>> HOMEpage

Friese spreekwoorden, verzameling 1614

Bewerking van de uitgave van J.H. Brouwer en P. Sipma (1940)
door M.H.H. Engels; eerste versie: 2 februari 2007; men melde typefouten! Inleiding toegevoegd mei 2007.
Ter ere van mevr. Dr. A. Feitsma prof. em.


incipitInleiding

• De verzameling Friese spreekwoorden is overgeleverd in een handschriftje in pocketformaat dat de initialen C.G. V B. met het jaartal 1614 bevat van de eigenaar. Tot nu toe dacht men daarbij aan [Carel] Georg van Burmania (ca. 1570 - 1634), hoewel die zich altijd Georgius of Jurjen noemde en nooit de voornaam Carel gebruikte; vgl. F.J. van der Kuip, De Burmania-sprekwurden: Santjinde-ieuske Fryske sprekwurden ferklearre en yn har tiid besjoen, Leeuwarden 2003. Burmania heeft de verzameling in elk geval niet zelf (af)geschreven: hij schreef namelijk nogal klein blijkens zijn brieven. Hij zou het afschrift voor zichzelf door een afschrijver hebben kunnen laten maken.
• Aannemelijk is dat de verzameling ontstaan is in het milieu van Franeker studenten of oudstudenten. De juristen en humanisten Johannes Saeckma (7.11.1572-22.12.1636) en Sibrandus Siccama (6.9.1571-31.5.1622) hebben voorbeelden van Friese spreekwoorden opgestuurd aan Janus Gruterus. Saeckma en Siccama maakten deel uit van groepjes studenten die samenwerkten. Siccama woonde met Thomas Herbajus en anderen in bij Johannes Arcerius, de hoogleraar Grieks. - Een mooie korte biografie van Siccama geeft A.C. Fokkema-Siccama, De Siccama's [1971]. - Alle studenten werden toen geacht zich ook in de "artes" te bekwamen, m.a.w. humanist te zijn. Humanisten waren ook de Franeker professoren van het eerste uur. Henricus Schotanus, de eerste hoogleraar rechten te Franeker en leermeester van Saeckma, Siccama en Herbajus, gebruikte in zijn brieven - in humanistenlatijn - aan Saeckma vaak spreekwoorden, d.w.z. adagia (van Erasmus) zoals Dura vel quercus multis cadit ictibus (20 december 1599). Johannes Drusius, de hoogleraar Hebreeuws, verzamelde Hebreeuwse spreekwoorden en gaf ze uit onder de titel Adagiorum Ebraicarum decuriae aliquot nunquam antehac editae, Franequerae 1597; in 1590 had hij al Proverbiorum classes duae, in quibus explicantur proverbia sacra & ex sacris litteris orta gepubliceerd. Drusius was geliefd bij de genoemde drie studenten; Herbajus verdedigde hem tegen aanvallen van Sibrandus Lubbertus, de eerste hoogleraar theologie.
• Herbajus studeerde nog in 1599, toen hij al enige jaren advocaat was bij het Hof van Friesland. Hij is wel als Fries nationalist bestempeld; vgl. G.Th. Jensma, "Uit het huis van Arcerius" en de database van S. Zijlstra. Saeckma gaf op aandringen van Siccama na de dood van Herbajus (20 mei 1613) diens juridische verhandeling over rechtszaken van alledag uit: "Liber singularis rerum quotidianarum", Leeuwarden 1614. Blijkbaar kreeg Saeckma de correspondentie en aantekeningen van Herbajus. Het door Herbajus geannoteerde exemplaar van het mede door Saeckma opgestelde nieuwe wetboek van Friesland, gedrukt in 1602, hebben Johannes Saeckma en diens zoon Theodorus verder van handschriftelijke aantekeningen voorzien. Het Fries eigene had bij Saeckma, Siccama en Herbajus veel aandacht.

initialen eigenaar 1614

Niet van Burmania maar van Beveren

• Men is er begrijpelijkerwijs altijd van uitgegaan, dat een Fries de eigenaar is geweest van het genoemde handschriftje. Ook niet-Friezen waren echter geïnteresseerd in de Friese taal en in Friese spreekwoorden, bijvoorbeeld Franciscus Junius en Jan van Vliet. Dat heeft mij aanleiding gegeven eens te kijken naar een andere naam achter de initialen. In het register achterin de uitgave van het Album studiosorum academiae Franekerensis, Franeker [1968], vond ik al snel "Beveren, C.G. f. a [nr.] 1019". Het bleek te gaan om de op 24 oktober 1607 ingeschreven Cornelius G(uillaumi) f(ilius) a Beveren, Dordracenus.
portret Cornelis van BeverenCornelius Gulielmi F[ilius] a Beveren Dordracenus is 26 juni 1609 op 19-jarige leeftijd als rechtenstudent ingeschreven aan de universiteit van Leiden. Het leven van Cornelis van Beveren (1591-1663), heer van Strevelshoek, is beschreven door G.D.J. Schotel in diens Geschied-, letter- en oudheidkundige uitspanningen, Utrecht 1840, blz. 63-68. Van Beveren had op de Latijnse school van zijn geboortestad onderwijs gevolgd bij Gerardus Johannesz. Vossius. In de jaren 1612 en 1613 maakte hij met drie anderen een studiereis naar Orléans, alwaar hij promoveerde tot doctor in de rechten. - De "Notulen van zijne Walsbrabantsche, Fransche, Switsersche ende Hoochduytsche reysen" in een perkamenten quartoband bevinden zich in het familiearchief Beelaerts van Emmichoven (nr. 119) te Den Haag. -
• Te Dordrecht volgde hij zijn vader op als rentmeester-generaal van Zuid-Holland. Tienmaal was hij burgemeester van Dordrecht. Hij werd afgevaardigd naar de Staten van Holland en vervulde talloze gezantschappen. Met de grootste staatslieden van zijn tijd onderhield hij contacten. Hij beheerste het Grieks, Latijn, Engels, Spaans en Duits. Als redenaar werd hij bewonderd. In zijn vrije tijd bedreef hij geschied- en oudheidkunde. Na het overlijden van zijn vader Willem in 1631 werd hij heer van kasteel Develstein, waar hij talloze geleerden ontving. Hij was bevriend met onder anderen Cats, die hij in 1644 als curator van de Leidse hogeschool opvolgde, Jacobus Lydius, de al eerder genoemde Vossius, Daniel en Nicolaas Heinsius, Caspar Barlaeus en Hugo de Groot.




Fragment van folio 73 recto uit de "Notulen"

Voorbeeld en geschiedenis

• Terug naar het handschriftje dat opmerkelijk genoeg een Nederlandse titel en ondertitel heeft. Het heeft geen titelblad maar een incipit. Dat luidt Der oude vrije Friesen Spreeckwoorden. Deze titel is van dezelfde hand als het eigendomsmerk; vooral de cursieve v is kenmerkend. "Der oude vrije friesen / Spreeckwoorden" is door Cornelis van Beveren zelf geschreven, in de cursieve vorm (schuin, naar rechts hellend) van zijn handschrift. De ondertitel en de Friese tekst zijn genoteerd in geposeerd, staand schrift. Men vergelijke de verschillende e's.
• Het jaartal 1614 deed mij denken aan Herbajus, die zoals gemeld overleed in 1613 en wiens schriftelijke nalatenschap werd beheerd door Saeckma. Misschien heeft Saeckma wel aan het sterfbed van zijn vriend gezeten: die woonde blijkens het Leeuwarder schoorsteengeldregister van 1606 in Minnema-espel, in de Grote Hoogstraat of de Poststraat; dat was niet ver van de Huizumer zuupmarkt (tegenwoordig Berlikumermarkt) in Keimpema-espel waar Saeckma's huis stond. Of het origineel dat van Beveren heeft gecopiëerd, van Herbajus is geweest? Ook van een van de exemplaren van Saeckma en Siccama kan hij zijn afschrift gemaakt hebben. Niet bekend is of Van Beveren in 1614 een bezoek aan Friesland heeft gebracht d.w.z. aan Saeckma te Leeuwarden en/of aan Siccama te Bolsward.
• In wiens bezit het handschriftje was na C.G. van Beveren (1561-1663) en vóór prof. Everwinus Wassenbergh (1742-1826) is nog onopgehelderd. Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) kocht het in 1828 op de veiling van de bibliotheek van Wassenbergh. Halbertsma heeft zijn bibliotheek gelegateerd aan de Provinciale Bibliotheek van Friesland te Leeuwarden, nu onderdeel van Tresoar. Het handschriftje heeft signatuur 213 Hs.
• De druk van de Oude Friese Spreeck-woorden, Franeker 1641, zal wel van het handschrift afgeleid zijn, maar is geen exacte kopie daarvan. De druk heeft namelijk niet alle spreekwoorden die in het handschrift staan en bevat bovendien spreekwoorden die niet in het handschrift voorkomen. Er moeten wel meerdere kopieën van het handschrift in omloop geweest zijn. Een of meerdere daarvan zijn door de drukker gebruikt en nadien verloren gegaan. (Van der Kuip 49).

Bomke boppe!

• Nr. 107 van de verzameling luidt (Van der Kuip blz. 181): Bomke boppe zey die Borgemaester fin Frencker t'jen Sijn Excel. Mauritius. Deze spreuk heeft waarschijnlijk betrekking op een voorval dat opgetekend is in "Triumphus Groninganus", een dichtwerk van de Franeker student Patroclus Bokelman dat in 1594 is uitgegeven. Na de verovering van Groningen in de zomer van 1594 reisde Maurits via Friesland terug naar Den Haag. In Franeker werd hij door de bevolking met enthousiasme ontvangen en door het stadsbestuur onthaald op een feestmaal. Bij die gelegenheid sprak de burgemeester de prins toe met een drinkbeker in de hand, die hij vervolgens op Maurits' gezondheid in één teug leegdronk. Deze zeispreuk zegt iets over de tijd en plaats van ontstaan van de verzameling. De eigenlijke uitdrukking "Bomke boppe" is te verklaren met "Bottoms up, Ad fundum, Drink uit, Proost!"
• Interessant is dat Cornelis van Beveren, die zijn studiën te Franeker begon, op 20 januari 1608 aan de universiteit in het openbaar een lofrede op Maurits heeft voorgelezen: Oratio in laudem ... Mauritii, Comitis à Nassau ... Gubernatoris Confoederatarum provinciarum strenuissimi / recitata publicè in Athenaeo Franequerensi a Cornelio G.F. à Beveren, 20. Ianuar. anno 1608; gedrukt door Aegidius Radaeus; met een gedicht op van Beveren door Hadr. S. ab Helmich Gelropolitanus (student rechten sedert 29 augustus 1605; ASF 885); 32 pp. in quarto; ex. in UB Groningen. In schril contrast hiermee staat de schoffering van prins Maurits door de Friese afgevaardigde ter Staten Generaal Tinco Oenema in de vergadering na de horing van de Spaanse vredesonderhandelaars op 26 januari 9 (d.i. 5 februari nieuwe stijl.) 1608; vgl. blz. 107 van de kostelijke uitgave met vertaling van het Diarium Furmerii, Dagboek van Bernardus Gerbrandi Furmerius, 1603-1615, Landsgeschiedschrijver van Friesland, door D.W. Kok (annotatie: Onno Hellinga), Leeuwarden 2006.

Gabbema

• Simon Abbes Gabbema (1628-1688) stelde ca. 1675 in handschrift een verzameling van "Fryske bywirden" op; die bevat niet de nummers 26, 318 en 1117 uit de verzameling van Beveren. Van der Kuip geeft verklaringen voor het ontbreken van 318 en 1117: het eerste is door een andere hand aan het eind van de letter G later in het handschrift v. B. toegevoegd, het tweede is een doublure van 1100. Waarom heeft Gabbema nummer 26 (Al peteereste meij Ingelsche tongen) niet opgenomen? Omdat het een bijbels spreekwoord is? Ik merk op dat in het handschriftje links van dat spreekwoord met zwarte inkt een NB is toegevoegd, evenals trouwens bij nr. 40. In dezelfde inkt staan bij 5, 6 en 9 de "leestekens" ·|·. Ik denk aan de hand van Franciscus Junius. Heeft hij het begin van het handschriftje, bij Gabbema, gelezen? Is "meij Ingelsche tongen" in het spreekwoord 26 opgevat als "met Engelse tongval" en als denigrerend opgevat?
• Het handschrift Gabbema heeft een Friese titel i.t.t. het afschrift dat van Beveren in 1614 maakte. Waarschijnlijk had het voorbeeld ook al een Friese titel: dat de Hollander die vertaalde voor zichzelf en zijn omgeving, verbaast in dat geval niet meer.


Naam op de band van het reisverslag 1612-1613



Ondertekening en (later overschreven) adres van Beverens brief uit 1633 aan Caspar Barlaeus (UB Amsterdam)
Aen den E. Hoo[ch]geleerden/ H[ee]re/ D. Casparum Barlaeum/ professorem in de Hooge/ Schole van/ Amsterdam




Der oude vrije Friesen / Spreeckwoorden / gelijck d'zelve huydendaegs / bij heur ende niemant anders / in haar eigen vaderlant gebruyckt / ende gesproocken worden, bij de / letter A. B. C. &c. gestelt.

A.
1 Aade tiercken habbe tioestere glesfinsteren.
2 Aad iold, aad hae, aad brae, stiet ien wol te stae.
3 Aade lioe siecke herre gemack.
4 Aade hounen is quae bijlien te leeren.
5 Aebe Siucksma luinen.
6 Aede klaen, da monie naet.
7 Aede lioe mottet fin de tafel hellie.
8 Aede foxen binne quae te faen.
9 Aerde droes aerde.
10 Abe schil wol werre wirde.
11 Aermoed siect list.
12 Aest off west, t'huws ist best.
13 Al is de tiercke graet de priester sionck luckel nin meer off luder alsser meij.
[p. 2]
14 Alle baten heilpe seij t goe wijff en roege meij de nirle.
14a Alle vrachte lichte, seij de schipper, en wijdse buijten boerd.
15 Al lioumet naet, men meij wol sillich wirde.
16 Alle backten en brouten locke naet allijcke wol.
17 Alle ieeren hatte nijs.
18 Alle geesten motme naet liouwe.
19 Alle loffsangen habbe ieen eijn.
20 Alle kaepers binne nin kenners.
21 Allijcke folle, is goe te delen.
22 Almans frioun, is almans gick.
23 Al noagh koecke fin ien daij.
24 Al schoet mij mijn kraege kostie.
25 As het io wol giet, soo tinse om uws aeck reijs.
26 Al peteereste meij ingelsche tongen.
27 Al soo wol hier biechte, als onder de galge.
28 Al speriende momme wol sed ijte.
29 As ic deed bin, is alle wraad meij mij daed.
30 Ast wol, zoo kelie de ouxen.
31 Al tingh hat zijn beschee.
32 Al tijden isser op zijn afterschip.
33 Al te folle is ongesoun.
[p. 3]
34 Al te let, zeij de exter, en hie de bout ijne eers.
35 As him de fingeren allycke langh binne, dan schil hij him verbetterie.
36 Al to tijgge seij maester Ouge, en berd ien Philips goune voor ien botzen.
37 As God uws plaegie wol, dan benimpter uws de wijsheit.
38 As mijn broeck ien pijper seck is.
39 Altijden freije de rijkelioe, hoe de aerme oont goed komme.
40 Aadmoer Ock, koacket lock to schorstein uijt.
41 Aad waegners heere iern het clappen fin de swijpe.
42 Aelen om de raeck.
43 Aelen om weer aelen.
44 Al binne mij de klaen schurd, het hert is luckel veel.
45 Ast al baern, soo baarnt het wetter luckel naet.
46 Aden ist seij Nolcke, en saegh de prester op zijn wyff.
47 Ast dwaen naet dooch ist litten best.
48 Al kaem S. Pieter selm uijtte hijmel.
[p. 4]
B.
49 Baene sticken binne gaeu op.
50 Baen tienst is onwird.
51 Bange baene brecke as brij.
52 Bargeboort, nijtke bydrugge.
53 Ba weer, zoo ist betelle.
54 Bergen wirde dalen, ende dalen wirde bergen.
55 Bern fin ien ijeer, en tzieen ijeer allijcke wijs.
56 Better aet as naet.
[p. 5]
57 Better bee dan nin.
58 Better by tyd weeromgien, dan quaelijc voord gien.
59 Better bijnijd dan beclaegge.
60 Better dat tierge haat dan tierge iout.
61 Better dat de weijn giet, danner stiet.
62 Better ien goe aad, dan ien quae iongh.
63 Better ien quae heij, dan t' krioesken alle deij.
64 Better fincken ploacke, as leegh sitten.
65 Better ijne fuwgle sang, dan ijne heren klangh.
66 Bij deageste ijnde krijsmisse?
67 Bij nij en bij nee.
68 Bijgien man die selden goe kaepenschip.
69 Bij t' voick is d' neringe, seij de blijne.
70 Bijt ick mij selm de noas aeff ick schein mijn aensicht.
71 Binne der meij all dijn fynen all versleijn.
72 Bijnt dij om de knibbel, soo slacht het dij naet omt hert.
73 Billert en Wab, Coster en Lolck, is all ien folck.
74 Berint de waesighe voet aet, de ieschige berint doch naet.
75 Bistet spoar bioester?
[p. 6]
76 Biste alheel weijnomn.
77 Biste ijne baene?
78 Biste maal? soo lit dij bijne.
79 Bistu maal? lit mij wijs wesse.
80 Bij alle gantscheyen,
81 Bij tioester binne alle katten graew.
82 Bijt mij de noas naet oaff.
83 Bolbraed heijte komt.
84 Bonn ijn, as de bolle ijne raeck.
85 Boseme raam.
86 Botnia speckijters.
87 Borgien mecket sorgien.
88 Braed bij de licht, tzijs bij de wicht.
89 Boere wee, licht wol.
90 Bom-bam, Noscke is daed.
91 Bijgammen.
92 Buten doar besletten, is haest vergetten.
93 Boppe oppe haep, allijck de hinnen.
94 Baijeme font.
95 Blauwe Fedde stiet om de doarsherne.
96 Best isser, deer best det.
97 Blancke lioe binne tier, ia mogge naet ien wijte turff verterre.
98 Buter ijne brij, is wol fin mijn flij.
[p. 7]
99 Better ien blijn hijnst, als ien leegh helter.
100 Binne iemme om fiour kommin.
101 Buter en brae en tzijs, tis goe huwsmanne spijs.
102 Better ien goefrioun beschijten als de man selm.
103 Bern dwae berne wirck.
104 Brune pijper is d' beste.
105 Bijne ion hoepen fest.
106 Bij de schorstiens herne fraer ien muwnts dae.
107 Bomke boppe zeij de borgemaester fin Frencker ien So. Excellentie Mauritium.
[p. 8]
C. vide K.
D.
108 Da aade feijnten habbe de droes sioen.
109 Dat de hijmel foei hat schoener al aade pispotten brecke.
110 Da him pap baen waerd, quoe hij da naet gapie?
111 Dat is ien roun O.
112 Dat schort al aadsillich.
113 Dat nim ien houn op zijn ziel.
114 Dat is ien oppe nij, seij Sijtze taper, en sloegh zijn wijff op Paessche monnedeij.
115 Dats de text meij de gloos.
116 Dat is om de langher stoack.
117 D' aerste simmer-vuggel is ien aad wijff ijne sinne onder de huwswaeg.
118 Dat all man seyt wol iern wier wesse.
119 Dat mot ijnt reijd rinne.
120 Dat binne de ketten deer ick sieck.
121 Dat schil mennich moers bern iette begalle.
122 Dat schoe ien schiep wol mercke.
123 Dat schoe ien eern zijn iongen naet todraghe.
[p. 9]
124 Dat wier ien maesters stick.
125 Dat somme schriuwe.
126 Datste mijn wierste hoe lijck wierste mij.
127 Da fin Minnertsgae saelie ier en rijde let.
128 De aade meime ontrinne, maer naet ontriede.
129 De aecxter flucht zoo fier naet de stirt mot luckel folgie.
130 De aeijen gae nu op gouden schoncken.
131 De blijne mot wol staen, zo langh as de latger wol gaen.
132 De blijne recket de lirts wol.
133 De brij is op, t' best fin de deij is weij.
134 De bern bij de striete wij ter fin te sidsen.
135 De daed wol ien ourseck habbe.
136 De droes en zijn moer soent naet betinse.
137 De doar to, de heidens komme.
138 D' eene schalck hat d' oore foun.
139 De eijn besurettet all.
140 De eijn drecht de lest.
141 De foarste dwaet, dat de afterste naet ijne t' ziercke mogge.
142 De forstandige is haest noach seyd.
143 De frembd ku slicket fremd kael.
144 De fuwcke is hier al fanle.
[p. 10]
145 De gecken schilme nin hael mecke wirck siaen litte.
146 De haegste kliuwers, en de diepste swommers, bliuwe alderaerst.
147 De gies meiicke.
148 Deijnume supetapers.
149 De goede vergrijpt him, de quaede vertaest him.
150 De leid kompt naet meij laijtzen.
151 De goetwillige schilme naet te fier firdgie.
152 De hannen wieren him doe naet schien.
153 De houn sit him oppe tasche.
154 De heijligen komme omt waecx.
155 De kers deer foor giet, liucht best.
156 De ionge mieren is folle hijnste kiete ijne weij.
157 De ku ijt nu meij vyff tuwten.
158 De kers baemt ijne pijp.
159 De kanne wol draegen wesse.
160 De leed-stoack stiet alderlangst.
161 De Laauwe mecket mennich minsche soun.
162 De leste sleeck heijntet boerd.
163 De man is op duijntzeheij.
164 De maester wier deer fin huws.
[p. 11]
165 De mijder verwint de stryder.
166 De moanne giet tebier.
167 De muwie is her naet beklume.
168 De leppel is deer naet te schotich.
169 De onbesorgde bijt mecket de hals wijt.
170 De muwle dettet dat d' eers slicken krigget.
171 De kaep nimt de hier op.
172 De kuckuyt ropt hier [in] Friesland nimmermeer voor maije.
173 D' onschamele het de tredde part vin de wraed.
174 De schurre sprect oppe scherne.
175 Derten liette.
176 De righ is him to stioegh.
177 De siecke leijt op het bed, en de faije gieter om, oft stieter foor.
178 De sillige recket de mieltyd, de onsillige de slicken.
179 De stomme schillet wol sidse.
180 De swan behoeft syn feeren zoo wol as de mosck zyns.
181 De swarte ouxe hat dij ijette naet oppe voet wessen.
182 De toscken wetterie him deer neij.
[p. 12]
183 De waeger is de winner.
184 De tonghe is him te langh.
185 De witsliae binne him te britzen.
186 De wijn is west, elc verstant int best.
187 De wraed is opt lest.
188 De uwie en de berre, habbe naet allijcke graet lock.
189 Dij droaget fin schollen.
190 Dij man is all opt tierchoaff.
191 Dioere schippen lisse lang one waal.
192 Dijn aad schoen da wijttet wol.
193 Deer aermlijck sit, waermt him rycklijck.
194 Deer aerst kompt, d' eer aerst maelt.
195 Deer aende is, deer is eere, seij de coster en sloeg de bijldem om eers.
196 Deer backt noch brout nimmen voor ien oor.
197 Deer berne braed ijt, deer meij schaane sit.
198 Der bern uijtseynt, crijget bem weer t'huijs.
199 Der bettert nin tingh oppe ield.
200 Dir bliuwt dir bekliuwt.
[p. 13]
201 Dir de bolle hat bij de raep krijget de kuw te kaep.
202 Dir de begrijp graet is, is de fronschap lijts.
203 Dir de heren rycle, deer stuwt de moude.
203a Dir de beedlers donsie, deer stuwe de lapen.
204 Dir de houn zijn stirt leyt ist schienfegge.
205 Dir de kock steert finger honger en de schinser fin toarst, deer gietet naet wol to.
206 Deer de nuwt wol ijte motze kraecke.
207 Dir de weijn leydt ijne firde, deer valle volle wirden.
208 Deer dit naet meij, gongh to persinnes.
209 Deer eemet nimmen better as de man selm.
210 Deer fin flouwen beswijmt, dij tzienet bij hun naet to sitten.
211 Deer folle bern binne, smellet de eecker.
212 Dir naet is verliest de keijser zijn riucht.
213 Dir naet is, nimme saen wapende ruijters naet.
214 Deer naet tevreden is, dij is naet to helpen.
[p. 14]
215 Dir neij ien gouden wein stiet haest krijggeter ien gouden lins.
216 Dir naerne wesse wol, ken naerne comme.
217 Dir sieckt nimmen ien oar ijne oun, of hij isser selm uijtstoun.
218 Dir binne soo volle heren to nijgien, seij de frosck en laij onder de eyde.
219 Dir zijn lock to verre wist, wier gaeu rijck.
220 Dir schoe de droes om laijtze.
221 Dir schoeme wol leere bern meij stille.
222 Dir schuijlet de hasse.
223 Dir schoe naet ijen luws op hefte al wierse op ijssporren besleijn.
224 Dir stijcket ien aaden ien ijn.
225 Dir schoe wol ien mounts op dounsie soo hird is de brij.
226 Dir t'fioer nest is, baernt hem aerst.
227 Dirt forwol, dij forwirtet.
228 Dir hette compt, dij compt hette.
229 Dir t' lijts versmaet wirt het graet nin heer.
[p. 15]
230 Dirt naer is, mot ment naer nimme.
231 Dir to let comt, dij mis sit, off mis it.
232 Dir tioelet, hat zyns naet al.
233 Dit is God waadts.
234 Drock is nimmermeer lock.
235 Dwae alle lioe de muwle naet eepen.
236 Dronckene muwle sprect hertsen groun.
237 Du borreste mij dat gat naet.
238 Du compst ast schiep schern is.
239 Du schitter nin zyde by spinne.
240 Du slagster neij as de blijne neijt aeij.
241 Dus schoene iemme wol leere al wier ic dae.
242 Du haeste altyd dijn ein als alle malle lioe.
243 Du kenste dijn eijn corsten wol bijte en sonder tijenner wtte schimmel ijte.
244 Du verstietstet dij naet, wier meij dat de goes pisset.
245 Dat gingh our de haege schoen.
246 Dat hier is al sticken, deer de buter pliege gaer te haeden.
247 De schae mot voor de bate uwyt.
248 Dat is al voorbij, deer van compt is nij.
[p. 16]
249 De wirden binne goed, seij d' uwle en saegh ijne sauter.
250 De houn crijgget wol ien bien deer him naet tocht wier.
251 Dat comt van lang preeckien zeij de bagijn en schiet ijne boeckzeck.
252 De stienen binne hird tot tredden.
253 Deer schil wol ien goe aad uijt waxe.
254 Deer t' fioer behoeft, dij siecktet ijne ijscke.
255 Dyn mout is iette naet to bier komt.
256 De ku schit ijn ien reijs soo folle als de liourck ijnt hele ieer.
257 Deer de baargh ringie wol mot him het gieren traeste.
[p. 17]
E.
258 Edelyck seij de winck, en hie maer ien iongh.
259 Een wrigge is quae, twae binne iette folle quaeer.
260 Een ken allinne nin ray meijtse.
261 Eerme omsaeg, hiert op.
262 Een stien ken allinne nin moal melle.
263 Een spijle mij dat neij.
264 Een schurre schiep mecketter folle.
265 Eer mocht ick naet, letter docht ick naet.
266 Ein hird is gold wird.
267 Ein sporren, en hierd oft liend hynst siae wol ourre weij.
[p. 18]
268 Eick is ien tieeff in zijn neringe.
269 Eick siect him selm, soo wirter nimmen weij.
270 En apel ijne maeij, is soo goet as ien aeij.
271 En gled iel bij de stirt.
272 En goed schutter schiet wol mis.
273 En hael ieer is naet one stoack boun.
274 En houn is stout op syn eijn daam.
275 En quae hex.
276 En quae trielingh.
277 En ioun hynst sowme naet ijne tuwt siaen.
278 En leegh buwck ken queick de sliep fyne.
279 En lange siucht is de wisse daed.
280 En kniesd reid, heerme nact voord te brecken.
281 En onwillich breid is quelck dounsien te leren.
282 En sleeck oppe tuumme, dat de neijl schume.
283 En seijd wird, is nin dien diede.
284 En houn ist, deer ien houn verkaepet.
[p. 19]
285 En aats wijffs droom.
286 En donger-polsche: is ien roun pansse meij flasck, koecke, rosynen, moal ende oors fold.
287 En bouman fin ien ieer, en saan icer, allijcke wijs.
288 En ongeluck kompt selden allinne.
289 Eere is ien graet schat.
290 Eere cost folle to haaden, blijd dat ick mijns quyt bin, seij de faam.
[p. 20]
F.
291 Faeye secken gae dij oan.
292 Fin en naeu eers kaam nie ien ruum firt.
293 Fier fin huws, hijn bij zijn schae.
294 Fijff fiaern voor de ielne.
295 Fijgen to paesche, podden ijne maeij.
296 Folle hannen meijtze lichte wirck.
297 Folle wijnen, dwae de hase de daed.
298 Folle wirden, folle nin seck.
299 Foor hostien, en voor snuwen.
300 Frijen is frij, t' weegren stieter bij.
301 Fuwl recke fuwl.
302 Fer ick meij io naet, soo fer ick meij ien oar.
303 Fuggelt fin ien feert, flucht iern togerre.
304 Fin ien lijts foncke, compt wol ien graet fiour.
305 Friesche moer goodts.
[p. 21]
G.
306 Gemeinlyc saeijese leegh, dir soo haegh fliaen wolle.
307 Godt iout nin kij by de hornen.
308 Gemack voor eere seij de begijn en ging op paters bed lidzen.
309 Goe ried is hier dioer.
310 Graete eersen behoeve wyde broeken.
311 Graet ist, en iette gretter meckest.
312 Grette gecken fijnt min maest.
313 Guwl oan gorre.
314 Guwe om ien krijskoecke.
315 Groat en moal, hetze ijn her hoal. Viduam designans.
316 Gercke foel fin de tour, oppe tiercke, fin de tiercke oppe ierd, iette waerd Gercke naet verfierd.
317 Gesellen dat ging hiet fin de roster.
318 Gaau hinne en onlanchsem weer tuijs.
[p. 22]
H.
319 Haad dij foet, soo schitte wol dounsion leere.
320 Haad dijn spijt bij dij, en smeerrer dijn schoen meij.
321 Haad dij binne balcke, soo wirdste naet schetten.
322 Hab iemme uws kellen naet sioen?
323 Hab iemmet naet oant ieet, soo nimmet oant wiet.
324 Habbij fochten ien de roat? Incidisti in raucedinem.
325 Hack sieckt zijn gemack.
326 Haege huwsen wirde queld meij rekende schorstienen, stionckende privaten en quae wijven.
327 Hael schien is goe flaecx.
328 Haege turren falle alder hirst.
329 Haestet rockene, soo meijstet aeck oaff spinne.
330 Harcke siet oppe tiercke.
331 Hatte aijen kenner lidze?
332 Hat baet mij ien aegh, as icker naet meij siaen meij.
333 Hat biste ien haintze heere.
334 Hat bringese meij dan een leeg lijff en een scherp mes.
335 Hat compter ien folck to tiercke.
336 Hat d' aade sionghe, dat pijpie de ionghe.
[p. 23]
337 Hat de siecke naet meij, d'eer giet de soune meij weij.
338 Hat haste al nooten ijn dijn zangh.
339 Hattet aecht naet siucht dat beweecht het hert naet.
340 Hat ken ick sidze en swije stil.
341 Hat me haeger flucht hatme leeger saeijt.
342 Hatme de kat meer strijct hatse de righ haeger stect.
343 Hat ien minsche haan wol eer mecke, ken aeck minsche haannen brecke.
344 Hat mijenste dat ick wt ien hijnste holle peteeri.
345 Hat neijer Room hat quaeder Christen.
346 Hat naed ist, spin ick naed, soo haed ick mijn flaecx,
347 Hat schiller naeij komme dan moij waer.
348 Hatte te let volle te let.
349 Halter aijen hij schil wol doppen meijtze.
350 Hattert naet oent goed, soo hattert oent moed.
[p. 24]
351 Hat wier ien migh, ast zijn ruijt naet die.
352 Hat wol ij bij t'laan dwaen.
353 Here boecken binne tioester te lessen.
354 Heren en schieen schoe mij vergaen.
355 Hermana baenijters.
356 Heller en steller habbe allijcke goed deel.
357 Herre aeme meij naet gaer.
358 Heijlich kriors to Snits.
359 Hieer ield to wille, hij schoe de Paus wol stille.
360 Hieer voor syn faar komn, hij hie zijn moer wol krijgge.
361 Hier binne so volle heren to nijgen seij de frosck en de eyde slijpe him oert lijff.
362 Hier komme de paannen gaer.
363 Hier komme wij ijn wus ku finne.
364 Hierom en daerom giet de gies bloots foets.
[p. 25]
365 Hij behoeft folle moal der elck man de muwle stopie schil.
366 Hij bringt de thonger voor de blixem.
367 Hij faalter ijn, as de migh ijne brij.
368 Hij fijnt de houn ijne poat.
369 Hij fiscket after t'nett.
370 Hij flout datmet taeste en fiele ken.
371 Hij hercket meij noas en muwle to.
372 Hij groeijt corts uijt zijn feil.
373 Hij gijsset as de droes ien de deij.
374 Hij hat ien holle, deer libbetter neij.
375 Hij hat after de kokens doar sieck leid.
376 Hij scheint zijn koken naet.
377 Hy loocket ofter baern koorn ijten het.
378 Hij haet him al oant haeger boerd.
379 Hij hat de glorie al ijnde holle.
380 Hij hat ien nijt after t'aer.
381 Hij hattet meij de hals helle.
382 Hij hattet meij de hals betelle.
383 Hij hat ijne petercely schijten.
384 Hij hat meer tho widzen kosten, danner soo omme hals kome schoe.
385 Hij hat zijn appe wol luwse.
386 Hij hat wijn en waer to wille.
387 Hij hat naet ien luws ijne mersse.
388 Hij hat nin lijck sint scheme Wijbe dae.
[p. 26]
389 Hij hat so mennich duwcklich daam ouwer wadde.
390 Hij hat syn haechste sprong al sprongen.
391 Hij giet onder ierde en boppe ierde.
392 Hij waeger syn simmer douns wol oan.
393 Hij iout nin kommer.
394 Hij hat bern noch boet.
395 Hij hinget tussche hijmel en ierde.
396 Hij is after oaff faaln.
397 Hij is haerende doaff en siaende blijn
398 Hij is ijn ien quae planeet bern.
399 Hij is meij d' uwtlisser frij.
400 Hij is nimmen schijldich dan de lioe, de gies monnet hun naet.
401 Hij is rijcker noach, dir him lit noeije.
402 Hij is zijn maester al te ier ontron.
403 Hij is voor holle slein.
404 Hij is zoe quae as ien spin.
405 Hij is meij d' iene foet al ijnt greff.
406 Hij is fin de grouwer eyn.
407 Hij is fin lijts naed verfierd.
408 Hij hinghettet meij him ijnt laed.
409 Hij ken him oan ien strie stiete dattet hele hous davert.
410 Hij kin fint ien tot t' oar naet komme.
411 Hij kent op syn tuwme.
412 Hij ken de vijff wirden maesterlyc iaen.
[p. 27]
413 Hij snijt twa riggen uijt ien baarg.
414 Hij mecket fin ien feest ien tongersleeck.
415 Hij kent goed naet uijt kere, al stoeer meij ien stoack ijne doar.
416 Hij ken nin tuwlen forstaen.
417 Hij ken trogh ien eecken boerd siaen.
418 Hij lit fiolen sorgie.
419 Hij lit Godts wetter our Godts ecker gien.
420 Hij lit soo folle as ien winterbaarg.
421 Hij littet ongemerct hinne gaen.
422 Hij kompt al deer neij kompt.
423 Hij loketter uijt, allyck de muws uijtte moal poat.
424 Hij luwct de pijpen te beelgh.
425 Hij meckettet schien voor zijn doar.
426 Hij meij naet ien ijten kat siaen.
427 Hij luwckter de eers uijt.
428 Hij meij de braedseck naet uijtte huws kere.
429 Him enget fin sijn eijn schaad.
430 Him compt iette ield ijne haan.
431 Hij mot liege off borste.
432 Him meij nin zee te haegh gaen.
433 Hinghet leere oan de klocktouwe.
434 Hij peteeret fin hijmelfallen.
435 Hij meij t' naet lije dat de sinne ijnt wetter schijnt.
[p. 28]
436 Hij prijset him selm, hij hat quae neij boeren.
437 Hij rinter our as de honne our de kollen.
438 Hird ien hird, zeij de droes, en biet ijnt stiel.
439 Hij schater uyt, as de muwnts wtte goe daegen.
440 Hij schert zyn koorn grien.
441 Hij hat ien tuwt datmer wol ien broeck ijn spile meij.
442 Hij mot ien wijff habbe off ien gretter broeck.
443 Hij seijnt ien teeling uijt, om ien eijnfugel te faen.
444 Hij schil de galge iette beschijtte.
445 Hij schil syn man wol fijne.
446 Hij saegh ofter al ien op hie, en d' oore to schoe.
447 Hij siect de wolff.
448 Hij siucht so zoer, ofter ijtick droncken hie.
449 Hij siucht naet ferre, dan him de noas langh is.
450 Hij siucht soo laegh naet.
451 Hij slacht bulen meij aerkessens.
452 Hij slacht S. Egbert, deer de aeijen op ieet, en ioegh de doppen om Godes wille.
[p. 29]
453 Hij schil de waert thuws fyne.
454 Hij sleept al naet der snuwft.
455 Hij sloegh fiouwer tierlen niuggen eermen oaff.
456 Hij sprect balcken ijn twaa.
457 Hij siect de lins.
458 Hij schoe ien rooff voor de hels doar weij helle, en kommer ongescheind fin dinne.
459 Hij ijs soo faeij as de luws oppe kaam.
460 Hij stiet as ien bijpisse prester.
461 Hij schit troch ien faeije eers.
462 Hij stiet op gled ijs.
463 Hij stiet op him selm, as aade Houster toer.
464 Hij stiet bij zyn wird as de hasse bijde bonghe.
465 Hij stijcket ijn ien quae huwd.
466 Hij tiennet naet ijne walde deert hoiken naet lije meij.
467 Hij tiennet wol stieffaer to wessen soo graette sticken snijt hij.
468 Hij is soo derten datter naet wit ofter oppe holle ofte voeten gaen wol.
469 Hij waaghtet al.
470 Hij wol al te folle field beslaen.
471 Hij wit naet op hat eersbil datter sitte schil.
[p. 30]
472 Hij wol de focx naet byte.
473 Hoe bitter is de hout raeck.
474 Hoe kaam dij fuwst ijn dat aegh.
475 Hoe comt paessche dus ijnt laan.
476 Hoe quaer schalck, hoe better lock.
477 Hij wol him opt kessen bijne.
478 Hoe past dij dat harnasck.
479 Hoe sommer ien gat ijn meitse.
480 Hoe huijnste him deer meij.
481 Hoscke muwie en trouwe hannen, mogge wanderie trogh alle lannen.
482 Hottingha wighijters.
483 Huijsien is pongluijsien.
484 Hunger is ien scherp swird.
485 Hunger hiet mecket rie baene swiet.
486 Hoe mooij waer ist nu to herres ia siae wol to, datter nin tongergoot neij komt.
487 Hij mient datter alle eere wol wirdich is.
488 Hij hie soo folle moster to maelen.
489 Hij is al abt, eerer te claester compt.
490 Hij is alte ier ute ried comn.
491 Hij is braedroncken.
492 Hij is soo derten asser lang is.
493 Hij is al iongh ijne kape komn.
[p. 31]
494 Hij is heel noaswijs.
495 Hij is ticht op syn warmiel.
496 Hij is soo wolkomme as d' eerste sneijn ijne veste.
497 Hij isser dwaen en litten.
498 Hij hat ien houten oensiucht.
499 Hij hat ien holle, en deer libbeter neij.
500 Hij sieet oan as de houn ijn de hiete soppe.
501 Hij schil de kuckuijt nin meer heere.
502 Hij wit folle kattequae.
503 Hij is oppe fuwie biron.
504 Hij is nu al oane raam keple.
505 Hij hattet al oppe toffelen brocht.
506 Hij rint herre neij as de houn de siecke merri.
507 Hij begint our to faen, as de greeff, deer masck ieet.
508 Hij beklugge him, as d' aeberre de pod.
509 Hij ron trog de mescken.
510 Hij draecht wetter en fioer yn ien haan.
511 Hoe eeler hout, hoe boegsamer twiegh.
512 Hoe neij heste om de daed uijt wessen.
513 Hij lochettet as d' uwl de maargh.
[p. 32]
514 Hij is soo blaed as de bolle.
515 Hij is op duijntse hey.
516 Hij kaam op ien ancker oan laan.
517 Hij ken flaije as ien fischer.
518 Hij ken ien leugen bij de foet opnimme en wijes ien man onder aegen.
519 Hij schil weer komme as mintze hicht.
520 Hij schil iette ijne hinne kiete verdrinse, dat somme siaen.
521 Haste speckijten?
522 Hij ioeg him kolff en baal ijne haan.
523 Hat schil dat smijten ijne glessen.
524 Hij veriet folle, deer naet schriuwe ken.
525 Hij koacke him de brij vin zijn eijn moal.
526 Hij hatter goe pijpien to, deer ijnt reijd zit.
527 Hooft is barre schoaff.
528 Hij wit better danner schiep bit eerse dae binne.
529 Hij zorget voor de widze, eer t' bern mecke is.
530 Hij schil deer naet wijt om laeijtze.
531 Hij hat iette nin liaeve bern ore eers paed.
[p. 33]
532 Hit ron all neij, hat stoack tille quoe.
533 Hij schilt him to moster en laeck bringhe.
[p. 34]
I.
534 Ia ieten mij de aeren wol fin de holle.
535 Ia frijense oppe sticke.
536 Ia driuwe de sinne om t' huws.
537 Ia feije herre omme muwle en gae deer hinne.
538 Ia haede herre al oan t' haeger boerd.
539 Ia gae eickoor meij laedene schoen neij.
540 Ia habbe him de geckskappe al meij oan teyn.
541 Ia habbe him oppe tule beron.
542 Ia habbe him op fule aijen set.
543 Ia klieuwe oppe haep, allyck de hinnen.
544 Ia laane gaene.
545 Ia laeijtze al deer neij laeijtie.
546 lampck ist en iette iamcker wirtet mecke.
547 Ia kennet fin buten oan.
548 Ia lidset him al stioegh ijne schutel.
549 Ia mijri hat seijste.
550 Ia mogge herre selm wol drupe.
551 Ia nimmet hier en lidset deer.
552 Ia siecke de lints,
[p. 35]
553 Ia siae mij meij uwls aegen oan.
554 Ia sia him leere gaen as kommen.
555 Ia schille bij hollen gaer komme.
556 Ia schoe de iene t' warms woll uijt toscken slickie, en d' oore gunnense naet, deerse uijtsmijte.
557 Ia wirde werre dat woexlingen nu wer binne.
558 lck beier nin tiocker speck.
559 lck bin al our de better helt.
560 lck binner wessen, ick kommer naet weer.
561 Ick bin to socke foncken naet wend.
562 Ick bin mijn ried al t' eijn.
563 Ick verstan dijn viouwen wol.
564 Ick wit wol wier dij kloot graeslet.
565 Ick haad dir ick hab.
566 Ick hab al merck ijten.
567 Ick hab him al ynt stryck.
568 Ick [hab] die ielne te faack mieten.
569 Ick habt fin heeren sidzen.
570 Ick hab noach fin dijn spytt, iou mij nu hatte fin dijn ield.
571 Ick hab mijn dagen him naet ien strie ijne weij leid.
572 Ick habt al ijne holle.
[p. 36]
573 Ick iout dij won.
574 Ick lis ien wird, deer ick ien stick braed lids.
575 Ick miend ick hie ien from man by de haan.
576 Ick meij da waesige stocken naet wol voor mijn doar lije. De creditoribus.
577 Ick mot fin ien soure apel bijte.
578 Ick mot meij mijn pongh to ried gaen.
570 Ick kom him naet off ick kom him to hijnst.
580 Ick pijpe iester alle deij, dat ick ioed nin meer meij.
581 Ick schil him dat wol oars int aer bijtte.
582 Ick schil dij lere het ien hercke is.
583 Ick schil iette meij dijn schanckelen perren fin de baem wije.
584 Ick schiller kuijt off hering fin habbe.
585 Ick wenne I ijnt forste feck, deer de turtf leyt.
586 Ick woet iern siaon sey de blynde datmen aegen wtdeelde.
[p. 37]
587 Ick woller mijn sliepen naet om litte.
588 Ick woller nin doeck om wijne.
589 Ick wol dij sidze fin ien hijnst deer hirder troijt.
590 Ick wol meij broer tot poat wesse.
591 Ick wol nin spilbrecker wesse.
592 Iemme habbe uws al ien forndel oaffsioen.
593 Iemme mogge de breyd wol aeschie.
594 Iemme siae him all fin buten oan.
595 Iijn de uwle flecht.
596 In gebreck fin goelioe.
597 Ioed hatte moom naet.
598 Io hattet herres al bekaeyd.
599 Io is nimmen trou as her eijn eers.
600 Io is soo onleegh as de firt ijne panne.
601 Io ist naet wirdich, datse de voeten bij him onderstecke schil.
602 Io ken de tonghe oppe schouderen hingie litte.
603 Io mot ien sijpel ijne bosem stecke.
[p. 38]
604 Iou mij kaetze ruwmt.
605 Ioure uijt haan ijte.
606 Io hat groat en moal ijn her hoal. De vidua intelligendum.
607 Is dat dijn buwter? soo meijste dijn brae wol drugh ijte.
608 Is dat ien hauen om voorby te zijlen.
609 Is dij de hoed oppe holle spijckere.
610 Io siect ien handtfol smoar yne migge eers.
611 Isser daed, soo ijter nin mer braed.
612 Ist ioed ert, t' is moom goed foer.
613 Ist dij goed t' is mij naet quae.
614 Ist dijn al won?
615 Ist quaeer ast weijsen hat?
616 Is iemme goed naet schaed?
617 Iust maester Iust, ien foet te kort.
618 Ick mottet fin de seck nimme deer ick hem meij lapie schil.
619 Ick hab ien quaed aeg, ijn hat kanne dat ick siugh, deer bliwt naet ijn.
620 Ick hiet soo goed wol nomn.
621 Ick mot reijs siaen, hoe de forcke ijne stalle stiet.
[p. 39]
622 Ick hab dat krioes al te tiercke brocht.
623 Ita seij Woutir, en hie trie dagen to schole gien.
624 Ick schil dij soo goed wol meiitse.
625 Ia binne alle gerre meij ien kaam kiembd.
626 Ia habbe him al ien roack aaff teijn. De cerevisia praestantioris mixtura.
627 Ick mot de hannen wasche soo mient de muwle datter ombyte schil.
628 Ionge fuggelen habbe waecke nebben.
629 Ionglic lioe, domme lioe, Aade lioe, kaade lioe.
630 Ia moasten eickoar ien swaegerslach iaen.
631 Is him hatte goedts toocht dat wirt him seijnd off brocht.
632 I. schiller gaende ieere noach komme.
[p. 40]
K.
633 Kaad biaer mecket waarm bloed.
634 Kaad warms uijtte holvoeten.
635 Kaerge wijven gae faeck to kaemer.
636 Kaeper apelen om.
637 Kaetie ruwmt.
638 Kibbie as ien tiettelboeter.
639 Klegge naet eer dij wee wirt.
640 Kloet wol habbe de wroet.
641 Kenstu dat rucke soo halte nin houten noas.
642 Kliu mij naet oppe holle.
643 Kliu mij naet by de righ op.
644 Koeher pijpie, koeher dounsie hij mooster oan.
[p. 41]
645 Kom meij ien sack om sappe.
646 Kom moorn weer, by boecken iester.
647 Koacket soo astet ijte wotte.
648 Klirckien omme roa.
649 Kooper ield, koper sielmisse.
650 Kopien meij de schollen, koam op paessche monndeij.
651 Korte wirden, en da fest, sluyte best.
652 Kom mij soo naet bet.
653 Krolle locken, krolle sinnen.
654 Krij icket naet, soo ontfaalt mij naet.
655 Kunst giet faeck om braed.
656 Kom [ick] ioed naet, soo com ick moorn.
657 Koene de rijcke d'aerme op ijte, ia schoense naet ijn schien wetter schijte,
658 Kort en scherp.
659 Koytien mecket kosten.
660 Kreackiende weinen doerije aller langhst.
661 Krijggeste mij naet, soo crijggeste mijn aelj wol.
662 Kom ick dij uws Heere God schil dij naet komme.
[p. 42]
663 Koomt de nije broeck oont aad wammes, soo schoerre de fijttergatten uijt. De iuvenculam uxorem ducente sene.
664 Keer schoecke as ick weer kom.
[p. 43]
L.
665 Laans wijse, laans eere.
666 Laane gaene.
667 Lansman, schansman.
668 Lang festien is nin brae sperrien.
669 Ledige aegen habbe folle to besiaen.
670 Leede stoack stlet alderlangst.
671 Leer duwcken.
672 Liaeve duwcken schilme our langsaem folle.
673 Liaeff is naet lee[l]ck.
674 Liaeve lioe iout men folle nammen.
675 Liaeffrou to Laanwirts.
676 Lije naet de poat haat vijff minglen.
677 Lijtze poatten rinne gaau our.
678 Lijts onderwijn mecke folle resten. In parvis quies.
679 Lijtze wannen habbe aeck aeren.
680 Lijts to let, folle to let.
681 Lit al comme dir meij wol.
682 Lit de ploegh riucht gaen.
683 Lit ous elckoor nin Luijtzen hiete.
684 Lit him reijs to schrep komme.
685 Litze sorgie dir ney komme.
686 Locke braed.
687 Lock raeck buter ijne iescke.
[p. 44]
688 Locktet ien naet, so locktet oar wol.
689 Luwd te sionghen ende tel rinnen komt naet wol our ien.
690 Lustich as uus fugel deer ku hiet.
691 Leet dunck hat him bijten.
692 Lit uws de buter op ijte soo schilt moaij waar wirde.
693 Lit de tieef aet, de braan lit naet.
694 Lange range.
695 Lijck compt op ongelijck.
696 Laese foxen wirde aeck wol finsen.
697 Littet faentien alheel naet lidse. Jou de moed naet verlern.
698 Laeijtze naet to wijt.
[p. 45]
M.
699 Maal det naet zeer.
700 Maale miggen.
701 Male lioe habbet lock.
702 Maal iong, maal aad.
703 Maane mecket schaane.
704 Meegere luwsen byte hirtst.
705 Mans hannen liege naet.
706 Mari Bauck hat seijste.
707 Mijri Bauck hat ien schur hat uws Auck.
708 Mecke him naet wijser danner ijs.
709 Mieenste dat mij 't iold opt reyct waacxt?
710 Mecke da botzen naet te folle.
711 Meij ien floris gijll ken hijt oaff lidze.
712 Mecke mij de holle naet zeer.
713 Meij dij muwle moste wijn dryntze.
714 Meij ien drinst kael ist goed waegien.
715 Meij ien bern schoer sprecke.
716 Meij gemack sei Goffe Roorda en krijgge ien fuwst ijnt aegh.
717 Meij ien aeij schiller him betellie en dat ijne haan te truwe.
[p. 46]
718 Meij heren ist quae kers ijten.
719 Meij huwd, en meij hier.
720 Meij lege hannen ist quae haucken faen.
721 Meitze deij en weij allijcke lang.
722 Min door de luws ijne pels naet sette, ia kommer by herre selm wol.
723 Men hout ien baem so lang datter om faalt.
724 Men bynt wol secken al binnense naet fol.
725 Men kenner nin olij fin slaen.
726 Men mot al siaende blijn wesse en heerende doaff.
727 Men ken nin rinnende hynsten beslaen.
728 Men quoent uijt zijn aegen scheppe.
729 Men ken nin huws meij laijtzen ophaade.
730 Men leert meij schae off meij schaane.
731 Men lient zijn frioun,
men monnet zijn fijn.
[p. 47]
732 Men mot hat haadde voor t' freijen.
733 Men meij him wijs meijtse hat me wol.
734 Men mot somtijden d' onschaemele schoen oantiaen.
735 Men mot ien stien uwtte weij lidze, dir him ien oar oan stiet.
736 Men recket wol oan ien lam hijnst al kaepetme him naet.
737 Men schil him op een kessen sette en smerre him de tennen.
738 Men mot ijte, al wieren alle baemen galgen.
739 Men schil him wol moalcke walle ijne pispoat.
740 Mennich sorget voor ien heel braed, ende hat noach oan ien stick.
741 Men schil het aad boerd naet uwt de waan schurre, eenne ien nij ijne plaets het.
742 Men trapet de pod soo lang datter ten lesten borst.
743 Men schoe him wol ien luws oppe buwck knippe.
[p. 48]
744 Men schilt wol schicke dat de breid ien goe schutel krijgget.
745 Miggen tienie ijn wijnich waer nin hae te fieren.
746 Mindert de schaeff, zoo waacxst de baargh.
747 Mijn hert bletter frij neij.
748 Minsche mot folle lije, oaff gaeu steere.
749 Moorn aeck ijte, zeij Douwe Buwezin.
750 Moorn ist aeck ien dey.
751 Moorn ieer ijne koelte, soo byte dy de brimsen naet.
752 Men wijt wol hoe neij bij laan.
753 Mij is sont so folle oure holle waeyd.
754 Mijn foeten stae onder elckmans tafel.
755 Minsche meij spije deerer om tinct.
756 Men kents alreets oan sijn gongh siaen.
757 Men ken quaelck meij bee foeten ijn ien schoegh.
[p. 49]
758 Meij lijtze kloeken is haest gaerlied let.
759 Muwsen dir so ier pijpie, dir wol oppen deij, de kat iern meij weij.
760 Meij ien apel won, meij ien apel verlern.
761 Maale lioe is nin tingh tieriger dan wijsheit.
762 Maeger fet almans genghe.
763 Men wijt naet wier zyn dorren keere.
764 Muwntzen habbe folle ried, dat de iene naet wijtt, dat wijt de oore.
765 Mijn haan schil iette ioun dijn halsbaan wesse, seij de wiltschut ien de reijger.
766 Minsche mey de waarme siel naet behaade.
767 Meij goe folck is goe dwaen, seij de coster, en taegh uws L. Vrouw de roack uwt.
[p. 50]
768 Meij folle freijen wirtme wijs en onwird.
[p. 51]
N.
769 Nachts binne alle katten graeu.
770 Naet habben det wol sperien.
771 Neij ien halder, compt ien spialder.
772 Neste boer, sibste frioun, ont het kael ijne groppe leijt.
773 Neij moaij waer, kompt leelck waer.
774 Net ijnt huws.
775 Nij is nioe.
776 Nie om maat tocht sey de man en wier ijnt brouwen.
777 Nije biesmen feije schien.
778 Nimmen drinckt him to wijsheit.
779 Nimmen drins zyn bern, ia mochten iette to grette staet komme.
780 Nimmen hincket oan ien oormans zeer.
781 Nimme de gunst voor de gaven.
782 Nimmen woller oan.
783 Nimmen soo sterck, off hy vijnt iette wol stercker.
784 Nimmen siucht syn eijn gebreck.
785 Nimmen wit wier ien de schoegh twinght, dan deerse oan hat.
[p. 52]
786 Nimmen wol t' krioes drage.
787 Nin tingh meijer haest als flijen to faen.
788 Nobis Syphringhe en tusen droes nammen seij Iou Iousma.
789 Nu it so kombd is motmet prijse.
790 Nu nu t'mot al wesse.
791 Nimmet deert is, en brenget deert hoort.
792 Nimmet wis voor t' onwis.
793 Non estis sey heer Duco, en hie nin troeff.
794 Nu komme wijer om gaer hoeme de blyne d' aegen wtschurre schil.
795 Nim dit voor dat.
796 Nu hab wijt foor de wijnd brogt.
797 Noch to haele, noch te heele.
798 Nin meer dan ien fijst ijne huwe.
799 Nu wies d' eers om, en talie meij herre tho.
[p. 53]
O.
800 Om iest en knieuw wetter rinne.
801 Om lang en om let kamer.
802 Om mij naet sey de houn, maer t' kael wier tierich fild.
803 Onder uws te peteerien.
804 Onder de benedijste seyd.
805 Onder staende seijll ist goe roijen.
806 Oft de hijmel foei.
807 Ont [n]ieet komt to ieet, zo wyt aet naet.
808 Ont de bern ijten habbe, zoo wolles weerom thuws.
809 Ont de finger ijne ieerde mey, zoo ist schyt dryt, deer nin wtte winter fet.
810 Ont de kaerige begint to iaen, ende de blae te slaen soo wijtese wtkeren.
811 Ont de houn comt to heere soo wijter besche noch eere.
812 Ont ien tingh opt haegst is so mot hat buijge off borste.
813 Ont mij de waal ontgiet, soo haad ick mij oant flotgars.
[p. 54]
814 Ont ien schiep blaetert soo blaterese allegerre.
815 Ont ick dit win, en het heilich laam, so schil ick sillich steere.
816 Ont de hicke is finne daam, so rint our al schiep en laam.
817 Ont lijtze lioe naet laes sinne en grette naet looij, soo binnese naet volmecke.
818 Ontet kael verdroncken is soo deckt me de saad.
819 Ontme tio zeyt dan meentme de hinnen alle gerre.
820 Onwillige boaden binne haele propheten.
821 Onwillige breiden is quae dounsien te leren.
822 One feeren siuchtme hat fuggel dattet es.
823 One Friessche peteele is de folle bijt.
824 Oan de lijer zyde oan gaen.
825 Ooncommende rosen binnen so goed wol as d' aaffgaende.
[p. 55]
826 Oan ien strie schoe er hun stiete.
827 Op ien spiaelt reyd kenner by gaen.
828 Opgrijn om rochaeijen.
829 Onthieten mecket schijld.
830 Ont de quae wijven ontbyten habbe wirtet moaij waer.
831 Om de eere wille motme folle oursiaen.
832 Op lyck en ongelijck.
833 Onderfijne het reijs hatter ijn syn schild fiert.
834 On t' spil op t' best is, heertme to schieden.
835 Ontet al baarnt, soo baernt het wetter naet.
836 Ont het alderlangst al libbe is soo ist doch om iens steeren to dwaen.
837 Op uws finne herne lisse fiour klaer lotter leepaijen ijn ien nest.
[p. 56]
P.
838 Pasboerd seij Hertoch.
839 Packe dij deer fin dinne, off ick meits dij voeten.
840 Potmarge is de man.
841 Potmarge is haeglanders fisck.
842 Potten en pannen rinne to gerre.
843 Paer en paer hoscke allinne.
844 Puijske ist aeg uwt.
845 Puijck pels en roack bee van t' iopen biaer, puijcks teken pligge t' beste to wessen.
846 Pugnus in oculo. Schins him to drincken.
847 Pispoat is dyn deel.
848 Praet giet to biaer wijsheit giet to waer.
[p. 57]
Q.
849 Quaelck won quaelck spon.
850 Quae tijnge compt iere noach.
851 Quae biecht quae absolutie.
852 Quae hinnen deer de aijen wwt lidse en thuws to ijtten gaen.
853 Quae aad quae iong.
854 Quansckwijs hat en man bin ick.
R.
855 Raeckwol habwol.
856 Rijd nimmen ourt lijff al hatste ien eijn hijnst.
857 Ried voor died.
858 Rin de droes t' aegh uwt.
859 Rin voor en droes en lit dij waegge.
860 Ritzert saegh op Writzert.
861 Ruuchte genadich soo mog ij het lang dwaan.
862 Rop nin heij eer du ourcomn biste.
863 Ruijckste lounte.
864 Riucht uwt as de barge snuijt.
865 Room is op ien ieer naet timmere.
[p. 58]
866 Ringen quae, en gaeu weer our binne de beste lioe.
867 Ried ijt soo naet, soo rijed ijt ion leven naet.
868 Riucht en sliucht.
869 Roorda brij-ytters.
870 Rijckdum stoppet nin giericheit.
S.
871 Saan ieer boddetme om ien goet ieer.
872 Schamele Claes.
873 Schamel bloet, rin wtte reijn.
874 Schoppen is troeff.
875 Schurre neck[e] is gaau recke.
876 Sec ried, wanried.
877 Salie ieer, en ryde let, as dat fin Minnertsgae.
[p. 59]
878 Sefte hannen meijtze stionckende wounen.
879 Seijn him omme teckschiere.
880 Set dijn terringe neij dij nerringe.
881 Set ien frosck oppe stoel hij liept weer ney de poel.
882 Siaen voor aegen is nin guchelspil.
883 Sidts bu off ba.
884 Sicke Gratingha hosck, dat wier igge fol.
885 Sieckste de wolff?
886 Sit oppe eers as de houn to Liouwert.
887 Sijn kat hat naet quaelck muwsse.
888 Sitter op meij Philips quast.
889 Sijn kers baemt ijne piep.
890 Sint Feltens lijen.
891 Sionge foor ien doaffmans doar.
892 Siugh neij syn hannen, en naet ney de voeten.
893 Sloch de spijcker reijs oppe holle.
894 Slicke mij omme muwle, ick hab koecke yten.
895 Sliepende hounen heertme naet weytzen to meijtzen.
[p. 60]
896 Snap gaeu op eer Sioerd ijncomt.
897 Snottige foalen wirde de beste hijnsten.
898 Sa as de lioe wolle.
899 So de moer is so binne de iongen.
900 So blanck as ien moll.
901 So de waert is so binne de gasten.
902 Schoe de muwle sprecke deer de hals om lye moast?
903 So folle naet as ijn mijn aegh meij.
904 So mennich minsche so mennich sin.
905 So blijn as ien kaa.
906 So bitter as galle.
907 Soo lang as wijn waeyt, hoane kraeyt, baem rycket, en stoack stijcket, schil de kaep staen.
908 So maal as Tijrubus.
909 Soesi nane.
910 So wis as ien hantfol flieen.
911 Stan naet as ien geck ast to dwaen is.
912 Steck ien zijpel ijne boosem.
913 Stille wetteren habbe diepe grounen.
[p. 61]
914 Stille wetteren stioncke aerst.
915 Schijte te kloet, en feije d' eers oane ielte.
916 Stan ick op, ick wird gretter.
917 Suster Celi ken nin cruud vor gers.
918 Sour braed ijtme maest.
919 Swobs Laauwe.
920 So tuck as gnu.
921 So gled as ien fisckers kat.
922 So gled as ien aercke stirt.
923 So opriucht as ien hoeffyser.
924 So geleerd as Latijnse heer Aern dir A.B. quoe. Disse heer Aem wier persinne to Wijns.
925 So riucht as ien kers.
926 Schoe ick de broeck wtlijene en schyte trog de ribben?
927 Spreek dat ien Bilkert oan.
928 Sprect mij leere oan dattet moorn maeije ioun is.
929 Spreek mij dat naet oan. Ick hab trije dagen ijne sted winne.
930 Spij pod fin mij, heilich krioes oan mij.
[p. 62]
931 Spijt al dij geene deert leed is.
932 Scherne Wybe die de lioe goed en quae bee.
933 Stringe heren regerie naet lang.
934 Sint Lammerts haer.
935 Sint Steffens hoorn.
936 Sint Jans cruijcke.
937 Sint Pieters fincken, tijoestert ijne winckel.
938 Sinte Mathijs wijt de hijte stien ijnt ijs.
939 Sinte Margriet wolt iern wiete, foor of neij off oppe riuchte ddj.
940 Summa summarum fin Pingium to Arum.
[p. 63]
T.
941 T' Accordeeret allijcken twae schurde clocken.
942 T' biaer en barmherticheit kamen gaer.
943 T' bekomt him as de houn het gers ijtten.
944 T' binne al opleyde schijlden.
945 Teeckenie dij kaets.
946 T' ien ongeluck verwacht t' oar naet.
947 T' ien goet druwthet oar naet uwt.
948 T' fioer is him al ijne aegen.
949 T' efte saeginge him lest.
950 T' fel is him to naer.
951 T' fet wol altijt boppe wesse behalven ijne potmarge.
952 T' waat one iel, hoe folle to miel.
953 T' faalt ijn nin wiel.
954 T' flasck nest het bien smecket best.
955 T' flijter op as de hespel oppe warmspoat.
956 T' friest gaau op ien aad ijs.
957 T' verstrect so folle praet.
958 T' giet dijn eere ney. Ick wolt wol liouwe. Ironice.
[p. 64]
959 T' giet him naet to herten.
960 T' gingh al ourre haegge schoen.
961 T' giet him soo drugh oaff.
962 T' gieter naet wol to deer de muws ijnt tresoor dae bliuwt.
963 Thimbd is mij neijer as de roack.
964 Thuwgget mij so wol as de deij fin iester.
965 T' ieer is langer as de toalff nachten.
966 Til him reis opt aegh.
967 Tinssen is tolfrij.
968 Theilpt nin meer as ien baen ijne broutiettel.
969 Tis ien leilck schur ijn moaij lecken.
970 T' is fin liaefte datze eickoor byte.
971 Tis al op deer sneijn wier.
972 Tis quae wetter sey de reijger en quoe naet swomme.
973 Tis alle dagen nin swijlwaer al schijnt de sinne.
974 Tis al nin gout deer blinct.
975 Tis better dan kom alle deij.
[p. 65]
976 Tis altyt fet ijn in oarmans schuwttel.
977 Tis ien fel man op ien waeck tzijs.
978 Tis en folck deer God zyn haan voor haat.
979 Tis dioer laan tuwsschen de man en de tafel. Sitt oan.
980 Tis d' iene houn leed, dat de oore ijne koken siucht.
981 Tis ien aerm bloed deer naet schytte ken sonder schorien.
982 Tis ien riucht stuijtfos.
983 Tis ien hird kies.
984 Tis ien quae hynst deer zijn eijn saal naet draege meij.
985 Tis ien ongelyck schijll soenen off aeren oaffsnijen, seij de faam.
986 Tis ien quae krijgh, deert al bliuwt.
987 Tis ien quae paed deerme nin meer as iens gaen ken.
988 Tis ien tierl as ien baem.
989 Tis ien lichthert.
990 Tis ien tierl deer hannen en foeten hat.
[p. 66]
991 Tis de leecken naet al to betioeden hat de schrift ijn hat.
992 Tis fier fin laijtzen sey de breid en ging gallen to bed.
993 Tis haest compt ast wesse wol.
994 Tis goed trugh waer ast naet reijnt.
995 Tis const twa heeren wol to tziennien.
996 Tis goet voor t' haadzeer.
997 Tis goed brae riemen to snijen uijt ien oormans leer.
998 Tis meij him altijt voor de wijn.
999 Tis mijn ploegh en eyde.
1000 Tis iette ijne wigmoanne.
1001 Tis cunst to witten hat ien oor ijne pongh hat.
1002 Tis nin beried wirdich.
1003 Tis maer ien blaemans engste.
1004 Tis om ien quae oure to dwaen sey de tieeff.
1005 Tis opt haeghst.
1006 Tis quae gaepien ien de oun.
1007 Tis quae nuchteren geck to wessen.
[p. 67]
1008 Tis schae deer schiep hat, en iette voolle meer deer nin hat.
1009 Tis quae festien op ien ourmans daed.
1110 Tis soo folle praet.
1011 Tis soo quae naet as heer Gabbe wol preecket.
1012 Tis to folle twa gecken ijn ien huws.
1013 Tysser al holder de bolder.
1014 Tisser naet ijnt strie.
1015 Tis wol oanne noas te siaen dat de moer nin eijnfuggel wessen hat.
1016 Tis t' aade fers.
1017 T' kael hat syn moer al foun.
1018 T' komt ijne langte ofte brete etc.
1019 Tlijff hiet falck.
1020 T' mot buge off borste.
1021 T' mot groeije en bloeije.
1022 T' mot bytyd krumie dat ien goed haeck wirde schil.
1023 T' motte stercke schoncken wesse deer de goe daegen dragie schil.
[p. 68]
1024 Te bed ist best sey de breid en waerd bij t' fioer vergetten.
1025 To Berltzum ijne ku.
1026 To Pincxster opt ijs.
1027 To Pincxster as de kaelen opt ijs dounsie.
1028 T' ruiter bij hinne.
1029 Trogh de fingeren siaen.
1030 Troch ien tried ken ic him.
1031 T' ruwckt hier ongelyc muijskaeten.
1032 T' saltfet behoeft folle.
1033 T' schynde off hijmel en ieerde vergaen woe.
1034 T' schynt ofter nin fyff telle quoe.
1035 T' schijlt naet ien hier.
1036 T' schil dij deij wesse deer him rouwe schil.
1037 T' schil him bekomme as de houn het gers ijtten.
1038 T' schil him schier moorn al oan de teenen stiete.
1039 T' schil mij hier neij wol ien leer wesse.
1040 T' smecket soo wol dat ien bern schoet verkaepie.
[p. 69]
1041 T' past as t' fyffte tiel yne weijn.
1042 T' somme oan syn gong wol siaen.
1043 T' sop is t' koolien naet wirdich.
1044 T' stiet wol dat dae lioe stil lidze.
1045 T' stionct 7 mijle voor St. Lijsbeth.
1046 T' stoe him soo neij as ien iongh tieeff t' hingien.
1047 Twiscke twa stoelen ijn iescke.
1048 Twisck fallen en opstaen.
1049 Twa aegen siae meer dan ien.
1050 Twijt nimmen dan de lioe.
1051 T' wol hounie.
1052 Tziese off deele.
1053 Tienne mij ick hab botzes.
1054 Tien d' blijne is goe schermen.
1055 Tiuchstet himd our de roack.
1056 Tis al man naet ioun op toffelen te gaen.
1057 T' fet iout uwt ast ijn hat.
1058 Twa hounen oer ien bien, komme selden wol our ien.
1059 Twa lijtze meijtze ien graet dir dat naet acht wirt gaeu blaet.
[p. 70]
1060 T' komter to hoelang de wraed stiet.
1061 Tis ien quae saed deerme t' wetter ijn draghe mot.
1062 Tis ien aerm tiercke deert nimmermeer kermis is.
1063 T' stiet quelck dat de hin kriet deer d' honne ijne hous is.
1064 T' quae wird somme nin antwoord iaen.
1065 Tis restlyck meij hel fel sliepen to gaen.
1066 Tis ioed ien dey fin de simmer.
1067 T' waer wol verkeere de muwntsen binne oppe field.
1068 Tis socken slommerschen druyt.
1069 T' die him so wol ofter ien sleeck meij de swijpe ijnt aegh krijgge,
1070 Twa nesten waerm to haden compter op oan.
1071 T' oor ieer meij liaeff.
[p. 71]
W.
1072 Wa dit naet meij gong to Persinnes.
1073 Wa de hijnst krije wol dij smit him naet meij de taem vore holle.
1074 Wa t' lijts versmaet wirtet graet nin here.
1075 Wa t' ferwol dij verwirtet.
1076 Wa missprect hat ien goed swien verbert.
1077 Wa mistet naet?
1078 Wanne wanne.
1179 Wa naet wol deer naet schil.
1080 Wa kent keere?
1081 Wa ringen liout is haest bedrogen.
1082 Wa rinter ien meij ien tierckspier.
1083 Wa fin dreigen steert, schilme meij firten bellede.
1084 Wa timmert by de wey hattet maesterien alle deij.
[p. 72]
1085 Wuble ken Haije wol.
1086 Wer oan wer hoepen oan biaer.
1087 Wierer saan foet onder ieerde hij wier naet folle wtte weij.
1088 Wij ha moster mounle.
1089 Wijte hijnsten stietet wateren naet wol.
1090 Wij motte meij al schoene wij neij swomme.
1091 Wij kijtelie uws selm dat wij laijtie.
1092 Wijlde bole.
1093 Wijlde Wouter.
1094 Wirdij werre dattet deij is.
1093 Wij litte immers al op drugge.
1096 Wulen briede uwlen.
1097 Wij schiller om gaer komme.
1098 Wij schoene wol ien ka faen, hiene wij nammers sappe.
1099 Wij wolle dat ferre litte.
1100 Wij wolle deer nin messen om luke.
1101 Wol fochten en wol behaan.
1102 Wol begon is haest spon.
[p. 73]
1103 Wol ick dij de narre borie?
1104 Wol ick dij de muwle snoerie?
1105 Wolkomme en bring hatte.
1106 Wilcke wennet hier naet.
1107 Wotte magnificat verbetterie?
1108 Wotte naet graet wesse soo lit dy lyts hingie.
1109 Wottet naet liouwe soo priuwt.
1110 Wij kenne allegerre naet spinne al hiene wij t' flaecx om naet.
1111 Wee him deer ijn een quae laan bern is, hij woller altyt weer hinne.
1112 Wy schille aerst omme potmarge gaer komme.
1113 Winsck en waed.
1114 Wural fijnmen britzen poatten.
1115 Wa wol de houns holle fiere.
1116 Wa ken ien wijld hynst het field verbiede.
1117 Wij woller nin messen om lucke.
1118 Wa syn rijcker iout en zyn wyser leert, is fin de ruchte weij keert.
[p. 74]
1119 Wraads laan schiller ijnt eijn iette krije.
1120 Wij wollet meij swiete muwie dele.
1121 Wij wollet hatte oan siaen.
1122 Wa naet to rieden is, is naet to heijlpen.
1123 Wy litte dat God ende de muwler schiede.
1124 Wij motte elckoor haan hade.
1125 Wa iensen stelt is all lijn leven ien tieeff.
1126 Wa brae noach hat, steert naet fin honger.
1127 Wijn en straem is uws meij.
1128 Wijn en waer habbe wij to wille.
1129 Wa soo lang brae noach hie.
1130 Wa pieper hat die pieper syn baene.
1131 Wat haegh siucht staet him oane taennen.
1132 Wacht dij fin Wijtze.
1133 Wijwetter fint hoff.

>> begin