>> HOMEpage

Forensisch onderzoek in 18-eeuws Friesland

Bron: Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde. Jaargang 99. No. 22 - 28 Mei 1955
DE LANDSCHAPSMEDICI EN OPERATEURS VAN FRIESLAND IN
DE ACHTTIENDE EEUW
Lijkschouwers van het Hof van Friesland
door Dr. M.E. Kulsdom, te Leeuwarden
Internetuitgave met illustratie en addendum: M.H.H. Engels, april 2014


Ook in de achttiende eeuw is de heelkundige voorziening van steden en platte-
land zeer gebrekkig geweest. Het getal behoorlijk opgeleide chirurgijns was
gering, het dilettantisme bloeide levendig. Om aan de bestaande gebreken
enigszins tegemoet te komen gingen de souvereine Staten van Friesland in het
begin dier eeuw er toe over, een chirurgijn van erkend goede hoedanigheden
te benoemen tot "Landsoperateur", met een vast salaris, tot wiens opdracht
o.a. behoorde de heelkundige verzorging van de armen in de provincie, het
geven van les in de ontleedkunde aan leerling-chirurgijns en vroedvrouwen.
Tot hun taak, althans zeker van de laatste twee aangestelden, behoorde ook
in voorkomende gevallen het Hof van Friesland ten dienste te staan door het
verrichten van wondschouw of lijkopening en het uitbrengen van rapporten
dienaangaande. Zij deden dit meestal met drie andere geneeskundigen (2
medici en 1 chirurgijn). Voor het Hof moet dit een vooruitgang zijn geweest,
immers het ontdeed zich van het amateurisme van wel- en onwillende, al of
niet behandelende medici en chirurgijns.
Hoewel de gerechtelijke schouwing van toegebrachte kwetsuren al van oude
datum is, is de wetenschappelijke beoefening van de gerechtelijke geneeskunde
nog maar betrekkelijk jong. Zij dateert hier te lande uit de zeventiende eeuw.
In 1302 deed Bartolomeo van Varignana in het ver vooruitzijnde Bologna
de eerste gerechtelijke sectie, maar nog lang daarna gold evenals in veel andere
landen ook in de Nederlanden, dat de juristen dikwijls meer vroegen dan de
anatomische kennis der geneesheren kon opbrengen. Lijkschouw was niet
hetzelfde als lijkopening. De onvoldaanheid over deze toestand is in de 17e
eeuw van juridische zijde duidelijk uitgesproken door de rechtsgeleerde Ulrik
Huber 1) (1636-1694) die de geneeskunde weinig meer dan een kansspel achtte,
en zeide dat hij zelden of nooit een gelijkluidend advies van twee medici kreeg,
die daarin nog partijdig of niet nauwkeurig waren en op zijn zachtst gezegd
in hun rapporten van te veel twijfel deden blijken.
De Zekerheid der geneeskunde heeft in Petrus Camper een betere pleitbezorger
gehad, dan in de jurist Huber.
Een van de in Nederland vroeg genoemde, vast aangestelde lijkschouwers
is zeker geweest Meester Derk de Beer, die in 1495 werd benoemd tot ge-
zworen arts binnen Bommel, omdat in die streek nogal vreemd met het onder-
zoeken van wonden werd gehandeld.
Van een vast aangestelde lijkschouwer vindt men bij Huber geen aanduiding.
In 1709 werd in Friesland voor het eerst een "Landschapsoperateur" benoemd.
Deze oudste Landschapsoperateur is Gerardus Lenegra, Mr. Chirurgijn
en Oldburger Faendr. binnen Leeuwarden, die 30 Maart (1709) benoemd
werd op een salaris van 200 Car. gls. De aanstelling geschiedde door de Staten,
die op grond van de feiten in zijn sollicitatie genoemd tot de overtuiging kwa-
men, dat hij was
"door veel moeitens en sware studiën onder Godes Zeegen, zoo verre geavanceert dat hy door
het Manuuaal van 't snyden der Steen en het lichten der Catracta der oogen, genoechsame en
overvloedige proeve van sijne wetenschappen heeft getoont, gelyk Ed. Mo. naeckt cn claer
konden constateren ..." (volgt een opsomming).
Men mag inderdaad ontzag hebben voor de gegevens die hij aanvoert. Hij
deelt mede, dat hij geneigd is, als hij benoemd wordt, elk jaar op zijn minst één
maal op eigen kosten de provincie door te reizen om de vele mensen, die nog
lijden aan steen en staar, en die door de onkunde der dorpschirurgijns niet
kunnen worden geholpen, te verlossen van hun lijden.
In 1729 werd hij opgevolgd door zijn zoon Jacobus Lenegra. Deze voerde
in zijn sollicitatie niet minder zwaar geschut aan dan zijn vader, en laat o.a.
"Everhardus Meekma Med. Dr. wonende binnen Leeuwarden, Jacob
Derkes Posthumus, Mr. Chirurgijn, Hiltje Sjoerds en Antje Harmens,
vroedvrouwen, wonende tot Marssum" in 1728 attesteren, dat hij by Grytje ...,
aldaar, 28 jaar oud, kort na een geslaagde steenoperatie, nog een geïncrusteerde
ivoren naaldenkoker van vier hout-duimen lang uit de blaas heeft verwijderd.
En kerkvoogden van Marssum verklaren nog eens extra, dat zij door deze ge-
slaagde operatie van Grytje "synne bevriet syn geworden, also niet in staadt
was om iets te verdiene".
Deze chirurgijn heeft zijn ambt uitgeoefend tot 1747. Hij werd opgevolgd
door Johannes de Vries, een man van wie meer bekend is dan van zijn voor-
gangers.
Johannes de Vries was geboortig uit Leeuwarden. Na een leertijd bij Mr.
Jacobus Lenegra woonde hij twee jaar in huis bij Pieter Jas, Meester en
Stadschirurgijn te Amsterdam. De laatste gaf hem een zeer loffelijk getuig-
schrift bij zijn sollicitatie naar Leeuwarden, evenals de stadsdoctoren van
Amsterdam: A. van Hagen, J.D. Visscher, Hugo van de Pol en C.I. Famars.
In deze sollicitatie, waarin hij de Staten verzoekt tot operateur te worden
aangesteld op een tractement van "hondert silvere ducatons jaarlyx", deelt
hij mee dat hij ten enenmale zonder middelen is om buitenslands zijn bekwaam-
heid in het steensnijden nog te verhogen, hoewel hij van de Operateur Jacob
van Diden te Utrecht wel een introductie kon krijgen voor Parijs.
Hij werd benoemd op het gevraagde salaris, en kreeg een door de Staten
toegestaan verlof van 3 jaar om zich te Parijs verder in het steensnijden en de
anatomie te bekwamen. Toen hij terugkwam, ontving hij de titel van Leraar
in de Anatomie, Chirurgie en Vroedkunde, en een tractement van 450 guldens
per jaar. Van deze benoeming gaf het Collegium Medicum kennis in de Leeu-
warder Saturdagse Courant
van 14 Juli 1753.
Theoretisch onderwijs in de ontleedkunde werd al sinds 1702 gegeven; prak-
tisch onderwijs gaf voor het eerst de Vries boven het "Pakhuis onder de nieuwe
Toren". Als lector moest hij de volgende lessen gratis geven:
1. 's Zomers een maal per week een les over osteologie;
2. na afloop der lessen over osteologie, een les over de ziekten der beenderen;
3. in de winter oefeningen op het cadaver "daarin dagelijks een à twee lessen en daarbij
niet alleen de deelen en derselver gebruyk", maar ook "de chirurgicale operatien aantoonen";
4. wekelijks twee lessen in de chirurgie;
5. wekelijks een les voor de vroedvrouwen.
Voor de sectie werden uitnodigingen rondgezonden aan "de Heeren Medi-
cinae Doctoren en Chirurgijns en verdere Heeren liefhebbers" met verzoek
hem (de Vries) "op de bovengemelde en volgende dagen (de Saturdag en
Sondag uitgenomen) nademiddags te drie uuren met hunne tegenwoordigheit
op de Stads-Anatomie kamer te gelieven te vereeren".
Het theatrum anatomicum, in 1754 gemaakt uit het pakhuis onder de Nieuwe Toren, heeft later niet meer voldaan. In 1793 werd het "hok" onder de snijkamer en de snijkamer zelf verhuurd aan de boelgoeds-ontvanger Suringa voor 12 gld. 'sjaars. De toen aangestelde nieuwe "Landschaps Lector" mocht zijn demonstratie geven in de tweede, later de derde Latijnse school. De Vries was verplicht jaarlijks op eigen kosten een rondreis door de provincie te maken om onvermogenden, die door steen of breuk werden gekweld, van hun last naar vermogen te trachten te bevrijden.
Hij moet een man met veel belangstelling zijn geweest, wat o.a. blijkt uit
het feit dat hij zich ernstig heeft beziggehouden met de bestrijding van de
runderpest, een ziekte die vroeger de veestapel in Friesland had gedecimeerd.
In 1769 werd te Langweer "een party gebeterde jonge runderen verkocht die
door 's Lands Operateur J. de Vries zijn ingeënt, onder garand van 6 maanden
voor de ziekte in te staan", en in hetzelfde jaar publiceerden Gedeputeerde
Staten van Friesland een uitvoerig rapport zijnerzijds over inentingsproeven
op jonge runderen.
Hij was ook officieel lijkschouwer van "onze hooge overheid De Edele
Mogende Heeren Raaden 's Hoff van Friesland, Die God behoede en haar
magt doet behouden tot het laatste nageslagte", zoals hij dit "gedugte Hoff"
noemt.
"De Macht van 't Hof bestaet in het Opperbestier van de Civile en de Crimineele Justitie
over het geheele Landt, ende sonder onderscheidt van Persoonen, behoudens de Nederrechters
haer judicature in Civile Saken ter eerster instantie... Het getal der Heeren van den Hove
is twaalf, drie uit yder quartier; welke door de Heeren Volmachten des selven deels voor haer
leven lang worden verkooren; de oudste Heer Praesiderende".
Het getuigt van kritische zin, nauwgezetheid en waarheidslievendheid,
dat hij "Eenige korte Practijkaale bedenkingen specterende de Medicina
Forensis, beneffens verscheidene verklaringen wegens gedaane visitatien, waar-
van eenige met remarques zijn aangetekent" heeft neergelegd in een hand-
schrift, nog aanwezig op het Stedelijke Archief te Leeuwarden, onder de titel:
Geregtelyk Genees- en Heelkundige Onderzoekingen en Rapporten deswege aan den Hove
van Friesland, van 1755-1782
, door J. de Vries, Landschaps-Medicus en Opera-
teur en anderen".
De inleiding van dat handschrift, bestaande uit twaalf artikelen, bevat
menige voor die tijd bruikbare opmerking. Voor visitator moeten alleen de
meest deskundige mensen worden uitgezocht, van beproefde eer en trouw.
Bij het verrichten van de sectie moeten de visitatoren alleen zijn, er mag beslist
niemand bij. In 1765 moest de Vries eens een sectie doen in Bolsward, wegens
zelfmoord. Vertrouwend op hun stilzwijgen lieten de visitatoren de medici en
chirurgijns van Bolsward er bij. Het gevolg was echter dat men te Franeker
elkaar de volgende ochtend de gehele visitatie vertelde, terwijl het Hof pas
's avonds bericht kreeg!
De Vries dringt er op aan, het verslag rustig op te stellen, ruim tijd te nemen
voor overleg en voor eventueel raadplegen van literatuur. Heeft een schouwer
een afwijkende mening, dan moet hij die afzonderlijk, schriftelijk geven. Het
gehele cadaver moet worden onderzocht, niet alleen de wond, anders zou
een verkeerde conclusie kunnen volgen.
Een hevige gemoedsbeweging, bv. in een tweegevecht, kan iemand plotse-
ling doen sterven. Het is wenselijk dat de schouwer vooraf door de medici en
chirurgijns van de ingestelde behandeling op de hoogte wordt gesteld. Bij
sterke ontbinding is de longen-drijfproef niet betrouwbaar.
Het ware te wensen dat het Hof, ingeval van verwonding door "moedwil",
een ervaren chirurgijn stuurde om de aanwezige medici en chirurgijns van
advies te dienen(!). De plaatselijke, onervaren chirurgijns stellen dikwijls een
verkeerde behandeling in. Idema, zegt de Vries verder, heeft ongetwijfeld het
Hof een dienst bewezen, door het op te nemen voor de moeders in geval van
partus clandestinus, maar zijn geschrijf, én dat van Croeser, over vagitus
uterinus, is iets, waar hij niet bij kan, bekent hij ironisch. Hij meent dat veel
gevallen van vruchtdood bij partus clandestinus zijn toe te schrijven aan kneu-
zing van het achterhoofd, doordat het kind als gevolg van de zittende baar-
houding der moeder, op de grond valt.
Als iemand ter dood wordt veroordeeld op grond van de bevinding der
schouwers, moet men deze schouwers nog eens extra vragen of zij bij hun ver-
klaring blijven:
"om redenen hoe oplettend de visitatores ook geweest mogen hebben, zij zijn menschen ...
Want het is my selfs gebeurt, en wel in geval van de visitatie van het dood lighaem van Luitje
Claeses te Achlum in den jaare 1762 daar wy visitatores alle eenparig de wond van 't ceribel-
lum per se absolute lethale hebben gestelt - en na die visitatie, in het vervolg nauwkeurig
te hebben overwoogen, en gedaane experimenten, ben ik thans van gevoelen, dat deze wond
van 't Cerebellum per accidens alleen doodelyk is geweest".
Gelukkig was de schuldige gevlucht!
De rapporten van de Vries hebben een vaste aanhef: "Uit ordre van Haer
Ed. Mog. Heeren Raaden 's Hoffs van Friesland, en ten overstaan van de Wel
Edele Gestrenge Heer Procureur deeser Landschappe, hebben wy medicinae
doctores en chirurgi gevisiteerd ..."
Aan alle in zijn aantekeningen vermelde verslagen knoopt hij bespiege-
lingen vast, waarbij hij niet schroomt, door anderen en door hem zelf gemaakte
fouten te bekennen en te bespreken. Misschien heeft hij juist deze sectiever-
slagen bewaard, omdat zij moeilijkheden gaven. Zo een sectie van 1753! Het
lijk van Sipke Hendriks te "Molquerum" vertoonde bij nauwgezet onderzoek
geen afwijkingen. "Derhalven zyn de ondergeschrevene van gedagten, dat
Sipke Hendriks voorschreven, aan een hartvang zal overleden zijn geweest,
door een hartstogt van alternatie of van boosheid, om hem over het geleden
ongelijk te wreken", luidt een zin uit het visum repertum. Maar in de aan-
tekening onder het sectieverslag leest men: "... Ik ben doch niet vreemd,
of wy visitatores hebben een notabele vout begaan, door de blaas niet nauw-
keurig te hebben gevisiteert, .... alzoo ik nader onderricht ben geworden,
dat de overledene geweldig door den dader is getrapt geweest ..." (in de
blaasstreek!). Hier, zegt hij, heeft het gemis aan informatiën, ons lelijk parten
gespeeld.
Een omvangrijke vechtpartij te Franeker (1765) tussen Wopke Thomas,
Rients Pieters, Lammert Jelles van der Helm en diens zoontje gaf hem
kopij voor een ander verslag. Alle vechtersbazen hadden ernstige verwon-
dingen, behalve het zoontje. De dag van de wondschouwing bezocht hij
's avonds met dr. Coopmans en de Chirurgijns Tamminga en Gillis uit Franeker
de patiënten nog eens, en er werd geconstateerd dat de hoofdwonden van
Wopke en Rients niet zonder gevaar waren.
Wopke bracht het er echter niet slecht af, en toen de Vries hem na enige tijd
nog eens opzocht, bleek de hoofdwond op een kleine opening na gesloten.
Wopke zat in de stoel. Voor de zekerheid sondeerde De Vries de wond nog
eens met een stilet en hoe groot was zijn verwondering toen hij in een holte
kwam waarvan de bodem bedekt was met beensplinters, die hij toen zo veel
mogelijk verwijderde. "... Niettegenstaande deze konstbewerkinge en kun-
dige behandelingen is de gewonde (die natuurlijk een aderlating onderging
en te bed werd gelegd) na veele gevaarlijke toevallen te hebben uitgestaan
wederom herstelt". Deze wond zou "per accidens vel neglectu" dodelijk
hebben kunnen zijn. Hij was maar blij dat hij de juiste stand van zaken ont-
dekte, daar anders ernstige moeilijkheden hadden kunnen ontstaan.
Toen in de late middeleeuwen het oude Friese Landrecht verwaarloosd werd,
hielden de nieuwe heren (de hertogen van Saxen, Karel V, Philips II) zich
sedert 1500 aan het bij hen geldende oude Romeinse ("Roomsche") recht,
dat naar Justinianus ook keizerlijk recht werd genoemd. Van tijd tot tijd (de
latere Vrije Staten deden dit ook) werden hierin door ordonnanties en placaten
wijzigingen aangebracht.
Als zo'n nadere regeling, in het bijzonder wat betreft het strafrecht, kan
gezien worden de Constitutio Criminalis Carolina, door Karel V ingevoerd.
Hierin waren bepalingen neergelegd betreffende het raadplegen van des-
kundigen bij toegebrachte verwondingen. Aan deze bepalingen knoopte
Fortunatus Fidelis 2) in 1598 een leer vast over de dodelijkhcid van verwon-
dingen. Deze heeft tot ver in de negentiende eeuw de gedachten der forensische
geneeskundigen geboeid en is het onderwerp geweest van talloze publicaties.
Het ging om een zuiver theoretisch overleg aangaande de gevolgen van een
verwonding, waaruit echter praktische conclusies werden getrokken. "Absoluut
dodelijk", "per se dodelijk" (uit zichzelf dodelijk maar door tijdige hulp heel-
baar) en "bij toeval dodelijk" (door bijkomende omstandigheden) waren zeer
gangbare uitdrukkingen in deze leer. Hoe gevaarlijk dit aan de praktijk
vreemde studeerkamer-overleg was, toont Moll 3). Als iemand door eens anders
toedoen een beenbreuk krijgt, en de wondarts behandelt deze minder gelukkig,
zodat er koudvuur bijkomt en de lijder sterft, pleegt men de beenbreuk "toe-
vallig dodelijk" te noemen. De dood volgt hier dan alleen in tijdsbetrekking
op de beenbreuk, maar de oorzaak van de dood is de minder geslaagde be-
handeling van de chirurgijn. Hij is de "doodslager".
Een nuchter oordeel over deze leer velde o.a. mr. Bavius Voorda in 1792:
Het gaat de rechter niet aan of een wond in het algemeen dodelijk is of niet.
Van belang is alleen of bij een bepaalde persoon de dood het gevolg is van een
bepaalde verwonding, en dat kan alleen het onderzoek van het lijk na de
werkelijk gevolgde dood aantonen.
De Vries kende de gangbare literatuur en terminologie van deze gedachten-
wereld en tegen de achtergrond van deze leer, die in zijn dagen bloeide, moet
men zijn nauwgezet streven beschouwen, zich zojuist mogelijk uit te drukken
in de taal, die zijn juridische lastgevers ook verstonden.
Bij de sectie van een jongeman, die na een ernstig letsel overleed, werd de Vries getroffen
door de ontzettende stank, die het cadaver verspreidde. Om een verklaring zat hij niet ver-
legen. Hij schreef de stank toe aan het feit, dat het een jonge man betrof, "die 's nachts doen
hy gewond wierde, door sterke drank geweldig verhit is geweest, waarbij komt, de toorn en
gramschap en het gevegt, door welkers geweldige verhittinge en gemoedsbewegingen, alle
humores in een alderkwaadaardigsten aart van scherpheid verandert zijn geworden". Het
is of de Vries zich opwond om het geval zo hevig mogelijk voor te stellen.
Hij geloofde wat hij zei, zoals de oude dr. Lodewijk Lolkema aanhaalt
(Verhandeling van het zuur), en hij geloofde een verhaal van Zacutus Lusitanus 4)
over een pestlijder, wiens bloed bij het aderlaten zo'n stank verspreidde "dat
drie van de naaste omstanders daarvan beswijkende aanstonts zijn gestorven".
Hier is geen wetenschap, geen door ervaring gestaafde kennis waarop de Vries
toch zo prijs stelt, als hij elders zegt, wéér in verband met de al of niet dodelijk-
heid van verwondingen: "want fraaye redeneringen kunnen zoo een doorsiend
Hoff niet helpen, daar worden vereyscht zekere bewijzen, zekere proeven die
de waare fundamenten zijn waarop de justicie gevestigt is, en wel bijzonder
's Hoffs van Friesland". Hij kende de kritische geest van het Hoff (Huber!).
Te E. was Tietske Cornelis (1762) onder verdachte omstandigheden over-
leden. Bij opening van de maag bleek daarin een witte stof te zijn, die op
rattenkruit geleek. De Vries mengde nu de witte stof met vlees en gaf dit
aan een hond te eten. Het dier trok er zich niets van aan en toonde, toen
het een paar dagen daarna werd gedood, bij lijkopening niets bijzonders.
Al was hij met de hondeproef dus niet gelukkig, het feit, dat deze werd ge-
nomen, wijst op vooruitgang van het onderzoek.
Jaren daarna (1771) kregen de visitateurs door het gerecht van Hemelum
Oldephaert twee verzegelde flesjes met vocht toegestuurd, waarin een "wit-
achtige" stof "zynde het Eene geteekent de stoffe van Jacob, en het andere de
stoffe van Sipke".
Zij vergeleken de witte stof met behulp van een "zeer vergrootende Micro-
scopium" met "rottekruid", kalk en krijt, en concludeerden dat de witte stof
rattenkruit was. Weer werd de hondeproef gedaan, maar het dier wilde het
hapje niet "opvreeten, verlof voor deeze ongeschikte en andere dergelijke na-
volgende uitdrukkingen alzoo de natuur der zaak het selve Eyscht ...". Het
rapport moest naar het deftige Hof!
Vervolgens legde een te hulp geroepen apotheker het witte goedje op een
gloeiende kool: "... wanneer het een sterken swavelachtige reuk van zich
gaf, zeer gelijk aan de reuk van knuflook". Hiermee kon hij het Hof een zeer
verantwoord rapport aanbieden.
Het zou te ver voeren alle verslagen stuk voor stuk te vermelden. Hij ver-
telt hoe hij kliekjes onderzocht, hoe de chirurgijn van Tzummarum naliet bij
een zwaar gekwetste aderlatingen te doen, het enige middel tot behoud, en
hoe deze daarom schuldig was te achten aan de dood van zijn patiënt.
Terloops kan worden gezegd, dat het Hof het zich bij de boetebepaling bij
allerlei verwondingen niet moeilijk behoefde te maken. Er bestond een vast
tarief. "Een wonde in 't hooft door 't been, is 100 Gout-guldens, maer andere
wonden, die 't been niet quetsen, geven 30 gout-guldens... Een slechte
bloedronst, is 12 Carol. guldens, doch schade in 't aangezichte daar by komen-
de, is dubbeld, gelyk mede 18 Car. guldens, van 't haer plucken, uittrekken
van 't baerd dubbeld; een vuistslag als zynde reale injurie, 30 Gout-guldens".
Tegen de bewering van de oude Huber in, was de Vries ten volle overtuigd
van het belang van een zo groot mogelijke nauwkeurigheid der visa reperta.
19 Mei 1760 moest hij onderzoeken het "dood lighaem van Johannes Gar-
miau in leven soldaat onder de Compagnie van den Heere Luitenant Generaal
Croije". Bij opening van de buikholte bleek, dat de levervaten waren door-
gesneden, waardoor zich vrij veel bloed tussen de ingewanden bevond. Dit
laatste had echter de schrijver van het rapport vergeten te vermelden. Ge-
lukkig werd deze omissie tijdig ontdekt en de Vries merkt op, dat als de com-
missie niet had geweigerd deze verklaring te ondertekenen, zij zich schuldig
zou hebben gemaakt aan niet nauwkeurig "deponeren" en de advocaat had
de dodelijkheid der verwonding kunnen aanvechten. Afsnijding der levervaten
en afwezigheid van bloed in de buikholte zijn onverenigbaar met elkaar. Het was
wel meer gebeurd, dat "iemant een wond per se lethaal stelde, dat party
advocaat de nulligheit wegens de gegevene verklaringe ageerde en met nadruk,
voor zijn cliënt triompheerde".
Breed meet hij uit over enige gevallen van vermoede kindermoord.
Hij stond op het standpunt, dat bij worging de dood niet intrad door ver-
stikking, maar door apoplexia cerebri. Aan dit onderwerp wijdt hij tenslotte
verscheidene bladzijden. De belette afvoer in de halsaderen zou deze doen
zwellen en tenslotte de vaten in de hersenen doen barsten. In 1781 had hij
met eigen ogen gezien, hoe op het stadhuis een burgerman van veertig jaren
zich met zijn zakdoek had gewurgd, "disperaat" als hij was wegens zijn
detentie (omdat hij een officier had beledigd). Het onderzoek van die man
had hem zeer in zijn opvatting gesterkt. Overtuigender feiten echter heeft hij
van zijn leermeester gehoord, toen hij kort na zijn benoeming op kosten van
de Staten in Frankrijk had mogen studeren:
"Te Parijs seyde den Grooten Winslow (Jacques Benigne Winslow 1669-1760) in zijn
Collegie handelende over de vaten der Hersenen, dat men moeste nooit de dassen te styf om
de hals doen, en wel bijzonder bij jonge bloedrijke lieden, want als dan zyn zy in 't gevaar
schielyk door een beroerte aangetast te worden; dien grooten ontleder voegde daar by, dat
men een gewoonte bij eenige duitsche regementen gehad hadde: dat wanneer de soldaten
paraderen moesten, dat men haar de halsdassen zeer stijf lieten omdoen, opdat als dan de
soldaten dikker koppen hadden en dus marschiaalder vertooningen maakten; maar die bevel-
hebberen leerden zulks ras af, omdat een menigte van die bloedrijke jongelieden den eene
na den anderen, aan eene beroerte stierven".
Ook in dit verhaal, dat hij met instemming weergeeft, kan de achttiende-
eeuwer, die de Vries ook was, zijn gevoel niet onderdrukken. Men denkt weer
aan de fraaie redenering, waarvoor hij niets voelde, en constateert dat het
weinig kritisch vergaarde materiaal, nog steeds zowel met het gevoel, als met
het verstand benaderd werd. Een fout waarvan de groten en de kleinen, Winslow
en de Vries, beiden het slachtoffer werden.
Het ongunstige oordeel van Huber over het werk der Nederlandse lijkschou-
wers is honderdzestig jaar later door Moll (1825) letterlijk herhaald. In het
buitenland was men verder met de beoefening der gerechtelijke geneeskunde
dan bij ons. Hier ontvingen de gerechtshoven in lijfstraffelijke zaken dikwijls
"ellendige, slordige, niet samenhangende, oordeelloze berichten, (en) schouw-
cedels", wat geen wonder was daar aan de meeste universiteiten het vak van
de gerechtelijke geneeskunde zeer stiefmoederlijk werd behandeld of geheel
verwaarloosd. Als Moll echter zegt dat in ons Vaderland "volstrekt geener-
hande beoefenaar der Geneeskunde, bij voorkeur en van Staatswege regstreeks,
tot de Geregtelijke Geneeskunde geroepen is", dan spreekt hij van zijn eigen
tijd, en in zoverre met recht wat de universitaire beoefening betreft; overigens
getuigen de Vries en zijn opvolger van andere toestanden. De laatsten hebben
met literatuurstudie en experiment, werk van hun vak gemaakt.
Of de bezoldiging voor de Vries beter was, dan "het kruijersloon, hetwelk
den drok bezetten practicus van elke aanvrage zijner hulp te dezen opzigte
doet walgen" valt moeilijk na te rekenen.
De Vries is in zijn tijd zeker als een van de besten erkend door zijn be-
noeming (1777) tot lid van de "Hollandsche Maatschappije der Wetenschap-
pen" te Haarlem. Hij was één van de zes chirurgijns in dit uitgezochte gezel-
schap van 126 minnaars van de wetenschap, waaronder veel juristen, medicinae
doctores, hoogleraren (o.a. Pringle, von Haller, van Swinden, van Geuns,
later Lavoisier), hoge militairen, een ridder en zelfs een markies. In 1776
publiceerde hij in de Verhandelingen der Maatschappij een artikel over het stillen
van slagaderlijke bloedingen, in 1786 over de behandeling van neuspoliepen 5).
In 1791 legde hij zijn functie neer.
In 1794 werd tot opvolger van de Vries aangesteld dr. Johannes Mulder,
een medicus met chirurgische opleiding, over wie veel bekend is o.a. door de
levensbeschrijving, die zijn zoon dr. Claas Mulder 6) in 1824 in het licht gaf.
Johannes Mulder, het enige kind van de koopman, tevens burgemeester van
Franeker, Claas Mulder, gehuwd met Aaltje Staalstra, werd geboren op
15 Mei 1769. Hij bezocht de Latijnse school, ging in 1785 naar de universiteit
te Franeker en werd daar in 1790 doctor in de vrije kunsten en de wijsbegeerte
op een studie over de leer van de "warmtestof" in verband met de lichaams-
temperatuur. Vervolgens toog hij naar Leiden, waar de faculteit onder Sandi-
fort, Brugmans, Voltelen, du Pui, Oosterdijk en Paradys een goede naam
had, en legde zich onder du Pui speciaal op de heel- en verloskunde toe.
In 1792 ging hij ter voltooiing van zijn heelkundige opleiding naar Londen
en werd daar o.a. honorair lid van het geneeskundig genootschap in het Hospi-
taal van Guy. In Leiden teruggekeerd in 1793, bewerkte hij een proefschrift,
waarop hij 8 Februari 1794 te Franeker met de meeste lof promoveerde tot
medicinae doctor. De titel van de dissertatie luidde: Historia litteraria et critica
forcipum et vectium obstetriciorum
.
Dit werk is in het Duits vertaald. Hij beschreef daarin een tang naar eigen
ontwerp. In 1800 droeg Schreger, hoogleraar te Erlangen, een werk over
obstetrische apparatuur aan hem op. Later zag Mulder toch weer van de door
hem gepropageerde tang af.
Nog in 1793 werd hij door de doctoren Coopmans (Franeker) cn Kutsch
(Leeuwarden) bij request aan de Staten van Friesland voorgedragen voor de
betrekking van Landsoperateur en Leraar (Lector) in de anatomie, chirurgie
en vroedkunde. 15 Maart 1794 werd hij als zodanig benoemd en in Juni van
hetzelfde jaar aanvaardde hij zijn ambt. Ook zijn instructie hield in, dat hij
zo nodig den Hove Provinciaal cn de andere Gerechten in zaken de Justitie
betreffende, ten dienste had te staan.
Voor zijn ontleedkundige demonstraties kreeg hij twee cadavers per winter
toegezegd, waarvoor hij 50 guldens "zonder wijders" per sectie kreeg.
Hij moest chirurgijns, vroedmeesters en vroedvrouwen opleiden en exami-
neren; hij diende gratis alle armen te opereren, die een belangrijke chirurgische
of vroedkundige operatie moesten ondergaan "mits hij daartoe van de arme-
staten versogt en de Lijders op hunne kosten naar Leeuwarden getransporteert
worden; moetende egter alle de overige onkosten aan Hem volgens specificatie
vergoed worden".
Hij mocht tien weken vacantie nemen per jaar, maar niet tussen November
en April, terwijl hij zich niet zonder toestemming van Gedeputeerden buiten
de provincie mocht begeven.
Zijn huwelijk met Hyke Sophia Saagmans (1794) is zeer gelukkig geweest.
Claas Mulder herdacht met veel piëteit het huiselijk leven van zijn ouders
en vertelde, dat zijn vader werkte en schreef in de familiekring, niet op een
"zoogenaamde studeerkamer".
Deze bekwame man werd in 1797 te Franeker tot hoogleraar in de ontleed-,
heel-, en verloskunde benoemd, met commissie als Landsoperateur zo nodig
alle onderhoud genietende armen in het bijzijn van zijn leerlingen gratis te
opereren. Deze bepaling is het onderwijs zeer ten goede gekomen!
In hetzelfde jaar kreeg hij een gouden medaille van het Genootschap tot
redding van drenkelingen.
Het onderwerp van zijn inaugurele rede, op last van de hoge overheid in de
landstaal uitgesproken, ging: Over de redenen, waarom de Nederlanden in het alge-
meen zeer weinig tot verbetering en uitbreiding van de heel- en verloskunde hebben toe-
gebragt
. Hierin deelt hij de "Burgers uit het Provinciaal Bestuur van Vries-
land, Geheimschrijvers van Staat, Rector Magnificus, aan onze zorg ver-
trouwde jongelingen!" enz. mee, dat het niet aan Nederlanders gelegen
heeft, dat het sterftecijfer van amputatiepatiënten maar vijf procent bedroeg.
De chirurg bezitte een gepaste vrijmoedigheid, en zij niet zo bang als de
grote von Haller, die zeventien jaar hoogleraar in de heelkunde was, en
toen nog nimmer een patiënt had geopereerd "uit vreeze van te zullen scha-
den". Hij wees anderzijds op het misbruik der vroedkundige instrumenten
door de driesten. Dit alles naar aanleiding van de vraag, die hij zich stelde,
of de Nederlander naar zijn aard bekwaam is tot het handwerk van chirurg,
een vraag die hij volmondig met ja beantwoordde.
Dat hier te lande toch weinig vooruitgang op chirurgisch gebied is geboekt,
komt door het zeer slechte onderwijs. Hij stond het stichten van heelkundige
en kraamklinieken voor, en verzette zich fel tegen de onwaardige opleiding
der leerling-chirurgijns in de scheerwinkels.
Uit de Rapporten strekkende als bijlagen tot de verzameling van stukken, betrekkelijk
de aanstelling eener Commissie van Geneeskundig toeverzigt te Amsterdam
(7e stuk.
26 Rapport, par. 6) uit de laatste 10 jaar van de achttiende eeuw, blijkt, dat
deze commissie, die eerst had besloten de vraag "of het baardscheeren van de
Heelkunde zal worden afgescheiden" bevestigend te beantwoorden, bij revisie
verklaarde om "verscheidene zwaarwigtige redenen" hierop terug te moeten
komen, en de zaak te laten zoals zij was! Het onderwijs in het Latijn staat de
opleiding tot practische handartsen (chirurgijns) en vroedkundigen in de weg,
zei Mulder. Nergens in ons land is een volledige opleiding, nergens een school
voor leerling-chirurgijns en vroedvrouwen, nergens zijn behoorlijke zieken-
huizen of kraaminrichtingen. Hiermee is ons land ver bij het buitenland ten
achter. Er lopen hier meer onkundigen, dan deskundigen rond. Kort na de
inauguratie van Mulder kreeg prof. du Puy te Leiden zijn "Practicaal In-
stituut voor Heel- en Vroedkunde". Mulder zelf meende dat men met weinig
kosten een kraaminrichting en ziekenhuis te Franeker zou kunnen inrichten.
Het derde punt van zijn betoog was, dat het er met de wettelijke bescher-
ming van de werkelijk deskundigen in ons land "ellendig" uitzag. Geen nieuw
geluid! Zijn hoop op verbetering heeft hij gevestigd op de "Agent van Natio-
nale Opvoeding", die vergaande instructies dienaangaande had gekregen.
Dat hij een kundig chirurg was blijkt daaruit, dat hij in 1798 te Dronrijp bij
een jeugdige patiënte, aan huis, een exarticulatie uit de heup verrichtte. De
eerste, zegt Claas Mulder, waarbij de patiënt in leven bleef.
Professor Mulder was een ijverig voorstander van de inenting met natuur-
lijke pokken.
Toen in 1801 door de "Agent van Nationale Opvoeding" en de "Raad van
binnenlandsche zaken" de "Departementale Commissie(s) van Geneeskundig
Bestuur" (later "...van geneeskundig onderzoek en Toevoorzigt") werden
ingesteld, was Mulder een der eersten die tot lid werden gekozen.
De beantwoording van een door het "Genootschap ter bevordering der
Heelkunde" in 1803 uitgeschreven prijsvraag over het "afhalen van de nage-
boorte" bezorgde hem de zilveren medaille. Zijn mening was dat zowel zij
dwalen, die nooit, als zij die steeds de afhaling aanbevelen. Men behoort op
bepaalde en ogenblikkelijke indicaties te handelen.
Intussen werd hij benoemd tot lid van verscheidene geleerde en kunstlie-
vende genootschappen.
Toen na het overlijden van professor Munniks te Groningen diens leerstoel
open kwam, werd Mulder in 1807 aangewezen om hem op te volgen als hoog-
leraar in de ontleed- en natuurkunde (physiologie) "van den Mensch en de
Dieren, en in de Heel- en Verloskunde". Mulder ging naar Groningen op
voorwaarde, dat een "Heel- en Verloskundig Ziekenhuis" zou worden opge-
richt, dat dan ook later onder de Hoogleraren Bakker en Hendriksz tot
stand kwam. Pas in 1809 kwam de koninklijke goedkeuring van Lodewijk
Napoleon op het plan. De toezegging had hij gekregen, maar hij moest zich
aanvankelijk behelpen met drie of vier zalen van het "Inwendig Ziekenhuis"
van professor Thuessink. Met zijn benoeming te Groningen eindigde zijn
ambt van lijkschouwer voor het Hof van Friesland.
Als voortreffelijk leermeester onderhield hij nauw contact met zijn studen-
ten, en zijn zoon Claas vertelde dat hij zich urenlang bij hen in het "kraam-
huis" ophield en hun daarbij mondelinge en schriftelijke vragen stelde.
In 1809 deed hij voor het eerst hier te lande bij een 34-jarige vrouw een
kniegewrichtsresectie 7), een operatie die reeds in 1783 door H. Park, chirurgijn
van het hospitaal te Liverpool, was uitgevoerd en aangeprezen. In de Alge-
meene Konst- en Letterbode van 1810, waarin prof. du Pui trots op het werk van
zijn leerling wijst, schrijft hij (du Pui), dat hij reeds in 1791 en '92 deze opera-
tie op lijken had verricht. Hij had haar aanbevolen, zegt hij, "daarbij meer-
malen den wensch uitende, dat zoo er zich een geval mogte opdoen, waarin
de heelkunde deze Konstbewerking vorderde, de Heelmeester kunde en stout-
heids genoeg mogt hebben om dezelve te verrigten en de lijder krachts en
moeds genoeg om haar te ondergaan", en hij dacht met respect aan de
Schotse matroos Hector Mc. Coghan, die onder Parks' handen de resectie
boven een amputatie verkoos en praktisch geheel genas.
Tussen 1792 en 1809 waren zeventien jaren verlopen. Heeft du Pui in die
tijd waarin "beenbederf", een belangrijke indicatie, toch veelvuldig voorge-
komen moet zijn, nooit een moeds genoeg hebbende lijder ontmoet of was de
heelmeester niet kundig genoeg en was hij, zoals Baron von Haller, bevreesd
te schaden? De laatste, een encyclopaedische geest, had een kleine veront-
schuldiging in de omvang van zijn bemoeiingen. Hij schreef van 1745 tot 1777
12.000 boekbeoordelingen en gaf van 1727 tot 1775 181 eigen werken en ge-
schriften uit over velerlei wetenschappen. Mulder deed de operatie en dit
wijst op zijn gepaste vrijmoedigheid. Zijn patiënte, die negen weken na de-
operatie een tweeling kreeg (die kort daarop stierf), is na een langdurig ziekbed
ook zelf overleden.
Mulder had behalve van de heel- en verloskunde, een brede kennis van
de vergelijkende ontleedkunde en hij schreef daarover ook een boekje 8); hij
was bovendien een knap tekenaar en als directeur van de "Academie voor
Teeken-, Bouw- en Zeevaartkunde" te Groningen heeft hij deze instelling
tijdelijk uit haar verval opgeheven.
Slechts kort heeft hij het hoogleraarschap te Groningen bekleed. In Novem-
ber 1810 overleed hij aan de gevolgen van een door hem zelf en professor
Hendriksz uitgevoerde punctie van een kaakempyeem, waaraan hij leed. Zijn
vrouw was al in 1805 gestorven. Hij werd in de Grote Kerk van Franeker
begraven.
Niet alleen zijn zoon, maar ook zijn medewerkers en leerlingen hebben hem
geprezen om zijn grote kennis, bekwaamheid, handvaardigheid cn menselijk-
heid. Hendriksz noemde hem met ietwat overdrijving "Een tweede Camper".
Tot zijn opvolger te Groningen werd door "Z.D.H. den Prins aartsthesaurier
des Rijks, Hertog van Plaisance, Algemeen Stedehouder van Z.M. den Keizer
en Koning" benoemd dr. G. Bakker, Lector in de Ontleed-, Heel- en Vroed-
kunde bij Teylers Genootschap te Haarlem.
Mulder was in zijn tijd een van de bekwaamste chirurgen van het land,
met zeer vooruitstrevende denkbeelden over het onderwijs in de heel- cn ver-
loskunde. Op gepaste wijze sluit hij de korte rij van Landsoperateurs en
officiële lijkschouwers, die in de achttiende eeuw getuigenis aflegden van de
wil ener hoge overheid, om op haar wijze bij te dragen in het treffen van
hoognodige geneeskundige voorzieningen.

Literatuur
1 Ulrik Huber (1768) Hedensdaegse Rechtsgeleertheyt. Herzien door Zacharius Huber.
2 Fortunatus Fidelis (1598) De relationibus medicorum.
3 A. Moll (1825) Leerboek der geregtelijke geneeskunde.
4 Zacutus Lusitanus (1575-1642) was een geleerd maar fantastisch arts van Portugees-
Joodse afkomst, die lang te Amsterdam heeft gepractiseerd.
5 Verhandelingen, uitgegeven door de Hollandsche Maalschappije der Wetenschappen (1776) bl. 127;
(1786) bl. 20.
6 Johannes Mulder (1824) Overzigt van de voornaamste gevallen welke in het Heel- en Vroedkundig
Akademisch Ziekenhuis te Groningen van den jare 1809 tot aan hel einde van het Akademisch jaar in 1810
zijn waargenomen
. (Korte opsomming gecommentarieerd door dr. Claas Mulder). Met levens-
berigt (1824).
7 Algemeene Konst- en Letterbode (1810) bl. 149.
8 Overzigt over de Gewervelde Dieren (1807).


Leeuwarden 1954

>> begin

Geregtelijk genees- en heelkundige onderzoekingen en
rapporten deswege aan den Hove van Friesland van 1755-1782
door J. de Vries, Landschaps medicus en operateur, en anderen

Handschrift (sign. G 95) in de bibliotheek van het Historisch Centrum Leeuwarden
p. 160-163: Index rerum contentarum
◊ Korte practykaale bedenkingen specterende de medicina Forensis a pag. 1 ad 21
◊ Verklaringe wegens een hoofdwonde met aanmerkinge op pag. 25
◊ Verklaringe aangaande een hooftwonde doorgaande in het cerebellum met aantekeninge pag. 29
◊ Verklaringe wegens een schouwing van een lighaam die regtende gestorven is met aanmerkinge op pag. 33 [doorgehaald]
◊ Verklaringe eenes hooftwonde met fractura cranii met aanmerkinge op pag. 34
◊ Verklaringe wegens eene gewonde arteria brachialis met aanmerkinge op pag. 36
◊ Verklaringen wegens twee kinderen die door rottekruid vergeven zijn geworden op pag. 40 en 42
◊ Verklaringe wegens gedaane proefnemingen van die stoffen van die kinders die uit derswelver maagen waaren meedegenomen op pag. 43
◊ Verklaringe wegens gedaane proefnemingen van vergiftige stoffen uit de maagen van twee kinderen genomen door het geregte van Hemelumer Oldephaart en Noordwole aan den Hove overgesonden op pag. 46
◊ Verklaringe wegens nadere gedaane proeven op dieren aangaande die stoffen op pag. 48
◊ Verklaringe wegens een wit poeder door den Hove ter examinatie overgegeven op pag. 50
◊ Verklaringe van een man oud 40 jaaren die door gestooten glas en wit rottekruid vergeven was pag. 53
◊ Verklaringe wegens nadere proeven aangaande die stoffen die in de maag gevonden en meede genomen waaren op pag. 55
◊ Verklaringe wegens een tweede proefneminge aangaande de meede genomene eetwaaren op pag. 57
◊ Verklaringe wegens eene visitatie van een jonge dogter die vergeven was op pag. 58
◊ Verklaringe wegens de nadere proeven op die stoffen uit de maag meede genomen en verder ondersoek op de meede genomene eetwaaren met aanmerkinge op pag. 60
◊ Verklaringe wegens iemand die geslagen was en eenige tijd daarna stierf met aanmerkinge op pag. 63
◊ Verklaringe wegens een hoofdwonde met aanmerkinge op pag. 66
◊ Verklaringe wegens een doodelijke wond van de halsspieren en werwelbeenders, de vena jugularis en arteria vertibralis met aanmerkinge op pag. 70
◊ Verklaringe wegens een doodelijke wond in de linker holligheid van 't hart met aanmerkinge op pag. 74
◊ Verklaringe wegens een wond waarvan het mes was gegaan in de borst, door het diaphragma in de holligheid van de buik, langs welke weg het omentum uit de buik, door de borst, na buiten was gegaan op pag. 75
◊ Verklaringe tot nadere elucidatie aangaande die wond, aan den Hove met aanmerkingen op pag. 77 ad 84
◊ Verklaringe wegens iemand die geweldig geslagen was geworden en daarna stierf pag. 84
◊ Verklaringe tot nadere elucidatie aan den Hove met anmerkinge pag. 86
◊ Verklaringe wegens een doodelijke wonde van de lever met aanmerking; bedrieglijkheid der leverwonden pag. 87
◊ Verklaringe wegens een nieuw geboorn kind dat dood gevonden wierde met aanmerkinge pag. 90
◊ Verklaringe aangaande een nieuw geboorn kind, dat dood in het water gevonden wierde pag. 91
◊ Verklaringe wegens gestelde vragen van den Hove om daarop te berigten pag. 93 ad 100
◊ Verklaringe wegens een nieuw geboorn kind, dat dood gevonden wierde pag. 101
◊ Verklaringe wegens gestelde vragen van den Hove om daarop te berigten pag. 102
◊ Verklaringe wegens een nieuw geboorn kind, dat dood gevonden wierde pag. 104
◊ Verklaringe wegens gestelde vragen van den Hove om daarop te berigten pag. 106
◊ Verklaringe aangaande een nieuw geboorn kind met aanmerkinge pag.110
◊ Verklaringe wegens een nieuw geboorn kind met aanmerkinge op pag. 112
◊ Verklaringe wegens iemand die int water verdronken was, met aantekeninge op pag. 140 [doorgehaald]
◊ Aanmerkinge wegens de gedagten van de heer R. Engari elementa juris criminalis aangaande het sinken en drijven der longen van eert geboorene kinderen pag 115
◊ Verklaringe aangaande een jonge dogter, die gesegd wierde gebaart te hebben pag. 116 ad 120
◊ Verklaringe van een meysje waarvan gesegd wierde heymelijk gebaart te hebben met aanmerkinge pag. 120
◊ Verklaringe van een vrouwspersoon die eerst geslagen was en na zulks dood uit het water opgevist met aanmerkinge op pag 123
◊ Verklaringe wegens een vrouwspersoon, die met geweld op het agterhooft was gevallen en dierekt stierf met aanmerkinge op pag. 126
◊ Verklaringen wegens iemand die in de borst gewond was geworden, waar omtrent differente gevoelens aangaande die wond aan den heer auditeur millitair zijn overgegeven op pag. 130
◊ de 1. Verklaringe of renunciatie van de lector Ypey en den chirurgijn C. Kingma aan het edele geregte van Barradeel wegens een borstwonde aan de perzoon van Pieter Cornelis tot Minnerscha toegebragt op pag. 130
◊ de 2. Verklaringe van 's lands operateur de Vries op requisitie van de edele gestrenge heer auditeur millitair Wierdsma pag. 132
◊ de 3. Verklaringe: een nader vertoog wegens de gemelde borstwonde aan den heer auditeur millitair Wierdsma door de heer lector Ypey pag. [1]33
◊ de Verklaringe van 's lands chirurgijn Ringges aan de heer auditeur millitaire overgegeven pag. 136
◊ de 5. Verklaringe en advies van den heer Doctor Gonggrijp bij den heer auditeur millitaire overgegeven pag. 137
◊ Verklaringe wegens iemand die in 't water verdronken was met aanmerkinge pag. 140
◊ Verklaringe wegens een oude vrouw die gewurgd was geworden pag. 142
◊ Verklaringe wegens de freulle Siegers die gewurgd was geworden pag. 144
◊ Verklaringe van iemand, die men seker meende gewurgd en daaraan gestorven te zijn, doch bij het openen van het lijk is evenwel de oorzaak des doods niet ontdekt, met aanmerkinge over de gewurgden of zij als apoplectici dan a respiratione impedita sterven pag. 147
◊ Verklaringen wegens eene niet doorgaande buikwonde waar omtrent de gewond de 6 dag daarna stierf met aanmerkingen pag. 155

>> begin