>> HOMEpage

Lof van Leeuwarden, 1632

Bron: HCL toegang 1001 inv.nr. 3968 (nr. 379)
Internetuitgave: M.H.H. Engels, juli 2014
Met dank aan Lutske, Marga en René van het Historisch Centrum Leeuwarden, vooral aan laatstgenoemde die het stuk 15 juli 2014 heeft opgespoord.


No. 379
Lofrede op Leeuwarden, in 1632, door Rector Edo Neuhusius, in zijn Theatrum ingenii humani sive de Cognoscendo Hominum indole et secretis Animi moribus, Libri duo, Editio Noviss. Amst. 1664, Boek II, Afdg. 19, bl. 426, het eerst uitgegeven in 1633.

[1] ♦ Leeuwarden, Frieslands hoofdstad, ruim voorzien van alles, wat voor het dagelijksch leven benoodigd is, rijk in tal van mannen en schatten, is de zetel zoowel der negen Gedeputeerden als van het provinciale Hof en van den Stadhouder. Lagchende weiden omgeven de stad, die zich tot eene groote vlakte uitstrekken en alzoo het oog eenen vrijen en ruimen blik toelaten. Nergens stuit uw gezigt, dan allen daar, waar het geboomte der landhoeven zijne lommerrijke toppen opsteekt. Helder was de hemel, toen ik, om eene wandeling te maken, de Vrouwenpoort uitging, en mijne schreden van den grooten weg naar het Noorden rigtte.
♦ Op een kleinen afstand van de poort ligt in het gezigt der stad het Leprozenhuis, waar melaatschen verpleegd worden. Dit aan mijne linkerhand latende liggen, begaf ik mij naar eene soort van kleinen heuvel, waar de aarde tot een tamelijke hoogte was opgeworpen. Van hier liet ik mijne oogen in den naburigen kring rondweiden, en ik aanschouwde in grooten getale de boven de stad uitstekende daken, de torens der omliggende dorpen en de spitsen der landhoeven. Het vrolijke aanschijn des [2] hemels, zooals hij zich gewoonlijk in de eerste dagen der lente, als de wolken geweken zijn, aan ons voordoet; de pas ontkiemde grasscheutjes in de opgezwollene aarde; de bevallige en door niets gestoorde bekoorlijkheid der plaatsen, werwaarts zich mijne oogen ook mogten wenden, -- dit alles stemde mij blijmoedig en opgetogen van bewondering. Mijns inziens is er in bijna geheel Friesland geen plekje, dat aangenamer gezigt oplevert: hier lagchende weiden met verschillende kleurschakeeringen, dáár koornvelden, die door de rijke oogst van veld- en peulvruchten een weelderig aanzien hebben; ginds tuinen en kweekerijen, bevallig door het aangename groen van hun loof; zoover oog en oor zixh in het luchtruim bewegen, weergalmen de velden van het gezang der leeuwerikken, kwartels, vinken, kwikstaarten en spreeuwen, en ten Zuiden der stad van dat der nachtegalen. De meeuwen, eendvogels, kieviten en ander gevogelte, die mede invallen, heffen des morgens met verschillende stemmen een liefelijk gezang aan. --
♦ Terwijl ik dat spel der natuur in mijn van genot overvloeyend gemoed overdacht, riep ik uit: O dierbaar Frieschland! hoe vruchtbaar zijt gij tot gebruik, hoe sierlijk van aanzien. Wat ontbreekt aan uw hoogste geluk, dan dat gij zelve uw geluk niet kunt beseffen? -- Eene opene vlakte vertoonde zich aan mijn gezigt, die, zoover mijne oogen konden ronddwalen, noch door heuvelachtige hoogten gestuit werd, noch zich in gapende afgronden verloor. Den geheelen omtrek door, liggen hier en daar de vruchtbaarste landhoeven van adellijken en landslieden, door digte heiningen van de wegen afgesloten, waarop zich in onderscheidene reyen eschen [3] en olmboomen bevinden, die zoowel eene geschikte borstwering uitmaken, om het geweld der winden te breken, als eene wandelplaats aanbieden aan hem, die zijn ligchaam wil oefenen. Daar binnen worden allerhande soorten van vruchtboomen gekweekt, waarvan men niet weet, of zij, meer door hunnen aard uitmunten, dan of de orde, waarin zij geplaatst zijn, meer lof toekomt, daar sommigen in gelijke rijen, als de vakken van het dambord, anderen in regelmatig afwisselende lanen geplant zijn. Als men op eenigen afstand zijn oog hierop laat rusten, geven zij het hemelsblaauwe aanzien van schaduwrijke wolken terug. Van naderbij beschouwd, botten zij grasgroen uit, terwijl het loof nog teeder is. Statig blinken hierboven uit de menigvuldige spitsen van kerken en torens. Dorpen en vlekken zijn hier zoo menigvuldig verspreid, dat geheel Frieschland, door eene aaneenschekeling van de wijd en zijd gelegene gebouwen, het afbeelsel van ééne groote stad vertoont. Binnen een uur afstands kan men vijftig en meer torens tellen, die een kring vormen van rijzige spitsen, welke Leeuwarden als de Koningin van Frieschland schijnen te kroonen.
♦ Al wat op dezen bodem gekweekt wordt, hetzij het bouw- hetzij het weidland, alles is zoo vruchtbaar, dat men bijna zou denken, dat Pan en Ceres omtrent de voortbrengselen van vruchten en vee met elkander in het strijdperk getreden waren. Gewoonlijk brengt het land een oogst voort van dertigvoudige winst, dikwijls zelfs meer, en somtijds van veertigvoudige vrucht, wanneer de braaklanden veroorloven tot den laatsten penning toe vruchten voort te brengen.
[4] ♦ De overvloed van boter en kaas is zóó groot, dat zij niet uit de uyers der koeyen, maar uit eene onuitputbare melkbron schijnen voort te komen. Ook is het niets ongewoons, wanneer ééne koe des zomers iederen dag zesendertig mengelen melk geeft. Er wordt niet ligt eenig land gevonden, hetwelk weelderiger overvloed in gras en vruchten kan aantoonen.
♦ Groot bovenal is het voordeel, hetwelk de talrijke stroomen, meren en vaarten opleveren. Deze, breed genoeg eenen gemakkelijken doorvaart naar ieder gedeelte der provincie aan middelmatige schepen te verschaffen, bieden geschikte gelegenheid aan tot ruimen aanvoer van alle dingen en zijn even dienstig tot vermaak als tot nut.
♦ Toevallig was het marktdag, en genoegelijk werd ik aangedaan door het aanschouwen van heen- en terugvarende schepen, waarvan sommige door zeilen en wind werden voortgedreven, andere daarentegen met een boom tegen den stroom werden opgestuwd. Zóó groot was hunne menigte, dat men zou denken, legertenten te zien, die in digte rijen voortsnelden. Niet minder dreunden de landwegen door tal van wagens en snelloopende paarden, als ware geheel Friesland van zijne woonplaatsen opgetrokken naar den marktdag van Leeuwarden. Wie verwondert zich niet, als hij hoort, dat er dikwijls op zulk een dag 500 wagens door één dorp trekken?
♦ Mannen en vrouwen in feestgewaad uitgedoscht en met zilver beladen, reden in geschilderde wagens, die door een span paarden van een sierlijk postuur getrokken werden. Hunne fierheid is opgewekt zoowel door het ontvangen geld als [5] door het gebruik van Hollandschen of inlandschen drank. Ziet! hoe de boer, door dien prikkel aangespoord, zijne paarden met den zweep in den draf brengt, om grooten roem bij de zijnen in te oogsten, wanneer hij zijne voorgangers kan vooruitsnellen. Velen rijden op edele paarden, die zich, behalve door het tuig, dat rijk mey metaal of koper versierd is, ook door de kastanjebruine of appelgraauwe kleur aanbevelen.
♦ Op kleinere wagens zit naast den jongen boer eene huwbare maagd, dragende eene zijden muts, die van rondsom met goud beslagen is, en een bont of scharlaken rood kleed, versierd met veelvuldige zoomen en snoeren, en daarbij een zwaren zilveren gordel, en niet minder fraaye zilveren halssieraden, die zoowel ter regter- als ter linkerzijde langs de schouders afhangen. En het paard schijnt zijne vracht te kennen; zóó fier stapt het voort!
♦ Leeuwarden zelf biedt evenwel het allerschoonste schouwspel aan. Het munt uit door zijne ligging, door de netheid en sierlijkheid zijner gebouwen, door den overvloed van levensmiddelen, door de deugden zijner burgers en door het wijs bestuur zijner regering.
♦ Wees gegroet, gij beroemde stad! Gij, die voor mij gedurende 25 jaren eene aangename woonplaats waart; gij, de moeder van mijne twaalf kinderen, hetzij gij ze voedt, hetzij gij ze in uwen schoot besluit. In U heb ik van het vijfentwintigste jaar mijns levens af den loop van mijn besten leeftijd doorgebragt. Gij bezit acht onderpanden van mijne liefde jegens U; levende panden van mijn bloed. Gij omvat mijne vrienden, gij de gedenkteekenen van mijnen ijver en zorg. Zoo gij mij verder goedgunstig en [6] genadig zijt, dan zult gij ook mijne beenderen bezitten.
♦ Wat zal ik bij U, o Leeuwarden! het eerst, wat het meest liefhebben en prijzen? De smaak, de pracht, de glans uwe gebouwen? Alles in U is behagelijk, keurig, welvoegelijk, vol bevalligheid, vol grootheid. De huizen uwer burgers zijn niet zoo zeer tot uiterlijke vertooning daargesteld, als wel tot gebruik ingerigt; zij zijn niet groot door eene overvloedige en nuttelooze ruimte, noch klein door eene onmatige geringheid en bekrompenheid; inwendig geven ze meer, dan ze uitwendig beloven. De woonkamers, slaapkamers, keukens en gangen zijn keurig, deftig en smaakvol. Huisraad vindt men er overvloedig, dat op eene bijzondere wijze gerangschikt is. De wanden zijn bedekt met fraaije schilderijen; de bedden overtogen met allersierlijkst bewerkte spreyen en kostbare donsen kussens, de stoelen versierd met geborduurde zittingen, de tafels met kleeden. Het geheelte huis blinkt en schittert door sierlijke houten kasten en door een tal van keukengereedschappen, waarbij men niet zoo zeer de kunst der makers als wel de zorg en ijver der vrouwen moet prijzen.
• Edo's echtgenote Grietke Hendricx/Henrixdr. (Margareta/Margrieta Duischens/Duskens/Tuischel) baarde 12 kinderen waarvan er in 1632 nog 8 in leven waren. Zonen: Regnerus (1608, Alb. Stud. Franek. 2320-1626), Henricus (Hendrick 1613, ASF 2774-1631), Joannes (1615, ASF 3413-1637), Alexander (Alcke? 1619, ASF 3439-1638); in het Album studiosorum ex gymnasio Leovardiensi, ed. J. Visser, worden zij genoemd op blz. 17, 32 resp. 62; in de Ep. dedicat. van Edo's Fatidica sacra als J[uris] U[triusque] D[octor] resp. (Joannes) V[erbi] D[ivini] M[inister]. Dochters: Stijnke (1606), Sare (1609), Iebel (1610), Cristijntje (1611), Attie (1612), Anna (1617), Ancke (1620). •
♦ De meeste straten zijn breed en ruim, voorzien van bevaarbare grachten, waarin alle vuil door kanalen en rioolen wegvloeit. Door een wal van tigchelsteenen worden deze grachten aan weerszijden beschut, tot bevestiging en sieraad van boven met groote zerksteenen bedekt. Op vele plaatsen zijn die grachten overwelfd en dienen deze, als pleinen, tot uitstalling van koopwaren en tot genot der wandelaars.
♦ De geheele stad wordt in vier Parochiën verdeeld, die van het Oosten naar het Westen door eene doorloopende gracht gescheiden worden. Daaraan liggen drie pleinen: dat [7] voor de koornbeurs is ruim genoeg, om daarop de burgerscharen gemakkelijk in gelederen te plaatsen; een ander plein wordt versierd door de Waag, een fraai gebouw; het middelste is door het aldaar opgerigte schavot en de kaak bestemd voor de openbare schande.
♦ Thans wordt aan de zuidzijde der stad, binnen het bolwerk, de Veemarkt gemaakt, om de wandelplaats binnen de stad zuiver te houden.
♦ Waar Leeuwarden zich van haren oorsprong naat het Westen uitstrekt, wordt zij gewoonlijk de Nieuwestad genoemd, welk gedeelte voorheen door de golven der zee bespoeld werd. De geheele stad dóór ziet men hier en daar de prachtige huizen der aanzienlijken, waaronder uitmunten het Hof des Stadhouders, de Canselarij of het Provinciaal Geregtshof, het Collegie van Gedeputeerden, het Gasthuis, het Weeshuis, het Werkhuis en het Gymnasium. Voorts de antieke en groote stinzen van de Camminga's, Aebinga's, Schwartzenbergs, Burmania's, lieden van adel, en meerdere openbare en bijzondere gebouwen. De geregtshoven, kerken, gasthuizen en tuighuizen blinken voorzeker uit door groote deftigheid en sierlijkheid.
♦ Ten Zuiden ligt eene vroeger sterk verschanste burgt (het Blokhuis), dat, toen Friesland onder vreemde heerschappij stond, de zetel van de oppermagt was. -- Thans dient het tot gevangenhuis en tot algemeene bewaking van boosdoeners. Een toren (de Pijnigtoren) over de Stadsgracht hangende, sluit den burgt aan de zuidzijde en is berucht wegens de wreede folteringen van de geloofshelden, en staat daar tot een altijddurend gedenkteeken van Spanje's wreedheid. In zijn midden is [8] eene diepe put, waarheen de geloovigen langs bedekte wegen gevoerd en heimelijk verdronken werden. De burgers, wien zulk eene strenge heerschappij der beulen verdroot, hebben dat verblijf van zooveel wreedheid veroverd in een oploop, waarbij zij, met eene schrandere krijgslist, de monnikken en de vrouwen van hen, die daar in bezetting lagen, in het voorste gelid der aanvallers plaatsten en aan het geschut der belegerden blootstelden. Alzoo heeft Leeuwarden zich door eigene dapperheid in vrijheid gesteld.
♦ Gelijk Leeuwarden van binnen met een buitengewoon deftigen smaak is ingerigt, zoo wordt het ook van buiten door beschutting van bolwerken en grachten omgeven, die door zeven kunstig gebouwde poorten met torenspitsen den toegang tot de stad verschaffen. Het bloeit door grooten toevloed van alle dingen, zoodat niet alleen op gen enkele plaats van Friesland, maar ook nergens in geheel Nederland de levensmiddelen overvloediger en goedkooper zijn. Van schapen, varkens- en ossenvleesch, tot een' tamelijken prijs te bekomen, is het gansche jaar door overvloed in de hallen. Van boter, kaas, veld- en boomvruchten is de markt altijd ruim voorzien. Niet geringer is de overvloed van visch, die in de nabijzijnde zee en veelvuldige meren gevangen wordt en zoowel dient om de maag der rijken te vullen, als om den honger van de armen te stillen. De mildheid van de lucht in het verschaffen van voedsel aan den mensch is even groot, daar zij eene ongeloofelijke menigte van allerhande soorten van vogels over Friesland uitstort. De vruchtbaarheid der bij de stad gelegene tuinen begunstigt mede zeer de welvaart, daar zij, te groot voor de behoeften der burgers, geheel [9] Friesland voeden, zoodat hunne vruchten gewoonlijk in volgeladen schepen naar buiten worden uitgevoerd. De inlandsche drank van hier is zóó krachtig, dat hij dikwijls in kroegen een onweer, Bacchus waardig, opwekt, en den stevigen boer, als zijne zinnen bedwelmd zijn, de heerschappij over zich zelven doet verliezen.
♦ De uitgegravene zode onderhoudt den haard, welke turf, uit de veenen gehaald, door de zon gestoofd en door den wind gedroogd, een geschikt voedsel aan Vulkaan verschaft. Om het vuur onder de asch te onderhouden, is zij veel geschikter dan de fabelachtige flierstok van Prometheus. Ook is er geen gebrek aan hout uit de naburige boschen, dat, met turf verenigd, volgens den wensch van Flaccus en Martialis, op den duur den haard van een helder brandend vuur voorziet. Alzoo schijnnen de elementen tot ons voordeelzamengespannen te hebben, om hulpmiddelen tot voeding van Leeuwarden bijeen te brengen.
♦ Leeuwarden, gelukkig door dat tal van gaven der fortuin en der natuur, schijnt mij echter in geen opzigt aanbevelenswaardiger en meer regmatigen lof te verdienen, dan dat het overvloeit van mannen, uitmuntende in allerhande soort van verdiensten, op wier beleid en verstand geheel Friesland steunt. Laat vrij andere steden roemen op de ver uitgestrekte grenzen van haar gebied, of zich verheffen op het bezit van vle groote zaken, of op den winstgevenden handel, of op aanzienlijken toevloed van menschen; -- Leeuwarden roemt te regt, boven anderen, (behalve op den rijken overvloed van alles, behalve op de grasrijke weiden en vruchtbare akkers, behalve op de pracht en smaak harer gebouwen), -- Leeuwarden roemt te regt, zeg ik, op [10] de verdiensten van zoovele voortreffelijke mannen, die zij of voortgebracht heeft of onderhoudt.
♦ Welke loftuitingen van verschuldigde eer zal ik U geven, edele afgevaardigden der Staten! die, over de gewigtigste zaken van het gemeenebest plannen beramende, uwe jaarlijksche vergaderingen binnen onze geliefde stad houdt? Friesland erkent U als de bloem van geheel het volk, als lichten des vaderlands, als kweekers van groote verdiensten, die, met al de gaven van fortuin en natuur gelijkelijk toegerust, door het beschermen van verdrukten, door het haten der slechten, door uwen grooten ijver, billijkheid, werkzaamheid en gematigdheid U een grooten en onsterfelijken roem bereidt.
♦ Welken lof zal ik U, negen Gedeputeerden! toebrengen, bekleeders van de hoogste waardigheid, bewakers der magt, bestuurders van het algemeen belang en welzijn, voorvechters van het vaderland? De oogen van al de burgers zijn op U, die den grootsten lof en roem alreeds bezit, gevestigd als op een spiegel van zeer groote verdiensten.
♦ Hoe zal ik U prijzen, hoe U eeren, waardige Raadsheeren! die voorzitten in het hooge Geregtshof, om regt te spreken? Gij roemt op adellijke afkomst; gij zijt eerwaardig door uw gezag, aanzoenlijk door waardigheid, begaafd met guitengewone kennis, uitmuntende deugd en bewonderenswaardige scherpzinnigheid in Staatszaken, geboren tot heil der burgers, tot bescherming van het algemeen welzijn en tot roem van den Staat.
♦ Hoe zal ik uwen roem, o Regtsgeleerden! naar eisch vermelden? Talrijk zijn de bewijzen uwer eere; groot is de waarde uwer verdiensten, groot de aanbeveling van eerlijkheid en standvastigheid, bij den roem van verstand en kennis, [11] waaraan gij het hooge aanzien ontleent, dat gij in de pleitzaal bezit.
♦ Met welke eervolle woorden zal ik U toespreken, eerwaarde Predikanten? Uwe kennis van vele gewigtige zaken, uwe welsprekendheid, uw onbesmet leven, uwe juistheid in het uitleggen der Heilige schrift, uw ijver in het waarnemen uwer kerkelijke bediening, uwe trouw en standvastigheid worden met hart en mond door alle weldenkenden geroemd.
♦ Welke woorden zal ik uiten, om uwen lof te vermelden, Medeburgers en Stadgenooten, hetzij gij uitmunt door vernuft en geleerdheid, hetzij gij aanspraak op andere eerbewijzen maakt? Het is een gevolg uwe deugden, dat onze stad de uitgebreidste roem bezit, gevestigd op goede wetten, door goiede zeden gekenmerkt, sterk door weerbaarheid, rijk in magt, eerwaardig door verdienste, schitterend door aanzien.
♦ Van Uwen lof wil ik niets verkondigen, Ernst Casimir, beroemde Stadhouder van Friesland, gij tweede steunpilaar van den Nederlandschen staat, handhaver der vrijheid, beschermer des Vaderlands, verdediger van ons welzijn, dapper in den oorlog, moedig van inborst. alle gevaren des oorlogs tartende, wiens verdiensten en daden de mond van ieder sterveling zal prijzen!
♦ Ik zwijg van U, edel broederpaar, Hendrik en Willem van Nassau, twee lichten en steunpilaren van uw huis, die de Natuur gevromd heeft, om eenen aanzienlijken naam en uitgebreiden roem deelagtig te worden, en wier gezindheid daartoe de goedgunstige fortuin bescherme!
♦ O Leeuwarden! zoo gelukkig en rijk in groote mannen, toon U steeds voor hen meer eene goedgunstige moeder dan eene wreede stiefmoeder te zijn.
♦ Het bestuur der stad berust bij een Magistraat van 12 personen, die zamengesteld wordt door mannen uit het volk, daartoe door het lot gekozen. Ider heeft vier jaren zitting; jaarlijks heeft er eene loting plaatswaarbij dan drie nieuwe in de plaats der aftredenden gesteld worden. Tot behandeling van zeer belangrijke zaken wordt de Gezworen Gemeente te zamen geroepen, [12] om meede te raadplegen.
♦ De burgers, die de wapenen kunnen dragen, zijn in tien compagnien of espels verdeeld, wier hoplieden en vaandrigs, die voor de wapening en de wachten zorgen, en uit de kern van het volk zijn gekozen, een karchtige steun voor de regering zijn.
♦ De Magistraat bestuurt de stad, naar regt en billijkheid, en zorgt, in dat meer lastig dan voordeelig ambt, meer voor het algemeen dan voor het eigen belang. Alzoo het welzijn van de aanvertrouwde veste beoogende, ziet hij bovenal op het nut zijner medeburgers, maakt het gebogene regt, ondersteunt het wankelende, rigt het vallende op, herstelt het gevallene en vervult in alles moedig zijnen pligt.
♦ Er was een tijd, dat het volk naar omwenteling dorste, de opgehoopte schatten der rijken door oproer bedreigde en partijschap voedde; toen heeft de Overheid door voorzigtigheid het volk tot orde terug gebragt, de twistende partijen verzoend en de rust in de stad hersteld. Voornamelijk waakt zij met ijver en zorg voor de belangen der godsdienst, opdat deze, niet met het gif van verpestende gevoelens bezoedeld, maar in zuivere waarheid tot de nakomelingschap overgebragt worde.
♦ De bekende weldadigheid jegens de armen en de voorzorg om den wees voor gebrek te bewaren, verdient eveneens grooten lof, waardoor de Regering op hare kosten een groot zieken- en weeshuis onderhoudt en, door milde aalmoezen aan de behoeftigen, alle bedelarij uit hare stad weert.
♦ En omdat zij weet, dat het geluk van land en kerk zonder geschikte opvoeding van de jeugd en zonder beoefening van de letteren broos is, zoo heeft zij voor beide in hare stad eene beroemde kweekschool en eene rijke bron van kennis opgerigt en bewaart die met voorbeeldige zorg; eene bron, wier opspringend vocht als een voortdurende stroom tot nu toe geheel Friesland bewaterd heeft.

Vertaald door K. Schuiling en nagezien door Prof. Mr. J.C.G. Boot te Amsterdam op verzoek van mij, Archivaris der stad Leeuwarden,
W. Eekhoff, 20/3 [18]54.


Klaas Roelofs Schuiling (1831-1907) was doopsgezind predikant te Oldeboorn en te Veenwouden.
Johan Cornelis Gerard Boot (Arnhem 17 augustus 1811 - Amsterdam 17 december 1901) was een Nederlands latinist, hoogleraar aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre van 1851-1870, en van 1877-1881 buitengewoon hoogleraar Latijn aan de Universiteit van Amsterdam. Boot heeft in Leiden zowel letteren als rechten gestudeerd en is in beide in 1836 gepromoveerd. In 1839 werd hij rector te Leeuwarden. Gedurende deze jaren vertaalde hij de beroemde Latijnse grammatica van de Deen Madvig in het Nederlands. In 1851 werd hij hoogleraar Grieks, Latijn, Geschiedenis en Antiquiteiten aan het Amsterdamse Athenaeum, een functie waaruit hij zich in 1870 terugtrok. Al bevatte Boots leeropdracht ook het Grieks, zijn belangstelling lag met name bij het Latijn, waarbij hij een bijzondere aandacht voor Neolatijnse dichters had. Van 1877 tot 1881 was hij weer actief bij de pas opgerichte Universiteit van Amsterdam. In 1888 werd hem een eredoctoraat aan de Universiteit van Bologna toegekend.

>> begin