>> HOMEpage

41 Alumnen van Friesland, 1650

Uitgave: M.H.H. Engels, juli 2011
Bron: Charter-boek van Vriesland, vijfde deel, 522-523

Resolutie en Reglement op het vergeeven der Pensien aan Scholieren en Studenten.
Den 20 Maart 1650
Omme voor te comen de disordre, soo gepleegt wordt in het vergeeven van de Pensien aan Scholieren en Studenten, is goedgevonden en geresolveert, gelyk gedaan wort by deesen, dat het getal van de Alumnen, in conformitë van 't Lands resolutie in dato den 31[!] Februari 1618 [Charterboek V, 246-248, 21 February 1618, punt 2 c.q. III: dat de Alumnen op 's Lands Universiteit op een-en-veertig zullen uitsterven of afgaan, ten einde de jaarlyksche pensien daar door te verhogen] weeder sal worden gebragt tot op een-en-veertigh Personen, en dat 't selve getal by lottinge sal worden verdeelt over de Grietenien en Steeden, ende dat, de een ofte d'ander verstervende, by de Volmachten ten Landsdage, als dan comparerende van de Grietenie ofte Stad, op welke de afgaande gestaan heeft, weeder sal hebben 't recht van verkiesinge van een ander in desselfs plaatse, 't sy Scholier ofte Student.
Ende vervolgens de lotinge gedaan synde, is gekomen op
Oostergo,
1 - Leeuwarderadeel Valerius Suffridi
2 - Ferwerderadeel Wilhelmus Theodori Brakel
3 - Westdongeradeel Petrus Meionis
4 - Oostdongeradeel Georgius Renici
5 - Collumerland Viglius Cornelii nomine liberorum
6 - Achtcarspelen Pompeius Nicolai
7 - Dantumadeel Willem van Linder
8 - Tietjerksteradeel Regnerus Jacobi
9 - Smallingerland Hesselus Schuringa
10 - Ydaarderadeel Gerhardus Holturp
11 - Rauwerderahem Jacobus Romberti Wyngaarden
Westergo,
12 - Menaldumadeel Ubelus Taconis
13 - Franequeradeel Ulpianus Hebbaei
14 - Barradeel Bartholdus Arnoldi Suiringa
15 - Baarderadeel Joannes Joannis
16 - Hennaarderadeel Balthaser Bekker
17 - Wonseradeel Pieter Doeckes
18 - Wymbritseradeel Jonathan Nienhuys
19 - Hemelumer Oldevaart Jacobus Lamberti
20 - 't Bildt Adrianus Petri Beekius
De Zevenwouden,
21 - Uitingeradeel Adrianus Lamberti van den Bos
22 - Aengwirden Sibolt Attama
23 - Doniawarstal Isbrandus Nicolaides
24 - Haskerland Hector Friesma
25 - Schoterland Dionysius Gauma
26 - Lemsterland Petrus Georgii
27 - Gaasterland N. Gerroltsma
28 - Opsterland Martinus Lauwermanni
29 - Oost-stellingwerf Meinardus Eduardi
30 - West-stellingwerf Laurentius Bernardi
Voor de Steden,
31 - Leeuwarden Joannes Julii
32 - Bolswert Sybrandus Hartmans
33 - Franeker Joannes Nicolai
34 - Sneek Gerhardus Adriani
35 - Dokkum Gysbertus Cnoop
36 - Harlingen Abrahamus Hermanni
37 - Stavoren Ubelus Viglius
38 - Sloten Gellius Hemringa
39 - Workum Cornelius Cronenburg
40 - Ylst Joannes Mol
41 - Hindelopen Casparus Weilichius
Uitmakende het bovengenomineerde getal van een-en-veertigh Personen, invoegen deselve op yegelyk Grietenie en Stadt sullen blyven tot haar jaren, desertie van studie ofte versterven; in welcken cas by ygelyk Grietenie en Stad, als vooren, een ander in de plaetse sal worden gestelt, sonder iemants daer in te kennen, soo nochtans, dat de naem sal worden bekend gemaekt by de Heeren Gedeputeerden en de Rekenkamer.
Ende alsoo volgens overgeleverde register van de Alumnen, dat boven het getal van een-en-veertigh Personen nog syn ellif met naemen:
Joannes Henrici
Paulus Joannis
Wilhelmus Suffridi
Joannes de Bruine
Hesselus Tinga
Abrahamus Julii
Ambrosius Lauswolt
Adrianus Venneman
Nicolaus Amama
Conradus Attama
Joannes Siuckmahuys,
Is goegevonden en geresolveert, dat de voorschreven Personen sullen blyven, en haar Pensie genieten, ter tyd toe sy sullen weesen avanceert, verstorven ofte de studien verlaten te hebben, met expresse verbod, dat in des afgaande plaatse geen ander sal worden verkoren; ...


Charter-boek V, 551-557

12 Maart 1653.
De Staten van Frieslant, bemerkende dat d'Academie tot Franeker meer en meer komt te vervallen, door het misbruik der Privilegien, het dissoluyt leven van de Studenten, ende in 't besunder der Alumnen, 't verleenen van vrye tafel op de Beurs, als andere inkruypende mishandelinghen, tot een inevitable schade, beyde van de Kerck ende Policye, indien daar in by tydts niet worde versien, hebben tot voorkominghe van wydere onheylen ende misbruycken, en tot meerder luyster van de voorschreven Academie, goetghevonden ende geresolveert, vinden goet ende resolveren by desen, te versoecken ende authoriseren syn Excellentie onse Stadtholder, omme als Magnificentissimus, primarius ende honorarius Curator, beneffens d'andere Heeren Curatoren, de saken van d'Academie tot Franeker te willen helpen redresseren, ende voortaen in goede ordre te onderhouden; belasten ende ordonneren onse Gedeputeerden, Curatoren ende Professoren, in alle saken de Academie raeckende, 't hooghwys advys van hoogghedachte syn Excellentie Stadthouder te versoecken ende ghebruycken, op dat d'oude fondamentele wetten, ende onse nadere resolutien aengaende d'Academie ghenomen, ende noch te nemen, ter executie ghebracht, ende alles buyten meerder confusie ende verwyderinghe mach worden gehouden; gelyck wy tot voorschreven eynde ende oogemerk hebben goetghevonden, by desen t'approberen ende attenteren op de naevolghende Wetten en Statuten van onse Academie; ordonnerende ende belastende alle Professoren, Studenten ende alle andere, die deselve eenichsins mach aengaan, om hun nae den inhoudt van dese onse Resolutie te reguleeren, de naevolgende Wetten, Ordonnantien ende Statuten praecyse ende exactelyck t'achtervolgen, onderhouden ende naecomen, so deselve in dese onse Resolutie syn geinsereert.

Wetten, volgens welke de Ed. Mog. Heeren Staaten van Vriesland haare Lands-voedsterlingen t'eenemaal begeeren geschikt te hebben.
I.
Daar sullen vervolgens altydt tot 's Landts dienst Voedsterlingen in deught ende wysheit worden opgequeekt.
II.
Dewelke uit 's Lands Middelen sullen onderhouden worden.
III.
Ende sullen de Scholieren 's jaars trecken sestich Carels-guldens.
IV.
Maar die op d'Academie gaan, sullen jaarlyks genieten hondert en tien Carels-gulden.
V.
't Getal van alle 's Landts-voedsterlinghen sal wesen tot een-en-veertich toe.
VI.
Tot welcke stand sal één uyt yder Grietenye en Stadt van Frieslandt bestelt worden.
VII.
En wie dit voordeel ghenieten, sullen haer leven langh, voor andere beroepingen, aan den dienst deser Provincie verbonden blyven.
VIII.
En sullen niet vermoghen om eenighe andere Provincien of Staten te dienen.
IX.
Dese Landts-voedinghe sal aan niemandt besteedt worden, als wiens aerd en vernuft nu alrede bekent is, goede te syn.
X.
Sal oock niet anders als opentlyck door ons, volgens d'ordre, in de seste wet hier boven geallegeert, onder de Landts-voedsterlingen bestelt werden.
XI.
Wyders alle deselve sullen in openbare Scholen, of Academie, binnen onse Provincie alleen, dicht onder d'ooghen der Opsienders, van ons daartoe bestelt, worden onderwesen.
XII.
Alle Jaren op den eersten Juny sal den Rector van onse Academie een nieuw register van onse Lants-voedsterlingen, en van de plaetse hares verhoudens, door den Secretaris onser Gedeputeerden worden toegesonden.
XIII.
En sal de Rector voornoemt, desselfs Copye terstont aan den Professor der latynsche tale overhandighen.
XIV.
De Professoren, Rectoren sullen de Heeren Curatoren onser Academie, ook wel onsen Gedeputeerden, van den voortgangh ende geschiktheydt onser Scholieren voornoemt, telkens berichten.
XV.
Deselve onse Scholieren sullen gheensins hare Scholen verlaten, ten sy opentlyck daar uyt bevordert synde.
XVI.
En sullen onse Scholieren hebben te vertoonen getuygenisse hares Rectors, hoe sy sich hebben gedragen, sonder dewelcke deselve aldaar niet aanghenomen sullen worden.
XVII.
Dese, soo haast sy uit de Schole syn ghelaten, sullen sich terstont naa onse Academie vervoeghen, op dewelcke ghekomen, ende onbequaam bevonden wordende, sullen weder naa hare Scholen ghesonden worden.
XVIII.
Oock sullen sy alle jaren op den vyfden Juny sich aen den Rector van nieuws openbaren.
XIX.
Binnen de eerste twee Jaren hares aenkomstes op de Academie, sullen sich deselve geensins noch in 't openbaar, noch in 't heymelyk, in de Theologie, Rechten off Medicyne ophouden.
XX.
Maer alleenlyck in de latynsche en griecksche Tale, ook in welspreekenheyd ende Philosophie oeffenen.
XXI.
Ja ernstelyck nae den Gradum Magisterii trachten.
XXII.
Alle Alumnen sullen sich ook der Hebreeusche Tale bevlytighen.
XXIII.
Maar ondertusschen sullen de Nieuwelingen, buyten verhinderinghe van haar aanbevolen werck, de voorschreven Lessen mogen hooren.
XXIV.
Sonder nochtans van die soorte eenighe Collegien te moghen houden.
XXV.
Maer alle opentlycke dispuyten in de Academie sullen sy vlytichlycken bywoonen.
XXVI.
Ende sal haer met een geworden getuygenisse der philosophischer Faculteyt, en bynamen der Professoren in de Talen.
XXVII.
Soo lang sy tot de Academie gehooren, sullen sy sich dickwyls tot openbare oeffeninge voordoen.
XXVIII.
Hare aenbevolene lessen sullen sy vlytelyk horen.
XXIX.
En geensins daar aff blyven, sonder haren Professores daer van genoechsame reden te geven.
XXX.
Dierhalven sullen oock de Professoren register houden van hare bestemde Toehoorders.
XXXI.
Oock de vlytige van de luyaerts wel onderscheyden.
XXXII.
Ende van beyder voortgang ende manieren, de Curatoren der Academie, ofte, indien sulcx noodich ware, onsen Gedeputeerden getrouwelyk verwittigen.
XXXIII.
Onse Lants-Voedsterlingen sullen, sonder harer Professoren verlof, niet van huys reisen.
XXXIV.
Sy sullen alle halve jaren van hare Professoren opentlyck geëxamineert worden.
XXXV.
't Welck ten overstaen van de Curatores onser Academie sal geschieden.
XXXVI.
Op geen andere Academien, als tot Franeker, sullen sy sich uit harer Opsichters oogen moogen begeven, off verhouden, ten sy met raed onser Professores, en goedvinden der Curatores onser Academie; ende dat niet anders als om seer gewichtige oorsaken.
XXXVII.
Sal haer mitsdien dies te meer verboden syn alle heymelycke affsonderinge, ware door sy sich elders buyten onse Academie ter institutie souden mogen begeven, ende des wegen ophouden.
XXXVIII.
De Curatoren onser Academie, sullen volgens 't oordeel der Professoren, vermogen, op 's Lands kosten, onsen Voedsterlingen, die 't wel verdienen, eenige vereeringe, niet excederende de somma van vyff-en-twintich gulden, toe te leggen.
XXXIX.
Ook den qualyck-verdienende straffe ter verbeteringe op te leggen.
XL.
Jae, den genen, die sich buyten hoope van beterschap stellen, haar opkomen t'ontseggen.
XLI.
Daerom sullen onse Voedsterlingen yverich trachten, om andere in deugd en vlyt voor te gaan.
XLII.
Op de Academie synde van alle t' samenrottingen der Lants-luyden sich onthouden.
XLIII.
Alle Gelagen, van wat naam die oock mogen syn, myden.
XLIV.
Stantvastigheyt en suyverheyd in de rechtsinnige Leere, so als die opentlyck in onse Kercken wordt geleert, beloven ende onderhouden.
XLV.
De Predicatien vlytelyck hooren, en acht daer op nemen.
XLVI.
Het Heylich Nachtmael mede genieten.
XLVII.
Oock geen examen der Classen sich onderwerpen, ten sy met goedvinden der Theologischer Faculteyt in 't besonder, en voorts met toelaten onser gesamentlyker professoren.
XLVIII.
Aen welke wet wy oock verbonden willen hebben, alle, binnen onse Provincie, die tot het H. Predick-ampt trachten te komen.
XLIX.
En sal dit ons bevel aen alle Classen in Friesland, uyt onsen name, worden bekent gemaeckt.
L.
Dewelcke niemandt tot haar examen sullen toelaten, als die met opentlyke getuygenissen van de Academie, ende oock besonderlyk van de Theologische Faculteyt, syn voorsien.
LI.
Onsen Voedsterlingen sal haer jaerlycx onderhoudt geensins achtervolgen, ten sy deselve alle halve jaren, ter plaatse daer 't behoort, haer Meesters goede getuigenisse vertonen.
LII.
Vrye tafel op de Borse tot Franeker, sal men nae desen niemandt van de ordinaris Alumnen deser Landtschappe, ende aen geen andere arme ende miserable Persoonen verleenen, ten sy de Heeren Curatoren, om seer gewichtighe oorsaecken, yemand daar toe recommandeeren; ende dan noch aen geen meer als twaelff Studenten ten hoogsten.
LIII.
En sal nochtans deselve, als sy al verleent wordt, geensins langer als een jaer worden vergunt.
LIV.
Die alrede vrye tafel genieten, of oyt genieten sullen, al of sy schoon tot het getal onser ordinairer Voedsterlingen niet en behooren, willen wy nochtans t'eenemael, nevens andere onse Voedsterlingen, aan dese onse wetten verbonden hebben.
LV.
's Landts-voedsterlingen sullen in de rye der gener die plaats op onse Lands-borse verwachten, nevens andere Studenten, op hare beurte staan en wachten.
LVI.
Geen Studenten sullen worden geadmitteert op de Borse, die selfs, ofte wiens Ouderen middelen hebben, om haar selfs t'onderhouden.