen in de jaren '30, '31 en '32 juist weer gestegen, vermoedelijk mede dank zij de kaatsbaan.
De kaatsbaan heeft nog tot het eind van de zeventiende eeuw bestaan. Behalve het hier geschilderde uit de roerige beginjaren is er weinig van bekend.

De kaatsbaan in kaart gebracht

Als men wil weten waar de zeventiende-eeuwse studentenkaatsbaan in Franeker stond, kan men drie bronnen raadplegen. Allereerst de geschreven bronnen: in het relaas door een van de ordebewakers van de academie van wat er was gebeurd op 10 juni 1632 wordt de westzijde van het Hocquart genoemd. De herberg van Coumans bevond zich daar tegenover, op de hoek van de Noordermolenstraat (nu het Noord). Vriemoet heeft in zijn "Athenarum Frisiacarum libri duo" op blz. 886 de herberg abusievelijk gelokaliseerd op de hoek van de Molensteeg. Daardoor is door anderen, waar onder C. Roersma in zijn "Franeker in oude ansichten" (afb. 40), gemeend, dat de kaatsbaan in de Molensteeg heeft gestaan.
Onder de straatnamen van Franeker komt de benaming Oud Kaatsveld voor; vgl. C. Roersma, Franeker straatnamen, blz. 63-64. De straat ligt ten zuidoosten van de binnenstad, juist buiten de gracht. Met de plaats waar de vroegere kaatsbaan stond, houdt deze benaming dus geen verband. Op het Oud Kaatsveld is in de 18de en in de eerste helft van de 19de eeuw in de open lucht gekaatst. Tenslotte geeft vergelijking van oude Franeker stadsplattegronden definitief zekerheid over de plaats van de kaatsbaan. Op de plattegrond van Pieter Bast uit 1598, ook afgedrukt in Winsemius' Chronique van 1622, is de kaatsbaan natuurlijk niet te zien, omdat hij toen nog niet bestond. Wel zou men hem verwachten op de plattegrond van Joan Blaeu in diens "Tooneel der steden" (Amsterdam 1649): blijkens de opdracht aan rector magnificus J. A. van der Linden van de Franeker universiteit is die in 1643/1644 vervaardigd. Toch staat de kaatsbaan er niet op, wat betekent dat niet de toestand van 1643 is weergegeven maar van daarvoor, zelfs van voor 1630, ofwel dat de omstreden kaatsbaan met opzet niet is afgebeeld.
Pas de door de landmeters Sjoerd Ates Haacma en Sytse Gravius rond 1660 naar de aktualiteit bijgewerkte plattegrond van Franeker laat de kaatsbaan zien. Deze kaart is te dateren na de dood van professor Bernardus Fullenius (27-1-1657) en voor het verschijnen van Schotanus' Beschrijvinge van de heerlijckheydt van Frieslandt (1664), waarin de plattegrond is opgenomen. Bij nauwkeurige beschouwing is te zien dat eerst de kaart van Blaeu in kleiner formaat is nagetekend en dat daarna correcties in de drukplaat zijn aangebracht. Op deze kaart (noorden beneden, zuiden boven!) staat het langgerekte gebouw ten noorden van het Sjaerdemaslot (het tegenwoordige Sjukelan), vlakbij de vestingwal, in een boomgaard. Als de weergegeven verhoudingen betrouwbaar zijn, dan was de kaatsbaan ruim 30 meter lang, 10 meter breed en tot de daklijst minder dan 10 meter hoog.
De Encyclopedie van Diderot en d'Alembert geeft voor de binnenmaten van een "paulmerie" (kaatsbaan) 30x12x15 meter. Wat de hoogte betreft lijkt de Franeker kaatsbaan daarvan duidelijk te hebben afgeweken.
Sedert 1853 organiseert een permanente commissie, de PC, te Franeker jaarlijks op de vijfde woensdag na 1 juli een kaatspartij, het hoogtepunt van het kaatsseizoen, eveneens de PC genoemd. Gespeeld wordt op het grasveld waar vroeger het Sjaerdema- of Sternseeslot stond, niet ver dus van de plaats waar van 1630 tot 1684 studenten in de kaatsbaan de binnensport kaatsen, een soort tennis, beoefenden.

Literatuur

• W. Annema, De hooge tinne bij de Westerpoortsdam, In: De Franeker Courant, 17 juli 1981.
• W.B.S. Boeles, Frieslands hoogeschool en het Rijks athenaeum te Franeker, Leeuwarden 1878-1889. Vooral deel I, blz, 42, 296, 317 en 318.
• Diderot et d'Alembert, L'encyclopédie. Planches et commentaires présentés par Jacques Proust. [Paris 19851; 837-839: paulmerie.
• M. Engels, Een tuchtkwestie aan de Franeker universiteit, 1627-1629. In: De Vrije Fries 58(1978), 101-109.
• A. Hallema, It omstriden monopoalje fan de Frentsjerter studintehospes Johannes Coumans (I632), In: It Beaken XIX(1957), 117-134.
• J.J. Kalma, Kaatsen in Friesland. Het spel met de kleine bal door de eeuwen heen. Franeker 1972; vooral blz. 48-51.
• J. Lolkama, Perken, parturen en koningen. Honderddertig jaar georganiseerde kaatssport in Friesland. Akkrum 1983.
• A. de Luze, La magnifique histoire du jeu de paume. Bordeaux 1933.
• H.T. Obreen, Franeker: inventaris der archieven. Franeker 1974.
• C. Roersma, Franeker in oude ansichten. Tweede druk. Zaltbommel 1986.
• C. Roersma, Franeker straatnamen. Zaltbommel 1980.
• E.L. Vriemoet, Athenarum Frisiacarum libri duo. quorum alter praeter historiam academiae, quae est Franequerae, elogiae sereniss. & ampl. ephororum, alter cl. professorum cum serie secretariorum, bibliothecarum nee non inspectorum oeconomiae publicae a natalibus eius ad praesens aevum usque complectitur. Leovardiae 1763.

>> begin