>> HOMEpage

Enkele bladzijden uit
A. Hallema, Franeker door de eeuwen heen - Leeuwarden [1953]

Internetuitgave: M.H.H. Engels, juni 2013
november 2015: De transcriptie van Hallema is herzien!


36

De vier wijken van Franeker in 1536 met haar bevolking

Hier volgt thans de indeling van Franeker in wijken met de namen der bewoners in 1536.

I. [ZuidOost] "Geroldt van Herama ferndell" of de wijk van die naam.

In het "Geroldt van Herama ferndell" woonden de volgende
personen, aldus met naam en toenaam genoemd, d.w.z. dat
velen alleen een voornaam met of zonder een beroepsnaam
hadden:

xlviij
Mr. Jarich van Dekama
Peter Ens
Thonijs metzker (metselaar [Duits: Metzger = slager, vleeshouwer])
Andries Heynsz.
Joost cremer (kleinhandelaar)
Marten Rinsz.
Peter Pampis
Pijbe schoemaker
Sijmen backer
schipper Pier
Dirck backer
Fonger Bottez.
Tijete backer
Frans schoemaker
Reyner scroers huys (kleermaker)
Claes kanneken (kopersmid)
Jan Luytgis
Sybren Melisz.
Rynv Jan Borsts huijs
Tijmen cuper (kuiper)
Sijbe Taeckez.
Reijner Aelkis

Latus (totaal) XXII huysen

Goytze Syurdtsz.
Geerliff Douwez.
Jan Gerrijtsz.
Gorys Doedez.
Peter Luijtgis
Feyck Doeckes
Sijmen Jacobsz.
Sippert schroer
Jowcke Douwez.
Geert Joriens
Agge Bockez.
Reijner backer
Hendrick van Soest met vier cameren daer after aen 00 *)
*) Deze aanduiding zal vermoedelijk betrekking hebben op de bijten voor de watervoorziening in geval van brand of van putten met hetzelfde doel.
Willem Martensz.
Bauck Wijbe dochter
Gabbe
Jan Gerrytsz.
Wybe backer
Geert Cornelis weduwe
Jonge Gerryt O
Here Jansz.
Fedde tymmerman (timmerman)
Pieter Douwez.
Wijbe Oedtsz.
Lysbeth Sijmens weduwe

Latus XXV huijsen vier camers

xlix
Claes Jacobsz.
Grijet Claes dochter
Claes Gerroldtsz.
Aelke Aels
Widtmer Thijsz.
(Joriaen tymmerman
(Sytthie Claesz. - beyde camers
(Jacob Pietersz.
(Peter Oedez.
(Marijtgen Latzes - [alle drie zijn] camers
Olfert tymmerman
Buwe Jellez.
Agge tymmersmans huijs
Sijbren Schickspijs camer
Lourens glaesmaker
Pieter schuytmakers huijs
Egbert holtsager, Minne Wybez. beyde camers
Lysbeth Ariaens camer
Reijner Jansz.
Jan Hulster
Burchert Claesz.
(Claer schoelmeestersche
(Anna Saskers
(Peter van Sneeck
(Rutge holtsagers wed.
(Heercke Kaerlez.
(Sijtthije Hannez. - alle [zes zijn] camers

Latus XIII huijsen XV camers

Tijaerdt Sandersz.
Jan Brouwer
Jarich coster camer
Hessel Buwez
Wijbe Oedtsz.
Cornelis Jansz.
Pieter korfmaker
Ariaen cuper
Mintz Gerrijts
Jan schroer
Sijmen Gerrijtsz
Tyaerdt Jaspersz.
Sijmen Jansz.
Folckert van Oldeborn
Peter Thijsz
Godsfrundt
Griet Douwes een camer, met noch een camer
Jacob Smitshuijs
Agge Bockes, althans Tijaerdt toe Molswert met twee huijsen tsamen drije bijten, daer toe noch een bijt voor twee camers
Baet Sickis
Tijerck trommeslager
Jan holtsnijder
Eets Aernts
Dieuwer Jans
Reijner Jansz.
Trijn Pieckis
Sijttije Galez
Claes Sijardtsz.
Mgr. (Monseigneur) Jarichs huijs

Latus XXVI huijsen VII camers

l
H. *) Harcke huijs
*) De aanduiding H., afkorting voor Heer, geldt voor die tijd vrij algemeen voor priester, pastoor, "parochiepape", "Cureyt", dus voor R.K. geestelijke in het algemeen en voor pastoor in het bijzonder, Mgr. daarentegen destijds voor edelman.
Wybren drager
Jacob Foppis
Wigle Oedtsz.
Lyeuwe Tyaerdtsz.
Hemme Jetzez.
Douwe Oedtsz.
Foecke Thomasz.
Claes Petersz.
Claes Boenz.
Marten Pruijs *)
*) Deze elf huizen worden in de lijst niet in een aparte groep samengevat,
doch bij de volgende wijk gerekend.

II. [ZuidWest] "Hessel Aesga zoons ferndel" of de wijk van die naam.

A. Lijsbeth mesmaker, vrouw Tzalinx II bijten
Claes Oeges
Peter Lyeuwez.
Claes Jacobsz.
Frerick Claesz.
Cornelis kannemaker, Geessert Frericksz. rotmeester
Reyner Claesz.
Jan Florijsz.
Jan Claesz.
Mr. *) Willem
*) In de regel de aanduiding voor Meester barbier of chirurgijn = geneesheer. Soms was het echter ook evenals H (Heer) de aanduiding voor priester.

B. *) Gerbrant Petersz.
*) In deze en volgende wijken werd bij alle onder A, B enz. genoemde
huizen en woningen ook de rotmeester genoemd voor elk desbetreffend
onderdeel der Franeker schutterij.
Tijaerdt Douwezn.
Claes Jansz.
Hessel Martenahuijs met vier bijten

Latus XXV[?] huysen

Matheus Seerpsz.
Gaetz Jan Tzalyncz.
Jan Sipkez.
Thonis Tyaerdtsz. rotmeester
Philippus van Wijck
Ghijsbert Petersz.

C. Reyn Idtsz.
Hessel Aesgaz., Jarich Ritskez. rotmeester
Jan cuper
Critske van Hanen
Otte Roelefsz.
Mr. Dirck barbier
Jacob wielmaker
Dirck Willemsz.
Jan Smidt
Meijnck de bode *)
6) Elders "Meijnt de stadbode" geheten, dus een stadsdienaar, die als ordonnans en concierge in dienst der stedelijke regering was.
Cornelis lynslager
't olde Ravet [= kaatsbaan]

D. Claes P(ro)cur(eur)
Hans van Oisthem voor twee huysen
Michiel Sybrens rotmeester
schipper Sybrant
Poppe Doijem
Brugslegel voor vier huysen
Eelck Hottinga
(Jan Berentsz.
(Jelle Berrensteynsz.
(Jheronimus Barensteijn
(Gabbe Jarichsz. - [alle vier zijn] cameren
Lutke Buy(r)en: [straatnaam?]
Harmen Pietersz.
Jacob Bonger, pauper
M(ar)ten Pietersz.
Sybrant Sipert[z.?]
Sasscher Poppez.
Jetz Andries
schipper Hans

Latus XXVII huijsen VIII camers

lj
E. Godsfrundt portier, camer
Jan Gerrytsz.
Tiete smidt
Sybrant Lambertsz. een camer
Bauck Sibe dochter
Geert Kerstgis
Albert Dircxz.
Harman Gerritsz.
Jan Lenaertsz.
rotmeester Mijle Auckez.
Aede Tijessez.
Aeff Watze weduwe
Tyaerdt Yesckez.
Bernt Fliech

F. Jacob Pietersz.
Douwe Meijlez.
Jan Jansz.
Reijn Idtsz.
Anne Symensz.
Claes Lambertsz.
rotmeester Hanke Claesz.
Wopke schroer
Broeswyck p. *)
*) Pauper (?) of misschien ook priester (?).
Wolter Martensz.
Jan Dircksz.
Hessel Oenez.
Frans Abbez.
Harman Piersz.

G. Orck Geerlifsz.
Wybren Claesz.
Claes Brongersz.
Rienick Piersz.
Lysbeth Symens
Ade metzelaer
Tyepke Woltsman
Wybe Aggez.
groote Douwe
Eelcke Jansz.

Latus XXXII huijsen een camer

Pybe Sappez.
Claes Lambertsz. rotmeester
Albert Ribbesteyn
Wijpk Watzies
Lambert Pietersz.
Claes Wijgersz.

H. Jan smidt
Watzie Poppez.
Jarich Roebandt
Wijger Wijgersz.
Gerijt Jansz.
Romke Ryoerdtsz.
Peter busmeester
Jildert schuijtemaker, rotmeester
Sybrant Hartmans
Marten Hayes
Jacob Wijbrensz.
Tijepke Herez.

J. Aelke Bouwens
Claes Lambertsz., rotmeester mitte lutke buyren
Jacob Barentsz.
Jan schuytemaker
Wijbren fisscher
Pouwels Cornelisz.
Jan Petersz.
Saschker Poppez.
Egbert Minnez.
Marten poirtier
Joachim p(ro)cu(reu)r
Willem organist huijs, nu Dominicus van Botnija
Godsfrundts huijs bij de Wester poirt

Latus XXX huijsen

III. [NoordWest] "Folckert Pietersz. ferndel" of de wijk van die naam.

lij
Folckert Pietersz.
A. H. *) Julius huys
*) Hier betekent H. (Heer) niet geestelijke, priester of pastoor als hiervoor onder blz. 34. noot 1, maar edelman, ridder, hij, die een adellijk huis binnen de stad of derzelver jurisdictie bewoont, nl. Heer Julius van Botnia.
Frerick cremer
Claes Frericksz.
mr. Claes van Dockum
Trijn Cornelis weduwe
Harmen schroer
Wybe Jansz.
Folckert Pietersz.
Dirck Idtsz.
Wybe Pietersz. rotmeester
Jacob Meylez.
Willem schoemaker
Pieter Lambertsz.

B. Sibe Lollez. met drie camers
Brugslegel nije huys
Claes smidt
Anne Hankez.
Jacob Bennertsz.
Mijlis coperslager
Yesche Tzialijnghsz.
Alijdt Jacobs weduwe
Roeleff Dircxz.
Take Sipkez.
Sander snijder
Anscke Renicksz. rotmeester
Feyck Doeckes huys
Aeff Martens weduwe
Dirck Jacobsz. snijder
Frans Gysbertsz. rotmeester

Latus XXVII huijsen drie camers

C. schipper Tyerck
Peter backer
Trijn Poppis
Gulick busmeester
Wijbe cuper
Pouwels Sybrensz.
Cornelis Watze z.
Wijbe backer
Thijemen smidt

D. Mgr. (monseigneur) Hector van Hocxwijer voor drie huijsen neffens byten
Hans glaesmaker
Renick Pieter smidts zwager
Symen pottemaker
Enderle pijpers huijs
Focke Claesz. rotmeester
Die pottemakers oven
metzker [Duits: Metzger = slager, vleeshouwer]
Trijn Aggis
mr. Jacob busschut
Sipke Hommez.

E. Luytgen van Groeningen
Luytgen holtsager
Gerryt wever
Jan van Hamwich
IJmck Dircks weduwe met noch II camers

Latus XXIIII huijsen II camers

liij
Jan Cornelisz.
(Aleph opte stelt
(Sippe Rombertsz.
(Fem(m)e
(Jan Claesz.
(Tzalingh wever
(Joriens weduwe
(metzker [Duits: Metzger = slager, vleeshouwer] Allertsz. - alle [zeven zijn] camers
Sipke Hommez. rotmeester
Jan gardenier
Peter Lambertsz.
Jan wever

F. Harmen korffmaker rotmeester
Tyerdt Douwez.
Claes cuper
Doije holtsager
Henrick Sloetgis
Gerrijt Winter
Meijnu Jans in de steegh
Anne tichler in de steech
(Taetz in de steech
(Sibbel Tzialynghs in de steegh - [beide zijn] camers
Jacob wever
Gerrijt Barentsz.
Jan Lock van Leijen

G. Barent maler
Jw olyslager
Epo Lollesz. [Adama]
Claes Burgertsz.
Andries wever

Latus XXI huijsen IX camers

Thonijs Lenertsz., nu Ferijs wever rotmeester
Gerrijt wever
Pybe Nannesz.
grote steych [Molensteeg?]:
Jan Reilifsz.
Redros (bijnaam?) [alternatief voor Hallema's lezing: redws = Frans reduit?, d.i. klein bouwsel; misschien een toneelpodium of een kaatsdak?]




Nies Claes Sloetgis
Dirck metzker [Duits: Metzger = slager, vleeshouwer]
Beijts Arents weduwe
Dirck Feriex
Thijs Lambertsz.
mgr. Henrick barbier (mgr. [= magister] is hier meester)

H. Peter wever
Inte schoemaker
Willem slotemaker
Sybe metzeler
H. Julius Schuijer

Op Hockaerdt *)
*) De enige thans nog bestaande Franeker straatnaam, welke in deze wijkindeling wordt genoemd.
Frerick Holland
Barnsteijn
Wyburch Baernsteyns
Wemck moer (vroedvrouw)
Douwe decker
Die wielmaker
Hans glaesmaker rotmeester
Andries Jacobsz.
slemme Lyeuwe
Hidde brouwer

Latus XVIII huijsen II camers

IV. [NoordOost] "Heer Julius ferndel" of de wijk van die naam.

liiij
A. Wigger Jansz. noch twee huijsen op Wiggers steedt
Wybe Lijeuwez.
Sytthije Hannesz.
Wijbe Janckez.
Pietrick Jacobs wed.
(Mette Gerrijts
(Egbert ketelboeter
(Anne Tijercksz.
(Rochus Claesz.
(Wybe decker - [alle vijf zijn] camers
Cornelis Havicksz. rotmeester
Peter Claesz.
Rintge Renicksz.
Homme Fries
Henrick mesmaker
Trijn Melys

B. Taecke Bottez.
Lambert wever
Tijete brouwer
Harman van Meppel
Broers weduwe
Thonijs wever
Hoijte Sytthiesz.
Jacob cuper rotmeester
Dirck wever
Albert molner (molenaar)
Doedt Wopckedr.
Jan ferwer
C. Tyaerdt glaesmaker

Latus XXIII huijsen V camers

Hanke smidt
Jacob backer
Wybren scroer
Jan smidt
Lenert barbier
Cornelis Kerstgis rotmeester
Claes schroer
Peter Albertsz.
Jan van Tessel
Feycke goldtsmidt
Jan tymmerman

D. Hans backer
Jan kistemaker
Jan Syurdtsz. smidt
Douwe Botnija met drie huyssteden
Schelte Pybez.
Marten by 't gasthuijs
Hijlck turffoerder
De pelsser, een camer
Jan Lambertsz. pauper
rotmeester Geerliff drager, een camer
Peter Meech, een camer
Douwe Kempis, een camer
Lambert opte horn
Frans Arijsz.
Die Doctor
Frerick schoemaker

E. Jarich Mellisz.
Hanskens weduwe

Latus XXIII huijsen IIII camers

lv
Brecht Sickes
Jan schroer
IJmcke Jan Belieuws
Dirck Lambertsz.
jonge Meijlez.
Pijbe backer
Haes Douwe Rompta weduwe
Claes Albertsz.
Jacob Reynersz.
Jan Kukens huijs
Haetze Pietersz. rotmeester

F. Jarich scoemaker
Peter smidt
Syurdt Claesz.
Schelte Claesz. rotmeester
Pieter Jellisz.
Doede Abbez.
Peter Harmansz.
Jan Brandt
Pieter smidts huijs, een camer
Roeleff Seerpsz.
groote Albert
Gaucke Minnez.
G. Henrick van Boeckel
Ysbrant decker
Jan Tadis
Tzalingh cuper

Latus XXV huijsen een camer

(lutke Albert
(Geert Gerryts - [beide zijn] camers
croepel Jan, pauper
Cornelis leydecker
Ghystgen Peters weduwe
Jan glaesmaker rotmeester
Foecke de leydecker
Evert wever
Reijner pelsser
Haetze Petersz.

H. schipper Binnerts weduwe
crolle Tijaerdt
Heijn pelsser
Lyeuwe cuper
Jan Tyedis
Huberts weduwe
Gerrijt Bandt
Stijnke pauper
Robert pelsser
Wijbe Lyeuwez.
Peter tymmerman
Lyeuwe Wijbez. rotmeester
Geercke Feyckesz. huys
Evert molner

Latus XX huysen II camers

Anno '39 (1539) Elcke bijt XXIIII voeten wijt en XX voeten lanck, in alles 63 camers, 386 huysen *)
*) Privilegieboek der stad Franeker, fol. 48r-55v, Gemeente-archief Franeker.

Het Geroldt of Gerrold van Herema ferndell, verndeel, kwar-
tier of wijk was genoemd naar de Franeker edelman van die
naam, gehuwd met Luts of Lucia Sjaerdema, wonende op
Sjaerdemaslot, wiens hornleger en omgeving dan ook tot dit
deel der stad behoorden, evenals 't Dekemahuis. Later kreeg
deze wijk de naam van Zuiderkwartier (17de eeuw). Merk-
waardig is wel, dat bij de woningen van deze wijk geen op-
gave is vermeld omtrent de namen der rot- en wijkmeesters,
evenmin wat betreft de plaats en da grootte der bijten, zulks
in tegenstelling met de andere drie kwartieren.
"Hessel Aesga zoons ferndel" dankte zijn naam aan Hessel
Aesgezoon, broer van Aesge Aesgezoon van Hoxwier, ge-
huwd met Edwerd van Herema, dochter van bovengenoemde
Geroldt Taeckes van Herema. Beide broers vervulden toen
een functie in het stedelijk bestuur van Franeker, vermoede-
lijk als burgemeester. Het naar hen genoemde kwartier strek-
te zich uit van het Botniahuis tot de Westerpoort, dus het
midden en Noorden der stad, terwijl ook het Martenehuis,
het Hottingahuis en Roosendaal, waar toen de Saksische heer
Brugslegel woonde, er nog deel van uitmaakten, aldus het
gehele Voorstraat en Noord-gedeelte, later Noorderkwartier
geheten.
In de Folckert Pietersz. wijk of verndeel, genoemd naar de
Franeker burgemeester van die naam, woonden de meeste
ambachtslieden en ook de schuitmakers of scheepsbouwers
van het West, dat er met Hocquaerdt en andere westelijke
delen der stad onder behoorde, later Westerkwartier geheten,
terwijl "Heer Julius ferndel" wel zijn naam ontleend zal heb-
ben aan de olderman Julius van Botnia, doch diens huis stond
er niet in, want het vormde grotendeels het Oostelijk stads-
gedeelte.
Ook deze namen der vier verndeels of wijken waren slechts
tijdelijk, want in een magistraatsbesluit van 11 Dec. 1548
(Privilegieboek) vonden wij reeds de namen Mr. Jarich van
Dekama verndeel, Roelandts verndeel, Hero van Ockama
verndeel en Otto Bauckezoons verndeel, waarvan hetzelfde
geldt als van de bovenvermelde namen in 1536.

62

Verdedigingswerken in de 17de eeuw

Een summiere beschijving van de toenmalige versterkings-
werken van Franeker levert het volgende beeld op, waaruit
men zal zien, dat ook de fortificaties sedert de 16de eeuw
nog maar weinig veranderingen hadden ondergaan. De on-
geveer eironde vorm van het grondoppervlak, waarop de
Franeker binnenstad was verrezen, had toch nog twee uit-
springende hoeken, n.l. in het Noordwesten bij de Noorder-
poort en in het Zuidoosten bij de Oosterpoort. Hier waren
dan ook de enige ravelijnen aangebracht in de stedelijke ver-
sterkingswerken en het bewijst opnieuw, dat de eigenlijke
verdedigingswerken van de stad in militaire zin toch niet zo
veel betekenden. Franeker is dan ook nimmer een vesting-
stad van enige betekenis geweest, al heeft zij enkele malen
een niet onbetekenend beleg doorstaan. Haar voornaamste
defensieve kracht vond zij in de nog al hoge bolwerken, ver-
sterkt door een diepe buitengracht, drie land- en vier water-
poorten. Deze poorten waren in de loop der 17de eeuw wel
versterkt geworden, hetgeen bij vergelijking met hetgeen
daarover reeds is medegedeeld in een vorig hoofdstuk, uit
de volgende details kan blijken. Bij de Oosterpoort was de
hoge ronde toren afgebroken en men had daar een bastion
aangebracht met een lange valbrug over de gracht. Ook de
Westerpoort aan de rijweg naar Harlingen had zulk een
valbrug, althans omstreeks 1780, daarvóór zelfs twee. De
Noorderpoort werd omstreeks die tijd geheel in Jonische stijl
herbouwd. Door deze poort kwam men eerst in het ravelijn
en vandaar over een valbrug en een fraaie stenen brug door
een wat pompeus aandoend ijzeren hek, gevat tussen twee
blauwe arduinstenen zuilen, op de rijweg naar Leeuwarden.
De Buiskool, oost van de Oosterpoort in de stadswal, was
met zijn zware pijnappel van een torenspits nog steeds een
soort van monumentje, waaraan tevens de Leeuwarder wa-
terpoort hecht was verbonden, doch die oude toren werd
zelden meer gebruikt, in hoofdzaak om munitie te bewaren.
Even buiten de Dongjumer waterpoort had men vóór 1780
al een scheepstimmerwerf gebouwd en wat verder een kalk-
branderij, een bewijs van de toen vreedzame uitgroei der
stad, waardoor de, vergeleken met het geheel, wel zwaar
versterkte poortwerken, helemaal hun defensief karakter
verloren. Het stadskruit- en ammunitiehuis was tot in het
laatst der 18de eeuw nog steeds ondergebracht in de oude
dikke toren, die daarom ook als Ammunitietoren op de oude
plattergonden voorkomt. Ook de Dongjumer waterpoort had
er in deze tijd nog twee ouderwetse zeskantige torens bij-
gekregen, maar de torens tussen de Harlinger waterpoort
en het Oostelijk ravelijn waren toen al dusdanig in verval,
dat men ze reeds half afgebroken en niet herbouwd had.

Stadspoorten en bruggen voor binnen- en buitengracht

*) Naar een beschrijving in de Franeker Courant van Zondag 24
Augustus 1890, no. 68, niet ondertekend, maar vermoedelijk van de hand
van J. Mulder of van E. Telinga.

In het jaar 1664 heeft aan de Noordkant van Franeker, dicht
bij de thans bestaande bolwerksbrug, een spitse toren ge-

63

staan, waarin een poort met zware deuren; boven in de toren
was een doorgang langs het bolwerk. Deze toren is in 1668
gedeeltelijk weggruimd en in 1781 de poort met een daarop
staand huis. Een nieuwe met de vereiste ornamenten werd
toen gebouwd en is in 1842 tot de grond geslecht.
De wringe of dwinger bij de houten brug van de binnen-
gracht, waarop een molen en molenaarswoning, bestond
reeds lang voor 1556. Daar ter plaatse werd in 1584 een
sterke schans gemaakt. Tegenover die versterking was het
wachthuis geplaatst. In 1690 werd een nieuwe houten brug,
waarin twee valbruggen, over de buitengracht gemaakt en
en een nieuwe vaste brug over de binnengracht en in 1747
een stenen pijp inplaats van de houten brug. In 1776 is buiten
het Noord door Johannes Fransen te Achlum een nieuwe
stenen brug gemaakt, waarin een valbrug. Twee jaren later
werd het fraaie ijzeren hek, van weerskanten draaiende, in twee
met gewerkte zware zuilen van blauwe steen, geleverd door
de Lange te Leeuwarden. In 1855 werd een gedeelte van de
binnengracht gedempt.
In 1597 werd op de Westerpoort, die met een sterke muur
omgeven en met deuren voorzien was, een wachthuis ge-
bouwd; buiten deze waren toen twee valbruggen. In 1767
werden de muren rondom de poort vernieuwd. In 1785 is een
nieuwe valbrug gemaakt, in 1806 het daarop staande wacht-
huis weggeruimd en in 1850 werd de poort afgebroken.
In 1585 werd de prachtige en sterk gebouwde Oosterpoort,
die versierd was met ornamenten en evenals de Noorder- en
Westerpoort met deuren voorzien voor een gedeelte en in
1850 geheel afgebroken.
In 1592 werd een wachthuis gebouwd bij de Oosterschans:
buiten de poort waren twee valbruggen.
De Leeuwarder waterpoort, waarvoor houten deuren, werd
afgebroken en weder opgebouwd in 1778. Bij die poort was
gebouwd een fraaie antieke toren (de Buiskool). Deze is in
1860 tot de grond toe geslecht.
De Dongjumer waterpoort, waarop een wachthuis en ter
weerszijden een toren, moest in 1801 belangrijke herstellingen
ondergaan. Het wachthuis kwam toen onder de moker en
de torens werden enige jaren daarna ook zó bouwvallig,
dat zij moesten worden afgebroken.
Toen het Sjaardemaslot tussen Noorder- en Westerpoort
nog intact was, met een uitspringende onregelmatige cirkel,
was zijn groot dwarshuis met twee zware achterhuizen naar
het Westen, een robuste toren in het Zuidwesten en een
kleinere in het Noordoosten a.h.w. ook in het verband der
versterkingswerken der stad aan de Westkant opgenomen,
al bleef dit gedeelte dan natuurlijk ook zuiver particulier
eigendom. Doch in zijn tijd bezat het slot zowel aan de voor-
als achterzijde "een sterk dwingend vermogen", merkte een
17de eeuwse stadsbeschrijver niet zonder ironie op!

Een rondwandeling door de stad

We zullen nu, geleid door die gids, even een wandeltochtje
door dit 17de en 18de eeuwse Franeker te maken. De Wester-
poort binnenrijdende, kwam men eerst in de Vijverstraat, die
volgens hem haar naam dankte aan de grote vijver rondom
Sjaardemaslot, hoewel anderen, en met meer recht, die naam
afleidden van de stadsvijver buiten de Westerpoort, waaraan
de Vijverstraat in het Zuidwesten grensde. Door de Vijver-
straat de gebouwen der hogeschool passerende, staan we,
rechts de hoek omslaande, eerst voor Rosendal of Roozen-
daal, toen als Diakonieweeshuis in gebruik, waar in de 16de
eeuw Brugslegel, de Saksische raad van hertog George had
gewoond en dat later bij het gebouwencomplex der Psychia-
trische Inrichting is getrokken, evenals het drie huizen verder
gelegen Hottingahuis. Aan dit gedeelte van de Voorstraat
werd onder een rijtje bomen de vismarkt gehouden, in ver-
band waarmee de Voor- of Hoogstraat ter plaatse ook de
naam "Vischmerckt" droeg. Het front van het Hottinghuis
met de breedtezijde aan de straatkant kwam in grootte en
bouworde vrijwel overeen met het verder op gelegen Mar-
tenahuis met dit verschil, dat het Hottingahuis een klein to-
rentje midden op het dak had, terwijl de toren van het Mar-
tenahuis achter deze stins staat. Vervolgens passeerde men
de "Butter-waghe" of het Waaggebouw, waar thans de in-
gang van het Post- en Telegraafkantoor is, daarna de poort
der Bursa, het kosteloos internaat voor onvermogende studen-
ten - vandaar op de oude plattegronden van Franeker de La-
tijnse benaming Bursa Patriae publica - en vier huizen verder
het Martenahuis. Hier droeg de Voorstraat toen nog algemeen
de naam van "Hoochstraet". Deze steeds volgende, bereikt
men om de hoek het grote dwarshuis van het Botniahuis met
de uitgestrekte tuin of hof, waardoor in 1598 de Kerkstraat was
geprojecteerd. Over de brede binnengracht, welke de beide zij-
den van de Hoog- of Voorstraat scheidde, waren niet minder
dan zes bruggen gebouwd, waarvan die tegenover de Waag
de Waagbrug heette, terwijl de brug tegenover het Cammin-
gahuis de Butterbrug werd genoemd, naar de botermarkt
aldaar.
Over de Stads "plaets oft Merckt" gaande, thans de Brede-
plaats, het oudste en hoogste deel en tevens het hart der stad,
waar het statige dwarshuis van het Dekemahuis een fraai front
aan de zuidkant van het niet te grote plein maakte, wandelde
men vervolgens de Dijkstraat in, waarvan het gedeelte tot de
Mauritsbrug toen nog "de nieuwe straet" heette, ook wel kort-
weg "de Dijck". De flap- of valbrug bij het toenmalige Klaar-
kampster weeshuis - thans Diakonaal verzorgingshuis voor
ouden van dagen - heette in de 17de eeuw vrij algemeen de
Tolbrug, omdat hier tol werd geheven in de binnengracht van
de doorvarende schepen, evenals bij de boom aan of liever even
buiten de Oosterpoort in de buitengracht. Deze tollen werden
door de stedelijke regering nu eens om de tien en dan weer om
de vijf jaren verpacht aan de hoogste bieder. Die bij de Tol-
brug ter verbinding van de beide gedeelten der Dijkstraat
bracht in de 17de en 18de eeuw gemiddeld 500 gld per jaar
op, in verband waarmee hier op stadskosten een wachthuisje
bij de brug was gebouwd. Ook de Vismarkt en de Bank van
Lening werden periodiek ten behoeve van de stedelijke finan-
ciën verpacht en alle vier objecten leverden de fiscus een niet
onbelangrijk bedrag op ter dekking van de uitgaven der stad.
Bij het weeshuis dan vervolgens links afslaande, passeerde men
de Godsacker, met het langs de binengracht loodrecht op de
Dongjumervaart gelegen Froonacker, een der oudste gedeelten
der stad, verder de Zilverstraat, die echter op de plattegrond
van Blaeu ca. 1650 Ooster Molenstraat heette, aangezien ze
naar de Oostermolen op de Molenpolle leidde, terwijl de platte-
grond van 1664 weer Silverstraet vermeldt.
Een soortgelijk verschil vindt men ook tussen beide platte-
gronden ten aanzien van de straatnamen Koudal of Coudal,
dat op de plattegrond van Blaeu de naam voor de huidige
Groenmarkt en Eise Eisingastraat was, terwijl die van 1664
de naam Coudal bij het Noord-ZZ plaatst en beide
weer overeenstemmen in de oude benaming voor Noord-
NZ, n.l. Noorder Molenstraat, omdat ze leidde naar
de molen buiten de Noorderpoort en nog dichter bij naar die
op het einde der Molensteeg. Deze en de Gasthuissteeg,
(omdat Zuid van Botniahuis (Koornbeurs) een der oudste
gasthuizen van Franeker had gestaan), vormden de verbin-
ding tussen Noord N.Z. (Noorder Molenstraat) en Noor-
derbolwerk, destijds nog niet met huizen bebouwd en bijna
uitsluitend begrensd door tuinen, met uitzondering van
Kleijenburgh, een rij van negen huizen, tegenover de Noorder-
poort. Langs Hockaert (Hocquart) met zijn toen nog enkele
rij huizen en over de Hockaertsbrug door de Sjaerdemastraat,
die in het midden der 17de eeuw ook al die naam droeg,
kwam men dan weer op het uitgangspunt voor het Sjaer-
demaslot terug. De Tuinen en het Vliet, de eerste pas in
de 17de eeuw, het tweede reeds in de 16de eeuw, vormden
de enige delen buiten de stadsgracht, welke als behorende
tot de eigenlijke stad, reeds toen met huizen en andere ge-
bouwen bezet en dus bewoond waren.

De "tuinen" nog tuinen

In 1610 had de stad namelijk de grond voor de Tuinen ge-
kocht van Dr. Sicke van Dekama, wonende te Leeuwarden,
bestaande uit twee percelen fenneland ter grootte van bijna

64

tien pondemaat *).
*) De koopbrief vindt men onder nr. 585 van het Gemeente-archief,
volgens welke Lambert Staeckmans en Wijtze van Beijem optreden
als volmachten van burgemeesters en raden van Franeker door tus-
senspreken van Jhr. Julius van Botnia, Sieuwcke Rijuerdts Bants, bur-
gemeester en Douwe Hoijtes, gezworen gemeensman.
In 1617 werden deze tuinen door bur-
gemeesteren en raden verpacht en de grenzen der percelen
afgebakend door palen. Ook kon men een deel er van kopen,
doch de kopers werden verplicht, om de tuinen met linden
of iepen te beplanten en een behoorlijk pad op hun kosten
aan te leggen. De bedoeling zal wel geweest zijn, dat een
deel dezer gronden voor groenten- en fruitteelt gereserveerd
bleef, want enkele jaren later, in 1626, maakte de magistraat
opnieuw voorwaarden bekend, ingevolge waarvan het col-
lege voornemens was te verpachten zeker stuk land, groot
omtrent 4 pondemaat, ten Zuiden van de stad achter de
Tuinen. Hierbij werd bedongen, dat de pachter op het Zuid
van de Tuinen zou laten liggen tot een wandelplaats en
ingang van een ieders tuin een "cingel" ter breedte van 8
houtvoeten en die op de wal langs het water met bomen be-
planten, terwijl het perceel op de Westhoek met een poort
moest worden afgesloten.
Ook bevat het archief op het jaar 1627 een specificatie van
de onkosten tot de bouw van twee houten bruggen nevens
de Tuinen, die men toen nog niet anders dan via het Vliet
kon bereiken. In 1644 werden de Tuinen opnieuw verpacht
en van de aldaar verkochte gronden trok de stad jaarlijks
haar grondpachten evenals van op dezelfde wijze verkochte
bouwgronden in het Kaatsveld en de Vijverstraat. Omstreeks
het midden der 17de eeuw vond men in de Tuinen reeds
vijftien woningen of andere gebouwen, dienstig voor land-
en tuinbouw, handel en nijverheid.

Marktbedrijvigheid in het centrum

Na het uitstapje naar de Tuinen keren we terug naar het
centrum der stad, waar het huidige Raadhuisplein ook een
marktterrein was en wel voor zuivelproducten. We herin-
nerden op onze tocht door de stad hier al aan de Butterbrug,
die van de Voorstraat naar het Nauw of de "Suijp merckt"
leidde, waar de stedelingen reeds in de 16de eeuw "suip"
of karnemelk (sûpe) konden kopen. Dit zuiver Stadfriese
woord dat we evenals "geuten" voor goten (waterafleidin-
gen) e.d. enige malen in de bescheiden van het archief tegen-
komen, bewijst met namen als "Butterbrugge" e.a., hoe het
idioom van een eigen Franeker patois zich allengs aftekende
in de officiële publicaties vanwege de magistraat, bijv. de
21 September 1594 een verbod van het te koop uitstallen
van eetwaren ergens anders in de stad dan op en bij de
"Botterbrugge", het venten met zulke waren eer ze ter markt
zijn geweest, zomede door "vreemden" ("frjemden"), het ter
markt brengen van te lichte stukken boter, van te kleine
"suipvaten", het aanmengen van "suip" met water enz.
Overtreding van dit verbod kon zelfs gestraft worden met
"aan een paal, aldaar op de borstwering staande, gesteld te
worden", een soort kaakstraf dus, die elders onder de ere-
straffen meer veelvuldig dan te Franeker geschiedde, werd
toegepast.

Dwarsstraten ter verbinding van de hoofdstraten

Behalve door het Nauw werd de verbinding tussen de Voor-
straat en het Noord Z.Z., dus wat we reeds als "Koudal"
en voor het laatste gedeelte als "de Greide" tegenkwamen
op oude plattegronden, onderhouden door de Grote en Kleine
steeg (plattegrond 1650), of Wijde en Nieuwe steeg (platte-
grond 1664), zoals ze ook nu nog het meest heten. Andere
dwarsstraten ter verbinding van de hoofdstraten waren nog
Achter de Waag (Waagstraat), die op de plattegrond van
1650 echter voorkomt onder de naam van Schilbanck, even-
als het straatgedeelte, dat thans Academiestraat heet, als-
mede de overzijde ervan, dat thans alleen nog Schilbanken
genoemd wordt, in tegenstelling met de Schilcampen in het
verlengde ervan.
Achter de Waag kwam men halverwege over een brugje
naar het Eilandje of de Petercelystraat, in de 16de eeuw
Paterceliestraat geheeten, toen daar enkele armekamers wa-
ren gebouwd, waarvan er in 1598 door de magistraat o.a.
twee aan de familie van Jhr. Carolus van Sternsee en van Jhr.
Tsjalling van Botnia waren gegund in ruil of ter vergoeding
van een kamer, door deze beide familiën afgestaan voor het
toen pas gestichte weeshuis. Nadat in 1600 hier nieuwe
wallen waren gemaakt op kosten der stad, verkochten bur-
gemeesteren en raden in 1617 drie kamers op de Zuiderhoek
van de Paterceliestraat, zoals ze in de verkoopbrief toen nog
werd genoemd. Vijf jaren later deed zich hier een eigen-
aardig geval voor, in verband waarmee "de geburen tot de
houten brug van de Paterceliestraat naar de Schilbank", dus
tegenover het voormalige stads Proevenhuis, protesteerden
tegen het voornemen, "om een schip te maken, dat met ge-
weld door die brug gehaald zou moeten worden". Het is
wel jammer, dat geen verdere bescheiden in het archief ons
kunnen inlichten over de goede of slechte afloop van deze
curieuze kwestie!

Stadslijnbanen te Franeker

Andere dwarsstraten of -stegen waren nog de reeds ge-
noemde Kerkstraat, Lijnbaanstraat, zo genoemd naar een der
drie lijnbanen, welke destijds op of aan de Heerengracht of
het Nieuwerck stonden, ook Nieuwe graft en Nieuwe hof-
straet geheten. De lijnbaan of touwslagerij was in de 17de
en 18de eeuw te Franeker een veel beoefende kleinindustrie
en in het archief zijn dan ook veel aanvragen, om zulk een
lijnbaan te mogen exploiteren, bewaard gebleven. Zo was er
in 1631 zulk een lijnbaan ten Westen van Sjaardemahof.
staande op het bolwerk met een huisje erbij, waarover niet
de stad doch de eigenaren van dit slot de beschikking
hadden. *)
*) Gemeente-archief, nr. 804.
Hier woonde toen Pieters Jans van Coelen en hij oefende met
vergunning van Jhr. Ruurd van Juckema het beroep van
lijndraaier of touwslager uit. Ook stond er destijds zulk een
lijnbaan, nog wel stadslijnbaan of "lane" genoemd, naast de
woning van de secretaris J. van Ghemmenich, die in 1645
het voormalige Egmondshuis aan de Dijkstraat bewoonde.
Dit grensde onmiddellijk aan het hoekhuis Dijkstraat-Lijn-
baanstraat, waarover sedert genoemd jaar veel te doen is
geweest in verband met de toen doorgevoerde doorgraving
om de beide grachten op Godsakker aan de z.g. "nieuwe"
Dijk (straat) en in het Nieuwhof aan de Lijnbaan of de Lane,
daar dood lopende, samen te brengen. *)
*) Ibidem nr. 917.
Met Jacobus van Ghemmenich was daartoe een overeen-
komst aangegaan, wiens hof of tuin door het graven der
geprojecteerde binnengracht en de aanleg der straten ter
weerszijden nog al zou lijden, die in ruil en ter vergoeding
van geleden schade bij wijze van wandelkoop voos de grond,
die hij afstond, in vrije eigendom ontving de Stadslijnbaan of
Lane ten Westen van zijn huis en hof. Doch in 1659 werd
daarover de stad nog een proces aangedaan door Mr. J. van
Ghemmenich, die toen beweerde de lijnbaan weer te hebben
moeten afstaan aan Jhr. Julius van Dekama.
De lijnbaan in het Sjaardemahof heeft het langst bestaan.
Want nadat blijkens een origineel contract, mede bewaard
in het archief der gemeente, Jhr. Duco Martena van Bur-
mania in 1652 aan Hendrik Pieters een strook grond in die
hof langs het bolwerk had afgestaan, om daarop te bouwen
een besloten en overdekte lijnbaan, waarin ook de bewoner
of gebruiker van het slot, Jhr. Barthold van Ostheim, had
toegestemd, bleef deze lijnbaan bestaan tot 1822. In dit jaar
presenteerden namelijk J. J. Houtsma c.s. aan burgemeesteren
der stad Franeker een request, waarin zij verklaarden de
lijnbaan, aan de stadswal, bij het Armhuis staande, door hen
gekocht en bestemd om afgebroken te worden, aan de stad
gratis te willen afstaan met het ledige erf er bij, mits de stad
de twee staketsels ter afscheiding van het ledige erf en de

66

stadswal alsmede van de Armhuistuin in onderhoud wilde
overnemen, hetgeen door de raai werd aanvaard. Dit was
de oude lijnbaan van Sjaardemahof geweest, terwijl die bij
de Herengracht nog in 1674 en 1689 werd genoemd, toen
er een houten brug ter plaatse in onderhoud werd aanbevo-
len bij de daartoe betrokken onderhoudplichtige huizen "op
het Noord van de Lijnbaan over de Heeregracht".
De Vossegatsteeg ter verbinding van de Schilcampen met het
Zuiderbolwerk is een naam, die ook van elders bekend is,
doch zich voor de Franeker toponymie moeilijk zonder enige
bescheiden daarover laat verklaren. Dat geldt niet van de
Schoolsteeg, van de Godsacker leidende naar de Triviale,
Latijnse of Stadsschool in de Zuidoosthoek van het Martini-
kerkhof, maar wel van de Snoep-, ook Snob- of Kloksteeg,
van de Noordzijde van het kerkhof naar Koudal of Groen-
markt, warvan alleen als aequivalent de Snobfenne in een
der bescheiden van het archief wordt genoemd. De Brol voor
het oudste Botniahuis, dat tegenover het Raadhuisplein als
vierde marktplaats in Oud-Franeker bij herhaling wordt ge-
noemd, alsmede het Schoenmakersperk in het Zuidoosten bij
de Nieuwe Hof, waar de leerlooiers en schoenmakers waren
gevestigd in verband met een hun toegewezen terrein met
binnengracht voor het looien en bereiden der huiden tot leer,
zijn straatnamen, welke hiermede voldoende verklaard zijn,
terwijl beide ook met dezelfde strekking en betekenis in het
stratenboek van Oud-Leeuwarden voorkomen.

>> begin