Saeckma: van student tot curator van de Franeker academie

© M.H.H. Engels 1993/2002/2004/2005>> HOMEpage

Student en peregrinant - Geen hoogleraar - Raadsheer en curator - Kweeën van Lubbertus - Patrijzen van Lycklama - Teleurgesteld door Gruterus - Leontius en de dichtkunst - Atlas en Socrates - Ziel van de curatoren - "Een clouck persoon" - Saeckma als vader - Geestverwant van Barlaeus - Een tweede l'Hôpital - Beproefde vriendschap - Het laatste jaar

Het was een geluksdag, die 8.8.'88, waarop Johannes Suffridi Saeckma (1572-1636) door de toenmalige rector magnificus Eilardus Reinalda, zijn oom, werd ingeschreven in het album studiosorum van de drie jaar eerder, in 1585, gestichte universiteit van Franeker. De rechtenstudent Saeckma maakte carrière in het Hof van Friesland; als humanist en curator legde hij de basis voor de bloei van de Franeker academie in de 17de eeuw. De volgende, korte levensbeschrijving van Saeckma is gedestilleerd uit aan hem gerichte (Neolatijnse) correspondentie. Deze indirecte benadering ligt voor de hand, als men weet dat er slechts tien brieven van Saeckma zijn overgeleverd, daarentegen wel ruim 350 aan hem.

Student en peregrinant
________________________________________________________________

Na een humanistische propedeuse ging Saeckma over tot de studie van het recht onder leiding van Henricus Schotanus. Eind mei of begin juni 1591 verwierf hij de toen in Franeker nog nieuwe graad van baccalaureus. Die gaf hem de bevoegdheid Henricus Schotanus, die er als hoogleraar rechten alleen voor stond, te assisteren door eerstejaars te onderrichten. Vrij lang, tot eind 1593, is Saeckma in Franeker gebleven. De correspondentie die hij in die tijd ontving, was hoofdzakelijk afkomstig van zijn neven Sabinus Odulphi Baerdt en Severinus/Suffridus Hanja/Hania. Berichten en adviezen over de peregrinatio academica, die de eerste in 1590 begon en de tweede toen achter de rug had, waren welkom bij Saeckma, die daarvoor plannen maakte. Medestudent Johannes Arcerius, zoon van de gelijknamige hoogleraar Grieks te Franeker, schreef oktober 1593 uit Leiden over de universiteit aldaar.

Dankzij Onno Hellinga kan gemeld worden dat Johannes Saeckma in Franeker een studiebeurs genoot. Op 5 januari 1591 hebben Gedeputeerde Staten van Friesland n.a.v. het rapport van de examinatie van de alumnen besloten een 30-tal studenten opnieuw een studiebeurs toe te kennen; Tresoar/Rijksarchief in Friesland G 1-3, fol. 89v, met ingevoegde naamlijst.
Een beurs of pensie was met name bestemd voor studenten godgeleerdheid (75%), predikanten in spe, maar ook voor studenten in een van de andere drie faculteiten (25%); dit laatste i.t.t. J.J. Kalma, 's Lands voedsterlingen en de Friese kerk. Het alumniaat in Friesland, studiebeurzen voor predikanten in spe. In: Universiteit te Franeker, Leeuwarden 1985, 147-160.
Op de lijst komt onder Hellinga's nr. 101 als veelbelovende student uit de rechtenfaculteit voor: Johannes Suffridi [Saeckma]. Er staan ook namen van alumnen met i.p.v. singularis spei de kwalificatie mediocris spei et paulo infra, d.i. middelmatig en nog wat minder, en zelfs ultimae spei vel nullius spei, waarvan weinig of geen studieresultaten te verwachten zijn. Uit de in 1595 opgemaakte jaarrekening 1594 van de ontvanger blijkt dat Saeckma's pensie in '94 is ingetrokken: "Joannes Suffridi Saccama, tot Basel: nihil".
Waarschijnlijk genoot Saeckma vanaf het begin van zijn studie te Franeker al een studiebeurs. Wellicht speelde het feit dat hij halfwees was een rol bij de toekenning; het familievermogen lijkt niet van belang, want bijv. ook Marcus Lycklama was beursstudent.

Nadat duidelijk was geworden dat Dionysius Gothofredus uit Straatsburg de juridische faculteit te Franeker niet zou komen versterken, liet Henricus Schotanus zijn leerling gaan: Gedeputeerde Abel Frankena zou enige tijd bij het juridische onderwijs assisteren. Saeckma begon voorjaar 1594 met zijn neef Georgius Wiarda de klassieke peregrinatio academica zoals Noord-Nederlandse studenten die maakten naar Heidelberg, Bazel en Genève. Van april 1594 tot begin 1595 gaf baccalaureus Saeckma te Heidelberg private colleges over de Codex voor beginnende rechtenstudenten. Hij bereidde er zijn promotie voor: de theses zond hij ter beoordeling naar neef Hania, de secretaris van Dokkum. Die adviseerde hem ook bij de opdracht van de stellingen. Saeckma twijfelde of hij ze zou opdragen aan zowel zijn oom van vaderszijde, Lucas Jarges, als aan zijn ooms van moederszijde, Feycke Tetmans, Eylert Reynalda en Ritske van Rinia. De eerste was namelijk rooms-katholiek; Saeckma's vader Sjoerd was 1581 als katholiek balling in Oldenzaal na ziekte overleden. Uit voorzichtigheid heeft Saeckma zijn stellingen alleen opgedragen aan oom Rinia, zijn voogd, de grietman van de grietenij (gemeente) Westdongeradeel ten Noorden van Dokkum, bij wie zijn moeder inwoonde.

De promotie, cum laude, tot doctor in de rechten vond plaats te Bazel, op 29 maart 1595. De aldaar verworven graden hadden het voordeel dat ze overal erkend werden, want de universiteit van Bazel had ook na de Reformatie nog steeds een katholieke vorst, de bisschop, als kanselier. Na zijn promotie begaf Saeckma zich naar Genève om zijn kennis van de Franse taal te vervolmaken.

De peregrinatio had ook tot doel beroemde professoren te ontmoeten, in dit geval te Heidelberg de rechtsgeleerde Julius Pacius, de filoloog/historicus Janus Gruterus en de theoloog Johannes Jacobus Grynaeus, in Genève de theoloog Theodorus Beza en vooral de jurist Jacobus Lectius en de classicus Isaacus Casaubonus. Saeckma was bovendien al als student ervan doordrongen dat de jonge universiteit van Franeker behoefte had aan beroemde (buitenlandse) geleerden om studenten aan te trekken en zo bestaansrecht te houden. Met dit oogmerk onderhield hij na zijn studiereis een briefwisseling met Gruter en Casaubon; bij Jacques Lect beval hij peregrinanten uit Friesland na hem aan.

Tijdens zijn studiereis hield Saeckma schriftelijk contact met Franeker, met zijn vriend de jongerejaars rechtenstudent Marcus Lycklama en met de jaargenoot predikant Gellius Snecanus, met Hania in Dokkum en de peregrinanten Wiarda en Tacitus Aysma. Eind augustus 1595 begon Saeckma de terugreis naar Friesland. Hij had een aanbevelingsbrief van Casaubon op zak om Scaliger in Leiden te bezoeken.

Geen hoogleraar
________________________________________________________________ >> begin

Op 5 november 1595 liet Saeckma zich als advocaat inschrijven bij het Hof van Friesland te Leeuwarden. In januari van het volgende jaar begon een intensieve correspondentie met leermeester Henricus Schotanus, dat wil zeggen: 43 brieven van Schotanus aan Saeckma zijn bewaard gebleven. Voorwaarde voor Saeckma's terugkeer aan de universiteit van Franeker was, dat de Staten van Friesland uitbreiding van de juridische faculteit met een tweede hoogleraar zouden goedkeuren. Daartoe werd besloten, benoemd werd echter de ervaren Julius van Beyma uit Leiden. Schotanus, tevreden met de aanstelling van deze Fries, troostte Saeckma met voorbeelden van andere juristen, die pas na jaren van rechtspraktijk tot het hoogleraarschap waren gekomen. Intussen hield hij hem op de hoogte van de gang van zaken aan de universiteit: door zijn ooms, die statenlid waren, had Saeckma immers de nodige contacten in het bestuurscentrum Leeuwarden.

Oom Elardus Reinalda was als Gedeputeerde met diens vrienden Gellius Snecanus en Henricus Schotanus de belangrijkste bevorderaar geweest van de oprichting van een universiteit in Friesland. Eind 1587 of begin 1588 was hij zelfs hoogleraar Latijn geworden en in het laatstgenoemde jaar rector magnificus. Toen hij in 1591 het hoogleraarsambt neerlegde om zijn overleden broer op te volgen als grietman van Doniawerstal, lag het voor de hand dat de door hemzelf ingeschreven neef Johannes Saeckma, de veelbelovende student, een grote rol zou gaan spelen in de behartiging van de belangen van de universiteit. Sterker nog: van jongs af aan was Saeckma daartoe voorbestemd.

De teerling is geworpen en nu het ijzer heet is, moet het gesmeed worden; met alle zeilen bijgezet en met alle macht moet het allemaal snel uitgevoerd worden: alle verwanten, bondgenoten, vrienden, beschermheren, bekenden en kameraden moeten te hulp worden geroepen; alles moet geprobeerd worden, en niet eerder afgelaten, gerust, toegegeven en gematigd worden, voordat we of het een of het ander bereikt hebben.

Dat schreef Henricus Schotanus in het voorjaar van 1597, toen de benoeming van Beyma tot raadsheer in het Hof van Friesland bekend was geworden. Nu moest Saeckma zijn kans op het hoogleraarschap rechten te Franeker waarnemen. Zijn ooms Rinia, Reinalda en Tetmans en het Franeker statenlid Rienck van Camminga zouden hem steunen. Schotanus benaderde Beyma met het verzoek Saeckma in Leeuwarden aan te bevelen. Sibrandus Lubbertus, de meest gezaghebbende hoogleraar, had gezegd Schotanus' plan goed te keuren. De Franeker magistraat, die zich zolang het bestuur van de universiteit niet goed geregeld was, met benoemingen bemoeide, zou er volgens Schotanus niets op tegen hebben. Op een wenk van Saeckma, dat de secretaris van Gedeputeerde Staten, Eco Isbrandi, wat benoemingen betreft het begin en einde was, reageerde Schotanus met het advies deze te laten bewerken door zijn ooms en eventueel door neef Hania, die raadsheer was geworden. Camminga beloofde een delegatie van Franeker professoren naar Leeuwarden te leiden: rouw om de dood van zijn zoon en ziekte veroorzaakten uitstel.

Een openlijke sollicitatie was niet mogelijk, zou iemands kansen eerder nadelig beïnvloeden. Schotanus moest Saeckma herhaaldelijk verzekeren, dat diens brieven ongeopend en wel aangekomen waren. Schotanus raadde Saeckma aan zijn aanbevelingsschrijven te laten lezen door alle negen Gedeputeerden of alleen door vertrouwelingen in dat college. Veel hing af van de voorzitter, toen Allert Jacobs. Zelf reisde Saeckma in juli naar Sneek, om van de burgemeester, Gedeputeerde Frans Jans steun te krijgen; daar en afwisselend in het nabijgelegen Langweer woonde ook oom Reinalda.

Omdat de beslissing van Gedeputeerde Staten tot een benoeming van een nieuwe hoogleraar rechten uitbleef, is Saeckma door zijn ooms geholpen aan het ambt van secretaris van de Friese admiraliteit. Die was op 6 maart 1596 door de Staten opgericht en werd op 15 augustus 1597 verheven tot Generaliteitscollege en gevestigd te Dokkum. - De Admiraliteit was er voor de inning van in- en uitvoerrechten en voor de berechting van overtredingen daartegen, voor de bescherming van de koopvaardij tegen zeerovers, in oorlogstijd bovendien voor de verdediging tegen de vijand op zee. Behalve van het zeekantoor sprak men ook wel van het Admiraliteitshof, vooral dan als de Admiraliteit zich bezig hield met rechtszaken. Veel juristen vonden er een werkkring. - Als secretaris van de Friese admiraliteit heeft Saeckma ervaring opgedaan in archiefbeheer. Bewaring van persoonlijk ontvangen brieven was de humanist natuurlijk al eigen.

Kort voordien was bij Schotanus twijfel opgekomen over de houding van Lubbertus. In oktober 1597 wilde Schotanus van Saeckma weten of hij nog in het hoogleraarschap geïnteresseerd was. Op 17 februari van het volgende jaar hoopte hij nog steeds dat Saeckma benoemd zou worden; dat men een niet-Fries, Everard Bronchorst, polste, was hem een doorn in het oog. Op 27 maart schreef hij, erin te berusten dat Saeckma niet benoemd werd, hoewel hij en Hobbe van Waltinga, de enige curator toen, hem prefereerden. Schotanus zou voortaan het raadsheerschap nastreven. Belangrijk is Schotanus' opmerking dat de stadhouder, Willem Lodewijk, in de Statenvergadering over de academie heeft gesproken.

Toen de pas afgestudeerde Geldersman Johan van den Sande, neef van secretaris Evert van Reyd van de stadhouder, op 28 juni 1598 benoemd werd, was dat voor Schotanus moeilijk verteerbaar, zeker toen aanvankelijk niet duidelijk uitgesproken was, dat hijzelf primarius zou zijn.

Dat Saeckma geen hoogleraar is geworden, daarvoor zijn verschillende redenen aan te wijzen, die veelal op hetzelfde neerkomen: partijschap in het professorencorps en in de regering van Friesland; Lubbertus contra Schotanus, Hofgezinden contra Friese nationalisten; de secretaris van de stadhouder tegen die van Gedeputeerde Staten. Vooral het aarzelen van Gedeputeerde Staten heeft in het nadeel van Saeckma gewerkt. Dat Sande werd aanbevolen door de juridische faculteit van Leiden, door Bronchorst, heeft zwaar gewogen, zwaarder dan de aanbeveling van Saeckma door Schotanus. Nadelig was ook dat Beyma Saeckma en zijn rechtskundige kwaliteiten niet kende. Een aanbeveling door Gruterus kwam te laat; of Pacius en Lectius er een gestuurd hebben, is niet bekend. Nepotisme of vriendjespolitiek waren bij deze benoeming niet doorslaggevend: een profeet wordt in eigen land niet geëerd.

De bemoeienis van de stadhouder heeft de beslissing gebracht. Saeckma's ooms en hijzelf hebben op tijd aangevoeld, dat forceren geen zin had. In Dokkum - vanaf 1 oktober 1598 - was Saeckma in de luwte. Hoe gunstig dat voor hem en de universiteit was, zou later blijken. Saeckma kon als pleitbezorger in Leeuwarden meer voor de Franeker academie doen dan ooit als hoogleraar. De persoonlijke teleurstelling heeft hij als humanist overwonnen.

Raadsheer en curator
________________________________________________________________ >> begin

De Staten van Friesland verloren de bekwame jurist niet uit het oog. In maart 1600 benoemden zij Saeckma tot procureur-generaal bij het Hof van Friesland. Met twee raadsheren, twee Gedeputeerden en twee advocaten stelde hij de nieuwe Statuten van Frieslands rechtspraak op, die 1602 in druk verschenen. In april 1603 viel hem één van de drie raadsheerzetels van het kwartier Oostergo ten deel.

Op 28 augustus 1603 trouwde Saeckma met Hylck Boner, een dochter van Albert Boner, oud-burgemeester van Leeuwarden en ontvanger-generaal van de Friese admiraliteit. Van advocaat Thomas Herbaius is een huwelijksgedicht bewaard gebleven. Die had zich bij zijn studievriend aanbevolen als opvolger in het secretariaat van de Admiraliteit. Dat werd niet gerealiseerd. Toen echter Saeckma promoveerde tot raadsheer in het Hof van Friesland, volgde Herbaius hem op als procureur-generaal.

In zijn functie kon Saeckma gebruik maken van de klerken van het Hof van Friesland, maar ook privé was er schrijfwerk te verrichten. Er was in Saeckma's huis een schrijfkamer voor de klerken; Gr. Cons.bk. 4-5-1630. Voor jongelui was het een eer een jaar lang als klerk in het huis van een raadsheer te mogen dienen. Professor Lollius Adama dankte Saeckma op 6 oktober 1605 dat de keus op zijn zoon Ype was gevallen. Hij hoopte dat deze door zijn voorganger ingewerkt zou kunnen worden in het lezen van stukken die afgeschreven moesten worden. Dezelfde zoon beval hij weer aan toen Saeckma als buitengewoon afgevaardigde 1608 naar de Staten-Generaal werd afgevaardigd. - Negen brieven van Gellius Hillama/Hillema, ambassadeur tot het Bestand, aan Saeckma uit de jaren 1607-1609 zijn bewaard gebleven. - Voor zijn oudste zoon Auke/Augustinus, die arts te Leeuwarden was en het rectoraat van de Latijnse school aldaar ambieerde, vroeg Adama te bemiddelen bij predikant Johannes Bogerman, die Auke, hoewel studiegenoot in Franeker, niet wilde helpen. De Duitse calvinist Edo Neuhusius werd benoemd. Augustinus Adama kon korte tijd later het hoogleraarschap medicijnen te Franeker aanvaarden: de Staten stelden hem aan om 't goede rapport hun gedaan.

Terugblikkend op de tijd van Schotanus, die in januari 1605 was overleden, schreef Marcus Lycklama in 1617 aan Saeckma:
Wij verloren doen den strijdt om den concursus tusschen z. Scotanus naert raetsheerschap, soe oeck dat U.E. eygen oom, soe mij onthouden dyen tijt, d'andere partije den voertocht bevorderde, jae oeck tegens U.E. goede meninge.

Van den Sande werd 1604 raadsheer. Saeckma kon zijn beste vriend Lycklama, toen zonder vaste betrekking, aan het hoogleraarschap te Franeker helpen en daarmee Schotanus enigszins troosten. Met geven en nemen wist hij zich een belangrijke positie te verwerven: hij genoot steeds meer aanzien en zijn oordeel werd steeds vaker gevraagd.

In het eerste college van vier curatoren had namens het regeringskwartier Zevenwouden Saeckma's oom Eilardus Reinalda zitting. De commissie of instructie is op 25 februari 1604 uitgeschreven door de Staten van Friesland: eerste ondertekenaar was Saeckma's oom Ritske van Riengie/Rinia, voor het voornaamste regeringskwartier Oostergo. Toen Reinalda in 1610 overleed, werd hij als curator opgevolgd door Marcus Lycklama, die het hoogleraarschap voor de politiek had opgegeven.

Saeckma, eigenaar van land in de grietenij Dantumadeel in Oostergo, kon pas in 1625 een plaats in het curatorium verwerven. Oostergo werd daarin van 1604 tot 1622 vertegenwoordigd door Keimpe van Donia, die gedurende de eerste jaren van de Franeker academie, vóór Hobbe van Waltinga, alleen curator was geweest. Voor de door overlijden respectievelijk bedanken eind 1604 open plaatsen van Westergo en het kwartier van de steden kon Saeckma dus niet in aanmerking komen, hoezeer professor Adama dat in 1605 ook wenste. Na het overlijden van Donia verwachtte Sibrandus Lubbertus november 1622, dat Saeckma curator zou worden: zijn kandidatuur werd door voldoende stemmen gesteund. Frans van Scheltema is echter benoemd. Misschien heeft Saeckma ervan afgezien, omdat hij pas sinds kort hersteld was van ernstige ziekte, die hem in Den Haag had getroffen. Scheltema is niet zoals gebruikelijk voor het leven curator gebleven; in 1625 heeft hij zijn plaats aan Saeckma afgestaan.
In het resolutieboek 1625 van de Staten van Friesland (Tresoar/Rijksarch. 5-230) wordt op p. 33 melding gemaakt van de Nominatie ende stem- [p. 34] minge bij de Heren van Oostergo op 't stuk van hunne officiers [= ambtenaren] gedaan: Leeuwarderadeel. De volmagten[!] de Grietman Ernst van Donia stemt tot generale continuatie van hunne tegenwoordige Officiers, ende tot Scholarch [= curator] de Heer Saackma in plaatse van Scheltema. Dr. Pruissen als mede volmagt continueert de tegenwoordige Officiers alle in henne respective ambulatoire Ampten, de Here Saackma tot Scholarch van de Academie tot Franequer ende de Here Ernst van Donia op de visitatie van de Fortressen. [p. 36] Aldus gedaan ende gestemt bij de Heren Staten voorn. op 't Landschapshuis binnen Leeuwarden desen 24e Martii 1625. Ter ordonnantie van de Staten voorn., was vertekent Reiner Reiners ende D. van Aylva.
Op 25 maart richtte professor Bernardus Schotanus aan Saeckma een gelukwens met zijn benoeming tot curator op de dag daarvóór. Het overlijden van eerste professor Sibrandus Lubbertus in januari van dat jaar zal tot Saeckma's aantreden bijgedragen hebben.

Kweeën van Lubbertus
________________________________________________________________ >> begin

Het eerste bewijs van schriftelijk contact tussen Lubbertus en Saeckma dateert van mei 1613, wanneer de hoogleraar één van zijn geschriften stuurt. Vier jaar eerder was er een familieband ontstaan door het huwelijk van Saeckma's neef Edo Reynalda met Sjouck Mellema, oomzegster van Lubbertus. Misschien heeft Lubbertus in eerste instantie toenadering gezocht in de hoop dat zijn proces tegen Vervou door toedoen van de raadsheer tot een spoedig einde gebracht kon worden. Meer en meer werd Saeckma echter Lubbertus tot steun in academiezaken.

Van rancune bij Saeckma vanwege het vijtien jaar daarvóór door toedoen van Lubbertus gemiste hoogleraarschap is niets te bespeuren. Als raadsheer bekleedde hij de hoogste niet-politieke functie in Friesland, die in aanzien hoger stond dan het ambt van hoogleraar. In 1608 was hij voor de eerste maal als buitengewoon afgevaardigde voor Friesland naar de Staten-Generaal gezonden. Hij werd door de Franeker professoren als hun man in Leeuwarden beschouwd, lang voordat hij officieel curator werd.

Tekens van medeleven en vriendschap van de kant van Lubbertus zijn een oleum catharrorum en kweeën uit zijn tuin die hij aan Saeckma doet toekomen in 1615 en 1618.

Patrijzen van Lycklama
________________________________________________________________ >> begin

Zo stuurt Marcus Lycklama in 1610, als hij de universiteit voor het grietmansschap van Ooststellingwerf vaarwel heeft gezegd, van de boerderij en orangerie bij zijn landhuis in Oldeberkoop vier patrijzen en een vijg. Als hoogleraar heeft hij in de vakanties Saeckma regelmatig in Leeuwarden opgezocht. Hij heeft hem drukproeven van zijn Membranae, rechtskundige verhandelingen, voorgelegd. Het eerste exemplaar van het eerste deel kwam nog juist op tijd van de pers, zodat Saeckma, die daarom gevraagd had, het op reis naar Den Haag (begin juli 1608) heeft kunnen lezen. Het tweede deel heeft Lycklama aan Saeckma opgedragen; bij het eerste had hij zich daarvan door de bescheiden raadsheer laten afbrengen. Dankzij Saeckma's bemoeienis is de uitgave door Gedeputeerde Staten gesubsidieerd.

Gecorrespondeerd is er verder over de opvolging van Schotanus: de Fries Dominicus Arumaeus uit Jena en de Fransman Dionysius Gothofredus kwamen niet. De Leeuwarder Timaeus Faber is benoemd en nog een derde, laagbetaalde hoogleraar. Dat laatste was een idee van Saeckma, waarop Lycklama Paulus Busius uit Zwolle voorstelde, die zich inderdaad liet overhalen.

Op familiebezoek in Leeuwarden werd Lycklama in januari 1607 aangesproken door oud-leerling Sebastiaan Pruissen met het verzoek om bij raadsheer Saeckma te bemidddelen voor een betrekking bij het Hof van Friesland: Lycklama kon Pruissen, de latere griffier, onder andere aanbevelen vanwege diens duidelijke handschrift.

Over en weer hielpen Lycklama en Saeckma elkaar bij de aanschaf van boeken voor hun eigen bibliotheek. De rijke juridische en humanistische bibliotheek van Saeckma, die door zijn zoon Theodorus, eerst (1634) secretaris van Leeuwarden, vanaf 1638 raadsheer in het Hof van Friesland, werd uitgebreid, is na diens overlijden in 1666 te Leeuwarden geveild.

Teleurgesteld door Gruterus
________________________________________________________________ >> begin

Van Janus Gruterus zijn 16 brieven aan Saeckma overgeleverd, in de vorm van afschriften door Simon Abbes Gabbema, vriend van Saeckma's jongste zoon Dirck/Theodorus. In de eerste, van 6 juli 1596, wordt Saeckma bevestigd in zijn voornemen zich in te zetten voor de advocatenpraktijk en zich in zijn vrije tijd te wijden aan de studie van de humaniora. Saeckma informeert regelmatig naar de publicaties van Gruterus; zij helpen elkaar met vindplaatsen van (juridische) citaten.

Gruter reageert vaak laat; de meeste brieven zijn geschreven ten tijde van de Frankfortse boekenbeurs in het voorjaar (Pasen) of in het najaar, als ze door handelaren uit Friesland meegenomen konden worden. Zo schrijft hij op 23 maart 1597 met instemming gehoord te hebben van de benoeming van Beyma te Franeker. Dat is dan een jaar geleden gebeurd en op dat moment is Beyma al tot raadsheer in het Hof van Friesland gekozen. Een brief die Saeckma rond dezelfde tijd geschreven moet hebben, beantwoordt Gruter pas op 30 november, omdat de boekhandelaren de voorjaarsbeurs in Frankfort verlaten hadden, toen hij de brief ontving. De belangrijke aanbeveling van Saeckma voor de vacature Beyma te Franeker kwam zodoende veel te laat. Gruterus schreef dat zijn Saeckma de beste kandidaat zou zijn, omdat naar zijn opvatting voor de functie van hoogleraar rechten niet zozeer iemand nodig zou zijn met kennis van de praktijk als wel van de oudheid en de geschiedenis.

Op een door Saeckma in 1597 of 1598 meegedeelde mogelijkheid, dat Gruterus naar Franeker beroepen zou worden, komt deze in juli 1600 nog eens terug: als men niet aan zijn eis van een woning met tuintje wil voldoen, moet Saeckma het statenlid Adam van Eysinga zeggen niet langer aan te dringen. Dat leek wel een sollicitatie. In april 1601 reageert Gruterus tweemaal op een brief die Saeckma op 12 maart geschreven heeft: Franeker is te laat met zijn beroeping; omdat hij verloofd is met een Duitse, heeft hij de hoop laten varen, ooit naar de Nederlanden terug te keren. Tegen het geëiste jaarsalaris van 1400 gulden had men bezwaar gemaakt. Gruterus schreef op 16 september nog eens, dat hij eerder naar Leiden zou zijn gegaan dan naar Franeker. Vervolgens vroeg hij Saeckma voor hem plakkaten en pamfletten te verzamelen met betrekking tot de geschiedenis van de Nederlanden.

Pas in maart 1618 nam Saeckma weer contact op met Gruterus. In zijn antwoord vraagt deze voor zijn geplande uitgave van spreekwoorden naar voorbeelden uit Friesland. Saeckma heeft toezending beloofd en zijn vriend Sibrandus Siccama, de secretaris van Bolsward, ingeschakeld. Beiden hebben haastig een eerste proeve opgesteld en gestuurd. Zij beloofden samen een nauwkeurigere en grotere verzameling Friese spreekwoorden met een Latijnse verklaring te laten volgen, mits ze in Gruterus' lijst tot eer van het Friese volk werden opgenomen of liever met andere buitenlandse spreekwoorden werden uitgegeven.

In september 1624 stelt Gruterus het bestuur van Friesland en curator Saeckma opnieuw teleur door het aangeboden hoogleraarschap Grieks te Franeker, als opvolger van Sixtus Arcerius, tegen een jaarsalaris van 800 florijnen af te slaan. Op de vergoeding van de verhuiskosten, een jaarlijkse wagenlading Rijnwijn en een huisje met tuintje waarin een slang rechtuit kon liggen, had hij het niet willen laten afketsen. Hij wilde geen onderwijs geven in de Griekse grammatica, maar bijvoorbeeld wel geschiedenis doceren. Zelfs als Saeckma bereikt heeft dat de Staten van Friesland alle wensen van Gruterus inwilligen, komt hij niet; Saeckma moet hem maart 1625 bij de Staten verontschuldigen. In september blijft hij bij zijn afzegging, als Saeckma nog eens heeft aangedrongen. Hij deelt diens mening dat men alleen nog maar om den brode studeert, niet omwille van de muzen. De krijgstrompet heeft meer de aandacht dan de dichterslier. Barbarij bedreigt de edele kunsten, met name omdat de bestuurders geen geleerden zijn en niet van geleerden houden.

De laatste twee brieven dateren van 1626. Voor een mogelijke herdruk van zijn Chronicon chronicorum vraagt Gruterus de hulp van Saeckma voor het onderdeel geboorte- en sterfdagen van geletterden, in dit geval Friezen. Hij overweegt de laaste jaren van zijn leven in Groningen te slijten! Naast de herhaalde, vergeefse pogingen om Gruterus naar Franeker te halen, is ook eenmaal, in 1596, bij rector magnificus Johannes Drusius en Saeckma de gedachte opgekomen, Casaubon aan Frieslands universiteit te verbinden. De provinciale Staten werden toen echter te zeer in beslag genomen door het nog altijd dreigende oorlogsgevaar van de kant van de Spanjaarden.

Leontius en de dichtkunst
________________________________________________________________ >> begin

Een heel duidelijk voorbeeld van Saeckma's invloed op benoemingen aan de universiteit, geven de brieven van Theodorus Leontius. Deze was sedert 2 mei 1614 secretaris af van de stad Sneek. Toen hij in het nabije Langweer ten huize van zijn halfbroer Edo Reinalda van ziekte herstelde, ontving hij een brief van de burgemeester van Franeker over de hernieuwde instelling van een leerstoel voor Latijn aan de academie. Op aanraden van Reinalda wendde hij zich op 24 augustus tot diens neef Saeckma. Dankzij Saeckma's invloed bij oom Gedeputeerde Rinia, neef raadsheer Hania en de curatoren Donia, Feytzma, Lycklama en Hillama is Leontius voorgedragen. Leontius dankte Saeckma op 28 september met een lofdicht. Benoemd is hij echter pas op 16 juni 1615. Hippolytus Crack, Gedeputeerde voor Zevenwouden, die blijkbaar bezwaar had, was op 18 februari van dat jaar opgevolgd door Edo Reinalda.

Najaar 1616 stuurt Leontius uit Franeker aan zijn verwanten Saeckma en Hania in Leeuwarden een met moeite verkregen exemplaar van een boek van de overleden Godefridus Sopingius. Saeckma had deze studiegenoot en vriend in 1596 gesteund bij het verwerven van een plaats als predikant in Friesland. Het boek bevat voorin Neolatijnse lofdichten op Sopingius van Leontius, Bogerman en andere Friezen. Leontius schrijft:
O mocht ik toch aanwezig zijn bij het lezen, alleen al vanwege de uitleg van zoveel voortreffelijke gedichten, wat u zonder twijfel geen moeite kost.
Tegelijk spreekt hij de vrees uit, dat de "leydige" Leidenaren de Friezen zullen uitlachen om hun geringe dichterlijke oogst van dat jaar.

Zelf heeft Saeckma niets gepubliceerd en van zijn dichtkunst zijn slechts enkele proeven bekend: twee in het Grieks, uit zijn studietijd, en twee in het Nederlands van 1597 resp. 1601. Op aansporen van Siccama en Lycklama heeft Saeckma in 1614 het Rerum quotidianarum liber singularis van hun overleden studievriend procureur-generaal Thomas Herbaius uitgegeven; hij droeg het op aan de Staten van Friesland en de Leeuwarder burgemeester Willem van Velsen. Het boekje bevat gedichten van o.a. Sopingius, Bouricius, P. Winsemius, Siccama en Leontius. Saeckma maakte verder aantekeningen in het van Herbaius stammende exemplaar van de Statuten van Friesland (1602) met annotaties van diens hand. Zoon Theodorus Saeckma breidde die aantekeningen op zijn beurt uit. Tot een editie van die aantekeningen is het niet gekomen. De befaamde jurist Ulricus Huber (1636-1694) verwees er meerdere malen naar.

Uit de correspondentie van Leontius blijkt verder dat hij en Edo Reinalda aan arthritis leden, een familiekwaal van moederszijde (Rinia), want ook Sjoerd Hania werd er op zijn oude dag door geplaagd en Saeckma's zwakke gezondheid vanaf zijn 40ste levensjaar werd veroorzaakt door podagra.

Atlas en Socrates
________________________________________________________________ >> begin

Leontius is in de eerste helft van 1617 overleden. Zijn vriend Sixtinus Amama schreef op 18 juli aan Saeckma, dat hij door diens toedoen hoopte op een waardig opvolger: Friesland bezat immers Neolatinisten van naam zoals Bouricius, Winsemius en Stellingwerf.

Amama, door Drusius in diens huis opgenomen en opgeleid, was in 1616 zijn leermeester opgevolgd als hoogleraar Hebreeuws, hoewel Lubbertus en anderen streng calvinistische kandidaten op het oog hadden. Aanvankelijk was Amama als buitengewoon hoogleraar aangesteld. Dankzij Saeckma's bemiddeling bij diens neef Gedeputeerde Edo Reinalda en de curatoren kreeg hij in 1618 het ordinariaat.

Van 1625 tot zijn dood in december 1629 heeft Amama een geregelde briefwisseling met Saeckma onderhouden. Saeckma, humanist (van het oude stempel), beheerste de oude talen, was dus behalve in het Grieks en Latijn ook thuis in het Hebreeuws. Door toedoen van Amama werd Saeckma opgenomen in een boekje van Theodor Ebert, collega aan de universiteit van Frankfort aan de Oder, waarin rechtsgeleerden en staatslieden genoemd worden, die liefhebber waren van het Hebreeuws en de overige Oosterse talen. Theodorus Saeckma, die net als zijn vader juridische met filologische belangstelling combineerde, werd een favoriete leerling van Amama.

Na het overlijden van Lubbertus trad Saeckma, zoals eerder vermeld, als curator aan. Amama, die de lijkrede schreef, trad in de voetsporen van Lubbertus als professor primarius van de universiteit. Om Amama, die zich tot Leiden aangetrokken voelde, voor Franeker te behouden, heeft Saeckma hem salarisverhoging verschaft met de nevenbetrekking van bibliothecaris. Dat was één van de reorganisatievoorstellen, waaronder ook een promotiereglement, die de curatoren augustus 1625 aan Gedeputeerde Staten gedaan hadden en die in januari 1626 geëffectueerd werden. Over boeken voor de bibliotheek, zijn onderwijs en uitgaven, de voor predikanten verplichte kennis van het Hebreeuws, nieuwe hoogleraren en de academische tucht overlegde Amama niet alleen schriftelijk met curator Saeckma, die hij vereerde als de primarium Academiae Atlantem. Dankbaar gedenkt hij de twee dagen in de zomervakantie van 1626 waarop hij te Franeker naast Saeckma mocht zitten, toen die de door Maccovius verstoorde eendracht onder de professoren herstelde; hij vergelijkt het met een plaats naast Socrates bij Plato's gastmaal.
Daniël van Dam, die zijn benoeming 1631 tot hoogleraar in de logica aan Saeckma had te danken, sloot zijn brief van 8 april 1635 met de groet: Vale Atlas patriae una cum maximae spei tuis binis Herculib[us]. Daarbij werden ook Saeckma's beide zonen, Suffridus en Theodorus, als zeer veel belovende geweldenaren betiteld.

Ziel van de curatoren
________________________________________________________________ >> begin

Bernardus Schotanus, hoogleraar rechten te Franeker van 1624 tot 1635, had er in tegenstelling tot zijn vader Henricus geen moeite mee, dat er een niet-Fries, de Duitser Justus Reifenberg, in 1626 naast hem als primarius aangesteld werd. Integendeel, hij had Saeckma zelfs gevraagd om een oudere collega als opvolger van Hector Bouricius. Als zijn opvolger te Franeker had Bouricius op verzoek van Cunaeus bij de curatoren Regnerus Bachovius aanbevolen, die door de sluiting van de Heidelbergse universiteit ambteloos was geworden. Blijkens zijn brief van 25 oktober 1626 aan Cunaeus had Bouricius echter bij een bezoek Saeckma aangetroffen bezig met een brief van Lieuwe van Aitzema, resident der hanzesteden, over Justus Reifenberg te Bremen, die inderdaad benoemd is. In datzelfde jaar zijn door toedoen van Saeckma nog aangetreden als hoogleraar theologie en academieprediker Meinardus Schotanus, eveneens een zoon van Henricus; als hoogleraar Grieks de Duitser Georgius Pasor, een verwant van Reifenberg; als derde hoogleraar rechten Henricus Rhala, die tot dan sedert 1618 Latijn had gegeven.

Na het overlijden van Marcus Lycklama op 9 augustus 1625 en van Gellius Hillama op 2 januari 1626 werden Sjoerd Hania en Johannes Nijs curator: met deze collega-raadsheren in het Hof van Friesland en Gedeputeerde Hobbe van Aylva heeft Saeckma tot zijn dood het curatorschap vervuld. Hoe praktisch deze samenstelling was, hoeft nauwelijk betoog. In het Hof van Friesland te Leeuwarden kon men bijna dagelijks overleggen; het collegie van de Gedeputeerde Staten lag aan de overkant van de straat. Van toen af aan was het bestuur en het benoemingsbeleid van de academie in feite in handen van Saeckma, de ziel van de curatoren.

Christianus Schotanus, neef van Meinardus en Bernardus, solliciteerde op 29 oktober 1630 rechtstreeks bij Saeckma naar de door de dood van Johannes Hachting ontstane vacature van hoogleraar in de logica. Dat hij in zijn brief toegaf lichtelijk mensenschuw te zijn, was voor Saeckma waarschijnlijk de reden de keuze op een andere Fries, Daniël van Dam, te laten vallen. Kennis en didactische kwaliteiten stonden bij Saeckma voorop; bij gelijkwaardige kandidaten kreeg de Fries voorrang.

"Een clouck persoon"
________________________________________________________________ >> begin

Door Sixtus van Amama, halfbroer van Sixtinus Amama, werd Saeckma van 1609 tot 1629 geconfronteerd met de problemen in Oostfriesland. De syndicus van de derde stand en latere raad van de graaf vroeg geregeld om Saeckma's bemiddeling bij de Staten-Generaal. In 1611 is Saeckma als lid van een commissie, waarvan ook Hugo de Groot deel uitmaakte, naar Emden gereisd.

Van een briefwisseling van Saeckma met Hugo de Groot is niets overgeleverd. Nicolaas Reigersberch deed echter op 27 mei 1629 aan zijn zwager in Parijs de groeten van Saeckma. Hij had de Friese raadsheer ontmoet, toen die voor de derde maal als buitengewoon afgevaardigde ter Staten-Generaal in Den Haag was, die keer met collega Hector Bouricius. Reigersberch noemde Saeckma iemand "qui magnos et liberos gerit spiritus" en schreef verder:
Hij is een groot vriend van uE. ende uwe saecke ende van aensien onder de sijne; seyde selven met sijn soon [Suffridus], die met Mr. Billant overcompt, te sullen schrijven. Den vader meriteert, dat den soon vrientschap geschiede, die oock een jongman is van apparentie. UE. sal tsijnder comste, als wanneer ick hem met een brieff sal accompagneren, veel van de gelegentheyt van Vriesland wt hem connen verstaen. Hugo de Groot bevestigde op 9 juni 1629: "Saeckema is een clouck persoon."

Saeckma als vader
________________________________________________________________ >> begin

J(oh)an Saeckma en Hylck Boner kregen negen kinderen, waarvan er drie jong stierven: 1. Elisabeth geb. 06-02-1605, overl. na 1675, 1634 gehuwd met Tjerck Tjercks van Solckema * 2. Suffridus (Sjoerd) geb. 01-04-1607, overl. 9-12-1655, ca. 1633 gehuwd met Titia Thomasdr. Oosterbaan * 3. Theodorus (Dirck) geb. 20-05-1610, overl. 28-01-1666 * 4. Romkje/Rompck geb. 28-01-1613, gedoopt 14-02-1613, overl. kort daarna, minstens 17 dagen oud * 5. Albert geb. 21-10-1614, overl. 11-11-1614, 21 dagen oud - niet in doopregister * 6. Jaycke geb. 16-03-1616, overl. 23-3-1671, 1640 gehuwd met Hans Annes van Wyckel * 7. Fedtke geb. 12-01-1619, overl. na 1678, minstens 59 jaar oud * 8. Romkje/Rompke geb. 08-07-1621, gedoopt 18-07-1621, overl. 23-03-1622, acht maanden oud * 9. Taetske/Tsjetske geb. 25-03-1623, overl. 5-6-1669, 45 jaar oud. Bron geboortedata: archief de Beaufort, Utrecht, onder Boner; overlijdensdatum Tsjetske: album H.A. Wyckel.

Voor de begeleiding van de studie van zijn beide zonen kon Saeckma gebruik maken van zijn contacten in de academische wereld. Professor Hector Bouricius had op 8 mei 1624 beloofd, zolang hij in Franeker zou zijn, toe te zien op Saeckma's oudste zoon Suffridus, die op 24 mei als rechtenstudent aan de academie was ingeschreven. Na Bouricius' vertrek lette Amama op Saeckma's zonen Suffridus en Theodorus.

Ook als weesvader trad Saeckma op. Vanaf 1621 was hij één van de voogden van het Leeuwarder Old Burgerweeshuis, dat in 1634/35 vergroot werd. Als jurist om raad gevraagd steunde hij de stadsarmvoogdij van Franeker inzake onafhankelijkheid van de magistraat; Gem.arch. Franeker, SA, inv.nr. 2533 (tweede helft juni 1634).

Voor neef en halfwees Gysbert Aernsma, die bij zijn vader hopman Arent van Arentsma niet goed stond aangeschreven, heeft Saeckma als een tweede vader gezorgd: hij steunde diens studie te Leiden 1616-1617 en daarna de peregrinatio naar Frankrijk 1617-1618. Een rede die hij in een college van Petrus Bertius heeft gehouden, stuurt Aernsma ter beoordeling aan Saeckma, waarbij hij diens schitterende en waarlijk ciceroniaanse stijl roemt. Saeckma had een zwak voor de begaafde jongen, maar verwachtte misschien ook enig nut voor de peregrinatio naar Frankrijk van zijn eigen twee zonen later.
Daniël Heinsius, die in 1596/97 te Franeker gestudeeerd had en in 1599 bij een bezoek aan Friesland kennis gemaakt had met Saeckma, schrijft op 21 april 1617 vol lof over de Latijnse welsprekendheid van de student en diens optreden in klassieke toneelspelen. Die brief en Saeckma's tussenkomst hebben de vader van Gysbert echter niet verzoend. Op bezoek bij Saeckma in Leeuwarden heeft Aernsma reisgeld voor de peregrinatio gekregen en het advies in Frankrijk ook de taal te leren. Door Saeckma's bemiddeling ontvangt de peregrinant van Heinsius een aanbevelingsbrief voor de Nederlandse gezant in Parijs. Aan rechtenstudie heeft Aernsma niet veel gedaan zoals hij zelf aan Saeckma schrijft. Hij is in Gent, Poitiers, Saumur, Orléans en Parijs geweest en wilde zelfs een bezoek aan Engeland brengen. Door geldgebrek heeft hij zijn reizen voortijdig moeten beëindigen. In 1620 liep hij mee in de begrafenisstoet van Willem Lodewijk.
De adelijke Gysbert Aernsma wordt 20 maart 1628 grietman van Dantumadeel, in welke functie hij na zijn dood in 1631 is opgevolgd (op 6 oktober) door Saeckma's eerste zoon Suffridus. Te Akkerwoude in die gemeente lag het landgoed Saeckma, dat al enige generaties familiebezit was en waarvan Johannes Suffridi, die zich in 1588 nog als zodanig in het Franeker studentenalbum had laten inschrijven, de naam als familienaam is gaan gebruiken.

Suffridus Saeckma (1607-1655) maakte 1629/1630 een peregrinatio naar Frankrijk; hij promoveerde te Orléans. Zijn vader zorgde voor reisbegeleiding en introducties, zoals hij dat ook bij Theodorus deed, die eerst te Franeker studeerde en daarna aan de universiteiten van Groningen (1630), Parijs, Bourges (1631) en Orléans (1632), alwaar ook deze zijn doctorstitel behaalde. In Leiden schreef Caspar Barlaeus een gedicht in het album amicorum van Suffridus.

Geestverwant van Barlaeus
________________________________________________________________ >> begin

Wanneer Johannes Saeckma en Caspar Barlaeus bevriend zijn geraakt, is niet precies bekend. Als gelijkgezinde humanisten hadden zij een voorliefde voor de klassieke oudheid en de Neolatijnse dichtkunst. Beiden hadden vroeg hun vader verloren en waren opgevoed door een oom.

Eén brief van Saeckma en Barlaeus' antwoord daarop uit 1630 zijn overgeleverd. Als Barlaeus een exemplaar van zijn pas verschenen dichtbundel ten geschenke en ter beoordeling heeft gestuurd, schrijft Saeckma in zijn dankbrief over zichzelf:
Natuurlijk drukt overdag de last van de ambtsbezigheden op me, 's avonds echter neem ik menigmaal de tijd voor mezelf om me aan gedegen studie te wijden.

Voor Douwe van Aylva, die als grietman van Westdongeradeel de opvolger was van Saeckma's oom Ritske van Rinia, vroeg hij om een inscriptie voor het graf van diens ouders op te stellen aan de hand van enkele trefwoorden. Tien dagen later stuurde Barlaeus het grafschrift in jamben en daarnaast nog een lofdicht op Saeckma. De beschikbare ruimte op de grafsteen was te klein, is zodoende blank gebleven. Grafschrift en lofdicht zijn wel in een latere bundel van Barlaeus gepubliceerd. Er zijn daarnaast tien, merendeels Neolatijnse gelegenheidsgedichten van Friese auteurs voor Saeckma en zijn vrouw bewaard gebleven.

Een tweede l'Hôpital
________________________________________________________________ >> begin

Michel de l'H˘pital

Voor Henricus Schotanus was de wijze en behendige Saeckma naast diens oom Elardus Reinalda een tweede Apollo en naast oom Ritske van Rinia een tweede Mercurius. Hercules Musarum noemde Sibrandus Siccama zijn vriend Saeckma in de inscriptie op het titelblad van het presentexemplaar van zijn Lex Frisionum, Franeker 1617, dat later in het bezit was van W.B.S. Boeles, de beschrijver van de geschiedenis van Frieslands hoogeschool en het Rijks Athenaeum te Franeker. Reifenberg betitelde hem als leider van de muzen en als een herleving van Michel de l'Hôpital. Deze Franse calvinist had rechten gestudeerd in Italië en was achtereenvolgens raadsheer geworden in het hooggerechtshof van Parijs, door protectie van de De Guises president van de rekenkamer en door die van Catharina de Medici kanselier van Frankrijk. Hij was een integer bestuurder die door een gematigde politiek de godsdienstige tegenstellingen trachtte te verzoenen. Ook voor de ordening van het politie- en rechtswezen maakte hij zich verdienstelijk. Hij was een geacht Latijns dichter en redenaar.

De overeenkomsten met Saeckma zijn inderdaad treffend. Gematigdheid was deze Friese humanist eigen en mede bepaald door zijn afkomst; katholiek van vaderskant, protestant van moederszijde. Voorzichtigheid was als tweede eigenschap vereist om bemiddelend te kunnen optreden. Saeckma's vriendschap met de Groot en van Baerle getuigen ervan, dat hij in tegenstelling tot de naar anciënniteit tweede raadsheer Johan van den Sande allesbehalve een vijand van de remonstranten was. Bij de handhaving van de discipline aan de universiteit stond hij helemaal achter krachtige figuren als Lubbertus en Amama; de laatste had te kampen met de verwijdering van de Oostfriese student Georgius Borchers en de door academiesecretaris Johannes Coumans geplande oprichting van een studentenkaatsbaan. Dat de baan in 1630 gebouwd kon worden, hield verband met het uittreden van oprichter Coumans uit de academische gemeenschap.

Beproefde vriendschap
________________________________________________________________ >> begin

Ook Saeckma had natuurlijk wel eens onenigheid, bij voorbeeld met zijn beste vriend Marcus Lycklama. Als lid van de Staten-Generaal respectievelijk de Raad van State heeft Lycklama in de jaren 1613-1624 uit Den Haag een tiental brieven aan Saeckma geschreven, meest over politiek, maar ook over (juridische) boeken. Hij gebruikt daarin het Nederlands, de bestuurstaal, schakelt echter over op het Latijn als het erg vertrouwelijk wordt. Wrijving ontstaat als Lycklama te laat is met zijn aanbeveling van Saeckma's zwager Evert Boner voor het grietmanschap van Haskerland en hij Saeckma maant bedaarder te handelen inzake de Leeuwarder magistraatsverkiezing en onderscheid te maken tussen het algemeen belang en dat van zijn vrienden. Saeckma heeft zijn grieven pas na lang aarzelen geuit. Lycklama reageert snel en fel:
Mijn heer nam een partij an in de stad, dien wij als lantluyden nyet gehouden waren an te nemen. Dese partije [de familie Boner] is wat g'abaisseert; wij en binnen se nyet bij diversie in onse goë [Zevenwouden] gehouden weder wat op te helpen.
Als Saeckma hem van zijn goede trouw heeft verzekerd, betuigt Lycklama spijt: Die haesticheyt is mijn meyster geweest.

De vriendschap heeft er niet onder geleden. Als Saeckma in 1618 heeft laten verbouwen - hij had het huis van zijn schoonouders overgenomen, aan de Huizumer Zuupmarkt - wil Lycklama dat graag zien; zeer bedroefd is hij over Saeckma's ziekte van 1622; vóór zijn definitieve terugkeer uit den Haag naar Friesland, naar zijn grietenij, vraagt hij voor zichzelf en zijn huisraad tijdelijk onderdak bij Saeckma in Leeuwarden. Saeckma zit op 9 augustus 1625 aan het sterfbed van zijn beste vriend en regelt diens erfenis; volgens Lycklama's testament mochten Saeckma's zoons Suffridus en Theodorus elk een boek naar keuze uit zijn bibliotheek hebben.

Het laatste jaar
________________________________________________________________ >> begin

Een officiële machtiging om professoren aan te stellen en hun tractementen te bepalen, kregen de curatoren van de Staten van Friesland op 6 april 1636: die is voor Oostergo, dat met Westergo, Zevenwouden en de Steden de vier regeringskwartieren vormde, onder anderen ondertekend door Suffridus, de oudste zoon van Saeckma. Op 28 mei zijn zes hoogleraren benoemd: Cornelius Pijnacker tot primarius voor rechten, als opvolger van Bernardus Schotanus; Pierius Winsemius tot hoogleraar welsprekendheid en geschiedenis; Johannes Cocceius tot hoogleraar Hebreeuws; Henricus Rhala, voordien hoogleraar in de welsprekendheid en de Instituten, tot in rang tweede professor rechten, wat hij in feite sedert 1632 al was; Bernardus Fullenius, sedert 1629 professor voor Hebreeuws, tot hoogleraar wiskunde; Johannes Bogerman, met herhaling van de benoeming van 1633, tot professor primarius in de theologie. Vanwege ziekte van de auctor werd de in de zomer van 1636 geplande inauguratie verdaagd. De plechtigheid vond 7 december plaats, zonder curator Saeckma, die op 22 december overleed.

* * *

Dit is een bewerking voor internet van de gelijknamige bijdrage aan Miscellanea Gentiana: Een bundel opstellen aangeboden aan J.J.M. van Gent bij zijn afscheid als bibliothecaris der Rijksuniversiteit Leiden, Leiden 1993, blz. 87-106.
Bron: Brieven aan de curator van de universiteit van Franeker Johannes Saeckma (1572-1636), uitgave van de Codex Saeckma en de brieven van 12 overeenkomstige correspondenten uit de collectie Gabbema - zie mijn HOMEpage. Literatuur: zie de noten bij die uitgave.